Part 53
Slavenketen, V., -ketens en -ketenen.
Slavenleven, O.
Slavenmarkt, V., -markten.
Slavenwerk, O.
Slavenziel, V., -zielen.
Slavernij, V.
Slavin, V., slavinnen. Slavinnetje, O., -jes.
Slavork, V., -vorken.
Slecht, slechter, slechtst.
Slechtbijl, V., -bijlen.
Slechtelijk.
Slechten, slechtte, heeft geslecht.
Slechtheid, V.
Slechthoofd, M. en V., -hoofden.
Slechtigheid, V., -heden.
Slechtijzer, O., -ijzers.
Slechting, V.
Slechtje, O., -jes.
Slechts.
Slechtweg.
Slede en Slee, V., sleden en sleeën. Sleetje, O., -jes.
Sledevaart, V., -vaarten.
Slee (pruim), V., sleeën.
Slee en Sleeuw (bnw.).
Sleedoorn en -doren, M., -doorns en -dorens.
Sleeheid en Sleeuwheid, V.
Sleep, M., slepen. Sleepje, O., -jes.
Sleepberrie, V., -berries.
Sleepboot, V., -booten.
Sleepdienst, M., -diensten.
Sleepen (voorttrekken), sleepte, heeft gesleept.
Sleeper, M., sleepers.
Sleeperij, V., sleeperijen.
Sleepersknecht, M., -knechts.
Sleeperspaard, O., -paarden.
Sleeperswagen, M., -wagens.
Sleeperswerk, O.
Sleepgewaad, O., -gewaden.
Sleephelling, V., -hellingen.
Sleeploon, O., -loonen.
Sleepnet, O., -netten.
Sleepsabel, V., -sabels.
Sleeptouw, O., -touwen.
Sleeptrein, M., -treinen.
Sleeptros, M., -trossen.
Sleepvoet, M. en V., -voeten.
Sleepvoeten, sleepvoette, heeft gesleepvoet.
Sleet, V.
Sleetsch, sleetscher, meest sleetsch.
Sleetschheid, V.
Sleeuw, enz. Zie Slee, enz.
Sleeuwigheid, V.
Slegel, M., slegels.
Slegge, V., sleggen.
Slei (hamer), V., sleien.
Slek. Zie Slak.
Slemp (brasserij), M.
Slemp (drank), V. Slempje, O.
Slempdag, M., -dagen.
Slempen, slempte, heeft geslempt.
Slemper, M., slempers.
Slemperij, V., slemperijen.
Slemphout, O., -houten.
Slemplooper, M., -loopers.
Slempmaal, O., -malen.
Slemppartij, V., -partijen.
Slemppoeder, O.
Slemptijd, M.
Slenk, V., slenken. Slenkje, O., -jes.
Slenter (lap), M., slenters.
Slenter (sleur, streek), M., slenters.
Slenteraar, M., slenteraars.
Slenteren, slenterde, heeft en is geslenterd.
Slentergang, M.
Slepen (gesleept worden), sleepte, heeft gesleept.
Slet, V., sletten. Sletje, O., -jes.
Sleter, M., sleters.
Slettig, slettiger, slettigst.
Sletvink, M. en V., -vinken.
Sleuf, V., sleuven. Sleufje, O., -jes.
Sleur, V.
Sleuren, sleurde, heeft gesleurd.
Sleurwerk, O.
Sleutel, M., sleutels en sleutelen. Sleuteltje, O., -jes.
Sleutelbeen, O., -beenderen.
Sleutelbloem, V., -bloemen.
Sleutelbos, M., -bossen.
Sleutelgat, O., -gaten.
Sleutelmandje, O., -mandjes.
Sleutelring, M., -ringen.
Sleutelstuk, O., -stukken.
Slib, V.
Slibben, slibde, heeft geslibd.
Slibber, V.
Slibberachtig, -achtiger, -achtigst.
Slibberachtigheid, V.
Slibberen, slibberde, heeft geslibberd.
Slibberig, slibberiger, slibberigst.
Slibberigheid, V.
Slier, M., slieren.
Slierasperge. Zie Sliersperge.
Slierbaan, V., -banen.
Slieren, slierde, heeft geslierd.
Sliersperge en Slierasperge, V., -sperges en -asperges.
Sliet, V., slieten.
Slij (zeelt), V., slijen. Slijtje, O., -jes.
Slijk en Slik, O.
Slijkerig en Slikkerig, slijkeriger, slijkerigst.
Slijkerigheid en Slikkerigheid, V.
Slijkgras, O., -grassen.
Slijkspoor, V., -sporen.
Slijm, O., slijmen.
Slijmachtig, -achtiger, -achtigst.
Slijmafdrijvend.
Slijmberoerte, V., -beroerten.
Slijmerig, slijmeriger, slijmerigst.
Slijmerigheid, V.
Slijmhoest, M.
Slijmig, slijmiger, slijmigst.
Slijmigheid, V.
Slijmklier, V., -klieren.
Slijmsuiker, V.
Slijmvlies, O., -vliezen.
Slijp, O.
Slijpbak, M., -bakken.
Slijpbord, O., -borden.
Slijpen, sleep, slepen, heeft geslepen.
Slijper, M., slijpers.
Slijpgeld, O.
Slijping, V.
Slijpmolen, M., -molens.
Slijpplank, V., -planken; -plankje, O., -jes.
Slijppoeder, O.
Slijpsel, O.
Slijpsteen, M., -steenen; -steentje, O., -jes.
Slijtachtig, -achtiger, -achtigst.
Slijtage, V.
Slijten, sleet, sleten, heeft en is gesleten.
Slijter, M., slijters. Slijtertje, O., -jes.
Slijterij, V., slijterijen.
Slijting, V.
Slik, O., slikken (slijkgronden).
Slikgeld, O., -gelden.
Slikken, slikte, heeft geslikt.
Slikkerig. Zie Slijkerig.
Sliknat, -natte.
Slikop, M. en V., slikoppen.
Slim, slimmer, slimst.
Slimheid, V.
Slimmerd, M., slimmerds. Slimmerdje, O., -jes.
Slimmigheid, V., -heden.
Slindkolk, V., -kolken.
Slinger, M., slingers. Slingertje, O., -jes.
Slingeraap, M., -apen.
Slingeraar, M., slingeraars.
Slingerboom, M., -boomen.
Slingerbosch, O., -bosschen.
Slingeren, slingerde, heeft en is geslingerd.
Slingering, V., slingeringen.
Slingerlaan, V., -lanen; -laantje, O., -jes.
Slingerlat, V., -latten.
Slingerpad, O., -paden; -paadje, O., -jes.
Slingerpardoen, V., -pardoens.
Slingerplant, V., -planten.
Slingerslag, M.
Slingersteen, M., -steenen.
Slingertijd, M., -tijden.
Slingeruurwerk, O., -uurwerken.
Slingerwijdte, V., -wijdten.
Slinken, slonk, is geslonken.
Slinkerhand, V.
Slinkerzijde, V.
Slinking, V.
Slinks (bijw.), slinkser, slinkst.
Slinksch (bnw.), slinkscher, meest slinksch.
Slip, V., slippen. Slipje, O., -jes.
Slippedrager, M., -dragers.
Slippen, slipte, is geslipt.
Slipper, M., slippers. Slippertje, O., -jes.
Slipsteek, M., -steken.
Sliptouw, O., -touwen.
Slissen, sliste, heeft geslist.
Slissing, V.
Slobbe, V., slobben. Slobbetje, O., -jes.
Slobberdoes, M. en V., slobberdoezen.
Slobberen, slobberde, heeft geslobberd.
Slobbering, V.
Slobbig, slobbiger, slobbigst.
Slobkous, V., -kousen; -kousje, O., -jes.
Slodder, M., slodders.
Slodderachtig, -achtiger, -achtigst.
Slodderen, slodderde, heeft geslodderd.
Slodderig, slodderiger, slodderigst.
Slodderigheid, V.
Slodderkous, V., -kousen.
Sloddervos, M. en V., -vossen.
Sloep, V., sloepen. Sloepje, O., -jes.
Sloependek, O., -dekken.
Sloeproeier, M., -roeiers.
Sloeren, sloerde, heeft gesloerd.
Sloerie, V., sloeries.
Sloeriemoer, V., -moers.
Slof, V., sloffen. Slofje, O., -jes.
Slof, sloffer, slofst.
Sloffen, slofte, heeft gesloft.
Sloffig, sloffiger, sloffigst.
Sloffigheid, V.
Slofhak, M. en V., -hakken.
Slofheid, V.
Slofstuk, O., -stukken.
Slok, M., slokken. Slokje, O., -jes.
Slokdarm, M., -darmen.
Slokken, slokte, heeft geslokt.
Slokker, M., slokkers. Slokkertje, O., -jes.
Slokop, M. en V., slokoppen.
Slommer, M.
Slomp (warklomp), M., slompen.
Slons (havelooze vrouw), V., slonzen.
Slonsje (dievenlantarentje), O., -jes.
Slonzen, slonsde, heeft geslonsd.
Sloof (sukkelaarster), V., sloven. Sloofje, O., -jes.
Sloof (voorschoot en balk), V., slooven. Sloofje, O., -jes.
Sloofachtig, -achtiger, -achtigst.
Slooien, slooide, is geslooid.
Slooiknie, V., -knieën.
Sloop, V., sloopen. Sloopje, O., -jes.
Sloopen, sloopte, heeft gesloopt.
Slooper, M., sloopers.
Slooping, V., sloopingen.
Sloopnagel, M., -nagels.
Sloot, V., slooten. Slootje, O., -jes.
Slooten, slootte, heeft gesloot.
Slootjespringen, O.
Slootkant, M., -kanten.
Slootwerk, O.
Slop, O., sloppen. Slopje, O., -jes.
Slordevos, M. en V., -vossen.
Slordig, slordiger, slordigst.
Slordigheid, V.
Slorp en Slurp, M., slorpen. Slorpje, O., -jes.
Slorpdrank, M., -dranken.
Slorpei, O., -eieren.
Slorpen en Slurpen, slorpte (slurpte), heeft geslorpt (geslurpt).
Slot (sluitmiddel), O., sloten. Slotje en slootje, O., -jes.
Slot (kasteel), O., sloten.
Slot (einde), O.
Slot (saldo), O., sloten.
Slotakkoord, O., -akkoorden.
Slotbewaarder, M., -bewaarders.
Slotbewoner, M., -bewoners.
Slotenmaker, M., -makers.
Slotgracht, V., -grachten.
Slothout, O., -houten.
Slotklank, M., -klanken.
Slotkoers, M., -koersen.
Slotletter, V., -letters.
Slotplaat, V., -platen.
Slotpoort, V., -poorten.
Slotregel, M., -regels.
Slotsom, V., -sommen.
Slotvast.
Slotvers, O., -verzen.
Slotvoogd, M., -voogden.
Slotwoord, O., -woorden.
Slotzang, M., -zangen.
Sloven (zwoegen), sloofde, heeft gesloofd.
Slover, M., slovers.
Sluier, M., sluiers. Sluiertje, O., -jes.
Sluieren, sluierde, heeft gesluierd.
Sluiergaas, O.
Sluik, V. (Ter -).
Sluik, sluiker, sluikst.
Sluiken, slook, sloken, heeft gesloken.
Sluiker, M., sluikers.
Sluikerij, V., sluikerijen.
Sluikhandel, M.
Sluikharig.
Sluikheid, V.
Sluiking, V., sluikingen.
Sluimer, M.
Sluimeren, sluimerde, heeft gesluimerd.
Sluimering, V.
Sluimerkussen, O., -kussens; -kussentje, O., -jes.
Sluimerrol, V., -rollen.
Sluip, V. (Ter -).
Sluipdeur, V., -deuren.
Sluipen, sloop, slopen, is geslopen.
Sluiper, M., sluipers. Sluipertje, O., -jes.
Sluiphaven, V., -havens.
Sluiphoek, M., -hoeken.
Sluiphol, O., -holen.
Sluipkoorts, V., -koortsen.
Sluipmoord, M., -moorden.
Sluipmoordenaar, M., -moordenaars.
Sluippatrouille, V., -patrouilles.
Sluis, V., sluizen. Sluisje, O., -jes.
Sluisbalk, M., -balken.
Sluisbedding, V., -beddingen.
Sluisdeur, V., -deuren.
Sluisknecht, M., -knechts.
Sluiskolk, V., -kolken.
Sluiswachter, M., -wachters.
Sluiswerken (mv.), O.
Sluitbalk, M., -balken.
Sluitband, M., -banden.
Sluitboom, M., -boomen.
Sluitbout, M., -bouten.
Sluitdoos, V., -doozen.
Sluiten, sloot, sloten, heeft en is gesloten.
Sluiter, M., sluiters.
Sluitgat, O., -gaten.
Sluitgeld, O.
Sluithek, O., -hekken.
Sluithout, O., -houten.
Sluiting, V., sluitingen.
Sluitjas, V., -jassen.
Sluitkool, V., -koolen.
Sluitlaken, O., -lakens.
Sluitletter, V., -letters.
Sluitmand, V., -manden; -mandje, O., -jes.
Sluitplank, V., -planken.
Sluitrede, V., -redenen.
Sluitspier, V., -spieren.
Sluitsteen, M., -steenen.
Sluitstuk, O., -stukken.
Sluittoestel, M. en O., -toestellen.
Sluitveer, V., -veeren.
Sluitwerk, O., -werken.
Slungel, M., slungels.
Slungelen, slungelde, heeft geslungeld.
Slurf, V., slurven. Slurfje, O., -jes.
Slurp. Zie Slorp.
Slurpen. Zie Slorpen.
Sluw, sluwer, sluwst.
Sluwheid, V., -heden.
Sluwigheid, V., -heden.
Smaad, M.
Smaadheid, V., -heden.
Smaadnaam, M., -namen.
Smaadrede, V., -redenen.
Smaadschrift, O., -schriften.
Smaadwoord, O., -woorden.
Smaak, M., smaken. Smaakje, O., -jes.
Smaakloos (in eigenlijken zin), -looze.
Smaakvol, -volle.
Smacht (buik van een haring), V., smachten.
Smachten, smachtte, heeft gesmacht.
Smachtend, smachtender, smachtendst.
Smachterig, smachteriger, smachterigst.
Smadelijk, -lijker, -lijkst.
Smadelijkheid, V., -heden.
Smaden, smaadde, heeft gesmaad.
Smader, M., smaders.
Smak (van smakken), M., smakken. Smakje, O., -jes.
Smak (vaartuig), V., smakken. Smakje, O., -jes.
Smak (gewas). Zie Sumak.
Smakelijk, -lijker, -lijkst.
Smakelijkheid, V.
Smakeloos (overdrachtelijk), -loozer, -loost.
Smakeloosheid, V.
Smaken, smaakte, heeft gesmaakt.
Smakken (werpen), smakte, heeft gesmakt.
Smakken (met den mond), smakte, heeft gesmakt.
Smakker, M., smakkers.
Smakschip, O., -schepen.
Smaktouw, O., -touwen.
Smakwater, O.
Smakzeil, O., -zeilen.
Smal, smaller, smalst.
Smalbladig.
Smaldeel, O., -deelen.
Smaldeelen, smaldeelde, heeft gesmaldeeld.
Smaldeeling, V., -deelingen.
Smaldoek, O.
Smalen, smaalde, heeft gesmaald.
Smaler, M., smalers.
Smalhans, M., -hanzen.
Smalheid, V.
Smalletjes.
Smalligheid, V.
Smalt, V.
Smalte, V.
Smaragd (stof), O.; (steen), M., smaragden.
Smaragden (bnw.).
Smart, ook Smert, V., smarten.
Smartelijk, -lijker, -lijkst.
Smartelijkheid, V.
Smarteloos, -looze.
Smarteloosheid, V.
Smarten, ook Smerten (bedroeven), smartte, heeft gesmart.
Smarten (scheepsw.), smartte, heeft gesmart.
Smarting (ontvelling), V., smartingen.
Smarting (scheepsw.), V., smartings.
Smartkreet, M., -kreten.
Smartoor, O., -ooren.
Smeden, smeedde, heeft gesmeed.
Smeder, M., smeders.
Smederij, V., smederijen.
Smedig. Zie Smijdig.
Smeding, V.
Smeedbaar, -bare.
Smeedbaarheid, V.
Smeedbak, M., -bakken.
Smeedijzer, O.
Smeedkunst, V.
Smeedster, V., smeedsters.
Smeedwerk, O.
Smeegruis, O.
Smeekbede, V., -beden.
Smeekdicht, O., -dichten.
Smeekeling, M. en V., smeekelingen. V. ook smeekelinge.
Smeeken, smeekte, heeft gesmeekt.
Smeeker, M., smeekers.
Smeekerij, V.
Smeekgebed, O., -gebeden.
Smeeking, V., smeekingen.
Smeekolen (mv.), V.
Smeekschrift, O., -schriften.
Smeekster, V., smeeksters.
Smeektaal, V.
Smeer, O.
Smeerder, M., smeerders.
Smeerdoos, V., -doozen.
Smeergoed, O.
Smeergording, V., -gordings.
Smeerkaars, V., -kaarsen.
Smeerkwast, M., -kwasten.
Smeerlap (voorwerp en persoon), M., -lappen.
Smeerlapperij, V., -lapperijen.
Smeerplank, V., -planken.
Smeerpoes, M. en V., -poesen.
Smeerprop, V., -proppen.
Smeerrak, O., -rakken.
Smeersel, O., smeersels. Smeerseltje, O., -jes.
Smeerster, V., smeersters.
Smeerwortel, V.
Smeerzalf, V., -zalven.
Smeet, M., smeten.
Smeetang, V. -tangen.
Smelt, V., smelten. Smeltje, O., -jes.
Smeltbaar, -bare.
Smeltbaarheid, V.
Smeltbak, M., -bakken.
Smelten, smolt, heeft en is gesmolten.
Smelter, M., smelters.
Smelterig, smelteriger, smelterigst.
Smelterij, V., smelterijen.
Smelting, V., smeltingen.
Smeltkroes, M., -kroezen.
Smeltmiddel, O., -middelen.
Smeltoven, M., -ovens.
Smeltpan, V., -pannen.
Smelttijd, M.
Smeltvisscher, M., -visschers.
Smeren, smeerde, heeft gesmeerd.
Smergel, V.
Smerig, smeriger, smerigst.
Smerigheid, V., -heden.
Smering, V., smeringen.
Smert. Zie Smart.
Smerten. Zie Smarten.
Smerthoofd, O., -hoofden.
Smet, V., smetten. Smetje, O., -jes.
Smetachtig, -achtiger, -achtigst.
Smetlijn, V., -lijnen.
Smetstof, V., -stoffen.
Smetteloos, -loozer, -loost.
Smetteloosheid, V.
Smetten, smette, heeft gesmet.
Smeulen, smeulde, heeft gesmeuld.
Smeuling, V.
Smeuren, smeurde, heeft gesmeurd.
Smid, M., smeden. Smidje, O., -jes.
Smidsaanbeeld, O., -aanbeelden.
Smidsbaas, M., -bazen.
Smidse, V., smidsen.
Smidshamer, M., -hamers.
Smidsknecht, M., -knechts.
Smidskolen (mv.), V.
Smidsoven, M., -ovens.
Smidswagen, M., -wagens.
Smidswater, O.
Smidswerk, O.
Smidswinkel, M., -winkels.
Smient, V., smienten. Smientje, O., -jes.
Smijdig, ook Smedig, smijdiger, smijdigst.
Smijdigen, smijdigde, heeft gesmijdigd.
Smijdigheid, V.
Smijt, V., smijten.
Smijten, smeet, smeten, heeft gesmeten.
Smijter, M., smijters.
Smoddervisch, V.
Smoddig, smoddiger, smoddigst.
Smoel, M., smoelen. Smoeltje, O., -jes.
Smoelwerk, O., -werken.
Smoken, smookte, heeft gesmookt.
Smoker, M., smokers.
Smokerig, smokeriger, smokerigst.
Smokerigheid, V.
Smokkel, M.
Smokkelaar, M., smokkelaars.
Smokkelaarster, V., smokkelaarsters.
Smokkelarij, V., smokkelarijen.
Smokkelen, smokkelde, heeft gesmokkeld.
Smokkelgoed, O., -goederen.
Smokkelhandel, M.
Smokkeling, V., smokkelingen.
Smokkelschip, O., -schepen.
Smokkelwaar, V., -waren.
Smook, M.
Smoordronken.
Smoorheet, -heete.
Smoorklep, V., -kleppen.
Smoorlijk.
Smoorpan, V., -pannen.
Smoorpot, M., -potten.
Smoorvol, -volle.
Smoren, smoorde, heeft en is gesmoord.
Smoring, V.
Smots, V., smotsen. Smotsje, O., -jes.
Smotsen, smotste, heeft gesmotst.
Smotsig, smotsiger, smotsigst.
Smous, M., smousen. Smousje, O., -jes.
Smousen, smouste, heeft gesmoust.
Smousentaal, V.
Smousenwinst, V.
Smouserij, V., smouserijen.
Smoushond, M., -honden; -hondje, O., -jes.
Smousjassen, smousjaste, heeft gesmousjast.
Smout, O.
Smoutachtig, -achtiger, -achtigst.
Smouten, smoutte, heeft gesmout.
Smouterig, smouteriger, smouterigst.
Smoutig, smoutiger, smoutigst.
Smoutigheid, V.
Smoutpeer, V., -peren.
Smoutwerk, O.
Smoutzetter, M., -zetters.
Smuigen, smuigde, heeft gesmuigd.
Smuiger, M., smuigers.
Smuik, V. (Ter -).
Smuk, M.
Smukken, smukte, heeft gesmukt.
Smul, V., smullen. Smulletje, O., -jes.
Smulbaard, M., -baarden.
Smulbroer, M., -broers.
Smuldagen (mv.), M.
Smullen, smulde, heeft gesmuld.
Smuller, M., smullers.
Smullig, smulliger, smulligst.
Smulligheid, V.
Smulling, V.
Smulpaap, M., -papen; -paapje, O., -jes.
Smulpapen, smulpaapte, heeft gesmulpaapt.
Smulpaperij, V., -paperijen.
Smulpartij, V., -partijen; -partijtje, O., -jes.
Snaak, M., snaken. Snaakje, O., -jes.
Snaaks (bijw.).
Snaaksch, snaakscher, meest snaaksch.
Snaakschheid, V.
Snaakshoofd, O., -hoofden; -hoofdje, O., -jes.
Snaar (koord, riem), V., snaren. Snaartje, O., -jes.
Snaar (schoonzuster), V., snaren.
Snaarinstrument, O., -instrumenten.
Snak, M., snakken. Snakje, O., -jes.
Snakerig, snakeriger, snakerigst.
Snakerigheid, V.
Snakerij, V., snakerijen.
Snakken, snakte, heeft gesnakt.
Snap, M., Snapje, O.
Snapachtig, -achtiger, -achtigst.
Snapachtigheid, V.
Snaphaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes.
Snappen, snapte, heeft en is gesnapt.
Snapper, M., snappers. Snappertje, O., -jes.
Snapperij, V., snapperijen.
Snaps, M., snapsen. Snapsje, O., -jes.
Snapster, V., snapsters. Snapstertje, O., -jes.
Snar, snarder, snarst.
Snarenmaker, M., -makers.
Snarenspeeltuig, O., -speeltuigen.
Snarenspel, O.
Snarentuig, O., -tuigen.
Snarheid, V.
Snarrig, snarriger, snarrigst.
Snarrigheid, V.
Snars en Sners, V., Snarsje, O., -jes.
Snater, M., snaters. Snatertje, O., -jes.
Snateraar, M., snateraars.
Snaterachtig, -achtiger, -achtigst.
Snaterachtigheid, V.
Snateren, snaterde, heeft gesnaterd.
Snauw (het snauwen), M., snauwen. Snauwtje, O., -jes.
Snauw (vaartuig), V., snauwen.
Snauwachtig, -achtiger, -achtigst.
Snauwbrik, V., -brikken.
Snauwen, snauwde, heeft gesnauwd.
Snauwer, M., snauwers.
Snauwerig, snauweriger, snauwerigst.
Snauwerigheid, V.
Snavel, M., snavels. Snaveltje, O., -jes.
Sneb en Snebbe, V., snebben. Snebje en snebbetje, O., -jes.
Snebbig. Zie Snibbig.
Snede en Snee, V., sneden en sneeën. Sneetje, O., -jes.
Snedeling, M. en V., snedelingen.
Snedig, snediger, snedigst.
Snedigheid, V.
Sneeg, sneeger, sneegst.
Snees (schacheraar), M., sneezen. Sneesje, O., -jes.
Snees (twintigtal), O., sneezen.
Sneeuw (stof), V.; (blankheid), O.
Sneeuwachtig, -achtiger, -achtigst.
Sneeuwbal, M., -ballen; -balletje, O., -jes.
Sneeuwballengooien, O.
Sneeuwberg, M., -bergen.
Sneeuwblind.
Sneeuwblindheid, V.
Sneeuwen, sneeuwde, heeft gesneeuwd.
Sneeuwgrens, V.
Sneeuwhoen, O., -hoenders.
Sneeuwig, sneeuwiger, sneeuwigst.
Sneeuwijs, O.
Sneeuwjacht, V.
Sneeuwklokje, O., -klokjes.
Sneeuwklomp, M., -klompen.
Sneeuwlinie, V.
Sneeuwlucht, V., -luchten.
Sneeuwman, M., -mannen.
Sneeuwploeg, M., -ploegen.
Sneeuwpop, V., -poppen.
Sneeuwruimen, O.
Sneeuwruimer, M., -ruimers.
Sneeuwschepper, M., -scheppers.
Sneeuwschoen, M., -schoenen.
Sneeuwstorm, M., -stormen.
Sneeuwvlaag, V., -vlagen.
Sneeuwvogel, M., -vogels.
Sneeuwwater, O.
Sneeuwwit, -witte.
Sneezen, sneesde, heeft gesneesd.
Snek (in een uurwerk), V., snekken.
Snekrad, O., -raderen.
Snel (kan), V., snellen. Snelletje, O., -jes.
Snel, sneller, snelst.
Sneldicht, O., -dichten.
Snelheid, V., -heden.
Snelkoker, M., -kokers.
Snellen, snelde, is gesneld.
Snelpers, V., -persen.
Snelpersdruk, M.
Snelschrijven, O.
Snelschrijver, M., -schrijvers.
Sneltrein, M., -treinen.
Snelvoetig, -voetiger, -voetigst.
Snelvuur, O.
Snelvuurkanon, O., -kanonnen.
Snelzeiler, M., -zeilers.
Snepper, M., sneppers. Sneppertje, O., -jes.
Snerken, snerkte, heeft gesnerkt.
Snerking, V.
Snerpen, snerpte, heeft gesnerpt.
Snerpend, snerpender, snerpendst.
Sners. Zie Snars.
Snert, V.
Snertbalie, V., -balies.
Snertketel, M., -ketels.
Sneukelaar, M., sneukelaars.
Sneukelen, sneukelde, heeft gesneukeld.
Sneukeren, sneukerde, heeft gesneukerd.
Sneuvelen, sneuvelde, is gesneuveld.
Sneven, sneefde, is gesneefd.
Snibbig ook Snebbig, snibbiger, snibbigst.
Snibbigheid, V.
Snijbank, V., -banken.
Snijbiet, V., -bieten.
Snijboon, V., -boonen; -boontje, O., -jes.
Snijboonenmesje, O., -jes.
Snijboonenmolen, M., -molens.
Snijbord, O., -borden.
Snijden, sneed, sneden, heeft gesneden.
Snijdend, snijdender, snijdendst.
Snijder, M., snijders. Snijdertje, O., -jes.
Snijderen, snijderde, heeft gesnijderd.
Snijdersambacht, O.
Snijdersgezel, M., -gezellen.
Snijdersgild, O., -gilden.
Snijderstafel, V., -tafels.
Snijding, V., snijdingen.
Snijdsel, O., snijdsels.
Snijkamer, V., -kamers.
Snijkoek (voorwerpsnaam), M., -koeken; (stofnaam), V.
Snijlijn, V., -lijnen.
Snijmachine, V., -machines.
Snijpers, V., -persen.
Snijpunt, O., -punten.
Snijtafel, V., -tafels.
Snijtand, M., -tanden.
Snijveld, O., -velden.
Snijwater, O.
Snijwerk, O.
Snik (het snikken), M., snikken. Snikje, O., -jes.
Snik (vaartuig), V., snikken.
Snik (bnw.). (Niet -).
Snikheet, -heete.
Snikken, snikte, heeft gesnikt.
Snip, V., snippen. Snipje, O., -jes.
Snippedrek, M.
Snippel. Zie Snipper.
Snippen, snipte, heeft gesnipt.
Snippenei, O., -eieren.
Snippenjacht, V.
Snippennet, O., -netten.
Snippentijd, M.
Snippenvangst, V.
Snipper, V., snippers.
Snipperen, snipperde, heeft gesnipperd.
Snipperkoek, M., -koeken.
Snippermand, V., -manden.
Snipperuur, O., -uren; -uurtje, O., -jes.
Snipperwerk, O.
Snirsen, snirste, heeft gesnirst.
Snirsing, V.
Snit, M., snitten.
Snoefster, V., snoefsters.
Snoeftaal, V.
Snoeien, snoeide, heeft gesnoeid.
Snoeier, M., snoeiers. Snoeiertje, O., -jes.
Snoeihout, O.
Snoeiing, V., snoeiingen.
Snoeikunst, V.
Snoeilust, M.
Snoeimes, O., -messen; -mesje, O., -jes.
Snoeisel, O., snoeisels.
Snoeitijd, M.
Snoeiwagen, M., -wagens.
Snoeiwerk, O.
Snoek (een visch), M., snoeken. Als stofnaam, V. Snoekje, O., -jes.
Snoekachtig.
Snoekenvangst, V.
Snoekestaart, M., -staarten.
Snoekkleurig.
Snoep, M.
Snoepachtig, -achtiger, -achtigst.
Snoepachtigheid, V.
Snoepen, snoepte, heeft gesnoept.
Snoeper, M., snoepers. Snoepertje, O., -jes.
Snoeperig, snoeperiger, snoeperigst.
Snoeperigheid, V.
Snoeperij, V., snoeperijen. Snoeperijtje, O., -jes.
Snoepgoed, O.
Snoepig, snoepiger, snoepigst.
Snoepigheid, V.
Snoeplust, M.
Snoepreisje, O., -jes.
Snoepsch, snoepscher, meest snoepsch.
Snoepschheid, V.
Snoepster, V., snoepsters.
Snoeptafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes.
Snoepwinkeltje, O., -jes.
Snoepzucht, V.
Snoer, O., snoeren. Snoertje, O., -jes.
Snoeren, snoerde, heeft gesnoerd.
Snoes, M., snoezen. Snoesje, O., -jes.
Snoeshaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes.
Snoet, M., snoeten. Snoetje, O., -jes.
Snoeven, snoefde, heeft gesnoefd.
Snoever, M., snoevers.
Snoeverij, V., snoeverijen.
Snoezig, snoeziger, snoezigst.
Snol, V., snollen. Snolletje, O., -jes.
Snood, snooder, snoodst.
Snoodaard, M., snoodaards.
Snoodelijk.
Snoodheid, V., -heden.
Snor (snorrend geluid en roes), M. Snorretje, O., -jes.
Snor (knevelbaard), V., snorren. Snorretje, O., -jes.
Snorbaard, M., -baarden.
Snorder, M., snorders.
Snork, M., snorken. Snorkje, O., -jes.
Snorken en Snurken, snorkte (snurkte), heeft gesnorkt (gesnurkt).
Snorker, M., snorkers.
Snorkerij, V., snorkerijen.
Snorrebot, O., -botten.
Snorren, snorde, heeft en is gesnord.
Snorrepijperij, V., -pijperijen.
Snorwagen, M., -wagens.
Snot, O.
Snotbaard, M., -baarden.
Snotjongen, M., -jongens.
Snotkoker, M., -kokers.
Snotneus, M. en V., -neuzen.
Snotolf, M., -olven; -olfje, O., -jes.
Snottebel, V., -bellen.
Snotteren, snotterde, heeft gesnotterd.
Snotterig, snotteriger, snotterigst.
Snuf, V. Snufje, O., -jes.
Snuffelaar, M., snuffelaars en snuffelaren.
Snuffelen, snuffelde, heeft gesnuffeld.
Snuffen, snufte, heeft gesnuft.
Snugger, snuggerder, snuggerst.
Snuggerheid, V.
Snuif, V., snuiven. Snuifje, O., -jes.
Snuifdoos, V., -doozen.
Snuifmolen, M., -molens.
Snuifneus, M. en V., -neuzen.
Snuifpot, M., -potten.
Snuifrasp, V., -raspen.
Snuifster, V., snuifsters.
Snuiftabak, V.
Snuifwinkel, M., -winkels.
Snuisterij, V., snuisterijen. Snuisterijtje, O., -jes.
Snuit (lichaamsdeel), M., snuiten. Snuitje, O., -jes.
Snuit (grof vlas), V. en O.
Snuiten (den neus, de kaars), snoot, snoten, heeft gesnoten.
Snuiten (een stuk hout), snuitte, heeft gesnuit.
Snuiter (werktuig en persoon), M., snuiters. Snuitertje, O., -jes.
Snuitsel, O.
Snuitspinner, M., -spinners.
Snuiven, snoof, snoven, heeft gesnoven.
Snuiver, M., snuivers. Snuivertje, O., -jes.
Snurken. Zie Snorken.
Sober, soberder, soberst.
Soberheid, V.
Sobertjes.
Sociaal, socialer, sociaalst.
Sociaaldemocraat, M., -democraten.
Sociaaldemocratie, V.
Socialisme, O.
Socialist, M., socialisten.