Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden

Part 38

Chapter 382,885 wordsPublic domain

Niks.

Nimf, V., nimfen. Nimfje, O., -jes.

Nimfenstoet, M.

Nimmer.

Nimmermeer.

Nippe. Zie Neppe.

Nippen, nipte, heeft genipt.

Nippertje, O.

Nis, V., nissen. Nisje, O., -jes.

Niveau, O., niveau's.

Nivelleeren, nivelleerde, heeft genivelleerd.

Nobel, M., nobels en nobelen.

Nobel, nobeler, nobelst.

Noch (ook niet).

Nochtans.

Nocturne, V., nocturnes.

Noembaar, -bare.

Noemen, noemde, heeft genoemd.

Noemenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.

Noemer, M., noemers.

Noen, M.

Noenmaal, O.

Noest (ook oest), M., noesten.

Noest, noester.

Noesterig, noesteriger, noesterigst.

Noestheid, V.

Noestig, noestiger, noestigst.

Noestigheid, V.

Nog (daarenboven, tot nu toe).

Noga, V.

Nogal.

Nogataart, V., -taarten; -taartje, O., -jes.

Nogmaals.

Nok (snik), M., nokken. Nokje, O., -jes.

Nok (van het dak enz.), V., nokken. Nokje, O., -jes.

Nokbalk, M., -balken.

Nokken, nokte, heeft genokt.

Nomaden (mv.), M.

Nomadenleven, O.

Nomadenstam, M., -stammen.

Nomadisch.

Nomenclatuur, V., nomenclaturen.

Nominaal, nominale.

Nominalisme, O.

Nominalist, M., nominalisten.

Nominatie, V., nominatiën en nominaties.

Nommer en Nummer, O., nommers en nummers. Nommertje en nummertje, O., -jes.

Nommeren en Nummeren, nommerde, heeft genommerd.

Nommerijzer, O., -ijzers.

Nommering, V., nommeringen.

Nommervlag, V., -vlaggen.

Non, V., nonnen. Nonnetje, O., -jes; ook nonneken en nonneke, O., nonnekens en nonnekes.

Nonactief, nonactieve.

Nonactiviteit, V.

Nonactiviteits-traktement, O., -traktementen.

Nonchalance, V.

Nonchalant, nonchalanter, nonchalantst.

Non-interventie, V.

Nonnengewaad, O.

Nonnenkleed, O., -kleederen.

Nonnenklooster, O., -kloosters.

Nonnenorde, V., -orden.

Nonnensluier, M. -sluiers.

Nonsens, M.

Nonsensicaal, -cale.

Nonvaleur, M., nonvaleurs.

Nood, M., nooden.

Noodanker, O., -ankers.

Noodbrug, V., -bruggen.

Nooddeur, V., -deuren.

Nooddoop, M.

Nooddruft, V.

Noode (Van noode).

Noode (ongaarne).

Noodeloos, -looze.

Noodeloosheid, V.

Nooden, noodde, heeft genood.

Noodhaven, V., -havens.

Noodhulp, V., -hulpen.

Noodig, noodiger, noodigst.

Noodigen, noodigde, heeft genoodigd.

Noodiger, M., noodigers.

Noodiging, V., noodigingen.

Noodklok, V., -klokken.

Noodlijdend.

Noodlijdende, M. en V., -lijdenden.

Noodlot, O.

Noodlottig, -lottiger, -lottigst.

Noodlottigheid, V.

Noodmunt, V., -munten.

Noodrem, V., -remmen.

Noodschot, O., -schoten.

Noodsein, O., -seinen.

Noodweer (tegenweer), V.

Noodweer en Noodweder (hevig onweder), O.

Noodwendig, -wendiger, -wendigst.

Noodwendigheid, V.

Noodwet, V., -wetten.

Noodzaak, V.

Noodzakelijk, -lijker, -lijkst.

Noodzakelijkheid, V.

Noodzaken, noodzaakte, heeft genoodzaakt.

Nooit.

Noopijzer, O., -ijzers.

Noor, M., Noren.

Noord (bijw.). Noord (het Noorden), O.; (de noordelijk gelegen landen), V.

Noord-Brabant, O.

Noordelijk, -lijker, -lijkst.

Noordelijken, noordelijkte, is genoordelijkt.

Noorden, O.

Noordenwind, M., -winden.

Noorderbreedte, V.

Noorderlicht, O.

Noorderzon, V.

Noordfriesch.

Noord-Holland, O.

Noordhollandsch.

Noordnoordoost (bijw.). Als znw., O.

Noordnoordwest (bijw.). Als znw., O.

Noordoost (bijw.). Als znw., O.

Noordoostelijk.

Noordoosten, O.

Noordoosteren, noordoosterde, is genoordoosterd.

Noordpool, V.

Noordpoolexpeditie, V., -expedities.

Noordpoolreis, V., -reizen.

Noordpoolreiziger, M., -reizigers.

Noordpoolvaarder, M., -vaarders.

Noordsch.

Noordwaarts.

Noordwest (bijw.). Als znw., O.

Noordwestelijk.

Noordwesten, O.

Noordwesteren, noordwesterde, is genoordwesterd.

Noordzee, V.

Noorman, M., -mannen.

Noorsch (Noorweegsch).

Noorsch, O.

Noorweegsch.

Noorwegen, O.

Noot (zangnoot en aanteekening), V., noten. Nootje, O., -jes.

Noot (vrucht), V., noten. Nootje, O., -jes.

Nop, V., noppen. Nopje, O., -jes.

Nopen, noopte, heeft genoopt.

Nopens.

Nopijzer, O., -ijzers.

Nopjesgoed, O.

Noppen, nopte, heeft genopt.

Nopper, M., noppers.

Noppig, noppiger, noppigst.

Nopschaar, V., -scharen.

Norbertijn, M., Norbertijnen.

Normaal, normale.

Normaallessen (mv.), V.

Normaalpapier, O.

Normaalschool, V., -scholen.

Normaliseeren, normaliseerde, heeft genormaliseerd.

Normaliteit, V.

Norsch, norscher, meest norsch.

Norschheid, V., -heden.

Nota, V., nota's.

Notabel, notabeler, notabelst.

Notabele, M., notabelen.

Notariaat, O., notariaten.

Notarieel, notarieele.

Notaris, M., notarissen.

Notarisambt, O.

Notarishuis, O., -huizen.

Notariskantoor, O., -kantoren.

Notarisklerk, M., -klerken.

Noteboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.

Noteboomen (bnw.).

Noteboomhout, O.

Notedop, M., -doppen; -dopje, O., -jes.

Noteeren, noteerde, heeft genoteerd.

Noteering, V., noteeringen.

Notemuskaat (noot), V., -muskaten; (stof), O. Notemuskaatje, O., -jes.

Notenbalk, M., -balken.

Notendruk, M.

Notenhouten (bnw.).

Notenkraker, M., -krakers.

Notenschrift, O.

Notie, V., notiën en noties.

Notificatie, V., notificatiën en notificaties.

Notitie, V., notitiën en notities.

Notitieboekje, O., -boekjes.

Notulen (mv.), V.

Notulenboek, O., -boeken.

Notweg, M., -wegen.

Novelle, V., novellen.

Novellist, M., novellisten.

November, M.

Novene, V., novenen.

Novice, M. en V., novices.

Noviciaat, O.

Nu.

Nuance, V., nuances en nuancen.

Nuanceeren, nuanceerde, heeft genuanceerd.

Nuanceering, V., nuanceeringen.

Nuchter, nuchterder, nuchterst.

Nuchterheid, V.

Nuf, V., nuffen. Nufje, O., -jes.

Nuffig, nuffiger, nuffigst.

Nuffigheid, V.

Nuk, V., nukken. Nukje, O., -jes.

Nukkig, nukkiger, nukkigst.

Nukkigheid, V.

Nul, V., nullen. Nulletje, O., -jes.

Nulliteit, V., nulliteiten.

Nulpunt, O.

Numero, O.

Numismatiek, V.

Numismatisch.

Nummer, Nummeren, enz. Zie Nommer, Nommeren enz.

Nummerbord, O., -borden.

Nummerklep, V., -kleppen.

Nummerverwisselaar, M., -verwisselaars.

Nurk, M., nurken.

Nurksch, nurkscher, meest nurksch.

Nurkschheid, V.

Nusselaar, M., nusselaars.

Nusselen, nusselde, heeft genusseld.

Nut, O.

Nut, nutter, nutst.

Nutslezer, M., -lezers.

Nutslezing, V., -lezingen.

Nutsvergadering, V., -vergaderingen.

Nutsverhandeling, V., -verhandelingen.

Nutteloos, -loozer.

Nutteloosheid, V.

Nutten, nutte, heeft genut.

Nuttig, nuttiger, nuttigst.

Nuttigen, nuttigde, heeft genuttigd.

Nuttigheid, V.

Nuttigheidsbejag, O.

Nuttiging, V.

O

O. V., o's.

O (tusschenw.). Als znw., O., o's. Ootje, O., -jes.

Oase, V., oasen.

O-beenen (mv.), O. O-beentjes, O.

Obelisk, M., obelisken.

Object, O., objecten.

Objectie, V., objectiën en objecties.

Objectief, objectiever, objectiefst.

Objectief, O., objectieven.

Objectiviteit, V.

Oblie, V., oblieën. Oblietje, O., -jes.

Oblieman, M., -mannen.

Oblietrommel, V., -trommels; -trommeltje, O., -jes.

Obligaat (bijw.), - spelen, - zingen. Als znw., O., obligaten.

Obligatie, V., obligatiën en obligaties.

Obligatiehouder, M., -houders.

Obligeeren, obligeerde, heeft geobligeerd.

Obscoen en Obsceen, obscene.

Obscoeniteit, V., -teiten.

Obscurantisme, O.

Obscuur, obscure.

Observatie, V., observatiën en observaties.

Observator, M., observatoren.

Observatorium, O., observatoriums en observatoria.

Observeeren, observeerde, heeft geobserveerd.

Obstetrie, V.

Obstructie, V., obstructies.

Obstructionisme, O.

Obstructionist, M., -isten.

Oceaan, M., oceanen.

Och.

Ocharm en Ocharmen (tusschenw.).

Ochtend en Uchtend, M., ochtenden. Ochtendje, O., -jes.

Ochtendbeurt, V., -beurten.

Ochtendbezoek, O., -bezoeken.

Ochtendblad, O., -bladen.

Ochtenddienst, M., -diensten.

Ochtendlied, O., -liederen.

Ochtendlucht, V.

Ochtendmuts, V., -mutsen.

Ochtendstond, M., -stonden.

Ochtendtrein, M., -treinen.

Octaaf, V. en O., octaven. Octaafje, O., -jes.

Octant, V., octanten.

Octavo (bnw.). Als znw., O., octavo's.

October, M.

Octrooi, O., octrooien. Octrooitje, O., -jes.

Octrooieeren, octrooieerde, heeft geoctrooieerd.

Oculist, M., oculisten.

Ode, V., oden.

Odendichter, M., -dichters.

Odenstijl, M.

Odeur, V., odeuren. Odeurtje, O., -jes.

Odeurfleschje, O., -jes.

Oeconomie (staathuishoudkunde), V.; ook Economie.

Oeconomisch, ook Economisch.

Oeconoom, M., oeconomen; ook Econoom.

Oef (tusschenw.).

Oefenaar, M., oefenaars en oefenaren.

Oefenaarster, V., oefenaarsters.

Oefendag, M., -dagen; -dagje, O., -daagjes.

Oefenen, oefende, heeft geoefend.

Oefening, V., oefeningen. Oefeningetje, O., -jes.

Oefeningskamp, O., -kampen.

Oefenkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.

Oefenperk, O., -perken.

Oefenplaats, V., -plaatsen; -plaatsje, O., -jes.

Oefenschool, V., -scholen; -schooltje, O., -jes.

Oefentijd, M.

Oefenzaal, V., -zalen; -zaaltje, O., -jes.

Oefenzuster, V., -zusters.

Oeh (tusschenw.).

Oei (tusschenw.).

Oeken, oekte, heeft geoekt.

Oele (tusschenw.).

Oer (ijzerhoudende aarde), O.

Oerachtig, -achtiger, -achtigst.

Oergrond, M., -gronden.

Oerig, oeriger, oerigst.

Oerlaag, V., -lagen.

Oeros, M., oerossen.

Oest, Oestig, enz. Zie Noest, enz.

Oester, V., oesters en oesteren. Oestertje, O., -jes.

Oesterbank, V., -banken.

Oesterhandel, M.

Oesterhuis, O., -huizen.

Oesterpartij, V., -partijen.

Oesterpastei, V., -pasteien; -pasteitje, O., -jes.

Oesterput, M., -putten.

Oesterschelp, V., -schelpen.

Oesterteelt, V.

Oever, M., oevers.

Oeveraas, O.

Oeverhaam, M., -hamen.

Oeverlicht, O., -lichten.

Oeverlooper, M., -loopers.

Oeverstaat, M., -staten.

Oeverval, M., -vallen.

Of.

Offensief, offensiever, offensiefst.

Offer, O., offers en offeren. Offertje, O., -jes.

Offeraar, M., offeraren en offeraars.

Offeraltaar, O., -altaren.

Offerambt, O., -ambten.

Offerande, V., offeranden.

Offerbeest, O., -beesten.

Offerbijl, V., -bijlen.

Offerblok, O., -blokken.

Offerbus, V., -bussen.

Offerdienaar, M., -dienaars en -dienaren.

Offerdienst, M., -diensten.

Offerdier, O., -dieren.

Offeren, offerde, heeft geofferd.

Offerfeest, O., -feesten.

Offergave, V., -gaven.

Offergeld, O.

Offering, V., offeringen.

Offerkelk, M., -kelken.

Offerkist, V., -kisten.

Offerlam, O., -lammeren.

Offermaal, O., -malen.

Offermes, O., -messen.

Offerpenning, M., -penningen; -penningske, O., -kes.

Offerplaats, V., -plaatsen.

Offerplechtigheid, V., -plechtigheden.

Offerpriester, M., -priesters en -priesteren.

Offerschaal, V., -schalen.

Offerstier, M., -stieren.

Offerte, V., offertes en offerten.

Offervaardig, -vaardiger, -vaardigst.

Offerwijn, M.

Offerwillig, -williger, -willigst.

Officiant, M., officianten.

Officie, O., officiën en officies.

Officieel, officieele.

Officier, M., officieren en officiers. Officiertje, O., -jes.

Officierensociëteit, V., -sociëteiten.

Officiersdegen, M., -degens.

Officiersepaulet, V., -epauletten.

Officierskleeding, V.

Officierskok, M., -koks.

Officiersmonteering, V., -monteeringen.

Officierspensioen, O., -pensioenen.

Officiersplaats, V., -plaatsen.

Officiersrang, M., -rangen.

Officierssloep, V., -sloepen.

Officierstafel, V., -tafels.

Officierstenue, V.

Officierstraktement, O., -traktementen.

Officiersuniform, V.

Officiersweduwe, V., -weduwen.

Officieus, officieuze.

Officinaal, officinale.

Offreeren, offreerde, heeft geoffreerd.

Ofschoon.

Ofte (Ja ofte neen.--Ofte wel).

Ogief (kruisboog), O., ogieven.

Ogief en Ojief (vloeilijst), O., ogieven en ojieven.

Ogiefsgewijze en -gewijs.

Ogivaal, ogivale.

Oho (tusschenw.).

Oi (tusschenw.).

Oir (nakroost), O.

Ojief, O. Zie Ogief.

Ojief (ojiefschaaf), V., ojieven.

Oker, V.

Okerachtig, -achtiger, -achtigst.

Okerkleurig.

Okernoot. Zie Okkernoot.

Okkernoot en Okernoot, V., -noten.

Okkernoteboom, M., -boomen.

Oksaal, O., oksalen. Oksaaltje, O., -jes.

Oksel, M., oksels en okselen. Okseltje, O., -jes.

Okselhaar, O.

Okselschrooi, V., -schrooien.

Okshoofd, O., okshoofden.

Olderman, M., -mans, -mannen en -lieden.

Oleander, M., oleanders. Oleandertje, O., -jes.

Olie, V., oliën. Olietje, O., -jes.

Olieachtig, -achtiger, -achtigst.

Olieachtigheid, V.

Oliebol, M., -bollen.

Oliebollenkraam, V., -kramen.

Oliedom, -domme.

Oliefabriek, V., -fabrieken.

Oliekan, V., -kannen; -kannetje, O., -jes.

Oliekoek, M., -koeken.

Oliekop, M., -koppen; -kopje, O., -jes.

Oliekruik, V., -kruiken.

Olielamp, V., -lampen; -lampje, O., -jes.

Oliemolen, M., -molens.

Oliën, oliede, heeft geolied.

Oliesel, O.

Olieslager, M., -slagers.

Olieslagerij, V.

Oliesteen, M., -steenen; -steentje, O., -jes.

Olieverf, V., -verven.

Olievlek, V., -vlekken.

Oliezaad, O.

Olifant, M., olifanten. Olifantje, O., -jes.

Olifantenjacht, V., -jachten.

Olifantenjager, M., -jagers.

Olifantsbeen, O., -beenderen.

Olifantshuid, V., -huiden.

Olifantskever, M., -kevers; -kevertje, O., -jes.

Olifantsluis, V., -luizen; -luisje, O., -jes.

Olifantsorde, V., -orden.

Olifantspapier, O.

Olifantsridder, M., -ridders.

Olifantssnuit, M., -snuiten.

Olifantstand, M., -tanden.

Olifantstor, V., -torren; -torretje, O., -jes.

Olifantsvoet, M., -voeten.

Oligarchie, V., oligarchieën.

Olijf (boom), M.; (vrucht), V., olijven. Olijfje, O., -jes.

Olijfachtig, -achtiger, -achtigst.

Olijfberg, M., -bergen.

Olijfgroen.

Olijfkleurig.

Olijfkrans, M., -kransen.

Olijftak, M., -takken.

Olijven, olijfde, heeft geolijfd.

Olijvenhout, O.

Olijvenolie en Olijfolie, V.

Olijvenoogst, M.

Olijvenpers, V., -persen.

Olijventijd, M.

Olm, M., olmen. Olmpje, O., -jes.

Olmenhout en Olmhout, O.

Olographisch.

Olympisch.

Olympus, M.

Om.

Oma (grootmama), V. Omaatje, O.

Omakkeren, akkerde om, heeft omgeakkerd.

Omarmen, omarmde, heeft omarmd.

Omarming, V., -armingen.

Ombaksen, bakste om, heeft omgebakst.

Omballing, V.

Ombedelen, bedelde om, heeft omgebedeld.

Ombellen, belde om, heeft omgebeld.

Omber (aardsoort), V.

Omber (in 't kaartspel), M., ombers. Ombertje, O., -jes.

Omberaar, M., omberaars.

Omberdoos, V., -doozen; -doosje, O., -jes.

Omberen, omberde, heeft geomberd.

Ombergezelschap, O., -gezelschappen.

Omberkaarten (mv.), V.

Omberkleur, V.

Omberkrans, M., -kransen; -kransje, O., -jes.

Omberpartij, V., -partijen; -partijtje, O., -jes.

Omberspel (het spel), O., -spelen; -spelletje, O., -jes; (stel kaarten), O., -spellen; -spelletje, O., -jes.

Ombertafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes.

Ombervisch, M., -visschen.

Ombervogel, M., -vogels.

Ombijten, beet om, beten om, heeft omgebeten.

Ombinden, bond om, heeft omgebonden; ook ombond, heeft ombonden.

Omblazen, blies om, bliezen om, heeft omgeblazen.

Omblijven, bleef om, bleven om, is omgebleven.

Ombliksemen, bliksemde om, heeft omgebliksemd.

Ombloeien, ombloeide, heeft ombloeid.

Omboenen, boende om, heeft omgeboend.

Omboeren, boerde om, heeft omgeboerd.

Ombonzen, bonsde om, heeft omgebonsd.

Omboorden, boordde om, heeft omgeboord; ook omboordde, heeft omboord.

Omboording, V., -boordingen.

Omboordsel, O., -boordsels en -boordselen.

Ombrassen, braste om, heeft omgebrast.

Ombreien, breide om, heeft omgebreid.

Ombrengen, bracht om, heeft omgebracht.

Ombrenger, M., -brengers.

Ombrenging, V.

Ombrengster, V., -brengsters.

Ombruisen, bruiste om, heeft omgebruist; ook ombruiste, heeft ombruist.

Ombuigen, boog om, bogen om, heeft en is omgebogen.

Ombuiging, V., -buigingen.

Ombuitelen, buitelde om, heeft en is omgebuiteld.

Ombuiteling, V., -buitelingen.

Omdammen, omdamde, heeft omdamd.

Omdamming, V., -dammingen.

Omdat.

Omdeelen, deelde om, heeft omgedeeld.

Omdeeler, M., -deelers.

Omdeeling, V., -deelingen.

Omdijken, omdijkte, heeft omdijkt.

Omdijking, V., -dijkingen.

Omdobberen, dobberde om, heeft omgedobberd.

Omdoen, deed om, deden om, heeft omgedaan.

Omdolen, doolde om, heeft omgedoold; ook omdoolde, heeft omdoold.

Omdoling, V., -dolingen.

Omdonderen, donderde om, is en heeft omgedonderd.

Omdouwen. Zie Omduwen.

Omdraai, M., -draaien.

Omdraaien, draaide om, is en heeft omgedraaid.

Omdraaiing, V., -draaiingen.

Omdracht, V., -drachten.

Omdragen, droeg om, heeft omgedragen.

Omdraven, draafde om, heeft en is omgedraafd.

Omdrijven, dreef om, dreven om, is en heeft omgedreven; ook omdreef, omdreven, heeft omdreven.

Omdrinken, dronk om, heeft omgedronken.

Omdrogen, droogde om, heeft omgedroogd.

Omduikelen, duikelde om, heeft en is omgeduikeld.

Omduwen, duwde om, heeft omgeduwd.

Omdwalen, dwaalde om, heeft omgedwaald.

Omdwaling, V., -dwalingen.

Omdweilen, dweilde om, heeft omgedweild.

Omega, V., omega's.

Omeggen, egde om, heeft omgeëgd.

Omelet, V., omeletten. Omeletje, O., -jes.

Omfladderen, fladderde om, heeft omgefladderd; ook omfladderde, heeft omfladderd.

Omflikkeren, omflikkerde, heeft omflikkerd; ook flikkerde om, heeft en is omgeflikkerd.

Omfloersen, omfloerste, heeft omfloerst.

Omgaan, gaat om, ging om, heeft en is omgegaan.

Omgang, M., -gangen.

Omgangstaal, V.

Omgekeerd.

Omgelanden (mv.), M. en V.

Omgelegen.

Omgeschreven.

Omgespen, gespte om, heeft omgegespt.

Omgeuren, omgeurde, heeft omgeurd.

Omgeven, gaf om, gaven om, heeft omgegeven; ook omgaf, omgaven, heeft omgeven.

Omgeving, V.

Omgezetenen (mv.), M. en V.

Omgieten, goot om, goten om, heeft omgegoten.

Omglijden, gleed om, gleden om, is en heeft omgegleden.

Omgluren, gluurde om, heeft omgegluurd.

Omgolven, golfde om, heeft omgegolfd; ook omgolfde, heeft omgolfd.

Omgolving, V.

Omgooien, gooide om, heeft omgegooid.

Omgorden, gordde om, heeft omgegord; ook omgordde (zich), heeft (zich) omgord.

Omgording, V.

Omgraven, groef om, groeven om, heeft omgegraven; ook omgroef, omgroeven, heeft omgraven.

Omgraving, V., omgravingen.

Omgrenzen, omgrensde, heeft omgrensd.

Omgrenzing, V., -grenzingen.

Omgrijpen, greep om, grepen om, heeft omgegrepen.

Omgroeien, omgroeide, heeft omgroeid.

Omhaal, M., -halen. Omhaaltje, O., -jes.

Omhaken, haakte om, heeft omgehaakt.

Omhakken, hakte om, heeft omgehakt.

Omhakking, V., -hakkingen.

Omhalen, haalde om, heeft omgehaald.

Omhaling, V., -halingen.

Omhangen, hing om, heeft omgehangen; ook omhing, heeft omhangen.

Omhanging, V.

Omhangsel, O., -hangels en -hangselen.

Omhebben, heeft om, had om, hadden om, heeft omgehad.

Omheen (bijw.).

Omheinen, omheinde, heeft omheind.

Omheining, V., -heiningen. Omheininkje, O., -jes.

Omhelpen, hielp om, heeft omgeholpen.

Omhelzen, omhelsde, heeft omhelsd.

Omhelzing, V., -helzingen.

Omhoepelen, hoepelde om, heeft en is omgehoepeld.

Omhollen, holde om, heeft en is omgehold.

Omhoog.

Omhoogbeuren, beurde omhoog, heeft omhooggebeurd.

Omhoogblazen, blies omhoog, bliezen omhoog, heeft omhooggeblazen.

Omhoogdrijven, dreef omhoog, dreven omhoog, heeft omhooggedreven.

Omhoogduwen, duwde omhoog, heeft omhooggeduwd.

Omhooggaan, gaat omhoog, ging omhoog, is omhooggegaan.

Omhooghalen, haalde omhoog, heeft omhooggehaald.

Omhoogheffen, hief omhoog, hieven omhoog, heeft omhooggeheven.

Omhooghouden, hield omhoog, heeft omhooggehouden.

Omhoogjagen, jaagde omhoog, heeft omhooggejaagd; ook joeg omhoog.

Omhoogkijken, keek omhoog, keken omhoog, heeft omhooggekeken.

Omhoograken, raakte omhoog, is omhooggeraakt.

Omhoogrichten, richtte omhoog, heeft omhooggericht.

Omhoogrijzen, rees omhoog, rezen omhoog, is omhooggerezen.

Omhoogschieten, schoot omhoog, schoten omhoog, heeft en is omhooggeschoten.

Omhoogslaan, slaat omhoog, sloeg omhoog, heeft en is omhooggeslagen.

Omhoogspringen, sprong omhoog, is omhooggesprongen.

Omhoogstaren, staarde omhoog, heeft omhooggestaard.

Omhoogsteken, stak omhoog, staken omhoog, heeft omhooggestoken.

Omhoogstijgen, steeg omhoog, stegen omhoog, is omhooggestegen.

Omhoogstuiven, stoof omhoog, stoven omhoog, is omhooggestoven.

Omhoogtillen, tilde omhoog, heeft omhooggetild.

Omhoogtrekken, trok omhoog, trokken omhoog, heeft omhooggetrokken.

Omhoogturen, tuurde omhoog, heeft omhooggetuurd.

Omhoogvliegen, vloog omhoog, vlogen omhoog, is omhooggevlogen.

Omhoogvoeren, voerde omhoog, heeft omhooggevoerd.

Omhoogwerken (zich -), werkte (zich) omhoog, heeft (zich) omhooggewerkt.

Omhoogwerpen, wierp omhoog, heeft omhooggeworpen.

Omhoogzien, zag omhoog, zagen omhoog, heeft omhooggezien.

Omhoogzitten, zat omhoog, zaten omhoog, heeft omhooggezeten.

Omhoogzwaaien, zwaaide omhoog, heeft omhooggezwaaid.

Omhooren, hoorde om, heeft omgehoord.

Omhouden, hield om, heeft omgehouden.

Omhouwen, hieuw om, heeft omgehouwen.

Omhouwer, M., -houwers. Omhouwertje, O., -jes.

Omhouwing, V.

Omhuilen, huilde om, heeft omgehuild.

Omhullen, omhulde, heeft omhuld.

Omhulling, V., -hullingen.

Omhulsel, O., -hulsels en -hulselen.

Omhutselen, hutselde om, heeft omgehutseld.

Omineus, omineuzer, omineust.

Omissie, V., omissiën en omissies.

Omkaden, omkaadde, heeft omkaad.

Omkading, V., -kadingen.

Omkantelen, ook Omkentelen, kantelde om, heeft en is omgekanteld.

Omkanteling, V., -kantelingen.

Omkanten, kantte om, heeft omgekant.

Omkantijzer, O., -ijzers; -ijzertje, O., -jes.

Omkappen, kapte om, heeft omgekapt.

Omkapping, V.

Omkeer, ook Ommekeer, M.

Omkeeren, keerde om, heeft en is omgekeerd.

Omkeering, V., -keeringen.

Omkegelen, kegelde om, heeft omgekegeld.

Omkenteren, kenterde om, is omgekenterd.

Omkijken, keek om, keken om, heeft omgekeken.

Omkleeden, kleedde (zich) om, heeft (zich) en is omgekleed; ook omkleedde, heeft omkleed.

Omklemmen, omklemde, heeft omklemd.

Omklemming, V., -klemmingen.

Omklinken, klonk om, heeft omgeklonken; ook omklonk, heeft omklonken.

Omklinking, V., -klinkingen.

Omkloppen, klopte om, heeft omgeklopt.

Omklopping, V.

Omklotsen, klotste om, heeft omgeklotst; ook omklotste, heeft omklotst.

Omknabbelen, knabbelde om, heeft omgeknabbeld.

Omknellen, omknelde, heeft omkneld.

Omknelling, V., -knellingen.

Omknikkeren, knikkerde om, heeft omgeknikkerd.

Omknoopen, knoopte om, heeft omgeknoopt.

Omkomen, komt om, kwam om, kwamen om, is omgekomen.

Omkoop, M.

Omkoopbaar, -bare.

Omkoopbaarheid, V.

Omkoopen, kocht om, heeft omgekocht.

Omkooper, M., -koopers.

Omkooperij, V., -kooperijen.

Omkooping, V., -koopingen.

Omkorsten, omkorstte, heeft omkorst.

Omkorsting, V., -korstingen.

Omkoud (er - zijn).

Omkransen, omkranste, heeft omkranst.

Omkransing, V., -kransingen.

Omkreuken, ook Omkroken, kreukte om, heeft en is omgekreukt.

Omkrijgen, kreeg om, kregen om, heeft omgekregen.

Omkrommen, kromde om, heeft en is omgekromd.

Omkronkelen, kronkelde om, heeft en is omgekronkeld; ook omkronkelde, heeft omkronkeld.

Omkronkeling, V., -kronkelingen.

Omkruien, krooi om, krooien om, heeft en is omgekrooien; ook kruide om, heeft en is omgekruid.

Omkruipen, kroop om, kropen om, is en heeft omgekropen; ook omkroop, omkropen, heeft omkropen.

Omkrullen, krulde om, heeft en is omgekruld; ook omkrulde, heeft omkruld.

Omkrulling, V., -krullingen.

Omkuieren, kuierde om, heeft en is omgekuierd.

Omkuipen, kuipte om, heeft omgekuipt; ook omkuipte, heeft omkuipt.

Omkunnen, kan om, kunnen om, konde en kon om, konden om, heeft omgekund.

Omkwakken, kwakte om, is en heeft omgekwakt.

Omlaag.

Omlaagbrengen, bracht omlaag, heeft omlaaggebracht.

Omlaagbuigen, boog omlaag, bogen omlaag, heeft omlaaggebogen.

Omlaagdrukken, drukte omlaag, heeft omlaaggedrukt.

Omlaagduwen, duwde omlaag, heeft omlaaggeduwd.

Omlaaggaan, gaat omlaag, ging omlaag, is omlaaggegaan.

Omlaaghouden, hield omlaag, heeft omlaaggehouden.

Omlaagkijken, keek omlaag, keken omlaag, heeft omlaaggekeken.

Omlaagrukken, rukte omlaag, heeft omlaaggerukt.

Omlaagschieten, schoot omlaag, schoten omlaag, is omlaaggeschoten.

Omlaagslaan, slaat omlaag, sloeg omlaag, heeft en is omlaaggeslagen.

Omlaagspringen, sprong omlaag, is omlaaggesprongen.

Omlaagstorten, stortte omlaag, heeft en is omlaaggestort.

Omlaagvallen, viel omlaag, is omlaaggevallen.

Omlaagvoeren, voerde omlaag, heeft omlaaggevoerd.

Omlaagzien, zag omlaag, zagen omlaag, heeft omlaaggezien.

Omladen, laadde om, heeft omgeladen.

Omlading, V.

Omlaten, liet om, heeft omgelaten.

Omlauweren, omlauwerde, heeft omlauwerd.

Omlaveeren, laveerde om, heeft en is omgelaveerd.

Omlegeren, omlegerde, heeft omlegerd.

Omlegering, V., -legeringen.

Omleggen, legde om en leide om, heeft omgelegd en omgeleid; ook omlegde en omleide, heeft omlegd en omleid.