Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden

Part 19

Chapter 192,802 wordsPublic domain

Doorgraven, groef door, groeven door, heeft doorgegraven; ook doorgroef, doorgroeven, heeft doorgraven.

Doorgraving, V., -gravingen.

Doorgroeien, groeide door, is doorgegroeid.

Doorgronden, doorgrondde, heeft doorgrond.

Doorhakken, hakte door, heeft doorgehakt.

Doorhalen, haalde door, heeft doorgehaald.

Doorhaling, V., -halingen.

Doorheen.

Doorhelpen, hielp door, heeft doorgeholpen.

Doorhouwen, hieuw door, heeft doorgehouwen.

Doorijlen, ijlde door, heeft en is doorgeijld.

Doorkermen, kermde door, heeft doorgekermd.

Doorkijken, keek door, keken door, heeft doorgekeken; ook doorkeek, doorkeken, heeft doorkeken.

Doorklieven, kliefde door, heeft doorgekliefd; ook doorkliefde, heeft doorkliefd.

Doorklinken, klonk door, heeft doorgeklonken; ook doorklonk, heeft doorklonken.

Doorkloppen, klopte door, heeft doorgeklopt.

Doorknabbelen, knabbelde door, heeft doorgeknabbeld.

Doorknagen, knaagde door, heeft doorgeknaagd; ook doorknaagde; heeft doorknaagd.

Doorkneed, -knede.

Doorknippen, knipte door, heeft doorgeknipt.

Doorkoken, kookte door, heeft doorgekookt.

Doorkomen, komt door, kwam door, kwamen door, is doorgekomen.

Doorkrabben, krabde door, heeft doorgekrabd.

Doorkrijgen, kreeg door, kregen door, heeft doorgekregen.

Doorkronkelen, doorkronkelde, heeft doorkronkeld.

Doorkruipen, kroop door, kropen door, heeft en is doorgekropen; ook doorkroop, doorkropen, heeft doorkropen.

Doorkruisen, kruiste door, heeft doorgekruist; ook doorkruiste, heeft doorkruist.

Doorlaat, M., -laten.

Doorlachen, lachte door, heeft doorgelachen.

Doorlaten, liet door, heeft doorgelaten.

Doorlaveeren, laveerde door, heeft en is doorgelaveerd.

Doorleeren, leerde door, heeft doorgeleerd.

Doorleiden, leidde door, heeft doorgeleid.

Doorlekken, lekte door, heeft doorgelekt.

Doorleven, doorleefde, heeft doorleefd en doorgeleefd.

Doorlezen, las door, lazen door, heeft doorgelezen; ook doorlas, doorlazen, heeft doorlezen.

Doorlezing, V.

Doorliggen, lag door, lagen door, heeft doorgelegen.

Doorloodsen, loodste door, heeft doorgeloodst.

Doorloop, M., -loopen.

Doorloopen, liep door, is en heeft doorgeloopen; ook doorliep, heeft doorloopen.

Doorloopend.

Doorlucht, -luchter, -luchtst.

Doorluchtig, -luchtiger, -luchtigst.

Doorluchtigheid, V., -heden.

Doormalen, maalde door, heeft doorgemalen.

Doormarcheeren, marcheerde door, heeft en is doorgemarcheerd.

Doormarsch, M., -marschen.

Doormengen, mengde door, heeft doorgemengd; ook doormengde, heeft doormengd.

Doormijmeren, mijmerde door, heeft doorgemijmerd; ook doormijmerde, heeft doormijmerd.

Doorn en Doren, M., doornen en doorns of dorens. Doorntje en dorentje, O., -jes.

Doornaaien, naaide door, heeft doorgenaaid; ook doornaaide, heeft doornaaid.

Doornachtig, -achtiger, -achtigst.

Doornagelen, doornagelde, heeft doornageld.

Doornat, -natte.

Doornen (bnw.).

Doornenkroon, V., -kronen.

Doornig, doorniger, doornigst.

Doornommeren, nommerde door, heeft doorgenommerd.

Doorpennen, pende door, heeft doorgepend.

Doorpersen, perste door, heeft doorgeperst.

Doorpikken, pikte door, heeft doorgepikt.

Doorploegen, doorploegde, heeft doorploegd.

Doorpraten, praatte door, heeft doorgepraat.

Doorpriemen, priemde door, heeft doorgepriemd; ook doorpriemde, heeft doorpriemd.

Doorprikken, prikte door, heeft doorgeprikt.

Doorpruimen, pruimde door, heeft doorgepruimd.

Doorrazen, raasde door, heeft doorgeraasd.

Doorredeneeren, redeneerde door, heeft doorgeredeneerd.

Doorregenen, regende door, heeft en is doorgeregend.

Doorreis, V., -reizen.

Doorreizen, reisde door, heeft en is doorgereisd; ook doorreisde, heeft doorreisd.

Doorrennen, rende door, heeft en is doorgerend.

Doorrijden, reed door, reden door, heeft en is doorgereden; ook doorreed, doorreden, heeft doorreden.

Doorrijgen, reeg door, regen door, heeft doorgeregen; ook doorreeg, doorregen, heeft doorregen.

Doorroeien, roeide door, heeft en is doorgeroeid.

Doorroeren, roerde door, heeft doorgeroerd.

Doorroesten, roestte door, is doorgeroest.

Doorrollen, rolde door, heeft en is doorgerold.

Doorrooken, rookte door, heeft doorgerookt; ook doorrookte, heeft doorrookt.

Doorrooker, M., -rookers; -rookertje, O., -jes.

Doorschemeren, schemerde door, is en heeft doorgeschemerd.

Doorschermen, schermde door, heeft doorgeschermd.

Doorscheuren, scheurde door, heeft en is doorgescheurd; ook doorscheurde, heeft doorscheurd.

Doorschieten, schoot door, schoten door, heeft en is doorgeschoten; ook doorschoot, doorschoten, heeft doorschoten.

Doorschijnen, scheen door, schenen door, heeft doorgeschenen; ook doorscheen, doorschenen, heeft doorschenen.

Doorschijnend.

Doorschijnendheid, V.

Doorschrappen, schrapte door, heeft doorgeschrapt.

Doorschrapping, V., -schrappingen.

Doorschreeuwen, schreeuwde door, heeft doorgeschreeuwd.

Doorschreien, schreide door, heeft doorgeschreid.

Doorschrijven, schreef door, schreven door, heeft doorgeschreven.

Doorschudden, schudde door, heeft doorgeschud.

Doorschuiven, schoof door, schoven door, heeft doorgeschoven.

Doorschutten, schutte door, heeft doorgeschut.

Doorsijpelen, sijpelde door, heeft en is doorgesijpeld.

Doorslaan, sloeg door, heeft en is doorgeslagen.

Doorslaand, -slaander, -slaandst.

Doorslag, M., -slagen; -slagje, O., -jes.

Doorslapen, sliep door, heeft doorgeslapen.

Doorsleepen, sleepte door, heeft doorgesleept.

Doorslepen, -slepener, -slepenst.

Doorslepenheid, V.

Doorslijten, sleet door, sleten door, heeft en is doorgesleten.

Doorslikken, slikte door, heeft doorgeslikt.

Doorslokken, slokte door, heeft doorgeslokt.

Doorsluimeren, sluimerde door, heeft doorgesluimerd.

Doorsluipen, sloop door, slopen door, is doorgeslopen.

Doorsmeulen, smeulde door, heeft doorgesmeuld.

Doorsnede, V., -sneden.

Doorsneeuwen, sneeuwde door, heeft doorgesneeuwd.

Doorsnijden, sneed door, sneden door, heeft doorgesneden; ook doorsneed, doorsneden, heeft doorsneden.

Doorsnijding, V., -snijdingen.

Doorsnorren, snorde door, heeft en is doorgesnord.

Doorsnuffelaar, M., -snuffelaars.

Doorsnuffelen, doorsnuffelde, heeft doorsnuffeld.

Doorspekken, doorspekte, heeft doorspekt.

Doorspelen, speelde door, heeft doorgespeeld.

Doorspijkeren, doorspijkerde, heeft doorspijkerd.

Doorspitten, spitte door, heeft doorgespit.

Doorspoelen, spoelde door, heeft doorgespoeld.

Doorspoeling, V., -spoelingen.

Doorspreken, sprak door, spraken door, heeft doorgesproken.

Doorspringen, sprong door, heeft doorgesprongen.

Doorspuiten, spoot door, spoten door, heeft doorgespoten.

Doorstaan, stond door, heeft doorgestaan; ook doorstond, heeft doorstaan.

Doorstampen, stampte door, heeft doorgestampt.

Doorstappen, stapte door, heeft en is doorgestapt.

Doorsteek, M., -steken.

Doorsteken, stak door, staken door, heeft doorgestoken; ook doorstak, doorstaken, heeft doorstoken.

Doorsteker, M., -stekers; -stekertje, O., -jes.

Doorsteking, V., -stekingen.

Doorstevenen, stevende door, is doorgestevend.

Doorstikken, doorstikte, heeft doorstikt.

Doorstoomen, stoomde door, heeft en is doorgestoomd.

Doorstooten, stiet door, heeft doorgestooten; ook stootte door; en doorstiet, heeft doorstooten.

Doorstormen, stormde door, heeft doorgestormd.

Doorstralen, straalde door, heeft doorgestraald; ook doorstraalde, heeft doorstraald.

Doorstraling, V.

Doorstrepen, streepte door, heeft doorgestreept.

Doorstrijden, streed door, streden door, heeft doorgestreden.

Doorstrijken, streek door, streken door, heeft en is doorgestreken.

Doorstrompelen, strompelde door, is doorgestrompeld.

Doorstroomen, stroomde door, heeft doorgestroomd; ook doorstroomde, heeft doorstroomd.

Doorstudeeren, studeerde door, heeft doorgestudeerd.

Doorsturen, stuurde door, heeft doorgestuurd.

Doorsukkelen, sukkelde door, heeft en is doorgesukkeld.

Doortasten, tastte door, heeft doorgetast; ook doortastte, heeft doortast.

Doorteekenen, teekende door, heeft doorgeteekend.

Doortellen, telde door, heeft doorgeteld.

Doortimmerd.

Doortintelen, doortintelde, heeft doortinteld.

Doortocht, M., -tochten.

Doortrappen, trapte door, heeft doorgetrapt.

Doortrapt, -trapter, -traptst.

Doortraptheid, V.

Doortreden, trad door, traden door, heeft en is doorgetreden.

Doortrekken, trok door, trokken door, heeft en is doorgetrokken; ook doortrok, doortrokken, heeft doortrokken.

Doortrekking, V.

Doortrillen, doortrilde, heeft doortrild.

Doortrokken.

Doorvaart, V., -vaarten.

Doorvallen, viel door, is doorgevallen.

Doorvaren, voer door, is en heeft doorgevaren.

Doorvechten, vocht door, heeft doorgevochten.

Doorvijlen, vijlde door, heeft doorgevijld.

Doorvlechten, vlocht door, heeft doorgevlochten; ook doorvlocht, heeft doorvlochten.

Doorvliegen, vloog door, vlogen door, is doorgevlogen; ook doorvloog, doorvlogen, heeft doorvlogen.

Doorvloeien, vloeide door, is doorgevloeid.

Doorvoed.

Doorvoeden, doorvoedde, heeft doorvoed.

Doorvoer, M., -voeren.

Doorvoeren, voerde door, heeft doorgevoerd.

Doorvouwen, vouwde door, heeft doorgevouwen.

Doorvragen, vraagde door, heeft doorgevraagd; ook vroeg door.

Doorvreten, vrat door, vraten door, heeft doorgevreten.

Doorvriezen, vroor door, heeft doorgevroren en doorgevrozen.

Doorwaadbaar, -bare.

Doorwaaien, waaide door, heeft en is doorgewaaid; ook woei door, woeien door; en doorwaaide (doorwoei), heeft doorwaaid.

Doorwaden, waadde door, heeft doorgewaad; ook doorwaadde, heeft doorwaad.

Doorwandelen, wandelde door, heeft en is doorgewandeld; ook doorwandelde, heeft doorwandeld.

Doorwasemen, doorwasemde, heeft doorwasemd.

Doorwassen, wies door, wiesen door, is doorgewassen.

Doorwassen (bnw.).

Doorwateren, waterde door, heeft en is doorgewaterd; ook doorwaterde, heeft doorwaterd.

Doorweeken, weekte door, is en heeft doorgeweekt; ook doorweekte, heeft doorweekt.

Doorweeking, V.

Doorweenen, weende door, heeft doorgeweend.

Doorwerken, werkte door, heeft doorgewerkt; ook doorwerkte, heeft doorwerkt.

Doorweven, weefde door, heeft doorgeweven; ook doorweefde, heeft doorweven.

Doorwoeden, woedde door, heeft doorgewoed.

Doorwoelen, doorwoelde, heeft doorwoeld.

Doorwonden, doorwondde, heeft doorwond.

Doorworstelen, doorworstelde, heeft doorworsteld.

Doorworsteling, V.

Doorwrocht, -wrochter, -wrochtst.

Doorwroeten, wroette door, heeft doorgewroet; ook doorwroette, heeft doorwroet.

Doorwroeting, V.

Doorzaaien, zaaide door, heeft doorgezaaid; ook doorzaaide, heeft doorzaaid.

Doorzagen, zaagde door, heeft doorgezaagd.

Doorzaging, V.

Doorzakken, zakte door, is doorgezakt.

Doorzakking, V., -zakkingen.

Doorzeilen, zeilde door, is en heeft doorgezeild.

Doorzenden, zond door, heeft doorgezonden.

Doorzetten, zette door, heeft doorgezet.

Doorzicht, O.

Doorzichtbaar, -bare.

Doorzichtbaarheid, V.

Doorzichtig, -zichtiger, -zichtigst.

Doorzichtigheid, V.

Doorzichtkunde, V.

Doorzien, zag door, zagen door, heeft doorgezien; ook doorzag, doorzagen, heeft doorzien.

Doorziften, ziftte door, heeft doorgezift.

Doorzijgen, zeeg door, zegen door, heeft en is doorgezegen.

Doorzingen, zong door, heeft doorgezongen.

Doorzinken, zonk door, is doorgezonken.

Doorzitten, zat door, zaten door, heeft doorgezeten.

Doorzoeken, zocht door, heeft doorgezocht; ook doorzocht, heeft doorzocht.

Doorzoeking, V., -zoekingen.

Doorzouten, doorzoutte, heeft doorzouten.

Doorzweeten, zweette door, heeft doorgezweet.

Doorzwelgen, zwolg door, heeft doorgezwolgen.

Doorzwelger, M., -zwelgers.

Doorzwelging, V.

Doorzwemmen, zwom door, zwommen door, heeft en is doorgezwommen.

Doorzweren, zwoor door, zworen door, is doorgezworen.

Doorzwerven, zwierf door, zwierven door, heeft doorgezworven.

Doorzweven, zweefde door, is doorgezweefd; ook doorzweefde, heeft doorzweefd.

Doos, V., doozen. Doosje, O., -jes.

Doovekool, V., -kolen.

Dooven, doofde, heeft gedoofd.

Doovenetel, V., -netels.

Doovigheid, V.

Doozenfabriek, V., -fabrieken.

Doozenmaakster, V., -maaksters.

Dop, M., doppen. Dopje, O., -jes.

Dopjesspel, O., -spellen.

Dopknier, V., -knieren.

Doppen, dopte, heeft gedopt.

Dopper, M., doppers.

Dor, dorder, dorst.

Doren. Zie Doorn.

Dorheid, V.

Dormter, M.

Dorp, O., dorpen. Dorpje, O., -jes.

Dorpachtig.

Dorpel, M., dorpels. Dorpeltje, O., -jes.

Dorpeling, M. en V., dorpelingen. V. ook dorpelinge.

Dorpsbestuur, O., -besturen.

Dorpsch.

Dorpsherberg, V., -herbergen.

Dorpskerk, V., -kerken; -kerkje, O., -jes.

Dorpsleeraar, M., -leeraars en -leeraren.

Dorpsschool, V., -scholen.

Dorsch, M.

Dorschdeel, V., -delen.

Dorschen, dorschte, heeft gedorscht.

Dorscher, M., dorschers.

Dorsching, V., dorschingen.

Dorschschuur, V., -schuren.

Dorschtijd, M.

Dorschvlegel, M., -vlegels.

Dorschvloer, M., -vloeren.

Dorst, M.

Dorsten, dorstte, heeft gedorst.

Dorstig, dorstiger, dorstigst.

Dorstigheid, V.

Dos, M.

Dosis, V., dosissen.

Dossen, doste, heeft gedost.

Dot, M., dotten. Dotje, O., -jes.

Douairière, V., douairières.

Douane, V.

Douanekantoor, O., -kantoren.

Douanen (mv.) (de beambten der douane), M.

Douarie, V., douarieën.

Doubleeren, doubleerde, heeft gedoubleerd.

Doublet, O., doubletten. Doubletje, O., -jes.

Douceur, V. Douceurtje, O., -jes.

Douche, V.

Douw, M., douwen. Douwtje, O., -jes.

Dozijn, O., dozijnen. Dozijntje, O., -jes.

Dra.

Draad (voorwerp), M., draden; (stof), O. Draadje, O., -jes.

Draadloos, -looze.

Draadschaar, V., -scharen.

Draadsgewijze en -wijs.

Draadtrekken, O.

Draadtrekker, M., -trekkers.

Draagbaar, V., -baren.

Draagbaar, -bare.

Draagbalk, M., -balken.

Draagband, M., -banden.

Draagboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.

Draaggeld, O., -gelden.

Draagkoets, V., -koetsen.

Draagkorf, M., -korven; -korfje, O., -jes.

Draaglijk, -lijker, -lijkst.

Draagloon, O., -loonen.

Draagriem, M., -riemen.

Draagster, V., draagsters.

Draagstoel, M., -stoelen; -stoeltje, O., -jes.

Draagstok, M., -stokken.

Draagvermogen, O.

Draagzadel, M. en O., -zadels.

Draagzeel, O., -zeelen.

Draagzetel, M., -zetels.

Draai, M., draaien. Draaitje, O., -jes.

Draaibank, V., -banken.

Draaibeitel, M., -beitels.

Draaiboom, M., -boomen.

Draaibord, O., -borden.

Draaibrug, V., -bruggen.

Draaien, draaide, heeft en is gedraaid.

Draaier, M., draaiers.

Draaierig, draaieriger, draaierigst.

Draaierij, V., draaierijen.

Draaiing, V., draaiingen.

Draaikap, V., -kappen.

Draaikolk, V., -kolken.

Draaikruk, V., -krukken.

Draaikunst, V.

Draaimolen, M., -molens.

Draaiorgel, O., -orgels.

Draaipen, V., -pennen.

Draaischijf, V., -schijven.

Draaispil, V., -spillen.

Draaispit, O., -spitten.

Draaister, V., draaisters.

Draaistroom, M.

Draaitol, M., -tollen.

Draaiwerk, O.

Draak, M., draken. Draakje, O., -jes.

Draakwortel (plant), V.

Drab en Drabbe, V.

Drabbigheid, V.

Drachme, V. en O., drachmen.

Dracht, V., drachten.

Drachtig.

Dradig, dradiger, dradigst.

Draf (het draven), M. Drafje, O.

Draf (voeder), M.

Dragen, droeg, heeft gedragen.

Drager, M., dragers.

Dragersplaats, V., -plaatsen.

Dragon (kruid), V.

Dragon (kwast), V., dragons.

Dragonder, M., dragonders.

Draineerbuis, V., -buizen.

Draineeren, draineerde, heeft gedraineerd.

Drakenbloed, O.

Drakenboom, M., -boomen.

Drakenkop, M., -koppen.

Drakenkruid, O.

Drakenplant, V., -planten.

Drakenslang, V., -slangen.

Dralen, draalde, heeft gedraald.

Draler, M., dralers.

Drama, O., drama's.

Dramatiek, V.

Dramatisch.

Dramaturg, M., dramaturgen.

Dramaturgie, V.

Drang, M.

Drangreden, V., -redenen.

Drank, M., dranken. Drankje, O., -jes.

Drankaccijns, M., -accijnzen.

Drankbestrijder, M., -bestrijders.

Drankgebruik, O.

Drankjesflesch, V., -flesschen; drankjesfleschje, O., -jes.

Drankmisbruik, O.

Drankwet, V.

Drankwinkel, M., -winkels.

Drapeeren, drapeerde, heeft gedrapeerd.

Drapeering, V., drapeeringen.

Draperie, V., draperieën.

Dras, V.

Dras, drasser, drast.

Drassig, drassiger, drassigst.

Drassigheid, V.

Drastisch.

Draven, draafde, heeft gedraafd.

Draver, M., dravers.

Dravik, V.

Dreef, V., dreven. Dreefje, O., -jes.

Dreet, V., dreten. Dreetje, O., -jes.

Dreg en Dregge, V., dreggen. Dregje, O., -jes.

Dreggen, dregde, heeft gedregd.

Dreigbrief, M., -brieven.

Dreigement, O., dreigementen.

Dreigen, dreigde, heeft gedreigd.

Dreiging, V., dreigingen.

Drek, M.

Drekkig, drekkiger, drekkigst.

Drempel, M., drempels. Drempeltje, O., -jes.

Drenkbak, M., -bakken.

Drenkeling, M. en V., drenkelingen. V. ook drenkelinge.

Drenkelinghuisje, O., -huisjes.

Drenken, drenkte, heeft gedrenkt.

Drenkplaats, V., -plaatsen.

Drenktrog, M., -troggen.

Drenkwed, O., -wedden.

Drent, M., Drenten.

Drente (gewest), O.

Drentelen, drentelde, heeft en is gedrenteld.

Drentenaar, M., Drentenaars en Drentenaren.

Drenzen, drensde, heeft gedrensd.

Dressuur, V.

Dreum, M.

Dreumes, M., dreumessen. Dreumesje, O., -jes.

Dreun, M., dreunen. Dreuntje, O., -jes.

Dreunen, dreunde, heeft gedreund.

Dreuning, V., dreuningen.

Dreutel, M., dreutels. Dreuteltje, O., -jes.

Dreutelaar, M., dreutelaars.

Dreutelen, dreutelde, heeft gedreuteld.

Drevel, M., drevels.

Dribbel, M. en V., dribbels. Dribbeltje, O., -jes.

Dribbelaar, M., dribbelaars.

Dribbelaarster, V., dribbelaarsters.

Dribbelen, dribbelde, heeft en is gedribbeld.

Drie (telwoord). Als znw., V., drieën. Drietje, O., -jes.

Driedaagsch.

Driedeelen, driedeelde, heeft gedriedeeld.

Driedeelig.

Driedekker, M., -dekkers.

Driedik, -dikke.

Driedraadsch.

Driedubbel.

Drieduizendste.

Drieëenheid.

Drieëenig.

Drieërhande.

Drieërlei.

Driegdraad, M.

Driehoek, M., -hoeken; -hoekje, O., -jes.

Driehoekig.

Driehoeksmeting, V., -metingen.

Driehonderd.

Driehonderdste.

Drieklank, M., -klanken.

Driekleur, V.

Driekleurig.

Driekoningen (-dag, M., -dagen; -feest, O., -feesten).

Driekroon, V.

Drieledig.

Drieling, M. en V., drielingen.

Driemaal.

Drieman, M., -mannen.

Driemanschap, O., -schappen.

Driemast, M., -masten.

Driemaster, M., -masters.

Drieponder, M., -ponders.

Driepuntig.

Drieschijfsblok, O., -blokken en -bloks.

Driesprong, M., -sprongen.

Driest, driester.

Driestal, M., -stallen; -stalletje, O., -jes.

Driestemmig.

Driestheid, V., -heden.

Drietal, O., -tallen.

Drievlakshoek, M., -hoeken.

Drievoet, M., drievoeten.

Drievoudig.

Drievuldigheid, V.

Driewerf.

Drift, V., driften.

Driftig, driftiger, driftigst.

Driftigheid, V.

Driftkop, M. en V., -koppen.

Driftzand, O.

Drijfbeitel, M., -beitels.

Drijfhamer, M., -hamers.

Drijfhout, O., -houten.

Drijfijs, O.

Drijfjacht, V., -jachten.

Drijfkracht, V., -krachten.

Drijfrad, O., -raderen.

Drijfsteen, M., -steenen.

Drijftol, M., -tollen.

Drijfton, V., -tonnen.

Drijfveer, V., -veeren.

Drijfzand, O.

Drijnen, drijnde, heeft gedrijnd.

Drijten, dreet, dreten, heeft gedreten.

Drijven, dreef, dreven, is en heeft gedreven.

Drijver, M., drijvers.

Drijverij, V., drijverijen.

Dril (werktuig en klap), M., drillen.

Dril (gestold vleeschnat), V.

Dril (stof), O.

Drilboog, M., -bogen.

Drilboor, V., -boren.

Drilgat, O., -gaten.

Drilkunst, V.

Drillen, drilde, heeft gedrild.

Driller, M., drillers.

Drilmeester, M., -meesters.

Drilplaats, V., -plaatsen.

Drilschool, V., -scholen.

Dringen, drong, heeft en is gedrongen.

Dringend, dringender, dringendst.

Drinkbaar, -bare.

Drinkbak, M., -bakken; -bakje, O., -jes.

Drinkbeker, M., -bekers.

Drinkebroer, M., -broers.

Drinken, dronk, heeft gedronken.

Drinker, M., drinkers.

Drinkerij, V., drinkerijen.

Drinkgelag, O., -gelagen.

Drinkgeld, O., -gelden.

Drinkglas, O., -glazen; -glaasje, O., -jes.

Drinkhoorn en -horen, M., -hoorns en -horens.

Drinkkan, V., -kannen.

Drinklied, O., -liederen; -liedje, O., -jes.

Drinknap, M., -nappen; -napje, O., -jes.

Drinkpartij, V., -partijen.

Drinkschaal, V., -schalen.

Drinkvat, O., -vaten.

Drinkwater, O.

Droef, droever, droefst.

Droefenis, V.

Droefgeestig, -geestiger, -geestigst.

Droefgeestigheid, V.

Droefheid, V.

Droelen, droelde, heeft gedroeld.

Droes (duivel), M.

Droes (paardenziekte), M.

Droesem, M.

Droevig, droeviger, droevigst.

Droezig, droeziger, droezigst.

Drogen, droogde, heeft en is gedroogd.

Drogerij, V., drogerijen.

Droging, V., drogingen.

Drogist, M., drogisten.

Drogreden, V., -redenen.

Drogredenaar, M., -redenaren en -redenaars.

Drok. Zie Druk.

Drol, M., drollen. Drolletje, O., -jes.

Drollig, drolliger, drolligst.

Drolligheid, V., -heden.

Drom, M., drommen.

Dromedaris, M., dromedarissen.

Drommel, M., drommels. Drommeltje, O., -jes.

Drommels (bijw.).

Drommelsch (bnw.).

Dronk, M., dronken. Dronkje, O., -jes.

Dronkaard, M., dronkaards en dronkaarden.

Dronkelap, M., -lappen.

Dronken.

Dronkenman en Dronkeman, M., -mannen.

Dronkenschap, V.

Droog, droger, droogst.

Droogdoek, M., -doeken.

Droogheid, V.

Droogje, O.

Droogjes.

Drooglat, V., -latten.

Droogleggen, legde en leide droog, heeft drooggelegd en drooggeleid.

Drooglegging, V., -leggingen.

Droogloopen, liep droog, is drooggeloopen.

Droogmachine, V., -machines.

Droogmaken, maakte droog, heeft drooggemaakt.

Droogmakerij, V., -makerijen.

Droogmaking, V., -makingen.

Droogmalen, maalde droog, heeft drooggemalen.

Droogmaling, V., -malingen.

Droogoven, M., -ovens.

Droogpijp, V., -pijpen.

Droogplaats, V., -plaatsen.

Droograam, O., -ramen.

Droogrek, O., -rekken.

Droogscheerder, M., -scheerders.

Droogscheren, O.

Droogschuren, schuurde droog, heeft drooggeschuurd.

Droogschuur, V., -schuren.

Droogstok, M., -stokken.

Droogte, V., droogten.

Droogtouw, O., -touwen.

Droogvoets en Droogsvoets.

Droogzolder, M., -zolders.

Droom, M., droomen. Droompje, O., -jes.

Droombeeld, O., -beelden.

Droomen, droomde, heeft gedroomd.

Droomer, M., droomers.

Droomerig, droomeriger, droomerigst.

Droomerij, V., droomerijen.

Droomgezicht, O., -gezichten.

Droomig, droomiger, droomigst.

Droomuitlegger, M., -uitleggers.

Droopen, droopte, heeft gedroopt.

Drooping, V.

Drop (drup). Zie Drup.

Drop (geneesmiddel), V.

Droppel, Droppelen, enz. Zie Druppel, Druppelen, enz.

Dropsteen (een steen), M., -steenen; (als stofnaam), O.

Drossaard, M., drossaards.

Drossen, droste, is gedrost.

Drost, M., drosten.

Drostendienst, M., -diensten.

Drostschap, O.

Druïde, M., Druïden.

Druif, V., druiven. Druifje, O., -jes.

Druifluis, V., -luizen.

Druil (zeil), M., druilen.

Druil (persoon), M. en V., druilen.

Druilen, druilde, heeft gedruild.

Druiler, M., druilers.

Druilerig, druileriger, druilerigst.

Druilig, druiliger, druiligst.

Druiloor, M., -ooren.

Druilooren, druiloorde, heeft gedruiloord.

Druiloorig, -ooriger, -oorigst.

Druilsra, V., -raas.

Druip, M.

Druipbad, O., -baden.

Druipen, droop, dropen, heeft en is gedropen.

Druiper, M., druipers.

Druipnat, -natte.

Druipneus, M. en V., -neuzen.

Druipoog, M. en V., -oogen.

Druipstaart, M. en V., -staarten.

Druipstaarten, druipstaartte, heeft gedruipstaart.

Druipsteen (een steen), M., -steenen; (als stofnaam), O.

Druischen, druischte, heeft gedruischt.

Druiveblad, O., -bladeren.

Druiveboom, M., -boomen.

Druivenbloed, O.

Druivenkas, V., -kassen; druivenkasje, O., -jes.

Druivenlezen, O.

Druivenlezer, M., -lezers.

Druivenmand, V., -manden.

Druivenmoer, V.

Druivennat, O.

Druivenoogst, M.

Druivenpers, V., -persen.

Druivenrank, V., -ranken.

Druivensap, O.

Druivenschaar, V., -scharen.

Druivensuiker, V.

Druiventreden, O.

Druiventreder, M., -treders.

Druiventros, M., -trossen.

Druivepit, V., -pitten.

Druiveschil, V., -schillen.

Druivesteel, M., -stelen.

Druk, M., drukken. Drukje, O., -jes.

Druk, drukker, drukst.

Drukbal, M., -ballen.

Drukbank, V., -banken.

Drukfeil, V., -feilen.

Drukfout, V., -fouten; -foutje, O., -jes.

Drukinkt, M.

Drukken, drukte, heeft gedrukt.

Drukkend, drukkender, drukkendst.

Drukker, M., drukkers.

Drukkerij, V., drukkerijen.

Drukkersraam, O., -ramen.

Drukkersrol, V., -rollen.

Drukkerswerk, O.

Drukking, V., drukkingen.

Drukkosten (mv.), M.

Drukkunst, V.

Drukletter, V., -letters.

Drukloon, O., -loonen.

Drukpapier, O., -papieren.

Drukpers, V., -persen.

Drukproef, V., -proeven.

Drukschrift, O.

Druksel, O.