Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden

Part 51

Chapter 512,643 wordsPublic domain

Schapenluis, V., -luizen.

Schapenmarkt, V.

Schapenmelk, V.

Schapenstal, M., -stallen.

Schapenwol, V.

Schapenwolkje, O., -jes.

Schapepoot, M., -pooten.

Schapevacht, V., -vachten.

Schapevel, O., -vellen.

Schapevleesch en Schapenvleesch, O.

Schappelijk, -lijker, -lijkst.

Schappelijkheid, V.

Schaprade en Schapraai, V., -raden en -raaien.

Schar, V., scharren. Scharretje, O., -jes.

Scharbier. Zie Scharrebier.

Scharen, schaarde, heeft geschaard.

Scharenslijper, M., -slijpers.

Scharing, V.

Scharlaken, O.

Scharlaken (bnw.).

Scharlakenkoorts, V.

Scharlakenrood, -roode.

Scharlakensch.

Scharlei en Scherlei, V.

Scharluin en Scherluin, M., scharluinen en scherluinen.

Scharminkel en Scherminkel, M., scharminkels en scherminkels.

Scharnier, O., scharnieren. Scharniertje, O., -jes.

Scharrebier en Scharbier, O.

Scharrebijter en Schallebijter, M., -bijters.

Scharrelaar, M., scharrelaars.

Scharrelbeenen, scharrelbeende, heeft gescharrelbeend.

Scharrelen, scharrelde, heeft en is gescharreld.

Schat, M., schatten. Schatje, O., -jes.

Schatbaar, -baarder, -baarst.

Schatbewaarder, M., -bewaarders.

Schateren, schaterde, heeft geschaterd.

Schaterlach, M.

Schaterlachen, schaterlachte, heeft geschaterlacht.

Schatgraver, M., -gravers.

Schatkamer, V., -kamers.

Schatkist, V., -kisten.

Schatkistbiljet, O., -biljetten.

Schatkistbon, M., -bons.

Schatmeester, M., -meesters.

Schatplichtig.

Schatrijk.

Schatten, schatte, heeft geschat.

Schatter, M., schatters.

Schatting, V., schattingen.

Schaveelen en Schavielen, schaveelde (schavielde), heeft en is geschaveeld (geschavield).

Schaveling, M., schavelingen.

Schaven, schaafde, heeft geschaafd.

Schavergoeding. Zie Schadevergoeding.

Schaverhaling. Zie Schadeverhaling.

Schavielen. Zie Schaveelen.

Schaving, V.

Schavot, O., schavotten. Schavotje, O., -jes.

Schavotkleur, V.

Schavotteeren, schavotteerde, heeft geschavotteerd.

Schavotteering, V., schavotteeringen.

Schavuit, M., schavuiten. Schavuitje, O., -jes.

Schavuitenstreek, M., -streken.

Schavuitenstuk, O., -stukken.

Schedel, M., schedels.

Schedelboor, V., -boren.

Schedelbreuk, V., -breuken.

Schedelhuid, V.

Schedelleer, V.

Schedelmeting, V., -metingen.

Scheede, Schee, V., scheeden, scheeën. Scheetje, O., -jes.

Scheef, scheever, scheefst.

Scheefbeen, M. en V., -beenen.

Scheefheid, V.

Scheefhoek, M.-hoeken.

Scheefhoekig.

Scheefnek, M. en V., -nekken.

Scheefneus, M. en V., -neuzen.

Scheefte, V.

Scheel (deksel), O., scheelen. Scheeltje, O., -jes.

Scheel, scheler, scheelst.

Scheelaard, M., scheelaards.

Scheelachtig.

Scheelen (scheiden, schoonmaken), scheelde, heeft gescheeld.

Scheelheid, V.

Scheeloog, M, en V., -oogen.

Scheelzien, O.

Scheen, V., schenen. Scheentje, O., -jes.

Scheenbeen, O., -beenderen.

Scheep (Te -).

Scheepje. Zie Schip.

Scheeprijk, -rijker, -rijkst.

Scheepsbehoeften (mv.), V.

Scheepsbericht, O., -berichten.

Scheepsbeschuit, V., -beschuiten.

Scheepsbestier, O.

Scheepsbewijs, O., -bewijzen.

Scheepsboord, O.

Scheepsbouw, M.

Scheepsbouwer, M.

Scheepsbouwmeester, M., -meesters.

Scheepsch (Geen - verstaan).

Scheepsdek, O., -dekken.

Scheepsdokter, M., -dokters.

Scheepsgebruik, O., -gebruiken.

Scheepsgelegenheid, V., -gelegenheden.

Scheepsgevecht, O., -gevechten.

Scheepsgezel, M., -gezellen.

Scheepsjongen, M., -jongens.

Scheepsjournaal, O., -journalen.

Scheepskameel, O., -kameelen.

Scheepskapitein, M., -kapiteins.

Scheepskist, V., -kisten.

Scheepsklerk, M., -klerken.

Scheepskok, M., -koks.

Scheepskost, M.

Scheepskroon, V., -kronen.

Scheepslading, V., -ladingen.

Scheepslantaren, V., -lantarens.

Scheepslengte, V., -lengten.

Scheepsmaat, M., -maats.

Scheepsmakelaar, M., -makelaars.

Scheepsofficier, M., -officieren.

Scheepspapieren (mv.), O.

Scheepsprovisie, V.

Scheepsraad, M., -raden.

Scheepsrecht, O.

Scheepsruimte, V.

Scheepsstrijd, M., -strijden.

Scheepstagrijn, M., -tagrijnen en -tagrijns.

Scheepsterm, M., -termen.

Scheepstijding, V., -tijdingen.

Scheepstimmerman, M., -lieden en -lui.

Scheepstimmerwerf, V., -werven.

Scheepstocht, M., -tochten.

Scheepstoebehooren, O.

Scheepstoerusting, V., -toerustingen.

Scheepstuig, O.

Scheepsvolk, O.

Scheepsvoogd, M., -voogden.

Scheepsvracht, V., -vrachten.

Scheepswerk, O.

Scheepswoord, O., -woorden.

Scheepvaart, V.

Scheepvaartbelangen (mv.), O.

Scheepvaartrecht, O., -rechten.

Scheer (zandbank), V., scheren.

Scheerbekken, O., -bekkens.

Scheerbout, M., -bouten.

Scheerder, M., scheerders.

Scheerderswinkel, M., -winkels.

Scheerdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes.

Scheerdoos, V., -doozen.

Scheerdraad, M., -draden.

Scheergang, V., -gangen.

Scheergeld, O.

Scheergereedschap, O.

Scheerhaak, M., -haken.

Scheerklant, M., -klanten.

Scheerkwast, M., -kwasten; -kwastje, O., -jes.

Scheerlijn, V., -lijnen.

Scheerling, V.

Scheerloon, O., -loonen.

Scheermes, O., -messen.

Scheerriem, M., -riemen.

Scheersel, O.

Scheerspiegeltje, O., -jes.

Scheerstok, M., -stokken.

Scheertijd, M.

Scheerwater, O.

Scheerwinkel, M., -winkels.

Scheerzeep, V.

Scheet, M., scheten.

Scheg en Schegge, V., scheggen.

Scheggelood, O.

Schei, V., scheien.

Scheiboter, V.

Scheidbaar, -bare.

Scheidbaarheid, V.

Scheidboom, M., -boomen.

Scheidboor, V., -boren.

Scheidbrief, M., -brieven.

Scheiden, scheidde, heeft en is gescheiden.

Scheiding, V., scheidingen. Scheidinkje, O., -jes.

Scheidpaal, M., -palen.

Scheidsman, M., -lieden.

Scheidsmuur, M., -muren.

Scheidsrechter, M., -rechters.

Scheidsvrouw, V., -vrouwen.

Scheikunde, V.

Scheikundig.

Scheikundige, M., -kundigen.

Scheikunst, V.

Scheilijn, V., -lijnen.

Scheimuur, M., -muren.

Scheinagel, M., -nagels.

Scheisel, O., scheisels.

Scheisloot, V., -slooten.

Scheiteeken, O., -teekens.

Scheivocht, O.

Schel (bel), V., schellen. Schelletje, O., -jes.

Schel (schil). Zie Schil.

Schel, scheller, schelst.

Schelden, schold, heeft gescholden.

Scheldnaam, M., -namen.

Scheldwoord, O., -woorden; -woordje, O., -jes.

Schelen (verschillen), scheelde, heeft gescheeld.

Schelf, V., schelven.

Schelheid, V.

Schelklinkend, -klinkender, -klinkendst.

Schelknop, M., -knoppen.

Schelkoord, O., -koorden.

Schelkruid, O.

Schellak, O.

Schellen, schelde, heeft gescheld.

Schelling, M., schellingen. Schellinkje, O., -jes.

Schellinkje (in de komedie), O.

Schelm, M., schelmen. Schelmpje, O., -jes.

Schelmachtig, -achtiger, -achtigst.

Schelmerij, V., schelmerijen.

Schelmsch, schelmscher, meest schelmsch.

Schelmstuk, O., -stukken.

Schelp en Schulp, V., schelpen en schulpen. Schelpje en schulpje, O., -jes.

Schelpaarde, V.

Schelpdier, O., -dieren.

Schelpenpad, O., -paden.

Schelpkalk, V.

Schelpnet, O., -netten.

Schelpweg, M., -wegen.

Schelpzand, O.

Scheluw.

Scheluwte, V.

Schelvisch (een visch), M., -visschen. Als stofnaam, V.

Schelvischlever, V., -levers.

Schelvischoog, O., -oogen.

Schelvischvangst, V.

Schelwortel, V.

Schema, O., schema's.

Schemer, M.

Schemerachtig, -achtiger, -achtigst.

Schemeravond, M., -avonden.

Schemeren, schemerde, heeft geschemerd.

Schemerig, schemeriger, schemerigst.

Schemering, V., schemeringen.

Schemerlampje, O., -jes.

Schemerlicht, O.

Schemertijd, M.

Schemeruur, O.; -uurtje, O., -jes.

Schendbrok, M. en V., -brokken.

Schenden, schond, heeft geschonden.

Schender, M., schenders.

Schenderij, V., schenderijen.

Schendig, schendiger, schendigst.

Schending, V., schendingen.

Schenk, M., schenken. Schenkje, O., -jes.

Schenkage, V., schenkages.

Schenkblad, O., -bladen; -blaadje, O., -jes.

Schenkbord, O., -borden; -bordje, O., -jes.

Schenkel en Schinkel, M., schenkels en schinkels. Schenkeltje en schinkeltje, O., -jes.

Schenkelvleesch, O.

Schenken, schonk, heeft geschonken.

Schenker, M., schenkers.

Schenking, V., schenkingen.

Schenkingsakte, V., -akten.

Schenkkan, V., -kannen; -kannetje, O., -jes.

Schenkketel, M., -ketels; -keteltje, O., -jes.

Schenkster, V., schenksters.

Schennis, V.

Schep, M., scheppen. Schepje, O., -jes.

Schepbord, O., -borden.

Schepel, O., schepels. Schepeltje, O., -jes.

Schepeling, M. en V., schepelingen. V. ook schepelinge.

Schepelsmand, V., -manden.

Schepelszak, M., -zakken.

Schepen, M., schepenen.

Schepen, scheepte, heeft gescheept.

Schepenbank, V., -banken.

Schepenbrief, M., -brieven.

Schependom, O.

Schepenkennis, V., -kennissen.

Schepenschap, O.

Schepgat, O., -gaten.

Scheplepel, M., -lepels.

Schepnet, O., -netten; -netje, O., -jes.

Scheppen (voortbrengen), schiep, heeft geschapen.

Scheppen (putten), schepte, heeft geschept.

Schepper, M., scheppers.

Schepping, V., scheppingen.

Scheppingsboek, O.

Scheppingsgeschiedenis, V.

Scheppingskracht, V.

Scheppingsverhaal, O., -verhalen.

Scheppingsvermogen, O.

Scheppingswerk, O.

Scheprad, O., -raden en -raderen.

Schepsel, O., schepselen en schepsels. Schepseltje, O., -jes.

Schepter, M., schepters.

Schepvat, O., -vaten.

Scheren, schoor, schoren, heeft geschoren.

Scherf, V., scherven. Scherfje, O., -jes.

Schering, V., scheringen.

Scherlei. Zie Scharlei.

Scherluin. Zie Scharluin.

Scherm, O., schermen. Schermpje, O., -jes.

Schermbloemig.

Schermdegen, M., -degens; -degentje, O., -jes.

Schermen, schermde, heeft geschermd.

Schermer (persoon), M., schermers.

Schermer (naam van een polder), V.

Schermhandschoen, M., -handschoenen.

Scherminkel. Zie Scharminkel.

Schermkunst, V.

Schermles, V., -lessen.

Schermmasker, O., -maskers.

Schermmeester, M., -meesters.

Schermutselen, schermutselde, heeft geschermutseld.

Schermutseling, V., schermutselingen.

Schermzaal, V., -zalen.

Scherp, scherper, scherpst.

Scherp, O.

Scherpen, scherpte, heeft en is gescherpt.

Scherpheid, V., -heden.

Scherphoekig.

Scherping, V., scherpingen.

Scherpkort.

Scherplang.

Scherprechter, M., -rechters.

Scherpschutter, M., -schutters.

Scherpschuttersvereeniging, V., -vereenigingen.

Scherpsnijdend.

Scherpte, V., scherpten.

Scherpziend.

Scherpzinnig, -zinniger, -zinnigst.

Scherpzinnigheid, V., -heden.

Scherpzinniglijk.

Scherts, V.

Schertsen, schertste, heeft geschertst.

Schertsenderwijze en -wijs.

Scherven, scherfde, is gescherfd.

Schets, V., schetsen. Schetsje, O., -jes.

Schetsboek, O., -boeken.

Schetsen, schetste, heeft geschetst.

Schetser, M., schetsers.

Schetsteekening, V., -teekeningen.

Schetteraar, M., schetteraars.

Schetterbuik, M., -buiken.

Schetteren, schetterde, heeft geschetterd.

Schettering, V., schetteringen.

Scheur, V., scheuren. Scheurtje, O., -jes.

Scheurbroek (broekscheurder), M., scheurbroeken.

Scheurbuik, V. Verg. Scorbut.

Scheurder, M., scheurders.

Scheurdoek, M., -doeken.

Scheuren, scheurde, heeft en is gescheurd.

Scheuring, V., scheuringen.

Scheurkalender, M., -kalenders.

Scheurlaken, O.

Scheurlinnen, O.

Scheurmaker, M., -makers.

Scheurmakerij, V., -makerijen.

Scheurpapier, O.

Scheursel, O., scheursels.

Scheurziek, -zieker, -ziekst.

Scheut, M., scheuten. Scheutje, O., -jes.

Scheutig, scheutiger, scheutigst.

Scheutigheid, V.

Schicht, M., schichten. Schichtje, O., -jes.

Schichtig, schichtiger, schichtigst.

Schichtigheid, V., -heden.

Schie. Zie Scheede.

Schielijk, -lijker, -lijkst.

Schielijkheid, V.

Schieman, M., -lieden en -lui.

Schiemannen, schiemande, heeft geschiemand.

Schiemansgaren, O.

Schiemansgast, M., -gasten.

Schiemansmaat, M., -maats.

Schier.

Schiereiland, O., -eilanden; -eilandje, O., -jes.

Schieringer, M., Schieringers.

Schietbaan, V., -banen.

Schietbout, M., -bouten.

Schieten, schoot, schoten, heeft en is geschoten.

Schieter, M., schieters.

Schietgat, O., -gaten.

Schietgebedje, O., -jes.

Schietgeweer, O.

Schietkatoen, O.

Schietlood, O., -looden.

Schietoefening, V., -oefeningen.

Schietschijf, V., -schijven.

Schietschool, V., -scholen.

Schietschouw, V., -schouwen.

Schietschuit, V., -schuiten.

Schietsleuf, V., -sleuven.

Schietspel, O., -spellen; -spelletje, O., -jes.

Schietspoel, V., -spoelen.

Schiettuig, O.

Schietwedstrijd, M., -wedstrijden.

Schiften (scheiden), schiftte, heeft geschift.

Schiften (van vochten), schiftte, is geschift.

Schifter, M., schifters.

Schifting, V., schiftingen.

Schijf, V., schijven. Schijfje, O., -jes.

Schijfschieten, O.

Schijn, M. Schijntje, O., -jes.

Schijnaanval, M., -aanvallen.

Schijnbaar, -bare.

Schijnbeeld, O., -beelden.

Schijnbeweging, V., -bewegingen.

Schijnchristen, M., -christenen.

Schijndeugd, V., -deugden.

Schijndood, M.

Schijndood, -doode.

Schijndoode, M. en V., -dooden.

Schijnen, scheen, schenen, heeft geschenen.

Schijngehakt, O.

Schijngeleerde, M., -geleerden.

Schijngeloof, O.

Schijngeluk, O.

Schijnglans, M., -glansen.

Schijngrond, M., -gronden.

Schijnheilig, -heiliger, -heiligst.

Schijnheilige, M. en V., -heiligen.

Schijnheiligheid, V.

Schijnreden, V., -redenen.

Schijnschoon, -schoone.

Schijnsel, O., schijnsels. Schijnseltje, O., -jes.

Schijnvermaak, O., -vermaken.

Schijnvriend, M., -vrienden.

Schijnvroom, -vrome.

Schijnzoet, O.

Schijten, scheet, scheten, heeft gescheten.

Schijtlaars, M., -laarzen.

Schijtvalk, M., -valken.

Schijtwortel, V.

Schijvenschuurder, M., -schuurders.

Schik, M.

Schikgodin, V., -godinnen.

Schikkelijk, -lijker, -lijkst.

Schikkelijkheid, V.

Schikken, schikte, heeft en is geschikt.

Schikker, M., schikkers.

Schikking, V., schikkingen.

Schil en Schel, V., schillen en schellen. Schilletje en schelletje, O., -jes.

Schild, O., schilden. Schildje, O., -jes.

Schilder, M., schilders. Schildertje, O., -jes.

Schilderachtig, -achtiger, -achtigst.

Schilderachtigheid, V.

Schilderen (malen), schilderde, heeft geschilderd.

Schilderen (op schildwacht staan), schilderde, heeft geschilderd.

Schilderes, V., schilderessen.

Schilderhuisje, O., -jes.

Schilderij, V. en O., schilderijen. Schilderijtje, O., -jes.

Schilderijententoonstelling, V., -tentoonstellingen.

Schilderijkoord, O.

Schilderijlijst, V., -lijsten.

Schildering, V., schilderingen.

Schilderkamer, V., -kamers.

Schilderkunst, V.

Schildersbent, V.

Schilderschool, V., -scholen.

Schildersezel, M., -ezels.

Schildersgordijn, O., -gordijnen.

Schilderskwast, M., -kwasten.

Schildersleven, O.

Schilderstok en Schildersstok, M., -stokken.

Schilderstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.

Schildersvak, O.

Schilderswinkel, M., -winkels.

Schilderswerk, O.

Schilderswerkplaats, V., -werkplaatsen.

Schildhouder, M., -houders.

Schildknaap, M., -knapen.

Schildluis, V., -luizen.

Schildpad (dier en scheepsw.), V., -padden; (stof), O. Schildpadje, O., -jes.

Schildpadden (bnw.).

Schildpadsoep, V.

Schildvleugelig.

Schildwacht (een wachter), M., -wachten.

Schildwacht (het wachthouden), V.

Schildwachthuisje, O., -huisjes.

Schilfer, V., schilfers. Schilfertje, O., -jes.

Schilferachtig, -achtiger, -achtigst.

Schilferen, schilferde, is geschilferd.

Schilferig, schilferiger, schilferigst.

Schilfering, V., schilferingen.

Schillen, schilde, heeft geschild.

Schillenmand, V., -manden.

Schilmesje, O., -jes.

Schim, V., schimmen. Schimmetje, O., -jes.

Schimmel (paard), M., schimmels. Schimmeltje, O., -jes.

Schimmel (uitslag), V.

Schimmelbles, M., -blessen.

Schimmelen, schimmelde, heeft en is geschimmeld.

Schimmelig, schimmeliger, schimmeligst.

Schimmeling, V.

Schimmelkleurig.

Schimmelplant, V., -planten.

Schimmelspel, O.

Schimmenrijk, O.

Schimp, M.

Schimpbrief, M., -brieven.

Schimpdicht, O., -dichten.

Schimpdichter, M., -dichters.

Schimpen, schimpte, heeft geschimpt.

Schimper, M., schimpers.

Schimperij, V., schimperijen.

Schimpig, schimpiger, schimpigst.

Schimping, V., schimpingen.

Schimpkreet, M., -kreten.

Schimplied, O., -liederen.

Schimpnaam, M., -namen.

Schimprede, V., -redenen.

Schimpscheut, M., -scheuten; -scheutje, O., -jes.

Schimpschrift, O., -schriften.

Schimptaal, V.

Schimpvogel, M., -vogels.

Schimpwoord, O., -woorden.

Schink, M., schinken. Schinkje, O., -jes.

Schinkel (lichaamsdeel). Zie Schenkel.

Schinkel en Schenkel (scheepsw.), M., schinkels en schenkels.

Schinkelhaak, M., -haken.

Schip, O., schepen. Scheepje, O., -jes.

Schipbreuk, V., -breuken.

Schipbreukeling, M. en V., -breukelingen. V. ook -breukelinge.

Schipbrug, V., -bruggen.

Schipper, M., schippers. Schippertje, O., -jes.

Schipperen, schipperde, heeft en is geschipperd.

Schipperij, V., schipperijen.

Schippersboek, O., -boeken.

Schippersbroek, V., -broeken

Schippershuis, O., -huizen.

Schippershut, V., -hutten.

Schippersknecht, M., -knechts.

Schippersloon, O., -loonen.

Schippersmuts, V., -mutsen.

Schippond, O., -ponden.

Schisma, O., schisma's.

Schitteren, schitterde, heeft geschitterd.

Schitterend, schitterender, schitterendst.

Schittering, V., schitteringen.

Schitterlicht, O.

Schob. Zie Schub.

Schobbejak, M., -jakken.

Schobben, schobde, heeft geschobd.

Schobberd, M., schobberds.

Schobberdebonk (Op -).

Schoef, V., schoeven.

Schoeien, schoeide, heeft geschoeid.

Schoeiing, V., schoeiingen.

Schoeisel, O., schoeisels. Schoeiseltje, O., -jes.

Schoelje, M., schoeljes.

Schoeljeachtig, -achtiger, -achtigst.

Schoen, M., schoenen. Schoentje, O., -jes.

Schoenenwinkel, M., -winkels.

Schoener, M., schoeners.

Schoengesp, M., -gespen.

Schoenhoorntje, O., -hoorntjes.

Schoenlappen, O.

Schoenlapper (persoon, insect en gebak), M., -lappers; -lappertje, O., -jes.

Schoenleder, O.

Schoenmaken, O.

Schoenmaker, M., -makers; -makertje, O., -jes.

Schoenmakersjongen, M., -jongens.

Schoenpoetser, M., -poetsers.

Schoenpoetsersbak, M., -bakken.

Schoensmeer, O.

Schoenzool, V., -zolen.

Schoep, V., schoepen.

Schoer, M., schoeren.

Schoffeerder, M., schoffeerders.

Schoffeeren, schoffeerde, heeft geschoffeerd.

Schoffeering, V., schoffeeringen.

Schoffel, V., schoffels. Schoffeltje, O., -jes.

Schoffelen, schoffelde, heeft geschoffeld.

Schoft (schavuit), M., schoften.

Schoft (schouder), V., schoften. Schoftje, O., -jes.

Schoft (werktijd), V., schoften.

Schoftachtig, -achtiger, -achtigst.

Schoften, schofte, heeft geschoft.

Schofterig, schofteriger, schofterigst.

Schoftig, schoftiger, schoftigst.

Schofttijd, M.

Schoftuur, O., -uren; -uurtje, O., -jes.

Schok (stoot), M., schokken. Schokje, O., -jes.

Schok (boonenpeul), V., schokken.

Schok (zestigtal), O., schokken.

Schokbuis, V., -buizen.

Schokken, schokte, heeft geschokt.

Schokker, M., Schokkers.

Schoktorpedo, V., -torpedo's.

Schol (ijsschots), V., schollen.

Schol (visch), V., schollen. Scholletje, O., -jes.

Scholarch, M., scholarchen.

Scholastiek, V.

Scholen, schoolde, heeft geschoold.

Scholier, M., scholieren. Scholiertje, O., -jes.

Scholierster, V., scholiersters.

Scholium, O., scholia en scholiën.

Schollevaar. Zie Scholver.

Scholpen, scholpte, heeft gescholpt.

Scholver, ook Scholverd en Schollevaar, M., scholvers, scholverds, schollevaars en schollevaren.

Schommel (schop), M., schommels. Schommeltje, O., -jes.

Schommel (dik vrouwspersoon), V., schommels.

Schommelaar, M., schommelaars.

Schommelen, schommelde, heeft geschommeld.

Schommelig, schommeliger, schommeligst.

Schommeling, V., schommelingen.

Schommelstoel, M., -stoelen.

Schonk, V., schonken. Schonkje, O., -jes.

Schonkig, schonkiger, schonkigst.

Schoof, V., schooven. Schoofje, O., -jes.

Schooien, schooide, heeft geschooid.

Schooier, M., schooiers.

Schooister, V., schooisters.

School (leerschool enz.), V.; (schoolgebouw), V. en O., scholen. Schooltje, O., -jes.

School (menigte visschen), V., scholen.

Schoolbank, V., -banken.

Schoolbezoek, O.

Schoolbibliotheek, V., -bibliotheeken.

Schoolblijven, bleef school, bleven school, is schoolgebleven.

Schoolboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.

Schoolboekhandel, M.

Schoolbord, O., -borden.

Schoolcommissie, V., -commissiën.

Schooldistrict, O., -districten.

Schoolfeest, O., -feesten.

Schoolgaan, ging school, heeft schoolgegaan.

Schoolgebouw, O., -gebouwen.

Schoolgeld, O., -gelden.

Schoolgeldheffing, V., -heffingen.

Schooljaar, O., -jaren.

Schooljeugd, V.

Schooljongen, M., -jongens.

Schooljuffrouw, V., -juffrouwen.

Schoolkaart, V., -kaarten.

Schoolkameraad, M., -kameraden.

Schoolkind, O., -kinderen.

Schoolkindervoeding, V.

Schoolklok, V., -klokken.

Schoolliggen, lag school, lagen school, heeft schoolgelegen.

Schoollokaal, O., -lokalen.

Schoolmakker, M., -makkers.

Schoolmeester, M., -meesters.

Schoolmeesterachtig, -achtiger, -achtigst.

Schoolmeesterswijsheid, V.

Schoolmeisje, O., -meisjes.

Schoolmeubel, O., -meubelen.

Schoolonderwijs, O.

Schoolopziener, M., -opzieners.

Schoolpaard, O., -paarden.

Schoolreglement, O., -reglementen.

Schoolsch, schoolscher, meest schoolsch.

Schoolschheid, V.

Schooltasch, V., -tasschen.

Schooltijd, M., -tijden.

Schooltucht, V.

Schooluur, O., -uren.

Schoolvertrek, O., -vertrekken.

Schoolverzuim, O.

Schoolvos, M., -vossen.

Schoolwerk, O.

Schoolwijsheid, V.

Schoon, schooner, schoonst.

Schoon, O.

Schoon (voegw.).

Schoonbroeder, M., -broeders.

Schoondochter, V., -dochters.

Schoondruk, M.

Schoone (schoone vrouw), V., schoonen.

Schoone (hetgeen schoon is), O.

Schoonheid, V., -heden.

Schoonheidsgevoel, O.

Schoonheidsleer, V.

Schoonheidszin, M.

Schoonhouden, hield schoon, heeft schoongehouden.

Schoonklinkend, -klinkender, -klinkendst.

Schoonmaak, V.

Schoonmaakduivel, M.

Schoonmaakster, V., -maaksters.

Schoonmaaktijd, M.

Schoonmaken, maakte schoon, heeft schoongemaakt.

Schoonmoeder, V., -moeders.

Schoonouders (mv.), M.

Schoonrijden, O.

Schoonschijnend, -schijnender, -schijnendst.

Schoonschrift, O., -schriften.

Schoonschrijven, O.

Schoonschrijver, M., -schrijvers.

Schoontjes (bijw.).

Schoonvader, M., -vaders.

Schoonzicht, O.

Schoonzoon, M., -zoons en -zonen.

Schoonzuster, V., -zusters.

Schoor, M., schoren. Schoortje, O., -jes.

Schoorbalk, M., -balken.

Schoorhoek, M., -hoeken.

Schoorlat, V., -latten.

Schoorpaal, M., -palen.

Schoorpilaar, M., -pilaren.

Schoorpost, M., -posten.

Schoorsteen, M., -steenen; -steentje, O., -jes.

Schoorsteenbrand, M., -branden; -brandje, O., -jes.

Schoorsteenmantel, M., -mantels.

Schoorsteenpijp, V., -pijpen.

Schoorsteenplaat, V., -platen.

Schoorsteenrand, M., -randen.

Schoorsteenroet, O.

Schoorsteenstuk, O., -stukken.

Schoorsteenval, M., -vallen; -valletje, O., -jes.

Schoorsteenveger, M., -vegers.

Schoorstuk, O., -stukken.

Schoorvoeten, schoorvoette, heeft geschoorvoet.

Schoorvoetend.

Schoot (van een kleed), M., schoten. Schootje, O., -jes.

Schoot (touw), M., schooten. Schootje, O., -jes.

Schoot (loot en deel van het slot), V., schoten.

Schoot (bepaalde hoeveelheid), V., schoten. Schootje (ook als naam van zeker brood), O., -jes.

Schootblok, O., -blokken.

Schoothondje, O., -jes.

Schootkind, O., -kinderen; -kindje, O., -jes.

Schootknechten (mv.), M.

Schootsvel, O., -vellen.

Schootsverheid, V.

Schootvrij.

Schooven, schoofde, heeft geschoofd.

Schoovenbinder, M., -binders.

Schoovenbindster, V., -bindsters.

Schooverzeil, O., -zeilen.

Schop (stoot), M., schoppen. Schopje, O., -jes.

Schop (schommel), V., schoppen.

Schop (spade), V., schoppen. Schopje, O., -jes.

Schoppen (mv.), V.

Schoppen, schopte, heeft geschopt.

Schoppenaas, O., -azen.

Schoppenboer, M., -boeren.

Schoppenheer, M., -heeren.

Schoppenvrouw, V., -vrouwen.

Schopstoel, M., -stoelen; -stoeltje, O., -jes.

Schor, schorder, schorst.

Schoren, schoorde, heeft geschoord.

Schorheid, V.

Schoring, V., schoringen.

Schorpioen, M., schorpioenen. Schorpioentje, O., -jes.

Schorre en Schor, V., schorren.

Schorrimorrie, O.

Schors, V., schorsen. Schorsje, O., -jes.

Schorselwoensdag, M., -dagen.

Schorsen, schorste, heeft geschorst.

Schorseneer, V., schorseneeren.

Schorsing, V., schorsingen.

Schort, V. en O., schorten. Schortje, O., -jes.

Schorteldoek, M., -doeken.

Schortelkleed, O., -kleeden.

Schorten, schortte, heeft geschort.

Schorthaak, M., -haken.

Schorting, V.

Schot (Schotlander), M., Schotten.

Schot (voortgang), O.

Schot (schut), O., schotten. Schotje, O., -jes.

Schot (het schieten enz.), O., schoten.

Schot (belasting), O.

Schotbalk, M., -balken.