Part 4
6. Bij het bepalen van de natuur der _e's_ en _o's_ in gevallen, waar verschil of onzekerheid bestond, hebben wij ons door de afleiding laten besturen, hetgeen door enkele beoordeelaars verkeerd is opgevat en ten onrechte voorgesteld als eene diep ingrijpende verandering, waardoor de vocaalspelling veel moeilijker zou geworden zijn. Bij eenig nadenken blijkt die voorstelling onjuist te wezen. De gebruikelijke spelling berust op het verschil in de uitspraak der _e'_s en _o's_; en daar dit verschil een gevolg is van den ouderen vorm der woorden, moet het raadplegen der afleiding tot dezelfde uitkomsten leiden als het waarnemen der uitspraak; alleen met dit onderscheid, dat de afleiding ook beslist omtrent die woorden, bij welke de uitspraak niet beslissen kan, t. w. dezulke, wier uitspraak niet overal dezelfde is, of die niet tot de volkstaal behooren. De spelling wint dus voor den taalbeoefenaar in wetenschappelijke juistheid, terwijl voor het groote publiek de toestand dezelfde blijft, daar men bij de gebruikelijke spelling evenzeer genoodzaakt was woordenlijsten te raadplegen.
Verdere regels omtrent de klinkers en tweeklanken.
7. _Aau_ of _au_.--De spelling _flaauw_, _gaauw_ enz. vertegenwoordigt eene uitspraak, die volstrekt niet meer de algemeene is, maar in het oor der meeste beschaafde lieden hoogst onaangenaam klinkt. De meest algemeene uitspraak doet een klank hooren, die tusschen _aau_ en _ou_ in ligt, en die in de woorden _dauw_, _kauw_, _heraut_, reeds in de spelling erkend was. Het is juister en regelmatiger, die spelling ook in de andere woorden te volgen, en _aau_ voorgoed door _au_ te vervangen. Wij schrijven daarom _blauw_, _flauw_, _gauw_, _nauw_, _nauwelijks_ enz. (_Grondbeg._ § 74).
8. _Ie_ en _i_.--De lange of gerekte _i_-klank wordt steeds door _ie_ voorgesteld, in opene lettergrepen evenzeer als in geslotene; men schrijft zoowel _die-nen_, _die-ren_, _kie-zen_ met _ie_, als _dien_, _dier_, _kies_. Daarom verwerpen wij de spelling _substanti-ven_, _anti-ke_, _Israëli-ten_ enz., als niet overeenstemmende met _substantief_, _antiek_, _Israëliet_ enz., noch met de algemeen gebruikelijke schrijfwijze _mortieren_, _officieren_, _kommiezen_, _valiezen_, en schrijven regelmatig _motieven_, _substantieven_, _antieken_, _republieken_, _Israëlieten_, _Mennonieten_ enz. (_Grondbeg._ § 82).
9. Daarentegen is de klank, die door _ie_ voorgesteld wordt, te lang en te zwaar voor toonlooze lettergrepen, om welke reden reeds de gebruikelijke spelling de enkele _i_ in _afgodisch_, _Israëlitisch_, _predikant_, _muzikant_, voorschreef. Wij spellen dienovereenkomstig ook _historisch_, _geographisch_, _fabrikant_, _republikein_, _Jezuïtisme_, _motiveeren_ enz. met de enkele _i_, met verwerping van de bij sommigen gebruikelijke schrijfwijze _historiesch_, _fabriekant_, _fabriekaat_, _Jezuietisme_ enz. (_Grondbeg._ § 82 en 84).
10. Slechts in den uitgang ie, van woorden als _balie_, _linie_, _malie_, _olie_, _tralie_ enz., komt ie in eene toonlooze lettergreep voor. Het meervoud dier woorden wordt gespeld: _baliën_, _liniën_, _maliën_ enz. (of _balies_, _linies_, _malies_). Deze spelling dagteekent uit den tijd toen _ie_ nog algemeen als een tweeklank _ië_ werd uitgesproken, en kan dus als regelmatig beschouwd worden. Doch niet te verdedigen is de gebruikelijke spelling der meervouden _harmoniën_, _melodiën_, _reliquiën_, die geheel anders klinken dan _baliën_ enz. Wij spellen daarom de meervouden der woorden op _ie_ op twee wijzen, naar gelang ie toonloos is of den klemtoon heeft, en schrijven: _baliën_, _traliën_, _oliën_, enz.; maar _harmonieën_, _reliquieën_ enz., in overeenstemming met _drieën_, _knieën_, _tweeën_, _zeeën_. Zoo dan ook _genieën_, van _genie_, in onderscheiding van _geniën_, mv. van _genius_. (_Grondbeg._ § 83).
11. _Ie_ en _ij_.--De _ij_ was oorspronkelijk eene lange _i_ en luidde vroeger algemeen, gelijk nog in sommige gewesten, als _ii_ of _ie_. Toen zij den _ei_-klank aannam, had dit ook plaats bij vreemde woorden als _bijbel_, _mijter_, _pijl_, _tijger_, _praktijk_, _fabrijk_, _kolijk_, _muzijk_ enz. Sommige dezer woorden hebben later hun vroegeren _i_-klank hernomen, ofschoon men desniettemin voortging ze met _ij_ te schrijven. Die spelling is thans verkeerd, nu de uitspraak der _ij_ veranderd is. Daarom vervangen wij in al de laatstgenoemde woorden de _ij_ door _ie_, en schrijven _fabriek_, _katholiek_, _koliek_, _muziek_. (_Grondbeg._ § 86).
12. Toen de tweeklank _ië_ in den hedendaagschen klinker _ie_ (_i_) en de lange _i_ in _ij_ (_ei_) overging, hadden er verschillende verwarringen plaats, en begon men ook aan _gerief_, _harmonie_, _poëzie_, _koffie_ enz., den _ij_-klank te geven en dus te spellen: _gerijf_, _harmonij_, _poëzij_, _koffij_ enz. Nu men van die uitspraak teruggekomen is, behoort men ook die schrijfwijze te laten varen, en overeenkomstig de ware uitspraak _gerief_, _harmonie_, _poëzie_ en _koffie_ (evenals _balie_ en _tralie_) te spellen. (_Grondbeg._ § 86).
13. In de namen der maanden _Januarij_, _Februarij_, _Junij_, _Julij_, bestaat een dergelijke strijd tusschen klank en letterteeken; wij schrijven daarom _Januari_, _Februari_, _Juni_, _Juli_, in overeenstemming met de uitspraak en met de Latijnsche spelling _Januari_ voor _Januarii_ enz. (_Grondbeg._ § 87).
14. _Ei_ en _ij_.--Eene dergelijke verwarring als tusschen _ie_ en _ij_ heeft bij _ei_ en _ij_ plaats gegrepen in de woorden _sacristijn_, _karwei_ (zaad) en _malvezei_. Wij schrijven overeenkomstig de afleiding _malvezij_, _sacristein_, nevens _sacristij_, en _karwij_ (zaad), dat in oorsprong niet minder dan in beteekenis verschilt van _karwei_ (werk). (_Grondbeg._ § 88).
15. _Ee_ en _ei_, _oo_ en _oi_.--Men is gewoon aan de _e_ in het woord _heer_ (leger) een klank te geven, die het naast aan den tweeklank _ei_ komt; daarom onderscheiden wij dit woord ook door de spelling van _heer_ als persoonsnaam, en schrijven overeenkomstig de uitspraak: _heir_, _heiren_, _heirscharen_.--Ofschoon de vocaalklank in _oir_ (erfgenaam, Fr. _hoir_) niet van die in _oor_ (lichaamsdeel) verschilt, en de spelling met _oi_ derhalve in strijd is met de uitspraak, zoo hebben wij gemeend om de doelmatigheid, d. i. hier om de duidelijkheid, de gebruikelijke onregelmatige spelling te moeten behouden in een zoo zeldzaam voorkomend woord als _oir_, dat onder den vorm _oor_ niet terstond zou herkend worden. (_Grondbeg._ § 91).
16. De toonlooze _e_ voor de achtervoegsels -_ling_, -_lijk_ en -_loos_.--Wanneer een der achtervoegsels -_ling_, -_lijk_ en -_loos_ achter een stam gevoegd wordt, die niet uitgaat op een klinker of op eene der vloeiende letters _l_, _n_ en _r_, of op eene toonlooze lettergreep, dan ontstaat er in de uitspraak tusschen den stam en het achtervoegsel vanzelf eene toonlooze _e_, die gewoonlijk ook in het schrift wordt uitgedrukt, b. v. in _doopeling_, _goddelijk_, _goddeloos_. Dichters--en ook prozaschrijvers--onderdrukken die _e_ echter niet zelden, en schrijven _godlijk_, _godloos_, en zelfs _zeedlijk_ en _eindloos_, van _zede_ en _einde_. Het is evenwel niet raadzaam in prozastijl te dezen aanzien willekeurig te werk te gaan, dewijl zulks eene verbastering der uitspraak ten gevolge zou kunnen hebben. Wij hebben ons daarom de volgende regels gesteld:
De toonlooze _e_ blijft achterwege:
1. Wanneer het grondwoord eindigt op een klinker of een tweeklank; b. v. in _tweeling_, _drieling_, _vrijling_, _kruiling_, _kwalijk_, _leelijk_, _oolijk_ en _vroolijk_. In _vrijelijk_ echter kan de _e_ niet worden gemist, die in de uitspraak altijd gehoord wordt; en nevens de regelmatige vormen _moeilijk_ en _verfoeilijk_ zijn ook _moeielijk_ en _verfoeielijk_ in gebruik.
2. Wanneer het grondwoord eindigt op eene _l_ of _r_, of wel op eene _n_, die voorafgegaan wordt door een helderen klinker of een tweeklank; b. v. in _groenling_, _billijk_, _begeerlijk_, _bekoorlijk_, _persoonlijk_, _aanzienlijk_, _pijnlijk_, _doelloos_, _verwaarloozen_ enz. Wordt de _n_ door een korten klinker voorafgegaan, dan zijn de beide vormen, met en zonder _e_, even goed, b. v. _manlijk_ en _mannelijk_, _beminlijk_ en _beminnelijk_. Het gebruik maakt echter onderscheid tusschen _zinloos_ (zonder zin) en _zinneloos_ (buiten zijne zinnen).
3. Wanneer het grondwoord eindigt op eene toonlooze lettergreep, onverschillig met welken medeklinker deze sluit: b. v. _adellijk_, _eigenlijk_, _geduriglijk_, _koninklijk_, _bodemloos_ enz.
4. Wanneer het grondwoord eindigt op eene _g_, die als _ch_ wordt uitgesproken; b. v. in _behaaglijk_, _ontzaglijk_, _heuglijk_, _genoeglijk_, _welvoeglijk_ enz. De uitlating der _e_ strekt hier om aan de _g_ den verscherpten klank te verzekeren, en dus de spelling met de uitspraak in overeenstemming te brengen.
In prozastijl is het niet raadzaam de _e_ weg te laten achter de zachte medeklinkers _b_, _d_ en _g_ (als _g_, niet als _ch_ uitgesproken); b. v. niet uit _onhebbelijk_, _dadelijk_, _dagelijks_, _degelijk_ enz., daar de spelling _onheblijk_, _daadlijk_, _daaglijks_, _deeglijk_, tot de verkeerde uitspraak _onheplijk_, _daatlijk_, _daachlijks_, _deechlijk_ aanleiding zou geven. (_Grondbeg._ § 112).
Medeklinkers.
De verdubbeling der medeklinkers.
17. De medeklinkers worden in het midden van een woord verdubbeld, wanneer de voorafgaande klinker kort is en de lettergreep den vollen of halven klemtoon heeft; b. v. in _hebben_, _vlaggen_, _dekbedden_, _opstellen_. De regelmatigheid zou dus ook eischen, dat de _ch_ werd verdubbeld in _lachchen_, _lichchaam_, _echcho_ enz. Intusschen heeft deze spelling nooit ingang gevonden, en schreef men doorgaans óf _lagchen_, _ligchaam_, enz., óf _lachen_, _lichaam_. Het was dus noodig, uit die twee gebrekkige schrijfwijzen eene te kiezen, daar aan het invoeren der dubbele _ch_ (_lachchen_ enz.), die eigenlijk de regelmatige spelling zou zijn, wel niet te denken valt. Van die beide gebruikelijke schrijfwijzen is die met de enkele _ch_ nog de minst onregelmatige. Daarom spellen wij _lachen_, _echo_, _lichaam_, _richel_, _tichel_, _bochel_ enz. (_Grondbeg._ § 95).
18. Na eene toonlooze lettergreep is de verdubbeling van den medeklinker niet slechts overtollig, maar zelfs nadeelig voor de uitspraak. Men schrijft _wandelen_, _inboezemen_, _regenen_, _beteren_, _zondigen_; de spelling _wandellen_, _zondiggen_ enz. zou tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven.
Niet eenparig echter handelt men bij de uitgangen -_ik_, -_erik_ en -_it_, en schrijft b. v. _leeuwerikken_, _kievitten_ nevens _monniken_ en _diemiten_, ofschoon deze woorden onderling en met die op -_elen_, -_emen_, -_enen_ en -_eren_ gelijkstaan. Het is dus raadzaam, consequent te schrijven _leeuweriken_, _perziken_, _botteriken_, _zwezeriken_, _kieviten_, _diemiten_, en zoo ook _Dokkumer_, _Gorkumer_ enz. Alleen op twee woorden is deze regel niet toepasselijk, t. w. op _kennissen_ en _vonnissen_, die algemeen met _ss_ geschreven worden, naar analogie van _geheimenissen_, _getuigenissen_ enz., waarin de lettergreep _nis_ niet toonloos is, maar den halven klemtoon heeft. Ook in het meervoud der woorden, uitgaande op -_aris_ (Lat. -_arius_), wordt de _s_ verdubbeld: _archivarissen_, _commissarissen_, _notarissen_ enz.
19. Bij twee verschillende medeklinkers heeft in onze taal geene verdubbeling plaats; spellingen b. v. als _kannten_, _stellten_, zooals het Hoogduitsch die in de verbogen vormen der werkwoorden gebruikt, zijn bij ons onbekend. Slechts schijnbaar maken de woorden als _wasschen_, _flesschen_, _visschen_, enz. eene uitzondering. De _ch_ is in de genoemde en alle dergelijke woorden stom geworden, zoodat _wasschen_, _flesschen_, _visschen_ enz. eigenlijk hetzelfde is als _wassen_, _flessen_, _vissen_, waarin de _s_ regelmatig verdubbeld wordt. (_Grondbeg._ § 96).
20. Uit de drie voorgaande § § vloeit de volgende regel voort:
Tusschenletters worden in vier gevallen niet verdubbeld, namelijk:
1. niet achter heldere klinkers en tweeklanken; b. v. in _dagen_, _leven_, _blijven_, _huizen_ enz.
2. niet achter toonlooze klinkers, b. v. in _engelen_, _perziken_, _kieviten_ enz.; behalve de _s_ in _kennissen_, _vonnissen_ en in _notarissen_ enz.
3. niet, wanneer er twee verschillende tusschenletters zijn, met de schijnbare uitzondering bij de _sch_ in _wasschen_, _tusschen_ enz.
4. niet wanneer de tusschenletter eene _ch_ is; b. v. in _lachen_, _lichaam_ enz.
21. Het behoeft nauwelijks vermelding, dat deze regels niet van toepassing zijn bij samengestelde en afgeleide woorden, wier deelen onverminkt behooren te blijven. Men schrijft te recht twee _d's_, _g's_ enz. in _hoofddee_l, _waaggeld_, uit _hoofd_ en _deel_, _waag_ en _geld_; en zoo ook twee _l's_ in _adellijk_ en _middellijk_ van _adel_ en _middel_, door aanhechting van het achtervoegsel -_lijk_. (_Grondbeg._ § 113).
De halfklinkers _j_ en _w_.
22. De _j_, welke de gebruikelijke spelling in woorden als _baaijen_, _breijen_, _boeijen_, _buijen_ enz. invoegt, is geheel overtollig, nadeelig voor de uitspraak en strijdig met de regelmaat. Zij is overtollig, omdat de klank, dien zij moet voorstellen, vanzelf ontstaat en dus niet behoeft aangeduid te worden. Zij is nadeelig voor de uitspraak, omdat zij slechts aanleiding kan geven, dat men den bedoelden klank te sterk uitspreekt; b. v. in _hooijer_, _leijen_, _strooijen_ ten onrechte even sterk als in (_een goed_) _hooijaar_, _leijonker_, _strooijonker_. Zij strijdt met de analogie, omdat de spelling _baaijen_, _reijen_, _boeijen_, _luije_, _mooije_ enz., om regelmatig te kunnen heeten, niet slechts eene _j_ in _bijjen_, _rijjen_, _pijjen_ enz., maar ook _baaij_, _reij_, _luij_, _mooij_ zou eischen, evenzeer als uit _looden_, _boegen_, _bloote_, _vroege_, de spelling _lood_, _boeg_, _bloot_, _vroeg_ volgt. Wij mochten dus niet aarzelen, door het weglaten der overtollige _j_ de spelling der woorden, waarin tweeklanken op _i_ voorkomen, in overeenstemming te brengen met den erkenden regel betreffende het spellen van de onverbogen vormen der verbuigbare woorden, en zoodoende eene nuttelooze onregelmatigheid uit onze spraakkunst weg te nemen. Wij schrijven uit dien hoofde: _baaien_, _zaaien_, _breien_, _leien_, _gooien_, _hooien_, _buien_, _kruien_, _zaaier_, _hooier_, _kruier_, _bemoeiing_, _voltooiing_ enz., in overeenstemming met _reeën_, _zeeën_, _tweeën_, _theeën_, _drieën_, _knieën_, _spieën_, waarin evenzeer eene flauwe _j_ gehoord wordt. (_Grondbeg._ § 92).
23. De spelling _verw_, _verwpot_, _verwen_ enz. is thans strijdig met de uitspraak, waarin de _w_ door _f_ en _v_ vervangen is. Wij schrijven daarom _verf_, _verfpot_, _verfwaren_, _verven_, _verver_, _ververij_. (_Grondbeg._ § 126).
De vloeiende letters _l_ en _n_.
24. Reeds vanouds bestonden er een aantal samenstellingen met _middel_, als _middelpunt_, _middellinie_ enz. In den laatsten tijd is men begonnen ook met _midden_ samen te stellen, en naast _middeleeuwen_ en _middelpunt_ ook _middeneeuwen_, _middenpunt_ enz. te schrijven. Daar nu de beteekenis van _middel_ en _midden_ in al die woorden volkomen dezelfde is, en de eene vorm niet welluidender dan de andere klinkt, bestaat er geene reden om nu zus dan zoo te schrijven. Wij spellen daarom consequent: _middeleeuwen_, _middelevenredig_, _middelpunt_, _Middelnederlandsch_ enz., in overeenstemming met _middeldeur_, _middellandsch_, _middellijf_, _middellijn_, _middelmaat_, _middelmatig_, _middelmuur_, _middelpad_, _middelschot_, _middelsoort_, _middelstand_ enz., waarin men nooit _midden_ aantreft. (_Grondbeg._ § 114).
25. Het manl. achtervoegsel -_ing_ (zie _Gesl._ § 54) wisselde oudtijds af met den uitgang -_ig_, die nog in _honig_ voorkomt. De vorm _honing_, die in de spreektaal de gebruikelijkste is, heeft dus evenveel recht van bestaan als _honig_. Daarom achten wij ons verplicht beide vormen, zoowel _honing_, _honingraten_ enz., als _honig_, _honigraten_ enz., te erkennen.
26. De spelling der verkleinwoorden met eene _n_, als: _boekjen_, _huisjen_, _kopjen_, _schoteltjen_, _boekjens_, _huisjens_, _kopjens_, _schoteltjens_, _stilletjens_, _zachtjens_, is strijdig met de beschaafde uitspraak niet alleen, maar ook met de meeste dialecten. Wij schrijven daarom overeenkomstig de meest algemeene uitspraak: _bankje_, _boekje_, _bloempje_, _huisje_, _kopje_, _stilletjes_, _warmpjes_, _zachtjes_, _zoetjes_ enz. zonder _n_.
Anders is het gelegen met de verkleinwoorden op -_ken_ of -_ke_. Deze zijn verouderd en worden alleen nog in den kanselstijl en in sommige dialecten gebezigd, en dan meestal met _n_ uitgesproken. Wij schrijven om die reden _kindeken_, _jongsken_, _dochterken_ enz., te meer daar de beschaafde uitspraak de _n_ volstrekt eischt in _allengskens_ en _zachtkens_. In gemeenzamen stijl evenwel, waar -_ken_ stijf zou klinken, zien wij geen bezwaar in _boekske_, _penningske_ enz. (_Grondbeg._ § 119).
De keelletters _g, ch_ en _k_.
27. De geadspireerde keelklank, gevolgd door eene _t_, die tot dezelfde lettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, overeenkomstig de uitspraak, met _ch_ geschreven, b. v. in _acht_, _biecht_, _dracht_, _gewicht_, _gezicht_, _jacht_, _klacht_, _lucht_, _nacht_, _plecht_, _plechtig_, _plicht_, _recht_, _rechter_, _richten_, _slecht_, _tocht_, _vlucht_, _zucht_ enz., en zoo ook in _geslacht_ en _licht_, in alle beteekenissen, niettegenstaande een aantal der genoemde woorden van stammen met _g_ zijn gevormd, als _dracht_, _jacht_, _klacht_ enz. van _dragen_, _jagen_, _klagen_.
Daarentegen blijft de _g_ in de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam op _g_ eindigt, en in de zelfst. nw. door achtervoeging van -_te_ gevormd van bijvoegl. nw. op _g_; b. v. in _draagt_, _jaagt_, _klaagt_, _pleegt_, _weegt_, _ligt_ (van _liggen_), _zoogt_, _zuigt_ enz., en in _laagte_, _leegte_, _droogte_, _hoogte_, _vroegte_, _ruigte_, _menigte_ enz., waarin de _t_ steeds tot de volgende lettergreep te behoort.
De onvolm. verledene tijden der onregelmatige werkw. _brengen_, _mogen_ en _plegen_ behooren met _ch_ te worden gespeld: _bracht_, _brachten_, _mocht_, _mochten_, _placht_, _plachten_, en zoo ook het verl. deelw. _gebracht_; dewijl de _t_ daarin in alle vormen blijft. Daarentegen behoort men _brengt_, _moogt_, _pleegt_ met _g_ te schrijven, omdat de _t_ niet wordt aangetroffen in de overige vormen van den tegenw. tijd: _breng_, _brengen_, _mag_, _mogen_, _pleeg_, _plegen_.
Evenzoo is de spelling _Aagt_ en _aagtappel_ regelmatig, dewijl de _t_ in deze verkorte vormen slechts toevallig op de _g_ volgt, maar er in den onverminkten vorm _Agatha_ door eene _a_ van gescheiden is.
Het opvolgen dezer regels maakt een einde aan eene der lastigste onderscheidingen, die de gebruikelijke spelling met zich bracht, en aan de willekeur, die daarbij heerschte. Zoo schreef zij o. a. _ligt_ en _regt_ voor, ofschoon die woorden niet in verband staan met eenig woord, waarin eene _g_ voorkomt. Daarentegen gaf zij aan _geslacht_, _tucht_, _tuchtigen_ de _ch_, hoewel deze woorden met _slag_ en _toog_, _togen_ samenhangen. (_Grondbeg._ § 94).
28. Onze _g_ had oudtijds denzelfden klank als de Fransche _g_ in _grand_, _garde_, en was dus toen eene zachte _k_, gelijk zij thans eene zachte _ch_ kan genoemd worden. Wanneer zij als sluitletter door eene _n_ wordt voorafgegaan, b. v. in _tang_, _ring_, dan heeft zij nog een zweem van haar vroegeren klank behouden en gaat dientengevolge alsdan dikwijls over in _k_, b. v. in _koninklijk_ van _koning_, _aanvankelijk_ van _aanvangen_, _jonkheer_ van _jong_ enz. Het is daarom strijdig met ons taaleigen, aan eene sluitende _g_, door eene _n_ voorafgegaan, den klank eener zachte _ch_ te geven, en haar in _tang_, _tangen_, _ding_, _dingen_, enz. zóó uit te spreken als in _aangaan_, _ingetogen_, _ongelukkig_ enz. Daarom vervangen wij _ng_ door _nk_ in al die gevallen, waarin de spelling met _ng_ meer bijzonder tot de verkeerde uitspraak aanleiding kan geven, namelijk in _koninkrijk_, _jonkheid_, _lankmoedig_, en in de verkleinwoorden op -_je_, gevormd van woorden op -_ing_, wanneer deze lettergreep toonloos is, als in _koninkje_, _woninkje_, _rottinkje_, _kettinkje_ enz.
Wanneer -_ing_ door eene toonlooze lettergreep wordt voorafgegaan en dus zelf den halven klemtoon heeft, gelijk b. v. in _wandeling_, _teekening_, dan wordt het verkleinwoord door aanhechting van -_etje_ gevormd: _wandelingetje_, _teekeningetje_ enz., evenals _tangetje_, _ringetje_, _tongetje_ enz. (_Grondbeg._ § 98).
29. Sedert de _ch_ achter de _s_ in het midden en aan het einde der woorden stom geworden is, b. v. in _tusschen_, _menschen_, _disch_, _visch_ enz., heeft men haar ingelascht in sommige woorden, waar zij door de afleiding niet gevorderd wordt. In bijv. nw. als _gansch_, _heesch_ en andere is zulks eenigermate te rechtvaardigen (_Grondbeg._ § 123), maar niet bij _torschen_, waarin de _ch_ volstrekt geen nut doet en met de afleiding strijdt. Wij spellen daarom _torsen_ zonder _ch_.
30. Ten behoeve der duidelijkheid blijven wij, evenals in de gebruikelijke spelling geschiedt, _nog_ (daarenboven, tot nu toe) van _noch_ (ook niet) onderscheiden, ofschoon ook het eerstgenoemde woord volgens de afleiding eene _ch_ behoorde te hebben. In _nochtans_ echter, ofschoon uit _nog dan_ samengesteld, geven wij de voorkeur aan de _ch_, vermits wel deze scherpe keelletter, maar niet de zachte _g_, den overgang der _d_ van _dan_ in de _t_ van _tans_ heeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen niet meer gedacht wordt, zoodat hier alleen de uitspraak behoort gevolgd te worden.
31. De gebruikelijke spelling _Dingsdag_ berust op eene bedorven uitspraak, en maakt van den derden dag der week ten onrechte een _dag der (rechts)gedingen_. Daar de betere uitspraak _Dinsdag_ op vele plaatsen nog in gebruik is, hebben wij gemeend dezen minder verbasterden vorm te moeten verkiezen. Wij schrijven derhalve _Dinsdag_, want het woord is eigenlijk Diesdag, d. i. aan den oorlogsgod _Die_ of _Diu_ gewijd, met ingelaschte _n_, gelijk in _kinkhoest_ uit _kiekhoest_. (_Grondbeg._ § 128).
De tongletters _d_ en _t_.
32. Wanneer de _s_ door eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze de scherpe _t_; uitgezonderd in den 2den nv. der woorden op _d_, en in de bijvoegl. nw. en bijwoorden, door aanhechting van _sch_ en _s_ van woorden op _d_ gevormd; en eindelijk in _loods_ (in de beide beteekenissen), in _gids_ en _smidse_. Ingevolge dezen regel, die op de uitspraak en de afleiding gegrond is, schrijven wij niet alleen _trots_, _scherts_, _plaats_, _rots_ enz. met _t_, maar ook _guts_ van _gieten_; _knots_ van _knotten_; _rits_, _ritsig_, verwant met _wrijten_; _gutsen_, uit het oudere _gussen_ vervormd, en _ritselen_ van onzekere afleiding. Daarentegen met _d_: _Gods_, _des kinds_, _des bloeds_, _goedsmoeds_, _steedsch_ en _steeds_, _gindsch_ en _ginds_ van _gind(er)_. (_Grondbeg._ § 99).
33. De woorden op -_aard_ bestaan eigenlijk uit het bijv. nw. _hard_, gevoegd achter een bijv. of zelfst. nw. Zoo zijn b. v. _bloodaard_, _grijsaard_, _gulzigaard_, gevormd van de bijv. nw. _blood_, _grijs_, _gulzig_, en _bankaard_ van het znw. _bank_. Die woorden behooren dus met de _d_ van _hard_ geschreven te worden: en daar zij oorspronkelijk samenstellingen zijn, laat het gebruik te recht het grondwoord onveranderd en schrijft _lafaard_, _grijsaard_, niet _laffaard_, _grijzaard_. _Grijnzaard_ en _veinzaard_ echter zijn tegen den regel van een werkwoord gevormd en uit _grijnzer_, _veinzer_ verbasterd. Zij kunnen dus niet als samenstellingen beschouwd worden, maar behooren den regel der afleidingen te volgen en (gelijk _veinzer_, _lezer_ enz.) met de _z_ geschreven te worden. (_Grondbeg._ § 100).