Part 44
Opvreten, vrat op, vraten op, heeft opgevreten.
Opvroolijken, vroolijkte op, heeft opgevroolijkt.
Opvroolijking, V.
Opvullen, vulde op, heeft opgevuld.
Opvulling, V., -vullingen.
Opvulsel, O., -vulsels.
Opwaaien, waaide op, heeft en is opgewaaid; ook woei op, woeien op.
Opwaarts (bijw.).
Opwaartsch (bnw.).
Opwachten, wachtte op, heeft opgewacht.
Opwachting, V.
Opwakkeren, wakkerde op, heeft en is opgewakkerd.
Opwakkering, V.
Opwarmen, warmde op, heeft opgewarmd.
Opwarming, V.
Opwassen, wies op, wiesen op, is opgewassen.
Opwegen, woog op, wogen op, heeft opgewogen.
Opwekkelijk, -lijker, -lijkst.
Opwekken, wekte op, heeft opgewekt.
Opwekkend, -wekkender, -wekkendst.
Opwekking, V., -wekkingen.
Opwellen, welde op, heeft en is opgeweld.
Opwelling, V., -wellingen.
Opwentelen, wentelde op, heeft opgewenteld.
Opwerken, werkte op, heeft opgewerkt.
Opwerpen, wierp op, heeft opgeworpen.
Opwerping, V., -werpingen.
Opwinden, wond op, heeft opgewonden.
Opwinding, V., -windingen.
Opwippen, wipte op, heeft en is opgewipt.
Opwitten, witte op, heeft opgewit.
Opwrijven, wreef op, wreven op, heeft opgewreven.
Opzadelen, zadelde op, heeft opgezadeld.
Opzakken, zakte op, heeft opgezakt.
Opzamelaar, M., -zamelaars.
Opzamelen, zamelde op, heeft opgezameld.
Opzameling, V., -zamelingen.
Opzegbaar, -bare.
Opzegbaarheid, V.
Opzeggen, zeide op, heeft opgezegd en opgezeid.
Opzegging, V.
Opzeilen, zeilde op, heeft en is opgezeild.
Opzenden, zond op, heeft opgezonden.
Opzending, V.
Opzet (het opgezette), M., -zetten.
Opzet (bij geschut), M., -zetten.
Opzet (beraamd plan), O.
Opzetdoos, V., -doozen; -doosje, O., -jes.
Opzetsel, O.
Opzettelijk, -lijker, -lijkst.
Opzetten, zette op, heeft opgezet.
Opzetter, M., -zetters.
Opzetting, V.
Opzicht, O., -zichten.
Opzichter, M., -zichters.
Opzichtig, -zichtiger, -zichtigst.
Opzichtigheid, V.
Opzien, zag op, zagen op, heeft opgezien.
Opzien, O.
Opziener, M., -zieners.
Opzienersambt, O.
Opzingen, zong op, heeft opgezongen.
Opzitten, zat op, zaten op, heeft opgezeten.
Opzoeken, zocht op, heeft opgezocht.
Opzoeking, V., -zoekingen.
Opzolderen, zolderde op, heeft opgezolderd.
Opzoldering, V.
Opzouten, zoutte op, heeft opgezouten.
Opzuigen, zoog op, zogen op, heeft opgezogen.
Opzuipen, zoop op, zopen op, heeft opgezopen.
Opzwaaien, zwaaide op, is opgezwaaid.
Opzwalpen, zwalpte op, heeft opgezwalpt.
Opzweepen, zweepte op, heeft opgezweept.
Opzwelgen, zwolg op, heeft opgezwolgen.
Opzwellen, zwol op, zwollen op, is opgezwollen.
Opzwelling, V., -zwellingen.
Opzwemmen, zwom op, zwommen op, is opgezwommen.
Orakel, O., orakels en orakelen.
Orakelen, orakelde, heeft georakeld.
Orakelspreuk, V., -spreuken.
Orakeltaal, V.
Orang-oetang, M., orang-oetangs.
Oranje (boom), M., (vrucht), V., oranjes.
Oranje (kleur), O.
Oranje (bnw.).
Oranjeappel, M., -appels en -appelen.
Oranjebloesem, M.
Oranjeboom, M., -boomen.
Oranjehuis, O.
Oranjeklant, M. en V., -klanten.
Oranjekleur, V.
Oranjelint, O.
Oranjemarmelade, V.
Oranjerie, V., oranjerieën.
Oranjeschil, V., -schillen.
Oranjestrik, M., -strikken; -strikje, O., -jes.
Oratie, V., oratiën en oraties.
Oratorium, O., oratoriums en oratoria.
Orberen, orberde, heeft georberd.
Orchidee, V., orchideeën.
Orde, V., orden.
Ordelijk, -lijker, -lijkst.
Ordelijkheid, V.
Ordeloos, -loozer.
Ordeloosheid, V.
Ordenen, ordende, heeft geordend.
Ordening, V., ordeningen.
Ordentelijk, -lijker, -lijkst.
Ordentelijkheid, V.
Order, V., orders.
Orderbriefje, O., -briefjes.
Ordeteeken, O., -teekenen.
Ordinaat, V., ordinaten.
Ordinaris, V., ordinarissen.
Ordineeren, ordineerde, heeft geordineerd.
Ordonnans, M., ordonnansen.
Ordonnans-officier, M., -officieren.
Ordonnantie, V., ordonnantiën en ordonnanties.
Ordonnateur, M., ordonnateuren en ordonnateurs.
Ordonneeren, ordonneerde, heeft geordonneerd.
Oreeren, oreerde, heeft georeerd.
Orego, V.
Oreillonspassertje, O., -jes.
Orgaan, O., organen.
Organiek, organieke.
Organisatie, V., organisatiën en organisaties.
Organisch.
Organiseeren, organiseerde, heeft georganiseerd.
Organisme, O., organismen.
Organist en Orgelist, M., organisten en orgelisten.
Orgeade, V.
Orgel, O., orgels en orgelen. Orgeltje, O., -jes.
Orgelconcert, O., -concerten.
Orgeldraaier, M., -draaiers.
Orgelen, orgelde, heeft georgeld.
Orgelist. Zie Organist.
Orgelmuziek, V.
Orgelpunt, V., -punten.
Orgeltoon, M., -tonen.
Orgeltrapper, M., -trappers.
Orientalist, M., orientalisten.
Originaliteit, V.
Origineel, origineeler, origineelst.
Origineel, O., origineelen.
Orkaan, M., orkanen.
Orkest, O., orkesten.
Orkestdirecteur, M., -directeurs.
Orkestmeester, M., -meesters.
Orkesttoon, M.
Orleaan, O.
Ornament en Ornement, O., ornamenten en ornementen. Ornamentje en ornementje, O., -jes.
Orneeren, orneerde, heeft georneerd.
Orthodox (bnw.).
Orthodoxe, M. en V., orthodoxen.
Orthodoxie, V.
Orthographie, V., orthographieën.
Orthographisch.
Ortolaan, M., ortolanen.
Os, M., ossen. Osje, O., -jes.
Oscillatie, V., oscillatiën en oscillaties.
Oscilleeren, oscilleerde, heeft geoscilleerd.
Osculatievlak, O., -vlakken.
Ossegal, V.
Ossekop, M., -koppen.
Osselapjes (mv.), O.
Osseleder en Osseleer, en Ossenleder en Ossenleer, O.
Osseleeren en Ossenleeren (bnw.).
Ossemerg en Ossenmerg, O.
Ossenbloed, O.
Ossendrift, V., -driften.
Ossenhaas, M., -hazen; -haasje, O., -jes.
Ossenhuid, V., -huiden.
Ossenkooper, M., -koopers.
Ossenmarkt, V., -markten.
Ossenoog, O., -oogen.
Ossenstal, M., -stallen.
Osserib, V., -ribben.
Ossetand, M., -tanden.
Ossetong, V., -tongen; -tongetje, O., -jes.
Ossevleesch en Ossenvleesch, O.
Ostentatie, V.
Osteologie, V.
Ostracisme, O.
Otter, M., otters. Ottertje, O., -jes.
Otterbont, O.
Oud, ouder, oudst.
Oudachtig, -achtiger, -achtigst.
Oudbakken, -bakkener, -bakkenst.
Oudburgemeester, M., -burgemeesters.
Oude, M. en V., ouden. Oudje, O., -jes.
Oudejaar, O.
Oudejaarsavond, M., -avonden.
Oude-kleerenmarkt, V., -markten.
Oude-kleerkoop, M., -koopen.
Oude-mannenhuis, O., -huizen.
Ouderdom, M.
Ouderdomskwaal, V., -kwalen.
Ouderhart, O.
Ouderhuis, O.
Ouderliefde, V.
Ouderlijk.
Ouderling, M., ouderlingen.
Ouderlingenbank, V., -banken.
Ouderlingschap, O.
Ouderloos, -looze.
Oudermin, V.
Ouderpaar, O.
Ouders en Ouderen (mv.), M.
Oudervreugde en -vreugd, V.
Ouderwets (bijw.).
Ouderwetsch (bnw.), ouderwetscher, meest ouderwetsch.
Ouderwetschheid, V.
Oude-vrouwenhuis, O., -huizen.
Oudgast, M., -gasten.
Oudgediende, M., -gedienden.
Oudheid, V., -heden.
Oudheidkenner, M., -kenners.
Oudheidkunde, V.
Oudheidkundig.
Oudhollandsch.
Oudje, O., oudjes.
Oudoom, M., -ooms.
Oudovergrootmoeder, V., -moeders.
Oudovergrootvader, M., -vaders.
Oudroest, M.
Oudtante, V., -tantes.
Oudtestamentisch.
Oudtijds.
Oudvader, M., -vaders.
Oudvaderlandsch.
Oudvaderlijk.
Oudwijfsch.
Oulings.
Outaar en Outer, O., outaren en outers.
Ouverture, V., ouverturen en ouvertures.
Ouwel, M., ouwels. Ouweltje, O., -jes.
Ouwelijk, -lijker, -lijkst.
Ovaal, ovale.
Ovaal, O., ovalen.
Ovatie, V., ovatiën en ovaties.
Oven, M., ovens. Oventje, O., -jes.
Ovendweil, V., -dweilen.
Ovenist, M., ovenisten.
Ovenpaal, M., -palen.
Over.
Over (scheepsw.), M., overs.
Overaardig.
Overademen, overademde, heeft overademd.
Overal.
Overaltegenwoordig.
Overaltegenwoordigheid, V.
Overasemen, overasemde, heeft overasemd.
Overbabbelen, babbelde over, heeft overgebabbeld.
Overbekend.
Overbekendheid, V.
Overbeleefd.
Overbeschaafd.
Overbeschaafdheid, V.
Overbescheiden.
Overbevolking, V.
Overbevolkt.
Overbidden, bad over, baden over, heeft overgebeden.
Overbinden, bond over, heeft overgebonden.
Overbleeken, bleekte over, heeft overgebleekt.
Overblijfsel, O., -blijfsels en -blijfselen; -blijfseltje, O., -jes.
Overblijven, bleef over, bleven over, is overgebleven.
Overbluffen, overblufte, heeft overbluft.
Overbodig, -bodiger, -bodigst.
Overbodigheid, V., -heden.
Overboeken, boekte over, heeft overgeboekt.
Overboeking, V., -boekingen.
Overboenen, boende over, heeft overgeboend.
Overboord.
Overborduren, borduurde over, heeft overgeborduurd.
Overborrelen, borrelde over, is overgeborreld.
Overborreling, V.
Overborstelen, borstelde over, heeft overgeborsteld.
Overbouwen, bouwde over, heeft overgebouwd; ook overbouwde, heeft overbouwd.
Overbraden, braadde over, heeft overgebraden.
Overbreien, breide over, heeft overgebreid.
Overbrengen, bracht over, heeft overgebracht.
Overbrenger, M., -brengers.
Overbrenging, V., -brengingen.
Overbrengster, V., -brengsters.
Overbriefster, V., -briefsters.
Overbrieven, briefde over, heeft overgebriefd.
Overbriever, M., -brievers.
Overbrieving, V., -brievingen.
Overbruggen, overbrugde, heeft overbrugd.
Overbrugging, V., -bruggingen.
Overbruisen, bruiste over, heeft en is overgebruist.
Overbuigen, boog over, bogen over, heeft en is overgebogen.
Overbuitelen, buitelde over, heeft en is overgebuiteld.
Overbukken, bukte over, heeft overgebukt.
Overbuur, M., -buren; -buurtje, O., -jes.
Overcijferen, cijferde over, heeft overgecijferd.
Overcompleet, -complete.
Overdaad, V.
Overdadig, -dadiger, -dadigst.
Overdadigheid, V.
Overdeelen, deelde over, heeft overgedeeld.
Overdek, O., -dekken; -dekje, O., -jes.
Overdeken, M., -dekens.
Overdekken, overdekte, heeft overdekt.
Overdekking, V., -dekkingen.
Overdeksel, O., -deksels.
Overdenken, overdacht, heeft overdacht.
Overdenking, V., -denkingen.
Overdik, -dikke.
Overdijken, overdijkte, heeft overdijkt.
Overdijking, V.
Overdoen, doet over, deed over, deden over, heeft overgedaan; ook overdoet, overdeed, overdeden, heeft overdaan.
Overdoezelen, doezelde over, heeft overgedoezeld.
Overdonderen, overdonderde, heeft overdonderd.
Overdracht, V., -drachten.
Overdrachtelijk.
Overdrachtsbrief, M., -brieven.
Overdragen, droeg over, heeft overgedragen.
Overdrager, M., -dragers.
Overdraven, draafde over, heeft en is overgedraafd.
Overdrentelen, drentelde over, heeft en is overgedrenteld.
Overdreven, -drevener, -drevenst.
Overdrevenheid, V., -heden.
Overdrijven, dreef over, dreven over, heeft en is overgedreven; ook overdreef, overdreven, heeft overdreven.
Overdrijving, V., -drijvingen.
Overdruk, M., -drukken; -drukje, O., -jes.
Overdruk (bnw.), -drukke.
Overdrukken, drukte over, heeft en is overgedrukt; ook overdrukte, heeft overdrukt.
Overduivelen, overduivelde, heeft overduiveld; ook Overduvelen.
Overdwars.
Overeen.
Overeenbrengen, bracht overeen, heeft overeengebracht.
Overeenkomen, komt overeen, kwam overeen, kwamen overeen, is overeengekomen.
Overeenkomst, V., -komsten.
Overeenkomstig.
Overeenkomstigheid, V.
Overeenstemmen, stemde overeen, heeft overeengestemd.
Overeenstemming, V.
Overeind.
Overerfelijk.
Overernstig.
Overerven, erfde over, heeft en is overgeërfd.
Overerving, V.
Overeten (zich -), overat zich, overaten zich, heeft zich overeten.
Overfijn.
Overflonkeren, overflonkerde, heeft overflonkerd.
Overfluisteren, fluisterde over, heeft overgefluisterd.
Overfoeliën, overfoeliede, heeft overfoelied.
Overforsch.
Overgaaf en Overgave, V.
Overgaan, gaat over, ging over, is overgegaan.
Overgaar, -gare.
Overgalmen, overgalmde, heeft overgalmd.
Overgang, M., -gangen.
Overgangsbepaling, V., -bepalingen.
Overgangsexamen, O., -examens.
Overgangstijdperk, O., -tijdperken.
Overgangsvorm, M., -vormen.
Overgankelijk.
Overgapen, overgaapte, heeft overgaapt.
Overgaren, gaarde over, heeft overgegaard.
Overgauw.
Overgave. Zie Overgaaf.
Overgedienstig.
Overgegeven, -gegevener, -gegevenst.
Overgelukkig.
Overgeven, gaf over, gaven over, heeft overgegeven.
Overgeving, V., -gevingen.
Overgevoelig.
Overgevoeligheid, V.
Overgewicht, O.
Overgieten, goot over, goten over, heeft overgegoten; ook overgoot, overgoten, heeft overgoten.
Overgieting, V.
Overglijden, gleed over, gleden over, is overgegleden.
Overgloeien, gloeide over, heeft overgegloeid.
Overgoed.
Overgolven, overgolfde, heeft overgolfd.
Overgooien, gooide over, heeft overgegooid.
Overgrijpen, overgreep, overgrepen, heeft overgrepen.
Overgroeien, overgroeide, heeft overgroeid.
Overgroot, -groote.
Overgrootmoeder, V., -moeders.
Overgrootvader, M., -vaders.
Overgutsen, gutste over, heeft en is overgegutst.
Overhaal, M., -halen.
Overhaalschuit, V., -schuiten.
Overhaalster, V., -haalsters.
Overhaasten, overhaastte, heeft overhaast.
Overhaasting, V.
Overhalen, haalde over, heeft overgehaald.
Overhaler, M., -halers.
Overhaling, V., -halingen.
Overhand, V.
Overhandigen, overhandigde, heeft overhandigd.
Overhandiging, V.
Overhands.
Overhangen, hing over, heeft overgehangen.
Overhebben, heeft over, had over, hadden over, heeft overgehad.
Overheen.
Overheeren, overheerde, heeft overheerd.
Overheering, V.
Overheerlijk, -lijker, -lijkst.
Overheerschen, overheerschte, heeft overheerscht.
Overheerscher, M., -heerschers.
Overheersching, V., -heerschingen.
Overheet, -heete.
Overheid, V., -heden.
Overheidsambt, O., -ambten.
Overheidspersoon, M., -personen.
Overhellen, helde over, heeft overgeheld.
Overhelling, V.
Overhemd, O., -hemden; -hemdje, O., -jes.
Overhemdsknoop, M., -knoopen.
Overhemdsmouw, V., -mouwen.
Overhoef, M., -hoeven.
Overhoeks (bijw.).
Overhoeksch (bnw.).
Overhoop.
Overhoopliggen, lag overhoop, lagen overhoop, heeft overhoopgelegen.
Overhoopraken, raakte overhoop, is overhoopgeraakt.
Overhooren, overhoorde, heeft overhoord.
Overhooring, V., -hooringen.
Overhouden, hield over, heeft overgehouden.
Overhouwen (van een nieuwen houw voorzien), houwde over, heeft overgehouwd.
Overig.
Overigens.
Overijken, ijkte over, heeft overgeijkt.
Overijlen (zich -), overijlde zich, heeft zich overijld.
Overijling, V.
Overjagen, jaagde over, heeft overgejaagd, en joeg over; ook overjaagde, heeft overjaagd, en overjoeg.
Overjarig.
Overjarigheid, V.
Overjas, V., -jassen; -jasje, O., -jes.
Overkalken (met kalk), overkalkte, heeft overkalkt.
Overkalken (afschrijven), kalkte over, heeft overgekalkt.
Overkammen, kamde over, heeft overgekamd.
Overkant, M.
Overkappen (met eene kap bedekken), overkapte, heeft overkapt.
Overkapping, V., -kappingen.
Overkeurig.
Overkijken, keek over, keken over, heeft overgekeken; ook overkeek, overkeken, heeft overkeken.
Overkist, V., -kisten.
Overkladden, kladde over, heeft overgeklad.
Overklappen, klapte over, heeft overgeklapt.
Overklauteren, klauterde over, heeft en is overgeklauterd.
Overkleed (kleedingstuk), O., -kleederen en -kleeren; -kleedje, O., -kleedjes en -kleertjes.
Overkleed (dekkleed), O., -kleeden; -kleedje, O., -jes.
Overkleeden, kleedde over, heeft overgekleed; ook overkleedde, heeft overkleed.
Overkleeding, V., -kleedingen.
Overkleedsel, O., -kleedsels.
Overklein.
Overkleuren, kleurde over, heeft overgekleurd.
Overklikken, klikte over, heeft overgeklikt.
Overklimmen, klom over, klommen over, heeft en is overgeklommen.
Overklimming, V.
Overklinken, klonk over, heeft overgeklonken; ook overklonk, heeft overklonken.
Overkoken, kookte over, heeft en is overgekookt.
Overkomelijk.
Overkomen, komt over, kwam over, kwamen over, is overgekomen; ook overkomt, overkwam, overkwamen, is overgekomen.
Overkomst, V.
Overkop (bijw.).
Overkorsten, overkorstte, heeft overkorst.
Overkort.
Overkraaien, overkraaide, heeft overkraaid.
Overkrijgen, kreeg over, kregen over, heeft overgekregen.
Overkroppen, overkropte, heeft overkropt.
Overkropping, V.
Overkruipen, kroop over, kropen over, heeft en is overgekropen.
Overkuieren, kuierde over, heeft en is overgekuierd.
Overlaars, V., -laarzen.
Overlaat, M., -laten.
Overladen, laadde over, heeft overgeladen; ook overlaadde, heeft overladen.
Overlading, V., -ladingen.
Overland (bijw.).
Overlandmail, V.
Overlandreis, V., -reizen.
Overlang (bijw.).
Overlangs (bijw.).
Overlangsch (bnw.).
Overlangzaam, -zame.
Overlast, M.
Overlasten, overlastte, heeft overlast.
Overlasting, V.
Overlaten, liet over, heeft overgelaten.
Overlating, V.
Overledene, M. en V., -ledenen.
Overleder, en -leer, O.
Overleeren, leerde over, heeft overgeleerd.
Overleg, O.
Overleggen, legde over en leide over, heeft overgelegd en overgeleid; ook overlegde en overleide, heeft overlegd en overleid.
Overlegging, V., -leggingen.
Overleunen, leunde over, heeft overgeleund.
Overleven, overleefde, heeft overleefd.
Overlevende, M. en V., -levenden.
Overleveren, leverde over, heeft overgeleverd.
Overlevering, V., -leveringen.
Overleving, V.
Overlevingscontract, O., -contracten.
Overlezen, las over, lazen over, heeft overgelezen.
Overlezing, V.
Overlieden. Zie Overman.
Overliegen, overloog, overlogen, heeft overlogen.
Overliggen, lag over, lagen over, heeft overgelegen.
Overlijden, overleed, overleden, is overleden.
Overlijden, O.
Overlokken, lokte over, heeft overgelokt.
Overlommeren, overlommerde, heeft overlommerd.
Overloop, M., -loopen; -loopje, O., -jes.
Overloopen, liep over, heeft en is overgeloopen; ook overliep, heeft overloopen.
Overlooper, M., -loopers.
Overlooping, V., -loopingen.
Overluid.
Overluiden, ook Overluien, luidde en luide over, heeft overgeluid; ook overluidde en overluide, heeft overluid.
Overmaasch.
Overmaat, V.
Overmacht, V.
Overmachtig.
Overmaken, maakte over, heeft overgemaakt.
Overmalen, maalde over, heeft overgemalen.
Overmaling, V.
Overman, M., -lieden en -lui.
Overmangelen, mangelde over, heeft overgemangeld.
Overmannen, overmande, heeft overmand.
Overmarcheeren, marcheerde over, is overgemarcheerd.
Overmast (bnw.).
Overmatig (de maat te boven gaande), -matiger, -matigst.
Overmeesteren, overmeesterde, heeft overmeesterd.
Overmeestering, V.
Overmerken, merkte over, heeft overgemerkt.
Overmeten, mat over, maten over, heeft overgemeten.
Overmeting, V., -metingen.
Overmetselen, metselde over, heeft overgemetseld.
Overmidden.
Overmits.
Overmoed, M.
Overmoedig, -moediger, -moedigst.
Overmonsteren, monsterde over, heeft overgemonsterd.
Overmorgen.
Overmouw, V., -mouwen; -mouwtje, O., -jes.
Overnaaien, naaide over, heeft overgenaaid.
Overnachten, overnachtte, heeft overnacht.
Overnauwkeurig.
Overnemen, nam over, namen over, heeft overgenomen.
Overneming, V.
Overnommeren, nommerde over, heeft overgenommerd.
Overoud.
Overpad, O., -paden; -paadje, O., -jes.
Overpakken, pakte over, heeft overgepakt.
Overpakking, V., -pakkingen.
Overpassen, paste over, heeft overgepast.
Overpeilen, peilde over, heeft overgepeild.
Overpeinzen, overpeinsde, heeft overpeinsd.
Overpeinzing, V., -peinzingen.
Overpersen, perste over, heeft overgeperst.
Overplaatsen, plaatste over, heeft overgeplaatst.
Overplaatsing, V., -plaatsingen.
Overplakken, plakte over, heeft overgeplakt; ook overplakte, heeft overplakt.
Overplakking, V., -plakkingen.
Overplamuren, plamuurde over, heeft overgeplamuurd.
Overplanken, overplankte, heeft overplankt.
Overplanten, plantte over, heeft overgeplant.
Overplanting, V., -plantingen.
Overpleisteren, pleisterde over, heeft overgepleisterd; ook overpleisterde, heeft overpleisterd.
Overpleistering, V., -pleisteringen.
Overpletten, plette over, heeft overgeplet.
Overploegen, ploegde over, heeft overgeploegd.
Overpoetsen, poetste over, heeft overgepoetst.
Overpolijsten, polijstte over, heeft overgepolijst.
Overpond, O., -ponden.
Overpoten, pootte over, heeft overgepoot.
Overprachtig.
Overpraten, praatte over, heeft overgepraat; ook overpraatte, heeft overpraat.
Overprikkelen, overprikkelde, heeft overprikkeld.
Overprikkeling, V., -prikkelingen.
Overraken, raakte over, is overgeraakt.
Overreden, overreedde, heeft overreed.
Overreding, V.
Overredingskracht, V.
Overreiken, reikte over, heeft overgereikt.
Overreiking, V.
Overrekenen, rekende over, heeft overgerekend.
Overrennen, rende over, is overgerend; ook overrende, heeft overrend.
Overrijden, reed over, reden over, heeft en is overgereden; ook overreed, overreden, heeft overreden.
Overrijp.
Overroeien, roeide over, heeft en is overgeroeid; ook overroeide (zich), heeft (zich) overroeid.
Overroepen, riep over, heeft overgeroepen.
Overrompelen, overrompelde, heeft overrompeld.
Overrompeling, V., -rompelingen.
Overruim.
Oversausen, oversauste, heeft oversaust.
Overschaduwen, overschaduwde, heeft overschaduwd.
Overschaduwing, V.
Overschatten, overschatte, heeft overschat.
Overschatting, V.
Overschaven, schaafde over, heeft overgeschaafd.
Overschenken, schonk over, heeft overgeschonken.
Overschepen, scheepte over, heeft overgescheept.
Overscheping, V., -schepingen.
Overscheren, schoor over, schoren over, heeft overgeschoren.
Overscherp.
Overschetsen, schetste over, heeft overgeschetst.
Overschieten, schoot over, schoten over, heeft en is overgeschoten.
Overschijnen, overscheen, overschenen, heeft overschenen.
Overschilderen, schilderde over, heeft overgeschilderd; ook overschilderde, heeft overschilderd.
Overschildering, V.
Overschitteren, overschitterde, heeft overschitterd.
Overschoen, M., -schoenen.
Overschoon, -schoone.
Overschot, O., -schotten; -schotje, O., -jes.
Overschreeuwen, overschreeuwde, heeft overschreeuwd.
Overschrijden, overschreed, overschreden, heeft overschreden.
Overschrijding, V., -schrijdingen.
Overschrijven, schreef over, schreven over, heeft overgeschreven.
Overschrijver, M., -schrijvers.
Overschrijving, V., -schrijvingen.
Overschrobben, schrobde over, heeft overgeschrobd.
Overschudden, schudde over, heeft overgeschud.
Overschuieren, schuierde over, heeft overgeschuierd.
Overschuimen, schuimde over, heeft en is overgeschuimd.
Overschuiven, schoof over, schoven over, heeft overgeschoven.
Overschuren, schuurde over, heeft overgeschuurd.
Overseinen, seinde over, heeft overgeseind.
Overseining, V.
Oversjouwen, sjouwde over, heeft overgesjouwd.
Overslaan, slaat over, sloeg over, heeft en is overgeslagen.
Overslag, M., -slagen; -slagje, O., -jes.
Oversleepen, sleepte over, heeft overgesleept.
Overslenteren, slenterde over, heeft en is overgeslenterd.
Overslibben, overslibde, heeft overslibd.
Overslibbing, V.
Overslijpen, sleep over, slepen over, heeft overgeslepen.
Overslingeren, slingerde over, heeft en is overgeslingerd.
Overslingering, V.
Oversloof, V., -slooven.
Oversluipen, sloop over, slopen over, is overgeslopen.
Oversmeden, smeedde over, heeft overgesmeed.
Oversmelten, smolt over, heeft overgesmolten.
Oversmelting, V.
Oversmeren, smeerde over, heeft overgesmeerd; ook oversmeerde, heeft oversmeerd.
Oversmijten, smeet over, smeten over, heeft overgesmeten.
Oversneeuwen, oversneeuwde, heeft oversneeuwd.
Oversnellen, snelde over, is overgesneld.
Oversnoeien, snoeide over, heeft overgesnoeid.
Overspannen, spande over, heeft overgespannen; ook overspande, heeft overspannen.
Overspanning, V., -spanningen.
Oversparen, spaarde over, heeft overgespaard.
Oversparing, V.
Overspatten, overspatte, heeft overspat.
Overspeelster, V., -speelsters.
Overspel, O.
Overspeler, M., -spelers.
Overspelig.
Overspijkeren, spijkerde over, heeft overgespijkerd.
Overspikkelen, overspikkelde, heeft overspikkeld.
Overspinnen, spon over, sponnen over, heeft overgesponnen; ook overspon, oversponnen, heeft oversponnen.
Overspitten, spitte over, heeft overgespit.
Overspoeden, spoedde over, is overgespoed.
Overspoelen, spoelde over, heeft overgespoeld; ook overspoelde, heeft overspoeld.
Oversporen, spoorde over, heeft en is overgespoord.
Overspreiden, overspreidde, heeft overspreid.
Oversprenkelen, oversprenkelde, heeft oversprenkeld.
Overspringen, sprong over, heeft en is overgesprongen; ook oversprong (zich), heeft (zich) oversprongen.
Overstaan, staat over, stond over, heeft overgestaan.
Overstaan, O. (Ten -).
Overstag (bijw.).
Overstandig.
Overstapkaartje, O., -jes.
Overstappen, stapte over, heeft en is overgestapt; ook overstapte (zich), heeft (zich) overstapt.
Overstapping, V.