Part 2
2. Van een aantal woorden is het geslacht en dus ook de verbuiging door hunne beteekenis of door hun vorm bepaald. Zoo zijn manlijk _man_ en _baas_ om de beteekenis, _loop_, _snuiter_ en _blafferd_ (register) om den vorm, te weten _loop_ als stam (wortel) van het werkwoord _loopen_, _snuiter_ en _blafferd_ om de achtervoegsels -_er_ en -_erd_.
3. Bij andere echter, wier geslacht niet uit de beteekenis noch uit den vorm blijken kan, hebben verschillende oorzaken samengewerkt om de verbuiging en daarmede ook het geslacht onzeker te maken. In het gewone gesprek zijn de 2de en 3de naamvallen (_des mans_, _den manne_, _der vrouw_, _der vrouw_, _des kinds_, _den kinde_) buiten gebruik geraakt, zoodat slechts de 1ste en 4de in de gesprokene taal gebezigd worden. In het manlijke en vrouwelijke geslacht zijn de 1ste naamvallen (_de man_, _de vrouw_) uit hunnen aard eensluidend, terwijl de 4de (_den man_, _de vrouw_) door de gewone onderdrukking der _n_ achter eene toonlooze _e_ eensluidend worden. Sommige woorden, b. v. _heug_, _meug_ en _luid_, in de uitdrukkingen _tegen heug en meug_ en _naar luid van_, hebben nooit eenig bepalend woord bij zich, waaruit hun geslacht zou kunnen blijken. Uit een en ander vloeit voort, dat er woorden zijn, aangaande wier geslacht volstrekt niets bekend is, en andere, waarvan men slechts weet dat zij niet onzijdig zijn, zoodat men tusschen manlijk en vrouwelijk te beslissen heeft.
4. Slechts van de woorden, die aangetroffen worden in geschriften uit den tijd, toen zij nog in het gesprek verbogen werden, kent men het geslacht met zekerheid. Aan vele, die niet tot deze categorie behooren, hebben woordenboekschrijvers, niet zelden geheel willekeurig en vandaar soms uiteenloopend, een geslacht toegekend. Zulke opgaven missen natuurlijk alle gezag en waarde, wanneer zij niet door de analogie worden gesteund; en de grammaticus kan noch mag ze als geldig erkennen, indien hij ze met ons taaleigen in strijd vindt. In zulke gevallen hebben wij niet geaarzeld van de bestaande woordenboeken af te wijken en dat geslacht op te geven, dat met onbetwistbare regels of met de hedendaagsche richting in de taal overeenstemt. Evenzoo hebben wij gehandeld ten aanzien van die woorden, wier geslacht nog door niemand was vermeld.
5. Bij de woorden, uit wier beteekenis en vorm niets aangaande het geslacht is op te maken, en waarvan men alleen weet dat zij niet onzijdig zijn, doordien zij nooit _het_, _dit_ of _dat_ vóór zich nemen, hebben wij om de volgende bedenkingen aan het vrouwelijke geslacht de voorkeur gegeven:
Het verwerpen der verbogen vormen (_honds_, _honde_, _schaaps_, _schape_ enz.) en het onderdrukken der _n_ achter de toonlooze _e_ der bepalende woorden (_den_, _dezen_, _zijnen_, _goeden_ enz.) staat bij woorden, wier geslacht niet van elders blijkt, gelijk met het overbrengen in het vrouwelijke. Het lijdt dus geen twijfel, dat de hedendaagsche taal het vrouwelijke geslacht voortrekt. De woordenboekschrijver, die haar geen geweld aandoen en aan den stijl niet noodeloos een voorkomen van stijfheid geven wil, volgt dien wenk, wanneer er geene redenen bestaan die zulks verbieden. Daarom noemen wij b. v. het ter kwader ure uit den vreemde ontleende _halt_ vrouwelijk, niettegenstaande het in de oorspronkelijke taal manlijk is.
6. Een anderen algemeenen wenk hebben wij gemeend te zien in de volgende opmerking:
Woorden, die zeer verschillende beteekenissen hebben, die b. v. nu eens als voorwerpsnamen, dan als stofnamen, nu in abstracten, dan in concreten zin genomen worden, hebben niet zelden naar gelang der opvatting een verschillend geslacht. Zoo zijn b. v. _diamant_ en _doek_ als voorwerpsnamen M. (_een kostbare diamant_, _een dure doek_), maar als stofnamen O. (_het kostbare diamant_, _het fijnste doek_);--_val_, voor _het vallen_ genomen, is M. (_een zwaren val doen_), voor _werktuig om te vangen_ V. (_in de val loopen_);--_pekel_ en _sneeuw_ zijn, in eigenlijken zin gebezigd, V. (_in de pekel zetten_, _in de sneeuw rollen_), in overdrachtelijken (_voor de zee_ en _blankheid_) O. (_het schuimende pekel bevaren_, _het sneeuw van den hals eener schoone_). Ook de stijlsoort bepaalt soms het geslacht van een woord. Zoo is b. v. _oogenblik_ in het dagelijksch gesprek en in gewonen stijl O. (_van dat oogenblik af_); maar in verheven stijl M. ("_die oogenblik zal haast verschijnen_").
Het aantal dergelijke onloochenbare en algemeen erkende onderscheidingen is allengs toegenomen, hetgeen bewijst, dat de taal ook het verschillend gebruik der geslachten aan de duidelijkheid tracht bevorderlijk te maken. Zoo verstaat men thans door _het eigendom_ de _bezitting_, de zaak die men bezit, door _den eigendom_ het _recht om te bezitten_; ofschoon Kluit, Siegenbeek noch Weiland die onderscheiding schijnen gekend te hebben. _Kant_ werd voorheen onverschillig M. en V. gebezigd; thans bezigt men het woord in den zin van _zijde_ steeds M., in dien van _speldenwerk_ altijd V. Een en ander geeft den grammaticus het recht, bij woorden die in meer dan één geslacht gebezigd worden, al heeft het gebruik nog niet beslist, dergelijke onderscheidingen aan te nemen, mits hij daarbij niet willekeurig, maar naar de analogie van algemeen geldige regels te werk ga.
7. De regels, die ons bij de geslachtsbepaling bestuurd hebben, zijn van tweeërlei aard: zij steunen òf op de beteekenis der woorden, òf op hun vorm; vergel. § 2. Veelal stemmen de beteekenis en de vorm overeen, b. v. bij het manl. _leugenaar_, dat een _man_ beteekent en met het manl. achtervoegsel -_aar_ gevormd is. Soms echter bestaat er strijd tusschen de beteekenis en den vorm, b. v. bij _kamenier_, dat eene benaming van eene _vrouw_ is, maar op het achtervoegsel -_ier_ eindigt, hetwelk in persoonsnamen anders altijd een _man_ aanduidt.
8. Wanneer er strijd is tusschen den vorm van een woord en zijne beteekenis, dan doet zich de vraag voor, welke van beide den boventoon moet hebben. Ten opzichte van persoonsnamen is deze vraag gemakkelijk te beantwoorden. Uit het voorbeeld van _kamenier_, dat in weerwil van den uitgang V. is, blijkt, dat de beteekenis--hier de kunne--meer geldt dan de vorm. Hetzelfde ziet men o. a. bij de woorden op -_ling_ en de verkleinwoorden op -_je_. Het achtervoegsel -_ling_, eigenlijk _l-ing_ (niet te verwarren met -_ing_, oorspronkelijk -_ung_, dat van werkwoorden abstracte zelfst. nw. als _vermaning_ enz. vormt), is manlijk, blijkens _hoveling_, _kamerling_ enz. Dit verhindert echter niet, dat men _doopeling_, _leerling_ enz., van meisjes gebezigd, vrouwelijk maakt en er dan duidelijkheidshalve veelal eene e achtervoegt: _eene leerling_ of _leerlinge_.--Het achtervoegsel -_je_ (-_tje_, -_pje_) vormt verkleinwoorden, die onzijdig zijn (_het baasje dat_ enz., van het manlijke _baas_), en moet dus tot de onzijdige uitgangen gerekend worden. Intusschen nemen de woorden _Jantje_, _Klaasje_, _Mietje_, _Naatje_ enz. hunne bepalingen in het manlijk of vrouwelijk geslacht bij zich, wanneer zij als gewone eigennamen gebezigd worden, waarbij men niet aan de verkleinende kracht van het achtervoegsel denkt (_Jantje, die daar loopt te spelen_; _Mietje, die zit te breien_). Wanneer echter eene der beteekenissen, die aan het verkleinende achtervoegsel verbonden zijn, het begrip van kleinheid, bevalligheid, nietigheid enz., te voorschijn treedt, dan herneemt het achtervoegsel zijne volle kracht en het woord laat slechts bepalingen in het onzijdige geslacht toe, onverschillig, of een manl. of vrouwel. persoon bedoeld wordt (_Het kleine Jantje, dat zoo zoet speelt_; _het lieve Mietje, dat zoo vlug breit_).
9. Daar nu bij persoonsnamen de vorm onderdoet voor het natuurlijke geslacht, hebben wij niet geaarzeld dit beginsel ook op diernamen toe te passen, die in de taal nu eens als persoons- dan als zaaknamen beschouwd worden. Daarom hebben wij b. v. gemeend aan _kuiter_, wijfjesvisch, het vrouwel. geslacht te moeten toekennen, in tegenstelling van _hommer_ en _milter_, benamingen voor mannetjesvisch, ofschoon die woorden denzelfden vorm hebben en -er doorgaans manl. woorden vormt.
10. Bij zaaknamen gaat de taal minder regelmatig te werk, en laat zij somtijds de achtervoegsels meer gelden dan de beteekenis der woorden. Zoo worden b. v. _linde_ en _tamarinde_ algemeen, kennelijk om de toonlooze _e_, V. genomen, niettegenstaande de overige namen van boomen M. zijn; daarentegen zijn de benamingen van schepen, op -_er_ uitgaande, als _hoeker_, _kaper_, _lichter_, M., in weerwil dat de overige V. of O. genomen worden. In de meeste gevallen echter, waarin de vorm minder duidelijk spreekt, wordt aan de onderscheiding der beteekenissen de voorkeur gegeven boven het geslacht, dat de vorm zou vereischen. Zoo zijn b. v. de stammen (de zoogenaamde wortels) der werkwoorden vanouds M., en behouden ook nu dit geslacht, zoolang zij in abstracten zin worden gebezigd; doch zij worden als V. gebruikt, wanneer zij eene concrete beteekenis hebben aangenomen. B. v. _val_ en _greep_, voor het _vallen_ en _grijpen_, zijn M., maar als voorwerpsnamen, voor (_muizen_)_val_ en _handvatsel_, worden zij tegenwoordig als V. aangemerkt. Aan het achtervoegsel -_sel_ wordt algemeen het onzijd. geslacht toegekend, en toch zegt iedereen _de stijfsel_.
Uit een en ander ziet men, dat de taal bij zaaknamen niet naar een algemeen beginsel te werk gaat, en dat de grammaticus derhalve verplicht is daarbij de omstandigheden in aanmerking te nemen en soms, althans schijnbaar, inconsequent te handelen.
11. De geslachtsregels, die wij hier laten volgen, zijn in de twijfelachtige gevallen door ons als geldig beschouwd. Wij hebben gemeend geene uitzonderingen te moeten erkennen, dan die ons voorkwamen boven bedenking verheven te wezen. Die uitzonderingen hebben wij alleen dan opgegeven, wanneer zij zoo weinig in getal zijn, dat zij zich gemakkelijk in het geheugen laten prenten.
Ten einde misverstand te voorkomen, geven wij vooraf de verklaring van eenige kunsttermen, waarvan wij ons bediend hebben.
12. _Gemeenslachtige woorden_ (_nomina communis generis_) zijn namen van menschen en dieren, die voor individuen van beiderlei kunne gebezigd worden, en, naar gelang daarvan, nu M. dan V. zijn; anders gezegd, woorden, wier geslacht afhangt van de kunne van het wezen, dat zij op het oogenblik aanduiden. Hiertoe behooren de meeste woorden op -_ling_, als _doopeling_, _drenkeling_, _hokkeling_ (jong rund) enz., en een aantal woorden van allerlei vorm, als _bode_, _dienstbode_, _getuige_, _wees_, _erfgenaam_ enz.--In den laatsten tijd is men begonnen aan de meeste dezer woorden, ter onderscheiding, eene toonlooze _e_ toe te voegen, wanneer zij vrouwelijke wezens aanduiden: _eene leerlinge_, _eene erfgename_ enz., een gebruik dat, als bevordelijk aan de duidelijkheid, alle aanbeveling verdient. Bij de woorden op _genoot_, die mede oorspronkelijk gemeenslachtig waren, als _deelgenoot_, _echtgenoot_, _lotgenoot_, is dat gebruik thans zoo algemeen aangenomen, dat het als de regel mag beschouwd worden: men schrijft thans veelal in 't V. _deelgenoote_, _echtgenoote_, _lotgenoote_.--Nevens _eene bode_, dat alleen in deftigen stijl gebezigd wordt, staat _bodin_ voor eene vrouw wier beroep het is boodschappen te doen.
In uitgebreider zin noemt men ook wel andere woorden _gemeenslachtig_, wanneer zij, bij verschil van opvatting, van geslacht veranderen, b. v. _schildpad_, dat V. is, wanneer men het dier zelf bedoelt, maar O., wanneer men denkt aan de schaal, beschouwd als eene stof waaruit voorwerpen vervaardigd worden. Voor zulke woorden zouden wij aan de benaming _meerslachtig_ de voorkeur geven.
13. _Zelfslachtige woorden_ (_nomina epicoena_) zijn namen van menschen en dieren, die niet op de kunne zien, maar onverschillig of zij een manlijk dan wel een vrouwelijk wezen aanduiden, hetzelfde geslacht behouden. Hiertoe behooren _mensch_, dat in de gewone opvatting M., maar, wanneer men met verachting spreekt, O. is, en in beide gevallen zoowel eene vrouw als een man kan beteekenen; het M. _hond_, waardoor men evenzeer eene teef als een rekel verstaan kan; _kameel_ (M.), _olifant_ (M.), _muis_ (V.), _rat_ (V.), _fret_ (O.), _konijn_ (O.), enz.
14. Door _voorwerpsnamen_ verstaan wij benamingen van _voorwerpen_, d. i. van stoffelijke dingen, die afgeronde, aan alle zijden begrensde geheelen uitmaken, of althans als zoodanig beschouwd worden. Hiertoe behooren niet alleen woorden als _huis_, _stoel_, _tafel_, _stad_, _staat_, _gewest_, enz., waardoor, streng genomen, geheelen worden voorgesteld, maar ook benamingen van zulke deelen, die kennelijk van de geheelen onderscheiden zijn, als _arm_, _been_, _kop_, _staart_.
Een kenmerk, dat de taal een zelfst. nw. als een voorwerpsnaam beschouwt, is vooreerst de mogelijkheid van het woord in het meerv. te bezigen; ten andere de mogelijkheid van er het lidwoord _een_, _eene_ voor te plaatsen. Het is juist de bestemming van dit lidwoord, aan te kondigen dat het volgende woord eene eenheid (of geheel) beteekent; daarom noemen wij dit het _lidwoord van eenheid_ in plaats van _niet bepalend lidwoord_, eene benaming die aanleiding heeft gegeven, dat men den aard en de bestemming van dit woord geheel miskend heeft.
15. Door _stofnamen_ verstaan wij benamingen van _stoffen_, d. i. van dingen, die niet als afgeronde en begrensde geheelen worden beschouwd; b. v. _goud_, _hout_, _ijzer_, _vleesch_, _wijn_, _zand_ enz. Eene zelfde zaak kan èn als voorwerp èn als stof worden aangemerkt, b. v. een gouden gesp. Noemt men het ding _een gesp_, dan beschouwt men het als een voorwerp; noemt men het _goud_, dan merkt men het aan als eene _stof_, zonder aan de gedaante te denken. _Stofnamen_ hebben geen meerv., en nemen het lidwoord van eenheid niet aan. Spreekt men van _wijnen_ of van een _wijn_, dan bedoelt men bijzondere soorten, dus begrensde hoeveelheden wijn; _houten_, _ijzers_, _looden_, zijn stukken hout, ijzer of lood van eene bepaalde gedaante. Stofnamen, in het meervoud genomen of van het lidwoord van eenheid vergezeld, houden op _stofnamen_ te zijn, maar zijn _voorwerpsnamen_ geworden.
16. _Verzamelwoorden_ (_collectiva_) zijn woorden, die (in het enkelvoud) eene veelheid van enkele dingen aanduiden, als _troep_, _menigte_, _soort_ enz. Er zijn twee soorten van verzamelwoorden. Bij de eene stelt men zich de hoeveelheid als eene eenheid, als een begrensd geheel voor; b. v. bij _bende_, _leger_, _familie_, _geslacht_. Deze kunnen van het lidwoord van eenheid vergezeld zijn en een meervoud hebben; b. v. _een volk_, _eene bende_, _volken_, _benden_. Bij de andere wordt de veelheid als onbegrensd, als eene stof gedacht; b. v. bij _rogge_, _gras_, _panvisch_, _brandhout_, _turf_, d. i. onbepaalde hoeveelheden van roggekorrels, grasplantjes, visschen, stukken hout of turven. Deze hebben geen meervoud, en nemen het lidwoord van eenheid niet bij zich. Men zegt niet _roggen_;--_grazen_ is niet het mv. van _gras_ in de gewone opvatting, maar van _gras_ voor grassoort;--_turven_ is het mv. van den voorwerpsnaam (_een_) _turf_, niet van den verzamelnaam _turf_. De eerstgenoemde soort van verzamelwoorden behoort tot de voorwerpsnamen, de tweede tot de stofnamen. Zoo is b. v. _volk_ een _voorwerpsnaam_ in de uitdrukkingen _een machtig volk_, _beschaafde volken_; maar een _stofnaam_, wanneer men zegt: _er was veel volk op de been_; _er is volk in den winkel_.
Regels, op de beteekenis der woorden gegrond.
Manlijk zijn:
17. De namen van mannen als _Jan_, _heer_, _kok_, en van manlijke dieren, waarnevens eene afzonderlijke benaming voor het wijfje bestaat, als _hengst_, _kater_, _stier_, nevens _merrie_, _kat_, _koe_. Ontbreekt deze laatste, dan behoort de naam tot de zelfslachtige woorden (_epicoena_), en moet het geslacht van elders blijken, gelijk b. v. bij _haai_, _kameel_, _struis_ enz. M., _muis_, _rat_, _slang_ V.
Om het beginsel, in § 8 ontwikkeld, hebben wij gemeend ook het woord _wacht_ en de daarmede samengestelde, als _nachtwacht_, _schildwacht_, _torenwacht_, als M. te moeten beschouwen, wanneer zij manlijke individuen aanduiden, en dus geene collectieve beteekenis hebben. Wij maken derhalve onderscheid tusschen _den nachtwacht_ (klapperman) M., en _de nachtwacht_ (de gezamenlijke politiebeambten, die de wacht hebben) V. Wij hebben te minder geaarzeld in dit geval de hedendaagsche richting in de taal te volgen, omdat de vorm van het woord _wacht_ niets beslist, daar vele woorden op _cht_ M. of O. zijn, als _knecht_, _nacht_, _plicht_, _tocht_, _zucht_ (diepe ademhaling) M., _hecht_, _licht_, _recht_ O. Andere talen zijn ons hier voorgegaan, als b. v. het Zweedsch, dat _vakt_ en de samenstellingen (_skyltvakt_ enz.) als M. bezigt.--Over het onzijdige _manspersoon_ zie beneden, § 36.
18. De namen van boomen, als _berk_, _beuk_, _den_, _eik_; uitgezonderd _linde_ en _tamarinde_ V. Zelfs de vrouwelijke namen van vruchten worden M., als zij moeten dienen om de boomen aan te duiden, die de vruchten voortbrengen: _Hier staat een abrikoos, daar een perzik._
19. De namen van steenen, als individuen beschouwd: _een diamant_, _een agaat_. Wanneer zij geene bijzondere steenen, maar slechts de steensoort als stof aanduiden, zijn zij O.: _Het diamant is harder dan het agaat._
20. De namen van maanden en jaargetijden, als _Mei_, _zomer_, _herfst_; uitgezonderd _lente_ en de samenstellingen op _maand_ en _jaar_, als _Meimaand_, _Bloeimaand_, _voorjaar_.
21. De namen van bergen, als _Aetna_, _Himálaya_, _Dhawalágiri_.
22. De namen van munten, als _gulden_, _dukaat_, (_Spaansche_) _mat_, behalve _pistool_, _guinje_ en _mijt_, die V. zijn.
Vrouwelijk zijn:
23. De namen van vrouwen, als _Maria_, _min_, _baker_, en van vrouwelijke dieren, waarnevens eene afzonderlijke benaming voor het mannetje bestaat, als _duif_, _geit_, _ooi_, nevens _doffer_, _bok_, _ram_. Ontbreekt deze laatste, dan behoort het woord tot de zelfslachtige woorden, en moet het geslacht van elders blijken; vergel. § 17.
24. De stofnamen, die niet O. zijn, als _kant_, _wol_, _kammeling_, _franje_, _kruim_, _aarde_, _klei_.
Bij namen van zaken is aan het manlijk geslacht het begrip van individualiteit, d. i. van eenheid en ondeelbaarheid, verbonden. Stofnamen, waaraan het begrip van begrensdheid en ondeelbaarheid vreemd is, zijn in onze taal V. of O. Zelfs ontegenzeglijk manl. woorden worden O. of V., wanneer zij als stofnamen gebezigd worden.
Ten aanzien van het onz. geslacht blijkt zulks overtuigend uit het onderscheid tusschen _den diamant_ (steen) en _het diamant_ (stof), _den doek_ en _het doek_, _den draad_ en _het draad_, enz.
De overgang van het M. in het V. is even ontwijfelbaar, ofschoon nog altijd verkeerd opgevat en ten onrechte verklaard als eene "verkorting van het meervoud". Ieder gevoelt, dat de uitdrukking _den visch koken_ op éénen visch ziet, en dat _de visch koken_ niet slechts gezegd wordt van meer dan éénen visch, maar ook van gedeelten of mooten, met andere woorden, van visch als stof gedacht, in welk geval het geen meervoud heeft; vergel. § 15. Hetzelfde onderscheid van geslacht bestaat bij _aal_, _baars_, _paling_, _snoek_, _zalm_ enz. (mv. _alen_, _baarzen_ enz.), M., en _aal_, _baars_ enz. (hoeveelheid _aal_, _baars_), V. zonder meerv. Zoo spreekt men b. v. van _een zeezalm_, M. en van _krimpzalm_, V.; van _eenen buitengewoon harden turf_, M. en van _harde, zwavelige turf_, V., als collectief voor _turven_.
25. Ten gevolge van deze waarneming hebben wij gemeend alle stofnamen, die niet O. zijn en wier geslacht voor het overige onzeker is, als V. te moeten beschouwen. Uitgezonderd zijn natuurlijk die woorden (als _de wijn_, _nectar_, _honing_), die door onze dichters en prozaschrijvers altijd voor M. erkend zijn, en welke thans nog steeds als zoodanig gebezigd worden.
26. De eigenlijke namen van bloemen, als _aster_, _hyacint_, _lelie_, _pioen_, _roos_, _tijloos_ enz. Doch de namen, die eigenlijk een ander voorwerp aanduiden en slechts bij overdracht op bloemen toegepast worden, behouden het geslacht dat hun in de eigenlijke opvatting toekomt; b. v. _aronskelk_, _leeuwenbek_, _gouden regen_ zijn M., _berenoor_ is O. Wanneer zulke overdrachtelijke benamingen van bloemen of planten als collectieve stofnamen (zie § 16) gebezigd worden, dan zijn zij, gelijk andere stofnamen, V. of O.; b. v. _wolfsklauw_ en _slangenwortel_ zijn V., ofschoon _klauw_ en _wortel_ als voorwerpsnamen M. zijn. Onzijdige woorden, als _brood_, _bloed_, blijven O., b. v. _duivelsbrood_, _drakenbloed_.
27. De namen van vruchten, als _bes_, _noot_, _peer_, _vijg_ enz.; uitgezonderd die, welke op -_ling_ en -_oen_ uitgaan, als _guldeling_, _kruiling_, _pippeling_, _citroen_, _meloen_ enz., alsmede de inheemsche namen op -_el_ en -_er_, als _appel_, _eikel_, _aker_ enz. Vreemde namen met deze beide uitgangen worden meest V. genomen, als _amandel_, _dadel_, _kapper_, _komkommer_ enz.
De vrouwelijke namen van vruchten worden M., als zij de boomen aanduiden, welke de vruchten voortbrengen; vergel. § 18.
28. De namen van vaartuigen, als _aak_, _bark_, _boot_, _kof_ enz.; behalve die, welke op de achtervoegsels -_er_ en -_aar_ eindigen, als _driemaster_, _lichter_, _groenlandsvaarder_, _uitlegger_, _rinkelaar_ enz., die M. zijn, en de onzijdige _fregat_, _galjoen_ en _jacht_.
Dat de taal hier het vrouwelijke geslacht wil, blijkt hieruit, dat manl. en onz. eigennamen, op schepen toegepast, als vrouwel. worden gebezigd: _Hij commandeert de Tromp_; _de Friesland zal heden niet varen_.
29. De namen der letters en cijfers, als: eene _a_, eene _twee_, eene 6.
Onzijdig zijn:
30. De namen van dieren, die de geheele soort aanduiden en waarvan beide het mannetje en het wijfje afzonderlijke namen hebben, als _hoen_, _rund_, _schaap_ enz., waarnevens _haan_ en _hen_, _stier_ en _koe_, _ram_ en _ooi_. Uitgezonderd is het manl. _hond_.
31. De namen van jongen van dieren, als _kalf_, _lam_, _veulen_, _welp_; uitgezonderd _big_, V.--Het woord _kind_ (en evenzoo het Friesche _bern_) kan ook onder dezen regel gebracht worden.
32. De namen van stoffen, waaruit voorwerpen vervaardigd worden: _het diamant_ en _agaat_, de stoffen waarvan men door slijping _diamanten_ en _agaten_ (M.) maakt. Zoo ook _lei_, _goud_, _platina_, _nikkel_, _barnsteen_, _schildpad_, _kurk_, _draad_, _doek_ enz. Uitgezonderd zijn die, welke op eene toonlooze _e_ eindigen, als _aarde_, _serge_, _zijde_ enz., alsmede _baai_, _kant_, _langet_ en _wol_, die V. zijn; _saai_ wordt V. en O. gebruikt.
Een aantal der hier bedoelde woorden hebben eigenlijk uit zich zelve een ander geslacht, hetwelk zij behouden, wanneer zij niet als stofnamen worden gebezigd; b. v. _band_, _doek_, _draad_, _bever_, _hermelijn_, _sabel_ (dier) M.; _kurk_, _pleister_, _schildpad_, _tijk_ V.
33. De namen van landen, steden en dorpen enz., als _het machtige Engeland_, _het oude Rome_. Uitgezonderd zijn die namen van landstreken, welke steeds van het lidwoord _de_ vergezeld gaan, als _de Betuwe_, _de Lijmers_, _de Krim_, _de Sahara_ enz.
34. De meeste verzamelwoorden, als _bosch_, _duin_ (aaneenschakeling van duinen), _heir_, _loof_, _ooft_, _slag_ (soort), _stel_ (porselein), _volk_, _want_ enz.; inzonderheid die, welke eene vereeniging van een bepaald aantal individuen aanduiden, als _het honderd_, _het paar_, _het dozijn_, _het gros_, _het snees_.