Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden

Part 59

Chapter 592,750 wordsPublic domain

Touwslagerij, V., -slagerijen.

Touwstopper, M., -stoppers.

Touwtjespringen, O.

Touwwerk, O.

Traag, trager, traagst.

Traagheid, V.

Traaglooper, M., -loopers.

Traan (oogvocht), M., tranen. Traantje, O., -jes.

Traan (vischolie), V.

Traanachtig, -achtiger, -achtigst.

Traanbuis, V., -buizen; -buisje, O., -jes.

Traanklier, V., -klieren.

Traankoker, M., -kokers.

Traankokerij, V., -kokerijen.

Traanoog, O., -oogen.

Traanoogen, traanoogde, heeft getraanoogd.

Tracasserie, V., tracasserieën.

Trachten, trachtte, heeft getracht.

Tractaat (verdrag), O., tractaten.

Tracteeren (behandelen), tracteerde, heeft getracteerd.

Traditie, V., traditiën en tradities.

Traditioneel, traditioneele.

Trafiek, V., trafieken.

Tragedie, V., tragediën en tragedies.

Tragisch.

Traject, O., trajecten.

Traktaatje (vertoogje), O., -jes.

Traktant, M., traktanten.

Traktatie, V., traktaties.

Trakteeren (onthalen), trakteerde, heeft getrakteerd.

Traktement, O., traktementen. Traktementje, O., -jes.

Traktementsdag, M., -dagen.

Traktementsverhooging, V., -verhoogingen.

Tralie, V., tralies en traliën. Tralietje, O., -jes.

Traliedeur, V., -deuren.

Tralieluik, O., -luiken.

Traliën, traliede, heeft getralied.

Tralievenster, O., -vensters.

Traliewerk, O.

Tram, V., trammen en trams.

Tramboekje, O., -boekjes.

Tramconducteur, M., -conducteurs.

Tramdienst, M., -diensten.

Tramhalte, V., -halten.

Tramkaartje, O., -kaartjes.

Tramkilometer, M., -kilometers.

Tramkoetsier, M., -koetsiers.

Tramlijn, V., -lijnen.

Trammen, tramde, heeft en is getramd.

Tramontane, V.

Trampaard, O., -paarden.

Tramreiziger, M., -reizigers.

Tramverbinding, V., -verbindingen.

Tramverkeer, O.

Tramwagen, M., -wagens.

Tramweg, M., -wegen.

Tranen, traande, heeft getraand.

Tranendal, O.

Tranenlach, M.

Tranenvloed, M.

Tranig, traniger, tranigst.

Tranigheid, V.

Trans, M., transen.

Transactie, V., transactiën en transacties.

Transcendentaal, -ale.

Transigeeren, transigeerde, heeft getransigeerd.

Transitief, transitieve.

Transito, O.

Transito-handel, M.

Transitoir.

Translaat, O., translaten.

Translateeren, translateerde, heeft getranslateerd.

Translateur, M., translateurs.

Transparant.

Transparant, O., transparanten. Transparantje, O., -jes.

Transpiratie, V.

Transpireeren, transpireerde, heeft getranspireerd.

Transport, O., transporten. Transportje, O., -jes.

Transportarbeider, M., -arbeiders.

Transporteeren, transporteerde, heeft getransporteerd.

Transporteur, M., transporteurs.

Transportkosten (mv.), M.

Transportschip, O., -schepen.

Transportwagen, M., -wagens.

Transsubstantiatie, V.

Trant, M.

Trap (schop), M., trappen.

Trap (trede), M., trappen. Trapje, O., -jes.

Trap (al de treden te zamen), V., trappen. Trapje, O., -jes.

Trapezium, O., trapeziums.

Trapezoïde, V., trapezoïdes.

Trapgans, V., -ganzen; -gansje, O., -jes.

Trapgat, O., -gaten.

Trapladder, V., -ladders.

Trapleuning, V., -leuningen.

Traplooper, M., -loopers.

Trapmachine, V., -machines.

Trappelen, trappelde, heeft getrappeld.

Trappen, trapte, heeft getrapt.

Trappist, M., trappisten.

Trappistenbier, O.

Trapportaal, O., -portalen.

Trapsgewijze en -gewijs.

Trapswijze en -wijs.

Tras, O.

Trasmolen, M., -molens.

Trasraam, O., -ramen.

Trasrok, M., -rokken.

Trassen, traste, heeft getrast.

Travaat, M., travaten.

Travalje, V., travaljes.

Traven, traafde, heeft getraafd.

Traverse en Travers, V., traversen.

Traverseeren, traverseerde, heeft getraverseerd.

Trawant, M., trawanten.

Trechter, M., trechters. Trechtertje, O., -jes.

Trechtervormig.

Tred, M., treden. Tredje, O., -jes.

Trede en Tree, V., treden en treeën. Treetje, O., -jes.

Treden, trad, traden, heeft en is getreden.

Treder, M., treders.

Treedsel, O., treedsels.

Treeft, V., treeften. Treeftje, O., -jes.

Treek, M., treken. Treekje, O., -jes.

Treemolen, M., -molens.

Treerad, O., -raderen.

Tref, M.

Treffelijk, -lijker, -lijkst.

Treffen, trof, troffen, heeft getroffen.

Treffen, O.

Treffend, treffender, treffendst.

Trefkans, V.

Trefpunt, O., -punten.

Treil, M., treilen.

Treilen, treilde, heeft getreild.

Treiler, M., treilers.

Trein, M., treinen. Treintje, O., -jes.

Treinbeambte, M., -beambten.

Treincompagnie, V., -compagnieën.

Treinenloop, M.

Treinpersoneel, O.

Treinsmid, M., -smeden.

Treinsoldaat, M., -soldaten.

Treiteraar, M., treiteraars.

Treiteraarster, V., treiteraarsters.

Treiteren, treiterde, heeft getreiterd.

Treitering, V., treiteringen.

Trek, M., trekken. Trekje, O., -jes.

Trekband, M., -banden.

Trekbank, V., -banken.

Trekbeest, O., -beesten.

Trekbeugel, M., -beugels.

Trekdag, M., -dagen.

Trekdier, O., -dieren.

Trekezel, M., -ezels.

Trekgat, O., -gaten.

Trekgeld, O.

Trekgordijn, O., -gordijnen.

Trekhaak, M., -haken.

Trekhond, M., -honden.

Trekkar, V., -karren.

Trekkast, V., -kasten.

Trekkebeenen, trekkebeende, heeft getrekkebeend.

Trekkebekken, trekkebekte, heeft getrekkebekt.

Trekken, trok, trokken, heeft en is getrokken.

Trekker, M., trekkers.

Trekking, V., trekkingen.

Trekkingslijst, V., -lijsten.

Trekklep, V., -kleppen.

Trekkoord, O., -koorden.

Trekletter, V., -letters.

Treklijn, V., -lijnen.

Trekmuts, V., -mutsen.

Treknet, O., -netten.

Trekos, M., -ossen.

Trekpaard, O., -paarden.

Trekpad, O., -paden.

Trekpen, V., -pennen.

Trekpleister, V., -pleisters.

Trekpot, M., -potten.

Trekschuit, V., -schuiten.

Treksel, O., treksels.

Trekslede, V., -sleden.

Trekstang, V., -stangen.

Trekster, V., treksters.

Trektafel, V., -tafels.

Trektouw, O., -touwen.

Trekvaart, V., -vaarten.

Trekvogel, M., -vogels.

Trekweg, M., -wegen.

Trekzaag, V., -zagen.

Trema, O., trema's.

Tremel, M., tremels.

Trens, V., trenzen. Trensje, O., -jes.

Trenzen, trensde, heeft getrensd.

Trenzing, V.

Trepaan, M., trepanen.

Trepaneerboor, V., -boren.

Trepaneeren, trepaneerde, heeft getrepaneerd.

Trepaneering, V., trepaneeringen.

Tres, V., tressen.

Treurberk, M., -berken.

Treurbeuk, M., -beuken.

Treurdicht, O., -dichten.

Treuren, treurde, heeft getreurd.

Treuresch, M., -esschen.

Treurgewaad, O., -gewaden.

Treurig, treuriger, treurigst.

Treurigheid, V.

Treurmare, V., -maren.

Treurmarsch, M., -marschen.

Treurmuziek, V.

Treurroos, V., -rozen.

Treurspel, O., -spelen.

Treurspeldichter, M., -dichters.

Treurtooneel, O., -tooneelen.

Treurwilg, M., -wilgen.

Treurzang, M., -zangen.

Treuzel, M. en V., treuzels. Treuzeltje, O., -jes.

Treuzelaar, M., treuzelaars.

Treuzelaarster, V., treuzelaarsters.

Treuzelachtig, -achtiger, -achtigst.

Treuzelen, treuzelde, heeft getreuzeld.

Treuzelig, treuzeliger, treuzeligst.

Treuzelwerk, O.; -werkje, O., -jes.

Trezoor, O., trezoren.

Trezorie, V., trezorieën.

Trezorier, M., trezoriers.

Trezorierschap, O.

Triangel, M., triangels. Triangeltje, O., -jes.

Triangulatie, V., triangulatiën.

Tribulatie, V., tribulatiën en tribulaties.

Tribunaal, O., tribunalen.

Tribunaat, O.

Tribune, V., tribunes.

Tribuun, M., tribunen.

Trichine, V., trichinen.

Tricot, O., tricots. Tricootje, O., -jes.

Trielje, V., trieljes.

Trieljen (bnw.).

Triest, triester.

Trigonometrie, V.

Trigonometrisch.

Trijp, O., trijpen.

Trijpen (bnw.).

Trijs, M., trijsen.

Trijsblok, O., -blokken en -bloks.

Trijsen, trijste, heeft getrijst.

Triktrak, O.

Triktrakbord, O., -borden.

Triktrakken, triktrakte, heeft getriktrakt.

Tril, M.

Trilborstel, M., -borstels.

Trilgras, O.

Trilhaar, O., -haren; -haartje, O., -jes.

Trillen, trilde, heeft getrild.

Triller, M., trillers.

Trilling, V., trillingen.

Trillingsgetal, O., -getallen.

Trillioen, O., trillioenen.

Trimester, O., trimesters.

Trio, O., trio's.

Triomf en Triumf, M., triomfen.

Triomfant.

Triomfantelijk.

Triomfboog, M., -bogen.

Triomfeeren, triomfeerde, heeft getriomfeerd.

Triomflied, O., -liederen.

Triomftocht, M., -tochten.

Trip, V., trippen. Tripje, O., -jes.

Tripel, O.

Trippelen, trippelde, heeft en is getrippeld.

Trippen, tripte, heeft getript.

Trits, V., tritsen.

Triumf, enz. Zie Triomf, enz.

Triviaal, trivialer, triviaalst.

Trivialiteit, V., trivialiteiten.

Troebel, troebeler, troebelst.

Troebelheid, V.

Troef, V., troeven. Troefje, O., -jes.

Troefkaart, V., -kaarten.

Troep, M., troepen. Troepje, O., -jes.

Troepenmacht, V.

Troepenpaard, O., -paarden.

Troepsgewijze en -wijs.

Troetel, M., troetels.

Troetelen, troetelde, heeft getroeteld.

Troeteling, V., troetelingen.

Troetelkind, O., -kinderen; -kindje, O., -jes.

Troeven, troefde, heeft getroefd.

Troffel, M., troffels. Troffeltje, O., -jes.

Trog, M., troggen. Trogje, O., -jes.

Troggelaar, M., troggelaars.

Troggelarij, V., troggelarijen.

Troggelen, troggelde, heeft getroggeld.

Troggelwinst, V., -winsten.

Troggelzak, M., -zakken.

Trom, V., trommen.

Trombone, V., trombones.

Trombonist, M., -isten.

Trommel, V., trommels en trommelen. Trommeltje, O., -jes.

Trommelen, trommelde, heeft getrommeld.

Trommelslag, M., -slagen.

Trommelslager, M., -slagers.

Trommelstok, M., -stokken.

Trommelvlies, O., -vliezen.

Trommelzucht, V.

Trommen, tromde, heeft getromd.

Trommer, M., trommers.

Tromp, V., trompen.

Trompet, V., trompetten. Trompetje, O., -jes.

Trompetten, trompette, heeft getrompet.

Trompetter, M., trompetters.

Tronen (zetelen), troonde, heeft getroond.

Tronie, V., tronies. Tronietje, O., -jes.

Tronk, M., tronken. Tronkje, O., -jes.

Troon, M., tronen.

Troonen (lokken), troonde, heeft getroond.

Troonhemel, M., -hemels.

Troonopvolger, M., -opvolgers.

Troonopvolging, V.

Troonrede, V., -redenen.

Troonsbeklimming, V.

Troonzaal, V., -zalen.

Troop, M., tropen.

Troost, M.

Troostbrief, M., -brieven.

Troostelijk, -lijker, -lijkst.

Troosteloos, -loozer.

Troosteloosheid, V.

Troosten, troostte, heeft getroost.

Trooster, M., troosters.

Troosteres, V., troosteressen.

Troostgrond, M., -gronden.

Troostlied, O., -liederen.

Troostrede, V., -redenen.

Troostrijk, -rijker, -rijkst.

Troostvol, -volle.

Troostwoord, O., -woorden.

Tropee, V., tropeeën. Ook Trophee.

Tropisch.

Tros, M., trossen. Trosje, O., -jes.

Trossen, troste, heeft getrost.

Trots, M.

Trots (bijw.).

Trots (voorz.).

Trotsch, trotscher, meest trotsch.

Trotschaard, M., trotschaards.

Trotschheid, V., -heden.

Trotseerder, M., trotseerders.

Trotseeren, trotseerde, heeft getrotseerd.

Trotseering, V.

Trotsen, trotste, heeft getrotst.

Trottoir, O., trottoirs.

Trottoirband, M., -banden.

Troubadour, M., troubadours.

Trouw, V.

Trouw, trouwer, trouwst.

Trouwbelofte, V., -beloften.

Trouwbreuk, V.

Trouwdag, M.

Trouwelijk.

Trouweloos, -loozer.

Trouweloosheid, V.

Trouwen, trouwde, heeft en is getrouwd.

Trouwens.

Trouwhartig, -hartiger, -hartigst.

Trouwhartigheid, V.

Trouwheid, V.

Trouwjapon, V., -japonnen.

Trouwkamer, V., -kamers.

Trouwlustig, -lustiger, -lustigst.

Trouwpak, O., -pakken.

Trouwpartij, V., -partijen.

Trouwplechtigheid, V.

Trouwring, M., -ringen.

Trouwrok, M., -rokken.

Trouwzaal, V., -zalen.

Truffeeren, truffeerde, heeft getruffeerd.

Truffel, V., truffels.

Truffelsaus, V., -sausen.

Truffelworst, V., -worsten.

Trui, V., truien. Truitje, O., -jes.

Truweel, O., truweelen. Truweeltje, O., -jes.

Tsaar, M., tsaren.

Tsarewitsj, M.

Tsaritsa, V., tsaritsa's.

Tuberculeus, tuberculeuze.

Tuberculose, V.

Tuberkel, M., tuberkels.

Tuberoos, V., tuberoozen. Tuberoosje, O., -jes.

Tucht, V.

Tuchteloos, -loozer.

Tuchteloosheid, V.

Tuchthuis, O., -huizen.

Tuchthuisboef, M., -boeven.

Tuchthuisstraf, V.

Tuchtigen, tuchtigde, heeft getuchtigd.

Tuchtiging, V., tuchtigingen.

Tuchtroede, V., -roeden.

Tuchtschool, V., -scholen.

Tufsteen, ook Dufsteen, (een steen), M., -steenen; (als stofnaam) O.

Tui, V., tuien.

Tuianker, O., -ankers.

Tuier, M., tuiers.

Tuiertouw, O., -touwen.

Tuig, O., tuigen. Tuigje, O., -jes.

Tuigage, V.

Tuigen, tuigde, heeft getuigd.

Tuighuis, O., -huizen.

Tuiging, V., tuigingen.

Tuil, M., tuilen. Tuiltje, O., -jes.

Tuimelaar, M., tuimelaars. Tuimelaartje, O., -jes.

Tuimelbank, V., -banken.

Tuimelen, tuimelde, is getuimeld.

Tuimelgeest, M.

Tuimeling, V., tuimelingen. Tuimelingetje, O., -jes.

Tuimelraam, O., -ramen; -raampje, O., -jes.

Tuimelvischje, O., -jes.

Tuin, M., tuinen. Tuintje, O., -jes.

Tuinanjelier, V., -anjelieren.

Tuinbaas, M., -bazen.

Tuinbank, V., -banken.

Tuinboon, V., -boonen; -boontje, O., -jes.

Tuinbouw, M.

Tuinbouwschool, V., -scholen.

Tuinder, M., tuinders.

Tuindeur, V., -deuren.

Tuinen, tuinde, heeft getuind.

Tuinfeest, O., -feesten.

Tuingereedschap, O., -gereedschappen.

Tuingewas, O., -gewassen.

Tuinhoed, M., -hoeden.

Tuinhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes.

Tuinier, M., tuiniers.

Tuinieren, tuinierde, heeft getuinierd.

Tuiniersalmanak, M., -almanakken.

Tuiniersbedrijf, O.

Tuinierswerk, O.

Tuinkamer, V., -kamers.

Tuinknecht, M., -knechts.

Tuinman, M., -lieden en -lui.

Tuinmanswoning, V., -woningen.

Tuinpad, O., -paden.

Tuinschaar, V., -scharen.

Tuinsieraden (mv.), O.

Tuinstaak, M., -staken.

Tuinstoel, M., -stoelen; -stoeltje, O., -jes.

Tuintafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes.

Tuinwerk, O., -werken.

Tuinzaad, O., -zaden.

Tuischen, tuischte, heeft getuischt.

Tuischer, M., tuischers.

Tuit, V., tuiten. Tuitje, O., -jes.

Tuitelachtig, -achtiger, -achtigst.

Tuitelen, tuitelde, heeft getuiteld.

Tuitelig, tuiteliger, tuiteligst.

Tuiten, tuitte, heeft getuit.

Tuitkan, V., -kannen.

Tuitpot, M., -potten.

Tuk, M.

Tuk (bnw.).

Tukje, O., -jes.

Tul, V., tullen. Tulletje, O., -jes.

Tulband (Turksch hoofddeksel en gebak), M., tulbanden. Tulbandje, O., -jes.

Tulbandsvorm, M., -vormen.

Tule, V.

Tulen (bnw.).

Tulp, V., tulpen. Tulpje, O., -jes.

Tulpebol, M., -bollen.

Tulpeboom, M., -boomen.

Tulpenbed, O., -bedden.

Tulpenhandel, M.

Tulpenkweeker, M., -kweekers.

Tulpenzaad, O.

Tulpestengel, M., -stengels.

Tult, V., tulten.

Tumbler, M., tumblers.

Tumult, O., tumulten.

Tunica, V., tunica's.

Tuniek, V., tunieken.

Tunnel, V., tunnels.

Turbine, V., turbines.

Tureluur, M., tureluren en tureluurs. Tureluurtje, O., -jes.

Tureluursch.

Turen, tuurde, heeft getuurd.

Turf (een enkele turf), M., turven; (collectief), V. Turfje, O., -jes.

Turfbak, M., -bakken.

Turfboer, M., -boeren.

Turfdrager, M., -dragers.

Turfgraven, O.

Turfhok, O., -hokken.

Turfkoker, M., -kokers.

Turfmand, V., -manden.

Turfmeter, M., -meters.

Turfmolm, M. en O.

Turfschip, O., -schepen.

Turfschipper, M., -schippers.

Turfsteken, O.

Turfstrooisel, O.

Turftijd, M.

Turfton, V., -tonnen.

Turftonnen, O.

Turftonster, V., -tonsters.

Turftrapper, M., -trappers.

Turfvuur, O., -vuren.

Turfzolder, M., -zolders.

Turk, M., Turken.

Turken, turkte, heeft geturkt.

Turkoois (steen), M., turkooizen; (stof), O.

Turkooizen (bnw.).

Turksch.

Turksch, O.

Turven, turfde, heeft geturfd.

Tusschen.

Tusschenbedrijf, O., -bedrijven.

Tusschenbeide (bijw.).

Tusschendek, O., -dekken.

Tusschendeks.

Tusschendeks, O.

Tusschendeksbatterij, V., -batterijen.

Tusschendekspassagier, M., -passagiers.

Tusschendeur, V., -deuren.

Tusschendijk, M., -dijken.

Tusschendijks.

Tusschendoor.

Tusschenerf, O., -erven; -erfje, O., -jes.

Tusschengelegen.

Tusschenhandel, M.

Tusschenhandelaar, M., -handelaars.

Tusschenin.

Tusschenkleur, V., -kleuren; -kleurtje, O., -jes.

Tusschenkomend.

Tusschenkomst, V.

Tusschenkwartier, O., -kwartieren; -kwartiertje, O., -jes.

Tusschenlaag, V., -lagen; -laagje, O., -jes.

Tusschenliggend.

Tusschenmuur, M., -muren; -muurtje, O., -jes.

Tusschenpersoon, M. en V., -personen.

Tusschenpoos, V., -poozen; -poosje, O., -jes.

Tusschenregeering, V., -regeeringen.

Tusschenruimte, V., -ruimten.

Tusschenschot, O., -schotten; -schotje, O., -jes.

Tusschensluis, V., -sluizen; -sluisje, O., -jes.

Tusschenspel, O., -spelen.

Tusschenspraak, V.

Tusschenspreken, O.

Tusschenspreker, M., -sprekers.

Tusschenstaat, M.

Tusschenstand, M., -standen.

Tusschentijd, M., -tijden.

Tusschentijds (bijw.).

Tusschentoon, M., -tonen.

Tusschenuit.

Tusschenuur, O., -uren; -uurtje, O., -jes.

Tusschenvak, O., -vakken; -vakje, O., -jes.

Tusschenvlaag, V., -vlagen; -vlaagje, O., -jes.

Tusschenvoeging, V.

Tusschenvoegsel, O., -voegsels en -voegselen; -voegseltje, O., -jes.

Tusschenwal, M., -wallen.

Tusschenwand, M., -wanden.

Tusschenweg, M., -wegen.

Tusschenwerpsel, O., -werpsels.

Tusschenzang, M., -zangen.

Tusschenzee, V., -zeeën.

Tusschenzin, M., -zinnen.

Twaalf, twaalven.

Twaalfdaagsch.

Twaalfde.

Twaalfdehalf, -halve.

Twaalfderhande.

Twaalfderlei.

Twaalfdoornig.

Twaalfduizendste.

Twaalfhoek, M., -hoeken.

Twaalfhoekig.

Twaalfhonderd.

Twaalfhonderdste.

Twaalfjarig.

Twaalfmaal.

Twaalfponder, M., -ponders.

Twaalftal, O., -tallen.

Twaalftallig.

Twaalfvingerig.

Twaalfvlak, O., -vlakken.

Twaalfvoud, O., -vouden.

Twaalfvoudig.

Twee (telw.). Als znw. V., tweeën. Tweetje, O., -jes.

Tweearmig.

Tweeblad, O.

Tweede.

Tweedraadsch.

Tweedracht, V.

Tweedrachtig, -drachtiger, -drachtigst.

Tweedrachtsappel, M., -appels.

Tweeduizendste.

Tweeërhande.

Tweeërlei.

Tweegevecht, O., -gevechten.

Tweehandig.

Tweehonderd.

Tweehonderdste.

Tweehoofdig.

Tweehoornig.

Tweehuizig.

Tweejarig.

Tweeklank, M., -klanken.

Tweekleurig.

Tweeledig.

Tweelettergrepig.

Tweeling, M. en V., tweelingen.

Tweelingbroeder, M., -broeders.

Tweelingzuster, V., -zusters.

Tweelippig.

Tweelobbig.

Tweeloopsch.

Tweemaal.

Tweemaster, M., -masters.

Tweeregelig.

Tweeriemsgiek, V., -gieken.

Tweern, M.

Tweernen, tweernde, heeft getweernd.

Tweeschijfsblok, O., -blokken en -bloks.

Tweeslachtig.

Tweesnijdend.

Tweesoortig.

Tweespalt, V.

Tweespan, O., -spannen.

Tweespans.

Tweespraak, V., -spraken.

Tweesprong, M., -sprongen.

Tweestemmig.

Tweestrijd, M.

Tweetal, O., -tallen.

Tweetallig.

Tweestandig.

Tweetongig.

Tweevleugelig.

Tweevoetig.

Tweevormig.

Tweevoud, O., -vouden.

Tweevoudig.

Tweewerf.

Twente (gewest), O.

Twentenaar, M., Twentenaars en Twentenaren.

Twentsch.

Twijfel, M.

Twijfelaar, M., twijfelaars.

Twijfelachtig, -achtiger, -achtigst.

Twijfelachtigheid, V.

Twijfelarij, V.

Twijfelen, twijfelde, heeft getwijfeld.

Twijfeling, V., twijfelingen.

Twijfelmoedig, -moediger, -moedigst.

Twijfelmoedigheid, V.

Twijfelstuk, O., -stukken.

Twijfelzucht, V.

Twijfelzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.

Twijg, V., twijgen. Twijgje, O., -jes.

Twijn, M.

Twijnder, M., twijnders.

Twijnderij, V., twijnderijen.

Twijndraad (voorwerpsnaam), M., -draden; (stofnaam), O.

Twijnen, twijnde, heeft getwijnd.

Twijngaren, O.

Twijnmolen, M., -molens.

Twijnster, V., twijnsters.

Twijnwiel, O., -wielen.

Twil, M., twillen.

Twintig, twintigen.

Twintiger, M., twintigers.

Twintigerhande.

Twintigerlei.

Twintigjarig.

Twintigmaal.

Twintigponder, M., -ponders.

Twintigste.

Twintigtal, O., -tallen.

Twintigvlak, O., -vlakken.

Twintigvoud, O., -vouden.

Twintigvoudig.

Twintigwerf.

Twist, M., twisten.

Twistappel, M., -appels.

Twisten, twistte, heeft getwist.

Twister, M., twisters.

Twistgeschrijf, O.

Twistig, twistiger, twistigst.

Twistrede, V., -redenen.

Twistredenaar, M., -redenaars.

Twistschrift, O., -schriften.

Twistziek, -zieker, -ziekst.

Twistzucht, V.

Type (drukletter), V., typen.

Type (uitgedrukt beeld), O., typen.

Typheus, typheuze.

Typhus, M.

Typisch.

Typograaf, M., typografen.

Typographie, V.

Typographisch.

Tyran, enz. Zie Tiran, enz.

U

U, V., u's.

Uchtend. Zie Ochtend.

Ui, M., uien. Uitje, O., -jes.

Uienbed, O., -bedden.

Uienloof, O.

Uienreuk, M.

Uiensalade en Uiensla, V.

Uiensaus, V., -sausen.

Uiensmaak, M.

Uiensoep, V., -soepen.

Uienzaad, O.

Uieplant, V., -planten.

Uier, M., uiers. Uiertje, O., -jes.

Uieschil, V., -schillen.

Uiig, uiiger, uiigst.

Uil, M., uilen. Uiltje, O., -jes.

Uilebek, M., -bekken.

Uileklauw, M., -klauwen.

Uilekop (kop van een uil), M., -koppen.

Uilennest, O., -nesten.

Uilenoog, O., -oogen.

Uilenvlucht, V.

Uilenspiegel, M., -spiegels.

Uileveer, V., -veeren.

Uilig, uiliger, uiligst.

Uiloogen, O.

Uilskop (stommeling), M., -koppen.

Uilskuiken, O., -kuikens.

Uit.

Uitademen, ademde uit, heeft uitgeademd.

Uitademing, V., -ademingen.

Uitbaggeren, baggerde uit, heeft uitgebaggerd.

Uitbaggering, V.

Uitbakenen, bakende uit, heeft uitgebakend.

Uitbaliën, baliede uit, heeft uitgebalied.

Uitbannen, bande uit, heeft uitgebannen.

Uitbanning, V., -banningen.

Uitbarsten, barstte uit, is uitgebarsten; ook borst uit, is uitgeborsten.

Uitbarsting, V., -barstingen.

Uitbazuinen, bazuinde uit, heeft uitgebazuind.

Uitbeelden, beeldde uit, heeft uitgebeeld.

Uitbeelding, V., -beeldingen.

Uitbeitelen, beitelde uit, heeft uitgebeiteld.

Uitbersten. Zie Uitbarsten.

Uitbesteden, besteedde uit, heeft uitbesteed.

Uitbesteding, V., -bestedingen.

Uitbetalen, betaalde uit, heeft uitbetaald.

Uitbetaler, M., -betalers.

Uitbetaling, V., -betalingen.

Uitbijten (van tanden, scherpe vochten, enz.), beet uit, beten uit, heeft en is uitgebeten.

Uitbijten (door 't hakken van bijten), bijtte uit, heeft uitgebijt.

Uitbijter, M., -bijters.

Uitbikken, bikte uit, heeft uitgebikt.

Uitblakeren, blakerde uit, heeft uitgeblakerd.

Uitblazen, blies uit, bliezen uit, heeft uitgeblazen.

Uitbleeken, bleekte uit, heeft en is uitgebleekt.

Uitblijven, bleef uit, bleven uit, is uitgebleven.

Uitblijver, M., -blijvers.

Uitbliksemen, bliksemde uit, heeft uitgebliksemd.

Uitblinken, blonk uit, heeft uitgeblonken.

Uitbloeden, bloedde uit, heeft en is uitgebloed.

Uitbloeien, bloeide uit, heeft en is uitgebloeid.

Uitblusschen, bluschte uit, heeft uitgebluscht.

Uitboegseeren, boegseerde uit, heeft uitgeboegseerd.

Uitboeken, boekte uit, heeft uitgeboekt.

Uitboeking, V.

Uitboenen, boende uit, heeft uitgeboend.

Uitboezemen, boezemde uit, heeft uitgeboezemd.

Uitboezeming, V., -boezemingen.

Uitboomen, boomde uit, heeft uitgeboomd.

Uitboren, boorde uit, heeft uitgeboord.

Uitborrelen, borrelde uit, is uitgeborreld.

Uitborreling, V.

Uitborstelen, borstelde uit, heeft uitgeborsteld.

Uitborsteling, V.

Uitbotten, botte uit, is uitgebot.

Uitbotting, V.

Uitbouwen, bouwde uit, heeft uitgebouwd.

Uitbouwing, V.

Uitbouwsel, O., -bouwsels. Uitbouwseltje, O., -jes.

Uitbraak, V.

Uitbraaksel, O., -braaksels.

Uitbraden, braadde uit, heeft uitgebraden.

Uitbraken, braakte uit, heeft uitgebraakt.

Uitbraking, V.

Uitbranden, brandde uit, heeft en is uitgebrand.

Uitbrander, M., -branders.

Uitbranding, V., -brandingen.

Uitbreiden, breidde uit, heeft uitgebreid.

Uitbreider, M., -breiders.

Uitbreiding, V., -breidingen.

Uitbreidingsplan, O.

Uitbreken, brak uit, braken uit, heeft en is uitgebroken.

Uitbreking, V.

Uitbrengen, bracht uit, heeft uitgebracht.

Uitbrenger, M., -brengers.

Uitbrenging, V.

Uitbroeden, broedde uit, heeft uitgebroed.

Uitbroeding, V., -broedingen.

Uitbroedsel, O., -broedsels.

Uitbrullen, brulde uit, heeft uitgebruld.

Uitbuien, buide uit, heeft uitgebuid.

Uitbuigen, boog uit, bogen uit, heeft en is uitgebogen.

Uitbuiging, V.

Uitbuilen, builde uit, heeft uitgebuild.

Uitbulderen, bulderde uit, heeft uitgebulderd.

Uitbundig, -bundiger, -bundigst.

Uitbundigheid, V.

Uitbuurt, V., -buurten. Uitbuurtje, O., -jes.

Uitcijferen, cijferde uit, heeft uitgecijferd.

Uitcijfering, V., -cijferingen.

Uitdagen, daagde uit, heeft uitgedaagd.

Uitdager, M., -dagers.

Uitdaging, V., -dagingen.

Uitdagingsbrief, M., -brieven.

Uitdampen, dampte uit, heeft en is uitgedampt.

Uitdamping, V., -dampingen.

Uitdeelen, deelde uit, heeft uitgedeeld.

Uitdeeler, M., -deelers.

Uitdeeling, V., -deelingen.

Uitdeelingslijst, V., -lijsten.

Uitdeelster, V., -deelsters.

Uitdelgen, delgde uit, heeft uitgedelgd.

Uitdelger, M., -delgers.

Uitdelging, V.

Uitdelven, dolf uit, dolven uit, heeft uitgedolven.

Uitdelving, V., -delvingen.

Uitdenken, dacht uit, heeft uitgedacht.

Uitdenker, M., -denkers.

Uitdienen, diende uit, heeft uitgediend.

Uitdiepen, diepte uit, heeft uitgediept.

Uitdieping, V., -diepingen.

Uitdijen, dijde uit, is uitgedijd.

Uitdijing, V.