Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

m. Februarius, van de februa of doodenoffers, waarmede oudtijds het

Chapter 1363,990 wordsPublic domain

jaar werd besloten.--3) m. Martius, aan Mars gewijd.--4) m. Aprilis, van aperire, het openen der bloemknoppen.--5) m. Maius, naar Maia.--6) m. Iunius, aan Juno geheiligd.--7) m. Quinctilis, oorspronkelijk de vijfde maand, later ter eere van Caesar verdoopt tot m. Iulius.--8) m. Sextilis, ter eere van Augustus tot m. Augustus verdoopt.--9-12) m. September, October, November, December. Om de twee jaar schoof men een schrikkelmaand in, mensis mercedonius of intercalarius, die echter niet in het midden van het jaar, maar midden in de tweede helft van Februari werd ingevoegd. Door onachtzaamheid van de pontifices, die voor de tijdrekening moesten zorgen, en ook wel doordat men om politieke bijoogmerken het invoegen van een schrikkelmaand achterwege liet, waren ten tijde van Caesar de maanden niet minder dan 80 dagen verschoven, weshalve hij als pontifex maximus het jaar 46 op 445 dagen stelde en verder het jaar op 365 dagen met één schrikkeldag om de vier jaren. Eene groote verwarring in de rom. chronologie is ook hierdoor ontstaan, dat eerst sedert 153 het burgerlijk jaar op 1 Jan. begint. Vóór dien tijd begon het met de ambtsaanvaarding der consuls, en wanneer nu door eene of andere stoornis deze aanvaarding werd vertraagd of ook wel door omstandigheden vervroegd, dan versprong het begin van het burgerlijk jaar, totdat eene nieuwe storing het weder op een anderen datum bracht.

In elke maand had men drie dagen, die een bijzonderen naam droegen: Kalendae, Idus, Nonae. De Kalendae waren de eerste dag, aldus geheeten, omdat op dien dag een der pontifices van de curia Calabra de nieuwe maand afkondigde, die oorspronkelijk met de nieuwe maan samenviel. De Idus (van iduare = dividere) vielen in Maart, Mei, Juli en October op den 15den, anders op den 13den der maand en deelden dus de maand in tweeën. De Nonae vielen negen (volgens onze telling acht) dagen vóór de Idus, dus op den 5den of 7den. Men telde nu bij de vermelding van een datum terug van de eerstvolgende Kalendae, Nonae, Idus. Zoo was b.v. 24 Febr. volgens rom. telling de zesde dag vóór 1 Maart, en dus ante diem sextum Kalendas Martias. Deze zesde dag werd in een schrikkeljaar verdubbeld en telde dan 2 maal 24 uren, die onderscheiden werden in bissextilis prior en posterior. De laatste was dus de schrikkeldag.

Anquisitio, de aanklacht met opgaaf der geëischte straf, wanneer een der overheden een beschuldigde voor de comitiën daagde.

Anser, romeinsch dichter ten tijde van Augustus, die bij Antonius in gunst stond en van hem een landgoed ten geschenke kreeg. Hij was een bediller van Vergilius en wordt door Ovidius procax genoemd.

Antae, parastades, vierkante pilasters, waarin de zijmuren van een gebouw uitloopen, wanneer deze met het dak vooruitspringen, zoodat zij vóór den ingang een open voorportaal vormen. Een tempel met zulke antae werd een templum in antis (en parastasi) genoemd.

Antaeus, Antaios, zoon van Poseidon en Gaea, een geweldige reus, die over Libye regeerde en alle vreemdelingen dwong met hem te worstelen. Daar hij bij iedere aanraking met zijne moeder (de aarde) nieuwe kracht kreeg, was hij onoverwinnelijk en versloeg hij zooveel tegenstanders, dat hij van hun schedels een tempel voor Poseidon konde bouwen. Ook Heracles weerstond hij lang, maar toen deze zijn geheim ontdekte, hief hij hem van den grond op en worgde hem zoo. Als men aarde van zijn graf, dat bij Tingis was, afnam, begon het terstond te regenen.

Antalcidas, Antalkidas, een Spartaan, die in 393 naar den perzischen generaal Tiribazus gezonden werd, om te trachten door zijn tusschenkomst den perzischen koning te bewegen zijne hulp aan de Atheners te onttrekken. Dit gelukte echter eerst toen de Atheners den koning vertoornden door Euagoras van Cyprus te ondersteunen; toen bewerkte Ant. dat Artaxerxes den Spartanen hulp beloofde, indien de Atheners en hunne bondgenooten hunne vredesvoorstellen niet aannamen. Zoo werd in 387/386 de Koningsvrede of vrede van Antalcidas aan de oorlogvoerende staten voorgeschreven, waarbij bepaald werd, dat iedere staat in Griekenland autonoom zoude zijn, de grieksche steden in Azië aan de Perzen overgelaten werden, en ieder die zich niet aan deze voorwaarden onderwierp, voor algemeen vijand verklaard werd. Ant. zou later, geërgerd door de smadelijke bejegening hem door Artaxerxes aangedaan, vrijwillig den hongerdood gestorven zijn.

Antandrus, Antandros, stad in Troas of in Mysia, aan de golf van Adramyttium. Aeneas zou hier scheep zijn gegaan. Hier werd na den slag bij Cyzicus (410) met perzisch geld een nieuwe vloot voor Sparta gebouwd.

Antaradus, Antarados, havenstad van Aradus, in het Noorden van Phoenicië. Aradus zelf lag op een eilandje in zee, Antaradus er tegenover op de kust.

Anteambulones, cliënten (in de latere beteekenis van het woord), die voor aanzienlijke personen uitgingen, om in het straatgewoel ruim baan voor hen te maken.

Antea, Anteia, dochter van Iobates, z. Bellerophon. Na het vertrek van Bellerophon bracht zij zichzelve van verdriet om het leven. V.a. komt Bellerophon later weder bij haar, beweegt haar met hem te vluchten, en werpt haar bij het eiland Melos in zee.

Antecessores of antecursores, lichte troepen, vooral ruiterij, die de spits van het leger op marsch uitmaakten en op verkenning vooruitgingen.--Ook overdrachtelijk: baanbrekers, wegwijzers in eenig vak van wetenschap, vooral in de rechtsgeleerdheid, exegetai.

Anteius (P), gunsteling van Agrippina, doch om deze reden door Nero gehaat. Beschuldigd zijnde, dat hij de sterren had geraadpleegd aangaande Nero's dood, en eene veroordeeling voorziende, nam hij eerst vergif in; toen dit echter te langzaam werkte, opende hij zich de aderen (66 n. C.).

Antemnae, oude latijnsche stad, dáár gelegen, waar de Anio zich in den Tiber stort. De stad is reeds spoedig bij Rome ingelijfd.

Antenor, Antenor, zoon van Aesyetes en Cleomestra, zwager van Priamus, die gedurende den trojaanschen oorlog altijd op inwilliging van de billijke eischen der Grieken aandrong. Daarom werd later verhaald, dat hij de stad aan de Grieken verraden zou hebben en daarvoor zijn leven en zijne bezittingen bij de plundering gespaard zouden zijn. Over zijne verdere lotgevallen vindt men verschillende berichten. Hij zou de helft van Priamus' bezittingen gekregen en op den Ida een nieuw rijk gesticht hebben, of met Menelaus scheep gegaan en te Cyrene gebleven zijn, waar de Antenoriden als halfgoden vereerd werden, of met de Heneti, een paphlagonisch volk, naar Thracië en vervolgens naar Italië gegaan zijn en daar de stad Patavium gesticht hebben.

Antepilani. Voordat door Marius de verdeeling van het legioen in tien cohorten werd ingevoerd, vormde het drie slagliniën, zóó, dat in de eerste de hastati, in de tweede de principes, in de derde de triarii of pilani stonden. Hierom werden de beide eerste liniën ook antepilani genoemd. Zie voor het geheel onder Acies.

Anteros, Anteros, de god der wederliefde, broeder van Eros. Daar Eros niet groeien wilde, gaf Aphrodite hem op raad van Themis dezen broeder tot speelmakker, en nu werd Eros krachtig en gezond; miste hij hem echter, dan was hij weder treurig als vroeger. Ant. treedt ook op als wrekend god, die het versmaden van liefde straft.

Antesignani, 1) = antepilani, omdat de standaard van het legioen, de adelaar, bij de triariërs was.--2) In Caesars tijd was antesignani de naam eener vaste keurbende bij ieder legioen, zonder bagage en dus altijd slagvaardig.

Antestatio. Wanneer een Romein zijne tegenpartij op straat ontmoette en hem uitnoodigde naar den praetor te gaan (in ius venire, in ius ambulare), en de tegenpartij dan onwillig was, dan kon de eischer hem met geweld voor den praetor brengen, mits hij den betoonden onwil door de verklaring van een getuige kon staven. Daarom nam men den een of anderen voorbijganger tot getuige, met de vraag: licetne antestari? Stemde de gevraagde toe, dan raakte de vrager even diens oorlel (auricula) aan, omdat men dáár den zetel van het geheugen zocht.

Anthedon, Anthedon, stad aan de noordkust van Boeotia. De bewoners leefden vooral van vischvangst en purperschelpvisscherij. Anthedon, de vader van den onder de zeegoden opgenomen Glaucus, zou hier geleefd hebben.

Anthele, Anthele, plaatsje aan den ingang der Thermopylae, met een tempel van Demeter, waar de vergaderingen der Amphictyonen werden gehouden.

Anthemus, he Anthemous, stad op Chalcidice, door Philippus van Macedonië aan de Olynthiërs afgestaan.

Anthemusia, Anthemousia, stad en landschap in het mesopotamische gewest Osroene, ten Z.W. van Edessa.

Anthene, Anthene, vlek in Thyreatis of Cynuria.

Anthesteria, Anthesteria, een van de groote feesten ter eere van Dionysus, te Athene den 11-13 Anthesterion (Februari-Maart) gevierd. Den eersten dag (Pithoigia, opening der vaten) vierde men het aftappen van den jongen wijn; op den tweeden dag, het kannenfeest (Choes), werd een openbare maaltijd gehouden, waarbij men om het hardst van den nieuwen wijn dronk; wie het eerst zijn kan geledigd had, kreeg een prijs. Dit was de voornaamste dag van het feest, waarop zelfs jonge kinderen zich met bloemen bekransten, en waarop de vrouw van den archon basileus onder geheime plechtigheden en offers in het Lenaeum aan den god uitgehuwd werd. De derde dag heette Chytroi, pottenfeest, omdat men dan potten met peulvruchten als offer voor den chthonischen Hermes en de zielen der afgestorvenen gereed zette.

Anthesterion, Anthesterion, 8ste maand van het Attische jaar (Febr.-Maart), z. Annus.

Anthylla, Anthylla, stad in de Nijldelta tusschen Canopus en Naucratis.

Antias, zie Valerii no. 36.

Anticlea, Antikleia, dochter van Autolycus, gemalin van Laërtes, moeder van Odysseus; zij stierf van smart over de lange afwezigheid van haar zoon, die, volgens een later verhaal, niet Laërtes, maar Sisyphus tot vader had.

Anticirrha of -cyra, Antikirra, -kyra, naam van twee steden, de eene in Phocis, de andere in het landschap Malis, aan den Spercheus. Beide steden, doch vooral die in Phocis, waren in de oudheid bekend om de teelt van nieskruid, dat als geneesmiddel tegen zwaarmoedigheid en krankzinnigheid werd aangewend.

Antidosis, ruiling. Te Athene kon iemand, wien naar zijne meening ten onrechte een kostbare liturgie opgedragen was, eischen dat een ander, die eerder daarvoor in aanmerking moest komen, de liturgie van hem overnam, of dat hij anders zijn geheel vermogen met hem zou ruilen. Wanneer deze eisch gedaan was, werden terstond de bezittingen van beide partijen verzegeld, en binnen drie dagen werd een beëedigde inventaris (apophasis) overgelegd, waarnaar de rechters te beslissen hadden, ofschoon niet uitsluitend het verschil in vermogen in aanmerking kwam, maar ook o.a. de vraag wie van beide partijen reeds vroeger liturgieën bekostigd had, hoeveel geld daaraan besteed was, enz. Indien de eisch werd toegewezen, nam de verliezende partij de liturgie op zich; voor zoover ons bekend is, heeft eene werkelijke ruiling nooit plaats gehad.

Antigone, Antigone, 1) dochter van Oedipus en Iocaste of Euryganea. Toen haar blinde vader in ballingschap ging, vergezelde zij hem bij al zijne omzwervingen en deelde geduldig zijn ongelukkig lot, totdat hij in Attica stierf. Naar Thebe teruggekeerd gedurende de twisten tusschen hare broeders Eteocles en Polynices, waagde zij het, in weerwil van Creon's verbod, den gesneuvelden Polynices te begraven. In het grafgewelf der Labdaciden, waar zij wegens die daad werd opgesloten, hing Ant. zich op, waarna haar bruidegom Haemon, Creon's zoon, zich aan haar zijde van het leven beroofde.--V. a. ontkwam zij door de hulp van Haemon en leefde zij nog jaren lang op het land in geheimen echt met hem, totdat Creon haar ontdekte en Haemon haar en zichzelf doodde. Haar edel gedrag tegenover vader en broeder wordt dikwijls door attische treurspeldichters vermeld.--2) dochter van Eurytion, gemalin van Peleus. Toen Peleus de liefde van Astydamea onbeantwoord liet, zond deze aan Ant. het onware bericht, dat hij op het punt was met Sterope in het huwelijk te treden. Hierdoor misleid, hing Ant. zich op.--3) dochter van Laomedon. Zij was zoo trotsch op haar schoone lokken, dat Hera haar strafte door ze in slangen te veranderen, waarop de goden medelijden met haar kregen en haar in een ooievaar veranderden.

Antigonea, -nia, Antigoneia, -nia, naam van onderscheidene steden, als: 1) in Syria aan den Orontes, residentie van Antigonus, den gewezen veldheer van Alexander den Grooten. Later bracht Seleucus Nicator het grootste gedeelte der inwoners naar het door hem in de nabijheid gestichte Antiochia over.--2) in Macedonia aan den Axius.--3) in Chalcidice.--4) in Epirus aan den Aous. Ook Alexandria Troas en Nicaea in Bithynia hebben een tijd lang dezen naam gedragen.

Antigonus, Antigonos, 1) Kyklops of Monophthalmos, afstammend van de vorsten van Elymiotis, een man van een heerschzuchtig, maar vast karakter, een van de voortreffelijkste veldheeren van Alex. d. G., die hem in 333 tot satraap van Phrygië aanstelde. Bij de verdeeling van het rijk na den dood van Alex. (323), kreeg Ant. Groot-Phrygië, Lycië en Pamphylië, maar daar hij zich tegen de bevelen van Perdiccas verzette, was hij genoodzaakt naar Antipater te vluchten. Toen deze na den dood van Perdiccas rijksbestuurder werd, kreeg Ant. zijne landen terug (321) en werd hem tevens het opperbevel opgedragen tegen Eumenes, den standvastigen verdediger der rechten van het huis van Alex. Na den dood van Antipater (319) vereenigde Ant. zich met Cassander, Ptolemaeus en Seleucus tegen Polyperchon, en toen Eumenes door verraad in de handen van zijn vijand gevallen was, was Ant. heer over geheel Voor-Azië en Syrië (316). Maar deze groote macht wekte bij zijne bondgenooten wantrouwen op, en toen Ant. nu ook Seleucus van het stadhouderschap over Babylonië beroofde, vereenigden zij zich met Lysimachus tegen hem (315). Nu ontstond een lange oorlog, die in Azië, Griekenland en Aegypte met afwisselend geluk gevoerd werd, en waarin Ant. door zijn dapperen zoon Demetrius Poliorcetes bijgestaan werd. De nederlaag door dezen in 312 bij Gaza geleden, dwong Ant. wel vrede te sluiten, doch spoedig werd de oorlog hervat, en in 306 behaalde Demetrius in den zeeslag bij Salamis op Cyprus eene groote overwinning op Ptolemaeus, waarna Ant. den titel van koning aannam, welk voorbeeld weldra door zijn tegenstanders gevolgd werd. Eindelijk werd in den grooten slag bij Ipsus (301), waarin Ant. sneuvelde en Demetrius op de vlucht gejaagd werd, het lot van Azië ten gunste der verbondenen beslist.--2) Gonatas (zoo genoemd naar zijn geboorteplaats Goni of Gonnus of naar een ijzeren band, dien hij om de knie droeg), zoon van Demetrius Poliorcetes, wist zich in de Peloponnesus te handhaven, toen zijn vader uit Macedonië verdreven werd (287). Na diens dood (283) werd hij koning van Macedonië, ofschoon hij tot 276 eerst door Seleucus, later door Ptolemaeus Ceraunus verhinderd werd de regeering te aanvaarden. Later werd hij nog tweemaal uit zijn rijk verjaagd, eerst door Pyrrhus, vervolgens door Alexander van Epirus, maar telkens keerde hij terug en eindelijk onderwierp hij zich ook Epirus. In 277 overwon hij de Galliërs in een grooten slag bij Lysimachia, later bestreed hij het achaeïsch verbond, maar zonder gevolg. Hij stierf in 240.--3) Doson (die altijd geven zal, maar nooit geeft) of Epitropos, kleinzoon van Demetrius Poliorcetes, bestuurde Macedonië na den dood van Demetrius II (229), met wiens weduwe hij later trouwde, als voogd van Philippus III en later als koning. In het begin van zijn regeering was hij genoodzaakt een oorlog tegen verschillende grieksche staten te beëindigen door een vrede, waarbij de onafhankelijkheid van bijna geheel Griekenland erkend werd. In 224 werd zijn hulp ingeroepen door Aratus, die het achaeïsch verbond onder macedonische bescherming stelde. Ant. trok naar de Peloponnesus, overwon Cleomenes (z. a. no. 4) in den slag bij Sellasia (221), dwong Sparta tot het achaeïsch verbond toe te treden en vestigde door zijne overwinningen opnieuw den macedonischen invloed in Griekenland. Spoedig na zijn terugkomst in Macedonië overleed hij.--4) van Carystus, leefde aan het hof van Attalus I en was schrijver van een aantal werken over geschiedenis, biografie, kunst, enz. Bewaard gebleven is een verzameling van merkwaardigheden op natuurhistorisch gebied.

Antigrapheus, controleur over het geldelijk beheer van den raad (ant. tes boules) of van den schatmeester (ant. tes dioikeseos), in beide gevallen door het volk verkozen.

Antigraphe, verweerschrift, eigenlijk antwoord op eene graphe; de antigraphe bevatte echter niet altijd eene verdediging tegen de aanklacht, maar konde ook de bevoegdheid van rechtbank of aanklager betwisten, enz. Aanklacht en verweerschrift worden soms te zamen antigraphai genoemd.

Antilibanus, Antilibanos, bergketen ten Oosten van en evenwijdig met den Libanon of Libanus.

Antilochus, Antilochos, zoon van Nestor en Eurydice of Anaxibia, een van de dapperste helden voor Troje, en na Patroclus de dierbaarste vriend van Achilles. Hij werd door Memnon verslagen, terwijl hij zijn vader uit een groot gevaar redde, daarom wordt hij Philopator genoemd. Zijn asch werd bij die van Achilles en Patroclus bijgezet.

Antimachus, Antimachos, 1) atheensch volksredenaar, tijdgenoot van Aristophanes.--2) dichter en grammaticus uit Colophon, omstreeks 400, door Plato hoog geschat. Zijne voornaamste werken waren een epos Thebaïs, waarin hij de thebaansche oorlogen, en een elegisch gedicht Aude, waarin hij eene reeks heldengeschiedenissen behandelde. De Alexandrijnen noemden hem den grootsten epischen dichter na Homerus.

Antinoöpolis, Antinoou polis, prachtige stad aan den Nijl, in het Zuiden van Midden-Aegyptus, door keizer Hadrianus gesticht ter gedachtenis aan zijn lieveling Antinoüs, die hier verdronk.

Antinoüs, Antinoos, 1) zoon van Eupithes, de overmoedigste en onbeschaamdste onder Penelope's vrijers, ook de eerste, die door Odysseus' pijlen werd getroffen.--2) een beeldschoon jongeling, de lieveling van keizer Hadrianus, dien hij op diens reizen vergezelde. Hij verdronk in den Nijl. De keizer stichtte op de plaats van het ongeluk de stad Antinoöpolis, liet te Mantinea voor hem een tempel bouwen en hem nog andere eer bewijzen. Hij werd door tal van stand- en borstbeelden vereeuwigd; ook een sterrenbeeld werd naar hem genoemd.

Antiochia, -ea, Antiocheia, naam van een aantal steden. 1) Ant. Epidaphnes (he epi Daphnes), aldus naar een naburig laurierbosch genoemd, de prachtige hoofdstad van het syrische rijk, omstreeks 300 door Seleucus Nicator gesticht en naar zijn vader Antiochus genoemd. Door zijne opvolgers nog verfraaid en uitgebreid, bestond het ten laatste uit vier afzonderlijk ommuurde steden. Prachtige zuilengangen, ter lengte van een uur gaans, doorsneden de stad in rechte lijn. Handel en wetenschappen bloeiden er. De stad lag aan den Orontes. Hier kwam voor het eerst de naam van Christenen in gebruik, later werd het de zetel van een patriarch. In 260 na C. werd A. door den nieuw-perzischen koning Sapores I gedeeltelijk verwoest, en in 538 door Chosroës. Keizer Justinianus liet het op kleiner schaal herbouwen en zóó komt het nog voor in de geschiedenis der kruistochten.--2) Ant. ad Maeandrum, in Caria, met eene beroemde brug over de rivier, door Antiochus I Soter (281-261) gesticht.--3) Ant. ad Pisidas, in Phrygia nabij de pisidische grens, later Caesarea (z. a. no. 7).--4) Ant. Margiana, thans Merw, in Margiane.--Ook andere steden, zooals Adana aan den Sarus, in Cilicia, Nisibis in Mesopotamia, Edessa, hebben tijdelijk den naam Antiochia gedragen.

Antiochis, Antiochis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd. De meeste van de demen, die er toe behoorden, lagen in het oosten van Attica.

Antiochus, Antiochos, 1) veldheer van Philippus van Macedonië, vader van Seleucus Nicator.--2) Ant. I, Soter bijgenaamd na eene overwinning op de Galliërs behaald, zoon en opvolger van Seleucus Nicator, geb. 324, regeerde van 281-261, maar voor dien tijd was hij reeds sedert 293 mederegent zijns vaders geweest, en had toen het oostelijk gedeelte van het groote Seleucidenrijk bestuurd. Verliefd op zijne stiefmoeder Stratonice en die liefde voor hopeloos houdende, werd hij ernstig ziek, maar toen zijn vader de oorzaak zijner ziekte vernomen had, stemde hij in het huwelijk met Stratonice toe (293). Gedurende zijne regeering had hij dikwijls met de Galliërs te kampen, die hij meermalen overwon, maar eindelijk sneuvelde hij in een slag tegen hen bij Ephesus, 261. Ook tegen Eumenes I van Pergamus voerde hij oorlog, maar zonder gevolg.--3) Ant. II, na de verdrijving van den milesischen tyran Timarchus Theos bijgenaamd, zoon en opvolger van Ant. I. Een ongelukkige oorlog, dien hij tegen Aegypte voerde, eindigde daarmede, dat hij zijne gemalin Laodice verstiet, Berenice, de dochter van Ptolemaeus Philadelphus, tot vrouw nam (250), en beloofde dat, wanneer uit dit huwelijk een zoon geboren werd, deze hem zou opvolgen. Toen echter na den dood van Ptolemaeus Laodice teruggeroepen werd, vergiftigde zij hem, Berenice en hun kind (246). Onder zijn regeering begonnen één voor één de oostelijke provinciën van het Seleucidenrijk af te vallen en maakten zich onafhankelijk. Zie Arsaces.--4) Ant. Hierax, jongere zoon van Ant. II, betwistte zijn broeder Seleucus II de regeering; na verscheidene nederlagen moest hij vluchten en werd hij na vele omzwervingen door roovers gedood (227).--5) Ant. III de Groote, geb. 242, zoon van Seleucus II Callinicus, kwam, na de korte regeering van zijn broeder Seleucus III Ceraunus, in 223 aan de regeering (223-187). In 219 begon hij een oorlog tegen Ptolemaeus Philopator, die hem Phoenicië en Coele-Syrië ontnomen had, maar opstanden van verschillende stadhouders in het Oosten, die gedeeltelijk door Ptolemaeus ondersteund werden, beletten hem den oorlog met kracht te voeren. Eerst in 217 had hij alle binnenlandsche vijanden overwonnen en konde hij zich weder tegen Aegypte wenden, hij verloor echter den slag bij Raphia en werd genoodzaakt vrede te sluiten. In 209 ondernam hij een oorlog tegen de Parthen en Bactriërs, dien hij met geluk voerde, ofschoon hij hen niet konde onderwerpen; sedert dien oorlog werd hij "de Groote" bijgenaamd. Na den dood van Ptolemaeus IV Philopator (z. Ptolemaeus no. 8) (205), die door een zoon van nog geen 5 jaar opgevolgd werd, meende Ant. dat de kans schoon was om zijn verloren gebied te hernemen, en verbonden met Philippus III van Macedonië slaagde hij inderdaad hierin door de overwinning bij Panion aan den Jordaan (200). waarop een vrede volgde, die later door het huwelijk van zijne dochter Cleopatra met Ptolemaeus Epiphanes bevestigd werd. Door de Romeinen misleid, die hem van een krijgstocht tegen Eumenes van Pergamus hadden teruggehouden, besloot hij Philippus in den oorlog tegen hen te ondersteunen; hij stak naar Europa over (196), maar vond den oorlog reeds ten gunste der Romeinen beslist, die nu van hem eischten, dat hij de reeds bezette steden aan den Hellespont en in de Chersonesus zoude ontruimen en aan Ptolemaeus het veroverde land zoude teruggeven. Door deze eischen verbitterd en door Hannibal, die uit Carthago tot hem gevlucht was, tegen de Romeinen opgezet, bereidde hij zich tot den oorlog voor, en toen eindelijk zijne hulp door de Aetoliërs ingeroepen werd, trok hij met een groot leger naar Griekenland (192); hier vond hij echter weinig steun, terwijl hij de raadgevingen van Hannibal niet opvolgde, Philippus door zijn overmoedig gedrag beleedigde en geruimen tijd werkeloos op Euboea bleef. In 191 werd hij door M'. Acilius Glabrio bij de Thermopylae verslagen en zag hij zich genoodzaakt naar Azië terug te keeren. Met zijn vloot was hij niet gelukkiger, zoodat L. Cornelius Scipio, na een groote overwinning ter zee bij Myonnesus, in Azië kon landen en Ant. in den slag bij Magnesia aan den Sipylus zulk een nederlaag toebracht, dat hij om vrede moest vragen (190); deze werd hem gegeven, maar ten koste van al het land aan deze zijde van den Taurus, al zijne oorlogsschepen en olifanten en eene oorlogsbelasting van 15000 talenten. Toen Ant. nu in zijne geldverlegenheid een inval in het land der Elymaeërs deed en daar een tempel van Zeus plunderde, werd hij door het volk gedood (187).--6) Ant. IV Epiphanes (spottend noemden velen hem epimanes, zoon van Ant. III, volgde in 175 zijn broeder Seleucus Philopator op, nadat hij 14 jaar te Rome als gijzelaar had doorgebracht. Ook hij begon spoedig een oorlog tegen Aegypte, en bemachtigde ook weder Phoenicië, Palaestina en Coele Syrië; ook in Aegypte zelf, waar twee broeders elkander de regeering betwistten (z. Ptolemaeus no. 10), drong hij door, eerst om een van hen te helpen, en toen zij zich later verzoend hadden, als vijand van beiden. Reeds was hij met zijn leger Alexandrië genaderd, toen de rom. gezant C. Popillius Laenas hem het bevel van den senaat kwam brengen den oorlog te staken en Aegypte te verlaten, aan welk bevel Ant., verschrikt door het ruwe optreden van den gezant, (z. Popilii no. 3) gehoorzaamde (168). Den Joden trachtte hij tevergeefs den griekschen godsdienst op te dringen, zijne wreede vervolgingen dreven hen integendeel tot openlijken opstand, en aangevoerd door de heldhaftige Maccabaeërs, wisten zij zich zelfs tegen het leger van Ant. staande te houden. In 165 stierf Ant. te. Tabae in Perzië.--7) Ant. V Eupator, zoon van den vorigen, was bij den dood van zijn vader nog zeer jong. De veldheer Lysias en de gunsteling van Ant. IV, Philippus, betwistten elkander met de wapenen de voogdij over den knaap, maar nauwelijks had Lysias zijn tegenstander overwonnen, toen Demetrius, zoon van Seleucus Philopator, die tot nu toe als gijzelaar te Rome geweest was, de regeering kwam opeischen, Ant. en Lysias gevangen nam en hen ter dood liet brengen (162).--8) Ant. VI Theos, zoon van Alexander Balas, wierp zich in 144 tegen Demetrius Nicator als koning op en maakte zich bijna van het geheele rijk meester; hij werd echter in 142 vermoord door Tryphon, die toen zelf den troon besteeg.--9) Ant. VII Sidetes (te Side opgevoed) verdreef Tryphon (137), dwong den joodschen vorst Johannes Hyrcanus tot onderwerping (132) en sneuvelde in een slag tegen de Parthen (129).--10) Ant. VIII Philometor of Grypos (haviksneus) moest na den dood van zijn vader, Demetrius Nicator, eenige jaren met diens tegenstander, Alexander Zabina (z. Alexander no. 12), om de regeering strijd voeren; eindelijk verjoeg hij hem door de hulp van Aegypte. Later (sinds 117) betwistte zijn halfbroeder, Ant. Cyzicenus, hem de regeering; eer deze langdurige twist beslecht was, werd Ant. vermoord (97). Deze broedertwisten en die der volgende vorsten zijn grootendeels de oorzaak van het verval en den ondergang van het rijk der Seleuciden geworden.--11) Ant. IX Kyzikenos (hij had te Cyzicus gewoond) moest na den dood van Ant. VIII den oorlog tegen diens zoon, Seleucus Epiphanes voortzetten en sneuvelde reeds in 95.--12) Ant. X Heusebes, zoon van Ant. IX, overwon Seleucus Epiphanes, versloeg bij den Orontes (94) Antiochus Philadelphus en Philippus, twee andere zonen van Ant. Grypus, die een opstand tegen hem verwekt hadden, en sneuvelde in een slag tegen de Parthen (na 83).--13) Ant. XI Philadelphos, z. no. 12. Na den ongelukkigen slag aan den Orontes verdronk hij op de vlucht in die rivier (94).--14) Ant. XII Lionysos vatte de wapenen op tegen zijn broeder Philippus (86), maar sneuvelde spoedig in den strijd tegen een arabischen volksstam.--15) Ant. XIII Asiaticus, zoon van Ant. X, de laatste der Seleuciden. Nadat het syrische rijk sedert den dood van Ant. XII bij Armenië ingelijfd was geweest, werd het door Lucullus hersteld en Ant. XIII op den troon geplaatst (68). Pompeius ontnam hem echter weldra de regeering weder en maakte Syrië tot een rom. provincie (64). Deze Antiochus is het, die als prins op zijn reis van Rome naar Antiochia door Verres te Syracuse beroofd werd.--15a) Antiochus I, koning van Commagene, zoon van Mithradates I van Commagene, regeerde 69-34. Hij hielp Pompeius met troepen tegen Caesar; hij stierf kort voor 31.--16) Ant. II, koning van Commagene, die wegens een moord door Augustus met den dood gestraft werd (29).--17) Ant. III, koning van Commagene, die in 17 na C. stierf, waarop zijn rijk tot 38 een rom. provincie werd.--18) Ant. IV Epiphanes, kreeg in 38 n. C. van Caligula weder de regeering over Commagene; hij hielp Nero tegen de Parthen en Vespasianus tegen de Joden, in 72 rezen er echter vermoedens tegen hem en werd hem de regeering ontnomen. Commagene werd weder ingelijfd en met Syria vereenigd.--19) stuurman onder Alcibiades, die hem tijdelijk het bevel over de vloot opdroeg. In strijd met zijne bevelen, gaf Ant. door zijne roekeloosheid aanleiding tot het ongelukkige zeegevecht bij Notium, waarin Lysander de atheensche vloot op de vlucht joeg en 15 schepen buit maakte (407).--20) Ant. van Syracuse, ouder tijdgenoot van Thucydides, schreef eene geschiedenis van Italië en Sicilië, die met lof genoemd wordt.--21) Ant. van Ascalon, leerling van Philo no. 6, stichter der zoogen. vijfde academie, die de leer der academie met die der stoa tracht in overeenstemming te brengen. Hij erkent, dat de deugd voldoende is voor een gelukkig leven, maar beweert dat voor eene vita beatissima nog andere dingen noodig zijn. Cicero en Varro behoorden tot zijne leerlingen.

Antiope, Antiope, 1) dochter van Asopus of van Nycteus, om hare schoonheid door Zeus bemind, wien zij Amphion en Zethus baarde. Toen zij gevoelde dat zij moeder worden zoude, vluchtte zij uit vrees voor den toorn van haar vader naar Sicyon. Nycteus doodde zich uit verdriet hierover, en droeg aan zijn broeder Lycus op hem te wreken. Deze haalde Ant. terug, die intusschen met Epopeus, koning van Sicyon, gehuwd was, en gaf haar als slavin aan zijne gemalin Dirce, die haar twintig jaren lang de wreedste behandeling liet ondergaan. Eindelijk vluchtte zij naar hare zonen, die op Dirce wraak namen (z. Amphion), maar daardoor het misnoegen van Dionysus opwekten; deze liet Ant. in waanzin rondzwerven, totdat Phocus, een kleinzoon van Sisyphus, haar genas en tot vrouw nam.--2) z. Amazones. Zij werd bij Theseus moeder van Hippolytus. In den strijd dien de Amazonen tegen Athene voerden, werd Ant. gedood, of v. a. wist zij een vrede te bewerken.

Antipater, Antipatros, 1) een van de veldheeren van Philippus van Macedonië. In die hoedanigheid had hij zooveel bewijzen van bekwaamheid en trouw gegeven, dat Alexander hem gedurende zijne buitenlandsche veldtochten als stadhouder van Macedonië en Griekenland achterliet. Ook deze betrekking bekleedde hij met roem, hij dempte een opstand der Thraciërs en versloeg de Lacedaemoniërs, die onder Agis II Griekenland van de macedonische heerschappij trachtten te bevrijden, in den slag bij Megalopolis (330). In 324 riep Alexander, ongeduldig geworden door de herhaalde klachten van zijne moeder, die steeds met Ant. in onmin was, hem naar Azië, maar door zijn spoedig daarop gevolgden dood bleef dit bevel onuitgevoerd, vandaar het verhaal dat Ant. Alex. door vergif zou hebben laten dooden. Terstond na den dood van Alexander vereenigden de Grieken zich weder om zich van Macedonië los te maken; Ant. werd in Lamia ingesloten (323), maar de komst van Leonnatus noodzaakte de belegeraars hem uit de stad te laten trekken, en door Craterus geholpen, versloeg hij het grieksche leger bij Crannon en maakte daarmede aan den oorlog een einde (322). Tegen het streven van Perdiccas om zich van de regeering over het geheele rijk meester te maken, vereenigde zich Ant. met Antigonus, Craterus en Ptolemaeus, en toen Perdiccas vermoord was, werd hij tot rijksbestuurder benoemd (320). In het volgende jaar stierf hij, nadat hij Polyperchon als zijn opvolger had aangewezen.--2) kleinzoon van den vorigen, zoon van Cassander, werd in 296 koning van Macedonië. Hij doodde zijne moeder Thessalonica, omdat hij meende dat zij zijn broeder Alexander begunstigde; deze verjoeg hem daarop met de hulp van Demetrius Poliorcetes; hij vluchtte naar zijn schoonvader Lysimachus, die hem in 287 liet ter dood brengen.--3) Ant. van Tarsus, opvolger van Diogenes den Babyloniër als hoofd der stoicijnsche school. Hij leefde in het midden van de 2de eeuw. Hij was de leermeester van Panaetius.--4) Ant. van Tyrus, hoofd der stoicijnsche school, leermeester en vriend van den jongen Cato, stierf te Athene omstreeks 45.--5) Caelius Ant. z. Caelii no. 1.

Antiphanes, Antiphanes, geb. op Rhodus, een geestig en bekwaam attisch blijspeldichter, wien 260 stukken worden toegeschreven. Zijne eerste werken verschenen omstreeks 387.

Antiphates, Antiphates, de wreede vorst der Laestrygonen, die een van de gezellen van Odysseus verslond, en elf van diens schepen door zijn volk liet verbrijzelen, zoodat slechts één schip konde ontkomen. Zijn naam wordt soms spreekwoordelijk voor een wreedaard gebruikt.

Antiphilus, Antiphilos, 1) schilder, tijdgenoot van Apelles.--2) na den dood van Leosthenes (323) aanvoerder van het grieksche leger in den lamischen oorlog.

Antiphon, Antiphon, 1) geb. te Athene omstreeks 480. Hij ontving van zijn vader Sophilus, een sophist, het eerste onderwijs in de welsprekendheid, waarin hij later uitmuntte, zoodat hem in den alexandrijnschen canon der attische redenaars de eerste plaats gegeven werd. Slechts eenmaal trad hij zelf als redenaar op, en wel om zichzelven te verdedigen. Daar hij n.l. ijverig deelgenomen had aan de invoering van de regeering der 400, werd hij, nadat de democratie hersteld was, door Theramenes van hoogverraad aangeklaagd en in weerwil van zijn meesterlijke verdediging ter dood veroordeeld (411). Hoewel wegens zijn aristocratische gezindheid niet populair, was hij zeer gezocht als schrijver van pleitredenen (logographos). Van deze zijn drie bewaard gebleven; bovendien hebben wij nog van hem twaalf ontwerpen van redevoeringen, verdeeld in drie tetralogieën, ieder bevattend aanklacht, verdediging en beiderzijdsche replieken in een gefingeerde moordzaak. Hij gaf ook onderwijs in de redekunst en schreef eene techne rhetorike, die verloren is.--2) treurspeldichter, die eerst te Athene en later aan het hof van den tyran Dionysius leefde; hij hielp dezen bij het maken zijner treurspelen, maar werd wegens zijne vrijmoedigheid gedood.

Antipolis, Antipolis, stad op de Zuidkust van Gallia Narbonensis, nabij de grenzen van Italië, thans Antibes.

Antiquo. Bij het stemmen in de volksvergadering over wetsvoorstellen beteekende de letter A: antiquo = ik ben voor het oude, dus: ik ben tegen het voorstel.

Antirrhium en Rhium, Antirrion en Rhion, twee kapen tegenover elkander, de eerste ten N., de andere ten Z., aan de invaart der corinthische golf.

Antissa, Antissa, havenstad aan den N. W. kant van Lesbus.

Antisthenes, Antisthenes, Athener, geb. omstreeks 444 en gestorven op den leeftijd van 70 jaar. Nadat hij in zijne jeugd van den sophist Gorgias onderwijs had gehad en later zelf sophistisch onderwijs had gegeven, leerde hij Socrates kennen en bleef hij tot diens dood zijn leerling. Na dien tijd trad hij weder als leeraar op en stichtte hij eene nieuwe school, die de cynische genoemd wordt naar het gymnasium Cynosarges, waar hij onderwijs gaf. Zijne vrij eenzijdige opvatting van de leer van Socrates was, dat de deugd voldoende is voor een gelukkig leven, dat zij bestaat in het onafhankelijk zijn van behoeften en in het vermijden van het kwaad, dat genot op zichzelf een kwaad is, omdat het ongeschikt maakt te streven naar het bereiken van deugd. Door zijne leefwijze, waarin hij deze leer streng in praktijk bracht, en door zijne overredingskracht verwierf hij zich vele aanhangers. Van zijne talrijke geschriften zijn twee onbeduidende werkjes bewaard gebleven, aan welker echtheid door velen getwijfeld wordt.

Antistii, een plebejisch geslacht. 1) P. Antistius, op last van den jongen Marius omgebracht (82), was een goed redenaar en pleiter.--2) Pacuvius Antistius Labeo, een van Caesars moordenaars, bracht na den slag bij Philippi zich zelf om.--3) M. Antistius Labeo, zoon van no. 2, vurig republikein, weigerde het consulaat, hem door Augustus aangeboden. Hij was een groot rechtsgeleerde en stichtte eene beroemde school, die den geest der wetten van het oude Rome huldigde. (Zie Proculi no. 2.) Tegenover zijne philosophische richting stond de historische richting van den niet minder beroemden Ateius Capito.

Antitaurus, Antitauros, bergketen, die zich van den Taurus afscheidt en zich midden door Armenia minor in N. O. richting uitstrekt.

Antitimasthai z. timema no. 3.

Antium, Antion, oude stad in Latium, op eene ver vooruitspringende landtong gesticht en door zeeroof zeer berucht. Toen na den koningstijd de Volsci de vlakte ten W. van hun bergen veroverden, kwam Antium in hun bezit, en werd nu hoofdstad van het Volscische land, en handelsconcurrent van Ostia. In 340 sloot het zich bij de afgevallen latijnsche steden aan, en moest in 338 zich overgeven en zijne vloot uitleveren, terwijl eene nieuwe kolonie er heen gezonden werd. De snebben der zes overgeleverde schepen werden als zegeteeken aan het spreekgestoelte op het romeinsche forum bevestigd (rostra). Sedert werd Antium volkomen machteloos gehouden; doch tegen het einde der republiek was het een geliefkoosd verblijf der romeinsche grooten, die hier paleizen en buitenverblijven hadden. Onder de tempels was vooral de Fortuna-tempel beroemd door een orakel (sortes Antiatinae). Antium was de geboorteplaats van de keizers Caligula en Nero.

Antomosia, de eed, waarmede de aanklager en de aangeklaagde in een proces hunne verklaringen bekrachtigen.

Antoniae (leges), van den drieman M. Antonius, 44. Het eerste tweetal der hieronder genoemde wetten werd nog bij Caesars leven aangenomen, de overige na zijn dood. 1) lex de Quinctili mense Iulio appellando, ter eere van Caesar (zie annus).--2) dat aan de circensische spelen ter eere van Caesar een vijfde dag zou worden toegevoegd.--3) de dictatura in perpetuum tollenda, tot afschaffing der dictatuur.--4) lex agraria zie agrariae (leges).--5) lex iudiciaria tot wederinvoering eener derde decuria van rechters, zonder census (zie iudex).--6) lex de provocatione, dat zij, die de vi en de maiestate veroordeeld waren, in hooger beroep bij het volk konden komen (zie provocatio).--7) lex de provinciis, waardoor het stadhouderschap over de consulaire provinciën op 6 jaar werd vastgesteld.--8) lex de provinciarum permutatione, dat o.a. Antonius in plaats van Macedonia Gallia Cisalpina zou krijgen, dat aan D. Brutus ontnomen werd, terwijl C. Antonius (z. Antonii no. 5) Macedonia kreeg.--9) lex de actis Caesaris confirmandis, waarbij alle verordeningen van Caesar rechtsgeldig werden verklaard.

Antonii. 1) M. Antonius orator, een der beste redenaars van zijn tijd, die in Cicero's werk de oratore een der hoofdpersonen van het gesprek is. In 143 geboren, was hij in 99 consul, in 97 censor. In den burgeroorlog koos hij de partij van Sulla en werd in 87 op last van Marius en China omgebracht, waarna zijn hoofd op de rostra werd tentoongesteld. Hij was de grootvader van den lateren triumvir.--2) M. Antonius Creticus, zoon van no. 1, voerde, althans in naam, in 74 als propraetor oorlog tegen de zeeroovers. Hoewel met buitengewone macht bekleed, voerde hij weinig meer uit, dan dat hij Sicilia plunderde. Een aanval op Creta mislukte; Antonius leed eene schandelijke nederlaag, die hem den spotnaam Creticus bezorgde, en stierf van hartzeer in 71.--3) O. Antonius, bijgenaamd Hybrida, ook een zoon van no. 1, was in 63 Cicero's ambtgenoot in het consulaat. Hij was sinds 87 met Sulla in Asia, pleegde op den terugweg rooverijen in Griekenland, wist met Sulla's vogelvrijverklaringen zijn voordeel te doen, doch werd in 70 om zijne roofzucht uit den senaat gezet door de censoren L. Gellius Poplicola en Cn. Cornelius Lentulus Clodianus. Hij was in het geheim deelgenoot van Catilina's samenzwering, doch Cicero wist hem door eene ruiling van provinciën daarvan af te trekken. Antonius trok echter niet zelf tegen Catilina op, maar zond, onder voorwendsel van voeteuvel, zijn legaat A. Petreius. Als proconsul van Macedonia leed hij eene nederlaag tegen de bergvolken, en werd in 59 aangeklaagd en niettegenstaande de verdediging van Cicero veroordeeld. De punten van aanklacht, en de quaestio, waarbij de aanklacht in behandeling kwam, staan niet vast. Hij ging naar het eiland Cephallenia, eene civitas libera, in ballingschap, maar werd in 44 door Caesar teruggeroepen.--4) M. Antonius, zoon van no. 2, werd in 82 geb., diende onder A. Gabinius in 58-55 in Syria en sloot zich in 54 bij Caesar aan, door wiens toedoen hij in 52 quaestor en in 50 augur en volkstribuun werd. Bij de toenemende spanning tusschen Caesar en Pompeius was hij een ijverig kampioen voor Caesar en trotseerde de woede van diens vijanden in den senaat, zoo zelfs, dat hij en zijn medetribuun Cassius vermomd uit Rome moesten vluchten (Jan. 49). Dit was voor Caesar een voorwendsel om den oorlog te beginnen. Toen Caesar bezit van Rome had genomen en naar Hispania vertrok, liet hij Antonius als legatus pro praetore in Italia achter. In den slag bij Pharsalus (48) voerde Antonius het bevel over den linkervleugel van Caesars leger. Later geraakte hij echter met Caesar in onmin, doch verzoende zich in 45 met hem en werd in 44 consul. Hij was het ook, die aan Caesar (15 Febr. bij het feest der Lupercalia) den koningsdiadeem aanbood. Zijn eigenlijke rol begon hij na Caesars dood te spelen. Hij wilde de erfgenaam worden van Caesars macht, maakte zich meester van Caesars papieren, wond door eene hartstochtelijke lijkrede het volk op, en wist van den senaat de wettigverklaring te verkrijgen van alle besluiten en verordeningen, die nog onder Caesars nagelaten papieren gevonden werden. Antonius bracht nu allerlei beschikkingen voor den dag, waarmede hij zelfs handel dreef. In plaats van de provincie Macedonia, die aan M. Brutus ontnomen, en hem toegewezen was, verlangde hij van den senaat Gallia Cisalpina, doch deze, meer en meer verbitterd en aangevuurd door Cicero's zoogen. philippische redevoeringen, weigerde, waarop Antonius eene wet uitlokte, waarbij D. Junius Brutus als stadhouder van Cisalpina door hem vervangen werd. Intusschen was, zeer te onpas voor Antonius, Caesars neef en aangenomen zoon Octavianus op het tooneel verschenen. Een derde persoon was M. Aemilius Lepidus, die als Caesars magister equitum op den dag van diens moord aan het hoofd van een leger stond, dat naar Hispania zou uittrekken. Toen nu Antonius tegen D. Brutus was opgetrokken en dezen in Mutina (Modena) belegerde, zond de senaat een leger uit onder de beide consuls C. Vibius Pansa en A. Hirtius en den negentienjarigen Octavianus. Antonius werd verslagen (43); Hirtius en Pansa kwamen in den strijd om. Antonius, inziende dat hij Octavianus te licht had geteld, verbond zich met Lepidus en verzoende zich vervolgens met Octavianus. Toen kwam het driemanschap tot stand; onder den naam van triumviri reipublicae constituendae lieten zich de drie bondgenooten voor den tijd van vijf jaren met alle gezag bekleeden. Hun eerste zorg was de uitroeiing der republikeinsche partij. Meer dan 2000 ridders en senatoren werden vogelvrij en hunne goederen verbeurd verklaard. Onder de slachtoffers was ook Cicero, tegen wien Antonius een doodelijken haat koesterde, zoowel om diens hevige bestrijding, alsook omdat Antonius' stiefvader, P. Cornelius Lentulus Sura, als eedgenoot van Catilina, op Cicero's last ter dood was gebracht. Na vervolgens met Octavianus het republikeinsche leger onder Brutus en Cassius bij Philippi in Macedonia te hebben verslagen (Nov. 42), begaf Antonius zich naar Azië en leerde te Tarsus in Cilicia de schoone Cleopatra kennen, die hij weldra naar Aegypte volgde (herfst van 41). Inmiddels zocht zijne gemalin Fulvia in Italië het gezag van Octavianus te ondermijnen en zette haren zwager L. Antonius tot een oorlog aan (bellum Perusinum 41), terwijl Sex. Pompeius met eene vloot den korenaanvoer naar Rome onderschepte en vasten voet in Italië en op de nabijgelegen eilanden zocht te verkrijgen. Antonius, hoewel bedreigd door een inval van de Parthen, begaf zich naar Italië, doch weifelde, of hij zich bij Sex. Pompeius zou aansluiten of niet. Onder den drang der verschillende legers kwam toen te Brundisium (Sept. 40) en later met Pompeius te Misenum (39) de vrede tot stand. Antonius kreeg het Oosten, Octavianus het Westen, Lepidus Africa, Pompeius Sicilia, Sardinia, Corsica en de Peloponnesus. Daar Fulvia inmiddels overleden was, sloot Antonius een tweede huwelijk met Octavianus' zuster Octavia. Het triumviraat werd in den herfst van 37 te Brundisium voor vijf jaren (tot einde 33) hernieuwd. Toen echter S. Pompeius vermoord (36) en Lepidus op zijde gezet was, kon de band tusschen Octavianus en Antonius niet lang meer bestaan. In de armen van Cleopatra vergat Antonius zijne vrouw, de edele Octavia, en zijne waardigheid. Steeds tot genot en uitspattingen geneigd, werd hij nu een schandvlek voor den romeinschen naam. Aan Cleopatra en hare kinderen schonk hij provinciën, de pergameensche bibliotheek werd naar Alexandrië overgebracht; hij gaf het ongehoorde feit te aanschouwen, dat hij binnen deze stad een triomftocht hield over den onttroonden koning Artavasdes van Armenia (34); hij bedreigde ook rechtstreeks de belangen van Octavianus, door Caesarion, den zoon van Cleopatra en Caesar, tot erfgenaam zijns vaders te verklaren. Toen werd de breuk onvermijdelijk (begin 32). Bij Actium ontmoetten de mededingers elkander (2 Sept 31). De vloot van Antonius had bijna de dubbele sterkte van die zijner tegenpartij, die door M. Vipsanius Agrippa werd aangevoerd; doch reeds in het begin van den strijd ging Cleopatra met de aegyptische schepen op de vlucht. Antonius, die niet buiten zijn geliefde kon, volgde haar. Ten laatste, door bijna allen verlaten en misleid door een valsch bericht van Cleopatra's dood, stortte hij zich in zijn zwaard (1 Aug. 30).--5) C. Antonius, broeder van no. 4, diende als legaat onder Caesar (49) en kreeg vervolgens het stadhouderschap over Macedonia (44), dat eerst aan zijn broeder Marcus was gegeven. Macedonia was echter reeds in handen van Brutus. C. Antonius werd (begin 43) te Apollonia ingesloten en moest zich overgeven. Hij werd gevangen gehouden, maar na de vermoording van Cicero in het begin van 42 op last van Brutus gedood.--6) L. Antonius, ook een broeder van no. 4, liet zich in 41, tijdens zijn consulaat, door zijne schoonzuster Fulvia overhalen, den oorlog met Octavianus te beginnen (bellum Perusinum). Diens veldheeren M. Vipsanius Agrippa en Q. Salvidienus Rufus sloten hem echter binnen Perusia op. Door honger gedwongen moest de stad zich overgeven (winter van 41/40). Octavianus schonk aan L. Antonius genade en benoemde hem zelfs tot praetor in Hispania. Zijn verdere levensloop is niet bekend.--7) M. Antonius, zoon van no. 4 uit diens huwelijk met Fulvia, werd in 30, na den dood van zijn vader, door Octavianus ter dood veroordeeld. Bij de Grieksche schrijvers heet hij gewoonlijk Antyllos.--8) Iulus Antonius, jongere zoon van no. 4 en Octavia, werd door Augustus vriendelijk behandeld en zelfs tot consul verheven (10). Later werd hij in eene liefdesgeschiedenis verwikkeld met Julia, de zedelooze dochter van Augustus, en ter dood gebracht (2); v. s. voorkwam hij zijn terechtstelling door zelfmoord te plegen.--9) L. Antonius, zoon van no. 8, stierf als balling te Massilia (Marseille) in 25 na C.--10) Antonia maior, oudste dochter van no. 4 en Octavia, huwde L. Domitius Ahenobarbus en was de grootmoeder van Nero.--11) Antonia minor, zuster van no. 10, beroemd door deugd en schoonheid, huwde met Drusus en was de moeder van Germanicus en keizer Claudius.--12) Antonia, dochter van keizer Claudius, werd door Nero ter dood gebracht (tusschen 66 en 68 n. C.).

Niet tot de familie der Antonii behooren:--13) M. Antonius Felix, vrijgelatene van Antonia minor, gehuwd met eene kleindochter van M. Antonius en Cleopatra. Onder Claudius en Nero was hij procurator van Iudaea (52-60 n. C.), dat veel van zijne hebzucht te lijden had. In 58 liet hij den Apostel Paulus gevangen nemen, en hij hield hem gevangen. Pallas, de invloedrijke vrijgelatene onder keizer Claudius, was zijn broeder.--14) Antonius Musa, lijfarts van Augustus, dien hij (23) door eene koudwaterkuur van een zware ziekte genas.--15) M. Antonius Primus, uit Gallia, diende onder Galba en koos daarna de partij van Vespasianus en versloeg de troepen van Vitellius tweemaal bij Cremona (einde Oct. 69 n. C.). Hierop (20 Dec.) nam hij Rome in en liet Vitellius smadelijk ombrengen.--16) Antonius Polemo, uit Laodicea, beroemd rhetor onder Traianus en later, stichtte te Smyrna eene rhetorenschool. Toen de jicht hem het leven ondragelijk maakte, liet hij zich doodhongeren.

Antoninus Pius, keizer van het rom. rijk werd in 86 n. C. te Lanuvium in Latium geboren uit eene familie, die uit het Zuiden van Gallia afstamde. Zijn volledige naam was T. Aurelius Fulvus Boionius Arrius Antoninus, naar zijn vader T. Aurelius Fulvus en zijne beide grootouders van moederszijde, Boionia Procilla en Arrius Antoninus. Hij werd door keizer Hadrianus tot zoon en opvolger aangenomen (begin 138) zonder dat hij evenwel diens geslachtsnaam Aelius aannam. Hij had Hadrianus innig lief en hield dezen in zijne laatste levensjaren van meer dan ééne wreede daad terug. Na 's keizers dood (10 Juli 138) verdedigde hij diens nagedachtenis in den verbitterden senaat en eerde hem ook door het stichten van tempels, hetgeen hem den bijnaam Pius bezorgde. Hij was een der beste keizers, zachtmoedig, rechtvaardig, mild, eenvoudig en huiselijk. Zijne regeering (138-161) wordt als een tijdperk van vrede en welvaart geroemd, toch zijn er ook duidelijke teekenen waar te nemen van verarming, vooral van Italië, en van verval van het rijk. Slechts een paar maal moest hij oorlog voeren, in Britannia (142), waar hij de grenzen van het rijk uitbreidde, door een nieuwen grenswal in Schotland aan te leggen (z. Vallum Antonini), en tegen de Mauren in Afrika; een oproer in Iudaea werd met weinig moeite onderdrukt. Overeenkomstig Hadrianus' verlangen nam hij M. Aelius Verus (keizer M. Aurelius) en diens broeder L. Verus tot zoons en opvolgers aan, zie Annii no. 6.

Antron, Antron, stad in Phthiotis (Thessalia), aan den mond der malische golf.

Antyllos z. Antonii no. 7.

Anubis, Anoubis, aegyptische godheid, als een jakhals of als een mensch met den kop van een jakhals voorgesteld. De Grieken maakten daarvan een hondekop, en daar hij de zielen der afgestorvenen naar de onderwereld geleidde, stelden zij hem gelijk met Hermes. Bij de Romeinen werd hij als helhond vereerd.

Anulus = Annulus.

Anxur, later Tarracina geheeten, oude stad der Volscen, aan zee en aan de via Appia gelegen, nabij de pomptijnsche moerassen, in 406 door de Romeinen veroverd, maar in 402 weer verloren gegaan, 400 weer heroverd, sedert 329 romeinsche kolonie. Op eene steile kalkrots lag het kasteel, en nabij de stad een tempel der godin Feronia.

Anytus, Anytos, rijk leerkooper te Athene, een van de leiders der democratische partij bij de verdrijving der 30, die hem verbannen hadden. Hoewel lang met Socrates bevriend, trad hij later als een van zijne aanklagers op. Waarschijnlijk werd hij later weder verbannen, hij stierf te Heraclea in Pontus.

Aoede, Aoide, z. Musae.

Aones, Aones, oude volksstam in Boeotia, in de streek Aonia, aan den Helicon. De Muzen, aan wie de Helicon geheiligd was, worden meermalen Aoniae sorores of Aonides genoemd, en de wateren der bron Aganippe Aoniae aquae. Als stamvader der Aoniërs wordt Aon, Aon, een zoon van Poseidon, genoemd.

Aornus, Aornos, naam van eenige hooggelegen plaatsen, als: 1o. stad in Bactria, 2o. bergvesting aan den Indus, ten N. van de uitmonding van den Cophen in den Indus. Zie ook Avernus lacus.

Aorsi, Aorsoi, machtig handelsvolk ten Noorden en Westen der Caspische zee.

Aous, Aoos, Aoos, rivier in het Zuiden van Illyria, die zich ten Z. van Apollonia in de ionische zee stort.

Apagoge. Te Athene had in sommige gevallen ieder, die als aanklager wilde optreden van een misdadiger, die op heeterdaad betrapt was of aan wiens schuld geen twijfel bestond, het recht den misdadiger zelf te vatten en voor den magistraat te brengen, die het proces moest leiden, meestal de elfmannen. Deze handeling heette apagoge, evenals de schriftelijke aanklacht die tegelijkertijd ingediend moest worden. Werd de aanklacht door den magistraat aangenomen, dan moest de beschuldigde drie borgen stellen of hij werd gedurende de behandeling der zaak gevangen gehouden.

Apame, Apama, Apame, 1) eerste echtgenoote van Seleucus I Nicator, moeder van Antiochus I.--2) v. s. Arsinoe geheeten, dochter van Antiochus I, echtgenoote van Magas, stadhouder van Cyrene. Na diens dood (258) ontbood zij den zoon van Demetrius Poliorcetes, om met hare dochter Berenice (z. a. no. 3) te trouwen, die reeds met Ptolemaeus III verloofd was. Zij werd echter zelve op Demetrius' zoon verliefd, en verwekte daardoor zooveel misnoegen bij het volk, dat het hem in hare armen doodde, en haar alle macht ontnam.

Apamea, Apameia, naam van onderscheiden steden, meest aldus geheeten naar Apama, de echtgenoote van Seleucus Nicator, den stichter van het Seleucidenrijk.--1) Apamea ad Orontem, vroeger Pella geheeten, door Seleucus vergroot en verfraaid, waarnaar het omliggende landschap Apamene werd geheeten.--2) Apamea Cibotus (he Kibotos = kast, stapelplaats), de belangrijkste stad van Groot-Phrygia, in de onmiddellijke nabijheid van Celaenae gelegen.--3) Ap. in Bithynia vroeger Myrlea aan de Propontis, door Prusias I vergroot en naar zijne gemalin Apama genoemd.--Verder had men nog steden van dezen naam aan den Boven Euphraat, in Osroene, aan de samenvloeiing van Euphraat en Tigris, en in Media.

Apaturia, Apatouria, een feest dat in alle ionische staten gevierd werd. Te Athene viel het in de maand Pyanepsion (Oct.-Nov.) en duurde het drie dagen, die dorpia, anarrysis en koureotis heetten. Op den derden dag werden de jonge kinderen op de lijsten der phratriën ingeschreven, na aan de leden der phratrie te zijn voorgesteld; voor ieder kind werd door den vader een schaap of bok geofferd. Gestemd werd over de opneming alleen wanneer iemand er tegen protesteerde, wat men doen kon door het offerdier van het altaar weg te leiden. Op den derden dag gaven ook jongens, die de school bezochten, proeven van hunne vorderingen, vooral in het declameeren; zij die daarin uitmuntten kregen prijzen.

Apeleutheros, vrijgelaten slaaf. Slaven, die aan den staat een of anderen gewichtigen dienst bewezen hadden, werden dikwijls van staatswege tegen vergoeding aan hun heer vrijgelaten. Had een slaaf geld om zich zelf vrij te koopen, waartoe de toestemming van den heer noodig was, dan was daarbij de medewerking van een burger noodig; meestal trad een priester als tusschenpersoon op. Natuurlijk stond het den heer vrij zijne slaven ook zonder losprijs de vrijheid te geven. Aan de vrijlating waren dikwijls zekere voorwaarden verbonden, z. apostasiou dike.

Apeliotes, Apeliotes, de Oostenwind. Zie Windstreken.

Apella, naar het schijnt, een te Rome veelvuldig voorkomende of althans zeer bekende jodennaam.

Apelles, Apelles, de beroemdste schilder der oudheid (356-308), geb. te Colophon of te Ephesus, leerling van Pamphilus. Zijne werken muntten uit door waarheid en bevalligheid, vooral in de laatste eigenschap was hij onovertroffen. Alex. d. G. schatte hem zeer hoog; onder de vele portretten die hij van dien vorst schilderde, was vooral beroemd de "bliksemslingerende Alexander", die in den tempel van Artemis te Ephesus hing. Als het meesterstuk van Ap. gold de Aphrodite Anadyomene (z. Anadyomene).

Apellicon, Apellikon, van Teos, vond omstreeks 100 een aantal onuitgegeven handschriften van Aristoteles en bezorgde een uitgave daarvan. Bij de inneming van Athene (87) viel zijn kostbare bibliotheek in handen van Sulla, die haar naar Rome overbracht.

Apenninus mons, Apenninos, de Apennijnen, de bekende bergketen, die Italië doorsnijdt. V. s. beter Appenninus.

Apex, een met wol omwonden olijftakje, dat op de punt der vilten priestermuts was bevestigd (zie albogalerus). Ook wordt het woord wel voor het geheele hoofddeksel gebezigd. Soms wordt apex gebruikt voor de spits toeloopende tiara der perzische koningen en beteekent in figuurlijken zin de kroon, het teeken der hoogste waardigheid.

Aphaca, ta Aphaka, stad in Phoenice, op de helling van den Libanon, met een tempel en een orakel van Aphrodite.

Aphaea, Aphaia, eene aan de Cretensische Dictynna verwante godin, die op Aegina vereerd werd. Aan haar was de beroemde tempel gewijd, waarvan het beeldhouwwerk in München bewaard wordt. De naam wordt afgeleid van het verdwijnen der godin, toen Andromedes, een visscher die haar van Creta overgebracht had, haar met zijn liefde vervolgde. Zie Britomartis.

Aphaireseos dike. Wanneer een slaaf weggeloopen was, dan konde zijn heer of ieder ander belanghebbende hem vatten waar hij hem vond, en naar zijn huis medenemen. Tegen dengene, die zich daartegen verzette, konde de aphair. d. ingebracht worden, en wanneer hij in het ongelijk gesteld werd, moest hij den aanklager eene schadevergoeding en den staat eene boete betalen.

Aphamiotai = klarotai.

Apharetidae, Apharetidai, Idas en Lynceus, de zonen van Aphareus, koning van Messenië, namen deel aan de calydonische jacht en aan den tocht der Argonauten. Zij waren met de Dioscuren opgegroeid, maar kregen eens twist met hen over de verdeeling eener kudde, of om de dochters van Leucippus, die met de Apharetiden verloofd waren en door de Dioscuren ontvoerd werden. Het kwam tot een gevecht, waarbij Castor door Idas, Lynceus door Polydeuces verslagen werd. Idas werd daarop echter door Zeus met den bliksem gedood. Hun graf werd later te Sparta getoond.

Aphareus, Aphareus, 1) zoon van Perieres, vader der Apharetidae.--2) zoon van den sophist Hippias, door Isocrates als zoon aangenomen, redenaar en treurspeldichter. Hij schreef 37 treurspelen, waarvan 4 den eersten prijs behaalden. Zijne werken vallen tusschen 369 en 342.

Aphetae, Aphetai, stad in Zuid-Thessalia, ten O. van de invaart in de Pagasaeische golf.

Aphetoi hemerai heetten te Athene dagen, waarop geene raadsvergaderingen of rechtszittingen gehouden werden, zooals feestdagen en aopophrades hemerai.

Aphidna, Aphidnae, Aphidna, Aphidnai, versterkte stad in Attica, ten N. van Marathon gelegen. Toen Theseus met Pirithous naar de onderwereld ging, gaf hij Helena en Aethra aan zijn vriend Aphidnus, die te Aphidna woonde, ter bewaring. De Dioscuren namen de stad in en voerden de beide vrouwen weg.

Aphrodisia, ta Aphrodisia, feesten ter eere van Aphrodite door geheel Griekenland en het plechtigst te Paphus op Cyprus gevierd.

Aphrodisias, Aphrodisias, naam van steden, aan Aphrodite geheiligd. 1) In Caria, met een prachtigen tempel, waarvan nog overblijfselen aanwezig zijn. In den burgeroorlog omhelsde de stad de zaak van Caesar en werd eene civitas libera.--2) In Cilicia tracheia, met een ruime haven.--Ook een eiland op de kust van Cyrenaïca heette zoo.

Aphrodite, Aphrodite, Venus, dochter van Zeus en Dione, of van Uranus en Hemera of, volgens het meest bekende verhaal, uit het schuim der zee geboren en bij Cyprus geland (Aphrogeneia, Anadyomene, Kyprogeneia), oorspronkelijk godin der lente, der vruchtbaarheid en der algemeene voortplantingskracht in de natuur (Ourania), vandaar ook godin van het huwelijk, van het huisgezin en dus van de grondvesten van den staat (Pandemos), eindelijk en voornamelijk van liefde en schoonheid; deze laatste hoedanigheden traden mettertijd zoozeer op den voorgrond, dat men ook de namen Ourania en Pandemos daarmede in betrekking bracht, en haar den eersten gaf als beschermster der reine, kuische liefde en van het huwelijk, den anderen als godin van zinnelijk liefdegenot. Zij is het, die de lente met bloemen tooit en haar bekoorlijkheid verleent, die den menschen schoonheid geeft en die hun al of niet liefde voor elkaar inboezemt Epistrophia, Apostrophia. Zij wordt door de dichtkunst en de beeldende kunsten voorgesteld als een ideaal van schoonheid en lieftalligheid, Chryseie, Philomeides; zij draagt den gordel, die alle toovermiddelen der liefde bevat en die goden en menschen aan hare macht onderwerpt; steeds vergezellen haar de Horen en Chariten, Peitho, Eros, Pothus en Himerus. Haar eeredienst, hoezeer door de Grieken veredeld, bleef altijd toch nog vele sporen van oostersche afkomst vertoonen, en kenmerkte zich veelal aan den eenen kant door uitgelaten vroolijkheid, aan den anderen door buitensporige smart (zie Adonia). De duif, de haas, de dolfijn, de roos, de papaver, de myrte, de appel waren haar gewijd. In vele tempels van Aphrodite mochten geene bloedige offers gebracht worden. Hoewel gemalin van Hephaestus, maakte zij toch vele andere goden en menschen door hare liefde gelukkig; Ares, Hermes, Adonis, Anchises, e.a. Door hare verhouding tot Ares wordt zij ook in zekeren zin eene oorlogsgodin Areia, ofschoon de werken van den oorlog haar vreemd zijn en zij eenmaal, toen zij ter verdediging van Troje zelve op het slagveld verscheen, door Diomedes gewond werd. Vooral in zeeplaatsen werd zij hoog vereerd en daar men gewoon was haar om een gelukkige vaart te bidden, kreeg zij den naam van Euploia. Eindelijk had zij nog vele bijnamen naar de plaatsen waar hare heiligdommen stonden: Kypris, Paphia, Kythereia, Erykine, e.a.

Aphroditopolis, Aphrodites polis, naam van verschillende steden in Boven-, Midden- en Neder-Aegypte.

Aphthonius, Aphthonios, een sophist, die in de vierde eeuw n. C. te Antiochië leefde; hij was een leerling van Libanius en schreef een handboek der redekunst, Progymnasmata, dat nog tot de 17e eeuw bij het onderwijs gebruikt werd.

Aphytis, Aphytis, stad op het macedonische schiereiland Pallene, met een tempel van Zeus Ammon.

Apia, Apie, Apia ge, oude naam voor de Peloponnesus, afgeleid van een oud-argivisch koning Apis.

Apicius, naam van een drietal groote lekkerbekken, tijdens Sulla, Tiberius en Traianus. De tijdgenoot van Tiberius, M. Gabius Apicius, nam, toen hij het grootste deel van zijn vermogen door de keel had gejaagd, vergif in, uit vrees te moeten verhongeren, wanneer hij niet meer naar hartelust kon smullen. Op naam van Caelius Apicius bestaat nog een kookboek, uit de derde eeuw na C., de re culinaria.

Apidanus, Apidanos, rivier in Thessalia, zijtak van den Enipeus, die in den Peneus uitstroomt.

Apion, Apion, alexandrijnsch grammaticus, die onder Tiberius, Caligula en Claudius te Alexandria en Rome onderwijs gaf, een pronkerige en ijdele zwetser, vandaar Mochthos geheeten. Als hoofd van de anti-semitische partij te Alexandria, voerde hij het woord als afgezant van deze partij bij keizer Caligula (40 n. C.) (zie ook Flavius Josephus). Hoofd van de tegenpartij was Philo (z. a. no. 7). Van zijne talrijke werken is bijna niets overgebleven, want de Glossai Homerikai, die zijn naam dragen, zijn slechts een uittreksel uit een werk van hem.

Apis, Apis, 1) zoon van Phoroneus en Teledice of Laodice: hij was koning van Argos en trachtte zich van de heerschappij over de Peloponnesus meester te maken. Naar hem zou de Peloponnesus Apia (Apia ge) heeten.--2) zoon van Azan, werd bij de lijkfeesten voor zijn vader bij ongeluk door Aetolus gedood.--3) de heilige stier der Aegyptenaren, die vooral te Memphis een prachtigen tempel had, waar hij door zijne priesters op koninklijke wijze verzorgd werd en uit gouden vaatwerk at en dronk. Elk jaar was er ongeveer een maand lang te zijner eere een feest, dat met zijn verjaardag eindigde. Als hij 25 jaar oud werd, werd hij op een geheime plaats verdronken, gebalsemd en in een gouden kist bijgezet; stierf hij vroeger, dan was geheel Aegypte in rouw, totdat eene nieuwe stier gevonden was, die de vereischte eigenaardigheden van kleur enz., had; deze werd dan met groote feesten en plechtigheden naar Memphis gebracht. De Aegyptenaren meenden dat de Apis door een lichtstraal voortgebracht was en dat hij de drager was van de ziel van Osiris.

Apocleti, apokletoi, z. Aetolisch verbond.

Apodektai, ontvangers, te Athene tien ambtenaars, die de meeste staatsinkomsten moesten innen en aan de verschillende bestuursdepartementen overdragen.

Apodoti, Apodotoi, een half barbaarsche volksstam in Aetolia op de grenzen van Locris.

Apodyterium, apodyterion, ontkleedkamer in de openbare badhuizen, waar men zijne kleederen in bewaring gaf en zich na het baden weder aankleedde. In de badvertrekken begaf men zich slechts ongekleed.

Apographe, iedere officiëele opgave van personen, gelden, goederen, enz., in het bizonder: 1) kadaster ten behoeve van den census en de verdeeling in klassen aangelegd. Dit kadaster werd jaarlijks of om de twee of vier jaar naar eene nieuwe schatting vernieuwd; het was bij de demarchen in bewaring.--2) inventaris van aan den staat behoorende goederen en aanklacht tegen hen, die zulke goederen aan den staat trachtten te onthouden.

Apoikia, eene nederzetting van Grieken in een vreemd land, colonia, die een zelfstandigen staat vormt, onafhankelijk van de moederstad, in tegenstelling met emporion, handelsfactorij, die geen eigen gemeente vormde, en met klerouchia, een kolonie, waarin de burgers hun oude burgerrecht behielden. Worden de kolonisten opgenomen in een reeds bestaande stad, dan spreekt men van epoikia (z. epoikoi).

Apollinares (ludi), in den tweeden punischen oorlog ingesteld (212), om van Apollo de afwering van verdere oorlogsrampen, v. a. van ziekten te verkrijgen. Zij werden onder leiding van den praetor urbanus in den circus maximus gevierd, in Juli.

Apollinis promunturium, Apollonos akron, ook prom. pulchrum genoemd, op de kust van Africa, ten Noorden van Carthago.

Apollinopolis, Apollonos polis, naam van twee steden aan den Nijl, waar de aegyptische god Horus = Apollo bijzonder vereerd werd. De eene, maior bijgenaamd, lag boven Thebae, aan den linker oever der rivier; de andere, minor, aan den rechteroever stroomafwaarts van Thebae.

Apollo, Apollon, zoon van Zeus en Leto, geboren op Delus (Delios) aan den voet van den berg Cynthus (Kynthios), te gelijk met Artemis. Oorspronkelijk was hij een zonnegod (Phoibos, de lichte, reine); later ging deze beteekenis van Apollo nagenoeg verloren en werd hij beschouwd als de beschermer van het goede en schoone, de handhaver van wet en orde. Als zoodanig straft hij, de vertreffende boogschutter, met de pijlen van zijn zilveren boog (Hek(at)ebolos, Hekaergos, Argyrotoxos, Klytotoxos, Arcipotens, Arcitenens) de slechten en overmoedigen, maar brengt aan den anderen kant heil aan en weert het verderf af (Alexikakos, Soter). De geneeskunde, later aan zijn zoon Asclepius toegeschreven, behoorde oorspronkelijk tot zijn wezen (Akesios, Paion, Paian, Medicus). Zijne zorg strekt zich ook over het vee en de veldvruchten uit; hij beschermt niet slechts de kudden tegen de aanvallen van den wolf (Lykoktonos), maar dient ook zelf als herder (Nomios) bij Laomedon en Admetus; ook de jagers bidden hem om geluk op de jacht (Agreus). Hij voltrekt niet alleen de besluiten van Zeus, maar verkondigt den menschen ook diens wil als orakelgevend god, hoewel zijne uitspraken dikwijls voor het beperkte menschenverstand duister zijn (Loxias). Door zijn orakels heeft hij den grootsten invloed op het openbare leven der Grieken, en heeft hij vooral dikwijls den eersten stoot gegeven tot de stichting van volksplantingen (Archegetes, Ktistes); hij beschermt de openbare orde in de steden (Aguieus, Agoraios) en over het algemeen het geordende stadsleven; hijzelf heeft de muren van Troja en Megara gebouwd en tal van steden, waarvan vele naar hem Apollonia genoemd werden, beschouwden hem als haar stichter. Ook de zedelijke wereldorde staat in zekeren zin onder zijn hoede: reinigingsoffers aan Apollo gebracht ontlasten den mensch van de schuld der zonde, vooral bloedschuld, en bevrijden hem van de onvermijdelijk daaropvolgende straf; hijzelf boette het dooden van den draak Python (Pythios) of den moord der Cyclopen door geruimen tijd als herder te dienen, voordat hij zich van zijn schuld reinigen konde. Vandaar het gebruik zich op gezette tijden en in het bizonder na zware misdaden en algemeene rampen, die het bestaan van schuld doen vermoeden, door reinigingsoffers met den god te verzoenen, wat zoowel door enkele personen als door vereenigingen, ja door geheele staten gedaan werd.--Nadat Hermes de lier had uitgevonden, gaf hij die aan Ap. in ruil voor kudden, die hij hem ontvreemd had; sedert dien tijd bespeelt Ap. dit instrument in de vergaderingen der goden en daardoor wordt hij de god der muziek, later van gezang en dichtkunst, eindelijk stelt hij zich als beschermer van alle schoone kunsten aan het hoofd van de Muzen (Mousagetes). De dienst van Apollo was door geheel Griekenland verbreid; naar de verschillende plaatsen, waar hij heiligdommen en orakels had, en waarvan Delphi de voornaamste was, heet hij Amyklaios, Abaios, Ismenios, Klarios, enz. In Attica werd hij als Ap. Patroos nevens Zeus Herkeios als beschermer van het familieleven vereerd. De zwaan, de dolfijn, de wolf, de olijfboom, de palmboom en de laurier waren hem gewijd.--Door de Romeinen werd het delphische orakel reeds vroeg geraadpleegd, en onder den invloed der sibyllijnsche boeken werd de dienst van Ap. ook bij hen ingevoerd. Na de pest van 433 werd de eerste tempel voor Ap. Medicus te Rome gewijd; in 399 werden, mede bij gelegenheid van eene pest, voor het eerst lectisternia ter eere van Ap., Latona en Diana gehouden. Augustus beschouwde zich als een beschermeling van den god en geloofde dat hij door zijne gunst den slag bij Actium had gewonnen, daarom vergrootte en verrijkte hij zijn tempel op dat voorgebergte, verhoogde den luister waarmede zijne feesten daar gevierd werden en bracht die feesten ook naar Rome over; bovendien stichtte hij ook op den Palatijnschen berg een prachtigen tempel voor Ap. Palatinus.--De beelden van Ap. stellen hem gewoonlijk voor als jeugdig, hoog van gestalte, met edele trekken en schoone, golvende lokken (Akersekomes).

Apollodorus, Apollodoros, 1) Athener, wiens bloeitijd omstreeks 144 valt, stoicijnsch wijsgeer en geleerde, een zeer vruchtbaar schrijver. Zijne werken, die van wijsgeerigen en geschiedkundigen inhoud waren en waaronder eene wereldgeschiedenis in verzen, waaruit latere schrijvers veel geput hebben, zijn verloren gegaan. Een mythologisch werk onder den titel Bibliotheke, dat zijn naam draagt, is òf een uittreksel uit een werk van Ap. òf het heeft een lateren naamgenoot tot schrijver. Het is uit de 2e eeuw n. C.--2) van Pergamus, als rhetor te Apollonia onderwijzer van Octavianus, met wien hij naar Rome kwam, waar hij een eigen school stichtte.--3) twee blijspeldichters, de oudste, een tijdgenoot van Menander, van Gela, de andere geb. te Carystus; twee stukken van een van hen zijn door Terentius in het Latijn bewerkt.--4) van Tarsus, treurspeldichter.--5) van Tarsus, grammaticus.--6) beroemd atheensch schilder, omstreeks 400, een van de eersten die perspectief in hun werk brachten.--7) van Damascus, beroemd bouwmeester, die de meeste groote bouwwerken van Traianus uitvoerde; later viel hij bij Hadrianus in ongenade. Hij was ook schrijver van een werk over belegeringskunst.--8) Ephillus, stoicijn, omstreeks 100.--9) Epicurist, die meer dan 400 boeken schreef, omstreeks 140-100.

Apollonia, Apollonia, naam van verschillende steden, als 1) in het land der ozolische Locriërs;--2) op Chalcidice;--3) niet ver vandaar in Macedonia;--4) de havenstad van Cyrene, eene van de vijf steden der pentapolis Cyrenaïca;--5) op de Noordkust van Sicilia, onzeker waar;--6) op de Zuidkust van Creta;--7) in Mysia, aan het meer Apolloniatis, waardoor de Rhyndacus stroomt;--8) in Zuid-Phrygia;--9) op de kust van Palaestina;--10) in Lycia;--11) in Lydia, halverwege tusschen Sardes en Pergamum;--12) en 13) op de kust van Thracia, waarvan een aan de Strymongolf en een aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee), de laatste met een beroemden tempel en een reuzenbeeld van Apollo.--14) Het meest beroemd echter was Apollonia op de illyrische kust, aan den Aous, he kat' Epidamnon, kolonie van Corinthus en Corcyra, eene bloeiende handelsstad, uitmuntende door voortreffelijke wetten en nauwgezette handhaving van het recht en liefde voor wetenschap.

Apollonis, Apollonis = Apollonia no. 11.

Apollonius, Apollonios, 1) van Alexandrië, tijdgenoot, v.s. leerling van Callimachus, met wien hij later wegens verschil van richting in ernstigen twist geraakte. Ap. streefde n.l. er naar, den eenvoud van Homerus in zijne werken te doen herleven, terwijl de werken van Callimachus meer door geleerdheid dan door dichterlijke waarde uitmuntten. De invloed van Callimachus was echter zoo groot, dat Ap., toen hij zijn groot epos Argonautika voordroeg, geen bijval vond. Hij begaf zich daarop naar Rhodus, waar hij na lezing van zijn gedicht het burgerrecht kreeg (vandaar wordt hij Rhodius genoemd) en waar hij geruimen tijd als rhetor onderwijs gaf. Later keerde hij echter naar Alexandrië terug, en nu viel zijn werk, dat hij op Rhodus omgewerkt had, zoo in den smaak, dat hij op zeer hoogen leeftijd (± 200) tot bibliothecaris benoemd werd, welke betrekking hij tot zijn dood behield. Een ander groot werk van Ap., Ktiseis, benevens zijne kleinere gedichten zijn verloren gegaan. Zijne Argonautica werd door romeinsche dichters dikwijls nagevolgd. Bewaard gebleven is die van C. Valerius Flaccus, zie Valerii no. 41.--2) van Alabanda, omstreeks 120 leeraar der welsprekendheid op Rhodus.--3) Ap. Molon, eveneens geb. te Alabanda, gaf op Rhodus onderwijs in de welsprekendheid. In 87 en 81 kwam hij als gezant der Rhodiërs te Rome, waar Cicero toen reeds van zijn onderwijs genoot. In 78 heeft Cicero op Rhodus zijn lessen gevolgd; ook andere Romeinen, o.a. Caesar, hebben hem bezocht.--4) Ap. Sophista, alexandrijnsch grammaticus, tijdgenoot van Augustus. Het Lexikon met verklaringen van woorden uit Homerus, dat op zijn naam staat, is uit later tijd.--5) Ap. ho dyskolos, van Alexandrië, een zeer geleerd en scherpzinnig grammaticus, de eerste die taalstudie wetenschappelijk behandelde. Hij leefde eenigen tijd te Rome onder Marcus Aurelius, later keerde hij naar Alexandrië terug. Vier van zijne werken over verschillende hoofdstukken van vormleer en syntaxis zijn bewaard gebleven.--6) van Perga, reeds door de ouden "de groote wiskundige" genoemd, was 250-220 leeraar te Alexandrië en Pergamus, en schreef o.a. een werk over kegelsneden, dat nu nog wetenschappelijke waarde heeft. Ook uit taalkundig oogpunt is zijn werk van belang, omdat het het eerste werk is, dat in de Koine (z.a.) geschreven is. Hij was een leerling van Archimedes.--7) van Tyana, leefde in de 1ste eeuw n. C. Nadat hij zijn vermogen aan de armen gegeven had, trok hij als leeraar der wijsbegeerte de geheele wereld door en kwam zoowel in Indië als in Spanje en Aethiopië, tweemaal kwam hij naar Rome, eindelijk vestigde hij zich als leeraar te Ephesus, waar hij in hoogen ouderdom stierf. Zijn leer, grootendeels aan Pythagoras ontleend, maar sterk doortrokken met nieuwplatonische en oostersche begrippen, zijne vele avonturen, zijne buitengewoon strenge levenswijze en de wonderen die hij, naar men zeide, verrichtte, baarden veel opzien, zoo zelfs, dat hij in den strijd tusschen den ouden godsdienst en het Christendom menigmaal als een tegenhanger van Christus voorgesteld is. Zijne levensbeschrijving door Philostratus schijnt meer romantisch dan historisch te zijn.--8) z. Tauriscus.

Apomagdalia, broodkruimels, tot deeg gekneed, die de Grieken bij gebrek aan servetten gebruikten om zich bij het eten de vingers af te vegen.

Aponi fons of Aponus fons, badplaats met zwavelbronnen bij Patavium (Padua), ook aquae Pativinae geheeten. Er was een orakel.

Apopempein. Wanneer te Athene een man echtscheiding verlangde, behoefde hij slechts zijne vrouw met hare huwelijksgift naar het huis van haar vader of voogd terug te zenden. Dit heette apopempein, apopompe, apopempsis. Eene vrouw, die echtscheiding wenschte, verliet het huis van haar man, (apoleipein, apoleipsis), doch moest bij den archont een met redenen omkleedde schriftelijke verklaring daarvan geven (apoleipsin graphesthai). Daar ook processen apopempseos en apoleipseos vermeld worden, schijnt het dat, in weerwil van deze eenvoudige vormen, de echtscheiding niet geheel van den wil van eene der beide partijen afhing; misschien betroffen deze processen echter alleen geldzaken. Het onderscheid tusschen apopempein en apoleipein, enz., wordt niet altijd streng in het oog gehouden.

Apophasis, aangifte, aanwijzing; de aangifte van gevaarlijke personen bij den Areopagus; inventaris (z. Antidosis); ook rechterlijk vonnis.

Apophora, 1) de bijdrage, die iedere staat aan Sparta gaf, zoolang deze staat in den perzischen oorlog de hegemonie had.--2) de belasting, die de heloot aan zijn heer geven moest, bestaande in eene bij de wet bepaalde hoeveelheid gerst, wijn en olie.--3) de huur, die te Athene de slaven dagelijks aan hunne heeren betaalden, wanneer zij voor eigen rekening mochten werken.

Apophoreta, Apophoreta, lekkernijen, die de gasten van een maaltijd mede naar huis kregen, verder ook andere geschenken. Het veertiende boek epigrammen van Martialis, waarmede hij geschenken aan zijne vrienden begeleidde, draagt tot titel Apophoreta.

Apophrades hemerai, dagen die om een of andere reden voor ongeluksdagen gehouden werden, waarop geen rechtszittingen waren, en waarop men geen zaak van eenig gewicht begon. In het bizonder de dagen waarop men aan de dooden offerde.

Aporreta, verboden dingen; 1) handelsartikelen, die niet van Athene uitgevoerd mochten worden.--2) sommige scheldwoorden, waarvan men zich op boete van 500 drachmen onthouden moest.--3) godsdienstige mysteriën, die niet verraden mochten worden.

Apostasiou dike, aanklacht tegen een vrijgelatene, die zijne plichten tegenover zijn vroegeren heer niet vervulde; zulke aanklachten werden bij den polemarch ingediend. Bij veroordeeling verviel de aangeklaagde weder in slavernij, bij vrijspraak werd hij van alle verplichtingen tegenover zijn vroegeren meester ontslagen.

Apostoles, tien ambtenaren te Athene, die te zorgen hadden dat de triërarchen hunne verplichtingen als zoodanig nakwamen; zij hadden zelfs het recht hen, die daarin te kort schoten, gevangen te nemen.

Apostropeia, z. Aphrodite.

Apotheca, apotheke, magazijn of bergplaats, vooral voor fijne wijnsoorten, die reeds afgetapt waren. De apotheca was bij de Rom. meestal op de bovenverdieping van het huis, veeltijds boven de badkamer, zoo dat de rook van het vuur er in kon doordringen, waardoor de wijn en de kruiken of flesschen spoediger het merk van ouderdom kregen.

Apotheosis, apotheosis, vergoding van menschen. Het eigenlijk latijnsche woord is consecratio. Reeds vroeg geloofde men, dat helden onder de goden konden worden opgenomen en dacht men eenvoudig aan eene verplaatsing, waardoor het sterfelijk lichaam onsterfelijk werd. Later evenwel meende men, dat het stoffelijk overschot door het vuur van den brandstapel zoo werd gelouterd, dat het onsterfelijk gedeelte van het sterfelijke werd afgescheiden en opwaarts steeg naar de goden. In het historisch tijdperk nam de apotheose dezen vorm aan, dat door eene godspraak of door de uitspraak van eenig bevoegd priestercollegie aan den afgestorvene goddelijke eerbewijzen werden toegekend en altaren voor hem werden opgericht, zooals b.v. na Lycurgus' dood te zijner eer geschiedde. Eén stap verder en men deed hetzelfde voor den levende; Lysander was de eerste Griek, voor wien nog bij zijn leven altaren werden opgericht. Alexander de Groote en de Diadochen, vooral de Ptolemaeën, lieten zich als god vereeren; voor hen werden eerediensten ingesteld. In Aegypte heet de koning reeds bij zijn leven Theos, in Azië eerst na zijn dood.--De consecratio van romeinsche keizers en soms van keizerinnen had op de volgende wijze plaats, en geschiedde volgens het besluit van den senaat of van den troonsopvolger. Een wassen borstbeeld van den overledene werd plechtig zeven dagen lang in het paleis tentoongesteld. Dan werd op den campus Martius een brandstapel opgericht in den vorm van een altaar met drie of vier verdiepingen (rogus). Te midden van reukwerk werd het borstbeeld op den brandstapel geplaatst, die door den nieuwen keizer werd aangestoken. Te gelijker tijd werd van den top van den toestel een adelaar losgelaten, die de ziel des overledenen hemelwaarts moest voeren. Van nu af was hij divus. Doch de kruipende vleierij van den romeinschen senaat tegenover dwingelanden was oorzaak, dat aan sommige keizers reeds bij hun leven goddelijke vereering ten deel viel.

Apotropaios, afwerende; bijnaam dien men iederen god gaf, wanneer men hem aanriep met de bede ramp of gevaar af te wenden.

Apparitores. Onder dezen naam verstaat men de bezoldigde dienaren der rom. magistraten, als scribae, lictores, viatores, praecones en accensi. De eerstgenoemde vier soorten waren voortdurend in dienst van den staat; over de accensi z. accensus no. 1. Voor apparitores boden zich slechts mingegoede burgers of vrijgelatenen aan. De scribae of bureauschrijvers waren het meest in aanzien. Cicero noemt hen een ordo honestus.

Appellatio is het beroep op de hulp van een overheidspersoon, om door zijne tusschenkomst (intercessio) beveiligd te worden tegen een dreigend onrecht. De intercessio kon aangewend worden tegen alle overheden van gelijken of minderen rang, en door de volkstribunen tegen alle andere overheden behalve den dictator. De appellatio moet wel onderscheiden worden van de provocatio of het beroep op de volksvergadering als hoogsten rechter. Onder de keizers ontstond eene reeks van lagere en hoogere rechtbanken en dus ook van appellen in verschillende instanties, terwijl ten slotte de keizer zelf de hoogste rechtsmacht vormde, die alle vonnissen kon wijzigen of vernietigen. Dit geldt evengoed voor civiele zaken als voor strafzaken.

Appianus, Appianos, van Alexandrië, leefde omstreeks het midden der 2e eeuw n. C. te Rome, en werd later procurator van den fiscus in Aegypte. Onder den titel Rhomaïka schreef hij eene geschiedenis, waarin ieder volk afzonderlijk behandeld wordt tot zijn opgaan in het rom. rijk, en waarin bovendien de geschiedenis van de rom. burgertwisten beschreven wordt. Van de 24 boeken, waaruit dit werk bestaan heeft, zijn nog bewaard gebleven: Iberike (l. 6), Annibaïke (l. 7), Libyke (l. 8), Syriake (l. 11), Mithridateios (l. 12), Illyrike (2de deel van l. 9), en de 5 boeken Emphylia, de burgeroorlogen (l. 13-17), benevens fragmenten van eenige andere.

Appia (via). Deze weg liep van Rome over Aricia, Anxur of Tarracina, Minturnae en Formiae naar Capua, en was de eerste heerbaan, die van Rome uit werd aangelegd (312). Hij was zóó breed, dat twee wagens elkander zonder moeite konden voorbijrijden, en was geplaveid met groote vierhoekige steenen, zóó zorgvuldig zonder gapingen aaneengevoegd, dat hij in de zesde eeuw na Chr. nog in goeden toestand was. Met recht werd deze weg, door den censor Appius Claudius Caecus gebouwd, de regina viarum geheeten. Eene latere verlenging van Capua over Caudium, Beneventum, Aquilonia, Canusium, Barium naar Brundisium heette via Appia Nova.

Appias, de nimf der Appische fontein te Rome.

Appii, zie Claudii no. 1, 2, 4, 5, 6, 8, 9, 12, 14, 15, 21.

Appuleiae (leges) van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus, 100. 1) lex agraria, zie onder agrariae leges.--2) lex de coloniis deducendis, hangt nauw samen met de lex agraria en maakt er misschien een deel van uit. Er zouden koloniën gesticht worden in Sicilia, Africa, Achaia en Macedonia. De wet is niet uitgevoerd. Deze wet (van 100) is met de lex agraria eene uitbreiding van eene lex agraria van denzelfden Saturninus uit het jaar 103.--3) lex frumentaria, waarbij de prijs van het door den staat verkochte koren (zie annona) op 5/6 as werd gesteld. Op het betoog van den quaestor Q. Servilius Caepio, dat dit de kracht der schatkist te boven ging, besloot de senaat, dat Saturninus, ingeval hij de wet in stemming bracht, tegen den staat handelde. De overige volkstribunen intercedeerden nu, doch Saturninus ging zijn gang. Hierop kwam Caepio met eenige vastberaden mannen, wierp de stembussen om en belette den voortgang der stemming.--4) lex de maiestate minuta, tegen degenen, die de onschendbaarheid der volkstribunen aantastten.

Appuleii. Behalve een consul Q. Appuleius Pansa in 300, behooren de leden van dit geslacht, die in de geschiedenis van Rome voorkomen, tot de familie der Saturnini of hebben geen cognomen. 1) L. Appuleius Saturninus was de beruchte volksmenner te Rome ten tijde van Marius. Hij was tweemaal volkstribuun (103 en 100). Langs allerlei wegen trachtte hij de optimates te krenken en te vernederen en zich aanhang te verwerven bij den grooten hoop (zie Appuleiae leges). Na zijn eerste tribunaat wilde de censor Q. Caecilius Metellus Numidicus hem uit den senaat stooten, hetgeen zijn ambtgenoot C. Caecilius Caprarius belette. Toen hij in het jaar 100 zijne lex agraria met geweld had doorgedreven, en bij deze (of bij eene andere) wet de bepaling had gevoegd, dat alle senatoren binnen vijf dagen de wet moesten bezweren, was de genoemde Metellus het eenige senaatslid, dat weigerde, waarvoor hij dan ook in ballingschap moest gaan. Toen Saturninus, die voor geen geweld terugdeinsde, ter wille van zijn medestander, den praetor C. Servilius Glaucia, diens mededinger naar het consulaat, C. Memmius, in de volle volksvergadering liet overhoop steken, werd zelfs het volk verbitterd. Door den senaat tot vijand des vaderlands verklaard, door Marius (toen ten zesden male consul) verlaten, week hij naar het Capitool, terwijl de senaat met de gewone formule videant consules (z. senatus consultum ultimum) den staat aan de bijzondere hoede der consuls aanbeval. Daar de consuls nu de buizen der waterleiding lieten afsnijden, kon Saturninus zich op het Capitool niet staande houden; hij wist nog naar de curia Hostilia aan het forum te wijken, waar hij echter met zijne trawanten bestormd en door het woedende volk onder de dakpannen van het gebouw bedolven werd (10 Dec. 100).--2) L. Appuleius Saturninus, uit Atina, was in 58 praetor in Macedonia. Diens zoon Cn. Saturninus diende in 68/67 onder Q. Caecilius Metellus (zie Caecilii no. 19) op Creta.--3) Sex. Appuleius, consul in 29, hield in 26 een zegetocht over de Hispaniërs.--4) C. Appuleius Decianus, volkstribuun in 99, aanhanger van Saturninus, bekend door zijne aanklacht tegen den aedilis L. Valerius Flaccus (zie Valerii no. 24).--5) Appuleius Decianus, zoon van no. 4, aanklager van den jongen Valerius Flaccus (z. Valerii no. 25), die door Cicero verdedigd werd (59).

Buiten dit geslacht staat--6) de schrijver L. Appuleius, te Madaura in Africa geboren onder de regeering van keizer Hadrianus. Hij had te Carthago en te Athene zijne opleiding genoten en later veel gereisd. Met voorliefde beoefende hij wijsbegeerte en letteren. Hij schreef eenige wijsgeerige werken, doch het meest bekend is zijn romantisch verhaal Metamorphoseon sive de asino aureo libri XI, waarin zekere Lucius tot straf voor zijne ondeugden in een ezel wordt veranderd, doch door de mysteriën (waarvan App. een warm voorstander was) in een beter mensch wordt herschapen. Onder de vele episoden in dit werk is die van Amor en Psyche de meest bekende. Eene nederlandsche bewerking van deze ezelsgeschiedenis vindt men in de geschriften van Mr. P. van Limburg Brouwer. Van de andere werken is van belang: Apologia sive de magia, waarin hij zich verdedigt tegen de beschuldiging van tooverij, en veel aangaande zijn leven vertelt. Het werkje de herbarum virtutibus, dat op zijn naam staat, is uit de 5de eeuw n. C.

Apriës, Apries, in het O. T. Hophra, koning van Aegypte. Hij ondernam een krijgstocht tegen Cyrene, en toen deze ongelukkig afliep, beschuldigde men hem dat hij de kaste der krijgslieden had willen vernietigen, en werd hij door Amasis onttroond. Hij regeerde 588-569.

Apronii. 1) Q. Apronius, handlanger en medeplichtige van C. Verres bij zijne afpersingen op Sicilia.--2) L. Apronius, een romeinsch ridder, legatus van Germanicus in 15 n. C., in Germania, in welke betrekking hij de signa triumphalia verwierf, en proconsul van Africa 18-21 n. C. Onder zijn bewind versloeg zijn zoon L. Apronius Caesianus in 20 den Numidiër Tacfarinas. In 28 werd de vader als stadhouder van Germania inferior door de Friezen verslagen.

Aprostasiou graphe, aanklacht die men bij den polemarch kon indienen tegen een metoikos, die zich geen burger tot patroon gekozen had, of zijn metoikion niet betaalde.

Apsis = Absis.

Apsorus, Apsoros, z. Absyrtides insulae.

Apsus, Apsos, rivier en stad in Illyria ten N. v. Apollonia.

Apsyrtus of Absyrtus, Apsyrtos, zoontje van Aeetes. Toen Iason met Medea vluchtte sneed Medea het lichaam van het kind in stukken, opdat Aeetes, die hen vervolgde, door het opzoeken van de stukken tijd zou verliezen. De bijeengeraapte leden werden te Tomi begraven, dat daaraan, naar men zegt, zijn naam (van temnein) ontleend heeft.

Apteros, ongevleugeld, naam van een beeld van de godin der overwinning (eigenlijk van Athena Nike), dat in haar tempel op de acropolis te Athene stond. V. s. had de kunstenaar haar tegen de gewoonte zonder vleugels voorgesteld, om aan te duiden dat zij de stad nooit zou verlaten.

Apuani, volksstam in zuidoostelijk Liguria, op de grens van Midden-Italië, door de Romeinen na dapperen tegenstand overwonnen en in 180 gedeeltelijk naar Samnium overgebracht. Hunne stad heette Apua.

Apuleii, zie Appuleii.

Apulia, Apoulia, omvatte in ruimeren zin het zuidoostelijke gedeelte van Italia, met inbegrip van Calabria, in engeren zin alleen de landstreken Daunia en Peucetia. De oude bevolking, Apuli, bij de Grieken Iapyges genoemd, waren van illyrischen stam, terwijl grieksche kolonisten zich aan de kust vestigden en er reeds vroeg de grieksche taal en grieksche kunst en kunstnijverheid inheemsch maakten. Het klimaat was heet, en in sommige tijden van het jaar had men last van den Sirocco, hier Atabulus genoemd. Over het algemeen is het land niet onvruchtbaar, de vlakten zijn echter arm aan water. De bewoners stonden als niet bizonder schrander bekend. In de samnitische oorlogen werd Apulia door de Romeinen onderworpen (317). Ten gevolge van den tweeden Punischen en den bondgenootenoorlog werd het land, dat vroeger door handel en industrie gebloeid had, ontvolkt. Augustus vereenigde Apulia met Calabria en Zuid-Samnium tot de tweede regio Italiae.

Apulum, belangrijke stad in Dacia, sinds 107 n. C. standplaats van de legio XIII gemina, onder M. Aurelius municipium en colonia.

Aquae, naam van een aantal geneeskrachtige bronnen en badplaatsen. Vele dezer gezondheidsoorden zijn genoemd naar eene nabijgelegen stad, zooals de aquae Cumanae (later Baiae) bij Cumae in Campania, de aquae Patavinae (Aponi fons) bij Patavium in Cisalpina, de aquae Vetuloniae bij Vetulonia in Etruria, de aquae Pisanae in Etruria, de aquae Segestanae op Sicilia e. a. Andere hebben hun naam naar het volk, b.v. aquae Statiellae bij de Statielli in Liguria, aquae Mattiacae (thans Wiesbaden) bij de Mattiaci. Merkwaardig waren de aquae Cutiliae, nabij de reeds vroeg verwoeste stad Cutilia (z. a.) in het sabijnsche land.--Geschiedkundig bekend door de nederlaag der Teutonen zijn de aquae Sextiae (thans Aix in Provence), in Gallia Narbonensis, gesticht door C. Sextius Calvinus. Onder de tegenwoordig meest bekende badplaatsen zijn er verscheidene, die ook onder de Romeinen bezocht waren, zooals Baden-Baden, aquae Aureliae, Vichy, aquae calidae Arvernorum, Bagnères de Bigorre, aquae Convenarum, Bath, aquae Sulis, Aken, Aquae Grani, enz.

Aqua et igni interdictio. Het doodvonnis, te Rome over een burger uitgesproken, had den vorm van een ban. Binnen Rome was de veroordeelde vogelvrij; niemand mocht hem huisvesting of voedsel verstrekken, ieder mocht hem straffeloos dooden, de overheden waren er zelfs toe verplicht. De ban kon nog verzwaard worden, door hem tot geheel Italië uit te strekken, of zelfs wel tot het geheele romeinsche rijk, zooals bij de proscripties tijdens de burgeroorlogen het geval was. Daar de ban inging op hetzelfde oogenblik, waarop het vonnis werd uitgesproken, moest men, om zijn leven te redden, vooraf Rome verlaten en in vrijwillige ballingschap gaan (in liberum exsilium ire). Aanzienlijke en rijke Romeinen vonden dan licht een toevluchtsoord in eene of andere civitas foederata; doch minder gegoeden hadden een ondragelijk leven; iedereen kon zich aan hen vergrijpen, terwijl zij tegen niemand eene aanklacht konden inbrengen.

Aquaeductus, hydragogeion. De oudste Grieksche waterleidingen zijn die van Pisistratus te Athene, en uit denzelfden tijd die door Polycrates op Samos was aangelegd; de architekt van deze laatste leiding was Eupalinus. Ten einde Rome van goed en overvloedig water te voorzien, werden in verschillende tijden een aantal waterleidingen aangelegd. De oudste was de aqua Appia, in 312 aangelegd door denzelfden censor Appius Claudius, die de via Appia liet bouwen. Deze waterleiding liep grootendeels door onderaardsche buizen, evenals de Anio vetus, die het water uit den Anio aanvoerde, en de Virgo, die het koudste water had en onder de regeering van Augustus door Agrippa was aangelegd, om de door hem gebouwde badinrichtingen van water te voorzien. De langste leiding was de Anio novus, die omstreeks 16 uren gaans lang was en over de dalen gedragen werd door bogen, soms ter hoogte van meer dan 100 voet. Soms liepen twee aanvoerkanalen een eind verdiepingsgewijze boven elkander, b.v. de Anio novus boven de aqua Claudia; zelfs komt eene vereeniging van drie leidingen voor: de Marcia beneden, de Tepula in het midden, de Iulia boven. De Marcia was om haar heerlijk water beroemd: het slechtste water voerde de Alsietina aan. Ook vele aanzienlijke steden van Italia en de provinciën werden op gelijke wijze van water voorzien. Van den trotschen bogenbouw kunnen o.a. nog de overblijfselen bij Nîmes (Pont du Gard), bij Tarragona en Segovia getuigen. Bij sommige leidingen was aan het boveneind een groot bekken aangebracht, waar men het water liet bezinken, alvorens het naar de stad te voeren. In de stad werd het water in reservoirs (castella aquae) verzameld, vanwaar het door buizen (fistulae, tubi) naar de lacus of groote waterkommen, fontes salientes of fonteinen, piscinae of vijvers, badhuizen en bijzondere woningen werd geleid. Ook op verscheidene plaatsen in Griekenland zijn overblijfselen van oude waterleidingen gevonden.

Aquaeductus en aquaehaustus, erfdienstbaarheid, waarbij de rechthebbende over eens anders grond water mocht leiden of uit eens anders bron water mocht putten.

Aquarii, werklieden bij den dienst der waterleidingen, meest servi publici. Ook slaven in de openbare badhuizen, die water aandroegen om de baders af te spoelen en de waschbekkens te vullen.

Aquarius, Hydrochoos, het sterrenbeeld de Waterman, waarin men Ganymedes, Deucalion of Cecrops meende terug te vinden. Hij maakt, naar het heet, het jaargetijde somber, want als de zon in dit teeken komt, begint de regentijd.

Aquila, aetos. Oudtijds hadden de verschillende afdeelingen voetvolk en de ruiterij in de Romeinsche legers verschillende standaarden, als: een wolf, een everzwijn, een minotaurus, een paard, een hond, e. a. Deze voorwerpen waren boven op een stok bevestigd. Sedert Marius was de legioenstandaard een adelaar met uitgespreide vlerken, uit zilver of brons, onder de keizers ook wel uit goud vervaardigd. Hij stond onder de bijzondere hoede van den primipilus of eersten centurio van het legioen. In de legerplaats stond de standaard naast de veldheerstent in den grond geplant. Ging het leger op marsch of in den slag, dan trok de primipilus den adelaar uit den grond en overhandigde hem aan den aquilifer of standaarddrager. Ging dit uittrekken met moeite gepaard, dan was dat een slecht voorteeken.

Aquila. 1) Iulius Aquila, romeinsch jurist, van wien brokstukken in de Pandecten voorkomen.--2) Aquila Romanus, rhetor en taalgeleerde uit de derde eeuw na C., schrijver van een boek de figuris sententiarum et elocutionis.--3) Aquila, een Griek uit Pontus uit de tweede eeuw na C., die eene zeer geroemde vertaling van het O. T. in het Grieksch schreef.

Aquilaria, stad op de Oostkust van Zeugitana, nabij de golf van Carthago.

Aquileia, Akyleia, romeinsche kolonie aan het noordelijkste gedeelte der Adriatische zee, op de grenzen van het land der Veneters en van Histria, in 181 als bolwerk tegen invallen uit het Noordoosten gesticht. Het was eene sterke vesting en ontwikkelde zich door zijne ligging spoedig tot eene bloeiende handelsplaats. Als sleutel van Italië vervulde het eene belangrijke rol tegen de barbaren, die Italië zochten binnen te dringen, tot het in 452 na C. door Attila werd ingenomen en verwoest. De vluchtelingen uit Aquileia en Altinum legden den grondslag tot de tegenwoordige stad Venetië.

Aquillia (lex), plebiscitum van onbekenden datum, misschien tusschen 289 en 286, wijzigde de bepalingen omtrent damnum iniuria datum, die reeds in de leges XII tabularum voorkomen.

Aquillii. 1) M'. Aquillius, consul in 129, maakte een einde aan den opstand van Aristonicus in Pergamus, door de bronnen te vergiftigen. Door de Romeinen zelven werd deze handelwijze als een nefas beschouwd. Daartoe omgekocht, had hij Groot-Phrygië aan Mithradates Euergetes afgestaan, maar deze afstand werd door den Senaat niet bekrachtigd.--2) M'. Aquillius, zoon van no. 1, consul in 101, bedwong in 100 den slavenopstand op Sicilia onder Athenio. In 98 werd hij wegens afpersingen aangeklaagd; toen zijn verdediger M. Antonius (orator) te midden zijner pleitreden op eenmaal hem de tunica openscheurde en de litteekenen op de borst van Aquillius toonde, werd deze om zijne dapperheid vrijgesproken. In 88, bij den inval van Mithradates VI in de romeinsche provincie Asia, viel Aquillius, die destijds legaat van den proconsul Q. Oppius was, in handen van den pontischen koning. Deze liet hem eerst, op een ezel gebonden, onder zweepslagen in de voornaamste steden rondleiden en vervolgens gesmolten goud in den mond gieten.--3) C. Aquillius Gallus, een vriend van Cicero, redenaar en beroemd rechtsgeleerde.

Aquilo, de Noordoostenwind, soms ook = de Noordenwind, zie Windstreken.

Aquilonia, stad in het N. van Samnium, in 293 door de Romeinen onder L. Papirius Cursor verwoest. De stad lag niet ver van Cominium, en dicht bij het dal van den Sagrus. Een ander Aquilonia ligt in Zuid-Samnium in het land van de Hirpini.

Aquinum, stad in het land der Volscen in Latium, rom. municipium, geboorteplaats van den dichter Juvenalis, met purperververijen.

Aquitania, gewest in Gallia. Tijdens Caesars komst in Gallia verstond men onder dezen naam slechts het zuidwestelijk gedeelte, tusschen de Pyrenaeën en den Garumna (Garonne). De bewoners waren van iberischen stam, verwant met de Vascones (Basken), die zich later onder hen mengden en naar wie de landstreek later ook Vasconia (Gascogne) werd geheeten. Volgens Plinius heette deze streek vroeger Aremorica.--Onder Augustus (tusschen 16 en 13) onderging de indeeling van Gallia eene geheele verandering, en strekte Aquitania zich uit tot aan den Liger (Loire) en den mons Cebenna (Cevennes). Na Constantijn vindt men deze streek tot drie provinciën verknipt. Het zuidwestelijke deel, van de Pyrenaeën tot nabij den Garumna vormde de provincie Novempopulana, met de hoofdstad Elimberris (Auch) (v. a. Elusatium civitas, tgw. Eauze). De streek tusschen den Garumna en den Liger was verdeeld in een oostelijk en westelijk deel: Aquitanica I, met de hoofdstad civitas Biturigum, vroeger Avaricum (Bourges), en Aquitanica II, hoofdstad Burdigala (Bordeaux). Deze twee noordelijke deelen behouden nog lang den naam Aquitania, die dan later in Guyenne overgaat.

Ara, bomos. Een altaar was van aarde, zoden of steen, vaak van marmer gemaakt, hetzij in ronden, hetzij in vierhoekigen vorm, van boven eenigszins hol en met eene opening op zijde of aan den voet, om het vocht der plengoffers of het bloed der offerdieren te laten wegvloeien. Altaria is eigenlijk het bovenste gedeelte van het altaar, doch gewoonlijk worden de woorden dooréén gebruikt, waarbij de naam altaria meer in verheven stijl en bij dichters voorkomt.--Ook een sterrebeeld in het zuiderhalfrond.

Ara Ubiorum, oorspronkelijk een altaar in het land der Ubii, ter eere van Augustus opgericht = oppidum Ubiorum; zie Ubii en Colonia Agrippina.

Arabia, Arabia, het thans nog onder dien naam bekende schiereiland. De ouden verdeelden het in drie deelen: 1) Arabia Petraea, he kata Petran (niet vertalen door: steenachtig Arabië), de streek ten O. van Palaestina zuidwaarts tot aan de beide inhammen, die de Arabische golf (thans Roode zee) in het Noorden vormt. Daar lag, aan den Oostkant, halverwege tusschen de Doodezee (Asphaltites lacus) en den Aelaniticus sinus, de stad Sela (= rots), door de Grieken Petra genoemd, de hoofdstad van Idumaea of Edom, en aan dit Petra is de naam ontleend. In het Zuiden vond men het granietgebergte Sinaï.--2) Arabia deserta, he eremos Arabia, omvatte de noordelijke zandwoestijnen, tusschen Syria en Babylonia.--3) het overige, verreweg grootste gedeelte, het eigenlijke schiereiland, was alleen aan de kusten bekend, en daar de Westkust zeer vruchtbaar was, werd dit geheele land Arabia felix, he eudaimon Arabia, geheeten, hoewel het binnenland slechts eene dorre zandzee is. De bewoners, Arabes, Arabes, waren van semietischen stam en dreven reeds vroeg een levendigen handel met Indië. Talrijke karavanen met wierook, goud, edelgesteenten, ivoor, oostersche specerijen, trokken uit Arabië door de woestijnen noord- en noordwestwaarts. Arabia Petraea is voor een gedeelte in 105 na C. door Traianus in bezit genomen en vormde toen de provincie Arabia, later Palaestina III; doch overigens bleef Arabia vrij van vreemde overheersching. Eene expeditie, door Augustus in 25 onder Aelius Gallus uitgezonden, mislukte (z. Saba).--Onder de stammen, die Arabia bewoonden, verdienen vermeld te worden: de Minaei met de steden Macoraba (Mekka) en Jathrippa (Medina), de Sabaei, in het tegenw. Yemen, met de steden Mariana en Saba, van waar veel wierook werd aangevoerd, de Nabataei in Petraea, die de vroegere Edomieten, Midianieten, Amalekieten, enz., vervingen, en de Saraceni in de nabijheid van Syria.

Arabicus sinus, kolpos Arabikos, thans Roode zee geheeten, terwijl de Roode zee der ouden, mare Erythraeum, thans den naam van Indische zee draagt. In het Noorden verdeelt de Arabische golf zich in twee kleine inhammen, den sinus Heroöpolites of Heroöpoliticus ten W., den sinus Aelanites of Aelaniticus ten O., aldus geheeten naar de steden Heroöpolis (op de landengte van Suez) en Aïla of Aelana.

Arabis of Arabius, Arabis, Arabios potamos, rivier in Gedrosia, ten W. van den Indus. In hare nabijheid woonden de Arabitae, Arabitai, Arbies.

Arachnaeum, Arachnaion, berg in oostelijk Argolis, tusschen Argos en Epidaurus.

Arachne, Arachne, een lydisch meisje, dochter van een purperverver te Colophon. Zij had van Athena weven geleerd en bereikte in die kunst zulk eene hoogte, dat zij haar leermeesteres zelve tot een wedstrijd durfde uitdagen. Toen die uitdaging aangenomen was, vervaardigde zij een weefsel, waarin zij de liefdesavonturen der goden voorstelde en dat Athena niet kon overtreffen; uit spijt hierover en uit toorn over het onderwerp, dat Ar. had gekozen, verbrak de godin haar werk, waarop Ar. zich van verdriet ophing. Athene riep haar in het leven terug en veranderde haar in een spin.

Arachosia, Arachosia, eene der oostelijke provinciën van het perzische rijk, ten Oosten door den Indus begrensd. Zij ontleende haren naam aan de rivier Arachotus. In het tijdperk der Seleuciden was de hoofdstad Alexandria Arachoton, Al. Arachoton, thans Kandahar.

Arachthus, Arachthos, rivier in Epirus, die zich in de golf van Ambracia stort, thans de Arta.

Aracynthus, Arakynthos, gebergte in het Z.W. van Aetolia.

Aradus, Arados, door ballingen uit Sidon op een klein, rotsachtig eiland nabij de phoenicische kust gesticht. De naam (phoen. Arvad) beteekent toevluchtsoord. De stad dreef een bloeienden handel en wedijverde met Sidon en Tyrus. Haar grootsten bloei bereikte ze in den tijd van het verval van het rijk der Seleuciden. Daar het kleine eilandje op den duur te klein was, ontstond op het vaste land eene voorstad, Antaradus, die later op hare beurt weder het oude Aradus in de schaduw stelde.

Arae Philaenorum, hoi Philainon bomoi, de grens tusschen Cyrene en Carthago. Tot regeling van een grensgeschil tusschen de republiek Cyrene en Carthago waren beide staten overeengekomen, dat uit beide steden een gezantschap op denzelfden tijd zou vertrekken, en dat de plaats der ontmoeting als grenspunt zou worden aangenomen. De carthaagsche gezanten echter, de beide gebroeders Philaeni, werden door die van Cyrene beschuldigd, dat zij vroeger van huis waren gegaan, dan de afspraak was. Om het daardoor verkregen voordeel echter te behouden, lieten zij zich levend begraven op de plaats der ontmoeting, aan de kleine Syrte, waar ter gedachtenis aan hunne vaderlandslievende zelfopoffering twee altaren werden opgericht. Ook later is dit de grens tusschen Cyrenaïca en Tripolis.

Arai, wrekende godinnen, opgeroepen door den vloek van het slachtoffer eener misdaad = Erinyes.

Arar, Arar, rivier in Gallia, later Sauconna, thans de Saône, die bij Lugdunum (Lyon) in den Rhodanus (Rhône) valt.

Aratus, Aratos, 1) zoon van Clinias, geboren 271 te Sicyon en te Argos opgevoed. 20 jaar oud stelde hij zich aan het hoofd der ballingen uit zijn vaderstad en verdreef hij met hunne hulp den tyran Nicocles; daarop bewerkte hij dat de stad tot het achaeïsch verbond toetrad. Door Antigonus Gonatas tegengewerkt, zocht hij hulp bij Ptolemaeus Philadelphus, die hem inderdaad met aanzienlijke geldsommen steunde. In 245 werd hij tot strateeg van het verbond gekozen, dat onder zijne leiding tot hoogen bloei geraakte, terwijl vele peloponnesische steden vrijwillig of gedwongen zich als leden lieten opnemen. Toch was Ar., hoewel kleingeestig en voor iedere mededinging bevreesd, meer staatsman dan veldheer. Toen dus Sparta door het krachtig streven van Cleomenes III de hegemonie in de Peloponnesus scheen te zullen herwinnen, schroomde hij niet, in strijd met de beginselen van het verbond, de hulp van den macedonischen koning Antigonus Doson in te roepen (224). De nederlaag, die deze aan Sparta toebracht, deed den invloed van Ar. ten top stijgen; niet alleen werd hij herhaaldelijk als strateeg herkozen,--in het geheel heeft hij deze betrekking 17 maal waargenomen--, maar ook liet de opvolger van Antigonus, Philippus III, zich langen tijd geheel door zijne raadgevingen leiden, totdat hij bevond dat Ar. aan zijne verdere plannen in den weg stond, waarop hij hem door vergift liet uit den weg ruimen (213). Te Corinthe werd een standbeeld voor hem opgericht en te Sicyon werd jaarlijks op zijn sterfdag een lijkfeest gevierd. Zijne gedenkschriften (Hypomnemata), door Polybius e. a. dikwijls als bronnen gebruikt, zijn verloren gegaan.--2) van Soli, leefde langen tijd aan het hof van Antigonus Gonatas en schreef (tusschen 276 en 274) een leerdicht in hexameters, Phainomena kai Liosemeiai, dat nog bewaard is gebleven en door de ouden hoog geprezen werd. Cicero, Germanicus e. a. vertaalden het in het latijn.

Arausio, stad der Cavares, aan den Rhodanus (Rhône), thans Orange. Bij deze stad verloren de Romeinen in 105 een bloedigen slag tegen de Cimbren. Twee legers werden vernietigd. Uit den romeinschen tijd zijn nog belangrijke bouwwerken over, o.a. een theater. NB. Hiernaar wordt de titel prins van Oranje in het Latijn vertaald door princeps Arausiacus.

Aravisci, keltische volksstam in Neder-Pannonië, verwant met de Osi.

Araxenus campus, Araxenon pedion, de vruchtbare vlakte, waardoor de armenische Araxes stroomde.

Araxes, Araxes, 1) rivier in Armenia, die zich in de Caspische zee stort. In zijn benedenloop is hij door een zijarm met den Cyrus verbonden. Hij vormt de noordelijke grens van Medië. Herodotus verwart hem met den Oxus (z. a.), die vroeger ook Araxes heette.--2) riv. in Persis, nabij Persepolis.--3) zijtak van den Euphraat, ook wel Chaboras of Aborrhas genoemd, in Mesopotamia.

Arbaces, Arbakes, z. Sardanapalus. Hij wordt de stichter der medische dynastie genoemd, die met Astyages eindigt.

Arbela, ta Arbela, stad in Assyria, waarbij de laatste en beslissende veldslag tusschen Alex. d. G. en Darius Codomannus plaats vond (331).

Arbiter, een scheidsrechter. Terwijl de iudex in zijne beslissing aan het strenge recht gebonden was, kon de arbiter uitspraak doen volgens de aequitas. Zie ook het art. iudex op het einde.

Arbiter bibendi, ook wel magister bibendi, rex convivii, de door het lot gekozen voorzitter bij een feestmaal, die de tafelwetten vaststelde en zijne voorschriften gaf omtrent het aanmengen van den wijn en het getal schepjes, dat in de bekers moest worden gedaan, omdat men niet, als bij ons, inschonk, maar met een lepel of schepje, cyathus, de bekers uit het mengvat vulde.

Arca, Arka, oude stad in Phoenice aan den voet van den Libanon, ten N. van Tripolis, geboorteplaats van keizer Alex. Severus; ter eere van hem werd de stad Caesarea ad Libanum genoemd.

Arca, kibotos, in het algemeen kist of koffer, meer in het bijzonder de geldkist, hetzij van metaal, hetzij met ijzer of brons beslagen. Ook doodkist, alsmede strafcel voor slaven.

Arcadia, Arkadia, landschap in het midden der Peloponnesus gelegen, door bergen omgeven en doorsneden, het grieksche Zwitserland. De inwoners, Arcades, Arkades, beschouwden zichzelven als het oudste volk der aarde, ja zelfs als ouder dan de maan (proselenoi). De afgesloten ligging van hun land behoedde hen voor vreemde overheersching, daar vooral in het Noorden en Oosten slechts weinige hoofdwegen naar de naburige landschappen voerden. Het land stond eerst onder koningen, doch loste zich in de zevende eeuw in een aantal kleine republieken op, waarvan Mantinea, Tegea, Orchomenus de voornaamste zijn. De Arcadiërs waren een vroolijk, krachtig bergvolk, liefhebbers van muziek, doch stonden, wat hunne verstandelijke ontwikkeling betreft, niet hoog aangeschreven, zoodat de uitdrukkingen iuvenis Arcadius, Arkadikon blastema, gebezigd worden voor een onnoozelen hals. Onderlinge naijver en veeten verdeelen hen; vandaar dat de poging van Epaminondas tot stichting eener groote bondsstad Megalopolis op den duur mislukte. Na den dood van Alex. d. G. voegden zij zich bij het achaeïsch verbond, waarbij zelfs hun landgenoot Philopoemen van 208 tot 183 achtmaal de hoogste waardigheid, die van strateeg, bekleedde.--Arcadia is rijk aan mythen. Het sneeuwgebergte Cyllene in het N. O. is bekend als de geboortegrond van Hermes; dicht daarbij vond men het Stymphalische meer, de verblijfplaats der vogels, die Heracles verjoeg, alsmede de Styx. Op den berg Erymanthus in het N. ving Heracles het groote everzwijn; op den berg Maenalus zetelde Pan. Verder behooren in Arcadia de mythen te huis van Lycaon en van Callisto en haar zoon Arcas.

Arcadius, Arkadios, 1) taalgeleerde uit de vijfde eeuw na C., schrijver van een werk over de accenten, peri tonon.--2) de oudste zoon van Theodosius den Grooten, kreeg bij de deeling van het rom. rijk in 395 n. C. de oostelijke helft. Hij was geheel en al het werktuig zijner gunstelingen (Rufinus, Eutropius, Gainas), en later zijner frankische gemalin Eudoxia. Hij stierf, 30 jaar oud, in 408.

Arcanum, landgoed van Q. Cicero, halverwege tusschen Aquinum en Arpinum in Latium gelegen.

Arcas, Arkas, zoon van Zeus en Callisto. Toen Zeus eens bij Lycaon gast was, wilde deze beproeven of de god werkelijk alwetend was; hij slachtte daarom Arcas en zette zijn vleesch aan Zeus voor. Maar deze veranderde Lycaon in een wolf, doodde al zijne zonen en riep Arcas in het leven terug. Later ontmoette Arcas op de jacht zijne moeder, die in een beer veranderd was, en wilde haar dooden, maar zij ontvluchtte hem tot in den tempel van den Lycaeischen Zeus, die beiden van de aarde wegnam en onder de sterren plaatste; Callisto werd de groote beer, Arcas de kleine. V. a. werd Arcas koning der Arcadiërs, wien hij het gebruik van wol en het bakken van brood leerde; aan hem ontleenden het volk en het land hun naam.

Arceophon, Arkeophon, Arkeophron, z. Anaxarete.

Arcera, overdekte wagen, waarin men rechtuit op eene matras kon liggen, tot vervoer van zieken en ouden van dagen.

Arcesiades, Arkeisiades, Laërtes, de zoon van Arcesius.

Arcesilaus, Arkesilaos, 1) naam van vier koningen van Cyrene uit het geslacht der Battiaden: Arc. I 591-575; Arc. II Chalepos 570-550, die zijne broeders verdreef en later zelf gedood werd; Arc. III 530-514, die wegens zijne pogingen om de koninklijke macht weder uit te breiden (z. Battus no. 3) verdreven werd; Arc. IV gestorven omstreeks 450; na zijn dood werd Cyrene een republiek.--2) van Pitane, geb. 315, kwam na den dood van zijn vader naar Athene en woonde de lessen van Theophrastus en Polemo bij. Hij volgde Crates als hoofd der academie op en werd de stichter der tweede academie. Hij bestreed vooral het dogmatische der stoicijnsche leer en ging daarbij zoo ver, dat hij eindelijk alle zeker weten ontkende en alleen zekeren graad van waarschijnlijkheid aannam, zoodat hij door de ouden somtijds tot de sceptici gerekend wordt. Hij stierf in 241.

Archagathus, Archagathos, de eerste grieksche geneeskundige die zich te Rome kwam vestigen (219).

Archairesiai, te Athene verkiezing der magistraten, ook de vergadering waarin zij gekozen werden, z. Cheirotonia. Behalve de ambtenaren, die met de defensie en de financiën belast waren, werden de meeste overheden door loting aangewezen.

Archandropolis, Archandrou polis, stad in Beneden-Aegyptus, aan den canobischen Nijlarm.

Arche, algemeene naam der overheden in een republikeinschen staat. Te Athene werden zij door het volk gekozen, later in vele gevallen door het lot aangewezen. Voordat zij hun ambt aanvaardden, werd een onderzoek (dokimasia) ingesteld, waaruit blijken moest dat zij waren van echt atheensche geboorte, zonder lichaamsgebreken en in het volle genot hunner burgerrechten. Ook mocht niemand twee overheidsambten te gelijk of tweemaal hetzelfde ambt bekleeden. De overheden werden in den regel niet bezoldigd, waren gedurende hun ambtsjaar onschendbaar, maar moesten na afloop daarvan rekenschap (euthynai) van hun beheer afleggen.

Archegetes, z. Apollo.

Archeion heet ieder gebouw waar overheden zitting hielden, in het bijzonder het archief.

Archelaus, Archelaos, 1) Heraclide, zoon van Temenus, die voor zijne broeders naar Macedonia vluchtte en daar de stad Aegae stichtte.--2) koning van Sparta, tijdgenoot van Lycurgus.--3) koning van Macedonia (413-399), zoon van Perdiccas II. Hoewel hij door broedermoord zich den weg tot den troon had gebaand, regeerde hij verdienstelijk, zocht het land te beschaven, liet wegen aanleggen en steden stichten, en lokte grieksche letterkundigen en kunstenaars aan zijn hof, o.a. Euripides en Zeuxis. Ook was hij de eerste, die een soort legerorganisatie inrichtte.--4) een Cappadociër, veldheer van den pontischen koning Mithradates VI. In 87 viel hij met een groot leger in Griekenland, doch werd in 86 door Sulla verslagen, eerst bij Chaeronea en daarna bij Orchomenus in Boeotia. Hij was het, die den vrede tusschen den koning en Sulla tot stand bracht, doch daar Mithradates meende dat hij daarbij te veel aan Sulla had toegegeven, viel hij in ongenade en ging hij (83) tot de Romeinen over.--5) zoon van no. 4. Pompeius stelde hem in 63 tot opperpriester van Comana in Pontus aan; doch in 56 ging hij, terwijl hij zich voor een zoon van Mithradates uitgaf, naar Aegypte, huwde de aegyptische prinses Berenice, die haren vader, den algemeen gehaten Ptolemaeus XI Auletes, had verdreven, en werd zóó koning van Aegypte, doch sneuvelde in den strijd tegen den romeinschen proconsul A. Gabinius, die Auletes op den troon kwam herstellen (55).--6) zoon van no. 5, volgde zijn vader als opperpriester van Comana op, doch werd door Caesar in 47 afgezet.--7) zoon van no. 6, werd door M. Antonius, om der wille zijner schoone moeder Glaphyra, tot vorst van Cappadocia verheven (41) en later (36) door Octavianus in de regeering bevestigd, doch na een regeering van 50 jaar door Tiberius afgezet en naar Rome ontboden, waar hij weldra stierf (14 n. C.). Aan zijn zoon, die eveneens Arch. heette, werd slechts een klein deel van het rijk zijns vaders gelaten.--8) zoon van Herodes den Grooten (z. a.). Van zijns vaders rijk kreeg hij (4 v. C.) met den titel van ethnarch de landschappen Samaria, Judaea en Idumaea; doch om zijne wreedheid werd hij door Augustus afgezet en naar Vienna in Gallia verbannen (6 n. C.).--9) leerling van Anaxagoras, volgens sommigen leermeester van Socrates.

Archemorus, Archemoros, eigenlijk Opheltes, het zoontje van Lycurgus, koning van Nemea, en Eurydice. Toen de zeven vorsten tegen Thebe optrokken en in de nabijheid van Nemea water zochten, lieten zij zich door Hypsipyle, die op het kind passen moest, den weg wijzen. In hare afwezigheid werd Opheltes door een draak gedood. Daar Amphiaraus deze gebeurtenis als een slecht voorteeken beschouwde, noemde men den knaap Archemorus (voorganger in den dood); de zeven vorsten begroeven hem plechtig en stelden tot zijne nagedachtenis de nemeïsche spelen in.

Archermus, Archermos, van Chius, beeldhouwer uit 600-550. Men vertelt, dat hij het eerst de Nike gevleugeld voorgesteld heeft; of echter de gevleugelde godin, die bij de opgravingen op Delus gevonden is, van hem is, wordt tegenwoordig betwijfeld.

Archestratus, Archestratos, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, sneuvelde in 406 bij Mytilene.--2) van Gela, tijdgenoot van den jongen Dionysius. Zijn leerdicht in hexameters, Hedypatheia, over kookkunst en gastronomie, werd wegens zijne wetenschappelijke waarde door Aristoteles als bron voor zijne natuurlijke historie der visschen gebruikt.

Archias, Archias, 1) een Heraclide uit Corinthe, stichter van Syracusae (734).--2) een Thebaan, die mede de Cadmea aan de Spartanen overgaf (382) en door hun invloed polemarch werd. Bij de terugkomst der verbannenen werd hij met de zijnen aan tafel gedood (379).--3) A. Licinius Archias z. Licinii no. 37.

Archidamus, Archidamos, naam van vijf spartaansche koningen: 1) Arch. I regeerde tijdens den tweeden messenischen oorlog.--2) Arch. II, zoon van Zeuxidamus (468-427). Na langen strijd bedwong hij den opstand der Messeniërs en Heloten, die op de aardbeving van 465 volgde. Bij het begin van den peloponnesischen oorlog, dien hij tevergeefs ontraden had, voerde hij jaarlijks het spartaansche leger naar Attica. Naar hem wordt dikwijls het eerste tijdperk van dien oorlog (431-421) archidamische oorlog genoemd.--3) Arch. III, kleinzoon van den vorigen, voerde nog voordat hij aan de regeering kwam (361) dikwijls het leger der Spartanen aan, in 368 versloeg hij de Arcadiërs en Argiven bij Midea; daarentegen leed hij in 364, toen hij trachtte de Arcadiërs het beleg van Cromnus te doen opbreken, eene nederlaag; ook verdedigde hij in 362 Sparta tegen den aanval van Epaminondas. In 338 sneuvelde hij in een bloedig gevecht tegen de Lucaniërs, tegen welke de Tarentijnen zijne hulp hadden ingeroepen.--4) Arch. IV, kleinzoon van den vorigen, werd in 294 door Demetrius Poliorcetes verslagen.--5) Arch. V, kleinzoon van den vorigen, broeder en opvolger van Agis III, trachtte Cleomenes III in zijn strijd tegen de ephoren te steunen, maar werd reeds bij het begin zijner regeering (227) gedood.

Archilochus, Archilochos, van Parus, bloeide omstreeks 650. In zijn jeugd leefde hij grootendeels op Thasus, waarheen zijn voorvader Telesicles eene kolonie gebracht had. Zijn later leven bracht hij meestal in armoede onder allerlei avonturen en onaangenaamheden in vreemden krijgsdienst door. Later keerde hij echter naar zijn vaderland terug en sneuvelde hij in een gevecht tegen de Naxiërs. Arch. kan als de eigenlijke schepper der iambische poëzie beschouwd worden, hij was de uitvinder van den iambischen trimeter en van verscheiden andere metra, en voerde ook een nieuwe wijze van voordragen in. Onrustig en prikkelbaar van aard, leefde hij met zijne tijdgenooten op gespannen voet, en zeide hij hun in zijne hekeldichten, menigmaal met groote bitterheid, harde waarheden. Vooral de familie van Lycambes, die zijne dochter Neobule aan Arch. tot vrouw beloofd, maar later zijn woord gebroken had, werd zoo zonder genade door hem bespot en gehoond, dat zij, naar men zegt, zich allen uit schaamte en wanhoop ophingen. Van de gedichten van Arch., die door de ouden zeer hoog geschat werden en die Horatius meermalen nagevolgd heeft, zijn slechts weinige fragmenten bewaard gebleven.

Archimedes, Archimedes in 287 te Syracusae geboren, een van de meest beroemde wis- en werktuigkundigen der oudheid, heeft zijn naam door tal van ontdekkingen vereeuwigd. Hij was een leerling van den beroemden alexandrijnschen wiskundige Euclides. Op wiskundig gebied vond hij de verhouding van de middellijn tot den cirkelomtrek, de inhoudsformules voor den bol en den cylinder, enz., en schreef verschillende werken, die ten deele bewaard gebleven zijn. Op het gebied van waterweegkunde ontdekte hij de naar hem genoemde wet, dat een lichaam, in eene vloeistof gedompeld, zooveel aan zwaarte verliest, als het gewicht der verplaatste vloeistof bedraagt. In de werktuigkunde vond hij de katrol uit, de naar hem genoemde archimedische schroef of schroef zonder einde en de waterschroef tot het uitmalen van water. Tijdens het beleg van Syracusae door de Romeinen wendde hij zijne bekwaamheden aan om door vernuftig uitgedachte werktuigen den Romeinen afbreuk te doen. Toen eindelijk in 212 de stad door Marcellus werd ingenomen, had deze wel uitdrukkelijk last gegeven, Archimedes te sparen, doch een soldaat, die den beroemden man niet kende en in diens woning doordrong, vond hem verdiept in meetkundige berekeningen, terwijl hij een aantal figuren op den grond getrokken had. Verstoord over de waarschuwing om niet door zijne figuren heen te loopen, doorstak de soldaat hem. Op zijn graf werd, overeenkomstig zijn verlangen, een cylinder met een bol geplaatst, doch in Cicero's tijd lag het vergeten in een wildernis van struiken.

Archimimus, directeur of hoofdacteur van een gezelschap mimi of kluchtspelers.

Archinus, Archinos, een Athener, die Thrasybulus hielp bij het bestrijden van de dertig en bij de wederinvoering der democratie. Hij stelde voor, het ionische alphabet in Athene in te voeren, en schreef daarover ook een brochure.

Archippus, Archippos, atheensch blijspeldichter, omstreeks 410. Hij is een navolger van Aristophanes.

Architheoria, Architheoria, een liturgie, bestaande in het dragen van een deel der onkosten van de feestgezantschappen, die naar Olympia, Delus e. e. gezonden werden.

Archontes eigl. de naam van alle overheden en officieren, in het biz. die van de hoogste overheid der atheensche republiek. Oorspronkelijk was waarschijnlijk de archon een ambtenaar, die evenals de polemarchos onder den koning stond, langzamerhand gingen rechten en bevoegdheden van laatstgenoemden op de beide anderen over, zoodat ten slotte alle drie in rang en macht gelijk stonden. Onder het koningschap van de Medontiden werden deze ambten voor het geheele leven gegeven, sedert 752 voor tien jaar, omstreeks 682 werd de duur ervan tot een jaar beperkt, en tegelijk werd het aantal archonten door toevoeging van zes thesmothetai op negen gebracht, zooals het sedert dien tijd gebleven is. Aanvankelijk waren alleen eupatriden verkiesbaar, sedert Solon pentakosiomedimnen, in verloop van tijd werd het archontaat toegankelijk voor alle burgers, misschien met uitzondering van de theten. De archonten werden oudtijds door den Areopagus benoemd en werden na afloop van hun ambtsjaar leden daarvan, sedert Solon werden zij bij loting aangewezen uit candidaten (ek prokriton), van welke iedere phyle 10 verkoos, en tot deze methode keerde men, nadat een proef met directe verkiezing door de volksvergadering genomen was, na korten tijd terug; sedert 487 werden de candidaten aangewezen uit de demen, en het geheele aantal candidaten tot 500 uitgebreid; in lateren tijd, waarschijnlijk in de 4de eeuw, toen het aantal candidaten weer tot 100 teruggebracht was, wees zelfs het lot in iedere phyle de candidaten aan, die om het archontaat moesten loten. De loting was zoo ingericht dat uit iedere phyle een persoon uitkwam; de laatst uitgekomene was grammateus.--De macht en bevoegdheid dezer overheden zijn in den loop der tijden zeer verminderd en in den tijd der onbeperkte democratie is hun niet veel meer opgedragen dan het bezorgen van offers en feesten en het voorzitterschap van sommige rechtbanken. Toch worden de archonten altijd als de eerste overheden beschouwd, en werden zij, voordat zij de gewone dokimasia mochten ondergaan, aan een onderzoek door den raad onderworpen. De eerste archont, gewoonlijk alleen archon, ook wel, omdat het jaar met zijn naam aangeduid werd, archon eponymos genoemd, leidde processen over familie- en erfrecht, benoemde voogden, enz. De tweede, op wien de priesterlijke waardigheid van den koning was overgegaan, en die daarom den naam basileus behouden had, had in overeenstemming daarmede toezicht en leiding bij al wat den godsdienst betreft, en had ook kennis te nemen van alle aanklachten die op godsdienstige aangelegenheden betrekking hadden. De derde, polemarchos genoemd, wien oudtijds zonder twijfel de zorg voor het krijgswezen was opgedragen, komt na den slag bij Marathon niet meer in die betrekking voor; als rechter is hij voor vreemdelingen en metoiken, wat de eerste archont voor burgers is. De overige zes archonten dragen gezamenlijk den naam van thesmothetai; zij zijn voorzitters bij alle rechtzaken, die niet voor andere magistraten behooren.--Nog in den rom. tijd vindt men ath. archonten vermeld.

Archytas, Archytas, van Tarente, pythagoreïsch wijsgeer, waarschijnlijk leerling van Philolaus. Als staatsman zeer verdienstelijk, als veldheer onoverwonnen, als wis- en werktuigkundige beroemd, werd hij bovendien om zijn edel karakter door zijne medeburgers hoog geëerd, zoodat hij in strijd met de wet telkens weder tot strateeg benoemd werd. Zijn invloed redde Plato, toen deze door het wantrouwen van Dionysius van Syracuse in levensgevaar verkeerde. Naar men verhaalde, zou hij bij een schipbreuk nabij het voorgebergte Matinus het leven verloren hebben. Zijn bloeitijd was 400-365.

Arcitenens, bijnaam van Apollo en Diana.

Arconnesus, Arkonnesos, 1) eiland op de kust van Ionia, westwaarts van Colophon.--2) eilandje voor de haven van Halicarnassus.

Arctinus, Arktinos, van Miletus, cyclisch dichter omstreeks 776, behandelde in een episch gedicht, Aithiopis, de heldendaden van Penthesileia en Memnon, den dood van Achilles en Aiax, enz.

Arcturus, Arctophylax, Arktouros, Arktophylax. Zie Bootes.

Arctus, Ursa, Plaustrum, Currus, Septentrio, Arktos, Hamaxa, naam van twee sterrenbeelden, door de toevoegsels maior en minor, megale en mikra onderscheiden: de Groote en de Kleine Beer, beide van groot belang voor de scheepvaart, daar zij nooit ondergaan. In den grooten beer herkende men gewoonlijk Callisto, in den kleinen haar zoon Arcas. V. a. waren het twee berinnen, die Zeus op Creta een jaar lang verborgen en gevoed hadden, en tot belooning onder de sterren verplaatst waren.

Arculas of -lum, een rondgevouwen doek of draagkussen op het hoofd, ten einde met meer gemak een mand er op te kunnen dragen. Ook een tak van den granaatappelboom, om het hoofd gebogen bij wijze van krans, waarvan de einden door een wit wollen band waren saamgebonden; deze werd door de flaminica Dialis gedragen bij alle offerplechtigheden, soms ook door de vrouw van den rex sacrificulus.

Arcus, 1) het bekende schietwapen, toxon, waarvan hier geene verdere verklaring noodig is. Wij geven hierboven twee afbeeldingen van bogen; de onderste wordt arcus sinuatus geheeten.--2) in de bouwkunde elke uit bouwstoffen vervaardigde boog, meer in het bijzonder eerepoorten en eerebogen. Onder de republiek waren zij meestal slechts tijdelijk, of van gewonen gehouwen of gebakken steen opgetrokken, en werden fornices genoemd; doch onder de keizers werden zij met de meest mogelijke pracht van marmer en beeldhouwwerk als blijvende gedenkteekenen opgericht. Vijf zulke triumfbogen zijn te Rome bewaard gebleven: de arcus Drusi, de a. Titi (zie bovenstaande afbeelding) de a. Septimii Severi. de a. Gallieni en de a. Constantini.

Ardea, Ardea, in Latium, oude hoofdstad der Rutuliërs, sedert 442 romeinsche kolonie, later vervallen.

Ardeas, zoon van Odysseus en Circe, stichter van Ardea in Italië; v. a. echter was deze stad door Danaë gesticht.

Ardericca, Arderikka, plaats aan den Euphraat, ook eene plaats nabij Susa, waarheen Darius de gevangene Eretriërs overbracht.

Ardescus, Ardeskos, onbekende zijrivier van den Ister in europeesch Sarmatië, mythologisch een zoon van Oceanus en Tethys.

Ardettus, Ardettos, heuvel ten Z. O. van Athene, bij het Stadion, waar de heliasten jaarlijks hun eed aflegden.

Arduenna silva, in Belgica, thans de Ardennen en de Eifel.

Ardys, Ardys, zoon en opvolger van Gyges, koning van Lydië, 654-617. In het begin van zijn regeering valt de inval der Cimmerii (z. a.). Gedurende de laatste jaren van zijn leven veroverde hij Priene en voerde hij met kracht oorlog tegen Miletus, zonder dat het hem gelukte die stad in te nemen.

Area, in het algemeen eene open ruimte, vooral eene opzettelijk vrijgelaten ruimte, zooals het voorplein vóór een tempel, waar het altaar stond, de voorhof van een huis, en dgl.--Vooral werd de uit leem vastgestampte, soms ook geplaveide dorschvloer, halos, aloe, aldus geheeten. Hij lag nabij de boerderij, in de open lucht, eenigszins hoog ten behoeve eener goede afwatering. Het koren werd uitgetreden door vee of door zware blokken (tribula), waarvoor een trekdier was gespannen, of met knuppels en dorschvlegels uitgedorscht.

Area, Areia, 1) z. Aphrodite. De dienst van Aphrodite Area was te Sparta inheemsch, waar zij een tempel met een gewapend beeld had, en werd later naar Corinthe, Cythera en Cyprus overgebracht.--2) bijnaam van Athene. Onder dien naam had zij een gewapend beeld in den tempel van Ares. Orestes zou na zijne vrijspraak voor het eerst een altaar voor haar hebben opgericht.

Areïthous, Areithoos, koning van Arne, geducht strijder, om zijn ijzeren knots korynetes bijgenaamd. De arcadische koning Lycurgus doodde hem en ontnam hem zijne wapenen.

Arelas, Arelate of -tum, Arelate, thans Arles, stad in Narbonensis, ter weerszijden van den Rhodanus (Rhône) gelegen, met belangrijke overblijfselen uit den rom. tijd, sedert 46 rom. kolonie. Arelas was eene bloeiende koopstad.

Aremorica, de kuststreek van Gallia ten N. van den Liger (Loire) en langs den Oceanus Britannicus (het kanaal). De naam wordt afgeleid van het keltische ar = aan, bij, en môr = zee. Bij Plinius is het de oude naam voor Aquitania in engeren zin (z. a.).

Arena, het met zand bestrooide strijdperk in het amphitheater, waar de gevechten van dieren en van zwaardvechters plaats vonden. Bloedvlekken werden telkens onzichtbaar gemaakt door er nieuw zand over te strooien. Overdrachtelijk wordt arena ook gebruikt voor het geheele amphitheater, voor den strijd zelf en ook voor elke soort van wedstrijd en van oefenplaats.

Arenacum, Arenatium, Arenatio, stad in het gebied der Batavieren, aan den weg tusschen Castra Vetera (Xanten) en Noviomagus (Nijmegen), misschien het dorp Rindern bij Kleef.

Areopagus, Areios pagos, heuvel in Athene, waar de oudste en beroemdste rechtbank (he en Areio pago of ex Ar. p. boule) zitting hield. Deze rechtbank, volgens het meest bekende verhaal samengesteld bij het proces van Orestes en volgens beschikking van de godin Athena ook voor het vervolg behouden, behandelde onder indrukwekkende formaliteiten de zwaarste misdaden, zooals opzettelijken moord, brandstichting en dgl., waarop doodstraf of verbanning stond. De aangeklaagde had gedurende de vier maanden, die tusschen de aanklacht en het vonnis moesten verloopen, geen toegang tot publieke plaatsen; hij kon zich echter, behalve in geval van vadermoord, vrijwillig in ballingschap begeven. Wanneer over het vonnis de stemmen staakten, volgde vrijspraak, daar Athena dan verondersteld werd, evenals bij het proces van Orestes, voor vrijspraak gestemd te hebben (calculus Minervae).--Sedert 683 wordt de Areop. jaarlijks aangevuld uit de gewezen archonten, die voldoende verantwoording van hun beheer gegeven hadden en voor hun leven zitting hadden; hij had het toezicht over de geheele staatsregeling en over de wetten, zeden en tucht. Solon maakte hem tot een politiek gerechtshof, waarbij men klachten kon indienen tegen de ambtenaren. Welke bevoegdheden met het toezicht op de wetten verbonden waren, vindt men nergens nauwkeuriger omschreven; ook zijn de gevallen waarin de Areop., hetzij uit eigen beweging, hetzij volgens opdracht van het volk, optrad, van zeer verscheiden aard; overal ziet men echter dat hij, wanneer hij optrad, door het groote vertrouwen, dat hij genoot, grooten invloed kon uitoefenen. Doch met zijne uit den aard der zaak conservatieve gezindheid schijnt dit lichaam de volkomen ontwikkeling der democratie in den weg te hebben gestaan, en omstreeks 462 werd het door Themistocles en Ephialtes, later nog door Pericles, van zijne politieke macht beroofd. Sedert dien tijd is de Areopagus bijna uitsluitend gerechtshof in gevallen van moord en doodslag. In den rom. tijd is het weder het voornaamste regeeringslichaam.

Ares, Ares, Mars, zoon van Zeus en Hera, god van het krijgsgewoel en van bloedige gevechten. In gezelschap van zijne kinderen Deimos en Phobos, van zijne zuster Eris en van de moordgodin Enyo, begeeft hij zich in den strijd, waar hij zich evenmin bekommert om orde en regelmaat, als om het recht der strijdende partijen. Om zijn onstuimigheid en zijn bloeddorstigen aard is hij zelfs bij Zeus meer dan eenig ander god gehaat. Telkens geraakt hij in strijd met Athena, de godin van het krijgsbeleid, en telkens moet hij het onderspit delven; zelfs aan stervelingen gelukt het door hare hulp den god te wonden.--De eeredienst van Ares was waarschijnlijk uit Thracië ingevoerd en werd in Griekenland nooit algemeen. De wolf, het paard en de haan waren hem heilig. Zijne beelden vertoonen gewoonlijk eene jeugdige, gespierde gestalte, donkere gelaatstrekken, kleine oogen, wijd geopende neusgaten en kort haar.

Arestorides, Arestorides, Argos, de zoon van Arestor.

Aretaeus, Aretaios, uit Cappadocia, beroemd geneesheer te Rome uit de 2de helft van de 2de eeuw na C.

Aretalogus, een persoon, die den kost verdiende door bij feestmalen de dischgenooten te vermaken, vermoedelijk door, als een soort van nar, te zwetsen en te bluffen. Oorspronkelijk is het echter iemand, die op eentonige wijs de deugden en de macht van de een of andere oostersche godheid verkondigt, of van allerlei wonderen opsnijdt.

Aretas, naam van eenige vorsten der Nabataeërs in Arabia Petraea. Een hunner, die zich in de joodsche zaken mengde, werd op bevel van Pompeius door diens quaestor M. Aemilius Scaurus verdreven en in de stad Petra belegerd (64). Een andere Aretas, wiens dochter met Herodes II Antipas gehuwd, doch ter wille van Herodias verstooten was, viel in Judaea ten tijde van Tiberius. Diens overlijden (37 n. C.) verhinderde het uitbarsten van een oorlog. Toen Paulus uit Damascus ontsnapte, stond de stad onder het bevel van den stadhouder (ethnarches) van Aretas.

Arete, Arete, 1) gemalin van Alcinoüs. Zoowel Odysseus als Medea werden door haar gastvrij ontvangen en in bescherming genomen.--2) dochter van Aristippus, den stichter der cyrenaïsche school; zij beoefende zelve ijverig de wijsbegeerte en onderrichtte haar zoon daarin.--3) dochter van Dionysius I van Syracuse, gehuwd met Dio, en gedurende zijne afwezigheid aan Democrates tot vrouw gegeven. Na zijne terugkomst nam Dio haar weder tot zich, en nadat hij vermoord was, werd zij eerst gevangen gehouden en toen in zee geworpen.

Aretho, Araithos, Aratthos = Arachthus, rivier in Epirus.

Arethusa, Arethousa, 1) bron op Ortygia (z. Alpheus).--2) bron in Elis.--3) bron op Ithaca.--4) bron op Euboea.--5) bron bij Thebae.--6) stad in Syrië aan den Orontes.

Areus, Areus, koning van Sparta (310-265). Met Ptolemaeus II verbonden, voerde hij oorlog tegen de Aetoliërs, maar leed bij Cirrha een volkomen nederlaag. In 272 sloeg hij den aanval van Pyrrhus op Sparta af, ook verleende hij hulp aan Argos tegen hem. Hij sneuvelde in den Chremonideïschen oorlog in een gevecht bij Corinthe.

Arevaci en -cae, machtige en dappere volksstam in Hispania Tarraconensis, tot wier gebied de stad Numantia aan den Boven-Durius (Douro) behoorde.

Argadeis, naam van de laatste der vier oude attische phylae, naar Argades, een zoon van Ion.

Argaeus, Argaios, 1) koning van Macedonië, zoon van Perdiccas I.--2) koning van Macedonië, die in 393 aan Amyntas III de regeering ontnam en deze twee jaar behield.--3) zoon van Ptolemaeus Lagi, werd door zijn broeder Ptolemaeus Philadelphus gedood.

Argaeus mons, Argaion oros, sneeuwgebergte in het midden van Cappadocia.

Arganthonius, Arganthonios, koning van Tartessus in Hispania, die 120 jaar leefde, waarvan hij 80 jaar regeerde. Zeelieden uit Phocaea, die omstreeks 550 bij hem kwamen, werden zeer goed door hem ontvangen, zelfs trachtte hij hen te overreden met al hunne landgenooten in zijn rijk te komen wonen.

Arganthonius mons, Arganthonion oros, berg in Bithynia, op eene landtong, die tusschen twee golven in de Propontis (zee van Marmara) vooruitspringt. In de nabijheid zou Hylas door de nimfen geroofd zijn.

Argea, Argeia, 1) dochter van Adrastus, gehuwd met Polynices.--2) zuster van Theras, gehuwd met Aristodemus no. 1.

Argei, naam van 27 offerplaatsen te Rome, volgens de overlevering door Numa gewijd, waar, naar het schijnt, door of vanwege de pontifices op zekere tijden offers werden gebracht. Ook verstaat men onder Argei aangekleede poppen, opgevuld met stroo of met biezen, die ten getale van 27 op 15 Mei van de houten paalbrug (pons sublicius) in den Tiber werden geworpen, ten overstaan van de pontifices, de vestaalsche maagden en den praetor urbanus. Men gelooft vrij algemeen hier te doen te hebben met een zoenoffer aan de rivier, oorspronkelijk waarschijnlijk een menschenoffer. Argei zijn namelijk oorspronkelijk Grieken, die als landsvijanden jaarlijks sedert de 2de helft der 3de eeuw volgens de aanwijzing der Sibyllijnsche boeken Graeco ritu gedood werden; men vergelijke het herhaaldelijk dooden van een Gallus en eene Galla, eveneens volgens aanwijzing dier boeken. Spoedig echter zijn deze bloedige offers door het afwerpen van stroopoppen (simulacra hominum scirpea) vervangen. Bij senaatsbesluit van het jaar 97 werd elk menschenoffer verboden.

Argentarius. De werkkring der argentarii was tamelijk veelzijdig. Zij bezorgden geld- en handelszaken voor anderen, belastten zich met koop en verkoop en vervulden alzoo de rol van makelaars, van wisselaars en van bankiers. In deze laatste hoedanigheid gaven zij ook wissels af op andere plaatsen, namen geld voor anderen in ontvangst en deden op last hunner lastgevers uitbetalingen. De uitdrukking per mensam solvere beteekent dus: eene aanwijzing op zijn bankier geven. Hunne zaken deden zij meest in de tabernae argentariae veteres en novae aan het forum, die door den staat gebouwd en aan hen verhuurd werden.

Argentoratum, rom. municipium aan den Rijn in het land der Triboci, met groote wapenfabrieken, thans Straatsburg. In de nabijheid van deze stad versloeg Julianus als Caesar (onderkeizer) in 357 n. C. de Alamannen, die in den Elzas gevallen waren, en een groot gedeelte van Gallië plunderden.

Arges, Arges, een cycloop.

Argi, oorspronkelijke latijnsche naam voor de stad Argos.

Argias graphe, aanklacht, die men oorspronkelijk bij den Areopagus, later bij den archon eponymos kon indienen tegen iemand, die geen beroep uitoefende en daardoor zijn nabestaanden tot last was. Dit werd eerst met eene boete, bij herhaling met atimie gestraft.

Argiletum, eene buurt in Rome, tusschen den mons Quirinalis en het forum. In deze buurt waren vooral boekwinkels en winkels van handwerksnijverheid. De naam wordt zoowel afgeleid van argilla (dus zooveel als kleibuurt), als verklaard door den dood van Evander, die hier zou vermoord zijn.

Argilus, stad op de macedonische kust aan de golf van den Strymon, kolonie van Andrus.

Arginusae, Arginoussai, groep van drie eilandjes tusschen Lesbus en de kust van Aeolis. Hier behaalde de atheensche vloot in den peloponnesischen oorlog hare laatste overwinning op de Spartanen (406); doch niettemin werden de atheensche veldheeren te Athene ter dood gebracht, omdat zij verzuimd hadden de drenkelingen op te visschen.

Argiphontes, Argeiphontes, Argusdooder, bijnaam van Hermes.

Argippaei, Argippaioi, stompneuzige en kaalhoofdige nomadenstam in Sarmatia. Het is waarschijnlijk een turksch volk, dat ten Z. van het Altaïgebergte woonde. De oost-aziatische handelsweg naar den Pontus liep door hun land.

Argissa, Argissa, stad in Pelasgiotis in Thessalia, later Argura genaamd.

Argiva, Argeia, bijnaam van Hera.

Argivi, Argeioi, zie Argos.

Argo, Argo, het schip, waarmede Iason en zijne metgezellen (de Argonauten) naar Aea voeren. Het was gebouwd van hout dat op den Pelion gegroeid was, en werd door vijftig roeiers in beweging gebracht. Athena zelve hielp bij het bouwen en voegde er een stuk van den sprekenden eik van Dodona in. Bij zijne terugkomst wijdde Iason het schip op de landengte van Corinthe aan Poseidon, later werd het onder de sterren geplaatst.

Argolis, Argolis, oude en door de Romeinen op nieuw in zwang gebrachte naam van het landschap Argos in de Peloponnesus (zie Argos).

Argonautae, Argonautai, Iason en zijne metgezellen, die met het schip Argo naar Aea voeren, om het gouden vlies terug te halen, dat daar door Phrixus in een woud van Ares was opgehangen. Ofschoon de sage van den Argonautentocht bij de Minyers ontstaan is, was hare groote vermaardheid oorzaak, dat in verloop van tijd de meeste helden die in dien tijd geleefd konden hebben, ook uit andere grieksche stammen, onder de vijftig deelnemers aan den tocht geteld werden, o.a. Heracles, Castor en Polydeuces, Peleus, Theseus, Tydeus, Meleager, Orpheus. De Argonauten stonden onder de bizondere bescherming van Hera en Athena; zij bereikten dan ook hun doel, in weerwil van vele gevaren en avonturen. De heenreis gaat van Iolcus over Lemnus, door den Hellespont, langs Cyzicus, door de Symplegadische rotsen en verder langs de kust van de Zwarte zee; op de terugreis werd v. s. dezelfde weg genomen; doch volgens de meeste verhalen werd het schip door storm op een verkeerden weg gedreven en kwamen de reizigers eerst na lange omzwervingen in Iolcus terug. Er is dan ook bijna geen land, of de Argonauten zijn er volgens een of ander verhaal geweest, zelfs zouden zij in twaalf dagen door de libysche woestijn getrokken zijn, terwijl zij het schip Argo op hunne schouders droegen; ook bezochten zij Circe, voeren voorbij de Sirenen, Scylla en Charybdis, enz.--Men gelooft dat de sage van den Argonautentocht, die zeer oud is, herinneringen bevat aan de vroegste zeetochten, die door de Minyers, een zeevarend volk, ten behoeve van handel en kolonisatie werden ondernomen.

Argos, to Argos. De naam beteekent volgens Strabo vlakte en wordt dus bij meer dan ééne plaats gevonden. Het homerische pelasgikon Argos is de vlakte bij Larissa aan den Peneus in Thessalia, en in ruimeren zin ook wel het geheele thessalische vlakland. To Achaiikon Argos bij Homerus is òf de stad Argos in de Peloponnesus, de woonplaats van Diomedes, òf het landschap Argos, ook wel Argolis geheeten, òf ook wel de geheele Peloponnesus, evenals de naam Argivi bij de dichters nu eens voor de Argoliërs, dan weder voor de gezamenlijke Grieken wordt gebezigd, omdat hun aanvoerder in den trojaanschen krijg, Agamemnon, koning te Mycenae in Argos was. Het landschap Argos was het oostelijkste van de Peloponnesus. Het was bergachtig en niet zeer vruchtbaar, omdat het arm was aan water. De vlakte, waarin de steden Argos, Mycenae en Tiryns lagen, was vruchtbaarder en geschikt voor paardenfokkerij, hippoboton Argos bij Homerus. Ook Argos werd, evenals Messene en Laconica, door de Doriërs veroverd, doch dezen waren hier minder sterk, zoodat de oud-achaeische elementen minder onderdrukt werden en de regeering minder aristocratisch werd dan te Sparta. In Argos behooren de mythen te huis van de Danaïden, van Danaë en Perseus, van Heracles, van de gruwelen der Atridenfamilie. De stad Argos lag aan het riviertje den Inachus, op een steilen heuvel lag de burg Larissa. Na den trojaanschen oorlog was nu eens Argos, dan weder Mycenae de zetel van het bestuur, de Doriërs maakten Argos voor goed tot hoofdstad. Aan den perzischen oorlog kon Argos geen deel nemen, ten gevolge eener vreeselijke nederlaag, die het kort te voren van de Spartanen had ondergaan bij Tiryns. De beroemde beeldhouwer Polycletus was te Argos (of te Sicyon) geboren. In den tempel van Hera, tusschen Argos en Mycenae gelegen, stond het beroemde, door hem gemaakte beeld der godin.--Ook in het landschap Amphilochia tusschen Aetolia en Epirus lag eene stad Argos, ter onderscheiding Amphilochicum geheeten.--Nog een ander Argos, Hippium bijgenaamd, zou na den trojaanschen oorlog in Apulia gesticht zijn en uit Argos hippion zou dan de naam Arpi zijn ontstaan.

Argura, Argoura = Argissa.

Argus, Argos, 1) zoon van Zeus en Niobe, volgde zijn grootvader Phoroneus als koning van Argos op.--2) zoon van Agenor, Arestor of Inachus, wiens geheele lichaam met oogen bezaaid was (panoptes). Toen Io in eene koe veranderd was, plaatste Hera hem als wachter bij haar, maar Hermes deed hem door zijn fluitspel inslapen en doodde hem daarna. Zijne oogen plaatste Hera daarna in den staart van den pauw.--3) zoon van Phrixus en Chalciope. Hij keerde uit Aea naar Orchomenus terug en bouwde voor Iason de Argo. V. a. leed hij met zijne broeders schipbreuk bij het eiland Aretias, waar de Argonauten hen later vonden en medenamen naar Aea.

Argyraspides, Argyraspides, eene keurbende van zware infanterie in het macedonische leger, zoo genoemd naar hunne met zilver beslagen schilden. Na Alexanders tocht door Indië werd dit corps opgericht of v. a. werden alle overblijfsels zijner oude grieksche troepen toen erin opgenomen. Later werden zij door Polyperchon onder bevel van Eumenes geplaatst, zij kwamen in opstand en verrieden hun veldheer aan Antigonus, die weldra het corps wegens zijne aanmatigingen ontbond.--Ook de lijfwacht der Syrische koningen bestond uit Argyraspides.

Argyripa, oude naam voor de stad Arpi in Apulia.

Aria, Areia, eene der oostelijke provinciën van het perzische rijk, een vruchtbaar bergland, waardoor de Arius, die bij Herodotus Aces, Akes, heet, stroomde. De bewoners heetten Arii, Areioi, welke naam niets te maken heeft met den naam Ariërs, waarmede de Indo-Germanen worden aangeduid. De hoofdstad was Artacoana. Op hare plaats of in de nabijheid er van werd later een Alexandria gesticht, Areion bijgenaamd, thans Herât.

Ariadne, Ariadne, dochter van Minos en Pasiphaë. Zij vluchtte met Theseus uit Creta, nadat zij hem door een kluwen touw in staat gesteld had zijn weg in het labyrinth te vinden en den Minotaurus te dooden. Terwijl zij op het eiland Naxus ingeslapen was, liet Theseus haar achter en vervolgde alleen de reis naar Athene. Toen zij ontwaakte en zag wat er gebeurd was, wilde zij zich in zee storten, maar juist op dat oogenblik landde Dionysus, van zijn tocht naar Indië terugkeerend, op Naxus en, door hare schoonheid getroffen, nam hij haar tot zijne bruid. Sedert dien tijd vergezelde zij den god altijd, en nam zij, op een panther of een olifant zittende, de eerste plaats onder zijn gevolg in. Haar bruidskrans werd onder de sterren opgenomen en v. s. kreeg zij zelve een plaats op den Olympus.--V. a. was zij op Naxus door Artemis gedood, of had Dionysus Theseus bewogen haar te verlaten. Bij vele feesten van Dionysus werd ook Ariadne vereerd. Z. afbeelding.

Ariaeus, Ariaios, voerde in den slag bij Cunaxa het bevel over den linkervleugel van Cyrus' leger. Na diens dood ging hij tot Artaxerxes over, en gedeeltelijk door zijn toedoen vielen de grieksche strategen, die onder Cyrus gediend hadden, in de handen van Tissaphernes.

Ariana. Deze naam, waaronder men het oostelijk gedeelte van het perzische rijk verstaat, was aan de oude Grieken onbekend. Door bergranden van Armenia en van de Euphraat-Tigrislanden gescheiden, strekt Ariana zich uit tot aan den Indus, en omvat dus ongeveer het tegenw. Irân, Afghanistân en Beludchistân. De scherpe afwisseling van gloeiende zomerhitte met felle winterkoude en het gebrek aan water maakten, dat het land schaars bevolkt was. Behalve nomadenstammen van elders, was de bevolking arisch. Behalve Media en Persis, die niet altijd onder Ariana begrepen worden, maar toch door hunne ligging er toe behooren, omvat Ar. de landstreken Carmania, Gedrosia, Arachosia, Drangiane, Aria, het Paropanisadenland, Bactriane, Sogdiane, Parthyaea, Hyrcania.

Ariarathes, Ariarathes, cappadocische koningsnaam. Ariarathes I werd in 322 door Perdiccas, den rijksbestuurder na Alexander den Grooten, verslagen en ter dood gebracht. Zijn zoon, Ar. II, herwon het vaderlijk gebied (302). Ar. IV hielp zijn schoonvader Antiochus III van Syria in den oorlog tegen de Romeinen, doch sloot later met hen een verbond van vriendschap (188). Ar. V had zijne opvoeding te Rome ontvangen. Bij den dood zijns vaders (162) betwistte een ondergeschoven zoon van dezen, Holophernes, hem met syrische hulp het rijk, zoodat hij naar Rome moest vluchten, waar men eene verdeeling tot stand bracht. Later hielp hij de Romeinen in den oorlog tegen Aristonicus van Pergamus, waarbij hij sneuvelde (130). Onder de volgende Ariarathessen maakte Mithradates van Pontus zich van Cappadocia meester en zette er zijn eigen zoon Ariarathes op den troon, terwijl de Romeinen Ariobarzanes I tot koning aanstelden (95). Een latere Ariarathes, zoon van Ariobarzanes III, werd door den drieman M. Antonius afgezet (zie Archelaüs no. 7).

Ariaspae, Ariaspai, ruitervolk in Drangiane. Zij zijn ook bekend om hun korenbouw, en hadden hun land vruchtbaar gemaakt door talrijke bevloeiïngen.

Aricia, Arikia, zeer oude stad van Latium aan den appischen weg, ten Z. van den Albanus lacus, sedert 338 civitas sine suffragio, vervolgens een bloeiend municipium. In de buurt vond men den lacus Nemorensis (tgw. Lago di Nemi), aan welks oever een Diana-tempel stond. Hiernaar werd het meer ook speculum Dianae genoemd. De priester van dezen tempel, met den titel rex Nemorensis, was in later tijd een weggeloopen slaaf, die zijn ambt zoolang bekleedde, tot er een sterkere kwam, die hem in een gevecht overwon. De Diana Aricina is eene in Latium inheemsche godin, die de vrouwen in verschillende omstandigheden haars levens steunt.

Aries, stormram of muurbreker, bestaande uit een zwaren balk, van voren met een zwaren metalen ramskop voorzien. Hij hing op de wijze van een schommel aan touwen of kettingen, werd dan achteruitgetrokken en losgelaten, zoodat hij met kracht tegen den vijandelijken muur beukte. Om de kracht te vermeerderen, waren de arietes geweldig zwaar en soms aan het achtereinde nog van zware gewichten voorzien, zoodat er dikwijls 1500 manschappen noodig waren om ze te bedienen. Bij het beleg van Carthago gebruikte Scipio twee rammen voor welks bediening hij 6000 man noodig had. De gewone lengte van den balk was 80 tot 100 voet. Flavius Josephus beschrijft een stormram, waarvan de kop eene dikte van tien mannen en elk der beide horens eene mansdikte had. De aries stond, ter beveiliging der manschappen onder een sterk schutdak, testudo arietaria. Wilde de belegerde stad voorwaarden van overgave bedingen, dan moest zij dit doen, voordat de stormram de muren had aangeraakt.

Arima, ta Arima, een berg ergens in Klein-Azië, waaronder de reus Typhoëus bedolven lag. De bewoners heetten Arimi. De woorden ein Arimois als één woord gelezen, hebben aanleiding gegeven tot de meening, dat het eiland Inarime of Aenaria in de golf van Napels was bedoeld.

Arimaspi, Arimaspoi, fabelachtig volk in het verre Noordoosten van Europa of in Libye. De Grieken stellen hen voor als eenoogige menschen, die om het goud in hun bergen een eeuwigen strijd met de griffioenen voeren. Sommigen zien hierin een dichterlijke inkleeding van geruchten aangaande den mijnbouw in den Oeral.

Ariminum, Ariminon, bloeiende zeestad in Umbria, door de via Flaminia met Rome, en door de via Aemilia met Cisalpina verbonden. Een tijd lang was het in bezit der senonische Galliërs, doch na hunne verdrijving keerde de umbrische bevolking terug en werd de plaats in 268 rom. kolonie. Thans Rimini.

Ariobarzanes, Ariobarzanes, veldheer van den perzischen koning Darius III Codomannus, die nog eene laatste vruchtelooze poging deed om den voortgang der Macedoniërs te stuiten; hij werd, nadat hij zich had overgegeven, door Alexander eervol behandeld.--Ook werd deze naam gedragen door een drietal koningen van Cappadocia. Ar. I werd in 95 door de Romeinen als koning aangesteld, doch meermalen door Mithradates van Pontus verdreven. Als spotnaam noemde men hem Philoromaeus of Romeinenvriend. Hij werd in 63 opgevolgd door zijn zoon Ar. II, en deze in 51 door Ar. III, die in den burgeroorlog eerst de partij van Pompeius, maar later die van Caesar koos, en in 43 door Cassius werd omgebracht.

Arion, 1) Arion, van Methymna, beroemd dichter, zanger en citherspeler, die het eerst bij de Dionysusfeesten den dithyrambus door koren liet voordragen. Hij leefde langen tijd aan het hof van Periander van Corinthe, bij wien hij in hooge gunst stond. Toen hij van eene reis door Italië en Sicilië naar Corinthe terugvoer, besloten de matrozen, begeerig naar de schatten die hij bij zich had, hem te dooden. Op zijn verzoek werd hem toegestaan voor zijn dood een lied te zingen; hij trad naar den voorsteven, van waar hij zich bij het einde van zijn gezang in zee stortte. Maar een van de dolfijnen, die door de heerlijke muziek aangelokt waren, nam hem op den rug en bracht hem behouden naar Taenarum, van waar hij zijne reis naar Corinthe voortzette. Kort daarna kwam ook het schip te Corinthe aan en Periander, reeds van het gebeurde op de hoogte, liet de matrozen gevangen nemen en voor zich brengen. Eerst loochenden zij alle schuld en beweerden dat Arion te Tarente gebleven was, maar toen deze plotseling zelf verscheen, bekenden zij alles, waarop Periander hen liet ter dood brengen. Op kaap Taenarum stond eeuwen lang een bronzen beeld van Arion, op een dolfijn zittende. De lier en de dolfijn werden onder de sterren geplaatst.--2) Areion, het bliksemsnelle, met spraak begaafde paard van Adrastus, door Poseidon bij Demeter verwekt.

Ariovistus, germaansch aanvoerder, die in 71 met 15000 Germanen den Rijn overtrok, om in Gallia de Arverners en Sequaners tegen de Aeduers te ondersteunen. Hij versloeg eerst zijne vijanden en onderwierp toen zijne bondgenooten. De rom. senaat verleende hem den titel van vriend en bondgenoot. Toen echter in 58 de onderdrukte gallische volken Caesars hulp hadden ingeroepen en Ariovistus Caesars eischen afwees, bracht Caesar hem in den Boven-Elzass eene zóó afdoende nederlaag toe, dat Ariovistus over den Rijn naar Germania terugvluchtte.

Ariphron, Ariphron, van Sicyon, dithyrambendichter uit de vierde eeuw.

Arisbe, Arisbe, 1) dochter van Merops, echtgenoote van Priamus, moeder van Aesacus.--2) trojaansche stad nabij Abydus, waarbij Alexander na den overtocht van den Hellespont zijn leger opsloeg.--3) stad op Lesbus, ten Z. van Methymna, die door eene aardbeving verwoest werd.

Aristaenetus, Aristainetos, van Nicaea in Bithynië, grammaticus en rhetor, verloor het leven bij eene aardbeving te Nicomedea (358 na C.). De vijftig brieven vol avontuurlijke liefdesgeschiedenissen, die zijn naam dragen, zijn van veel lateren tijd.

Aristaeus, Aristaios, zoon van Uranus en Ge of van Apollo en Cyrene, een god der oudste Grieken, wiens wezen later met dat van Zeus en Apollo samensmolt. Hij was de beschermer van den landbouw, van de kudden (Nomios), de jacht (Agreus), de bijen (Melisseus), enz. Hij werd vooral in Thessalië, in Cyrene en op het eiland Ceos vereerd.

Aristagoras, Aristagoras, volgde zijn schoonvader Histiaeus als tyran van Miletus op, toen deze naar Susa aan het hof van Darius geroepen was. Op verzoek van eenige ballingen uit Naxus, bewoog hij Artaphernes, en door diens tusschenkomst Darius, eene vloot uit te zenden om dat eiland te veroveren en de ballingen terug te brengen; de onderneming mislukte echter, daar de perzische admiraal met Aristagoras twist kreeg en de Naxiërs waarschuwde. Uit vrees voor de ontevredenheid van Darius en aangespoord door een bode van zijn schoonvader, bewerkte Arist. nu een opstand van de ionische steden, die omstreeks 500 uitbrak en waarbij de Ioniërs door de Atheners en Eretriërs met schepen ondersteund werden. Hoewel aanvankelijk voorspoedig, werden de Grieken weldra weder door de Perzen bedwongen en Arist., het ergste vreezende, verliet met anderen Miletus om te Myrcinus in Thracië eene volksplanting te stichten; reeds het volgende jaar sneuvelde hij echter in een gevecht tegen de thracische Edoni.

Aristarchus, Aristarchos, 1) van Athene, een van de hevigste oligarchen ten tijde van de regeering der vierhonderd (411), die met anderen van pogingen tot verraad verdacht werd. Toen de democratie hersteld werd, vluchtte hij en maakte hij op de vlucht van zijne betrekking als strateeg gebruik om Oenoë aan de Boeotiërs over te geven.--2) van Tegea, treurspeldichter, tijdgenoot van Euripides.--3) van Samus, alexandrijnsch wis- en sterrenkundige omstreeks 280. Hij leerde dat de aarde zich om de zon en om haar eigen as beweegt. Een werk van hem over de grootte en de afstanden van zon en maan is bewaard gebleven.--4) van Samothrace, de beroemdste taalkundige der oudheid, onderwijzer van een zoon van Ptolemaeus Philometor (Ptolemaeus no. 10). Door Ptolemaeus Physcon (z. Ptolemaeus no. 11) vervolgd, ging hij naar Cyprus, waar hij, 72 jaar oud, stierf (± 144). Van de vele oudere grieksche dichters, die hij grammatisch en critisch behandelde, besteedde hij de meeste zorg aan Homerus, wiens werken hij met verbeterden tekst en met voortreffelijke verklaringen uitgaf. In de scholiën op Homerus vindt men eenige overblijfsels van zijn werk.

Aristeas, Aristeas, 1) van Proconnesus, schreef een gedicht over de Arimaspen, vol fabelen. Men verhaalde van hem, dat hij van tijd tot tijd van de aarde verdween en na een lang tijdsverloop weder verscheen. Te Metapontum had hij den dienst van Apollo ingevoerd.--2) een andere Ar. werd door Ptolemaeus Philadelphus naar Jeruzalem gezonden, om de zeventig vertalers van het Oude Testament te halen. Dit verhaal staat te lezen in een brief, die uit de eerste helft der 1ste eeuw v. C. dateert.

Aristides, Aristeides, 1) Athener, zoon van Lysimachus, geb. omstreeks 540, bijgenaamd de Rechtvaardige. Hij werkte mede aan de hervormingen van Clisthenes, en streed bij Marathon. Na de daar behaalde overwinning was hij archont. Als voorstander eener meer behoudende politiek verzette hij zich tegen de voorstellen van Themistocles, vooral tegen die betreffende de uitbreiding der zeemacht, en zoo scherp stonden de beide tegenstanders tegenover elkander, dat in 482 het ostracismus toegepast moest worden, en Ar. voor tien jaar verbannen werd. In den slag bij Salamis vervoegde hij zich echter weder bij de atheensche vloot en na de overwinning werd hij uit zijne ballingschap teruggeroepen. Bij Plataeae voerde hij de Atheners aan en later voerde hij het bevel over de vloot. Zijn gedrag was mede oorzaak, dat de hegemonie door de Grieken aan de Atheners aangeboden werd. Zoo algemeen was het vertrouwen dat hij genoot, dat hem de inrichting van de nieuwe symmachie werd opgedragen; hij bepaalde hoeveel ieder voor de vloot moest bijdragen en maakte Delus tot bewaarplaats van de bondskas. De groote gebeurtenissen van zijn tijd hadden hem ook in de binnenlandsche politiek van inzicht doen veranderen, en ook onder zijne medewerking werden de burgerlijke rechten, benoembaarheid tot verschillende ambten, enz., aan een grooter deel der bevolking gegeven. Hij stierf in 467 zeer arm; de staat bekostigde zijne begrafenis, zorgde voor zijn zoon en gaf aan zijne dochters een huwelijksgift.--2) van Thebae, beroemd schilder uit den tijd van Alexander d. G.; hij muntte vooral uit in groote en uitvoerige stukken, die veldslagen of veroveringen voorstelden.--3) van Miletus, in de voorlaatste en laatste eeuw v. C., schrijver van Milesiaka, fabulae Milesiae, romantische verhalen uit het leven te Miletus. Het werk was bij de Romeinen zeer gezocht, Sisenna (Cornelii no. 56) leverde eene latijnsche vertaling ervan. Slechts weinige fragmenten zijn overgebleven.--3) grieksch redenaar, zie Aelius Aristides (Aelii no. 10).

Aristion, Aristion, een epicureïsch wijsgeer, die zich met behulp van Archelaus no. 4 tot tyran van Athene opwierp; toen Sulla de stad veroverd had, liet deze hem ter dood brengen (86).

Aristippus, Aristippos, 1) van Cyrene, geb. omstreeks 435, werd in 416 door zijn vader naar Athene gezonden om het onderwijs van Socrates te genieten; na diens dood trad hij eerst te Aegina, later aan het hof van den jongeren Dionysius, vervolgens ook in verscheiden andere steden, o. a. in zijn vaderstad en te Athene als leeraar op. Hij stierf op hoogen leeftijd, misschien op het eiland Lipara. De leer van Aristippus, die de cyrenaeïsche of hedonische genoemd wordt, noemde als hoogste goed het genot, mits men zich niet erdoor liet beheerschen (to kratein kai me hettasthai hedones). Verstand en geestbeschaving stellen den mensch daartoe in staat. Genot is eene zachte beweging, die men met bewustheid ondergaat.--Aristippus was de eenige onder de leerlingen van Socrates, die zich voor zijn onderwijs liet betalen, vandaar dat hij soms sophist genoemd wordt.--2) kleinzoon van den vorigen, door zijne moeder Arete in de wijsbegeerte van zijn grootvader onderwezen (metrodidaktos).

Aristius Fuscus, rom. tooneeldichter en taalgeleerde, vriend van den dichter Horatius.

Aristobulus, Aristoboulos, 1) tochtgenoot van Alexander d. Gr., stelde diens daden te boek; zijn werk was een van de voornaamste bronnen waaruit Arrianus geput heeft.--2) joodsch peripatetisch wijsgeer (± 150), die in verscheiden werken trachtte aan te toonen, dat de grieksche philosophie aan joodsche e. a. oostersche bronnen ontleend was.--3) zoon van den joodschen vorst-hoogepriester Alexander Jannaeus, leefde sedert den dood zijner moeder (69) in oorlog met zijn broeder Hyrcanus, die door Aretas, koning der Nabataeërs, werd ondersteund. Aristobulus riep de hulp in van Pompeius (64); doch toen hij dezen zocht te misleiden, werd hij zelf gevangen genomen en Hyrcanus op den troon geplaatst. Later ontkwam Aristobulus wel, doch hij werd opnieuw gevangen, en toen eindelijk Caesar hem in vrijheid had gesteld en hem troepen had gegeven om Judaea te vermeesteren (49), werd Ar. door zijne vijanden door vergif uit den weg geruimd.

Aristocrates, Aristokrates, 1) koning van Arcadië, die in den tweeden messenischen oorlog de Messeniërs helpen zoude, maar zich door de Spartanen liet omkoopen om hen te verraden. Als verrader werd hij door de Arcadiërs gesteenigd, waarna zij de koninklijke waardigheid afschaften (668).--2) Athener, een van de admiraals die den slag bij de Arginusen wonnen en ter dood veroordeeld werden (406). Vroeger had hij tot de 400 behoord.--3) Spartaan, schrijver van Lakonika, phantastische verhalen. Hij leefde waarschijnlijk in de 1ste eeuw v. C.

Aristodemus, Aristodemos, 1) een Heraclide, vader van Eurysthenes en Procles, die bij den terugtocht naar de Peloponnesus te Naupactus door den bliksem gedood werd. De Lacedaemoniërs verhaalden echter dat hij nog in Lacedaemon geregeerd had en dat zijne beide zonen in Lacedaemon geboren waren.--2) de held van den eersten messenischen oorlog, die ingevolge een orakel zijne dochter voor het vaderland opofferde. Later werd hij tot koning verkozen en voerde hij den oorlog langen tijd met groote dapperheid; toen echter de verdere verdediging hopeloos was, beroofde hij zich bij het graf zijner dochter van het leven (724).--3) tyran van Cumae in Campanië, erfgenaam van Tarquinius Superbus, die zijne laatste levensjaren bij hem doorbracht.--4) de eenige Spartaan die bij de Thermopylae niet sneuvelde; in Sparta werd hij daarom als een lafaard geschuwd, later sneuvelde hij echter roemrijk bij Plataeae.

Aristogiton, Aristogeiton, 1) z. Harmodius.--2) atheensch redenaar, bijgenaamd kyon, tegenstander van Demosthenes, Dinarchus, Lycurgus en Hyperides.

Aristoi, een van de namen, waarmede de edele geslachten in aristocratische republieken zich noemden. De naam berust op vooronderstelde voortreffelijkheid in deugd, beschaving, krijgskunst, enz.

Aristomachus, Aristomachos, zoon van Cleodaeus, achterkleinzoon van Heracles. Steunende op een orakel, deed hij eene poging om de Peloponnesus te heroveren, maar daar hij het orakel verkeerd uitgelegd had, mislukte de onderneming en hijzelf sneuvelde door de hand van Tisamenus.

Aristomenes, Aristomenes, 1) Messeniër, die zijne landgenooten tot een opstand tegen Sparta aanspoorde (684), waarvan de tweede messenische oorlog het gevolg was. De koninklijke waardigheid, die hem wegens zijne uitmuntende dapperheid werd aangeboden, wees hij af; toch was hij de ziel van den oorlog en bracht hij de vijanden meer dan eens in het nauw. Meermalen geraakte hij in het grootste levensgevaar, driemaal viel hij in handen der Spartanen, maar telkens ontkwam hij den dood op wonderdadige wijze, zelfs toen hij reeds te Sparta in den Caeadas geworpen was. Toen met den val der vesting dra de oorlog ten nadeele der Messeniërs eindigde, ging Arist. naar Ialysus, waar hij na zijn dood als heros vereerd werd.--2) atheensch blijspeldichter, tijdgenoot van Aristophanes.--3) Acarnaniër, die onder Ptolemaeus Epiphanes minister was en Aegypte verstandig bestuurde (202-192); aanvankelijk zeer door den koning bemind, werd hij, toen zijne vrijmoedigheid dezen lastig begon te worden, vergiftigd.

Ariston, ontbijt, werd in de oudste tijden vroeg in den morgen, later tegen den middag gebruikt (= prandium). Wat men 's morgens vroeg nuttigde, heette akratisma of ariston proinon of ook wel alleen ariston.

Ariston, Ariston, 1) van Chius, stoicijnsch wijsgeer omstreeks 275. Ofschoon hij een leerling van Zeno was, liet hij een groot deel van diens leer als nutteloos vallen; volgens hem bestaat er niets tusschen deugd en ondeugd; de deugd is het hoogste goed, al het andere is den wijze onverschillig. Om hem van zijn naamgenoot te onderscheiden wordt hij soms Seiren of Phalanthos bijgenaamd.--2) van Ceus, volgde omstreeks 226 zijn leermeester Lyco als hoofd der peripatetische school op.

Aristonicus, Aristonikos, 1) atheensch redenaar, aanhanger van Demosthenes, werd in 322 door Antipatrus gedood.--2) tyran van Methymna op Lesbus, door Alexander den Gr. gevangen genomen en aan de verbitterde Methymnaeërs uitgeleverd, die hem den marteldood deden ondergaan.--3) natuurlijke zoon van Eumenes II van Pergamus. Toen zijn broeder Attalus III in 133 zijn rijk aan de Romeinen naliet, beproefde Aristonicus zich met de wapenen tegen de uitvoering van het testament te verzetten, doch hij werd ten slotte door M. Perperna overwonnen, in zegepraal door Rome gevoerd en vervolgens in de gevangenis gewurgd.--4) alexandrijnsch taalgeleerde, tijdgenoot van Cicero, die zich vooral met de studie van Homerus bezig hield.

Aristophanes, Aristophanes, 1) de grootste der atheensche blijspeldichters, waarschijnlijk geb. in 444, gest. in 385. Over zijn leven is weinig bekend. In zijne stukken, die zich bijna alle op politiek gebied bewegen, kiest hij zeer beslist partij tegen het rustelooze drijven van de oorlogspartij en tegen de demagogen en de door hen meer en meer ontaardende democratie. Misschien beoordeelt hij in zijne bewondering voor het voorgeslacht zijn eigen tijd wel wat al te streng, in ieder geval spreekt uit zijne werken oprechte vaderlandsliefde, en kan het niet verwonderen dat hij vurig verlangde naar rustiger en gelukkiger tijden dan die, waarin hij werkzaam was. Hij werkte voor het tooneel van 427-388, in dien tijd schreef hij 40 (v. a. 50) stukken, terwijl nog vier door sommigen aan hem, door anderen aan Archippus toegeschreven werden. Hiervan bestaan, behalve een groot aantal fragmenten, nog elf, de eenige overblijfsels der oude attische comedie die in hun geheel bewaard zijn. Het zijn de Acharnes, opgevoerd bij de Lenaia (Jan.-Febr.) van het jaar 425, Hippes (Lenaea 424), Nephelai, (oorspronkelijk opgevoerd bij de Dionysia van het jaar 423, toen het stuk gevallen is; over is slechts de omwerking), Sphekes (opgevoerd Lenaea 422), Eirene (Dionysia 421), Ornithes (Dionysia 414), Lysistrate (Lenaea 411), Thesmophoriazousai (Dionysia 411), Batrachoi (Lenaea 405), Ekklesiazousai (389, v. s. 392), Ploutos (388). Zij munten uit door taal en versbouw, vinding en geest, al moge de scherts ons dikwijls wat ruw toeschijnen.--2) van Byzantium, geb. omstreeks 260, studeerde te Alexandrië onder Zenodotus en Callimachus en werd een uitstekend taalgeleerde. Hij bezorgde uitgaven van Homerus en andere dichters en voerde het gebruik van accenten in. Hij stierf, 77 jaar oud, als bibliothecaris te Alexandrië.

Aristophon, Aristophon, 1) atheensch redenaar en staatsman na de verdrijving van de dertig.--2) ho Azenieus, invloedrijk redenaar en staatsman, bij wien Aeschines schrijver was.

Aristoteles, Aristoteles van Stagirus, zoon van den arts Nicomachus, geb. 384, ging in 367 naar Athene, waar hij tot den dood van Plato diens leerling bleef. Toen deze in 347 gestorven was, begaf hij zich naar zijn vriend Hermeas, vorst van Atarneus, en na diens val (345) naar Mytilene, van waar hij echter spoedig (342) naar Macedonië geroepen werd om de opvoeding van Alexander op zich te nemen. Deze toonde ook in later jaren steeds de hoogste achting voor zijn leermeester; Stagirus, dat door Philippus verwoest was, werd weder opgebouwd en ontving eene staatsregeling, die Ar. ontworpen had; ook bij zijne natuurkundige studiën ontving de wijsgeer veel steun van den koning, die hem met groote kosten het noodige materiaal verschafte. In 335 kwam hij weder te Athene en trad hij als leeraar der wijsbegeerte op; reeds bij zijn eerste verblijf aldaar had hij onderwijs gegeven in de welsprekendheid en had hij zich als een tegenstander van Isocrates doen kennen. Na den dood van Alex. werd hij door de antimacedonische partij van godslastering aangeklaagd en vluchtte hij naar Chalcis op Euboea, waar hij spoedig stierf (322).--Zijne voordrachten hield Arist. al wandelend in de schaduwrijke dreven (peripatoi, vandaar de peripatetische school) van het Lyceum voor eene talrijke schare toehoorders, en wel des morgens voor zijne eigenlijke leerlingen over meer bepaald wijsgeerige vraagpunten (akroamatika of esoterika), des avonds voor een groot publiek over populaire onderwerpen (exoterika). Zoo waren ook zijne buitengewoon talrijke werken (minstens 146 titels zijn bekend) deels populair, deels streng wetenschappelijk. Van de laatste soort zijn er genoeg bewaard gebleven om ons zijn veelomvattende kennis zoowel als zijne wetenschappelijke methode te doen bewonderen. Volgens Ar. is de wijsbegeerte het onderzoek naar de eerste oorzaken van het bestaande, en om met vrucht aan zulk een onderzoek te kunnen beginnen is eene uitgebreide kennis van het bestaande, berustend op nauwkeurige waarneming, noodig; tot het opbouwen van een wijsgeerig stelsel moeten dus alle wetenschappen te hulp geroepen worden, en inderdaad behandelen zijne werken zoowel logica, rhetorica, poëzie en kunst in het algemeen, als wiskunde, botanie, zoölogie, physiologie en psychologie, om eindelijk te komen tot ethica, staatswetenschap en, wat hij de eerste philosophie noemt, methaphysica. Al wat bestaat heeft stof en vorm, in de stof ligt de mogelijkheid, kiem, aanleg (potentieel bestaan, dynamis), van de individuen, maar eerst de vorm geeft hun individueel wezen (actueel bestaan, energeia, entelecheia), daarom staat vorm hooger dan stof, en is het volmaakste dat men zich kan voorstellen, d. i. de godheid, volstrekt onstoffelijke vorm of geest. Voor den mensch ligt het grootste geluk in verstandige en deugdzame werkzaamheid, die uit den aard der zaak door genot bekroond wordt.--Ar. heeft bij zijn leven slechts weinige wetenschappelijke werken uitgegeven; de meeste van zijne handschriften met zijn geheele bibliotheek liet hij aan zijn leerling Theophrastus na; eerst door Apellicon van Teos werden zij gevonden en uitgegeven. Een van zijne werken is eerst 1890 in Egypte gevonden. De leer van Ar. schijnt bij de Romeinen niet veel beoefenaars gevonden te hebben, in de middeleeuwen echter en nog tot het midden der 17e eeuw werd zij aan alle hoogescholen als de eenige ware onderwezen, totdat zij door nieuwere stelsels verdrongen werd.

Aristoxenus, Aristoxenos, van Tarente, een van de beste leerlingen van Aristoteles; van zijne werken is eene verhandeling over de muziek bewaard gebleven. Bovendien beschreef hij de levens van wijsgeeren, dichters enz.

Aristus, Aristos, 1) van Salamis op Cyprus, beschreef, in de eerste helft der 2de eeuw, de geschiedenis van Alexander d. G.--2) van Ascalon, omstreeks het midden der eerste eeuw hoofd der academie te Athene, vriend van Cicero en onderwijzer van M. Brutus.

Arius, omstreeks 260 n. C. in Cyrenaïca geboren, was onder de regeering van Constantijn den Grooten presbyter te Alexandrië en begon in die hoedanigheid een strijd, welke de christelijke kerk in twee vijandige kampen verdeelde. Volgens hem was Christus door den goddelijken wil uit niets geschapen en had alzoo niet van eeuwigheid af bestaan, en was dus niet gelijk aan (homoios), maar eenswezend (homoiousios) met God. Tegenover hem hielden Alexander, bisschop van Alexandrië, en diens opvolger Athanasius staande, dat Vader en Zoon gelijk waren en beiden van alle eeuwigheid af hadden bestaan. Op het concilie van Nicaea (325 n. C.) werd de leer van Arius veroordeeld en hijzelf uit de kerk gestooten. De keizer evenwel, gebelgd dat men een vonnis had geveld buiten hem om, en willende toonen, dat hij heer was ook over de kerk, verleende Arius gratie, riep hem later naar Constantinopel en verbande daarentegen Athanasius. Bij eene processie in Constantinopel kwam Arius plotseling op raadselachtige manier om het leven (336 n. C.). De strijd in de kerk tusschen het Arianisme en de orthodoxe leer werd omstreeks twee eeuwen lang met groote heftigheid gevoerd. De Gothen waren Arianen.

Ariusia, Ariousia chora, kuststreek aan den N. W. kant van het eiland Chius, waar de beste wijn groeide.

Armene, Armene, stad aan de kust van Paphlagonia, ten W. van Sinope.

Armenia, Armenia, uitgestrekt bergland ten Z. en Z. W. van de Caucasusgewesten, met de bronnen van den Euphraat en den Tigris, terwijl de Araxes en de Cyrus naar de Caspische zee stroomen. Ten W. van dit land, door den noordelijken Euphraat-arm er van gescheiden, lag Armenia minor, dat somtijds tot Cappadocia werd gerekend, ook een tijd lang met Pontus was vereenigd, en later ook als zelfstandige staat voorkomt. De bevolking van Armenia bestond uit twee standen, den armenischen adel, die van arischen stam was, en lijfeigene boeren, afstammelingen eener vroegere bevolking. Het land was een soort van feudaalstaat en omvatte een aantal gouwen en vorstendommen, als Chorzianene, Sophene, Arzanene, Moxoene, Gordyene, enz., die ten deele slechts middellijk onder den koning stonden. Buiten de vorstelijke residentiën, als Armauria, Artaxata, Tigranocerta, bevatte het land weinig belangrijke steden. Armenia maakte achtereenvolgens deel uit van het assyrische, het babylonische, het perzische, het macedonische, het syrische rijk, tot het, omstreeks twee eeuwen v. C. zich van dit laatste losscheurde. De eerste koning van Armenia maior was Artaxias, een gewezen veldheer van Antiochus III, terwijl een ander generaal, Zariadres, Klein-Armenië in bezit nam. De armenische koning Tigranes (97-56) breidde zijne heerschappij zelfs over Syria uit, dat hem echter door de Romeinen weder werd ontrukt. Sedert werd Armenia van Rome afhankelijk, doch werd nu en dan overheerd door de Parthen. Traianus maakte er, 114 na C., eene rom. provincie van, doch Hadrianus liet het weder los. Marcus Aurelius heroverde het in 163, doch slechts voor korten tijd. Wanneer in lateren tijd van eene provincie Armenia sprake is, moet hieronder Armenia minor worden verstaan.

Armilla, armband. Vooral bij de oostersche volken werden zij door personen van rang en aanzien gedragen, ook bij de Galliërs. In Griekenland waren de armillae hoofdzakelijk een sieraad voor vrouwen; bij de Romeinen komen zij ook voor als eereblijken voor krijgslieden. Men vond ze in verschillende fatsoenen, zoowel in spiraalvorm, als in den gewonen ringvorm. Als sieraad droeg men ze zoowel om den pols en den benedenarm (psellion, perikarpion), als om den bovenarm, en ook wel om de enkels (perisphyrion).

Armillum, eene soort van wijnkruik. Het spreekwoord anus ad armillum wordt gebezigd voor personen, die gedurig weder tot hunne oude gebreken of gewoonten vervallen.

Armilustrium, een jaarlijksch wapenfeest, op 19 Oct. door de Romeinen gevierd op het Armilustrum, aan den voet van den mons Aventinus.

Arminius, zoon van Segimer, opperhoofd der Cheruscers, had in de rom. legers gediend en was door Augustus met het burgerrecht en het ridderschap vereerd. Hij was het, die in 9 n. C. de drie legioenen van den rom. veldheer Quinctilius Varus in het Teutoburgerwoud in eene hinderlaag lokte en vernietigde. Door Germanicus werd hij bij herhaling verslagen (15 en 16 n. C.); zijne vrouw Thusnelda en zijn zoon Thumelicus vielen den Romeinen in handen en moesten den zegetocht des overwinnaars opluisteren. Thumelicus stierf later als zwaardvechter. Arminius zelf streed daarna met geluk tegen de Marcomannen onder Maroboduus, maar viel in 19 (v. a. in 21) door sluipmoord, door zijn eigen bloedverwanten beschuldigd dat hij naar de heerschappij stond.

Armorica = Aremorica.

Arna, Arna, stad in Umbria ten O. van Perusia.

Arnae, Arnai, stad op Chalcidice.

Arne, Arne, z. Aeolus.

Arne, Arne, 1) stad in Thessaliotis, later Cierium geheeten.--2) stad in Boeotia, in het Copaïsche meer verzonken.

Arnissa, Arnissa, stad in het macedonische landschap Eordaea.

Arnobius, te Sicca in Numidia geboren en hierom Afer bijgenaamd, was een geacht rhetor ten tijde van Diocletianus. Hij omhelsde het christendom en is bekend als schrijver van een werk in zeven boeken, adversus gentes (ethne = heidenen).

Arnon, Arnon, rivier in Palaestina ten O. van den Jordaan, die zich in de Doode zee stort.

Arnus, voornaamste rivier van Etruria, thans Arno.

Aromata, ta Aromata, kaap en stad aan de invaart der Arabische golf, de oostelijke punt van Afrika, thans kaap Guardafui.

Arpi, stad in Apulia, volgens de sage gesticht door Diomedes, toen deze op zijn terugtocht uit Troje door storm op de daunische kust was geworpen. De plaats zou toen eerst Argos hippion hebben geheeten, welke naam verbasterd zou zijn tot Argyripa en vervolgens tot Arpi. Het was eene bloeiende handelsstad tot in den tweeden punischen oorlog. Na den slag bij Cannae namelijk koos Arpi de zijde van Hannibal (216), doch werd drie jaar later door de Romeinen heroverd en met het verlies zijner vrijheid gestraft, waarna het spoedig in verval kwam.

Arpinum, volscische stad in Latium ten N. van Fregellae, sedert 303 met de civitas sine suffragio, in 188 ook met het stemrecht begiftigd, geboorteplaats van Marius en van Cicero, wiens vaderlijke woning en landhuis dáár lag, waar de bergbeek Fibrenus in den Liris stroomt.

Arretium, thans Arezzo, eene der oude 12 hoofdsteden van Etruria, aan den voet der Apennijnen gelegen, nabij de bronnen van den Tiberis en den Arnus, in eene vruchtbare streek. De stad bloeide door industrie en was beroemd door hare wapenfabrieken en vooral sedert de eerste eeuw v. Chr. door hare vazen, uit fijne, roode porceleinaarde gebakken en smaakvol met figuren en relief versierd. Deze vazen werden niet op de schijf gedraaid, maar in vormen geperst.

Arrha of arrhabo, arrabon, ook arra en arrabo geschreven, handgift, godspenning, bij het sluiten eener overeenkomst gegeven, ook wel bij contracten van koop en verkoop. Ook bruidsgeschenk bij eene verloving.

Arrhephoria, Arrephoria, feest dat jaarlijks in de maand Scirophorion (Juni-Juli) te Athene ter eere van Athena gevierd werd. Twee meisjes van 7 tot 11 jaar, die een jaar te voren door den Archon Basileus benoemd waren, en het geheele jaar op de Acropolis vertoefd hadden en aan den dienst van Athena Polias verbonden waren geweest (arrephoroi), brachten des nachts uit den tempel der godin een korf, waarvan de inhoud aan niemand bekend was, naar een naburige grot en brachten van daar een pak terug, waarvan men evenmin den inhoud wist. Daarop werden zij ontslagen.

Arrhidaeus, Arridaios, zoon van Philippus van Macedonië en de danseres Philine. Na den dood van Alexander d. G. werd hij onder den naam van Philippus tot koning uitgeroepen, hij was echter wegens zijne zwakke geestvermogens niet in staat zelf te regeeren, zoodat in werkelijkheid de veldheeren van Alexander alle macht in handen hielden. In 317 werd hij met zijne gemalin Eurydice door Olympias vermoord.

Arria, echtgenoote van Caecina Paetus. Toen deze onder de regeering van keizer Claudius wegens samenzwering ter dood was veroordeeld (42 n. C.), en aarzelde zichzelf om het leven te brengen, stiet Arria zich eerst den dolk in de borst en reikte hem toen haren echtgenoot toe met de woorden: "Paetus, het doet geen pijn." Hare dochter Arria was gehuwd met Paetus Thrasea, die op last van Nero moest sterven, omdat hij te onverholen zijn afkeer van diens daden te kennen gaf.

Arrianus (Flavius), Arrianos, van Nicomedië, stoicijnsch wijsgeer en geschiedschrijver, leerling van Epictetus. Door de gunst van keizer Hadrianus werd hij, hoewel Griek, senator en tusschen 121 en 124 n. C. consul suffectus, daarna (131-137 n. C.) stadhouder van Cappadocië, in welke betrekking hij met roem tegen de Alanen streed. Na 147 woonde hij te Athene, waar hij het burgerrecht, archontaat e. a. eerambten kreeg. Van zijne geschiedkundige, krijgskundige en wijsgeerige geschriften zijn eenige bewaard gebleven, daaronder zijn voornaamste werk, de geschiedenis der veldtochten van Alexander, Anabasis Alexandrou, in stijl en bewerking een navolging van Xenophon, dat reeds bij de ouden voor het beste boek over dit onderwerp gehouden werd. Zie ook Epictetus.

Arrius (Q.), een man van geringe afkomst, die het echter tot praetor had weten te brengen, is bekend door het prachtige feestmaal, dat hij bij zijns vaders uitvaart gaf, in 59, om daardoor stemmen te werven voor zijne verkiezing tot consul. Hiervan onderscheiden is een andere Q. Arrius, die als rom. veldheer in den zwaardvechtersoorlog voorkomt, in 72, toen hij Crixus versloeg, en die eigenlijk Verres als pro-praetor van Sicilië had moeten opvolgen, hetgeen door de moeilijkheden van den zwaardvechtersoorlog verhinderd werd.

Arrogatio heette de aanneming tot zoon van iemand, die sui iuris was. Dit was voor hem, die zich liet arrogeeren, eene capitis deminutio (z. a.). Hij verloor den status familiae; er ging dus eene familia verloren. Uit dien hoofde werd hiertoe telkens eene wet vereischt, die door de curiën moest worden goedgekeurd. Daar elke familia hare sacra had, zoo moest aan de stemming eene verklaring der pontifices voorafgaan, dat uit het oogpunt van godsdienst geen bezwaar tegen de arrogatio was. Hoewel nu de aangenomen zoon den geslachts- en den familienaam van zijn adoptiefvader aannam, zoo werden toch mannen, die reeds op rijperen leeftijd zich tot zoon lieten aannemen, dikwijls nog bij hun ouden naam genoemd. Zie ook adoptio.

Arruns = Aruns.

Arruntii, plebejisch geslacht.

Arsaces, Arsakes. In het midden der derde eeuw kwam zekere Arsaces, volgens sommigen van scythische, volgens anderen van perzische afkomst, in opstand tegen den syrischen koning Antiochus II. Het gelukte hem, rondom de stad Hecatompylos een klein rijk te stichten, dat onder zijne opvolgers door veroveringen zich uitbreidde tot het later zoo machtige parthische rijk. De door Arsaces I gestichte dynastie wordt die der Arsaciden genoemd. De eigenlijke grondlegger van de macht der Parthen was de broeder en opvolger van Arsaces I, Arsaces II Tiridates (248-211), die na eene schitterende overwinning op de Syriërs (238) zijne regeering over Hyrcania, Aria, Drangiana en Sogdiana uitbreidde. Na hem regeerden nog acht of negen en twintig koningen, die allen, behalve hun anderen naam, ook den naam of titel Arsaces hebben gevoerd. De laatste, Artabanus IV, kwam in 227 na C. om, toen, in plaats van het parthische, een nieuw-perzisch rijk verrees, onder de dynastie der Sassaniden.

Arsacia, Arsakia, stad in Media, door Arsaces, den stichter van het parthische rijk, gebouwd, hetzij op de plaats, waar de door eene aardbeving verwoeste stad Rhagae of Europus had gestaan, hetzij op weinige uren afstands van daar.

Arsamosata, sterke vesting in het armenische landschap Sophene.

Arsanias, naam van den zuidelijksten der beide rivierarmen, die te zamen den Euphraat vormen.

Arses, Arses, jongste zoon van Artaxerxes Ochus, werd door Bagoas na het vergiftigen van zijn vader op den troon gezet (338), doch werd op zijne beurt na eene regeering van drie jaar door denzelfden Bagoas vermoord.

Arsia, grensrivier tusschen Histria en Liburnia, sedert Augustus, die Histria bij Italië gevoegd heeft, grensrivier tusschen Italië en Liburnia.

Arsia silva, woudstreek op de grenzen van Etruria en Latium, waar L. Junius Brutus in den slag tegen de Tarquiniussen sneuvelde (509).

Arsinoe, Arsinoe, 1) voedster van Orestes, die hem uit de handen van Clytaemnestra redde.--2) z. Anaxarete.--3) z. Alphesiboea.--4) z. Asclepius.--5) z. Barsine.--6) moeder van Ptolemaeus I.--7) dochter van Ptolemaeus I en Berenice, huwde met Lysimachus (z. a.). Na diens dood leefde zij eerst te Ephesus, daarna te Cassandrea in Macedonië, van waar zij door haar stiefbroeder Ptolemaeus Ceraunus verjaagd werd. Later (tusschen 278 en 274), nadat zij Arsinoe no. 8 had laten verbannen, huwde zij met haar broeder Ptolemaeus II, die haar naam aan vele steden en aan een district in Aegypte gaf en na haar dood groote gedenkteekenen te harer eere liet oprichten. Zij was een buitengewoon heerschzuchtige vrouw.--8) dochter van Lysimachus, gehuwd met Ptolemaeus II, smeedde een aanslag tegen hem uit haat tegen zijne zuster Arsinoë, en werd daarom naar Coptus in Boven-Aegypte verbannen.--9) ook, maar ten onrechte, Eurydice of Cleopatra genoemd, dochter van Ptolemaeus III, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus IV. Zij nam deel aan den slag bij Raphia (217). Later (tusschen 210 en 205) liet haar echtgenoot haar om onbekende redenen vermoorden.--10) dochter van Ptolemaeus XI Auletes, gedurende de gevangenschap van haar broeder koningin van Aegypte, werd later door Caesar in triomf naar Rome gevoerd; zij werd daarna vrijgelaten, maar op aanstoken van Cleopatra liet Antonius haar te Ephesus (41) vermoorden.--11) echtgenoote van Magas, verschrijving voor Apama (z. a. no. 2).

Arsinoe, Arsinoe, naam van verschillende steden, waaronder ééne op Cyprus (z. Marium), ééne in Cilicia, ééne in Cyrenaica, die vroeger Tauchira heette, en twee in Aegyptus. Van deze laatste lag de eene, te voren Crocodilopolis geheeten, aan het meer Moeris, ten W. van den Nijl; de andere lag aan den noordwestelijken inham der Arabische golf.

Artabanus, Artabanos, broeder van den perzischen koning Darius Hystaspis, en dus oom van Xerxes, ontried vruchteloos aan beide vorsten den tocht tegen Griekenland.--Een andere Artabanus, een Hyrcaniër, bevelhebber van Xerxes' lijfwacht, wilde het koningshuis uitroeien en bracht in 465 den koning en diens oudsten zoon om het leven; de tweede zoon evenwel, Artaxerxes I, voorkwam den moordenaar, die nu zelf ter dood werd gebracht.--Onder de parthische Arsaciden vindt men een viertal koningen, die den naam Artabanus dragen.

Artabazanes, Artabazanes, oudste zoon van Darius Hystaspis, die voor zijn halfbroeder Xerxes van zijne aanspraken op de troonopvolging moest afzien, omdat hij geboren was voordat Darius aan de regeering kwam. Hij sneuvelde in den slag bij Salamis.

Artabazes, Artabazes = Artavasdes.

Artabazus, Artabazos, 1) perzisch veldheer, die Xerxes naar Griekenland volgde, Olynthus veroverde en na den slag bij Plataeae onder de grootste moeilijkheden met 40000 man over land naar Byzantium terugtrok. Hij diende als tusschenpersoon bij de onderhandelingen tusschen Xerxes en Pausanias.--2) veldheer onder Artaxerxes II en satraap van Lydië en Phrygië onder Artaxerxes III. Tegen laatstgenoemde kwam hij in 356 in opstand, maar hoewel hij gevangen genomen werd, schonk de koning hem genade. De buitengewone getrouwheid, waarmede hij Darius Codomannus diende, bewoog Alexander, hem satraap van Bactrië te maken, welke waardigheid hij om zijn hoogen leeftijd echter slechts kort behield.

Artace, Artake, stad en haven ten W. van Cyzicus. Ook een eilandje daar vlak bij.

Artaphernes of Artaphrenes, Artaphernes, -phrenes, 1) broeder van Darius Hystaspis, satraap van Lydië, z. Aristagoras.--2) zoon van den vorigen, een van de aanvoerders der Perzen in den slag bij Marathon, en van de lydische en mysische troepen in den slag bij Salamis.

Artaunum, vesting, door Drusus aangelegd en door Germanicus versterkt, vermoedelijk ergens in het Taunusgebergte.

Artavasdes of Artabazes, Artabazes, Artabasdes, 1) koning van Armenia, zoon van Tigranes I, koos in de oorlogen der Romeinen tegen de Parthen tijdens Crassus en later tijdens Antonius (36) de zijde der Romeinen, doch verliet hen weder. Antonius maakte zich van zijn persoon meester en liet hem geboeid te Alexandrië voor zijn triumfwagen uitgaan. Na den slag bij Actium werd hij op last van Cleopatra omgebracht (30).--2) zoon van no. 1, gewoonlijk Artaxes geheeten, moest voor de Romeinen vluchten en week naar de Parthen, die hem op den troon herstelden. Later riepen de Armeniërs zelven de hulp der Romeinen tegen hem in; doch voordat nog het rom. leger het armenische gebied had bereikt, was de koning reeds door samenzweerders vermoord (20).--3) koning van Media Atropatene, was een bondgenoot van Antonius tegen zijn armenischen naamgenoot, doch werd later zelf door de verbonden Parthen en Armeniërs uit zijn eigen rijk verjaagd.

Artaxata, ta Artaxata, sterke vesting en hoofdstad van Armenia, door den eersten armenischen koning Artaxias aan den Araxes gebouwd (189) volgens een ontwerp van Hannibal, die een poos bij hem verblijf hield. De stad werd in 58 n. C. door de Romeinen onder Corbulo veroverd en verbrand, maar kort daarop door koning Tiridates onder den naam Neronia herbouwd. Ook in later tijd heet de stad echter gewoonlijk Artaxata.

Artaxerxes, Artaxerxes, naam van perzische koningen: 1) Art. I Makrocheir (Longimanus), zoon van Xerxes (z. Artabanus), reg. 465-425, gedurende welken tijd hij met vele opstanden te kampen had. Vooral gevaarlijk en moeilijk te onderdrukken was de opstand der Aegyptenaren onder Inaros, die door de Atheners met schepen ondersteund werd. Omtrent den Cimonischen vrede z. Cimon a. h. e.--2) Art. II Mnemon, zoon en opvolger van Darius II, reg. 404-358. Reeds dadelijk bij het begin zijner regeering trachtte zijn jongere broeder Cyrus, satraap van Lydië, Phrygië en Cappadocië hem van den troon te stooten, hij sneuvelde echter in den slag bij Cunaxa (401). In 400 zonden de Spartanen, die door de aziatische Grieken te hulp geroepen waren, een leger naar Azië, dat, vooral onder Agesilaus, aanmerkelijke voordeelen behaalde op de satrapen Tissaphernes en Pharnabazus, zoodat Agesilaus reeds hoop voedde op de verovering van het geheele perzische rijk, welks inwendige zwakheid in dezen oorlog duidelijk gebleken was. Het gelukte Art. echter in Griekenland zelf een oorlog tegen de Spartanen te verwekken, waardoor zij genoodzaakt waren Agesilaus terug te roepen. Ook tegen Aegypte, dat onder Nectanebis weder opgestaan was, tegen Euagoras van Cyprus en tegen vele afvallige satrapen moest Art. langdurige en moeilijke oorlogen voeren. Even ongelukkig was hij in zijn familieleven. Bij de vele hofintriges, die dikwijls een bloedig einde hadden, kwam nog het slechte gedrag zijner zonen, waarvan de oudste, Darius, tot troonopvolger bestemd, een zamenzwering smeedde om zijn vader te laten vermoorden, en daarom op diens bevel ter dood gebracht werd.--3) Art. III Ochos, zoon van Art. II, reg. 358-338, een wreed tiran, die bijna zijne geheele familie liet vermoorden. Met de hulp van grieksche huurtroepen onderwierp hij Aegypte en Phoenicië en bedwong hij den opstand van Artabazus. Hij regeerde geheel onder den invloed van zijn gunsteling, den Aegyptenaar Bagoas, die hem eindelijk vergiftigde.--4) Artaxerxes I, stichter van het nieuw-perzische rijk 227 n. C. (v. s. 224 n. C.) en van de dynastie der Sassaniden. Hij regeerde in Perzië sedert 211, maar versloeg den laatsten koning der Parthen, Artabanus, in 227, en noemde zich sedert dien tijd "koning der koningen van Iran." Hij stierf in 241 of 242 en werd opgevolgd door zijn zoon Sapores I. In 223 voerde hij oorlog met den romeinschen keizer Severus Alexander. Zie verder Sassanidae.

Artaxes = Artavasdes no. 2.

Artaxias, Artaxias, generaal van den syrischen koning Antiochus III, en stadhouder van Armenia, maakte zich omstreeks 188 onafhankelijk en stichtte het armenische rijk. Antiochus IV Epiphanes versloeg hem wel en nam hem zelfs gevangen, doch kon Armenia niet heroveren. Ook de volgende koningen van Armenia maior komen, behalve onder hun eigen naam, ook onder den naam of titel Artaxias voor.

Artemidorus, Artemidoros, 1) alexandrijnsch taalgeleerde uit de 1ste eeuw v. C., leerling van Aristophanes. Hij schreef over het dorisch dialect en gaf de bucolici uit.--2) van Ephesus, beschreef omstreeks 100 zijne reizen in een geographisch werk, dat door latere schrijvers veel gebruikt werd en waarvan nog een uittreksel bestaat.--3) van Ephesus, leefde te Rome onder Hadrianus en schreef een Droomboek (Oneirokritika), dat zoowel over de mythologie als over de zeden van zijn tijd belangrijke bizonderheden bevat.

Artemis, Artemis, Diana, dochter van Zeus en Leto, tweelingzuster van Apollo, met wien zij vele punten van overeenkomst heeft. Evenals hij, brengt ook zij met hare pijlen een plotselingen dood, vooral aan vrouwen, en straft zij hen, die de wetten en het recht overtreden, maar ook eveneens is zij eene ongelukafwerende, heilaanbrengende godin (Soteira). Vooral vrouwen neemt zij onder hare bescherming, geeft schoonheid en gezondheid aan jonge meisjes en staat de vrouwen bij in barensnood (Eileithuia); ook doet zij jonge kinderen opgroeien (Kourotrophos), zooals zij hare zorgen uitstrekt over alles wat in de natuur jong en zwak is. Hier en daar komt zij voor als verzoenende en orakelgevende godin, of als godin der schoone kunsten; zelve vermaakt zij zich met hare nimfen gaarne met den dans, en ook op den Olympus voert zij den reidans aan. Bijzonder treedt zij op den voorgrond als godin der jacht (Agrotera), zij begunstigt de jagers en geeft hun goede vangst, en zelve maakt zij van hare nimfen vergezeld, op het wild jacht, vooral in de wouden en op de bergen van Arcadië en Lacedaemon. Voor liefde is zij ontoegankelijk, zij is en blijft de maagdelijke godin (Earthenos), die alle aanslagen op hare eerbaarheid streng bestraft en ook bij sterfelijke vrouwen de kuischheid beschermt. Oorspronkelijk was Artemis eene maangodin en ook later wordt zij dikwijls voor dezelfde gehouden als Hecate en Bendis. In de oudste tijden werden haar menschenoffers gebracht, die later wel afgeschaft werden, maar waarvan op enkele plaatsen altijd sporen overbleven. Te Sparta bijv. werden jaarlijks voor het altaar van Artemis Orthia knapen gegeeseld, tot hun bloed op het altaar spatte. De Grieken zelf beweerden dat de Artemis, die zulke bloedige offers eischte, de taurische was (Tauropolos), in wier dienst Iphigenia in Tauris priesteres geweest was en wier beeld en eeredienst Orestes vandaar naar Griekenland had medegebracht. De ephesische Artemis was eene aziatische godin, een verpersoonlijking van de voortbrengende en voedende kracht der natuur. De dienst van Artemis was, evenals die van Apollo, door geheel Griekenland verbreid. De hond, het hert, het zwijn, de beer en de kwartel zijn haar gewijd. Zij wordt gewoonlijk voorgesteld als eene slanke en vlugge jageres, met hoog opgeschorte kleederen, hooge schoenen, pijl en boog; in hare tempels stonden echter ook beelden met lange kleederen, die behalve den boog nog een fakkel droegen. Bij de beelden der ephesische Artemis daarentegen was het geheele lichaam ingewikkeld als eene mummie en geheel met borsten bezet, zinnebeeld van de voedende kracht der godin.

Artemisia, Artemisia, feesten van Artemis.

Artemisia, Artemisia, 1) dochter van Lygdamis, koningin van Halicarnassus, nam met vijf schepen deel aan den tocht van Xerxes tegen Griekenland, en toonde in den slag bij Salamis veel moed en beleid.--2) dochter van Hecatomnus, zuster en gemalin van Mausolus, wiens nagedachtenis zij eerde door de oprichting van een grafmonument, het Mausoleum, dat onder de zeven wonderwerken der oudheid gerekend werd. Zij volgde hem in de regeering over Carië op en stierf in 351.

Artemisium, Artemision, kaap en kuststreek in het Noorden van het eiland Euboea, bekend door den zeeslag tusschen Perzen en Grieken in 480.

Artolaganum, artolaganon, broodkoek, een gebak, dat bereid werd uit meel, wijn, melk, olie en peper, en als lekkernij geprezen wordt.

Aruns, Arrouns, etruscisch woord = jongere zoon, bij de Romeinen eenigszins tot eigennaam geworden. Aldus worden genoemd: een broeder van Tarquinius Priscus, een broeder en een zoon van Tarquinius Superbus, een zoon van Porsenna.

Arvales fratres, een romeinsch priestercollegie van twaalf priesters, wier ambt levenslang was en zelfs door gevangenis of verbanning niet kon verloren worden. Aan hun hoofd stond een magister collegii, die voor den tijd van een jaar uit hun midden werd gekozen. In Mei hielden zij ter eere der Dea Dia (waarschijnlijk Ceres of Tellus), een plechtig offerfeest, de Ambarvalia (z. a.) waarbij een oud lied in saturnische versmaat werd gezongen, en dat met een kostbaren maaltijd werd besloten. Daarbij had een plechtige omgang plaats. Hunne taak was, zooals Varro zegt: sacra facere propterea ut fruges ferant arva. Volgens de sage zou Romulus' pleegmoeder, Acca Larentia, twaalf zonen hebben gehad, en zou Romulus, na den dood van een hunner, diens plaats hebben ingenomen en de broederschap gesticht hebben. In het laatst van de republiek hield het college op te bestaan, maar nadat de dienst een tijdlang door de pontifices was waargenomen, werd het door Augustus in 21 hersteld. Sinds dien tijd bepaalde de plechtigheid zich tot een heilig terrein om een tempeltje van Dea Dia, 5 mijlen ten Z. van Rome aan de via Campana gelegen. Hier zijn in 1570 n. C. en later de verslagen van 96 jaarfeesten op marmer gegrift gevonden, de z.g. acta fratrum arvalium. De fratres droegen bij hun feest kransen van korenaren.

Arverni, welke naam nog voortleeft in Auvergne, waren een der hoofdvolken van Gallia. Ze woonden aan den Elaver (Allier) en in de omliggende bergen, en beheerschten ten tijde van Caesar geheel westelijk Gallia tusschen Liger en Garumna. Hunne hoofdstad was Nemossus, later in Augustonemetum herdoopt (z. a.). Het sterke Gergovia, door Caesar in den strijd tegen Vercingetorix tevergeefs belegerd, lag ook in hun gebied. Vercingetorix zelf was ook een Arverner. Bij de reorganisatie onder Augustus werd hun land bij Aquitania (z. a.) gevoegd.

Arx, akropolis. In ouden tijd had elke aanzienlijke stad eene arx of acropolis, binnen de muren op eene hoogte gelegen, ten einde bij eene overrompeling den inwoners een toevluchtsoord te verschaffen. Over de meeste dezer akropoleis valt niets bizonders te zeggen. Waar iets bizonders er van te vermelden is, zooals bij die van Athene en Rome, zie men de plaatsbeschrijving dezer steden.

Arybas of Arybbas, Arybas, vorst der Molossiërs, oom van Olympias, werd in 342 door zijn neef Alexander van Epirus met de hulp van Philippus verjaagd. De Atheners beloofden hem hulp, maar konden die niet verschaffen. Hij heeft lang in Athene geleefd en stierf in ballingschap. V. a. is hij later naar Epirus teruggekeerd.

Arzanene, Arzanene, landschap van Armenia maior, ten zuiden door den Tigris begrensd.

As, afgeleid van heis, rom. munt, de waarde van een rom. pond (= ongeveer 1/3 kilo) koper voorstellende. Oorspronkelijk gebruikte men vee (pecus) als ruilmiddel. Later kwam het koper in gebruik, eerst in den vorm van gewichten. Een pond koper (pondo aeris) noemde men as (één); dit was verdeeld in 12 unciae. Zoo kon het koper, vooral in kleinere bedragen, het daarvoor minder geschikte vee als ruilmiddel vervangen. Men noemde het daarom pecunia. De overlevering wil, dat men reeds in den koningstijd een in een vorm gegoten hoeveelheid koper van staatswege met een teeken kon laten voorzien, als het gewicht juist was (aes signatum), zoodat het dan niet meer telkens behoefde te worden nagewogen. In 430 bepaalde de lex Julia Papiria (z. a.), dat bij betalingen aan den staat een schaap door tien as (d. i. 10 pond koper) en een koe door 100 as zou worden vervangen; vroeger hing de waardebepaling (aestimatio) van het goedvinden der ambtenaren af. Omstreeks 375 werd de eerste munt te Rome gemaakt, bestaande in groote koperen schijven, nagenoeg een Romeinsch pond zwaar, as libralis geheeten. Ze vertoonden op de eene zijde den voorsteven van een schip, op de andere den kop eener godheid (Janus). De halve as was meest met een Jupiterskop en aan de keerzijde weder met een voorsteven gestempeld, en droeg de letter S (semissis) tot onderscheidingsteeken, terwijl op den geheelen as het merk I was aangebracht. De overige onderdeelen van den as droegen verschillende stempels en zooveel ronde knopjes, als zij unciae waard waren. Het waren de triens = 4 unciae, de quadrans of teruncius = 3 unciae, de sextans = 2 unciae en de uncia. Omstreeks 268 begon men zilveren munten te slaan en wel in drie waarden, den denarius (10 as), den quinarius (5 as), den sestertius (2 1/2 as) z. a.; tot voorbeeld diende de Attische drachme, waarmede de denarius altijd is gelijk gesteld. Tevens muntte men een nieuwen as, die slechts een derde (triens) woog van den oude, den z.g. as trientalis. In 250 werd de as sextantarius ingevoerd, die een zesde (sextans) van het oude gewicht bedroeg = 2 unciae, maar den as trientalis moest vervangen, zoodat er ook van dezen as tien in een denarius gingen. De as werd dus sinds dezen tijd teekenmunt. In 217 werd het gewicht van den as op 1 ons gebracht (as uncialis) en gelijk gesteld met 1/16 van een denarius en 1/4 van een sestertius. Inmiddels werden de oude stukken (aes grave), zoolang ze bestonden, voor een hoogeren prijs verhandeld. Waar in oude wetten, dus ook in boeten, het woord as voorkwam, werd die niet gelijkgesteld met den as uncialis, maar als een sestertius (4 as) berekend. Later werd de as tot op een half ons verkleind, maar de waarde bleef dezelfde = 1/4 sestertius. Hij diende voortaan als pasmunt.--Hoewel de as de oorspronkelijke munteenheid was, werden geldsommen berekend met sestertii. De sestertius (= semistertius, derdehalf) was eerst, overeenkomstig zijn naam, gelijk aan 2 1/2 as, doch werd later (in 217) aan 4 as gelijkgesteld. Z. sestertius.

Asander, Asandros, zoon van Philotas, veldheer van Alexander d. G. Hij werd in 334 stadhouder van Lydië en voltooide de verovering van Halicarnassus door een grooten slag, waarin hij met Ptolemaeus aan Orontobates de nederlaag toebracht.--2) zoon van Agathon. Na den dood van Alex. werd hij stadhouder van Carië, en daar Perdiccas hem die provincie wilde afnemen, ging hij tot de partij van Antigonus over (321). Later sloot hij zich weder bij de vijanden van Antigonus aan, maar moest zich in 313 aan hem onderwerpen.--3) veldheer van Pharnaces II, koning van Bosporus, dien hij bij de nadering van Caesar liet dooden om in zijne plaats te regeeren (47). Caesar liet hem afzetten, doch Augustus gaf hem later de regeering terug.

Asarotum, asaroton, vloer van mozaiekwerk voor een eetzaal, zóó ingelegd, dat het den schijn had, alsof er allerlei overblijfselen van een maaltijd op lagen en hij niet was aangeveegd (sairo). Wanneer dan een der dischgenooten werkelijk iets morste, viel dit niet in het oog.

Asbestus, asbestos (onbrandbaar), asbest of amiant, eene delfstof, waarvan de vezels zich als vlas laten verwerken en waarvan men in de oudheid het asbestinum linum vervaardigde, om er de dooden in te wikkelen, alvorens zij op den brandstapel werden gelegd, opdat hunne asch niet zou verontreinigd worden door die van het hout. Daar zulke lijkwaden zeer kostbaar waren, konden slechts de gegoeden zich deze weelde veroorloven.

Asbolus, Asbolos, een Centaur, die op de bruiloft van Pirithoüs met de Lapithen vocht en later door Heracles gekruisigd werd.

Ascalaphus, Askalaphos, 1) zoon van Ares en Astyoche, koning der Orchomeniërs, nam deel aan den Argonautentocht en sneuvelde voor Troje. V. a. werd hij na de verovering van Troje koning van het eiland Aretias in de Zwarte zee.--2) zoon van Acheron en Gorgyra of Orphne. Toen Persephone uit de onderwereld zou vrijgelaten worden, indien zij er nog niets genuttigd had, verried hij dat zij van een granaatappel geproefd had. Tot straf begroef Demeter hem onder een zwaren steen, en toen Heracles hem later daarvan bevrijdde, veranderde zij hem in een nachtuil.

Ascalon, Askalon, voorname vesting der Philistijnen, later een belangrijke hellenistische stad, op de kust van Palaestina.

Ascania, Askania, 1) meer en omgeving in Bithynia, bij de stad Nicaea.--2) zoutmeer in zuidelijk Phrygia tusschen Colossae en Celaenae.

Ascanius, Askanios, zoon van Aeneas en Creusa, door Vergilius en anderen ook Ilus of Iulus genoemd, ten einde de afstamming van Augustus en de gens Iulia uit Aeneas aan te wijzen, werd door zijn vader uit Trojes ondergang gered en kwam met hem in Latium aan, waar hij Alba Longa stichtte.

Asciburgium, stad aan den linkeroever van den Rijn, in het gebied der Gugerni in Belgica. Het ligt tusschen Vetera en Gelduba.

Asciburgius mons, thans het Reuzengebergte.

Asclepiadae, Asklepiadai, priesters en, naar men meende, afstammelingen van Asclepius. Op Cos, te Cnidus e.e. vormden zij vereenigingen voor de bestudeering en uitoefening der geneeskunde. Te Rome was het de algemeene naam voor geneeskundigen.

Asclepiades, Asklepiades, 1) naam van verscheiden geneeskundigen. Beroemd is de geleerde Ascl. van Prusa in Bithynië, die omstreeks 50 te Rome zijne kunst uitoefende.--2) van Myrlea, beroemd grieksch rhetor te Alexandria, en later te Rome (150-50). Hij heeft een theorie der geschiedbeschrijving samengesteld, waarvan de grondslag is een soortgelijke indeeling in drieën, als men bij de rhetorica vindt, en b.v. door Cicero is uitgewerkt en toegepast. Ook in den keizertijd blijft dit systeem in gebruik.

Asclepiodorus, Asklepiodoros, beroemd schilder, tijdgenoot van Apelles.

Asclepius, Asklepios, Aesculapius, zoon van Apollo en Coronis, dochter van Phlegyas, of Arsinoë, dochter van Leucippus, geb. in Thessalië, te Epidaurus of in Messenië. In de oudste gedichten wordt hij voorgesteld als een heros, die, door Apollo aan Chiron toevertrouwd, door dezen opgevoed werd en van hem o. a. de geneeskunde leerde, waarin hij het zoover bracht dat hij niet alleen vele zieken genas, maar zelfs dooden deed herleven. Toen echter werd hij door Zeus, die niet wilde dat de menschen geheel van de vrees voor den dood bevrijd zouden worden, met den bliksem getroffen en, op verzoek van Apollo, als sterrenbeeld aan den hemel geplaatst. Later werd Ascl. algemeen vereerd als de genezende god, eene hoedanigheid die eigenlijk tot het wezen van Apollo behoort, en had hij heiligdommen in verscheiden plaatsen, vooral zulke die wegens schoone en gezonde ligging, bronnen e. dgl. veel bezocht werden door hen die genezing van ziekten zochten. Daartoe legde men zich, na het vervullen van nauwkeurig omschreven plechtigheden, in of bij den tempel neer, waarop men in den slaap de gewenschte voorschriften van den god ontving, die echter meestal door de priesters verduidelijkt moesten worden. Vooral beroemd was zijn tempel te Epidaurus, rijk begiftigd met de geschenken van herstelde zieken, waar om de vijf jaar te zijner eer een groot feest, Asklepieia, gevierd werd; later was Pergamum de hoofdzetel van zijn eeredienst. De haan, de hond en de geit waren hem gewijd, maar bovenal de slang, waarmede hij steeds afgebeeld wordt en onder welker gedaante de god zelf zich soms vertoont. Z. Aesculapius.

Asconius Pedianus (Q.), geboren te Patavium weinige jaren v. C., overleden 88 na C., v. a. 76 n. C., schrijver van belangrijke aanteekeningen op Cicero's redevoeringen. In 1416 heeft men te St. Gallen een (thans verloren) handschrift gevonden met een gedeelte zijner aanteekeningen, waaronder echter ook van jonger hand.

Ascra, Askra, stadje in Boeotia, aan den voet van den Helicon, geboorte- of verblijfplaats van Hesiodus.

Asculum, naam van twee steden in Italia. 1) Asculum (Ausculum) Apulum, op de grenzen van Apulia en Samnium, waar de Romeinen in 279 door Pyrrhus, koning van Epirus, werden verslagen. (Zie Decii no. 3). Horatius duidt het plaatsje aan door de woorden: oppidulum quod versu dicere non est.--2) Asculum Picenum, hoofdstad van Picenum en romeinsch municipium, in den bondgenootenoorlog verwoest, doch weder opgebouwd.

Asebeias graphe, aanklacht wegens beleediging en bespotting van door den staat erkende goden of wegens heiligschennis. Zulke zaken werden door den archon basileus voor den Areopagus, soms voor de Heliaea gebracht. De straf was niet bij de wet bepaald.

Asia, Asia, Oceanide, moeder van Prometheus.

Asia, Asia. Deze naam heeft verschillende beteekenissen. Vooreerst verstaat men er het werelddeel onder, dat van Europa door den Tanaïs (Don), de Palus Maeotis (zee van Azow) en verder door zeeën was gescheiden, en slechts voor een klein gedeelte bekend was. Als scheiding tusschen de werelddeelen Azië en Afrika werd eerst het Nijldal, later de Arabische golf beschouwd. De ouden spraken van Beneden- en Boven-Azië, en namen dan als scheiding den stroomloop van den Halys of wel het Taurusgebergte met den Antitaurus aan (ta kato en ta ano Asias, Asia he entos en ektos tou Halyos of tou Taurou). Het oudst bekende gedeelte omvatte niet veel meer dan het oude perzische rijk; de tochten van Alexander den Grooten brachten eenige meerdere kennis omtrent India aan. In de vierde eeuw na C. sprak men van Asia minor en maior. Asia minor, thans Anatolië of Natolië, omvatte het groote vooruitspringende schiereiland, dat ten N. door den Pontus Euxinus, ten W. door de Aegaeïsche zee, ten Z. door de Middellandsche zee tot aan de golf van Issus werd omspoeld. Al wat daarachter lag, was Asia maior.

De romeinsche provincie Asia was ontstaan door het testament van den laatsten koning van Pergamus, Attalus III, die in 133 zijn rijk en zijne schatten aan het romeinsche volk naliet. Zij omvatte in het eerst de volgende landschappen: Mysia met Aeolis, Lydia met Ionia, Caria met Doris (129). Eenige jaren later (116) werd Phrygia er aan toegevoegd, dat wel tot Pergamus had behoord, doch eerst aan Mithradates V van Pontus was afgestaan. Onder keizer Vespasianus werden ook Rhodus en Lycia ingelijfd. Asia werd eerst door propraetors bestuurd, doch werd later eene proconsulaire provincie. Ephesus was de hoofdstad.

Tijdens keizer Traianus omvatte het romeinsche gebied in Azië de volgende gewesten: 1 de bovengenoemde provincie Asia, 2 Bithynia, 3 Paphlagonia, 4 Galatia, 5 Lycaonia, 6 Pisidia, 7 Lycia, 8 Pamphylia, 9 Cilicia, 10 Cyprus, 11 Cappadocia, 12 Pontus, 13 Armenia minor, 14 Armenia, 15 Mesopotamia (noordwestelijk gedeelte), 16 Commagene, 17 Syria met inbegrip van Phoenice en Judaea, 18 Arabia Petraea, die echter niet alle afzonderlijke provinciën vormden. Bij de latere indeeling van het rom. rijk in 116 provinciën werd de oude provincie Asia in zeven deelen gesplitst, waarvan Asia proconsularis de westkust bevatte van de golf van Adramyttium af tot aan den Maeander.

Asia prata, Asios leimon, ook wel Asia palus geheeten, de vruchtbare vlakte in Lydia, die door den Cayster doorsneden wordt, ten Zuiden van den berg Tmolus.

Asinarus, Asinaros, rivier op Sicilia, een eind bezuiden Syracusae, bij welke de Atheners in 413 door de Syracusanen en den Spartaan Gylippus verslagen werden en Nicias zich moest overgeven.

Asine, Asine, 1) stad aan de Argolische golf.--2) stad aan de Messenische golf, gesticht door de dryopische bewoners van no. 1, die uit hunne woonplaats waren verdreven.--3) kustplaats in Laconia, bij Gytheum.

Asinii, 1) C. Asinius Pollio, uit Teate Marrucinorum afkomstig, geboren 75 v. en gestorven 5 n. C., was als geschiedschrijver, als treurspeldichter, als redenaar en als criticus een der meest gevierde mannen van zijn tijd. Het meest bekende en belangrijkste was zijn werk over de burgeroorlogen, waarin hij nu en dan belangrijk schijnt afgeweken te zijn van de officieele lezing. In den burgeroorlog tusschen Pompeius en Caesar had hij de partij van den laatste omhelsd, en bij Pharsalus, in Africa en Hispania gestreden. Na Caesars dood behoorde hij tot de republikeinsche partij en sloot hij zich noch rechtstreeks bij Antonius, noch bij Octavianus aan, maar poogde door zijne bemiddeling botsingen te voorkomen. In Gallia Cisalpina belast met de landverdeeling onder de veteranen van Octavianus, bezorgde hij aan zijn vriend Vergilius tijdelijk diens landgoed terug. In 39 behaalde hij als proconsul eene overwinning op de Parthini in Illyria, doch onttrok zich na zijn zegetocht aan het staatkundig leven, hoewel hij als lid van den senaat aan diens werkzaamheden ijverig deel bleef nemen. Pollio stichtte te Rome de eerste openbare bibliotheek, en evenals Maecenas trad hij op als beschermer van jeugdige talenten. Van zijne vele werken is niets tot ons gekomen.--2) C. Asinius Gallus, zoon van den vorigen, huwde met Vipsania Agrippina, de gescheiden echtgenoote van Tiberius. Door zijne vrijmoedigheid beleedigde hij den keizer, werd gevangen genomen en stierf in 33 n. C., vrijwillig of gedwongen, den hongerdood. Hoewel hij niet zijns vaders talenten schijnt te hebben bezeten, had hij toch eene groote voorliefde voor de beoefening der wetenschappen.

Asisium, tgw. Assisi, klein plaatsje in Umbria, ten O. van Perusia, geboorteplaats van Propertius.

Asius, Asios, van Samus, een van de oudste grieksche elegische dichters.

Askolia, een spel dat op den tweeden dag der kleine Dionysusfeesten in Attica gespeeld werd; het bestond daarin, dat men op een opgeblazen en met olie glibberig gemaakten zak hinkte (askolizein, askoliazein), die van het vel van een aan Dionysus geofferden bok gemaakt was.

Asopiades, Aeacus, de kleinz. van Asopus.

Asopis, Asopis, Aegma, de dochter van Asopus.

Asopus, Asopos, 1) rivier die bij Phlius ontspringt, door de vlakte van Sicyon loopt en in de Corinthische golf valt.--2) rivier die bij Plataeae ontspringt, door Boeotië loopt en op attisch gebied in de Euboeïsche zee valt, de grens tusschen het gebied van Plataeae en van Thebae.--3) riviertje bij de Thermopylae.--4) stad in Laconica, aan den oostkant van de Laconische golf, met een beroemden tempel van Asclepius.--5) de stroomgod van een der beide eerstgenoemde rivieren. Hij was de zoon van Oceanus en Tethys en bij Metope de vader van twee zoons en twaalf of twintig dochters, die bijna allen namen dragen van steden, in de nabijheid dier rivieren gelegen. Vele zijner dochters werden door goden ontvoerd, bijv. Aegina door Zeus. Toen Asopus deze dochter zocht en van Sisyphus vernomen had, wie haar geroofd had, vervolgde hij Zeus en wilde hij met hem strijden, maar Zeus verjoeg hem met den bliksem, waardoor hij in zijn bedding werd teruggedreven.

Asparagium, stad in Illyria, nabij Dyrrhachium,

Aspasia, Aspasia, 1) van Miletus, dochter van Axiochus, kwam naar Athene en wist daar door hare schoonheid, verstand, geestigheid en bekwaamheden ieders aandacht te trekken. De voornaamste mannen, ook Socrates, zochten haar omgang, en Pericles verstiet om harentwille zijne gemalin. Door hem oefende zij, naar men zeide, ook op de staatszaken grooten invloed uit, het is echter slechts scherts wanneer Aristophanes beweert dat zij den oorlog met Samus en den peloponnesischen oorlog veroorzaakt zou hebben. De vijanden van Pericles klaagden haar aan van asebeia, maar zijne welsprekendheid, die zich bij deze gelegenheid in al hare kracht vertoonde, bewerkte dat zij vrijgesproken werd. Na zijn dood huwde zij met den demagoog Lysicles, die door haar grooten invloed kreeg.--2) van Phocaea, dochter van Hermotimus, eigenlijk Milto geheeten, minnares van den jongeren Cyrus, die haar om hare schoonheid en verstand den naam Aspasia gaf. Na den slag bij Cunaxa viel zij in handen van Artaxerxes, en toen zijn zoon Darius haar aan hem betwistte, maakte hij haar priesteres van Anaitis. V. s. was dit de reden waarom Darius tegen zijn vader opstond, wat hij met zijn leven boette.

Aspasii, Aspasioi, indisch volk ten N. van den Cophen, daar, waar de Choaspes er in uitstroomt.

Aspendus, Aspendos, welvarende stad in Pamphylia, aan den Eurymedon, oorspronkelijk eene argivische volksplanting.

Asphaltites lacus, de Doode zee in het zuiden van Palaestina, waarin zich de Jordaan stort.

Asphodelus, asphodelos, een plant met kleine knollen aan den wortel, die in de oudste tijden, en later nog door de armen, gegeten werden. Men plantte ze op de graven en meende dat zich door de onderwereld een groot stuk land uitstrekte dat daarmede beplant was.

Aspis, z. Clipeus.

Aspis, Aspis, kaap en stad, oostelijk van Carthago, gesticht door Agathocles, den tyran van Syracuse, in den eersten punischen oorlog tijdelijk door de Romeinen bezet (256) en sedert Clupea genoemd. In 46 werd het tegelijk met Carthago Romeinsche kolonie.

Aspledon, Aspledon, oude stad der Minyers in Boeotia, ten Noorden van het meer Copaïs.

Asprenas (L. Nonius), schoonzoon van Varus en een der weinigen, die uit den slag in het Teutoburgerwoud ontkwamen. Later (in 14 n. C.) was hij proconsul van Africa. Hij was een groot vriend van Augustus.

Assa, Assera, Assa, Assera, stad op Chalcidice, aan de Singitische golf.

Assaceni, Assakenoi, indische stam in het Indus-gebied, aan de Westzijde, ten N. van den Cophen, verwant met de Astaceni.

Assaracus, Assarakos, zoon van Tros, overgrootvader van Aeneas.

Asser, in het algemeen een balk of boom of dikke lat, b.v. de draagboomen van een draagstoel, doch altijd een bewerkt en geen ruw stuk hout. De asser in den zeestrijd was een aries in het klein, een balk, die aan touwen in het want hing en door zijn beuken het want of den romp van het vijandelijk schip moest vernielen.

Assertor. In eene causa liberalis, d.i. een geding over de vraag, of iemand vrij of slaaf was, kon de persoon, wiens vrijheid betwist werd, niet als zijn eigen verdediger optreden. Hiertoe was een assertor noodig, iemand, die rechtspersoonlijkheid bezat en staande hield, dat de betwiste persoon een vrije was, bij welke verklaring hij zijne hand of een staf (festuca of vindicta geheeten) op diens hoofd legde. Dit komt voor bij de manumissio vindicta; voor assertor fungeerde vaak een lictor (zie manumissio no. 1). Vanhier de uitdrukking aliquem manu asserere in libertatem = iemands vrijheid verdedigen. Ook asserere in servitutem, een als vrij beschouwd man als zijn slaaf opeischen.

Assessor. Wanneer te Rome aan iemand werd opgedragen, als iudex in eene rechtzaak uitspraak te doen, eischte de gewoonte, dat hij eenige vrienden uitnoodigde, de zitting bij te wonen en hem als consilium met hun raad bij te staan. Evenzoo vormden de stadhouders in de provinciën bij hunne rechtspraak een consilium uit hunne officieren. Onder de keizers evenwel kwam meer en meer de geheele rechtspraak in handen der overheden, die geregeld een vasten bijzitter kozen, assessor geheeten, gewoonlijk een rechtskundige, die de geheele zaak instrueerde, en het vonnis opstelde.

Assesus, Assesos, stad in Ionia, bij Miletus, met een Athena-tempel.

Assidui, gezeten burgers, werden te Rome die burgers geheeten, die in eene der vijf classes waren ingeschreven, in tegenstelling der proletarii.

Assignationes viritanae, zie Colonia no. 2.

Assorus, Assoros, stad op Sicilia, ten N.O. van Henna.

Assus, Assos, aeolische stad aan de Zuidkust van Troas, beroemd door voortreffelijke tarwe en door eene steensoort, lapis Assius, die de voorwerpen deed versteenen en daarom sarkophagos genoemd werd. Men maakte er o. a. lijkkisten van.

Assyria, Assyria. Onder dezen naam kan men vooreerst het groote oud-assyrische rijk verstaan, dat eenmaal zich over Armenia, Media, Persis, Babylonia, Mesopotamia, Syria, Phoenice en Palaestina uitstrekte en 672-656 zelfs over Aegypte heerschte, doch vervolgens uiteenspatte en omstreeks 606 met de verwoesting der hoofdstad Niniveh te gronde ging. Zie Ninus.--Het landschap Assyria in engeren zin omvatte ongeveer de streek tusschen den Tigris en het Zagrus- of Choatrasgebergte ten W. en ten O., en Babylonia en Armenia ten Z. en ten N. Na den val van het oud-assyrische rijk maakte het achtereenvolgens een deel uit der medische, perzische, macedonische, syrische, parthische en nieuw-perzische rijken.

Asta, 1) stad in Liguria, rom. kolonie, aan den Tanarus, een zijtak van den Padus (Po). Tegenwoordig Asti.--2) rom. kolonie in Baetica, nabij Gades (Cadix).

Astaboras, Astaboras, thans Atbara, zijtak van den Nijl, in Aethiopia.

Astaceni, Astakenoi, indisch volk, aan den benedenloop van den Cophen, verwant met de Assaceni.

Astacus, Astakos, 1) stad in Acarnania aan de Ionische zee.--2) megarensische kolonie in Bithynia, aan een inham der Propontis; zij werd door de Atheners versterkt en Olbia genoemd, door Lysimachus verwoest, doch door Nicomedes I herbouwd en onder den naam van Nicomedea tot de prachtige hoofdstad van Bithynia gemaakt.

Astapa, Astapa = Ostippo.

Astapus, Astapous, zijtak van den Nijl in Aethiopia. Tusschen dezen en den Astaboras ligt het schiereiland Meroe.

Astarte, Syria dea, Astarte, Syria theos, phoenicische godin, die in het Oosten hoog vereerd werd; vooral bekend is haar tempel te Tyrus. De Grieken vergeleken haar met Aphrodite.

Asteria, Asteria, dochter van Coeüs en Phoebe. Om aan de liefkoozingen van Zeus te ontkomen, stortte zij zich, in de gedaante van een kwartel, in zee en veranderde in een eiland, dat eerst haar naam droeg, later Ortygia, en eindelijk Delus genoemd werd.

Asterion, Asterion, zoon van Teutamus, koning van Creta, die met Europa huwde en hare kinderen, Minos, Radamanthys en Sarpedon, als de zijne opvoedde.

Asterope, Asterope, z. Aesacus.

Astrabacus, Astrabakos, een oud-laconisch heros. De spartaansche koning Demaratus was, volgens het verhaal zijner moeder, een zoon van Astrabacus of van Aristo.

Astraea, Astraia, dochter van Zeus en Themis of van Astraeus en Eos, godin der gerechtigheid, die in de gouden eeuw op aarde onder de menschen leefde. In de zilveren eeuw verscheen zij nog nu en dan, maar toen de verdorvenheid der menschen toenam, verliet zij, hoewel later dan alle andere goden, eindelijk ook de aarde en bleef sedert, als het sterrenbeeld de Maagd, aan den hemel.

Astraeus, Astraios, zoon van Crius en Eurybia, echtgenoot van Eos, vader der winden en sterren.

Astragaloi, dobbelsteenen met vier vlakke zijden en aan twee kanten rond. De vlakke zijden waren met oogen gemerkt, zoodat 1 en 6, 3 en 4 tegenover elkander stonden. Men wierp met vier steenen; de beste worp, wanneer 1, 3, 4 en 6 boven lagen, heette Aphrodite, Midas, Herakles, de slechtste, wanneer alle vier éénen boven lagen, heette kyon. Zie Alea.

Astynomoi, overheidspersonen die te zorgen hadden voor politie, straatreiniging, handhaving der bouwverordeningen, enz. Te Athene waren er tien, vijf voor de stad en vijf voor den Piraeus. Ze komen sinds de 4de eeuw voor.--Ook bijnaam van verschillende goden als beschermers der steden.

Astura, riviertje in Latium, met eene gelijknamige stad aan den mond er van.

Asturia, Astouria, landstreek in het Noorden van Tarraconensis, met de hoofdstad Asturica Augusta (Astorga). De Astures waren een woest bergvolk, in het tegenw. Asturië en noordelijk Leon.

Astyages, Astyages, zoon van Cyaxares, laatste koning der Mediërs (585-550), grootvader van Cyrus, die hem van den troon stiet en het perzische rijk stichtte, z. Alyattes.

Astyanax, Astyanax, zoon van Hector en Andromache. Zijn eigenlijke naam was Scamandrius, maar ter eere van zijn vader noemde het volk hem Astyanax (heer der stad). Na de verovering van Troje werd hij, hoewel nog een kind, van den muur geworpen.

Astydamas, Astydamas, 1) zoon van Morsimus. Hij zou 240 treurspelen gedicht hebben, waarvan 15 den eersten prijs behaalden. In zijn jeugd was hij een leerling van Isocrates.--2) zoon van den vorigen, treurspeldichter.

Astydamea, Astydameia, gemalin van Acastus.

Astyoche, Astyoche, dochter van Actor, moeder van Ascalaphus en Ialmenus.--2) dochter van Laomedon, gehuwd met Telephus. Omgekocht door een gouden wijnstok, overreedde zij haar zoon Eurypylus, aan de verdediging van Troje deel te nemen.

Astypalaea, Astypalaia, stad en eiland der Sporaden, in de Aegeïsche zee ten O. der Cycladen.

Astyra (gen. ae), ta Astyra, stad in Mysia bij Antandrus, aan de golf van Adramyttium met een tempel van Artemis Astyrene. Ook een plaatsje bij Abydus.

Asylia, door de wet gewaarborgde veiligheid voor slaven en misdadigers, gewl. verbonden aan het verblijf in zekere tempels of heiligdommen. In den keizertijd werd dit recht, dat aan vele tempels toekwam, omdat het tot misbruiken aanleiding gaf, beperkt en gedeeltelijk opgeheven. Ook werd soms van staatswege aan vreemdelingen asylia verzekerd, waardoor zij evenzeer als de burgers tegen aanvallen op hun persoon en eigendom beschermd waren.

Atabulus, naam in Apulia voor den uit Afrika overwaaienden verzengenden Sirocco (Zuidenwind).

Atabyris, Atabyrius, Atabyris, Atabyrion oros, hooge berg op het eiland Rhodus, met een beroemden tempel van Zeus Atabyrius.

Atagis, zie Athesis.

Atalante, Atalante, uit Arcadië, dochter van Iasus en Clymene. Haar vader, die liever een zoon gehad had, liet haar terstond bij hare geboorte te vondeling leggen; zij werd door eene berin gezoogd, groeide op te midden van jagers en werd zelve eene buitengewoon vlugge, sterke en moedige jageres. Zij nam deel aan de calydonische jacht en bracht aan het zwijn de eerste wond toe; op grond daarvan kende Meleager, die door hare schoonheid getroffen was, haar den prijs der overwinning toe, en Atalante, hierdoor gestreeld, stemde er in toe zijne vrouw te worden, terwijl zij vroeger tal van huwelijksaanzoeken had van de hand gewezen. Ook aan den Argonautentocht zou zij hebben deelgenomen of willen deelnemen.--V. a. was het niet Meleager, maar Milanion, die door zijn trouwe liefde haar hart wist te winnen, hoewel zij ook voor hem lang koud bleef.--V. a. was Atalante de dochter van den boeotischen koning Schoeneus, en had zij verklaard alleen hem te zullen huwen, die haar in den wedloop zou overwinnen. Reeds velen hadden den strijd gewaagd, maar waren overwonnen en gedood, totdat Milanion of Hippomenes door de hulp van Aphrodite de overwinning behaalde. De godin had hem namelijk drie gouden appels gegeven, waarvan hij onder het loopen telkens een voor de voeten van Atalante wierp; deze bukte om de prachtige kleinoden op te rapen, maar verloor daardoor zooveel tijd, dat haar minnaar, voor wien zij intusschen zelve ook liefde had opgevat, het eerst het doel bereikte.--Atalante en haar echtgenoot werden later in leeuwen veranderd, omdat zij een aan Cybele gewijd bosch ontheiligd hadden. Hun zoon was Parthenopaeus.

Atalante, Atalante, 1) eilandje op de kust van Locris, nabij de stad Opus.--2) rotseilandje ten Oosten van Salamis.--3) stad in Macedonia aan den Axius.

Atanagrum, stad der Ilergetes in Tarraconensis, door Scipio in 218 verwoest.

Atarantes, Atarantes, volksstam in het midden van Africa, tusschen de Garamantes en de Atlantes.

Atarbechis, Atarbechis, stad in Beneden-Aegyptus, in de landstreek Prosopitis, met een beroemden tempel der aegyptische Aphrodite (Hathor).

Atargatis, z. Dercetis.

Atarneus, Atarneus, stad op de kust van Aeolis tegenover Lesbus, op den berg Cane. Aristoteles vertoefde hier eenigen tijd (348-345) bij den tyran Hermeas.

Atax, Atax, thans Aude, een kustriviertje, dat zich in den sinus Gallicus (golf v. Lyon) stort. Aan den Atax lagen de steden Carcaso (Carcassonne) en Narbo Martius (Narbonne). De bewoners, die tot de Volcae Tectosages behoorden, werden naar de rivier ook Atacini genoemd, zooals de letterkundige P. Terentius Varro Atacinus, die in 82 te Narbo geboren werd.

Ate, Ate, dochter van Zeus of van Eris, godin der blinde drift, die eens zelfs Zeus tot een onberaden eed verleidde. Tot straf werd zij van den Olympus op aarde geslingerd, waar zij met lichten tred over de hoofden der menschen zweeft, terwijl zij hen tot kwaad verleidt, maar hen straft wanneer zij het bedreven hebben.

Ateii. 1) C. Ateius Capito, naam van een volkstribuun, die het den consuls C. Pompeius en M. Licinius Crassus in hun tweede consulaat (55) zeer lastig maakte en later door den censor App. Claudius Pulcher (zie Claudii no. 15) berispt werd wegens leugenachtige auspicia.--2) C. Ateius Capito, beroemd rechtsgeleerde te Rome ten tijde van Augustus en Tiberius. Hij stichtte eene rechtsgeleerde school, die niet minder vermaard werd dan die van zijn tegenstander Q. Antistius Labeo. Terwijl Labeo aan de rechtsstudie eene meer philosophische richting gaf en den strengen geest der oud-rom. wetgeving huldigde, was Capito's richting meer historisch en nam hij meer het gewoonterecht tot grondslag, zooals het zich in den loop der tijden had ontwikkeld. Zie Sabiniani.--3) Ateius, bijgenaamd Praetextatus, een atheensch letterkundige van naam, een vriend van Asinius Pollio en van Sallustius.

Ateleia, vrijstelling van alle of van bepaald aangewezen diensten of betalingen ten behoeve van den staat, vooral van liturgieën.

Atella, oud-oscische stad in Campania tusschen Capua en Neapolis, later romeinsch municipium, vooral bekend door de Atellanae fabulae.

Atellanae fabulae, ook wel Osci ludi genoemd, eene soort van landelijke kluchtspelen, waarin boert en spot den boventoon voerden. Zij werden meestal opgevoerd in de volkstaal of in een plattelandsdialect, dikwerf grof en plomp; het doel was dan ook niet fijn of geestig te wezen, maar de toeschouwers te laten lachen. Zij kunnen vergeleken worden met Jan Klaassen- of Harlekijnskluchten. Er kwamen eenige vaste rollen in voor, zooals Maccus, een domme, vraatzieke hansworst of Pierrot, Pappus, een soort van vader Pantalon, enz. In den beginne waren het slechts schetsen, die op het tooneel door improvisatie verder werden uitgewerkt; later werden ook uitgewerkte stukjes geschreven. Soms werden zij ook als nastukjes (exodia) na een drama gegeven. In de Atellanae als speler op te treden, werd den rom. burger niet onwaardig geacht; zij werden opgevoerd door vrijgeboren rom. jongelieden.

Aternia Tarpeia (lex) de multis, 454, van de consuls M. Aternius Varus Fontinalis en Sp. Tarpeius Montanus Capitolinus, dat het aan alle magistraten zou vrijstaan, boeten tot een zeker bedrag in vee op te leggen, terwijl hoogere boeten alleen door de comitia tributa konden worden opgelegd. De multa suprema was 2 schapen en 30 ossen. Voor de boete in vee werd in 430 door de lex Iulia Papiria (z. a.) eene evenredige geldboete in de plaats gesteld.

Aternum (ook Ostia Aterni geheeten) aan de Adriatische zee, havenstad der Marrucini, Vestini en Peligni, drie kleine stammen tusschen Picenum en Samnium.

Aternus, riviertje, dat bij Aternum in zee valt.

Atesis = Athesis.

Ateste, rom. kolonie in het land der Veneti, aan de Athesis (Etsch) gelegen. Thans Este.

Athamania, Athamania, landstreek in Epirus op de grenzen van Thessalia, met de hoofdstad Argithea. De Athamanes, Athamanes, stonden op een zeer lagen trap van beschaving.

Athamantiades, Athamantiades, Palaemon, zoon van Athamas.

Athamantis, Athamantis, Helle, dochter van Athamas.

Athamas, Athamas, zoon van den thessalischen Aeolus, koning van Orchomenus in Boeotië. Hij was gehuwd met de godin Nephele en had bij haar twee kinderen, Phrixus en Helle; hij nam echter nog eene andere vrouw, Ino, de dochter van Cadmus, waarom Nephele hem verliet. Ook Ino kreeg bij Ath. twee kinderen, Learchus en Melicertes, voor de kinderen van Nephele was zij echter eene slechte stiefmoeder en zelfs bewoog zij Ath. hen aan Zeus Laphystius te offeren, maar Nephele zond hun een ram met gouden vacht, waarmede zij uit het land vluchtten. Toen dit offer alzoo mislukt was, zoude Ath. zelf geofferd worden, maar ook dit werd door Heracles belet (z. Cytissorus). Later werd hij door Hera, die vertoornd was op Ino, omdat zij Dionysus had opgevoed, zoo razend gemaakt, dat hij Learchus doodsloeg en Ino voor hem moest vluchten en zich met Melicertes in zee stortte. Met bloedschuld beladen moest Ath. vluchten, hij vestigde zich in Phthiotis, huwde met Themisto, die hem vier kinderen schonk, en stichtte de stad Halus.

Athanagia = Atanagrum.

Athanasius, geb. te Alexandrië in 295 n. C., nam aan het concilie van Nicaea (325 na C.) een zóó werkzaam aandeel, dat hij in 326 benoemd werd tot opvolger van Alexander als bisschop van Alexandrië. Toen hij tegen het bevel van keizer Constantijn den tot ketter verklaarden Arius uit de kerk weerde, werd hij verbannen. Na 's keizers dood keerde hij naar Alexandrië terug, doch werd door den nieuwen keizer Constantius andermaal in ballingschap gezonden. Door bemiddeling van den bisschop van Rome, Julius I, werd hij in zijn ambt hersteld, doch later voor de derde maal gebannen, tot hij eindelijk, onder Jovianus, voor goed terugkwam (366 n. C.). Hij stierf te Alexandrië in 373. Hij heeft vele geschriften nagelaten, waarvan sommige voor de geschiedenis van zijn tijd belangrijk zijn.

Athanatoi, eene keurbende van 10,000 man in het perzische leger, zoo genoemd omdat zij, wanneer er iemand aan ontviel, terstond weder voltallig gemaakt werd door anderen, die te voren daarvoor waren aangewezen.

Athena, Athenaia, Athena, Pallas Athene, Minerva, oorspronkelijk waarschijnlijk eene godin van den aether, wier dienst in verband stond met dien van Poseidon, en die uit het meer of de rivier Triton ontstaan was (Tritogeneia). Volgens de gewone voorstelling was zij de dochter van Zeus, uit wiens hoofd zij volwassen en gewapend te voorschijn kwam, nadat hij zijne eerste gemalin, Metis, verslonden had. Als een van de machtigste wezens der godenwereld, oefent zij op velerlei wijze een heilrijken invloed op het menschdom uit. Vooreerst is zij de onoverwinnelijke godin van den oorlog (Atrytone), die staten en individuen in den rechtvaardigen strijd helpt; zij geeft haren beschermelingen den moed en het beleid, die hun de overwinning verzekeren, en betreedt in het heetste van het gevecht dikwijls zelve het slagveld, waar dan alles voor haar moet wijken, en zelfs andere godheden, die het wagen haar te weerstreven, het veld voor haar moeten ruimen. De grootste helden staan onder hare bescherming en de steden verdedigt zij tegen de aanvallen der vijanden (Rhysiptolis, Promachos, Polias, Akraia). De krijgstrompet, de fluit en de wapendans Pyrriche zijn door haar uitgevonden. Vervolgens is zij de godin van alle wetenschappen, kunsten en handwerken (Ergane), en bevordert zij landbouw en nijverheid door allerlei vindingen. Zoo is de ploeg en de hark door haar uitgevonden, zoo heeft zij den menschen geleerd hoe zij het vuur moeten gebruiken, hoe zij paarden kunnen temmen en voor den wagen spannen (Hippia), zoo bouwt zij voor Danaus het schip waarmede hij naar Griekenland vlucht en is zij behulpzaam in het bouwen van de Argo; ook het spinnen en weven behoort tot hare werken, en het grootste geschenk, dat de Atheners haar jaarlijks brengen, is een kunstig bewerkt kleed (peplos). Alles wat eene beschaafde maatschappij kenmerkt staat onder hare hoede; den staat, zijne onderdeelen en grondslagen, recht en wet, beschermt zij, en vandaar ook rechtbanken en volksvergaderingen (Boulaia, Agoraia, Phratria); zij zelve heeft te Athene de rechtbank van den Areopagus ingesteld.--Over het algemeen is zij de beschermgodin van hen die door verstand, bekwaamheid en overleg uitmunten; zij zelve bezit die eigenschappen in de hoogste mate, daar zij als het ware de gepersonifiëerde wijsheid van Zeus is.--Eindelijk geeft zij, als godin van den zuiveren aether, gezondheid en weert zij ziekten af (Hygieia, Paionia).--De dienst van Athena was door geheel Griekenland verbreid, maar nergens werd zij hooger vereerd dan te Athene, de naar haar genoemde stad, waar alle instellingen of van haar afkomstig waren, of tenminste door haar in stand gehouden werden. Zelfs wordt het geheele land Attica als het eigendom der godin beschouwd. Wel had aanvankelijk ook Poseidon erop aanspraak gemaakt, maar toen Zeus beslist had dat het land gegeven zou worden aan dengene, die het met het nuttigste geschenk zou begiftigen, schiep Poseidon het paard, Athena den olijfboom, en de goden kenden haar de overwinning toe. Sedert dien tijd is de olijfboom haar boven alles geheiligd, van de dieren zijn de uil, de haan en de slang aan haar gewijd.--Zij wordt meestal afgebeeld met eene eenigszins mannelijke gestalte, met heldere en ernstige gelaatstrekken, dikwijls draagt zij schild, helm en lans en is zij met de Aegis bekleed.

Athenae, Athenai, hoofdstad van Attica, door de Atheners to asty geheeten, tegenover he polis (akropolis), de burcht. De oudste nederzetting is waarschijnlijk op de acropolis geweest. Daar zijn nog de overblijfselen gevonden van een koningspaleis uit den Myceenschen tijd. De burcht zelf was versterkt met een muur, uit onbewerkte rotsblokken opgetrokken. De stad breidde zich eerst uit ten Zuiden (Kydathenaion), en ten Westen (z. Pelasgikon, Pelargikon, (teichos)), en sedert den tijd der Pisistratiden ten Noorden van de Acropolis, in den Kerameikos, waar door Pisistratus de nieuwe markt ten Noorden van den Areopagus werd aangelegd (de oude markt lag ten Z. daarvan). Hoe de stad er overigens vóór de perzische oorlogen uitzag, is ons onbekend; doch zelfs in zijn bloeitijd was Athene niet, wat wij eene fraaie stad zouden noemen. De straten waren niet breed, niet regelmatig, en de huizen muntten niet uit door prachtige gevels. Er was echter te Athene aan openbare gebouwen meer schoons te zien, dan in eenige andere stad van Griekenland. De stad zelve was in onregelmatig ronden vorm gebouwd. In het midden lag de akropolis, de oude burcht, oudtijds Kranae, de ruwe rots, later Kekropia, vervolgens eenvoudig acropolis geheeten. Deze rots, ongeveer 150 voet hoog, was slechts aan de Westzijde toegankelijk, overigens steil en nog bovendien aan den Noordkant door de zoogenaamde pelasgische muren, aan de Zuidzijde door den muur van Cimon versterkt. Om op de acropolis te komen, moest men eerst twee poorten doorgaan, dan stond men voor de prachtige Propylaea, ta Propylaia, op voorstel van Pericles door den bouwmeester Mnesicles gebouwd. In het midden liep een rijweg opwaarts, aan weerszijden daarvan een marmeren trap van 64 treden. Zóó kwam men in het voorportaal van den burcht. De voorgevel van dit portaalgebouw werd gedragen door zes reusachtige dorische zuilen, die vijf doorgangen vormden, terwijl ter weerszijden van den middenweg drie ionische zuilen de zoldering schraagden. Vijf deuren scheidden dit eerste portaal van een tweede, dat iets hooger lag en kleiner was en weder in eene rij van zes dorische zuilen eindigde en zóó tot het vlak van den heuvel toegang gaf. Dit prachtwerk, geheel van marmer, kostte meer dan 2000 talenten en vijf jaren tijds. Op het heuvelvlak had men dan aan de rechterhand het Parthenon, den tempel der maagdelijke Pallas Athena, onder opzicht van Pericles door Callicrates en Ictinus gebouwd, ruim 200 voet lang en 100 voet breed, met acht dorische zuilen in het front en zeventien in de lange zijden (z. fig. vorige pag.). Gevelveld en friezen waren met heerlijk beeldhouwwerk versierd, dat tafereelen uit het leven der godin en den grooten optocht bij de feesten der Panathenaeën voorstelde. De hier bijgevoegde plattegrond geeft eene voorstelling van de inrichting des tempels. (A) is de omringende zuilengang, het peristylium, peristasis, (B) de pronaos, tusschen welks zes zuilen ijzeren hekken aangebracht waren, waarachter wellicht tempelgeschenken werden tentoongesteld, (C) is de 100 voet lange cella, hekatompedos neos waar in (a) het beeld der godin stond, terwijl men niet alleen aan de twee lange zijden, maar ook aan de achterzijde (op de teekening niet aangegeven) ionische zuilen vond in twee stellingen boven elkaar. Het beeld der godin, 12 meter hoog, uit goud en ivoor bewerkt, was het meesterwerk van Phidias. Op de uitgestrekte rechterhand droeg zij het zes voet hooge gevleugelde beeld der Overwinning. De gouden mantel der godin werd omstreeks 300 door zekeren Lachares, volksmenner en vervolgens tyran te Athene, geroofd. Afgesloten van de cella (de twee deuren, op de teekening aangegeven, zijn uit het christelijk tijdperk) was het opisthodomos, dat verdeeld was in het eigenlijke Parthenon (D), ook Megaron genoemd, waarin de schatten van de godin en van de andere goden bewaard werden, en het eigenlijke opisthodomos (E), waarin zich de staatsschat bevond. Het Parthenon werd in het christelijk tijdperk in een kerk der maagd Maria en door de Turken in eene moskee herschapen. In 1687, in den oorlog tusschen de Turken en de republiek Venetië, vloog een gedeelte van den tempel, door de Turken als kruitmagazijn gebruikt, door eene bom uit de venetiaansche batterijen in de lucht. In 1799 liet de britsche gezant bij de Porte, lord Elgin, met goedvinden der turksche regeering, het nog overgebleven beeldhouwwerk uitbreken en met tal van andere kunstwerken naar Engeland overvoeren. Door het vergaan van een der schepen bij Cerigo ging een deel dezer kunstschatten verloren; het overige ging in 1816 voor 35000 L.st. aan het Britsch Museum over, waar het nog onder den naam van Elgin marbles prijkt. Tegenover het Parthenon ligt het Erechtheum, aan Poseidon Erechtheus geheiligd, met den daartegenaan gebouwden tempel van Athena Polias, waarin het oude houten beeld der godin stond, dat éénmaal 's jaars gereinigd werd. Deze tempel werd in 407 voleindigd. (A) is de pronaos van Athena Polias, (B) de cella; aan de andere zijde kwam men langs een trap in het voorportaal (F) van den Erechtheustempel; het is een open hal, waarvan het dak door caryatiden (Korai) werd gedragen; (D) is de pronaos, (C) de cella van den tempel, terwijl (E) de noordelijke uitbouw is, waarin zich het drietandteeken van Poseidon bevindt; (G), (H) en (I) zijn doorgangen. Onder den pronaos was de zoutbron, en ter zijde daarvan de heilige olijf, door Athena geplant. Een derde standbeeld van Athena was nog de Athena Promachos, een door Phidias gegoten metalen reuzenbeeld. Reeds bij het omvaren van kaap Sunium kon men de gouden punt harer speer in de zon zien schitteren. Het tempeltje der Nike apteros lag wel op de acropolis, doch buiten de Propylaeën. Ten slotte vermelden wij, dat er voor de Perzische oorlogen dichtbij het Erechtheum een andere tempel van Athena gestaan heeft, die gewoonlijk Hecatompedon of archaios neos genoemd wordt. Wanneer men van de acropolis in noordwestelijke richting ging, kwam men op de markt, agora, vanwaar een weg naar den Pnyx voerde, een heuvel, die tot plaats voor de volksvergadering diende. Langs de markt liepen zuilengangen, waarvan de stoa poikile of beschilderde galerij de meest beroemde was. Op hare wanden prijkten tafereelen uit den slag bij Marathon en andere veld- en zeeslagen, waarin de Atheners roem hadden ingeoogst. Aan de markt lag het bouleuterion, waar de raad, de boule, zitting hield, benevens de tholos of rotonde, waar de prytanen hun maaltijden gebruikten. Niet ver van de markt verhief zich de vrij steile Aresheuvel of Areopagus, Areios pagos. Onder de openbare gebouwen en monumenten in de stad verdienen vermelding: het Prytaneum, het theater van Dionysus, dat tegen de Zuidzijde van de Acropolis aangebouwd was, het Museum, het Theseum, het Odeum van Pericles voor muzikale wedstrijden. Een ander Odeum van later tijd was dat van Herodes Atticus. Het choragisch monument van Lysicrates, van omstreeks 330, ook wel met den naam van lantaarn van Diogenes bestempeld, is een sierlijk gebouwtje met zes corinthische zuiltjes, die op een vierkanten onderbouw rusten en een marmeren dekstuk dragen, met beeldwerk versierd en waaruit eene acanthusplant oprijst. Het gebouwtje, 34 voet hoog, diende om den drievoet (choregikos tripsys) te dragen, dien Lysicrates als prijs in den choragischen wedstrijd had gewonnen. Eene straat in de stad heette de straat der drievoeten, omdat daar een aantal zulke gedenkteekenen stonden. De toren der winden was een fraai achthoekig gebouw, waarin een wateruurwerk was aangebracht en waarop een windwijzer stond. Hij dagteekent uit de 1ste eeuw. Vele aanzienlijke mannen, zelfs vorsten lieten te Athenae praalgebouwen oprichten, om hun eigen naam te verheerlijken.

Buiten de stadsmuren vond men nog beroemde plaatsen, als: de Academia, Akademeia of -mia, een wandelpark met gymnasium, waar Plato zijn onderwijs gaf, het Lyceum, ook een park met een tempel van Apollo Lycius, waar Aristoteles zijne peripatetische lessen gaf, den heuvel Cynosarges, met een gymnasium, in een van welks zalen Antisthenes, de stichter der cynische school, als leeraar optrad.

Ten Westen van de stad stroomde de Cephisus, in het Z.O. de Ilisus. Van de stad liepen de lange muren, ta makra teiche, ook wel de beenen van Athenae genoemd, ta skele ton Athenon, ter lengte van omstreeks anderhalf uur gaans naar de havens. De havens Phalerus en Munychia waren klein; maar de Piraeus (Peiraieus) vormde eene kleine stad op zichzelve, met scheepswerven, tuighuis, magazijnen, handelshaven, oorlogshaven, ja zelfs met een theater. De muren waren in zee vooruitgebouwd; de invaart, die met kettingen kon worden afgesloten, liep met eene sterke kromming tusschen twee muren door. Voor de geschiedenis van Athenae moeten wij naar de geschiedboeken verwijzen. Ook onder rom. heerschappij bleef Athenae nog lang eene civitas libera met een betrekkelijk uitgebreid gebied, waartoe, behalve Attica, ook een deel der cycladische eilanden behoorde. Het bleef ook lang een zetel van kunst en wetenschap, en tal van jonge aanzienlijke Romeinen gingen erheen, om hunne opleiding te voltooien. De stad leed in 86 veel door Sulla's belegering; bij die gelegenheid ging de Piraeus te gronde; keizer Hadrianus zocht in later tijd de stad te doen herleven door aan de verfraaiing ervan veel ten koste te leggen. Het aantal inwoners van Athenae wordt tegen het einde van de regeering der Pisistratiden op 20,000 à 25,000 geschat; bij het uitbreken van den Peloponnesischen oorlog bedroeg de bevolking van stad en havens ruim 100,000; een eeuw later evenveel, maar toen was de Piraeus meer bewoond, en begon de stad reeds verlaten te worden.

Behalve de talrijke tempels, waarvan wij slechts zeer enkele konden vermelden, was de stad zeer rijk aan standbeelden.

Athenaeum, Athenaion, in het algemeen elke aan Athena gewijde plaats. In het bizonder verstond men hieronder de door keizer Hadrianus te Rome opgerichte school voor hoogere vorming. Hoewel enkele uitstekende onderwijzers reeds onder Augustus en Vespasianus eene toelage uit de schatkist genoten, was er te Rome toch alleen bizonder onderwijs; Hadrianus voerde het openbaar onderwijs in met onderwijzers, die door den staat werden bezoldigd, teneinde invloed op den geest van het onderwijs te kunnen uitoefenen en eene niet gewenschte republikeinsche richting te keeren.

Athenaeus, Athenaios, 1) sicilisch werktuigkundige, tijdgenoot van Archimedes.--2) taalgeleerde uit Naucratis, omstreeks 230 na C., die eerst te Alexandrië, later te Rome leefde. Zijn uitvoerig werk Deipnosophistai, dat bijna geheel bewaard gebleven is, behandelt in den vorm van gesprekken allerlei bizonderheden uit het dagelijksch leven der ouden, en heeft vooral groote waarde door de talrijke aanhalingen uit oudere schrijvers, wier werken verloren gegaan zijn.

Athenagoras, Athenagoras, van Athene, leeraar der academische wijsbegeerte te Alexandrië in de 2e eeuw n. C.; later ging hij tot het Christendom over, dat hij ijverig en op wijsgeerige gronden verdedigde.

Athenais, Athenais, 1) bijgenaamd Philostorgos, gemalin van den cappadocischen koning Ariobarzanes II.--2) dochter van den sophist Leontius, de schoone en bekwame gemalin van keizer Theodosius II; na hare bekeering tot het Christendom noemde zij zich Eudocia. Zij heeft verschillende epische gedichten gemaakt, die oud-testamentische en christelijke onderwerpen behandelen.

Athenio, een herder, aanvoerder der opgestane slaven op Sicilia in 102 en 101. De consul M.' Aquillius versloeg hem in 100 met eigen hand. Cicero gaf aan Sext. Clodius, den vrijgelatene van P. Clodius (Claudii no. 17) den schimpnaam Athenio, omdat laatstgenoemde aan het hoofd van een troep slaven te Rome onlusten verwekte.

Athenis, z. Bupalus.

Athenodorus, Athenodoros, 1) een Griek, die door Alexander d. G. met eene kolonie naar Bactra gezonden werd en zich den titel van koning wilde aanmatigen, maar door Bito vermoord werd.--2) bijgenaamd Kordylion, van Tarsus, stoicijnsch wijsgeer, opzichter der bibliotheek te Pergamus. Hij zou getracht hebben de werken der oudere stoicijnen te zuiveren van alles wat hem minder goed voorkwam, maar zijn toeleg werd ontdekt. De jongere Cato nam hem in 70 mede naar Rome, waar hij stierf.--3) van Tarsus, zoon van Sandon, waarschijnlijk leerling van Posidonius van Rhodus, leeraar der stoicijnsche wijsbegeerte te Apollonia in Epirus, waar Octavianus hem leerde kennen. Deze nam hem mede naar Rome, echter keerde hij later naar Tarsus terug, waar hij de gedurende zijne afwezigheid uitgebroken burgertwisten bijlegde en de wetten verbeterde.--4) een van de drie beeldhouwers van de Laocoongroep z. Laocoon.

Athesis, Atesinos, thans de Adige of Etsch, die op de Rhaetische Alpen ontspringt en zich in de Adriatische zee stort. In zijn bovenloop neemt hij (bij Bozen) den Atagis Atagis, of Isarcus (Eisach) op. V. s. is Atagis een andere naam voor den Athesis.

Athletae, athletai, athleteres, werden bij de Grieken diegenen genoemd, die bij de nationale spelen te Olympia of elders in den wedstrijd voor lichaamsoefening en spierkracht naar de overwinning dongen. Langzamerhand werd hiervan een beroep gemaakt en kreeg men athleten, die op hunne kunst reisden en voorstellingen gaven. Zulke worstelaars werden van jongs af geoefend en volgden een bepaalden leefregel. Ook bij de Romeinen vonden nu en dan bij de openbare spelen dergelijke voorstellingen plaats, waarvoor men dan tegen hoog loon (auctoramentum) grieksche athleten huurde. Bij het worstelen, dat geheel naakt geschiedde, smeerde men zich met olie in, om aan de tegenpartij minder vat te geven, wat deze dan weder nutteloos trachtte te maken, door zijn tegenstander met zand te werpen.

Athlothetai, oorspronkelijk zij, die bij de wedstrijden prijzen uitloofden, later bij de groote nationale feesten kamprechters en commissarissen. Zij werden tien maanden vóór het feest benoemd, ontvingen de aangiften van de mededingers in de wedstrijden en zorgden voor alles wat voor eene waardige feestviering noodig was. Door een plechtigen eed verbonden zij zich tot onpartijdigheid. Gedurende het feest droegen zij een purperen kleed, lauwerkrans en staf, ook werden zij begeleid door dienaars die staven droegen (rhabdouchoi). Te Athene werden om de vier jaar 10 athlothetae door het lot aangewezen, die bij de feesten, vooral de Panathenaea, het oppertoezicht hielden en uitspraak deden over de wedstrijden.

Athos, Athos, naam van een der Giganten, die den hemel wilden bestormen. Hij nam een berg uit Thracia op en slingerde dezen naar de goden. De bliksem van Zeus weerde echter het gevaar af en deed den bergklomp aan de macedonische kust neerstorten, waar hij zich nog als mons Athos (thans Monte Santo of Hagion Oros) op de chalcidische landtong Acte tot eene hoogte van 6350 voet verheft. Xerxes liet den hals der landtong bij Sane doorgraven. Oudtijds lagen tegen den berg een vijftal bloeiende steden; thans vindt men er slechts een aantal grieksch-katholieke kloosters, die in het bezit van belangrijke oude handschriften zijn.

Atii, zie Attii.

Atilia (lex) de dando tutore, onzeker van welk jaar, doch vóór 188. Waar een voogd noodig was en bij ontstentenis van nabestaanden geen voogd was en door den overledene ook geen voogd bij testament was aangewezen, werd volgens de lex Atilia een voogd benoemd door den praetor urbanus onder medewerking der volkstribunen.

Atilia Marcia (lex), 311, van de volkstribunen L. Atilius en C. Marcius, dat van de 24 krijgstribunen, die jaarlijks voor vier legioenen noodig waren, 16 door het volk zouden worden gekozen.

Atilii. Tot de gens Atilia behooren o. a. de familiën Bulbus, Calatinus, Longus, Regulus, Serranus.--1) A. Atilius Calatinus, consul in 258 en in 254, streed op Sicilia tegen de Carthagers en veroverde Panormus (Palermo). In het jaar 249 was hij als dictator op Sicilia, en was als zoodanig de eerste dictator, die buiten Italia eene rom. legermacht aanvoerde.--2) M. Atilius Regulus werd als consul in 294 door de Samnieten bij Luceria verslagen. Toch heeft hij een triumf gevierd.--3) M. Atilius Regulus, geen zoon van den vorigen, was consul in 267 en 256. In zijn eerste consulaat overwon hij de Sallentini in Calabria, hij veroverde Brundisium, en genoot de eer eener zegepraal; in zijn tweede, waarin hij consul suffectus was in plaats van den overleden Q. Caedicius, ondernam hij den voor hem noodlottigen tocht naar Carthago. Met zijn ambtgenoot L. Manlius Vulso met eene vloot van 330 schepen in zee gestoken, versloeg hij eerst de carthaagsche vloot bij Ecnomus aan de Zuidkust van Sicilia, landde toen in Africa, en veroverde de stad Aspis, die door de Romeinen in Clypea of Clupea werd verdoopt. Manlius keerde naar Rome terug; Regulus bleef in Africa en bracht Carthago zoo in het nauw, dat het om vrede vroeg. De hardheid zijner voorwaarden echter drong de Carthagers nog eenmaal het uiterste te beproeven, en onder aanvoering van den Spartaan Xanthippus behaalden zij de overwinning. Regulus werd gevangen genomen; 30000 der zijnen sneuvelden (255). In 250 zonden de Carthagers gezanten met Regulus naar Rome, in de verwachting, dat hij voor een vrede zou pleiten; in den senaat toegelaten, ontried hij den vrede ten sterkste. Overeenkomstig een door hem gezworen eed, keerde hij als gevangene naar Carthago terug, waar hij onder folteringen zou ter dood gebracht zijn. Het geheele verhaal van Regulus' zending naar Rome en zijn marteldood is onhistorisch.--4) C. Atilius Regulus, dikwijls ten onrechte Serranus (Saranus) bijgenaamd, versloeg als consul in 257 de carthaagsche vloot bij de Liparische eilanden en hield een zegetocht. In 250 was hij ten tweede male consul en sloeg hij het beleg voor Lilybaeum, maar kon de stad niet innemen.--5) M. Atilius Regulus, zoon van no. 3, was consul in 227, en consul suffectus in 217 in plaats van C. Flaminius, die bij het Trasimeensche meer gesneuveld was. Als censor in 214 was hij zeer streng tegen hen, die na den slag bij Cannae het plan hadden gehad, Italië te verlaten, verder die door woordbreuk zich aan Hannibal's gevangenschap hadden onttrokken, en ten slotte tegen hen, die in de laatste 4 jaren zich zonder voldoenden grond aan den krijgsdienst hadden onttrokken.--6) C. Atilius Regulus, misschien een broeder van no. 5, was consul in 225.--7) C. Atilius Serranus streed in 218 als praetor tegen de opgestane Bojers in Gallia Cisalpina en vereenigde zich vóór den slag aan den Ticinus met den consul P. Cornelius Scipio, die hem daarop naar Rome terugzond.--8) A. Atilius Serranus, praetor in 192, komt in den oorlog tegen Antiochus III van Syria voor. In 172 maakten hij en Q. Marcius Philippus (zie Marcii no. 15) het gezantschap uit, dat de Grieken moest weerhouden, gemeene zaak met Perseus te maken.--9) C. Atilius Serranus Gavianus, uit de gens Gavia geadopteerd, quaestor in 63, trachtte als volkstribuun in 57 Cicero's terugroeping te verhinderen.--10) M. Atilius, middelmatig tooneeldichter uit de tweede eeuw, schrijver van eene Electra.

Atimia, gemis van enkele (at. kata prostaxeis) of van alle (at. tou somatos) burgerlijke rechten. Deze rechten konden een burger bij rechterlijk vonnis ontnomen worden, of zij konden wegens het niet vervullen van zekere verplichtingen tegenover den staat verloren gaan. Hij die alle burgerlijke rechten mist (atimos), mag bijv. niet in rechten optreden, de volksvergadering of de markt niet bezoeken, enz. Hiermede ging soms nog verbeurdverklaring van goederen gepaard (at. tou somatos kai ton chrematon), vooral tegenover hen, die aan den staat verschuldigde gelden niet betaalden. Deze toestand van atimia hield op, zoodra de schuld betaald werd, maar ging anders bij den dood van den schuldenaar ook op zijne kinderen en kleinkinderen over. Te Sparta werden de burgerlijke rechten o.a. aan hen ontnomen, die zich uit lafheid aan een gevecht onttrokken hadden (tresantes).

Atina, volscische stad hoog in de bergen, ten N. van Casinum, in Latium, later rom. municipium.

Atinia (lex), van 197, een plebisciet van den volkstribuun C. Atinius Labeo, ut quinque coloniae in oram maritimam deducerentur, n.l. naar Puteoli, Vulturnum, Liternum, Salernum, en naar Buxentum.

Atinia (lex), een plebisciet (± 102), waardoor de volkstribunen zitting kregen in den senaat.

Atinia (lex), de rebus furtivis, onzeker van wanneer, bepaalde, dat verjaring geen eigendomsrecht opleverde van gestolen zaken.

Atintanes, Atintanes, volksstam in het N.-W. van Epirus.

Atlantes, Atlantes, volksstam in Africa bij het Atlasgebergte, het verst af wonende volk, dat bij Herodotus bekend was. Zij hadden in hun gebied zoutgroeven, en bouwden volgens het verhaal zelfs hutten van zout, daar in hun gebied nooit regen viel.

Atlantiades, Hermes en Hermaphroditus, kleinzoon en achterkleinzoon van Atlas.

Atlantides, Atlantiades, Atlantides, de Pleiaden en Hyaden, dochters van Atlas.

Atlantis, Atlantis. De overlevering bij de ouden gewaagde van een groot en heerlijk eiland ten Westen van de zuilen van Heracles, waarnaar de Atlantische oceaan zijn naam droeg. De vorsten van dit eiland zouden eenmaal zegevierend tot bij Griekenland zijn doorgedrongen. Om het zedenbederf der inwoners echter was het eiland door eene hevige aardbeving geteisterd en in één etmaal door de zee verzwolgen.

Atlas, Atlas, een Titan, zoon van Iapetus en Clymene of Asia, die met de andere Titanen de goden beoorloogde en tot straf daarvoor veroordeeld werd met hoofd en handen den hemel te steunen of de zuilen te dragen waarop de hemel rust.--V. a. een afrikaansch koning, die weigerde Perseus te ontvangen en wegens zijn gebrek aan gastvrijheid versteend en in den berg Atlas veranderd werd. V. a. een zeer oud arcadisch sterrenkundige die de eerste hemelglobe maakte.

Atlas, Atlas, (Adtla = sneeuwgebergte), het nog aldus genoemde noordafrikaansche hooggebergte.

Atossa, Atossa, dochter van den ouden Cyrus, eerst met Cambyses, later met Darius Hystaspis gehuwd.

Atrae, Hatra, Atrai, ta Atra, sterke vesting in een oase van Zuid-Mesopotamië door Traianus (117 n. C.) en Alexander Severus (198 n. C.) tevergeefs belegerd. De stad lag in eene woestijn; de inwoners, van arabischen stam, heetten Atreni.

Atratini, familienaam in de gens Sempronia z. Sempronii no. 1-5.

Atrax, Atrax, thessalische stad aan den Peneus, nabij Larissa. Atracius = thessalisch; atracia ars = tooverkunst.

Atrebates, Atrebatioi, belgische volksstam in het latere Artois. Hunne hoofdstad was Nemetacum of Nemetocenna, thans Arras.

Atreus, Atreus, zoon van Pelops en Hippodamea. Hij en zijn broeder Thyestes vermoordden hun stiefbroeder Chrysippus en werden daarom door Pelops weggejaagd. Zij werden opgenomen door hun zwager Sthenelus, koning van Mycenae, en nadat diens zoon Eurystheus in den strijd tegen de Heracliden gevallen was, volgde Atreus hem op. Hierop naijverig, verleidde Thyestes de vrouw van Atreus, Aërope, ten einde in het bezit te komen van het gouden lam, met welks bezit de heerschappij over Mycenae verbonden was. Hij werd uit het land verjaagd, maar om zich te wreken zond hij Plisthenes, een zoon van Atreus, die door Thyestes opgevoed was, naar Mycenae terug om Atreus te vermoorden, deze verijdelde echter dien aanslag door Plisthenes, dien hij niet herkende, te dooden. Thyestes werd nu teruggeroepen en schijnbaar weder in vriendschap opgenomen, maar bij een gastmaal liet Atreus diens beide zonen slachten en zette hij hun vader het vleesch en bloed als spijs en drank voor. Toen Thyestes deze gruwelijke daad vernam, vervloekte hij zijn broeder en verliet hij het land, dat na dien tijd door pest en hongersnood bezocht werd. Op bevel van een orakel gaat Atreus op reis om Thyestes terug te halen, en bij koning Thesprotus vindt hij Pelopea, de dochter van Thyestes, en neemt haar zonder haar te kennen tot vrouw. De zoon van Thyestes en Pelopea, Aegisthus, werd door Atreus als zijn eigen zoon opgevoed en later overgehaald Thyestes, die door Agamemnon en Menelaus teruggehaald en in de gevangenis gezet was, te vermoorden, maar vader en zoon herkenden elkander nog bij tijds en doodden nu te zamen Atreus, terwijl hij aan het offeren was.

Atria, zie Adria.

Atrides, Atreides, Agamemnon en Menelaus, zonen van Atreus.

Atriensis, slaaf, wien de zorg voor het atrium was opgedragen, en die, omdat het eene betrekking van vertrouwen was, tot de bevoorrechte slaven van het huis behoorde.

Atrium, eene der onmisbare deelen van een romeinsch huis, het woonvertrek, oudtijds het middelpunt van het huiselijk leven, waar het huwelijksbed, de huiselijke haard en de geldkist zich bevonden, alsmede de weefstoelen, waaraan de huisvrouw en hare slavinnen arbeidden. Met het toenemen der weelde evenwel werden deze voorwerpen naar andere gedeelten van het huis verbannen en werd het atrium meer eene receptiezaal. Het atrium was het eerste vertrek, als men den gang doorkwam (z. domus). Rondom waren kleine vertrekken of kabinetjes aangebracht, die licht en lucht alleen uit het atrium ontvingen, en cubicula heetten, wanneer zij door deuren, en alae, wanneer zij alleen door gordijnen waren afgesloten. Een dezer vertrekjes was het lararium, de huiskapel, waar het altaar der huisgoden stond en bij de nobiles de imagines maiorum bewaard werden. In het midden der zoldering was eene vierkante opening gelaten, waardoor het licht naar binnen viel en de rook van den haard naar buiten trok, en die compluvium werd geheeten, omdat zij ook den regen doorliet. Daaronder was in den vloer een soort regenbak, impluvium. Soms was het atrium met bloemen en beelden versierd. Op de eerste teekening ziet men achter het atrium een vertrek, dat aan de voorzijde open is, het tablinum, de werkkamer of het bureau van den heer des huizes, en daarachter een met eene gaanderij omgeven binnenplaats of cavaedium, ook peristylium geheeten. De tweede teekening stelt het atrium voor van een oud-italisch huis zonder peristylium; door het tablinum en de aansluitende porticus ziet men in den tuin. Oorspronkelijk behoorde het atrium geene zuilen te hebben, doch toen de afmetingen grooter werden, werd het dak aan de hoeken van het impluvium door kolommen gedragen.

Atropatene, Atropatene, het noord-westelijke deel van Media, dat door Alexander den Grooten in handen van den satraap Atropates werd gelaten. Hoofdstad Gazaca, nabij een groot zoutwatermeer.

Atropates, Atropates, satraap van Medië onder Darius Codomannus en later ook onder Alexander d. G. Zijne nakomelingen regeerden onafhankelijk in het N.W. van het land (Atropatene).

Atropus, Atropos, de onafwendbare, eene der drie Moerae.

Attalia, Attaleia, stad aan de kust van Pamphylia, door Attalus II gesticht, tgw. Adalia.

Attalus, Attalos, 1) veldheer van Philippus van Macedonië. Bij diens dood stond hij met een leger aan den Hellespont om den veldtocht tegen Perzië te beginnen. Maar Alexander, die hem niet vertrouwde, liet hem, terstond na het aanvaarden der regeering vermoorden.--2) zoon van Andromenes, veldheer van Alexander den G., werd verdacht van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philotas (330), maar vrijgesproken. Na Alex. dood sloot hij zich bij Perdiccas aan, en toen deze vermoord was, ging hij met de vloot naar Tyrus om troepen te werven; hij werd echter door Antigonus verslagen (320) en sedert dien tijd gevangen gehouden, drie jaar later werd hij gedood.--3) Attalus I, regeerde 241-197 over Pergamus en nam na eene overwinning op de Galliërs den koningstitel aan. Hij vergrootte zijn rijk ten koste van Syrië, doch moest weldra de gemaakte veroveringen weder afstaan. Om zich tegen dit machtige rijk te kunnen verdedigen, verbond hij zich met de Romeinen en ondersteunde hen vooral met zijne vloot in den oorlog tegen Philippus van Macedonië. Hij stierf 72 jaar oud aan eene beroerte. Hij was een beschermer van kunsten en wetenschappen en stichtte met groote kosten de beroemde bibliotheek van Pergamus.--4) Attalus II, Philadelphos, zoon van den vorigen, nam na den dood van zijn broeder Eumenes II (159), dien hij sedert 167 te Rome vertegenwoordigd had, als voogd over diens kinderen de regeering in handen en behield die tot zijn dood (138). Hij ondersteunde de Romeinen in hunne oorlogen tegen Macedonië en het achaeïsch verbond en trachtte Alexander Balas te helpen in zijn streven naar de regeering over Syrië. Van de Romeinen ontving hij hulp in zijne oorlogen tegen Bithynië. Ook hij was een beschermer van kunsten en wetenschappen.--5) Attalus III, Philometor, zoon van Eumenes II en Stratonice, opvolger van den vorigen, was te zwak van geestvermogens om zelf te regeeren; hij leefde in afzondering en bracht zijn tijd met tuinbouw en beeldhouwen door. Hij stierf in 133 en liet bij testament zijn rijk en zijne bezittingen aan de Romeinen na.--6) romeinsch praefect, die tweemaal (409, 414 na C.) door de Westgothen tegenover Honorius tot keizer uitgeroepen werd. Hij werd beide keeren echter spoedig door zijne aanhangers verlaten en viel eindelijk in de handen van zijne vijanden, waarop hij naar Lipara verbannen werd.--7) stoicijnsch wijsgeer, leermeester van Seneca.

Atthis, geschied- en aardrijkskundige beschrijving van Attica, zooals in de vierde en derde eeuw in groot aantal geschreven werden. Van de meeste schrijvers zijn slechts fragmenten over. De bekendste zijn: Philochorus, Hellanicus, Clitodemus, Androtion, Phanodemus en Demon.

Attia (lex) of lex Labiena van den volkstribuun T. (Attius) Labienus, 63, tot wederinvoering der lex Domitia de sacerdotiis, die door eene lex Cornelia van L. Cornelius Sulla was opgeheven.

Attica, Attike, het oostelijkste landschap van Midden-Griekenland of Hellas, werd oudtijds Acte of Actica (Akte, Aktike) geheeten, omdat het zulke uitgebreide kusten bezit. Volgens Strabo is de naam Attica uit Actica ontstaan. Ook werd het vroeger wel Ionia genoemd. De natuur verdeelde het in drieën: 1) Diacria, het hoog- of bergland, het noordoostelijk gedeelte, waarin men den mons Pentelicus of Brilessus en den Parnes vond,--2) Pedias, het noordwestelijk vlakland,--3) Paralia, het westelijk en zuidelijk kustland. De Pentelicus leverde eene beroemde, witte marmersoort (pentelesios lithos), de Hymettus, meer naar het Zuiden, ten O. van Athenae, was met geurigen tijm begroeid en vermaard om zijn voortreffelijken honig. Ten Oosten van den Hymettus lag nog eene kleine binnenvlakte, Mesogaea en ten N. daarvan, in de Diacria, de vlakte van Marathon. De berg Laurium, geheel in het Zuiden, leverde zilvererts. Ook het attisch zout was beroemd, zoowel in letterlijken, als in overdrachtelijken zin. Over het algemeen was het land berg- en heuvelachtig; de vlakten, zooals die van Eleusis en van Athenae, waren niet groot. Koren werd er weinig verbouwd; de olijfboom en de vijg tierden er echter welig. Er werd veel aan schapen- en geitenfokkerij gedaan; voor de teelt van rundvee was de steenachtige bodem minder geschikt.

De bevolking van Attica was ionisch, doch vermengd met een oudere bevolking, die gewoonlijk als "pelasgisch" aangeduid wordt; maar tot welken stam die behoort, weten we niet. In elk geval heeft ook hier de "myceensche" beschaving geheerscht. De Atheners beschouwden zich als autochthonen wegens hun pelasgische afkomst, terwijl de Ioniërs ongeveer in 1000 over zee, waarschijnlijk uit het Noorden het land binnengetrokken zijn, en hun taal en eerediensten aan de oorspronkelijke bevolking hebben opgedrongen. Als stichter van den atheenschen staat geldt Theseus, die de twaalf verschillende gemeenten of demoi tot één geheel vereenigde, met Athenae als hoofdstad, ter gedachtenis waarvan het feest der Panathenaeën werd ingesteld. Athenae was to asty; twee andere plaatsen, Eleusis en Brauron, maakten aanspraak op den naam van polis. De bevolking was eerst verdeeld in 4 phylae (Geleontes, Argadeis, Aigikores, Hopletes) totdat door Clisthenes eene verdeeling in 10 phylae en meer dan 100 (later 174) demi werd ingevoerd (± 508). Na Theseus heerschten in Attica koningen, van welke Codrus de laatste was. Toen volgden er archonten, eerst één voor zijn leven, daarna één voor tien jaar, sedert 683 jaarlijks negen archonten (zie Archontes). Door Solon werden de burgers naar hunne inkomsten in vier klassen verdeeld: pentakosiomedimnoi, triakosiomedimnoi of hippes, zeugitai, en thetes. De volksvergadering bestond uit de burgers boven 20 jaar. De senaat, boule, bestond eerst uit 400 leden, 100 uit elke phyle, doch sedert Clisthenes uit 500 leden, n.l. uit elke der nieuwe phylae 50. De areopagus, he boule he en Areio pago, was door Solon ingesteld als wachter der wetten en als hoogste gerechtshof, doch werd later teruggebracht tot een gerechtshof in zaken van moord. De heliaea, heliaia, was een rechtbank van gezworenen, uit 6000 door het lot gekozen burgers bestaande. Meer bizonderheden zal men in de afzonderlijke artikels vinden.

In Attica behooren de mythen te huis van Cecrops en diens dochters Pandrosus, Herse en Aglaurus, van Erechtheus en vooral de sagen van Theseus. Ook Pandion, de vader van Philomele en Procne, wordt een Athener genoemd.

Atticistae, Attikistai, heeten de latere grieksche schrijvers, die niet in het toen gebruikelijke dialect (koine dialektos) schreven, maar zooveel mogelijk de oude attische schrijvers navolgden, bijv. Lucianus. Deze richting in de Grieksche literatuur begint ongeveer 200, als reactie tegen de willekeur der Aziatisch-Grieksche schrijvers, en bereikt haar hoogtepunt in den tijd van Cicero; men legt zich nu toe op de mimesis ton archaion. Ook worden zoo genoemd taalkundigen, die lijsten van echt attische woorden en uitdrukkingen gemaakt hebben.

Atticus, Cicero's vriend. Zie Pomponii no. 5.

Atticus Herodes (Tiberius Claudius), een schatrijk Marathoniër, leermeester van keizer Marcus Aurelius, een hooggeprezen redenaar, die veel heeft bijgedragen tot verfraaiing van Athene en o.a. een Odeum stichtte.

Attii, 1) Attius (of Attus) Navius, augur tijdens koning Tarquinius Priscus, verzette zich tegen de verdubbeling van het getal riddercenturiën en sneed, om zijne onfeilbaarheid te bewijzen, een slijpsteen met een scheermes door. Er stond een standbeeld van hem met omhuld hoofd (capite velato) op het Comitium, en daarbij de ficus Navia of Ruminalis, z. Rumina.--2) T. (Attius) Labienus zie Labieni no. 1).--3) Q. (Attius) Labienus, zoon van no. 2, zie Labieni no. 2).--4) P. Attius Varus, propraetor van Africa in ± 51, koos de partij van Pompeius, voor wien hij vruchteloos het landschap Picenum zocht te behouden, stak vervolgens naar Africa over, waar hij echter door Caesars legaat Curio (z. Scribonii no. 6) verslagen werd, en sneuvelde later bij Munda.--5) M. Attius Balbus, praetor vóór het jaar 59, gehuwd met Julia, de zuster van C. Julius Caesar, gaf zijne dochter Attia tot vrouw aan Cn. Octavius, den vader van den lateren keizer Augustus.--6) L. Attius (Accius), zoon van een vrijgelatene, beroemd rom. treurspeldichter, schrijver van talrijke stukken, ook nationale (als Decius, Brutus), naar grieksch model gevormd. Er zijn slechts fragmenten van overgebleven. Hij leefde van 170 tot ongeveer 94.--7) Attia, moeder van Octavianus, zie no. 5.

Attila, koning der Hunnen, bijgenaamd de geesel Gods, regeerde eerst (434 na C.) met zijn broeder Bleda, dien hij echter liet ombrengen (444). In 441 en 442 en later in 447 en 448 verwoestte hij het oost-romeinsche rijk en noodzaakte hij keizer Theodosius II hem om vrede te verzoeken en schatting te betalen. Vervolgens richtte hij zich naar het Westen, drong met een leger van 500000 man in Gallia door, doch werd in de Catalaunische velden (bij Châlons-sur-Marne, v.a. bij Troyes) verslagen door de vereenigde legers van den romeinschen veldheer Aëtius, den frankischen koning Meroveüs en den westgothischen koning Theodorik (451). Attila verloor in dezen slag een vierde van zijn leger. Met het overschot viel hij in Italië, veroverde en verwoestte o.a. het sterke Aquileia, doch spaarde Rome op de bede van paus Leo I (452). Naar Pannonia teruggekeerd, stierf hij in 453, waarop het rijk der Hunnen te niet ging.

Attuarii, germaansch volk aan den Rijn. Zie Chasuarii.

Attus Navius, z. Attii, no. 1.

Aturus, riv. in Aquitania, thans de Adour.

Atys, Atis, Attys, Attis, Attes, Attin, Atys, Attys, Attis, Attes, 1) een schoon jongeling, die door Rhea bemind werd, en toen hij eene sterfelijke vrouw wilde huwen, door haar razend gemaakt werd, zoodat hij zichzelven gruwelijk verminkte en aan zijne wonden stierf; na zijn dood werd hij onder de goden opgenomen. De dienst van Atys, die meer aziatisch dan grieksch was en altijd met dien van Rhea nauw verbonden bleef, geleek door buitensporige vertooning van droefheid en vreugde veel op dien van Adonis; de pijnboom was het zinnebeeld van zijn sterven, het viooltje dat van zijn herleven.--2) stamvader van de lydische dynastie der Atyaden.--3) zoon van Croesus, die door Adrastus (no. 2) bij ongeluk op de wilde zwijnenjacht gedood werd.

Auctio, in algemeenen zin elke openbare verkoop bij opbod; vandaar de naam, afgeleid van augere, omdat elke volgende bieder het bod verhoogt. In engeren zin is auctio eene private verkooping, in tegenstelling van sectio, verkooping bij executie van staatswege. Aanslagbilletten en catalogussen (album, tabula, libellus auctionis) had men oudtijds evengoed als thans. Men had ook venduhuizen, atria auctionaria. Een omroeper, praeco, vervulde de rol van afslager. Bieden was liceri, supra adicere. Het toeslaan van den koop heette addictio. De betaling geschiedde contant.

Auctor is zoowel degene, die eene zaak in het leven roept, als hij, die ze steunt en bevordert. Auctor legis kan dus synoniem zijn met lator legis, maar ook met suasor legis. Ook het bekrachtigen eener wet, b.v. door de patres is auctorem esse. In het ius civile is auctor de lastgever, de raadsman, de uitvoerder en dgl.

Auctoritas (patrum), zie Patres.

Aufidena, 1) stad in Noord-Samnium nabij de bronnen van den Sagrus.--2) stad in Apulia aan den mond van den Aufidus.

Aufidia (lex) de ambitu, plebisciet van Aufidius Lurco, 61, eene der vele wetten tot bestrijding van dit euvel, waarbij het beloven van geld niet strafbaar werd gesteld, doch het geven van geld met zware levenslange jaarlijksche geldboete werd gestraft. Dit wetsvoorstel is niet aangenomen.

Aufidia (lex) de feris Africanis, onzeker van welk jaar, waarbij de invoer van wilde dieren uit Africa voor de openbare spelen werd toegestaan.

Aufidii, 1) Cn. Aufidius, praetor in 104, schreef eene rom. geschiedenis in het grieksch. In zijn ouderdom was hij blind, doch bleef zich toch met staatszaken bemoeien.--2) Aufidius Lurco, volkstribuun in 61, bracht de gewoonte in zwang, pauwen te mesten.--3) Aufidius Bassus, onder Augustus en Tiberius, beschreef de burgeroorlogen en de oorlogen in Germania. Zijne werken zijn verloren.--4) Aufidius Luscus, hoogste magistraat te Fundi, door Horatius bespot.

Aufidum = Aufidena no. 2.

Aufidus, snelstroomende rivier van Apulia, waaraan Horatius' geboorteplaats Venusia lag. Ten Zuiden v. a. ten N. van deze rivier is de slag bij Cannae (z. a.) geleverd.

Auge, Auge, Augeia, dochter van Aleüs, koning van Tegea, en Neaera, werd bij Heracles moeder van Telephus. Daar een orakel voorspeld had dat haar kind de zonen van Aleüs zoude dooden, gaf deze haar, toen hij hare zwangerschap bemerkte, aan Nauplius over, met last om haar in zee te werpen; deze echter, getroffen door hare schoonheid, vluchtte met haar en bracht haar naar Teuthras, koning van Mysië, die haar tot vrouw nam. V. a. werd zij door Teuthras als dochter aangenomen en later door Telephus naar haar vaderland teruggebracht.

Augias, Augeias, zoon van Phorbas of van Helius, koning der Epeërs in Elis, had in een stal 3000 runderen staan, en daar deze stal in 30 jaren niet gereinigd was, scheen het onmogelijk den mest er uit te verwijderen. Daarom droeg Eurystheus aan Heracles op, die taak in één dag te volbrengen, en deze kweet zich van die opdracht door het water van de rivieren Alpheus en Peneus door den stal te leiden, zoodat de mest van zelf weggespoeld werd. Augias, die niet gedacht had dat de onderneming zoude gelukken, had eerst aan Heracles het tiende gedeelte zijner kudde beloofd, indien hij zoude slagen, maar toen hij later vernomen had dat de held op last van Eurystheus gehandeld had, weigerde hij zijne belofte te vervullen. Daarom deed Heracles hem later den oorlog aan, en ofschoon zijn leger eerst, terwijl hijzelf ziek was, door de Molioniden werd verslagen, verwoestte hij later, toen hij hersteld was, het land en doodde hij Augias met al zijne zonen, behalve Phyleus, die zijn goed recht erkend had en tot loon daarvoor met de regeering begiftigd werd.--Bij deze gelegenheid stichtte Heracles de olympische spelen.

Augila, ta Augila, oase in de libysche woestijn ten W. van Aegypte, met veel dadelpalmen, door een stam der Nasamones bewoond.

Augures, oionoskopoi, romeinsch priestercollegie, welks taak het was, volgens vaste regelen den wil der godheid op te sporen en als deskundigen voorteekenen te verklaren. Wanneer een der magistraten eene gewichtige handeling wilde verrichten, b. v. wanneer een consul de centuriaatcomitiën wilde bijeenroepen, dan moest hij zich vooraf vergewissen, of de goden zijn plan goedkeurden. Het recht om dit onderzoek te gelasten, heette spectio en kwam den overheidspersoon toe; het onderzoek zelf en de mededeeling van den uitslag heette nuntiatio en kwam den augur toe. Daar het den augurs niet verboden was, overheidsambten te bekleeden, kon zich het geval voordoen, dat spectio en nuntiatio in ééne hand waren, zonder eenige contrôle. De augurs konden aan vele zaken godsdienstige belemmeringen in den weg leggen, ja zelfs konden zij gehouden verkiezingen vernietigen door de verklaring, dat er bij de waarneming der teekenen een vitium, een verzuim of eene fout, had plaats gehad en dat dus de gekozenen vitio creati waren, hetgeen ten gevolge had, dat zij hun ambt weder moesten neerleggen en anderen gekozen moesten worden. De eenige waarborg tegen misbruik was, dat alle uitspraken door het geheele collegie éénstemmig moesten geschieden. Het augursambt was oorspronkelijk patricisch, eerst waren er drie, later vijf (v. a. zes). De keuze had plaats door coöptatie. In 300 evenwel bracht het plebisciet van de volkstribunen Q. en Cn. Ogulnius het getal op negen, en wel vier uit de patriciërs en vijf uit de plebejers. Het plebisciet van den volkstribuun Cn. Domitius Ahenobarbus van 104 bracht de keus aan het volk, en wel zoo, dat het lot de kleinste helft (17 van de 35) tribus zou aanwijzen, en dat hij, die door deze bij meerderheid van stemmen zou worden voorgedragen, door het collegie zou worden gecoöpteerd. Deze coöptatie was voor het leven. Al de priesters, die tot de sacerdotes populi Romani gerekend werden, en dus ook de augurs, moesten vóór de aanvaarding van hun ambt geïnaugureerd, d. i. door een augurium gewijd worden; doch hoe deze inauguratio plaats had, wordt niet in bizonderheden vermeld. Bij elke wijding, zoowel van personen als van plaatsen, was de hulp der augurs noodig. Tot de insignia der augurs behoorden de trabea, en de lituus.

Auguria. Wat de Grieken betreft, verwijzen wij naar het artikel manteia. Bij de Romeinen heeft zich de leer der voorteekenen op een geheel andere wijze, veel kunstmatiger, ontwikkeld dan bij de Grieken. Er zijn ongezochte voorteekenen, die zich van zelf voordoen, auguria of auspicia oblativa, en andere, die men van de goden afsmeekt, impetrativa. Tot de eerste soort behooren de ostenta, prodigia, monstra, portenta, omina. Hoewel het verschil niet altijd in acht wordt genomen, beteekenen prodigium en monstrum buitengewone verschijnselen in de menschen- en dierenwereld, portentum en ostentum in hetgeen daarbuiten ligt. Een monstrum is een verschijnsel, dat met de wetten der natuur in strijd is. Staan prodigia en omina tegenover elkander, dan is een prodigium een zichtbaar, omen een hoorbaar teeken. Doch de algemeene naam voor alle teekenen is signa. Hadden er nu buitengewone verschijnselen plaats, die de gemoederen verontrustten, dan bepaalde de senaat, wat behoorde te gebeuren; hij liet door de decemviri sacris faciundis (z. decemviri no. 4) de heilige orakelboeken raadplegen; hij ontbood uit Etruria buitengewone haruspices (z. a.) om de ingewanden der offerdieren te onderzoeken, enz. Doch zulke buitengewone voorvallen en verschijnselen worden niet tot de eigenlijke auguria gerekend. Hieronder verstaat men de teekenen, die niet buiten den gewonen kring der gebeurtenissen vallen.--1) Signa ex avibus. Wanneer een magistraat spectio wilde houden, begaf hij zich omstreeks middernacht met een der augurs naar het auguraculum of waarnemingspunt op den burg. Dáár gekomen trok de augur met zijn kromstaf of lituus op den grond een streep van het Noorden naar het Zuiden, cardo genoemd en een anderen van het Oosten naar het Westen, decumanus geheeten. Om het kruispunt heen beschreef hij een kwadraat en maakte door een formulier de ruimte daarbinnen tot eene gewijde plaats, een templum. Op dit templum nu sloeg hij een linnen tent op (tabernaculum capere) met de opening naar het zuiden. Dan ging hij in de opening staan, teekende met zijn staf vier denkbeeldige lijnen aan den hemel af, als het templum, waarbinnen hij zijne waarnemingen zou doen. Intusschen zat de overheidspersoon binnen in de tent, met een doek om de ooren gebonden, capite velato. Ook de augur omwond zich het hoofd, want het minste geraas--altijd, als men het hoorde--stoorde de waarneming. Zoo was de stoel, waarop de overheidspersoon zat, uit één stuk, opdat hij niet zou kraken. Wat nu de waarneming zelve der vogels betreft, die zich binnen het aan den hemel afgebakende templum vertoonden, had de augur te letten op de soort van vogels, de hoogte waarop, de richting waarin, en de wijze waarop zij vlogen. Vogels, die door hun geschreeuw of gezang den wil der goden uitdrukten, werden oscines genoemd; die het door hunne vlucht deden, alites. In den regel was wat van het Oosten, d.i. van de lichtzijde, dus van links, kwam, gunstig, wat van de Westzijde kwam, ongunstig. Niet voor alle vogels evenwel golden dezelfde regels; de kraai b.v. moest van de linkerzijde, de raaf van den rechterkant krassen. Sommige vogels waren bepaald ongeluksvogels; andere golden alleen voor bepaalde gevallen. Men kan hieruit zien, dat de leer der vogelwichelarij vrij ingewikkeld was. Waren nu de teekenen gunstig, dan zei de augur: aves addicunt; zoo niet, dan bezigde hij de woorden: alio die.--2) Signa ex caelo. Dit waren bliksem, fulmina--weerlicht, fulgura--donder, tonitrua. In de taal der augurs werden deze natuurverschijnselen manubiae geheeten. Zij werkten storend op volksvergaderingen, zóó zelfs, dat reeds de aankondiging van een overheidspersoon, se servaturum de caelo esse, d. i. dat hij zou zoeken, of niet ergens een bliksemstraal of weerlicht te zien was, voldoende werd om de volksvergadering te storen. De leer van den bliksem was vooral in Etruria sterk ontwikkeld, waar men zelfs twaalf verschillende soorten er van onderscheidde.--3) Signa ex tripudiis. Bij de romeinsche legers voerde men in den regel een mand of hok heilige hoenders mede. Werden deze losgelaten en aten zij het toegeworpen voeder gretig op, zoo was dit een gunstig voorteeken; vielen zij er zóó gulzig op aan, dat de brokken hun uit den bek vielen, dan was het teeken zeer gunstig (tripudium sollistimum). Wilden zij echter niet vreten, dan was het voorteeken slecht.--4) Signa ex quadrupedibus. Deze behoorden tot de oblativa, de ongezochte voorteekenen, en konden slechts in zooverre tot de auguria behooren, als de augurs ze volgens vaste regels verklaarden. Wanneer men b.v. met eenig plan uitging en een hond, een vos of eenig ander viervoetig dier over den weg zag loopen, dan kon men dit als een voorteeken beschouwen.--5) Signa ex diris. Deze bestonden in het breken van een schoenriem, het stooten van den voet, het gekras van een uil en dergelijke toevalligheden. De augurs hadden er dan slechts mede te maken, wanneer ze hun ter verklaring werden medegedeeld.--6) Hoewel elk toevallig voorteeken een omen kan genoemd worden, verstond men onder omina toch vooral de hoorbare voorteekenen, en daarom vermeed men zooveel mogelijk onheilspellende woorden, vooral bij gewichtige gelegenheden, bij feesten, plechtigheden, enz. De eerst uitgebrachte stem bij eene verkiezing, het gevoelen van den eersten spreker in den senaat gold voor een omen. Men offerde met omwonden hoofd (capite velato), om niet toevallig een ongunstig woord, door een der omstanders onvoorzichtig uitgesproken, te moeten hooren. Hoewel ongezochte voorteekenen slechts waarde hadden voorzoover men ze zelf aannam, en men ze kon afwenden door woorden als: omen non accipio, non pertinet ad me, waren de Romeinen veel te angstvallig en bijgeloovig om dit middel dikwijls toe te passen. Dit bijgeloof heeft ook tot naamsveranderingen aanleiding gegeven. Evenals de Grieken pontos Axeinos in Euxeinos veranderden, hebben de Romeinen Maleventum in Beneventum veranderd en aan Epidamnus zijn ouden naam Dyrrhachium teruggegeven.

Augurinus, familienaam in de gens Genucia en de gens Minucia.

Augusta, naam van een aantal steden, hetzij op last van Augustus gesticht, hetzij door hem verfraaid of uitgebreid, o. a.:

Augusta Emerita, in Lusitania, aan den Anas (Guadiana), thans Merida.

Augusta Iulia Gaditana, vroeger Gades, in Baetica, thans Cadix.

Augusta Nemetum, vroeger Noviomagus, aan den Rhenus (Rijn), thans Spiers.

Augusta Praetoria, gesticht door de praetoriaansche bezetting in het land der Salassiërs, aan de Poenische Alpen, thans Aosta.

Augusta Rauracorum (Rauricorum), in Belgica, thans Augst bij Basel.

Augusta Suessionum, in Belgica, thans Soissons.

Augusta Taurinorum, vroeger Taurasia, aan den Padus (Po), thans Turijn.

Augusta Trevirorum, aan de Mosella, thans Trier.

Augusta Vindelicorum, aan den Licus (Lech), thans Augsburg.

Augusta Viromanduorum, in Belgica, thans St. Quentin.

Augustales, zie municipium.

Augustamnica. Verschillende beheerschers van Aegypte--Ramses II of Sesostris, Necho, Darius Hystaspis, Ptolemaeus I en II--hebben pogingen aangewend om de Arabische golf met de Nijldelta te verbinden. Telkens echter werd het kanaal aan zijn lot overgelaten en verzandde het weder. Onder Traianus werd het op nieuw uitgegraven en amnis Augustus genoemd, waarnaar de landstreek onder Diocletianus den naam Augustamnica kreeg.

Augustinus (Aurelius), de grootste kerkvader van het Westen, geboren te Tagaste (Thagaste) in Numidia in 354 n. C., zoon van Patricius en Monica, ontving zijne opvoeding te Madaura en te Carthago, was eerst leeraar te Tagaste, daarop leeraar in de welsprekendheid te Carthago, daarna te Rome (383) en te Milaan (384), waar hij onder invloed van Ambrosius tot het Katholicisme overging en zich in 387 liet doopen. Daarop keerde hij naar Africa terug, werd in 391 presbyter te Hippo Regius, en was van 396 tot zijn dood (430) bisschop van Hippo Regius. Van zijne theologische geschriften zijn de meest bekende: Confessionum libri XIII en de civitate Dei libri XXII.

Augustobona, stad der Tricassers in Gallia, aan de Sequana (Seine), thans Troyes.

Augustodunum, vroeger Bibracte, groote, volkrijke stad der Aeduers in Gallia, thans Autun.

Augustonemetum, vroeger Nemetum, Nemossus, hoofdstad der Arverners in Gallia, thans Clermont, naar een nabijgelegen berg, clarus mons.

Augustoeuphratensis of Euphratensis, naam van de onder Diocletianus en Constantijn tot ééne provincie vereenigde gewesten Commagene en Cyrrhestice.

Augustoritum, stad der Lemovicers in Gallia, thans Limoges.

Augustus, Augoustos, Sebastos, "de gewijde", ons "Majesteit", door de Romeinen afgeleid van augur, doch tevens in verband gebracht met augere, evenals de oud-duitsche keizers ook den titel van "Mehrer des Reiches" voerden. Deze titel werd aan C. Julius Caesar Octavianus, nadat het volk hem reeds als Augustus had begroet, in het begin van het jaar 27 door den senaat plechtig toegekend, op voorstel van L. Munatius Plancus, terwijl de keizer later bij testament zijne gemalin Livia tot Augusta verhief. De titel Augustus maakte den keizer tot een gewijd persoon en plaatste hem als het ware boven het overige menschdom. De titel ging daarna op de volgende keizers over, eerst bij senaatsbesluit, later vanzelf als iets wat bij de keizerlijke waardigheid behoorde. Hij werd evenwel alleen door regeerende keizers gedragen, nooit door den vermoedelijken troonopvolger.--Over het leven van keizer Augustus zie men Julii no. 14.

Aula, Aule, z. andron en gynaikeion.

Aulaeum, he aulaia, voorscherm van een tooneel. Wanneer de voorstelling begon, werd het scherm niet, zooals bij ons, opgehaald, doch men liet het omlaag zakken in eene sleuf, waaronder het dan tegelijkertijd op eene rol werd opgerold. Was de voorstelling ten einde, dan werd het scherm omhooggehaald.--Ook verstaat men onder aulaea tapijten, die als tochtschermen tusschen de zuilen eener galerij of van het atrium werden opgehangen, of dienden om in plaats van een deur een vertrek af te sluiten, en bij dichters ook wel de dekkleeden, die over de aanligsofa's bij den maaltijd werden uitgespreid.

Aulerci, voorname gallische volksstam, in vier takken verdeeld, waarvan drie tusschen Sequana (Seine) en Liger (Loire) woonden, n.l. de Aulerci Eburovices, z. Eburovices;--de Aul. Cenomani, met de hoofdstad Suindinum of Subdinum, thans Mans,--de Aul. Diablintes. Een vierde tak, de Aul. Brannovices, cliënten der Aeduers, woonde zuidelijk van deze laatsten, tusschen den Boven-Liger en den Arar (Saône). De Cenomani (z. a.) komen ook in Gallia Cisalpina voor.

Aulis, Aulis, havenstad in Boeotia aan den Euripus, verzamelplaats der grieksche vloot voor den trojaanschen oorlog.

Aulon, Aulon, 1) landstreek en stad in Messenia, n.m. het dal van de Neda, die Messenia van Triphylia scheidt, met een tempel van Asclepius.--2) vruchtbare, druivenrijke streek nabij Tarentum.--3) stad en dal in Macedonia, aan de strymonische golf.--4) havenstad in Illyria ten N. van Acroceraunia.

Aurelia (lex), iudiciaria van den praetor L. Aurelius Cotta (Aurelii no. 7), 70. Volgens deze wet moesten de gerechtshoven, die sedert Sulla alleen uit senatoren bestonden, samengesteld worden uit senatoren, ridders en tribuni aerarii (z. a.).

Aurelia (lex), tribunicia van den consul C. Aurelius Cotta (Aurelii no. 5), 75. Deze wet veroorloofde aan gewezen volkstribunen wederom naar hoogere ambten te dingen, wat hun door Sulla verboden was.

Aurelia (via). Deze weg liep van Rome uit langs de etruscische kust. Hare voortzetting vormt de via Aemilia Scauri.

Aureliani (civitas), latere naam voor Genabum, thans Orleans.

Aurelianus (L. Domitius), uit geringen stand geboren, werd in 270 n. C. door de legioenen aan den Donau tot keizer uitgeroepen, in een tijdperk, toen het romeinsche rijk door legeroproeren tot ontbinding dreigde over te gaan. Reeds had M. Aurelius Claudius Gothicus (268-270) de Gothen en Alemannen teruggeslagen; na zijn dood zette Aurelianus het werk voort, verdreef de Alemannen, Iuthungen en Marcomannen uit Italië, waarin zij een inval hadden gedaan, omringde Rome met een nieuwen vestingmuur, heroverde vervolgens de oostelijke gewesten, die door Zenobia, koningin van Palmyra, van het rom. rijk waren losgescheurd (272 n. C.), versloeg daarna den tegenkeizer Tetricus in Gallia en voerde hem en Zenobia als gevangenen mede naar Rome, waar zijn zegewagen door vier olifanten werd getrokken. Hij herstelde de krijgstucht in het leger, strafte nog eenige oproeren en werd met recht restitutor imperii genoemd. Hij was hard en ruw, doch met hart en ziel soldaat, en daardoor juist een geschikt keizer voor zijn tijd. Dacia, dat door Traianus veroverd was, werd door Aurelianus prijsgegeven, daar hij het veiliger achtte, den Donau als grensrivier te behouden. De rom. bevolking uit Dacia verplaatste hij naar een deel van Moesia, dat hiernaar den naam kreeg van Dacia Aureliani. In 275 werd Aurelianus, terwijl hij tegen de Perzen optrok, vermoord door een zijner vrijgelatenen.

Aurelii. De gens Aurelia was een plebejisch geslacht, waartoe o.a. de familiën der Scauri en der Cottae behoorden.--1) C. Aurelius Cotta, consul in 252 en 248, streed voorspoedig op Sicilia tegen de Carthagers.--2) C. Aurelius Cotta, consul in 200.--3) L. Aurelius Cotta, volkstribuun in 154, consul in 144, twistte met zijn ambtgenoot Ser. Sulpicius Galba (Sulpicii no. 11) heftig over de vraag, wie als veldheer tegen Viriathus naar Lusitania zou gezonden worden. Scipio Africanus minor (Aemilianus) bewerkte toen, dat geen van beiden werd gezonden, maar zijn eigen broeder Q. Fabius Maximus Aemilianus (Fabii no. 18), die reeds in Spanje was, het commando behield.--4) L. Aurelius Cotta, consul in 119, verzette zich te vergeefs tegen de lex Maria de suffragiis ferendis (z.a.).--5) C. Aurelius Cotta, consul in 75, maker van de lex Aurelia tribunicia, door Cicero als redenaar geprezen, wordt door dezen sprekende ingevoerd in zijne boeken de oratore en de natura deorum. In 91 was hij na den moord van zijn vriend M. Livius Drusus in ballingschap gegaan, tengevolge der lex Varia de maiestate, die den bondgenooten-oorlog deed uitbarsten.--6) M. Aurelius Cotta, broeder van no. 5, consul in 74, voerde met L. Licinius Lucullus den oorlog tegen koning Mithradates VI van Pontus, door wien hij echter bij Chalcedon te land en ter zee verslagen werd. Cotta had het bestuur over Bithynië en het opperbevel ter zee, terwijl Lucullus met Asia en Cilicië het opperbevel te land had.--7) L. Aurelius Cotta, broeder van no. 5 en 6, opende als praetor in 70 door zijne lex iudiciaria voor de ridders weder den toegang tot de iudicia en nam ook de tribuni aerarii onder de rechters op. In 65 werd hij met L. Manlius Torquatus consul, daar de eerst gekozenen wegens ambitus veroordeeld werden.--8) M. Aurelius Cotta Maximus Messalinus, een sterk aanhanger van keizer Tiberius. Hij was een zoon van den redenaar M. Valerius Messala Corvinus (z. Valerii no. 28 en 29), doch door de familie Cotta geadopteerd. Hij was een doorbrenger, die de rol van verklikker speelde. Ovidius heeft uit Tomi minstens drie gedichten tot hem gericht.--9) L. Aurelius Orestes, consul 126, ook als redenaar niet zonder naam, ging als consul naar Sardinia, en hield in 122 een zegetocht over de Sarden.--10) M. Aurelius Scaurus, consul in 108, streed in 105 als legatus van den consul Cn. Mallius Maximus ongelukkig tegen de Cimbren en viel door de hand van hun aanvoerder Boiorix.--11) L. Aurelius Verus, z. Verus.--12) S. Aurelius Victor, geschiedschrijver uit de vierde eeuw n. C., onder keizer Julianus stadhouder van Pannonia. Van hem bestaat nog een beknopt en zaakrijk werkje de Caesaribus, dat tot op Constantius loopt. Een paar andere werkjes (epitome de Caesaribus, origo gentis Romanae, en de viris illustribus) staan ten onrechte op zijn naam.--13) Aurelia, uit de familie Cotta, moeder van C. Julius Caesar.

Aurelius (Marcus), meer volledig M. Aurelius Antoninus, bijgenaamd Philosophus, was de zoon van den praetor L. Annius Verus (Annii no. 6), doch werd door keizer Antoninus Pius als zoon aangenomen, wiens dochter Faustina hij ook huwde. Hij was in 121 na C. te Rome geboren, had eene zeer zorgvuldige opvoeding genoten en kwam in 161 aan de regeering, waarop hij zijn jongeren broeder L. Aurelius Verus tot mederegent aannam. Terwijl Verus door zijne legaten de Parthen liet beoorlogen, waarbij Seleucia en Ctesiphon den Romeinen in handen vielen (164), had M. Aurelius te kampen met invallen der Marcomannen, Quaden en Sarmaten (Iazygen), die nu en dan ook nog door andere stammen, zooals de Hermunduren, Vandalen en Langobarden ondersteund werden. De barbaren drongen zelfs tot Aquileia door, terwijl nog daarenboven het leger van den keizer door pest werd geteisterd. Onderwijl stierf Verus in 169. In 175 trok M. Aurelius naar Azië, om den opstand te bedwingen van zijn stadhouder Avidius Cassius, die echter door zijn eigen officieren werd vermoord. In 179 en 180 streed hij wederom met geluk aan den Donau tegen de Marcomannen, toen hij onverwachts te Vindobona (Weenen) stierf. Zijne zedekundige geschriften, ta eis heauton, ademen een stoicijnschen geest, doch zijne zachtmoedigheid van karakter drong hem, de strengheid dezer leer tegenover anderen te verzachten. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Commodus.

Aureus, nummus aureus of solidus, rom. gouden munt van 25 denariën of 100 sestertiën. Onder Augustus, toen de munt nog onvervalscht was, had de aureus eene innerlijke waarde van ruim f12,50 van onze munt; men moet echter in het oog houden, dat destijds de waarde van het goud tegenover het zilver geringer was dan thans, hetgeen ook uit de gelijkstelling met 100 sestertiën = f10.--zilver blijkt. Sedert de derde eeuw na C. nam de vervalsching sterk toe.

Auriga, heniochos. Bij de Perzen, Aegyptenaren, Trojanen, Grieken, komen in den oorlog strijdwagens voor, waarop de eigenaar van het span als krijgsman staat, terwijl een mindere de paarden bestuurt. Natuurlijk moest dan de andere zijn wagenmenner met zijn schild dekken. Daarom trof het de Romeinen bij de verovering van Britannia, dat bij de Britten de hoofdpersoon zijn span mende en een dienaar voor zich liet vechten.--Bij wedrennen droeg elke wagen slechts één persoon. Bij de nationale spelen in Griekenland treden niet de eigenaars der paarden als menners op; zij lieten hunne twee- of vierspannen besturen door vrienden of door geoefende jongelingen, en niemand behoefde het zich tot oneer te rekenen, als wagenmenner dienst te doen. Anders was het bij de Romeinen. De aurigae of agitatores waren menschen, die van hunne kunst een beroep maakten. In den beginne waren het slaven of vrijgelatenen of menschen uit lageren stand; eerst toen een keizer als Nero het niet beneden zich achtte zelf als menner in het strijdperk te verschijnen, ging de slaafschheid zóóver, dat ook aanzienlijken als menners van hun eigen paarden optraden. De aurigae vormden vier clubs of factiones: alba, wit--russata, roodachtig,--veneta, blauw--prasina, zeegroen. Zij droegen eene tunica zonder mouwen en hadden het bovenlijf met riemen omsnoerd. Hun uniform, hun wagen, het tuig der paarden droeg de kleur hunner factio. Om de handen vrij te hebben tot het aanzetten der paarden, bonden de menners zich de teugels om het lichaam vast; om te vieren of strak te houden, hadden zij zich dus slechts vóór of achterover te buigen. Om ingeval van een ongeluk zich te kunnen vrijmaken, droegen zij een kort mes tot het doorsnijden der teugels. Bij elken wedren reed één wagen van elke factio mede. Keizer Domitianus voegde aan de vier bestaande factiones twee nieuwe toe: eene aurata en eene purpurea, die echter na zijn dood weder werden opgeheven. Over de wedrennen zelve zie men het artikel circus.

Aurora, z. Eos.

Aurunci, een der oude volken van Latium en Campania. In de laatste helft der vierde eeuw waren zij beperkt tot het zuidelijk deel van Latium, en in 314 werden zij door de Romeinen zoo goed als uitgeroeid. In hun land werden door de Romeinen aangelegd de Latijnsche coloniae: Cales, Suessa Aurunca en Pontia, en de coloniae civium Romanorum: Sinnessa en Minturnae. In hun gebied lagen de mons Massicus en de ager Caecubus, beide beroemd om den wijn, die er werd geteeld. Zie ook Ausones.

Ausci, Auskioi, volksstam in Aquitania, met de hoofdstad Elimberris, later Augusta, thans Auch.

Ausculum = Asculum Apulum.

Ausenses, Auseis, libysche stam, ten Zuiden van Numidia bij het meer Tritonis.

Ausetani, volksstam in het Noordoosten van Hispania Tarraconensis, met de stad Gerunda (Gerona).

Ausones, Ausonia, Ausones, Ausonia. De Ausoniërs vormden de oude, voor-rom. bevolking van Midden-Italië, van Apulia, Campania en het zuidelijk gedeelte van Latium. Zij worden ook Opici, Opikoi, en Osci, Oskoi, genoemd. De naam Ausones is dezelfde als Aurunci. Waarschijnlijk was de ausonische stam verwant met den umbrischen. Dichterlijk wordt Ausonia ook voor Italia gebezigd.

Ausonius (Decimus Magnus), romeinsch dichter uit Burdigala (Bordeaux) en leeraar in de welsprekendheid. Zijn vader was lijfarts van keizer Valentinianus I (364-375 n. C.), hij zelf werd de opvoeder van diens zoon Gratianus. Achtereenvolgens werd Ausonius quaestor, praefectus praetorio en consul (379) in Gallia; doch na Gratianus' dood (383) trok hij zich uit het staatsleven terug. Hij overleed in 392, ruim 80 jaar oud. Onder de gedichten van Ausonius is zijn stroomdicht Mosella, dat hij te Augusta Trevirorum schreef, het meest beroemde.

Auspicia. Oorspronkelijk duidt dit woord de vogelwichelarij aan, doch werd later ook toegepast op alle andere middelen om te zien of de goden hunne goedkeuring hechtten aan een beraamd plan. De wijze, waarop dit geschiedde, is onder het artikel auguria medegedeeld. Auspicia privata kon ieder voor zich nemen; doch auspicia publica ten behoeve van den staat konden slechts genomen worden door magistratus populi Romani. De volkstribunen, tribuni plebis, als zijnde slechts overheden van de plebs, en niet van den populus, hadden dus geen ius auspiciorum, en de door hen in het leven geroepen concilia plebis, waren niet aan voorafgaande auspiciën gebonden, wat met de centuriaatcomitiën wel het geval was. Toen echter de macht van het volkstribunaat overwegend werd en plebiscita met leges waren gelijkgesteld, achtte men het wenschelijk ook aan de volkstribunen auspiciën toe te kennen, minder als voorrecht, dan wel als middel tot beteugeling. Niet alle auspicia waren van gelijken rang; zoo stonden die der consuls en praetoren hooger dan die van andere overheden. Auspicium nu beteekent zoowel het waarnemen als het waargenomen teeken, doch bovendien ook het recht om den goden hun ja of neen af te vragen. Dit recht nam de overheidspersoon van zijn voorganger of van de patres (de patricische leden van den senaat) over, wanneer hij bij de aanvaarding van zijn ambt de voorgeschreven godsdienstige plechtigheden vervulde. Had hij geen onmiddellijken opvolger, was hij vitio creatus, of kwam hij in zijn ambt te overlijden, dan keerden de auspicia tot de patres terug. Ook de veldheer, die met een leger uittrok, moest vooraf auspicia nemen en zich hierdoor het recht verschaffen, ook in het veld den wil der godheid uit te vorschen. Door het veronachtzamen van zekere vormen, b.v. bij het overtrekken eener rivier--want een water verbrak de auspicia, tenzij men een formulier uitsprak--kon hij zijne auspicia verliezen. Was hij nu in den strijd bij voortduring ongelukkig, dan ontstond het vermoeden, dat zijne auspicia door eenig verzuim vitiata waren, in welk geval hem niets anders restte, dan naar Rome terug te keeren om nieuwe auspicia te halen. Daar alleen de veldheer auspicia had, beteekent de uitdrukking sub auspiciis alicuius: onder iemands opperbevel.

Auster, de Zuidenwind, tgw. Scirocco genoemd, zie Windstreken.

Autariatae, Autariatai, volksstam in Dalmatia.

Autochthones, Aborigines, heetten de grieksche volken, die beweerden dat hunne voorouders niet uit den vreemde waren gekomen, maar in het land zelf, als het ware uit den grond (vandaar de spotnaam gegeneis) waren ontstaan. De Atheners en de Arcadiërs beroemden zich van zulke autochthonen af te stammen.

Autololes, Autololai, gaetulische volksstam op de Westkust van Afrika, buiten de zuilen van Heracles en ten Zuiden van den Atlas.

Autolycus, Autolykos, zoon van Hermes en Chione, van moederszijde grootvader van Odysseus, de sluwste dief en bedrieger der oudheid. Hij woonde op den Parnassus en ondernam van daar uit verscheiden rooftochten, van welke hij altijd rijken buit medebracht, terwijl hij nooit ontdekt werd, daar hij het vermogen bezat zichzelven en de gestolen goederen onzichtbaar te maken of van gedaante te doen veranderen. Maar de runderen van Sisyphus, die hij ook gestolen had, moest hij teruggeven, daar deze aan den hoef gemerkt waren en dus gemakkelijk herkend werden.--Autol. was ook zeer bekwaam in het worstelen en leerde Heracles deze kunst.

Automedon, Automedon, zoon van Diores, wagenmenner en strijdmakker van Achilles; de naam wordt soms spreekwoordelijk voor een wagenmenner gebruikt.

Autonoe, Autonoe, dochter van Cadmus en Harmonia, moeder van Actaeon.

Autonomia, het recht van een staat om zichzelf wetten te geven, voornaamste kenmerk van politieke onafhankelijkheid; onder de Romeinen was hiermede verbonden het recht om eigen munten te slaan.

Autonous, Autonoos, een heros, die te Delphi vereerd werd en den delphischen tempel tegen de troepen van Xerxes verdedigde.

Autrigones, volksstam in Hispania Tarraconensis tusschen den Iberus (Ebro) en het mare Cantabricum (golf v. Biskaye).

Autronii.--P. Autronius Paetus, in 65 met P. Cornelius Sulla wegens ambitus veroordeeld, redenaar met sterke stem. Hij nam deel aan de Catilinarische samenzwering en werd in 62 volgens de lex Plautia de vi veroordeeld, en ging in ballingschap naar Epirus. Dit geslacht heeft bovendien een paar consuls opgeleverd.

Auxesia, Auxesia, godin van den wasdom, waarschijnlijk een bijnaam van Demeter. Z. Damia.

Auxilia, troepen, die door de Romeinen uit de provinciën werden getrokken of door verbonden volken en vorsten geleverd werden. De italische volken leverden geene auxilia; zij waren socii, omdat Italia geen provincie was. Toen Italia het burgerrecht kreeg, waren er geene socii meer in het leger.

Auximum, aanzienlijke stad, sedert 157 rom. kolonie, in Picenum, ten zuiden van Ancona.

Auxo, Auxo, eene van de Gratiën.

Auxume, Auxoume of Axome, Axome, thans Axoem, in Aethopia, nabij de bronnen van den Astaboras (Atbara), in den keizertijd hoofdstad van een machtigen handelsstaat. Volgens het geschiedverhaal zou onder de regeering van koning Psamtik of Psammeticus een deel van de kaste der krijgslieden, ten getale van 240000 man, Aegypte verlaten hebben en zich zóóver van Meroë gevestigd hebben, als Meroë van Syene ligt. Vermoedelijk is hierdoor het rijk van Auxume ontstaan. De bloei dateert eerst uit den tijd na den val van Meroë.

Avaricum, thans Bourges, ten Z. van den Liger (Loire) in Gallia, hoofdstad der Bituriges, in den grooten gallischen opstand (52) door Caesar veroverd, waarbij van de 40000 menschen, die er een toevlucht hadden gezocht, slechts 800 aan het bloedbad ontkwamen. Later was het de hoofdstad van Aquitania I.

Avella = Abella.

Avenio, aanzienlijke stad in Gallia Narbonensis, in het gebied der Cavari, thans Avignon, aan den Rhodanus (Rhone).

Avens (t.g.w. Velino), riviertje in het Sabijnsche land, zijtak van den Nar. In de nabijheid van Reate vormde het groote moerassen, paludes Reatinae, die de consul M.' Curius Dentatus in 290 grootendeels drooglegde door het dóórsteken van een berg (zie Reate), zoodat slechts een meertje, lacus Velinus, overbleef. Even beneden dien doorsteek stort de Avens zich langs den beroemden waterval van Terni (oudtijds Interamna), in het italiaansch le Cadute of le Cascate delle Marmore geheeten, in den Nar (t.g.w. Nera) uit.

Aventicum, hoofdstad der Helvetiërs, in de 4de eeuw n. Chr. reeds verlaten. Thans Avenches aan het meer v. Neufchâtel.

Aventinus (mons), een der zeven heuvels van het oude Rome, die, evenals de mons Capitolinus, wel binnen den stadsmuur, doch buiten het pomerium lag. Op dezen heuvel lag een tempel van Diana, door Tarquinius Priscus als gemeenschappelijk rom.-latijnsch heiligdom gesticht.

Avernus (lacus), Aornos limne, aan den sinus Cumanus (golf v. Napels), een uitgebrande krater, waarin zich een meer gevormd had, omgeven door een donker cypressenwoud. Zwaveldampen verpestten de lucht boven dit meer, waar geen visch in leefde en geen vogel over heen vloog (vandaar de naam). Bij Vergilius woont hier de sibylle van Cumae in eene grot, waardoor Aeneas in het schimmenrijk afdaalt. Onder de regeering van Augustus legde Agrippa hier in 37 de oorlogshaven portus Julius aan, die later vervangen werd door den portus Misenus. Sinds dien tijd behoort de lacus Avernus met den lacus Lucrinus tot de luxebadplaats Baiae. Aardbevingen hebben aan deze streek een ander voorkomen gegeven.

Averruncus, Apotropaios, bijnaam van iederen god, die onheil of gevaar afwendt, bijv. Apollo.

Avianus Flavius, rom. fabeldichter uit den tijd van Theodosius den Grooten.

Avidius (Cassius), z. Cassii no. 18.

Avienus (Rufus Festus), rom. dichter uit den tijd van Theodosius den Grooten, heeft vertalingen in dichtmaat geleverd van oude grieksche leerdichten. Vooral belangrijk om den inhoud is zijn ora maritima, een bewerking van een griekschen periplous uit de 4de eeuw v. C., waarvan echter slechts de grootste helft van het eerste boek over is.

Aviones, volk in Noord-Germania over den Albis (Elbe), een van de volkeren, die de godin Nerthus vereerden.

Axamenta, oude liederen in saturnische maat, die door de Salii bij hunne optochten werden gezongen. Zie ook ancile.

Axia, kasteel in Etruria, in het gebied van Tarquinii.

Axierus, Axiocersa en Axiocersus, Axieros, Axiokersa en Axiokersos, samothracische Cabiren, geïdentificeerd met Demeter, Persephone en Hades.

Axius, Axios, thans Vardar, voorname rivier van Macedonia, die zich in de Thermaeische golf ontlast.

Axona, rivier in Gallia, thans Aisne, zijtak van den Isara (Oise). Aan den Axona lag Augusta Suessionum (Soissons).

Axones, ook kyrbeis genoemd, witgemaakte houten borden, die om een as kunnen draaien, waarop de wetten van Solon geschreven waren. Zij waren opgesteld in het Prytaneum te Athene, v.s. hadden zij oudtijds op den burcht gestaan en waren zij eerst door Ephialtes verplaatst. V.a. zijn de kyrbeis te onderscheiden van de axones en zijn kyrbeis van boven afgestompte pyramiden van steen in de stoa basilike, waarop de voornaamste wetten ingebeiteld waren.

Axume of Axome = Auxume.

Axus, Axos, z. Oaxus.

Azan, Azan, zoon van Arcas en Erato; naar hem was Azania, een deel van Arcadië, genoemd.

Azania, Azania, 1) kustland van Afrika, bezuiden kaap Aromata (Guardafui), thans de kust der Somali.--2) zie Azan.

Aziris, Aziris, stad op de libysche kust, ten O. van Cyrene.

Azotus, Azotos, eene der vijf hoofdsteden van de Philistijnen, dicht bij de kust, tusschen Ascalon en Iamnia, in het O.T. Asdod.

B.

Babrius, Babrios, grieksch dichter, die de fabels van Aesopus in verzen bracht. Hij leefde onder Domitianus of later, in elk geval vóór het einde van de 2de eeuw n. C. Van de 224 fabels, die overgebleven zijn, wordt een groot gedeelte door sommigen niet als het werk van Babrius beschouwd.

Babylon, Babylon, 1) stad in Aegypte, stroomafwaarts van Memphis.--2) hoofdst. van Babylonia, zeer oude stad; in de 23ste eeuw maakt Chammurabi (Hammurabi), de beroemde wetgever, haar tot de hoofdstad van het nu geheel semietische Babylonia. Van de latere, lotgevallen weten we weinig, totdat Nebukadnesar I (omstreeks 1150) het wederom tot bloei bracht. In 728 nam Tiglathpilesar III van Assyria er bezit van, en in 689 werd het door Sanherib gesloopt, maar door zijn zoon Asarhaddon, die zijne residentie hierheen wilde verleggen, weer opgebouwd. In 648 werd de stad weer ingenomen en gedeeltelijk verwoest, doch herrees na den ondergang van het assyrische rijk door de zorg van den eersten koning van het nieuw-babylonische rijk, Nabopalassar, en vooral van zijn grooten opvolger Nebukadnesar II, die in 604 aan de regeering kwam, als eene stad, die hare wedergade niet had. Zij vormde een kwadraat, waarvan elke zijde 120 stadiën of 4 uren gaans lang was, en was omringd door een muur van gebakken steen van 100 koninklijke elleboogslengten (± 45 meter) boven den beganen grond en half zoo breed. Daaromheen liep eene gracht met gemetselde wanden, even zoo diep als de muur hoog was, en waarvan de uitgegraven klei de steenen had geleverd voor den muur. In den muur, die met 200 torens versterkt was, waren 100 poorten, waarvan de deuren, stijlen en bovendorpels van koper waren. De Euphraat, die de stad doorsneed, was ook ter weerszijden ingesloten door muren, waarin de zoogenaamde waterpoorten waren. In de stad vond men het koninklijk paleis, met drie muren omgeven, die een omtrek van 20, 40 en 60 stadiën hadden, alles in kwadraatvorm. Dáár waren ook de oploopende, op gewelven rustende terrassen, die onder den naam van hangende tuinen bekend zijn en die zoo dik met aarde bedekt waren, dat boomen er in konden wortelen. De beroemde tempel van Belus was een vierkante toren op een grondvlak van twee stadiën lang en even breed. Daarboven verhief zich een tweede kleinere toren, en zoo verder tot acht torens toe. In den bovensten toren was het slaapvertrek van den god met een gouden legerstede en een gouden tafel. De groote ruimte binnen de muren was natuurlijk niet geheel met huizen bebouwd, maar bevatte ook de noodige akkers en weidegronden, zoodat de bijna onneembare stad niet kon worden uitgehongerd. In 538 viel de stad in handen der Perzen. Darius Hystaspis liet na een opstand (519 of 516) een gedeelte der muren sloopen; toch bleef Babylon groot en schoon tot het uiteenspatten van het macedonische rijk, toen de nieuw gestichte steden Seleucia en Ctesiphon de bewoners tot zich trokken.

Babylonia, Babylonia, het land van Babylon, was de landstreek tusschen den Tigris ten O., de woestijnen van Arabië ten W. en den zoogenaamden medischen muur ten N. De bodem bestond uit aangeslibden kleigrond en was uiterst geschikt voor graanbouw. Het land was doorsneden door bevaarbare kanalen, die den Euphraat met den Tigris verbonden, en onderling weder verbonden waren door smallere vaarten, die weder door sloten met elkander gemeenschap hadden. Boomen vond men er bijna niet. De oudste bewoners zijn de Sumeriërs, op wie reeds kort na 4000 de Accadiërs, een semietische stam, volgen, die zich met de oorspronkelijke bevolking na veel strijd gemengd hebben. De bloeitijd van dit volk valt tusschen 3800 en 3700 en de meest bekende koning is Sargon. Later valt het rijk uiteen in verschillende stadstaten, die elk een afzonderlijke godheid vereeren, tot ± 2300 de stad Babylon (z.a.) op den voorgrond treedt. De babylonische nijverheid had een hoogen trap bereikt en bestond vooral in tapijtweverijen, lijnwaadweverijen, goudsmidswerk en het snijden in edelgesteenten. De godsdienst was het sabaeïsme, de vereering van zon, maan en sterren. Vooral de stam der Chaldaeërs, die zich in het zuid-oostelijk deel, Akkad, gevestigd hadden, had het ver gebracht in sterrenkunde en tijdrekenkunde en wiskunde, en verhief zich daardoor tot priesterkaste. Sterrenwichelarij ging daarmede hand aan hand. De Chaldaeërs waren oorspronkelijk een herdersvolk, dat bij den helderen babylonischen sterrenhemel, terwijl zij 's nachts wacht hielden bij hunne kudden, ruime gelegenheid had gehad den loop der sterren gade te slaan. Nadat het babylonische rijk in de 13de eeuw eene assyrische provincie was geworden, stond het meermalen op, doch werd weder onderworpen, totdat in 606 Nabopolassar het weder vrij maakte en Assyria eene provincie van Babylonia werd. In 538 veroverde Cyrus de stad Babylon, en het gewest werd nu perzisch, later macedonisch en daarna syrisch. Het babylonische stelsel van munten, maten en gewichten werd door verscheidene andere volken der oudheid overgenomen.

Babylonii numeri of Chaldaïcae rationes. Tegen en in den rom. keizerstijd kwamen dikwerf oosterlingen naar Rome als sterrenwichelaars en horoscooptrekkers. Bij hunne voorspellingen speelden kaarten met cijfers en getallen eene hoofdrol. Men heeft dus te denken aan iets als het kaartleggen in lateren tijd. Wel trachtte men dit soort menschen te weren, doch het bijgeloof te Rome was zóó sterk, dat men in weerwil van de verbodsbepalingen gretig van hunne zoogenaamde kunst gebruik maakte.

Bacchae, Bakchai, Bacchanten, vrouwen, die bij sommige feesten van Dionysus met geschreeuw en gegil, onder begeleiding van muziek, in de grootste opgewondenheid heinde en ver rondliepen om, zoo het heette, den god te zoeken. Zij waren in dierenhuiden gehuld en zwaaiden een thyrsusstaf; zij stelden het geleide voor, dat Dionysus op zijn veroveringstochten vergezeld had.

Bacchanalia heeten in Italië geheime feesten ter eere van Bacchus, die uit de grieksche steden ingevoerd waren. Zij werden met de luidruchtigheid der Dionysusfeesten gevierd, maar gingen hier met zulke schandalen, ja zelfs misdaden, gepaard, dat de senaat in 186 meende hieraan te moeten paal en perk stellen en elken nieuwen dienst van Bacchus verbood.

Bacchiadae, Bakchiadai, een adellijk geslacht, dat langen tijd te Corinthe regeerde en in 657 door Cypselus verdreven werd.

Bacchium, Bakchion, eiland tegenover de aziatisch-ionische kuststad Phocaea, welks prachtige tempels in den syrischen oorlog door de Romeinen en hunne bondgenooten in 190 geplunderd werden.

Bacchus, Bakchos, andere naam voor Dionysus, waarschijnlijk betrekking hebbend op het luidruchtige van zijn eeredienst. Door de Romeinen werd deze naam aan den god Liber gegeven.

Bacchylides, Bakchylides, lyrisch dichter van Ceos, neef van Simonides, met wien hij geruimen tijd te Syracuse aan het hof van Hiero leefde; later begaf hij zich naar de Peloponnesus. Van zijne gedichten zijn sedert 1897 ongeveer twintig min of meer in hun geheel bekend; overigens zijn ervan slechts eenige fragmenten over.

Bacenis silva, waarschijnlijk de Hohe Rhön met zijn uitloopers, grensscheiding tusschen de Cherusci en de Suebi.

Bacis, Bakis, was de naam voor profeten van wie verzamelingen orakels afkomstig waren, die in de 7de eeuw in omloop gebracht werden en bij velen groot gezag hadden, zoodat zelfs de verschillende staten van Griekenland zich soms bij hunne besluiten er door lieten leiden. Er was een Attische, Boeotische en een Arkadische Bacis.

Bactra, ta Baktra, vroeger Zariaspa, thans Balkh, hoofdstad van Bactria (Bactriane) en belangrijke handelsstad.

Bactria, Bactriane, Baktriane, gewest in het N.O. van het perzische rijk, door den Oxus (Amu-Daria) doorsneden. In overouden tijd bestond hier een bactrisch rijk, dat door de Mediërs werd veroverd, waarna de godsdienst van Zarathustra, die in Bactrië heerschte, staatsgodsdienst werd in Medië. Na Alexander d. Gr. kwam het onder Seleucus, den stichter van het Syrische rijk; doch in 250 scheurde Bactria zich van Syrië los onder zekeren Diodotus, een Griek. Onder hem en zijn opvolger breidde Bactria zich uit tot een grooten, bloeienden staat, die een duizendtal steden telde. Doch tweespalt werd de oorzaak, dat omstreeks 150 de Parthen samen met de Hunnen (Phaunoi) zich vóór en na van de bactrische provinciën meester maakten, en Bactria zelf in 140 door de scythische Sacers vermeesterd werd.

Baduhennae lucus, woudstreek in het land der Frisii, misschien de tegenw. streek Zevenwolden.

Baebia (lex), een plebisciet van 181 of 180. Het behelsde, dat niet jaarlijks zes praetoren zouden gekozen worden, zooals sedert 197 geschiedde, doch om het andere jaar slechts vier. De wet is spoedig weer afgeschaft.

Baebii, 1) M. Baebius Tamphilus, trok als propraetor, met Philippus van Macedonia verbonden, het eerst den syrischen koning Antiochus III in Griekenland tegemoet, in 191. In 181 was hij consul, toen de zoogenaamde 14 boeken van Numa gevonden werden, die echter onecht bevonden en openlijk verbrand werden. In 180 beoorloogde hij als proconsul met zijn ambtgenoot P. Cornelius Cethegus een ligurisch volk (de Apuani) dat zich vrijwillig overgaf en naar Samnium werd overgebracht.--2) C. Baebius, volkstribuun in 111, belette, toen Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome was gekomen om getuigenis af te leggen tegen hen, die zich hadden laten omkoopen, den koning te spreken.

Baecula of Baecyla, Baikoula, Baikyla, stad in Hispania Baetica, ten N. van den Baetis, bekend door de wapenfeiten van P. Cornelius Scipio (den lateren Africanus maior) in den tweeden punischen oorlog. In het gebied der stad lagen rijke zilvermijnen. Ook schijnt er nog een stadje Baecula in het N.O. van Spanje te hebben gelegen, in het land der Ausetani.

Baenis, Bainis, z. Minius.

Baetasii = Betasii.

Baeterrae, thans Béziers, in het gebied der Volcae Arecomici, in Gallia Narbonensis, dicht bij de kust.

Baetica, Baitike, het zuidelijke en zuidwestelijke gedeelte van Hispania, aldus genoemd naar den Baetis (Guadalquivir), die er door stroomde. Het was het welvarendste deel van Hispania, met veel handel en nijverheid, waarin de vervaardiging van wollen stoffen en wapenen een hoofdrol speelde.

Baetis, Baitis, rivier in Baetica, thans Guadalquivir.

Baeturia, Baitouria, het gedeelte van Baetica, dat aan Lusitania grenst, tusschen den Baetis en den Anas (Guadiana).

Bagaudae, gallische boeren, die in 285 na C. wegens onderdrukking in opstand kwamen en een bloedigen boerenoorlog voerden.

Bagienni = Vagienni.

Bagistanus mons, Bagistanon oros (Baghastân = godenoord), beroemd om de verrukkelijke natuur, aan den heerweg van Ecbatana naar Babylon. Op de afgehakte en gladgeschuurde rotswanden waren in beeldwerk en spijkerschrift de wapenfeiten van Darius Hystaspis vermeld.

Bagoas, Bagoas, een Aegyptenaar, gunsteling van Artaxerxes Ochus, dien hij ten slotte vergiftigde. Daarna zette hij diens jongsten zoon Arses op den troon, doch ook dezen vermoordde hij na eenige jaren. Darius Codomannus, die eveneens door hem de regeering verkregen had, liet hem dooden (330).

Bagradas, Bagradas, 1) rivier in Africa, die tusschen Carthago en Utica in zee valt.--2) rivier aan de Zuidkust van Persis, dicht bij de grens van Carmania.

Baiae, Baiai, Baïai, beroemde rom. badplaats met warme zwavelbronnen, aan een inham van den sinus Cumanus (golf v. Napels) gelegen, een waar lustoord. De kust was als bezaaid met prachtige villa's en lusthuizen van aanzienlijke Romeinen. Zie ook Avernus (lacus) en Lucrinus (lacus). Er heerschte ontzaggelijke weelde en tevens eene groote losheid van zeden. Keizer Hadrianus is te Baiae gestorven. Thans is de plek door aardbevingen geheel verwoest, zoodat er slechts weinig sporen van de oudheid over zijn.

Baitylos, Baitylion, ook met den phoenicischen naam Abadir genoemd, uit den hemel gevallen steenen, die op vele plaatsen het voorwerp van bijgeloovige vereering waren. Bij den tempel van Delphi stond zulk een steen, die dagelijks met olie gezalfd en op feestdagen met wol omwonden werd. Men geloofde dat dit de steen was, dien Cronus (z. a.) in plaats van Zeus verslonden had.

Baius, Baios, de stuurman van Odysseus. De stad Baiae, waar hij begraven is, is naar hem genoemd.

Balbinus (D. Caelius Calvinus), romeinsch keizer in 238 n. C. samen met M. Clodius Pupien(i)us Maximus. Zij benoemden den jongen Gordianus (III) tot Caesar. Na drie maanden werden zij vermoord, en werd Gordianus keizer.

Balbus (= stotteraar), een rom. familienaam, die in de gentes Ampia, Attia, Cornelia, Lucilia, Octavia en Thoria voorkomt. De voornaamste Balbi zijn: 1) T. Ampius Balbus, een der makers van de lex Ampia Labiena.--2) M. Attius Balbus, grootvader van Augustus. Zie Attii no. 5.--3) L. Cornelius Balbus, z. Cornelii no. 28.--4) L. Cornelius Balbus minor, z. Cornelii no. 29.

Baleares insulae, Balearides nesoi, de bekende Balearische eilanden nabij de spaansche kust, maior en minor, thans Majorca en Minorca. De inwoners, ook Baleares geheeten, Baleares, waren bekend als uitstekende slingeraars. De hoofdplaatsen waren Palma en Mago (Port-Mahon). De naam Baleares beteekent volgens Grieksche schrijvers slingeraarseilanden; de Grieken noemden ze vroeger ook wel Gymnesiai, of naaktlooperseilanden. Wegens hun heulen met de zeeroovers werden zij in 123 door de Rom. onderworpen onder Q. Caecilius Metellus, die hiernaar den bijnaam Balearicus kreeg, z. Caecilii no. 8.

Balesium = Valentia no. 3.

Balius, Balios, en Xanthus, de onsterfelijke paarden van Achilles, die door Poseidon aan Peleus bij zijn huwelijk ten geschenke gegeven waren en die hij na den dood van Achilles terugnam. Zij waren gesproten uit de verbintenis van Zephyrus en Podarge. V. s. waren het oorspronkelijk Titanen geweest, die Zeus in den strijd tegen de andere Titanen hadden geholpen, en verzocht hadden in paarden veranderd te worden, om door hunne verwanten niet herkend te worden.

Ballista, lithobolos, een werptuig, waarmede zware steenen binnen eene belegerde stad werden geslingerd. De ballistae wierpen in boogvormige richting. Juiste duidelijke beschrijvingen van dit werpgeschut ontbreken.

Balneum, saamgetrokken uit balineum, badkamer. Om een badhuis aan te duiden gebruikte men oudtijds het plurale balneae, doch daar dit woord in de dactylische maat niet paste, ontstond in het augusteïsche tijdperk het plurale balnea. In zulk eene openbare badinrichting onderscheidde men: het apodyterium of (ont)kleedkamer, het frigidarium of vertrek voor koude baden, soms met kuipen, soms met een zwembassin of natatio,--het tepidarium, eene verwarmde ruimte, die tot overgang diende,--de ruimte voor het warme bad, caldarium. Deze laatste had een verwarmden bodem, terwijl later ook de zijwanden verwarmd werden door het inrichten van spouwmuren, die men vormde door het aanbrengen van tegulae mammatae, of het aanleggen van buizen, tubuli. Het verwarmen van den vloer bracht men tot stand door die op gemetselde porren of stutten te plaatsen, waaronder dan de heete lucht kon circuleeren. Men kan dit nog goed zien aan de overblijfselen van de Romeinsche baden te Trier (suspensura). Eene groote kuip voor warm water (alveus), vlak boven of dicht bij den haard, was in den vloer gemetseld. Aan de overzijde had men dan het labrum, een kuip met lauw water, om na te spoelen. Somwijlen komt ook nog een aparte zweetkamer voor, sudatorium of laconicum geheeten, voor het zweetbad, assa sudatio. Na een zweetbad werd men door de badslaven (aliptae), die men gewoonlijk zelf medebracht, met eene soort krabbers (strigiles) van zweet gereinigd, afgewreven, gezalfd. Dit laatste schijnt in het tepidarium verricht te zijn. Een goed voorbeeld van een eenvoudige badinrichting in den eersten keizertijd levert bijgaande plattegrond van de Thermae Stabianae te Pompeii. A hoofdingang van de afdeeling voor mannen, B zuilengangen, C palaestra met rechts een soort kegelbaan voor een spel met steenen ballen, F natatio. I-VIII afdeeling voor warme baden, waarvan IV doorgang, V frigidarium, VI apodyterium, VII tepidarium, VIII caldarium, IX stookplaats (praefurnium), die zoowel de mannen- als de vrouwenafdeeling van heet, lauw en koud water voorzag. 1-6 afdeeling van vrouwen, 1 en 5 ingangen, 2 apodyterium, 3 tepidarium, 4 caldarium; een frigidarium ontbreekt hier. De ruimten E en G, die aan de natatio aansluiten, dienden voor douchebad. D diende voor apodyterium of destrictarium. Nadat men zich uitgekleed had, hield men zich bezig met gymnastische oefeningen, dan keerde men naar D terug, waar olie en stof afgewreven werden, vervolgens reinigde men zich in E of G, en gebruikte dan de natatio. Onder de rom. keizers verrezen prachtige badhuizen, met wandelgalerijen, gymnastiekzaal, kaatsbaan, conversatiezalen, bibliotheken en derg. Zie thermae. De inrichting van een grieksch badhuis (balaneion) was over het geheel aan dat van het rom. gelijk.

Balteus of Balteum (in het meerv. bij voorkeur baltea), gordel of bandelier, hetzij om het lijf of over den schouder gedragen, om zwaard of schild of pijlkoker of wat dan ook te dragen. Ook wordt het woord gebezigd voor de ringmuren, die in een theatrum of amphitheatrum de drie rangen van elkander scheidden. Bijgaande teekening stelt een stuk voor van een theater in Pompeji. Men denke zich de muren met den overdekten gang onafgebroken doorloopende zoover als de zitplaatsen gaan.

Bambyce, Bambyke, oude naam van Hierapolis in Syria (Cyrrhestice), nabij den Euphraat, een van de fraaiste steden van Syrië.

Bandusia, bron in Apulia, nabij Venusia, de geboortestad van Horatius. Op diens landgoed Sabinum bevond zich ook eene bron, door den dichter Bandusia gedoopt.

Bantia, stadje in Apulia, nabij Venusia, in een boschrijke streek aan den mons Vultur. In de nabijheid zijn in 1793 fragmenten gevonden van een bronzen plaat, die aan beide zijden een opschrift heeft, de tabula Bantina. Het ééne opschrift is in het oscisch, het andere in het latijn.

Baphyras of -rus, Baphyras, riviertje in Pieria, dat op den Olympus ontspringt en langs Dium (z. Dium no. 3) stroomend, in de golf van Thermae valt.

Baptai heetten zij die deelnamen aan de feesten van Cotytto.

Barathrum, Barathron, een afgrond bij Athene, waarin sommige misdadigers geworpen werden.

Barbari, barbaroi, bij de Grieken alle volken die een vreemde taal spraken, en daar de Grieken zich als het voortreffelijkste volk beschouwden, dat geschikt was over alle andere te heerschen, hechtte men aan dit woord licht de beteekenis van laag, slaafsch. Toen de Romeinen het overnamen, zonderden zij zichzelf van de barbaren uit; bij hen beteekent het woord die volken, die de grieksche en romeinsche beschaving missen, het komt dus meer overeen met ons barbaarsch. Later werd het vooral van de Germanen en van de volken over den Euphraat gebruikt.

Barbaria (Barbarica), de noordelijke kust van Somali-land.

Barbitos, Barbiton, barbitos, barbiton, een muziekinstrument met zeven snaren, in vorm gelijk aan de lier, maar grooter; het werd met de vingers of met een plectrum bespeeld.

Barca, Barke, stad in Cyrenaïca, omstreeks 550 als mededingster van Cyrene gesticht door broeders van den cyrenaeïschen koning Arcesilas II, die zich aan het hoofd der opgestane Barcaeërs hadden gesteld. Na de verovering door de Perzen in 512 kwam Barca in verval. De Perzen brachten een gedeelte der inwoners naar Bactria over en de latere Ptolemaeën verhieven Barca's havenplaats tot eene zelfstandige stad Ptolemaïs.

Barcaei, Barkaioi, paardenfokkende nomadenstam, die het land van Barca bewoonde.

Barcani(i), parthische stam op de grenzen van Hyrcania, waarover Cyrus zijn grootvader Astyages, dien hij onttroond had, tot landvoogd aanstelde.

Barcas = de bliksem, bijnaam van Hannibals vader Hamilcar.

Barcino, aanzienlijke stad der Lacetani in het N.O. van Tarraconensis, later rom. kolonie, thans Barcelona.

Barcini, aanzienlijk karthaagsch geslacht, waartoe o.a. Hasdrubal en Hannibal behoorden. Ook de partij, waarvan deze familie het hoofd was, wordt zoo genoemd.

Bardi, Bardoi, dichters en zangers bij de Galliërs.

Bardiaei, Vardaei, Bardyaioi, illyrische slaven, berucht om hun bloeddorst, waarvan Marius zich bediende om de vogelvrijverklaarden uit den weg te ruimen. Toen zij in hun overmoed niets meer ontzagen, liet Sertorius na Marius' dood 4000 van hen neersabelen.

Bardylis, Bardylis, Illyrisch koning, die in 359 een groot deel van Macedonië veroverde, maar het volgende jaar in een slag tegen Philippus sneuvelde.

Barea Soranus, proconsul in Asia onder Nero. Door zijne rechtvaardigheid maakte hij zich zeer bemind, doch hij werd van eerzuchtige bedoelingen beschuldigd en met zijne dochter Servilia ter dood veroordeeld, 66 na C. Aanklager was zijn cliënt en vroegere leermeester, de stoicus P. Egnatius Celer uit Berytus.

Bargusii, volk in Tarraconensis tusschen den Iberus (Ebro) en de Pyrenaeën.

Bargylia, ta Bargylia, stad in Caria ten N. van Halicarnassus. In de nabijheid vond men een beroemd beeld van Artemis, dat nooit door regen nat werd, hoewel het onder den blooten hemel stond.

Barium, Barion, stad der Peucetii in Apulia aan de Adriatische zee, met veel vischvangst, thans Bari.

Barsine, Barsine, 1) ook Statira of Arsinoë genoemd, dochter van Darius Codomannus, huwde in 324 met Alexander d. Gr. en werd na diens dood door Roxane vermoord. Haar juiste naam was Statira; Barsine heet ze slechts door een vergissing van een der schrijvers, die haar met Barsine no. 2 verward heeft.--2) dochter van Artabazus, gehuwd met Memnon den Rhodiër. Bij Alexander d. Gr. werd zij moeder van Heracles.

Basanistes, een ambtenaar te Athene, ten overstaan van wien slaven als aangeklaagden of getuigen verhoord werden. De verklaringen van slaven waren alleen dan geldig, wanneer zij op de pijnbank (basanos) afgelegd waren. In vele gevallen lieten de partijen, na afloop van het verhoor, de beslissing over de zaak aan den basanist als scheidsrechter over.

Basileus, koning, in oude tijden de algemeene naam voor het hoofd van een griekschen staat; bij het toenemen van de macht van den adel werden ook de hoofden der adellijke geslachten zoo genoemd. In de historische tijden vindt men dien titel alleen nog te Sparta, waar twee koningen regeerden, een uit het geslacht der Procliden of Eurypontiden, een uit dat der Agiden. Zij waren voorzitters van den raad, opperpriesters, aanvoerders in den oorlog en in enkele zaken ook rechters; hun macht was echter zeer beperkt.--Te Athene, waar de koninklijke waardigheid sedert den dood van Codrus afgeschaft was, bleef de tweede archont den titel van basileus behouden (z. Archontes).

Basilicae waren ruime gebouwen voor het handelsverkeer, overdekte markten of beursgebouwen, groote rechthoekige zalen met of zonder halfrond aan de einden. Soms werd het dak door twee rijen zuilen gesteund, en vormden deze dus een middenschip en twee zijschepen. Ook werden de basilicae veel gebruikt voor rechtszittingen. Onder Constantijn den Grooten werden eenige basilieken aan de Christenen ingeruimd voor hunne godsdienstige bijeenkomsten. Vandaar dat de oudste christenkerken dezen vorm hadden.

Basilius de Groote, 329 na C. te Caesarea in Cappadocia geb., was eerst pleitbezorger, ging toen tot den geestelijken stand over en werd in 370 bisschop van Caesarea. Hij was een groot weldoener der armen, stichtte een groot hospitaal en besteedde zijn geheel vermogen tot weldadige doeleinden, terwijl hij zelf in armoede leefde. Hij was een groot voorstander der grieksche letterkunde. Behalve andere geschriften heeft hij ook brieven nagelaten, uitmuntende door stijl en logica. Hij bestreed het Arianisme. Het door hem gestichte klooster aan den Iris in Pontus werd een model voor latere inrichtingen van deze soort.

Baskania, fascinatio, betoovering door woord of blik. In overeenstemming met de bekende meening der ouden, dat de goden geen al te groot of al te langdurig geluk duldden, geloofde men ook dat hun aandacht op zulk een gelukkig persoon door een overmoedig woord of afgunstigen blik gevestigd konden worden, of dat zij daardoor bewogen konden worden aan den gelukkigen toestand een einde te maken. Daarom placht men, wanneer men zichzelf of zijn geluk prees, door bepaalde formules het vermoeden van overmoed van zich af te werpen, of driemaal te spuwen; tegen het "kwaadoog" vond men bescherming door het dragen van een talisman (probaskanion, fascinum).

Bassae, Bassai, een vlek in het Z. van Arcadia, in het gebied der stad Phigalia, met een tempel van Apollo Epicurius (den helper tegen de pest), door den beroemden Ictinus gebouwd. Met den Athena-tempel te Tegea gold deze Apollo-tempel voor den schoonsten van de Peloponnesus. Zie verder Phigalia.

Bassania, stad in Illyria in de nabijheid van Lissus.

Bassareus, Bassareus, bijnaam van Dionysus, naar het vossevel (bassara), waarmede hij omhuld was.

Bassaris, Bassaris, Bacchante.

Bassus, familienaam in de gentes Caecilia (Caecilii no. 28), Caesia, Pomponia (Pomponii no. 8), Ventidia.

Bastarnae, Bastarnai, een machtig, roofziek volk van Germaanschen stam tusschen den Vistula (Weichsel), den Tyras of Danastris (Dniester) en den Ister (Beneden-Donau), dat Perseus met 7000 strijdbare mannen had willen helpen, zoo hij niet te karig ware geweest (168). Herhaaldelijk deden zij strooptochten in Thracia. Een onderafdeeling van hen vormen de Peucini.

Basterna, gesloten draagstoel, door muilezels gedragen, voornamelijk ten gebruike van vrouwen.

Bastetani, iberische volksstam in het zuiden van Hispania Tarraconensis, verwant met de

Bastuli, een in het Oosten van Baetica aan zee wonende sterk met Phoeniciërs gemengde iberische stam. Bij oudere gr. schrijvers heeten ze met de Bastetani Mastiani (Mastianoi).

Batava castra, in Vindelicia op de grenzen van Rhaetia, thans Passau.

Batavi, de ons bekende Batavieren, omstreeks 40 uit Germania den Rijn afgezakt. Ze stammen af van de Chatten. De insula Batavorum strekte zich uit tusschen den Rhenus (Rijn) ten N., den Vahalis (Waal) en de monden van de Mosa (Maas) ten Z. en de zee ten W. Ze wonen ook ten Z. van den Rijn en de Waal. Batavodurum (z. a.), later vervangen door Ulpia Noviomagus, z. Noviomagus, en Forum Hadriani zijn de voornaamste plaatsen in hun gebied. De Romeinen sloten met hen een bondgenootschap, en in de germaansche oorlogen bewees vooral de uitstekende bataafsche ruiterij voortreffelijke diensten. Keizer Augustus nam de Batavieren onder zijne lijfwacht op. Zie Corporis Custodes. In 69 na C. echter barstte een opstand der Batavieren onder Claudius Civilis uit, daar de Romeinen hen meer als overwonnenen dan als bondgenooten behandelden. De opstand breidde zich ook buiten het eiland uit in zulk eene mate, dat hij voor de rom. heerschappij in het Noorden gevaarlijk dreigde te worden. De Romeinen wisten echter tusschen de Batavieren en hunne bondgenooten tweespalt te verwekken, zoodat de laatsten Civilis in den steek lieten, waarop deze met den rom. veldheer Cerealis vrede sloot. Het oude bondgenootschap werd hernieuwd. In de 3de eeuw n. C. dienen ze veel onder de equites singulares. In 300 n. C. wordt hun land overstroomd door de (Salische) Franken, en wat er van hen overschiet, zal zich wel bij de Franken hebben aangesloten.

Batavodurum of Oppidum Batavorum, stad der Batavi op het plateau boven Ubbergen, ten O. van Nijmegen gelegen, door Civilis in 70 n. C., vóór hij zich naar de Betuwe terugtrok, in brand gestoken. De stad is niet herbouwd. Zie Noviomagus no. 4.

Bathycles, Bathykles, van Magnesia, beeldhouwer omstreeks 550; van hem was de troon van Apollo te Amyclae, waarop in 42 vakken in relief verschillende mythen waren voorgesteld.

Bathyllus, Bathyllos, 1) schoon samisch jongeling, door Anacreon bemind.--2) van Alexandrië, vrijgelatene van Maecenas, beroemd als kluchtig balletdanser (pantomimus); zijne bekwaamheid in het nabootsen van teedere en vrouwelijke standen en gebaren gaf hem den bijnaam mollis. Hij is de eigenlijke stichter van den pantomimus.

Bato, naam van twee aanvoerders, een Pannoniër en een Dalmatiër, in den opstand dezer beide volken tegen Rome, 6-10 n. C.

Battiadae, Battiadai, afstammelingen van Battus, die 631-450 te Cyrene regeerden.

Battiades, Battiades, de dichter Callimachus, afstammende van het geslacht der Battiaden.

Battus, Battos, 1) van Thera, zoon van Polymnestus, uit een oud adellijk geslacht. Toen hij eens het orakel van Delphi om raad kwam vragen tegen het stotteren, kreeg hij bevel eene volksplanting naar Libye te voeren, waar hij genezing zou vinden; en inderdaad zoodra hij geland was, zag hij een grooten leeuw, van schrik begon hij te schreeuwen, en zijn gebrek was genezen. Hij vestigde zich toen met de zijnen op het eiland Platea, waar het hun echter niet goed ging, zoodat zij na twee jaar naar Griekenland terugkeerden; het delphische orakel beval hun echter opnieuw naar Libye te gaan. Zij bezetten nu de kust tegenover het eiland en zes jaar later stichtten zij, bij de aan Apollo gewijde bron Cyre of Cyrene, de stad Cyrene, waarover Battus (631-591) als een rechtvaardig en bemind vorst regeerde.--Volgens Herodotus is Battus het libysche woord voor koning.--2) Battus II Eudaimon, kleinzoon van den vorigen. Onder zijne regeering (575-570) werd het aantal inwoners door eene menigte Peloponnesiërs, Cretensers, e. a. vermeerderd, zoodat zij met goed gevolg weerstand konden bieden aan het groote leger, dat de aegyptische koning Apriës den Libyers tegen hen te hulp gezonden had.--3) Battus III Cholos, onder wiens regeering (550-530) de koninklijke macht aanmerkelijk beperkt werd.--4) herder van Neleus; hij had Hermes de runderen van Apollo zien stelen, maar beloofd dit te verzwijgen, toen echter Hermes zelf in eene andere gedaante tot hem kwam en naar de runderen vroeg, vertelde hij het gebeurde, waarop hij tot straf voor zijne trouweloosheid in een steen veranderd werd.

Batulum, stad in Campania, ligging onbekend.

Baucis, Baukis, z. Philemon.

Bauli, liefelijk oord tusschen Baiae en Misenum, met tal van buitenplaatsen. De redenaar Q. Hortensius had hier een landgoed, dat later in het bezit van de keizerlijke familie gekomen is. Hier werd Agrippina, de moeder van Nero, door haar zoon vermoord (Maart 59 n. C.).

Bavius en Maevius, twee rom. pruldichters, benijders en bedillers van Horatius en Vergilius.

Baxea of Baxa, meestal plur. baxeae, soort van schoeisel, soms als een sandaal, soms als een schoen, doch van zeer lichte stof vervaardigd, b.v. van papyrus of van palmbladeren.

Bazira, Bazira, vesting op den Paropamisus ten W. van de bergvesting Aornus.

Bebriacum = Bedriacum.

Bebryces, Bebrykes, mythisch volk in Bithynië, door de Argonauten bezocht. Het volk is ongeveer in de 8ste eeuw door de Bithyniërs uitgeroeid. Naar hen heette Bithynia vroeger Bebrycia.

Bedriacum, Betriakon, vlek in Gallia Cisalpina tusschen Verona en Cremona, waar in 69 n. C. eerst keizer Otho door de troepen van Vitellius verslagen werd, terwijl weinige maanden later tusschen Bedriacum en Cremona in een dubbelen slag het leger van Vitellius door Antonius Primus, veldheer van Vespasianus verslagen werd.

Belbina, Belbina, eilandje tusschen Attica en Argolis.

Belesys, Belesys, chaldeeuwsch priester, satraap van Babylon; z. Arbaces.

Belgae, Belgai, gezamenlijke naam voor de volksstammen, die ten tijde van Caesar het noordelijk gedeelte van Gallia Transalpina bewoonden, ten N. van den Matrona (Marne) en de Sequana (Seine). Ook in Britannia vindt men een volksstam van dien naam, die van de vastelandsche Belgae afstamt. Gedeeltelijk waren zij van germaanschen oorsprong. De Belgen waren krijgshaftiger dan de meer zuidelijk wonende gallische stammen, omdat zij in gedurigen strijd met de Germanen van over den Rijn leefden en door het weren van vreemde handelaars zich zochten te vrijwaren tegen den ontzenuwenden invloed der rom. weelde. Na zeven jaren strijds slaagde Caesar er in ze te onderwerpen.

Belgica, het land der Belgae, door den Rhenus van Germania, door Matrona en Sequana van eigenlijk Gallia gescheiden. Als provincie onder Augustus strekte Belgica (hoofdstad Durocortorum, thans Rheims) zich in zuidoostelijke richting over het gebied der Sequani en Helvetii heen tot aan de Alpen uit. Na de terugroeping van Germanicus (17 n. C.) werden de streken langs den Rijn, waar de legioenen lagen, van Belgica gescheiden, en in Germania Superior en Inferior ingedeeld. Toen in het tijdperk van Constantijn Gallia Transalpina in 17 kleinere provinciën was verdeeld, had men Belgica I met de civitas Trevirorum (Trier) en Belgica II met de civitas Remorum (Rheims) tot hoofdstad.

Belgium, het land der Belgae = Gallia Belgica.

Belias = Bilechas.

Belides, Beleides, Aegyptus en Danaüs, zonen van Belus; Lynceus, zijn kleinzoon; Palamedes, een van zijne afstammelingen.

Belides, Belides, de Danaïden, kleindochters van Belus.

Bellerophon, Bellerophontes, Bellerophon, Bellerophontes, zoon van Glaucus, koning van Corinthe, of van Poseidon. Zijn naam was oorspronkelijk Hipponoüs, en werd veranderd toen hij bij ongeluk zekeren Bellerus in een wedstrijd gedood had. Wegens dezen moord vluchtte hij naar Argos, waar hij door koning Proetus gastvrij ontvangen werd, maar diens gemalin Antea (of Stheneboea) vatte een hevige liefde voor hem op, en daar die liefde niet beantwoord werd, belasterde zij hem bij Proetus, als had hij haar tot ontrouw willen verleiden. Deze zond hem naar zijn schoonvader Iobates, koning van Lycië, met een brief, waarin de opdracht stond Bell. te dooden. Voordat Iobates echter den brief las, had Bell. zich reeds zoo bemind gemaakt, dat de koning hem niet zelf dooden wilde; hij gaf hem daarom last de Chimaera te gaan bestrijden, denkende dat hij bij die onderneming den dood wel vinden zou. Maar Athena stond Bell. bij, en zond hem uit den hemel het gevleugelde paard Pegasus, terwijl zij hem in den droom leerde hoe het te beteugelen. Op zijn paard gezeten doodde hij het monster uit de hoogte met zijne pijlen. Nog was Iobates niet tevreden, maar toen Bell. op zijn opdracht nog de Solymers en de Amazonen had overwonnen, en eindelijk bij zijn terugkomst de beste soldaten van Lycië verslagen had, die in hinderlaag gelegd waren om hem te dooden, erkende de koning in hem een gunsteling der goden; hij gaf hem zijne dochter tot vrouw en deelde zijn rijk met hem. Maar door zijn geluk overmoedig geworden en steunende op zijn wonderbaar paard, waagde Bell. nu ook eene poging om den Olympus te bestijgen, en dit was zijn ongeluk. Want Zeus maakte zijn paard door een bliksemstraal of door een paardenvlieg schichtig, zoodat het zijn ruiter afwierp, die nu blind en kreupel op de aarde neerviel, terwijl Pegasus naar den Olympus terugkeerde. Sedert dien tijd dwaalde Bell. somber en menschenschuw in de Aleïsche vlakte rond. Te Corinthe werd hij als halfgod hoog vereerd.

Bellocasses, z. Vell(i)ocasses.

Bellona, 1) eene oorlogsgodin, tot de Di Indigetes behoorende, later vereenzelvigd met de Grieksche Enyo. Zij vergezelt Mars, wiens zuster, dochter, vrouw, voedster, of wagenmenster zij genoemd wordt, in den strijd. In 296 werd haar door Ap. Claudius Caecus een tempel op het Marsveld gewijd. Hier werd vaak senaatszitting gehouden voor het ontvangen van gezanten van volken, die met Rome geen verbond hadden gesloten, en voor de onderhandelingen omtrent het toestaan van een triumphus aan overwinnende veldheeren (zie triumphus). Zij wordt beschreven als een godin die een speer, een fakkel of een geesel zwaait en op de trompet blaast.--2) eene aziatische godin, wier dienst tijdens de oorlogen met Mithradates uit Comana te Rome ingevoerd werd, en die daar sedert dien tijd op oostersche wijze vereerd werd. Op hare feesten trokken hare priesters (Bellonarii) in zwarte kleederen door de stad en brachten zichzelven in heiligen waanzin wonden aan armen en lendenen toe, waarbij zij onder het geraas van pauken en trompetten allerlei voorspellingen deden.

Bellovaci, krijgszuchtig volk in Belgica, met de aanzienlijke hoofdstad Bratuspantium, later Caesaromagus (Beauvais). Zij waren vrienden en cliënten der Aeduers, op wier bede Caesar hen spaarde.

Bellum sociale, z. Marsicum bellum.

Belus, Belos, 1) zoon van Poseidon en Libye, koning van Aegypte, vader van Aegyptus en Danaüs.--2) eerste koning van Babylon.--3) vader van Dido.

Belus, Belos, kustriviertje in Phoenice, op den Carmel ontspringende, welks fijn zand aanleiding zou gegeven hebben tot de vervaardiging van glas.

Benacus lacus, het grootste meer in Gallia Cisalpina, thans Garda-meer. De Mincius (Mincio) stroomt er door.

Bendis, Bendis of Bendis, thracische godin der maan, ook te Athene en elders in Griekenland vereerd, waar men haar met Artemis identificeerde. Haar tempel heette Bendideion, haar feest (19 en 20 Thargelion, begin Juni) Bendideia.

Beneficiarius (miles), een soldaat, die, door het beneficium zijner superieuren, tot belooning of onderscheiding de vacatio munerum castrensium gekregen had en dus vrijgesteld was van corveediensten, werken aan de wallen der legerplaats, het betrekken der gewone wachtposten en derg. De beneficiarii zijn toegevoegd aan de opperofficieren, en worden voor bureauwerk gebruikt. Onder de keizers ontaardde deze vrijstelling in misbruik, daar de centuriones door allerlei plagerij de soldaten zochten te dwingen, zulk een beneficium van hen te koopen, waardoor de dienst voor hen, die het niet konden betalen, des te zwaarder werd. Verslapping der tucht en oproeren waren hiervan het onvermijdelijk gevolg.

Beneventum, vroeger Maleventum geheeten, stad der Hirpini in Samnium, door Diomedes gesticht. V. s. werd hier Pyrrhus door M'. Curius Dentatus in 275 verslagen, v. a. werd die slag ergens in Lucanië geleverd. In 268 werd het latijnsche kolonie, waarop de naam boni ominis gratia in Beneventum veranderd werd. Onder de keizers werd het zeer begunstigd. Onder andere oudheden vindt men er nog een zegeboog van Traianus.

Berecyntus, Berekyntos, naam van een landstreek in Phrygia, op de grenzen van Caria en Lydia. De Berecyntes waren een phrygische stam. Bij de dichters is berecyntisch = phrygisch. De mater Berecyntia was Cybele, de heros Berecyntius was haar zoon Midas, de Berecyntia tibia is de dwarsfluit.--Ook op Creta wordt een berg Berecyntus vermeld.

Berenice, Berenike, 1) dochter van Lagus, gemalin van haar stiefbroeder Ptolemaeus Lagi.--2) dochter van Ptolemaeus II, gehuwd met Antiochus II (z. a.)--3) dochter van Magas van Cyrene, verloofd met Demetrius, huwde na diens dood (z. Apama no. 2) met Ptolemaeus III, met wien zij vroeger verloofd was geweest. Toen Ptolemaeus behouden van den veldtocht naar Syrië teruggekeerd was, wijdde zij uit dankbaarheid aan Aphrodite haar om zijn schoonheid beroemd haar; den volgenden dag was het echter reeds uit den tempel verdwenen, en de sterrenkundige Conon verklaarde, dat het door de goden als sterrenbeeld aan den hemel geplaatst was. Haar zoon Ptolemaeus IV liet haar ter wille van zijn gunsteling Sosibius dooden (220).--4) z. Ptolemaeus no. 15.--5) werd door het volk van Aegypte tot koningin verheven, toen haar vader, Ptolemaeus XI verjaagd werd (58). Drie jaar later kwam Ptolemaeus echter met de hulp der Romeinen terug, en nu werd Berenice gedood (z. Archelaus no. 5).--6) zuster van Herodes den Grooten, moeder van Agrippa I.--7) dochter van Agrippa I, werd verdacht van bloedschande met haar broeder Agrippa II. Later werd Titus op haar verliefd; zijn plan om haar tot vrouw te nemen moest hij echter wegens de ontevredenheid der Romeinen opgeven.

Berenice, Berenike, naam van eenige steden uit het tijdperk der Ptolemaeën, als: 1) in het Zuiden van Aegypte aan de Arabische golf, eene belangrijke stapelplaats voor den handel tusschen Aegypte en het Oosten. Ptolemaeus II liet een karavaanweg aanleggen van daar naar Coptus aan den Nijl. Ter onderscheiding werd dit Berenice Troglodytice bijgenaamd, naar de half wilde Troglodyten of grotbewoners in den omtrek.--2) stad in Cyrenaïca, aan de groote Syrte, vroeger Hesperis of Hesperides; men plaatste hier de tuinen der Hesperiden.--3) stad in Aethiopia, aan de Arabische golf.

Begistani, een tak van het volk der Ilergetes, tusschen de Pyrenaeën en den Iberus (Ebro).

Bergomum, in het gebied der Orobii, municipium in Cisalpina, tusschen Comum (Como) en Brixia (Brescia). Thans Bergamo.

Bermius mons, Bermion oros, in zuidwestelijk Macedonia.

Beroea, Beroia, 1) stad in Syria, tusschen Antiochia en Hierapolis, door Seleucus vergroot, thans Aleppo.--2) stad in Macedonia, aan den Mons Bermius.

Berosus, Berossus, Berosos, Berossos, babylonisch priester, geboren ten tijde van Alexander den Grooten. Zijne babylonische geschiedenis, in het Grieksch geschreven (Babylonika e Chaldaïka), waarvan nog enkele fragmenten bewaard gebleven zijn, stond bij de Grieken hoog aangeschreven.

Berytus, Berytos, ten Z. van het tegenwoordige Beiroet, overoude havenstad aan de phoenicische kust, tusschen Byblus en Sydon. Het wordt eerst belangrijk in den Romeinschen tijd. Sedert het midden van de 3de eeuw n. C. was hier een beroemde hoogeschool voor Romeinsch recht.

Bes, 2/3 deel van den as. Een muntstuk van deze waarde was er niet.

Bessi, Bessoi, machtig thracisch volk langs de geheele uitgestrektheid van den Haemus. Door M. Terentius Varro Lucullus (zie Licinii no. 25) werden zij in 72 en 71 aan de Rom. onderworpen. Ze stonden echter herhaaldelijk op, en werden eerst definitief door L. Piso in 11 onderworpen.

Bessus, Bessos, satraap van Bactrië onder Darius Codomannus. Toen deze na den slag bij Gaugamela voor Alexander vluchtte, werd hij door Bessus en eenige anderen, die den oorlog wilden voortzetten, gevangen genomen, en daar zij aan de snelle vervolging van Alexander niet konden ontkomen, brachten zij den koning een doodelijke wonde toe en lieten zij hem op weg achter. Bessus vluchtte nu verder naar de noordelijke provinciën en liet zich als Artaxerxes IV tot koning uitroepen, maar eindelijk werd hij door Alexander ingehaald, in Sogdiana door Ptolemaeus Lagi gevangen genomen, door eene rechtbank van Perzen en Meden ter dood veroordeeld en gevierendeeld (329).

Bestia, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 14-16).

Bestiarii werden zij genoemd, die zich verhuurden om in het amphitheater met wilde dieren te vechten. In het eerst bestonden hunne wapenen uit zwaard en schild, doch onder keizer Claudius werd het gebruikelijk, dat de bestiarii slechts met een jachtspriet gewapend waren en een hooggekleurden doek in de hand hadden, zooals in Spanje bij de stierengevechten het geval is. Zij, die tot straf aan de wilde beesten voorgeworpen werden, ad bestias damnati, waren in den regel ongewapend. Voor vrijen was deze straf in het republikeinsche tijdperk onbekend, doch onder de keizers werd zij vooral op de Christenen toegepast.

Betasii, germaansch volk in Belgica, in den omtrek van het tegenw. zuid-brabantsche dorp Beetz.

Betriacum = Bedriacum.

Bianor, zoon van Heracles of van Tiberis en Manto, de mythische stichter van Mantua.

Bias, Bias, 1) z. Melampus.--2) van Priene, en van de zeven wijzen. Hij hield Croesus terug van een zeeoorlog tegen de ionische steden; zijn raad, aan de Ioniërs bij de aanvallen der Perzen gegeven, om hunne steden in Azië te verlaten en een groot rijk op Sardinië te stichten, werd niet opgevolgd. Zijn spreuk was: hoi pleious kakoi, de meeste menschen deugen niet.

Bibaculus, familienaam in de gens Furia (Furii no. 15).

Bibracte, later Augustodunum, thans Autun, groote volkrijke hoofdstad der Aeduers in Gallia Transalpina.

Bibrax, stad der Remi in Gallia Transalpina, waarschijnlijk Vieux-Laon bij Laon.

Bibulus, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 17 en 18).

Bidental. Wanneer bij de Romeinen de bliksem ergens in den grond was geslagen, dan moest de daar als het ware gestorven bliksemstraal plechtig ter aarde worden besteld. De aarde der getroffen plek werd dan begraven met een stuk vuursteen, als zinnebeeld van den bliksem, er bij. De getroffen plek was door den bliksemstraal tot een templum gewijd en werd met een muurtje omringd, doch van boven opengelaten, zoodat het geheel op een put geleek en ook puteal genoemd werd met het opschrift: fulgur conditum. Dan werd er een tweejarig offerdier, bidens, geofferd, en hiernaar heette de plek een bidental. Een bidens is een rund of zwijn, doch meestal een schaap, dat beide rijen tanden vol heeft, wat het geval is, als het twee jaar oud is.

Bideoi, Bidyoi, Bidiaioi, een collegie van vijf mannen te Sparta, die den paidonomos ter zijde stonden.

Bigati, de gewone benaming voor de Romeinsche zilverstukken (denarii) uit den tijd der Romeinsche republiek. Ze ontleenen hun naam aan het tweespan (bigae) van den beeldenaar; de godheid op het tweespan is eerst Luna (Diana), later gewoonlijk Victoria (Victoriati), maar men vindt ook andere goden. Sommige van deze munten hadden een kartelrand (serrati), om het snoeien tegen te gaan. Soms komt op de denarii een vierspan voor (quadrigati).

Bigerra, stad der Oretani in Hispania Tarraconensis.

Bigerriones, volk in Aquitania, welks naam nog voortleeft in de pyreneesche badplaats Bagnères de Bigorre.

Bilbilis, Bilbilis, in Hispania Tarraconensis, geboortestad van den dichter Martialis, in het gebied der Celtiberiërs aan een zijtak van den Iberus (Ebro). De stad lag op eene rots en had eene belangrijke nijverheid van wapenfabrieken en goudsmidswerk.

Bilechas, zijrivier van den Scirtus.

Bingium, stad in Belgica, thans Bingen aan den Rijn.

Bion, Bion, 1) van Smyrna, navolger van Theocritus als bucolisch dichter, dien hij echter niet kon evenaren. Hij stierf omstreeks het einde van de 2de eeuw te Syracuse door vergift. Er zijn nog enkele gedichten in dorisch dialect van hem over.--2) van Borysthenes, beoefende in het laatst der derde eeuw te Athene de cyrenaeische wijsbegeerte en bracht langen tijd aan het hof van Antigonus Gonatas door. Hij is een leerling van Theophrastus. Hij was bekend om zijn vinnige uitvallen; den godsdienst verklaarde hij op dezelfde wijze als Euhemerus (z.a.).

Bisaltae, Bisaltai, thracisch herdersvolk in het macedonische landschap Bisaltia, ten W. van den Beneden-Strymon.

Bisanthe, Bisanthe, volkplanting van Samus aan de Noordkust der Propontis.

Bistones, Bistones, thracische volksstam tusschen den berg Rhodope en de zee, in den omtrek der stad Abdera, aan het meer Bistonis. Dichterlijk bistonisch = thracisch, Bistonides = Bacchanten, omdat de Bacchusdienst in Thracia te huis behoorde.

Bithynia, Bithynia, land aan de Zuidwestzijde van den Pontus Euxinus en de Oostzijde der Propontis, begrensd door Paphlagonia, Galatia en Phrygia. Het draagt zijn naam naar een der beide thracische stammen, die het bewoonden, de Bithyni ten O. en de Thyni ten W., wier gebied door de rivier Sangarius gescheiden was. V.s. zijn beide namen identisch. Noch aan de Perzen, noch aan Alexander d. G. gelukte het, Bithynia geheel of duurzaam te onderwerpen. Na den dood van Alex. behoorde Bithynia tot het gebied van Lysimachus, doch een der mindere legerhoofden, Nicomedes, slaagde er in, met behulp van keltische huurtroepen hier een koninkrijk te stichten (281-246). De zesde koning dezer dynastie, Nicomedes III, liet in 75 zijn land bij testament aan de Romeinen na. In 63 werd eene strook van Paphlagonia en van Pontus aan de provincie Bithynia toegevoegd, en in 7 na C. nog een stuk. Sedert 63 na C. komt de provincie voor onder den naam Bithynia-Pontus. Plinius de jongere, bekend door zijne Epistulae, werd in 111 door keizer Traianus tot stadhouder van Bithynia benoemd. Zijne ambtsbrieven aan den keizer en diens antwoorden zijn leerzaam om ons het destijds heerschende centralisatiestelsel te doen kennen. Ook geeft één van deze brieven een verrassenden kijk op de uitbreiding, die het Christendom toen reeds verkregen had. De oude hoofdstad was Bithynium; onder de grieksche vorsten had men drie residenties: Nicomedea, door Nicomedes I gesticht, Nicaea en Prusa.

Bithynium, Bithynion, de oudste hoofdstad der Bithyniërs, in het binnenland gelegen, later Claudiopolis geheeten.

Biton, Biton, z. Cleobis.

Bituriges, aanzienlijk volk in Gallia Transalpina. Zij werden onderscheiden in Bituriges Vibisci met de hoofdstad Burdigala (Bordeaux) aan den Garumna, en Bituriges Cubi met de hoofdstad Avaricum (Bourges).

Blandusia = Bandusia.

Blautai, Blautia, halve schoenen, die met riemen om de beenen vastgemaakt werden. Het was een voorname dracht.

Blemmyes, Blemmyes, een rooversvolk ten zuiden van Aegypte.

Blosius of Blossius (C.), stoicijnsch wijsgeer uit Cumae, een vriend van Tib. Gracchus en deelgenoot van diens plannen. Na Gracchus' dood vluchtte hij naar Asia, waar hij later zichzelf het leven benam.

Boadicca of juister Boudicca, koningin der Iceners in Britannia, die door de schandelijke hebzucht en handelingen der Romeinen tot opstand gedreven werd (62 v. a. 60 n. C.). Deze opstand breidde zich met groote snelheid uit, het belangrijke Londinium (Londen) en andere plaatsen werden door de woedende Britten veroverd, en meer dan 70000 romeinsche soldaten en burgers kwamen om het leven. Boadicca's tallooze benden werden echter in hetzelfde jaar door Nero's dapperen veldheer C. Suetonius Paulinus geheel verslagen, waarop de koningin zich door vergif het leven benam.

Bocchus, 1) koning in Mauretania, schoonvader van Jugurtha. Eerst was hij op de hand der Romeinen, tot Jugurtha hem door afstand van grondgebied voor zich won. Toen zijne troepen evenwel door Marius bij herhaling verslagen waren, liet hij zich bewegen zijn schoonzoon aan de Romeinen uit te leveren.--2) Bocchus II regeerde met zijn broeder Bogudes gezamenlijk over Mauretania. In den oorlog van Caesar tegen de partij van Pompeius kozen zij Caesars zijde en kregen tot belooning den titel van koningen. Bogudes droeg er later veel toe bij, om Caesar den slag bij Munda te doen winnen. In den strijd tusschen Antonius en Octavianus koos Bocchus de zijde van dezen, Bogudes die van Antonius. Bocchus kreeg nu geheel Mauretania, terwijl Bogudes kort na den slag bij Actium sneuvelde. Na Bocchus' dood (33) werd zijn land eene rom. provincie, maar in 25 werd het aan den jongen Juba afgestaan. (Zie Juba).

Bodotria of Boderia, Boderia eischysis, inham van de Noordzee tusschen Caledonia (Schotland) en Britannia, thans Firth of Forth. Vanhier liep het vallum Antonini tot aan het Clotae aestuarium aan de Iersche zee.

Boebe, Boibe, en Boebeis lacus, Boibeis limne, stad en meer tusschen de thessalische landschappen Pelasgiotis en Magnesia.

Boëdromia, Boedromia, feest ter eere van Apollo te Athene en Thebe in de maand Boëdromion gevierd. De Atheners herdachten daarbij de overwinning van Theseus op de Amazonen, of de hulp, die Ion of Xuthus hun tegen de Eleusiniërs verleend had, en sedert 490 ook den slag bij Marathon. In Thebe vierde men het feest ter gedachtenis aan den oorlog met Erginus, koning van Orchomenus.

Boëdromion, Boedromion, 3de maand van het Attische jaar (Sept.-Oct.), z. Annus.

Boeotia, Boiotia, landschap van Hellas, voor een groot gedeelte door bergen ingesloten, rijk aan bronnen en vruchtbare valleien, en met een aantal meertjes, die zich in den regentijd tot één groot meer (het meer Copaïs) vereenigden. De bewoners stonden bij de Atheners niet in den reuk van snuggerheid; men hield het er voor, dat de vochtige en dompige lucht benevelend op het verstand der Boeotiërs werkte. De bevolking was uit allerlei oude stammen dooreengemengd. Tot de oudste steden behooren: Orchomenus, dat reeds in den myceenschen en vóór myceenschen tijd bestaan heeft, Arne, dat met een paar andere steden in het meer Copaïs verdronken is, en Thebae. In historischen tijd bestond Boeotia uit een statenbond eerst van 7 steden: Acraephium, Coronea, Haliartus, Mycalessus, Plataeae (dat zich echter reeds vroeg bij Athenae aansloot), Tanagra, en Thebae, later van 14, na den peloponnesischen oorlog van 10 staatjes, meest met een aristocratisch bestuur. De jaarlijks aftredende overheidspersonen heetten Boeotarchen. Als hoofd van den bond gold Thebae; maar de tweespalt en de somtijds doodelijke haat, die tusschen de boeotische steden heerschte, verlamden de kracht van het volk. In Boeotia behooren de mythen te huis van Antiope en Dirce, van Amphion en Niobe, van Cadmus en diens dochters Ino en Semele en zijne kleinzonen Actaeon, Melicertes en Pentheus, van Dionysus of Bacchus, van Oedipus en diens geslacht, van de gebroeders Trophonius en Agamedes. Aan de Muzen was de berg Helicon gewijd, die met zijne rijkbegroeide hellingen scherp afstak bij den naakten Cithaeron, den ongeluksberg in de boeotische mythen.

Boeotus, Boiotos, z. Aeolus no. 2. Naar hem zouden de Boeotiërs genoemd zijn.

Boethus, Boethos, van Chalcedon, bekwaam beeldhouwer uit het begin van de 2e eeuw. Beroemd was onder zijne werken het beeld van een knaap, die een gans den hals omdraait.

Boeum, Boion, stad in het landschapje Doris, tot de dorische tetrapolis behoorende.

Bogudes, koning in Mauretania. Zie Bocchus II, wiens jongere broeder hij was.

Boii, Boioi, een groot keltisch volk uit meer dan 100 tribus bestaande, dat veel gezworven heeft en waarvan verschillende gedeelten in de Po- en Donaulanden voorkomen, ten N. en ten Z. der Alpen. De Bojers in de Po-vlakte verdreven de Etrusci en de Umbri uit de streek ten Z. van de Po, en namen de Etruscische stad Felsina in, die later als hun hoofdstad Bononia genoemd werd. Na hevigen strijd werden zij in 224 door de Romeinen ten onder gebracht, doch de inval van Hannibal in Italië bracht hen weder in opstand, en eerst in 191 werden zij door P. Cornelius Scipio Nasica (Cornelii no. 19) voor goed onderworpen. De Bojers aan den Donau sloegen een aanval der Cimbren en Teutonen af; in Caesars tijd sloot zich een gedeelte, dat zijne woonplaatsen in Boiohaemum (Boheme) verlaten had (± 60) en naar Noricum was getrokken, bij de Helvetiërs aan.

Boiohaemum, Boheme, het land (die Heimath) der Boii.

Boiorix, 1) misschien slechts een titel = Boiorum of Boius rex, koning der Bojers, die volgens het niet geheel betrouwbare verhaal in 194 met de Romeinen gestreden heeft.--2) koning der Cimbren, versloeg en doodde in 105 M. Aurelius Scaurus (z. Aurelii no. 10), maar sneuvelde in 101 in den slag op de Raudische velden bij Vercellae tegen Marius.

Boiotarchai, de magistraten van het boeotisch verbond, die de uitvoerende macht hadden, in den oorlog het opperbevel voerden, en de besluiten der vier boeotische raden ten uitvoer brachten.

Bola, Bola, oude stad in Latium, die langen tijd in het bezit der Aequi geweest is, en reeds vroeg te gronde is gegaan.

Bolbe, Bolbe, meer in Macedonia, dat in de golf van den Strymon uitwatert.

Bolbitine, Bolbitine, thans Rosette, stad in de Nijldelta, waarnaar de westelijke hoofdmonding der rivier ostium Bolbitinum werd genoemd.

Bolissus, Bolissos, stad in het N.W. van Chius.

Bomienses, Bomies, volk in het O. van Aetolia, in het brongebied van den Euenus.

Bomilcar, Bomilkas, naam van twee carthaagsche veldheeren. De eerste komt voor in den strijd van Carthago tegen Syracusae, toen Agathocles omstreeks 310 eene landing in Africa deed en de carthaagsche generaals Hanno en Bomilcar versloeg. Later deed Bomilcar eene poging om zich te Carthago van het bewind meester te maken; doch zijn toeleg mislukte en hij stierf aan het kruis.--De andere komt voor in den tweeden punischen oorlog. Hij bracht in 215 versche troepen aan Hannibal en ondersteunde in 214 en 212 Syracusae tegen de Romeinen.--Ook de vertrouwde dienaar van Jugurtha, die voor dezen te Rome den moord op Massiva pleegde, heette Bomilcar. Toen hij later zijn meester poogde te verraden, werd hij door dezen met den dood gestraft (107).

Bomonikai, heetten de spartaansche knapen, die de geeseling voor het altaar van Artemis Orthia (z. a.) het langst en standvastigst verdroegen.

Bona Dea, eene godin wier eigenlijke aard reeds den Romeinen onduidelijk was, en die daarom soms voor dezelfde als Fauna, Maia, Ops, e. a. gehouden wordt; oorspronkelijk was de naam een attribuut van Fauna, maar daar deze godin uitsluitend door vrouwen vereerd werd, werd de Grieksche godin Damia, wier dienst reeds vroeg, waarschijnlijk 272, na de inneming van Tarente, in Rome werd ingevoerd, met haar vereenzelvigd. De 1e Mei was haar feestdag, maar het voornaamste feest te harer eer werd in het begin van December des nachts ten huize van den hoogsten overheidspersoon door voorname vrouwen en vestaalsche maagden gevierd. Tot beide feesten was de toegang aan mannen ten strengste verboden.

Bondgenootenoorlog, zie Marsicum bellum.

Bona (fide), te goeder trouw, komt als rechtsterm dikwijls voor. Bonae fidei possessio is het bezit te goeder trouw van eene zaak, waarvan men meent de rechtmatige bezitter te zijn.

Bonna, stad in het gebied der Ubii aan den Rhenus, thans Bonn. Drusus maakte er eene vesting van.

Bononia, Bononia, 1) thans Bologna, zeer oude Stad in Gallia Cisalpina. Eerst was Bononia de hoofdstad der aan den Po gevestigde Etruscers, en heette toen Felsina. Toen de Etruscers door de Galliërs verjaagd waren, werd Bononia de hoofdstad der Bojers. In 189 werd het lat. kolonie. Onder de keizers werd het eene aanzienlijke stad.--2) stad der Morini, aan het Kanaal, vroeger Gesoriacus portus, thans Boulogne.

Bonorum cessio, vrijwillige afstand van zijn vermogen door een insolventen schuldenaar aan zijne schuldeischers. Zie bonorum emptio.

Bonorum emptio. Wanneer een schuldenaar onwillig bleek zijne schuld te betalen, of wanneer iemand zich schuil hield om eene dagvaarding te ontgaan, konden de belanghebbenden van den praetor eene missio in bona, d. i. eene inbeslagneming van goederen vragen. Werd deze toegewezen, dan liet men nog een termijn voorbijgaan, om den onwillige in de gelegenheid te stellen aan zijne verplichtingen of aan het verlangen der eischers te voldoen; bleef hij in gebreke, dan had ten laatste de executie plaats. Werden iemands bezittingen voor schuld verkocht, dan werden zij in haar geheel bij opbod aan hem toegewezen, die aan de schuldeischers het grootste getal percenten bood. Deze executie had eerloosheid (infamia) tengevolge, die men kon ontgaan door eene bonorum cessio. Het oude recht kende echter deze cessie niet; zij werd eerst wettig ingevoerd onder Caesar, hoewel zij zeker onderhands ook vroeger zal hebben plaats gehad.

Bonorum possessio. Het oude strenge erfrecht bij de Romeinen sloot de cognati en de geëmancipeerde kinderen uit; doch het praetorische recht, dat meer op de aequitas was gegrond, nam deze op. Door dit nieuwe recht konden op grond van bloedverwantschap ook zij tot de erfenis geroepen worden, die door uittreding uit de patria potestas hun erfrecht volgens de lex XII tabularum hadden verloren. Men onderscheidt hierbij verschillende gevallen. Bonorum possessio contra tabulas (testamenti) kon door den praetor verleend worden, wanneer b. v. geëmancipeerde kinderen in het testament waren voorbijgegaan. Bon. poss. secundum tabulas kon toegewezen worden, wanneer b.v. het testament niet aan alle wettelijke vormen voldeed en dus strikt genomen niet geldig zou wezen,--tenzij zich erfgenamen opdeden, die een beter recht konden doen gelden dan de testamentaire erven. Bon. poss. intestati kon plaats grijpen, wanneer er geen testament was. De praetor maakte dan verschillende klassen van erfgenamen. In den eersten graad erfden de kinderen, ontbraken deze, dan kwamen in de tweede plaats de legitimi heredes, bij ontstentenis van deze, de naaste cognaten, enz., tot zeven graden toe.--Zij, die door het praetorische edict aldus tot de erfenis geroepen werden, werden nochtans eigenlijk geene heredes, want de praetor kon geene erfgenamen maken; zij werden loco heredum en hadden slechts de possessio, daar zij geen wettigen titel van eigendom konden doen gelden, tenzij later het recht van verjaring (usucapio).

Bonorum sectio, z. Sectio bonorum.

Bonus Eventus, z. Eventus.

Boonai, te Athene door het volk gekozen personen, die te zorgen hadden, dat het voor de offers en feesten noodige vee in voorraad was.

Bootes, Bootes, sterrenbeeld in de nabijheid van den Grooten Beer, daarom ook Arcturus of Arctophylax genoemd. Men zag in dit beeld Icarius of Arcas. V. a. was Bootes een zoon van Demeter en Iasion, die den ploeg had uitgevonden.

Borbetomagus, stad der Vangiones, aan den Rhenus, thans Worms.

Boreadae, Boreadai, Boreades, Zetes, Calaïs, Chione en Cleopatra, kinderen van Boreas en Orithyia.

Boreas, Boreas, Borras, N. O. of N. wind (zie Windstreken), mythologisch de zoon van Astraeus en Eos, die een hol van den thracischen Haemus bewoont. Hij schaakte behalve vele andere vrouwen Orithyia, de dochter van Erechtheus, daarom baden de Atheners tot hem, toen een orakel hun bij het naderen der Perzen bevolen had hun schoonzoon te hulp te roepen, en inderdaad werd een deel van Xerxes' vloot bij kaap Sepias door storm vernield. Uit dankbaarheid wijdde men hem een tempel aan den Ilissus.

Boreasmoi, feest ter eere van Boreas te Athene gevierd.

Borsippa, stad aan het Naärsareskanaal, even bezuiden Babylon, met beroemde linnenfabrieken.

Borysthenes, Borysthenes, rivier in Sarmatia, later Danapris, thans Dniepr. Aan zijn mond, waar hij zich met den Hypanis (Bug) vereenigt, lag de milesische kolonie Borysthenis of Olbia.

Bosporanum regnum, zie Bosporus.

Bosporus, Bosporos, naam van twee zeeëngten. De Bosporus Thracius heet de straat van Constantinopel; de Bosporus Cimmerius is de straat van Kaffa of Jenikale, de invaart der Palus Maeotis of zee van Azow. Met de palus Maeotis en den Tanaïs (Don) vormt ze in de oudheid de grensscheiding tusschen Europa en Asia. Uit de milesische kolonie Panticapaeum, ook Bosporus geheeten, thans Kertsch, aan de laatste zeeëngte gelegen, ontwikkelde zich een bosporaansch rijk, dat door Mithradates VI van Pontus met zijn rijk werd vereenigd en later door Pompeius aan diens zoon Pharnaces werd afgestaan. Als rom. vasalstaat bleef het bestaan tot aan de groote volksverhuizing.

Bostar, Bostar, naam van twee carthaagsche bevelhebbers. De eerste, door Regulus in 256 gevangen genomen, werd later als zoenoffer aan diens familie overgegeven en zou tengevolge van mishandelingen gestorven zijn. De andere, die onder Hasdrubal in den tweeden punischen oorlog in Spanje diende, liet zich door zekeren Spanjaard Abelux verleiden, om de Spaansche gijzelaar, hem door Hannibal ter bewaking toevertrouwd, vrij te laten. Een derde Carthager van dien naam, werd in 215 door Hannibal met een paar anderen als gezant naar Macedonia afgevaardigd; doch het schip, dat hen vervoerde, werd door de rom. vloot buit gemaakt.

Bostra, ta en he Bostra, stad ten Zuiden van Damascus, in eene oase der syrische woestijn. Het was oudtijds de hoofdstad van de landstreek Auranitis, in het N. O. van Palaestina, later hoofdstad van het koninkrijk der Nabataeërs, en werd ten slotte, bij de inlijving (105 of 106 n. C.) door Traianus tot hoofdstad der provincie Arabia verheven. Zie Arabia.

Bottia of Bottiaea, Bottia, -iaia, -iaiis, landstreek van Macedonia aan den Axius, (Vardar) en de Thermaeïsche golf. De oorspronkelijke bewoners, in de 7de of 6de eeuw door de Macedoniërs verdreven, verhuisden naar het noordelijk gedeelte van het schiereiland Chalcidice, dat zij Bottice noemden, terwijl de vroegere woonplaats den ouden naam Bottia of Bottiaea behield.

Bouai, afdeelingen, waarin de spartaansche jongelingschap gedurende de jaren hunner opvoeding verdeeld was. Aan het hoofd van zulk eene afdeeling stond een Bouagos of Bouagor.

Boudicca = Boadicca.

Boule, raad, een lichaam dat in democratische staten in de eerste plaats de staatsaangelegenheden aan eene voorafgaande behandeling heeft te onderwerpen, alvorens ze in de volksvergadering te brengen. Te Athene had de raad volgens de instellingen van Draco 401 leden, zij werden bij loting aangewezen uit de burgers, die ouder dan 30 jaar en in het volle bezit hunner burgerrechten waren. Niemand mocht voor de tweede maal lid van den raad zijn, voordat allen die ertoe gerechtigd waren een beurt gehad hadden. Onder de wet van Solon waren er 400, 100 per phyle, door loting aangewezen uit candidaten die door de phylen gekozen waren. Clisthenes vermeerderde het aantal leden tot 500 (vandaar de gewone naam he boule hoi pentakosioi), nl. 50 uit elke van de nieuwe 10 phylen; waarschijnlijk liet hij ook de verkiezing door loting (apo kyamou lachein) bestaan. De loting had ook toen plaats uit hen, die door de phylen als candidaten waren aangewezen. Bij de ontwikkeling der democratie werd ook aan de theten het recht toegekend om tot den raad te behooren. Met de vermeerdering van het aantal phylen in den macedonischen tijd vermeerderde ook het aantal raadsleden; Hadrianus verminderde het echter weder tot 500.--Tot de bevoegdheden van den raad behoorde o. a. dat de veldheeren hem verslag gaven van hunne verrichtingen, dat hij vreemde gezanten ontving en ze bij de volksvergadering inleidde, enz. Voorts had de raad het oppertoezicht over het beheer der financiën en beheerde ze gedeeltelijk zelf, leidde hij het onderzoek naar de bevoegdheid der archonten en van andere verkozen ambtenaars (dokimasia), en had hij in sommige minder belangrijke gevallen rechtspraak. De raad kon geldboeten opleggen en had het toezicht op alles wat tot de marine behoorde en op de openbare gebouwen. Dikwijls werd hem bovendien door het volk het afdoen van eene of andere aangelegenheid opgedragen; de besluiten, die hij zonder zulk een opdracht neemt, zijn slechts gedurende het loopende ambtsjaar geldig. Z. ook probouleuma en ekklesia.--De raad vergaderde dagelijks, behalve op feestdagen, in het raadhuis (bouleuterion), zijne vergaderingen waren gewoonlijk openbaar. Met het dagelijksch bestuur was echter altijd slechts eene bij loting aangewezen afdeeling van 50 raadsleden belast (z. Prytanis).--De leden van den raad waren vrijgesteld van den krijgsdienst, hadden een afzonderlijke plaats in den schouwburg en ontvingen, waarschijnlijk sedert de tijden van Pericles, een drachme of vijf obolen voor iedere vergadering (misthos bouleutikos). Wanneer de raad bij zijn aftreden voldoende rekenschap van zijne verrichtingen gegeven had, vereerde het volk hem met een gouden krans, die in een of anderen tempel bewaard werd. Ook in vele andere staten en statenbonden wordt eene boule vermeld, over welker samenstelling en bevoegdheden echter weinig of niets bekend is.

Bouphonia, z. Diipolia.

Bovianum, Boïanon, hoofdstad der Pentri in Samnium.

Bovillae, Boïllai, stadje in Latium aan de via Appia, bekend door de ontmoeting tusschen Milo en Clodius Pulcher, die Clodius het leven kostte.

Braccae. De Romeinen en Grieken omwonden wel de beenen met lange strooken lijnwaad (fasciae), en ook kousen waren in de oudheid niet onbekend, doch broeken waren eene kleederdracht der barbaren, o. a. van de oostersche volken en van de transalpijnsche Galliërs. Naar deze kleederdracht werd Gallia Transalpina dikwerf in de wandeling Gallia braccata genoemd. Hoewel in het tijdperk der keizers deze dracht ook tot Rome doordrong, is zij er nimmer nationaal geworden. Bij de Grieken heette het kleedingstuk anaxyrides, terwijl meer in het bizonder voor wijde broeken de naam thylakoi in gebruik was.

Brachmanae, Brachmanes, de priesterkaste bij de Indiërs, ook de stammen die den godsdienst van Brahma beleden. De Grieken hebben van deze zaken kennis gekregen door de expeditie van Alexander naar Indië; de Grieksche schrijvers uit dien tijd geven zeer betrouwbare berichten.

Bradanus, grensrivier tusschen Lucania en Apulia, die dicht bij Metapontum in de golf van Tarente uitloopt.

Branchidae, Branchidai, 1) afstammelingen van Branchus, een zoon van Smicrus of van Apollo, die uit Delphi naar Miletus verhuisde en te Didyma een tempel van Apollo stichtte. De Branchidae beheerden dezen later zeer rijken tempel, waarvan niet lang geleden belangrijke overblijfselen zijn opgegraven, en het daarmede verbonden orakel; daar zij echter aan Xerxes bij zijn tocht naar Griekenland de groote schatten van den tempel uitgeleverd hadden, verzochten zij hem na afloop van den veldtocht, uit vrees voor de wraak der Grieken, hun een andere woonplaats aan te wijzen. Sedert dien tijd woonden zij in Bactriana, waar Alexander hen vond, die hen, tot straf voor de misdaad hunner voorouders, allen liet dooden en hun stad met tempels en heiligdommen geheel liet verwoesten.--2) = Didyma.

Brannovices Aulerci, z. Aulerci.

Brasidas, Brasidas, zoon van Tellis, de dapperste en bekwaamste veldheer der Spartanen in den peloponnesischen oorlog. Nadat hij in het eerste jaar van den oorlog een aanval der Atheners op Methone had afgeslagen en zich sedert meermalen had onderscheiden, wist hij, gesteund door gezantschappen van Perdiccas en van eenige steden op Chalcidice, de ephoren te overreden dat men de Ath. in hun kolonies en bondgenooten moest aanvallen; in 424 trok hij aan het hoofd van een klein leger door Griekenland, en maakte hij, meer door overreding dan door geweld, vele belangrijke steden in Macedonië en Thracië, o. a. Amphipolis, van de Atheners afvallig. Wel heroverden zij, nadat onderhandelingen over een wapenstilstand mislukt waren, verscheiden steden, maar toen Cleon in 422 bij Amphipolis een slag waagde, behaalde Brasidas een schitterende overwinning, waarbij hijzelf echter doodelijk gewond werd. Hij werd na zijn dood te Amphipolis als heros vereerd.

Bratuspantium, hoofdst. der Bellovaci, tusschen de Sequana (Seine) en de Samara (Somme).

Brauron, Brauron, aanzienlijke plaats op de Oostkust van Attica, met een tempel van Artemis. Brauron en Eleusis maakten aanspraak op den naam van polis.

Brauronia, Brauronia, feest ter eere van Artemis Brauronia, dat om de vijf jaren gevierd werd en waarbij alle meisjes van vijf tot tien jaar aan de godin gewijd werden; waarschijnlijk een overblijfsel van vroegere menschenoffers.

Brenni of Breuni, Breunoi, volksstam in de Raetische Alpen, nabij den tegenw. Brenner.

Brennus, Brennos, naam van verschillende Gallische vorsten: 1) het opperhoofd der senonische Galliërs, die in 389 de Romeinen bij den Allia versloegen, Rome innamen en het Capitool belegerden. Volgens het verhaal was hij het, die bij het afwegen van het goud zijn zwaard in de weegschaal wierp, en het beroemde vae victis sprak. Het geheele verhaal omtrent hem is onhistorisch, en zijn naam ontleend aan den onder no. 2 genoemden.--2), die in 279 met 65000 of 40000 Galliërs in Macedonia viel, verwoestend tot in Griekenland doordrong, maar, toen hij op Delphi lostrok, door een grieksch legertje van 4000 man verslagen werd en zichzelf om het leven bracht. Een hevig onweder, met aardbeving gepaard, waardoor geheele rotsblokken op de Galliërs neerstortten, deed het verhaal ontstaan, dat de delphische god zelf voor zijn heiligdom gestreden had.

Bretones of Britones. Zie Britannia.

Briareos, Briareos, z. Aegaeon.

Brigantes, Brigantes, het machtigste volk van Britannia, ten oosten van den Abus (Humber), met de hoofdstad Eburacum of Eboracum (York). Zij werden door Cerealis onderworpen.

Brigantinus lacus, thans Bodensee of meer van Konstanz, door den Rijn gevormd. Het werd ook lacus Rheni, l. Venetus, l. Aeronius genoemd. In een scheepsgevecht op dit meer versloeg Tiberius de Vindeliciërs. De naam l. Brigantinus is ontleend aan de stad Brigantia (Bregenz).

Brilessus, Brilessos, berg in Attica = Pentelicus.

Briniates of Friniates, ligurische volksstam aan de N.-zijde van de Apennijnen, ten Z. van Mutina. Ze werden in 187 door de Romeinen onderworpen.

Brinio of Brinno, aanvoerder der Canninefaten bij den opstand van (Claudius) Civilis tegen Rome in 69 n. C.

Briseis, Briseis, dochter van Briseus, een priester in Lyrnessus; haar eigenlijke naam was Hippodamea. Zij was gehuwd geweest met koning Mynes, maar bij de verovering van Lyrnessus werd zij door Achilles gevankelijk medegevoerd. Zij was de oorzaak van zijn twist met Agamemnon, die in de Ilias beschreven wordt, want toen Agam., op aandringen van Achilles, genoodzaakt werd zijne slavin Chryseis (z. a.) vrij te laten, ten einde het leger van de pest te bevrijden, liet hij Briseis met geweld uit de tent van Achilles halen, en gaf haar eerst terug toen deze na den dood van Patroclus besloot weder aan den oorlog deel te nemen.

Britannia, Bretannia, het tegenw. Engeland en Schotland, met Hibernia (Ierland) en de kleinere bijliggende eilanden samen onder den naam insulae Brittannicae begrepen. Vóór Caesar kenden de Romeinen deze eilanden slechts bij geruchte, en deze geheimzinnigheid prikkelde hem om naar Britannia over te steken; doch zijne beide tochten (55 en 54) hadden weinig gevolg. Eerst ten tijde van keizer Claudius (sedert (43 n. C.) kregen de Romeinen vasten voet in het Zuiden van Engeland; doch er moest nog veel strijd gevoerd en meer dan één opstand gedempt worden (zie o. a. Boadicca), eer Iulius Agricola (78-85) er in slaagde, Engeland geheel tot een wingewest te maken. Daarnaar werd Engeland Britannia Romana, Schotland of Caledonia Britannia barbara geheeten. De naam Albion beteekent bergland. Ten einde de invallen der woeste bergstammen uit Caledonia te keeren, werden er in verschillende tijden twee versterkingsliniën dwars over het eil. aangelegd van den Oceanus Hibernicus (Iersche zee) naar den Oc. Germanicus (Noordzee). De oudste linie, meestal vallum Hadriani geheeten, liep van de Solway Firth in het W. naar de Tyne in het O., en werd aangelegd 122 n. C.; de latere linie, vallum Antonini genaamd, was veel kleiner, liep van Firth of Clyde (Clotae aestuarium) naar de Firth of Forth (Bodotriae of Boderiae aestuarium). Deze had keizer Antoninus Pius door zijn legaat Lollius Urbicus in 142 n. C. laten aanleggen. Onder keizer Septimius Severus werd het land tusschen de beide liniën weder prijs gegeven en trok men zich op de zuiderlijn terug, die nu versterkt werd door eene buitenlinie, uit een gemetselden muur bestaande, met poorten, torens en forten. De Romeinen hadden omtrent de ware ligging van Britannia geene juiste voorstelling en meenden, dat de Oostkust vrij wel evenwijdig aan de belgisch-nederlandsche kust liep. De bevolking was van keltischen oorsprong en werd Bretones of Britanni genoemd, doch was op sommige punten door belgische nederzettingen naar het binnenland teruggedrongen. De Britten waren gewoon lang hoofdhaar en knevels, doch geen baard te dragen en zich blauw te verven. Onder Constantijn vormde Britannia Romana vier provinciën: Britannia I en II in het Noorden, Maxima Caesariensis in het midden, Flavia Caesariensis in het Zuiden. Theodosius de Groote veroverde nogmaals Zuid-Schotland en maakte daarvan de provincie Valentia. Toen in den tijd der groote volksverhuizing de rom. legers uit Britannia teruggetrokken werden, waren de Britten niet meer tegen de Schotten opgewassen en riepen zij in 447 n. C. de hulp der Saksers en Angelen in, die het land wel van de Schotten verlosten, maar het tevens vermeesterden. In de 5de eeuw n. Chr. gaat de naam Britannia over op Bretagne, waar de door de Angelsaksen verdreven Britanni hun toevlucht zochten.

Britannica (arx), de Brittenburg, thans door de zee verzwolgen, een kasteel in het land der Batavieren, aan den middelsten Rijnmond (ten W. van Katwijk). Misschien heette de sterkte zoo, omdat men gewoon was van dáár naar Britannia over te steken.

Britannicus, eigenlijk Claudius Tiberius Britannicus Caesar, stiefbroeder van Nero. Zie Claudius (keizer) en Iulii aan het slot onder f 3.

Britomaris, opperhoofd der senonische Galliërs, liet, uit verbittering over zijns vaders dood, in 283 de rom. gezanten ombrengen en hunne ledematen verstrooien. Toen hij in handen van den consul P. Cornelius Dolabella (Cornelii no. 35) was gevallen, liet deze hem ter dood martelen. De Senones werden uit hun land verdreven, en op den ager Gallicus werd de kolonie Sena (Gallica) gesticht. Het verhaal zelf omtrent Britomaris (Brittomaris) is misschien verzonnen.

Britomartis, Britomartis, cretensische nimf, dochter van Zeus en Carme, gunstelinge van Artemis. Minos vervolgde haar negen maanden lang met zijn liefde, zij stortte zich eindelijk in zee, maar werd in visschersnetten gered. Daarop werd zij onder de godinnen opgenomen en onder den naam Dictynna vereerd.--V. a. vluchtte zij voor Minos naar Aegina, maar toen de visscher, die haar had overgezet, haar zelf wilde geweld aandoen, verdween zij in het heilige bosch van Artemis; hier kreeg zij den naam Aphaea.--Evenals Aphaea (z. a.) zijn waarschijnlijk ook Britom. en Dictynna andere namen voor Artemis.

Brixellum, stad aan den Padus (Po) dicht bij Parma, waar keizer Otho zich om het leven bracht.

Brixia, thans Brescia, hoofdstad der Cenomani, in Gallia Transpadana, later rom. municipium.

Brizo, Brizo, godin die op Delus, vooral door vrouwen, vereerd werd. Zij beschermde de schippers en gaf orakels.

Brogitarus, schoonzoon van den galatischen tetrarch Deiotarus, kocht van den volkstribuun P. Clodius (58) den koningstitel en het priesterschap van de Magna Mater te Pessinus voor geld.

Bromius, Bromios, bijnaam van Dionysus.

Bronteion, eene machine, waarmede men achter het tooneel het gerommel van den donder nabootste.

Brontes, Brontes, een der Cyclopen.

Brucheum of -ium, deel van Alexandrië in Aegypte. Z. a.

Bructeri, Broukteroi, machtig germaansch volk aan de Amisia (Eems) en de Luppia (Lippe). Tot dit volk behoorde de profetes Velleda. De Bructeren sloten zich in 69 n. C. bij den opstand der Batavieren aan.

Brundisium, minder juist Brundusium, Brentesion, thans Brindisi, belangrijke havenplaats aan de Adriatische zee, vanwaar men gewoonlijk naar Griekenland overstak. De stad, op de kust van Calabria gelegen, had eene voortreffelijke, altijd toegankelijke haven, door twee landtongen beschermd; vandaar waarschijnlijk de naam, die oud-italisch hertekop beteekent. Sedert 245 was het lat. kolonie.

Bruttii, ager Bruttius, Brettia, Z.W. uithoek van Italia, een bergachtig en ten deele boschrijk gewest, van de riviertjes Laüs en Sybaris tot aan het fretum Siculum (straat v. Messina). Alleen deze streek werd oorspronkelijk Italia geheeten (z. a.). Tegenwoordig heet het Calabrië. Het was sterk bezet met grieksche volksplantingen. In den tweeden punischen oorlog sloten de inwoners zich (in 214) meerendeels bij Hannibal aan. Later moesten zij dit ontgelden en het land geraakte in verval.

Brutus, familienaam in de gentes Iuniae, z. Iunii no. 2 en Iunii no. 1-9.

Bryges, Bryges, Brygoi, thracische volksstam in Emathia (Macedonië), verwant met de Phrygiërs. Ze komen ook in andere deelen van het Balkan-schiereiland, vooral in Epirus en Illyria voor.

Brygus, Brygos, beroemd Atheensch vazenschilder uit het begin van de 5de eeuw. Hij schildert in strengen roodfigurigen stijl. Zijn schoonste vazen heeft hij met zijn naam geteekend.

Bubassus, Bybassos, oude kustst. in Caria ten O. van Cnidus, op de Cnidische Chersonesus.

Bubastis, Boubastis, aegyptische godin, misschien zinnebeeld van het vuur, dochter van Osiris en Isis, door de Grieken voor dezelfde als Artemis gehouden. Hare beelden hadden een kattekop. Haar voornaamste tempel was te Bubastis, waar jaarlijks een feest gevierd werd, dat soms door 700000 vreemdelingen bezocht werd.

Bubastis of -tus, Boubastos, distrikt en hoofdstad in de Nijldelta, aan den oostelijken Nijlarm, de hoofdzetel van den dienst der godin Bubastis. Beneden deze stad woonden de karische en ionische huurtroepen, die door koning Psammetichus in dienst genomen waren.

Buccina, gebogen hoorn, door herders gebezigd en ook in gebruik bij het romeinsche leger tot het geven van signalen.

Bucephala, Boukephala, -lia, stad aan den Hydaspes, een der takken van den Indus, door Alexander gesticht ter gedachtenis aan zijn beroemd strijdros Bucephalus. In den slag tegen Porus (326) had dit paard, schoon zwaar gewond, Alexander, die zich te ver had gewaagd, behouden bij de zijnen teruggebracht, en was toen neergestort.

Bucolici, z. Theocritus.

Budini, Boudinoi, scythisch nomadenvolk, ten O. van den Tanaïs, volgens Herodotus met blauwe oogen en vuurroode kleur en in eene houten stad wonende.

Budorum, Boudoron, N.W.-kaap en kasteel op het eiland Salamis.

Bulgari, een onderafdeeling der Hunnen, die in de 5de eeuw n. C. voor het eerst optreedt.

Bulis, Boulis. Toen de Spartanen door het vermoorden van perzische gezanten den toorn van den heros Talthybius op zich geladen hadden en bij het offeren geen gunstige voorteekenen konden krijgen, boden Bulis en Sperthias zich aan om aan Xerxes uitgeleverd te worden, ten einde Talthybius te bevredigen. Xerxes zond hen echter terug en nu bleef de toorn van Talthybius op de geslachten van Bulis en Sperthias rusten, wier zonen Nicolaus en Anaristus in den peloponnesischen oorlog in handen der Atheners vielen en gedood werden.

Bulla, medaillon, dat door de kinderen aan een snoer om den hals werd gedragen en een amulet tegen betoovering bevatte. Bij de rijken was de bulla van goud, bij de armeren van leder.

Bulla regia, vesting in Numidia, in het dal van den Bagradas, later tot Africa proconsularis behoorend.

Bupalus, Boupalos, zoon van Archermus, beroemd beeldhouwer van Chius. Hij en zijn broeder Athenis stelden een beeld ten toon van Hipponax, waarin de kleine en leelijke man bespottelijk gemaakt werd; uit wraak hekelde Hipponax hen in zijne iamben zoo onbarmhartig, dat zij zich ophingen.

Buprasium, Bouprasion, eene stad uit het homerische tijdperk, later verdwenen. Zij lag in Elis aan den Larisus, en werd bewoond door Epeërs.

Bura, Boura, eene der twaalf oude achaeïsche steden, in 373 door aardbeving verwoest, maar later op een andere plaats herbouwd. De nieuwe stad, waarvan nog belangrijke stukken van den vestingmuur over zijn, lag ten Z. van Helice.

Burchana, Bourchanis, oudtijds het voornaamste der Noordzee-eilanden, tgw. Borkum. Het wordt reeds in de 4de eeuw als barnsteeneiland vermeld, onder den naam Abalus; het komt ook voor onder den naam Baunonia of Fabaria, boonen-eiland; zie verder Glaesariae insulae.

Burdigala, thans Bordeaux, aan den Garumna, in het gebied der Bituriges Vibisci, later hoofdstad der provincie Aquitania II. Het was eene aanzienlijke handelsplaats en een zetel der wetenschappen. Ausonius, de dichter der Mosella, was hier geboren.

Burgundi of Burgundiones, vandaalsche of gothische stam, die oorspronkelijk tusschen de Vistula (Weichsel) en de Viadus (Oder) woonde, later westelijk trok, in de 4de eeuw n. Chr. ten oosten van de Alamannen, buiten den vroegeren limes woonde, en zich omstreeks 465 tusschen den Rhodanus (Rhône) en Italië vestigde, waar Lugdunum (Lyon) en Genava (Genève) hunne hoofdsteden werden.

Burgus is de naam van een klein kasteel, dat tusschen de grootere Castra en Castella gelegen, met deze dient voor de grensverdediging. Het is een oud-germaansch woord, dat in de 2de eeuw n. C. in de latijnsche taal is opgenomen.

Burii, Bouroi, germaansch volk, waarschijnlijk in het tegenw. Moravië en Silezië gevestigd. Zij komen als bondgenooten van Traianus, Marcus Aurelius en Commodus voor, doch later met de Marcomannen en Quaden als vijanden der Romeinen.

Burrus (Afranius). Zie Afranii no. 3.

Bursa (T. Munatius Plancus), zie Munatii no. 3.

Busiris, Bousiris, zoon van Aegyptus of van Poseidon en Libye; hij was koning van Aegypte, en zooals de Grieken verhaalden, placht hij de vreemdelingen, die in zijn land kwamen, te offeren, totdat hij door Heracles gedood werd.

Bustum, bustuarii. Bustum is eigenlijk de uitgebrande brandstapel, doch beteekent ook de plaats, waar hij is opgericht, alsmede het graf of de begraafplaats. Wanneer het lijk op den brandstapel was neergelegd, werd deze door een der bloedverwanten met afgekeerd gelaat aangestoken. Was het lijk verteerd, dan werd het vuur met wijn en melk gebluscht en de beenderen werden in eene urn verzameld. Rijken wikkelden vaak de lijken hunner afgestorvenen in een kleed van asbest, opdat de asch zich niet met die van het hout zou vermengen. Evenals men bij vele oude en nog heden bij sommige wilde volken de gewoonte aantreft, op het graf menschen te offeren, hadden bij de Rom. dikwijls rondom den brandstapel gladiatorengevechten plaats. Zulke zwaardvechters die dáár op leven en dood met elkander streden werden bustuarii genoemd. Ten slotte zij opgemerkt, dat in de oudheid zoo wel begraven als verbranden gebruikelijk was.

Buteo, familienaam in de gens Fabia, z. Fabii no. 27.

Butes, Boutes, Boutas, 1) zoon van Pandion of Teleon en Zeuxippe, landman en stierenherder, priester van Athena en Poseidon, na zijn dood door de Atheners als heros vereerd. Hij was de stamvader van het geslacht der Butaden of Eteobutaden. Hij nam ook deel aan den tocht der Argonauten.--2) koning op Sicilië, die door Aphrodite bemind werd en bij haar een zoon, Eryx, had. Dikwijls wordt hij met den atheenschen Butes verward, en uit deze verwarring ontstond het verhaal, dat hij bij de terugreis der Argonauten, bekoord door het gezang der Sirenen, in zee gesprongen was, maar dat Aphrodite hem gered en naar Lilybaeum gebracht had.--3) zoon van Boreas, een Thraciër, die, door zijn broeder Lycurgus verbannen, het eiland Strongyle (oude naam voor Naxus) bezette. Bij een inval in Thessalië tijdens een feest van Dionysus roofde hij eene van de feestvierende vrouwen, Coronis, en dwong haar hem te huwen. Op Coronis' gebed strafte Dionysus hem met waanzin, zoodat hij zich in een put verdronk.

Buthrotum, Bouthroton, bloeiende zeestad in Epirus, tegenover Corcyra, volgens de sage gesticht door den Trojaan Helenus.

Buto, Bouto, stad in de Nijldelta aan den sebennytischen Nijlarm en aan eene lagune, Buto lacus genoemd. De stad had een tempel der godin Buto, met een orakel, dat zeer in eere stond. Buto was de voedster der beide kinderen van Isis en verborg hen op een drijvend eiland voor de vervolgingen van Typhon. De Grieken vereenzelvigden haar met Leto of Latona.

Buxentum, Pyxous, thans Pilocastro, kolonie der Messaners op de kust van Lucania aan de rivier Buxentius (Busento), gesticht 467, sedert 194 rom. kolonie.

Buzyges, Bouzyges, oud-attisch heros, die het eerst stieren voor den ploeg spande, v. a. bijnaam van Epimenides of van Triptolemus. Van hem leidde het geslacht der Buzygae, dat de heilige ploegfeesten te Athene bestuurde, zijn oorsprong af.

Byblis, Byblis, een meisje uit Miletus, die vurige liefde voor haar broeder Caunus had opgevat. Toen deze daarom het land verliet, stierf Byblis van verdriet; uit hare tranen ontstond een bron.

Bybassus = Bubassus.

Byblos, een aegyptische moerasplant, waaruit in de oudheid het papier vervaardigd werd (z. charta). Het grieksche woord voor boek is hiervan afgeleid. Een andere naam voor byblos is papyros, waarvan ons woord papier afgeleid is.

Byblus, Byblos, oude phoenicische zeestad ten N. van Berytus, bekend als zetel der Adonisvereering. De stad had eigen vorsten, waarvan de laatste op last van Pompeius werd ter dood gebracht.

Byrsa, waarschijnlijk = burg, Byrsa (vandaar de legende der ossenhuid), de burg van Carthago, op eene steile rots van omstreeks 60 meter hoog gebouwd.

Byssa, Byssa, z. Agron.

Byzacium of Byzacena, Byzakion, de zuidelijke helft der provincie Africa, onder Constantijn eene afzonderlijke provincie, met Hadrumetum tot hoofdstad.

Byzantium, Byzantion, later Constantinopolis. Volgens de sage zou Byzas, een zoon van Poseidon, van het delphische orakel den last hebben gekregen, eene stad te stichten tegenover de stad der blinden. Tegenover Chalcedon gekomen, stichtte hij toen Byzantium, omdat de stichters van Chalcedon blind waren geweest, toen zij voor hunne stad den aziatischen oever kozen. Byzantium was dan ook overheerlijk gelegen aan de zee en aan den inham die nog den naam van gouden hoorn draagt (chrysoun keras). Het was een dorische kolonie; gewoonlijk neemt men aan, dat de stad door Megarensers gesticht is. De stad was in de macht der Perzen sedert Darius' tocht naar het land der Scythen, en nam deel aan den Ionischen opstand, maar niet aan den slag bij Lade. Na de onderdrukking van den opstand, legden de inwoners van Byzantium samen met de Chalcedoniërs de stad Mesambria (Mesembria) aan (z. a.). Byzantium werd door de Perzen verwoest, maar later herbouwd. In 478 viel de plaats in handen van Pausanias, die haar 7 jaar in zijn macht hield. Nadat deze door de Atheners verdreven was, sloot B. zich aan bij den delisch-attischen bond, en kwam tot grooten bloei. In 411 viel de stad van Athene af, en werd in den winter van 409/408 door Alcibiades hernomen. Na den slag bij Aegospotamos werd ze door Lysander bezet, en bleef in de macht der Spartanen tot ± 390. In de 4de eeuw is Byz. vaak met Athene verbonden, vaak ook Athene vijandig gezind, tot het, door Philippus van Macedonia aangevallen, in den zomer van 341 zich in de armen der Atheners wierp, die de stad en het nabijgelegen Perinthus krachtdadig bijstonden. De stad dreef een uitgebreiden handel, vooral in koren. Onder de rom. heerschappij bleef B. eene civitas libera en nam nog in bloei toe; maar in den strijd tusschen keizer Septimius Severus en zijn tegenstander Pescennius Niger werd het na een belegering van 3 jaren (193-196 n. C.) door den eersten grootendeels verwoest. Onder Constantijn den Grooten herrees het met nieuwen luister. Het was op twee heuvels gebouwd; door er nieuwe heuvels aan toe te voegen, wilde de keizer het tot eene tweede stad der zeven heuvelen maken. Hij bracht er zijne residentie over en noemde het nova Roma (330), welke naam evenwel spoedig in Constantinopolis, Konstantinou polis, veranderd werd. De stad had toen een omvang gekregen van twee uren gaans, en werd met hooge muren versterkt en evenals Rome in 14 regiones verdeeld.

Byzas, Byzes, Byzas, zie Byzantium.

C.

C, aanwijzing in den rom. kalender van een dies comitialis.

Cabalia, Kabalia, klein gewest in Asia minor, ingesloten tusschen Caria, Lycia, Phrygia en Pisidia, en onder de perzische heerschappij ingedeeld bij de lydische satrapie. De Romeinen deelden het noordelijke deel bij Phrygia, het zuidelijke bij Lycia in. De voornaamste der vier steden was Cibyra, waarnaar het landschap ook Cibyratis werd genoemd.

Cabillonum, Kabyllinon, handelsstad der Aeduers in Gallia aan den Arar (Saône), thans Chalons-sur-Saône.

Cabira, ta Kabeira, later Diospolis of Sebaste, stad in oostelijk Pontus. Mithradates werd hier in 71 door Lucullus verslagen en redde ter nauwernood zijn leven door de vlucht.

Cabiri, Kabeiroi, "machtigen", goddelijke wezens, wier eeredienst in zeer oude tijden uit het Oosten is ingevoerd, doch die later op den achtergrond geraakt zijn en over wier aard en beteekenis dus weinig met zekerheid te zeggen is. Zij werden voornamelijk vereerd op Lemnus, Imbrus en Samothrace, waar hun dienst met dien van Hephaestus verbonden was, en ook in Boeotië; verder vindt men hen te Pergamus, in Phoenicië en in Aegypte. Later werden de drie Cabiri voor dezelfden gehouden als Demeter, Persephone en Hades, waarschijnlijk omdat zij eveneens met geheime plechtigheden (mysteriën) vereerd werden. Ook met de Corybanten, de Cureten en de Dioscuren worden zij in verband gebracht, en bij de Romeinen met de Penaten. Op hunne afbeeldingen hebben zij gewoonlijk een hamer in de hand. Zie Axierus. Met hen verbonden komt als vierde godheid voor Cadmilus of Casmilus, Kadmilos, Kasmilos.

Caca, zuster van Cacus. Wegens den dienst, dien zij Hercules bewezen had, genoot zij goddelijke eer (z. Cacus). In haar heiligdom brandde een eeuwig vuur. In werkelijkheid is Caca (evenals Cacus) een oud-italische godheid, van denzelfden aard als Vesta, maar ze is vroeg in vergetelheid geraakt.

Caci scalae, een oude steenen trap, die van uit het dal van den Circus Maximus naar één van de poorten van Roma quadrata op den Palatinus voerde.

Cacus, zoon van Vulcanus, een vuurspuwende reus, die in een hol van den Aventijnschen berg woonde en de omstreken door roof en moord teisterde. Toen Hercules met de runderen van Geryon daar aangekomen en van vermoeidheid in slaap gevallen was, ontstal Cacus hem eenige runderen, die hij, om den eigenaar het spoor bijster te maken, achterwaarts in zijn hol dreef. Toch ontdekte Hercules hun verblijfplaats, hetzij doordat hij ze in het voorbijgaan binnen hoorde loeien, hetzij door verraad van Caca, de zuster van Cacus, die liefde voor den vreemdeling had opgevat. Na een verschrikkelijk gevecht versloeg hij den roover. Uit dankbaarheid richtte koning Euander van Pallantium, die veel van Cacus te lijden had gehad, een altaar voor den held op, en zoo ontstond de dienst van Hercules, die later door de Romeinen overgenomen werd en aan de zorg van de Potitii en Pinarii toevertrouwd was. Z. Caca.

Cadi, Kadoi, stad in westelijk Phrygia, dicht bij den berg Dindymus.

Cadmea, Kadmeia, burcht van Thebae.

Cadmus, Kadmos, 1) zoon van den phoenicischen koning Agenor en Telephassa. Toen zijn zuster Europa door Zeus geschaakt was, zond zijn vader hem uit om haar te zoeken, met uitdrukkelijk bevel, niet zonder haar terug te komen. Na lang zwerven kwam hij te Delphi en kreeg daar een orakel, dat hij zijne zuster niet verder zoude zoeken, maar dat hij een koe moest volgen en op de plaats, waar zij zich zoude neerleggen, een stad moest stichten. In Phocis vond hij de bedoelde koe, hij volgde haar tot in Boeotië en stichtte op de aangewezen plaats de stad Thebae. Nu wilde hij de koe offeren en zond eenige van zijne tochtgenooten om water te halen uit eene naburige bron, die aan Ares gewijd was; zij werden echter gedood door een draak, die de bron bewaakte. Toen zij niet terugkwamen, ging Cadmus zelf naar de bron, hij vond den draak en doodde hem met de hulp van Athena. Op bevel der godin zaaide hij de tanden van het monster in den grond, uit dit zaad kwamen gewapende mannen te voorschijn, die elkander doodsloegen op vijf na, die Sparten (Spartoi) genoemd werden en de stamvaders der Thebanen werden. Wegens het dooden van den draak moest Cadmus acht jaar lang Ares dienen, daarna was de god bevredigd en gaf hij hem zijn dochter Harmonia (z. a.) ten huwelijk. Cadmus regeerde daarna vele jaren over Thebae; later trok hij met Harmonia naar Illyrië, waar hij koning der Encheleers werd; op hoogen leeftijd werden beide echtgenooten in draken veranderd en naar het Elysium overgebracht. De latere Grieken geloofden dat Cadmus de eerste was die vreemde beschaving in Griekenland had overgebracht; hij zou het phoenicisch letterschrift ingevoerd hebben, het bewerken van metaal geleerd en de eerste waterleiding aangelegd hebben.--2) van Miletus, een der oudste logografen; of hij werkelijk bestaan heeft, wordt echter betwijfeld.

Caduceus of caduceum, uit het aeolische karykeion = kerykeion ontstaan, in het algemeen de herautenstaf, een olijftak met een witten band omwonden. In het bizonder wordt daarmede de staf bedoeld, dien Hermes of Mercurius als bode der goden droeg. Deze staf was met twee slangen omstrengeld en wordt somtijds van boven met een paar vleugels voorzien. Mercurius wordt bij de dichters vaak caducifer genoemd.

Caducifer, bijnaam van Mercurius, als drager van den vredestaf (caduceus).

Cadurci, volk in Gallia Transalpina, met de hoofdstad Divona (Cahors) aan den Oltis (Lot), een zijtak van den Garumna.

Cadusii, Kadousioi, krijgszuchtig bergvolk in Media, ten Z.W. der Caspische zee.

Cadytis, Kadytis, de zuidelijkste van de vijf bondsteden van Syria Palaestina (het land der Philistijnen) = Gaza.

Caeadas = Ceadas.

Caecilia (lex), van den volkstribuun L. Caecilius Rufus (Caecilii no. 29) einde 64 voorgesteld, doch vóór de stemming weder ingetrokken, om aan P. Cornelius Sulla en P. Autronius Paetus, die in 65 wegens ambitus veroordeeld waren, amnestie te verleenen en hen weder in den senatorenstand te herstellen.

Caecilia (lex), van den consul Caecilius Metellus Pius Scipio (Caecilii no. 18) van 52, tot opheffing der lex Clodia de censoria notione, z. Clodiae (leges) no. 4.

Caeciliae (leges), van den volkstribuun Q. Caecilius Metellus Nepos, 62 (Caecilii no. 16). De wetsvoorstellen gingen echter niet door. Het waren de volgende: 1) dat Pompeius, die toen in Azië was, in zijne afwezigheid tot consul mocht verkozen worden;--2) dat Pompeius zou teruggeroepen worden om de beweging van Catilina te onderdrukken.

Caecilia Cornelia (lex) van de consuls Q. Caecilius Metellus Nepos (Caecilii no. 16) en P. Cornelius Lentulus Spinther (Cornelii no. 50), 57, waarbij aan Pompeius voor een tijdperk van vijf jaar de cura annonae werd opgedragen.

Caecilia Didia (lex) de modo legum promulgandarum van de consuls Q. Caecilius Metellus Nepos en T. Didius (98), dat 1º een wetsvoorstel ten minste drie nundina (24 dagen) vóór de stemming moest worden bekend gemaakt, 2º men geen twee verschillende zaken in één wetsvoorstel mocht vereenigen (de duabus rebus non una lege coniungendis), hetgeen gewoonlijk heet: per saturam ferre. V. a. zijn dit twee wetten.

Caecilii. De gens Caecilia, waarvan de familie Metellus de voornaamste is, was plebejisch. 1) Caecilius Metellus Denter, consul in 284.--2) L. Caecilius Metellus, zoon van no. 1, consul in 251 en 247, was in 251 op Sicilia aan het hoofd van het rom. leger, doch durfde tegen Hasdrubal geen slag wagen uit vrees voor diens olifanten, maar Hasdrubal viel hem het volgend jaar bij Panormus aan, en werd verslagen, waarbij zijn olifanten in handen des overwinnaars vielen, en bij den triumf aan het volk getoond werden. In 249 was hij magister equitum van den dictator A. Atilius Calatinus. In 247 was hij voor de tweede maal consul, wederom op Sicilië. In 243 werd hij pontifex maximus; toen hij in 241 bij het afbranden van den Vesta-tempel Rome's penaten had gered en daarbij volgens de overlevering het gezicht had verloren, werd hem de onderscheiding toegekend, zich in een draagstoel naar den senaat te mogen begeven.--3) Q. Caecilius Metellus, oudste zoon van no. 2, was consul in 206, dictator comitiorum habendorum causa in 205, vervulde later (186-184) gezantschappen bij Philippus van Macedonia en bij de Achaeërs, en wordt door Cicero als redenaar geprezen. Hij is het, die zich op den dichter Naevius (z. a.) om diens vrijmoedigheid gewroken heeft.--4) L. Caecilius Metellus, tweede zoon van no. 2, deed in 216 na den slag bij Cannae het voorstel, Italië te verlaten, waarvoor hij door de censoren van het jaar 214 onder de aerarii werd gebracht.--5) M. Caecilius Metellus, derde zoon van no. 2, werd in 205 naar Azië gezonden om het beeld der Magna Mater uit Phrygia naar Rome over te brengen.--6) Q. Caecilius Metellus Macedonicus wordt gewoonlijk beschouwd als de oudste zoon, maar is misschien de kleinzoon van no. 3, consul in 143, overwon in 148 als propraetor den macedonischen kroon pretendent Andriscus, richtte Macedonia tot provincie in (147) en versloeg vervolgens in 146 de Achaeërs bij Scarphe (Scarphea) in Locris, en streed als consul en proconsul tegen de Celtiberiërs. Over Andriscus hield hij een zegetocht. In 131 werd hij de eerste plebejische censor, doch maakte zich door zijne gestrengheid vele vijanden, zoodat zelfs de volkstribuun C. Atinius Labeo, dien hij van de senaatslijst had geschrapt, hem van de tarpejische rots wilde laten werpen. Hij was ook in onmin met Scipio Africanus minor. Hij bestreed Tib. Gracchus in een heftige redevoering, en nam de wapenen op tegen C. Gracchus (121). Hij stierf in 115.--7) L. Caecilius Metellus Calvus, broeder van no. 6, consul in 142.--8) Q. Caecilius Metellus Balearicus, consul in 123, oudste zoon van no. 6, overwon de zeeroovers der Balearische eilanden, waar hij een groot bloedbad aanrichtte, en bracht rom. kolonisten daarheen. In 121 hield hij zijn zegetocht; in 120 was hij censor.--9) L. Caecilius Metellus Diadematus, aldus genaamd naar den haarband, dien hij droeg om een gezwel aan het hoofd te verbergen, tweede zoon van no. 6, was consul in 117.--10) M. Caecilius Metellus, derde zoon van no. 6, consul in 115, zegepraalde in 111 over de Sardiniërs.--11) C. Caecilius Metellus Caprarius, vierde zoon van no. 6, consul in 113, censor in 102, zegepraalde in 111 over de Thraciërs.--12) L. Caecilius Metellus Calvus Dalmaticus, oudste zoon van no. 7, consul in 119, hield in 117 een zegetocht over de Dalmatiërs en was in 115 censor met Cn. Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 4).--13) Q. Caecilius Metellus Numidicus, tweede zoon van no. 7, consul in 109, voerde den oorlog tegen Jugurtha en zou dezen vermoedelijk tot de overgaaf hebben genoodzaakt, zoo niet Marius uit Rome ware gekomen om het bevel over te nemen. De senaat kende Metellus de eer van een zegetocht toe. In 102 was hij censor, tegelijk met no. 11. Toen in het jaar 100 Appuleius Saturninus de bezwering zijner wetten door de senaatsleden eischte (zie Appuleiae leges), weigerde Numidicus en ging in ballingschap, waaruit hij evenwel een jaar later werd teruggeroepen door de lex Calidia. Hij stierf in 90, naar vermoed werd door vergif.--14) Q. Caecilius Metellus Nepos, zoon van no. 8, was consul in 98. Zie Caecilia Didia (lex).--15) Q. Caecilius Metellus Celer, zoon van no. 14, was in 66 legaat van Pompeius in den mithradatischen oorlog, in 63 praetor, in 60 consul. Als praetor redde hij Rabirius (zie Rabirii no. 1) van eene veroordeeling en vervolgde hij Catilina. Hij behoorde tot de tegenstanders van Pompeius en verzette zich tegen de akkerwetten van dezen, door L. Flavius voorgesteld (zie Agrariae leges), en van Caesar. Ook kantte hij zich tegen de adoptie van zijn zwager P. Clodius Pulcher door een plebejer. Hij stierf plotseling in 59, naar men vermoedde vergeven door zijne vrouw Claudia maior, zie Claudii no. 18.--16) Q. Caecilius Metellus Nepos, jongere broeder van no. 15, was in 67 legaat van Pompeius in den zeerooversoorlog. Hij was een vinnig vijand van Cicero en dwarsboomde dezen zooveel mogelijk, o. a. door als volkstribuun (10 Dec. 63-10 Dec. 62), hem te beletten, op den laatsten dag van zijn consulaat, de gebruikelijke redevoering te houden; Cicero mocht alleen den gewonen eed afleggen, waarop hij zwoer, dat hij de republiek van den ondergang gered had. Zie verder Caeciliae (leges). Toen hij zijn voorgestelde wetten door den tegenstand van Cato (Porcii no. 8), die ook volkstribuun was, niet doorvoeren kon, begaf hij zich naar Azië tot Pompeius, waarop hij van zijn ambt ontzet werd. Als consul stemde hij in 57 er in toe, dat Cicero uit zijne ballingschap zou worden teruggeroepen. Zie ook Caecilia Cornelia (lex).--17) Q. Caecilius Metellus Pius, zoon van no. 13, aldus bijgenaamd om zijne ouderliefde, daar hij door zijne dringende beden de terugroeping van zijn vader uit de ballingschap bewerkte, versloeg in den bondgenootenoorlog den aanvoerder der Marsi, Q. Pompaedius Silo (88). Tijdens den burgeroorlog behoorde hij tot de senaatspartij; hij voegde zich bij Sulla, toen die uit het Oosten terugkeerde, en was met hem consul in 80; daarna werd hij naar Spanje tegen Sertorius gezonden, waar hij tot 72 bleef, sedert 76 door Pompeius ondersteund.--18) Caecilius Metellus Pius Scipio, aangenomen zoon van no. 17 (zie Cornelii no. 25), bij de schrijvers nu eens P. Scipio Nasica, dan weer Q. Metellus Scipio, ook wel P. Scipio Metellus genoemd. Zijn werkelijke vader was P. Cornelius Scipio Nasica, praetor in 94. Metellus Scipio was volkstribuun in 59. Zijne poging om zich voor 52 tot consul te doen verkiezen, mislukte, daar Pompeius consul zonder ambtgenoot werd. Toen echter Metellus aan Pompeius zijne dochter tot vrouw gaf, werd hij gedurende nog vijf maanden diens medeconsul. Later streed hij bij Pharsalus (48) en bij Thapsus (46) tegen Caesar. Bij Thapsus was hij opperbevelhebber, maar hoogst onbekwaam. Op de vlucht gevangen genomen, doodde hij zich zelf. Hij was roofzuchtig van karakter, zelfs tempels waren voor hem niet veilig.--19) Q. Caecilius Metellus Creticus, zoon van no. 11, was een van de drie gebroeders Metellus, die in het proces van Cicero tegen Verres den beklaagde steunden. Hij was het, die voor het jaar 69 met den redenaar Q. Hortensius tot consul werd gekozen. In 68 werd hij uitgezonden om Creta te onderwerpen, dat een broeinest was van de zeeroovers. Hij versloeg de Cretensers bij Cydonia, en nam daarop Cydonia, Cnossus, Lyctus en andere vestingen in en streed met veel geluk en volharding; hij legde hierbij echter zooveel wreedheid en ruwheid aan den dag, dat de inwoners hunne onderwerping aan Pompeius aanboden, die destijds, als opperbevelhebber in den zeerooveroorlog, in Azië was. Metellus ging koelbloedig zijn gang, behandelde de door Pompeius gezonden troepen als vijanden, onder wierp het eiland na vijf jaren strijds, en richtte het in als provincie (64). Door de catilinarische woelingen te Rome kon hij echter eerst in 62 zijn zegetocht houden.--20) L. Caecilius Metellus, broeder van no. 19, was Verres in 70 als stadhouder van Sicilia opgevolgd en trachtte wel, zooveel hij kon, den Siciliërs het doorgestane leed te vergoeden, maar bemoeielijkte toch Cicero's onderzoek op Sicilia. Hij was consul in 68.--21) M. Caecilius Metellus, broeder van no. 19 en 20, was voor het jaar 69 tot praetor gekozen. Daarom was er Verres zooveel aan gelegen, dat zijn proces op de lange baan geschoven werd tot in 69.--22) L. Caecilius Metellus, zoon van no. 20, wilde als volkstribuun in 49 Caesar beletten het aerarium open te breken. Caesar liet hem later uit Rome verwijderen.--23) Caecilia Metella, dochter van no. 8, huwde met App. Claudius Pulcher (Claudii no. 14), en werd de moeder van den beruchten volkstribuun P. Clodius Pulcher.--24) Caecilia Metella, dochter van no. 12, huwde eerst met M. Aemilius Scaurus en hertrouwde als weduwe met L. Cornelius Sulla, die echter, toen zij ziek werd, van haar scheidde.--25) Caecilia Metella, dochter van no. 6, huwde met P. Cornelius Scipio Nasica Serapio (Cornelii no. 22).--26) Caecilia Metella, ook Cornelia Metella genaamd, dochter van no. 18, werd de vijfde vrouw van Cn. Pompeius.--27) Caecilia Metella, dochter van no. 19, echtgenoote van M. Crassus (Licinii no. 16). Van haar is het beroemde grafmonument aan de Via Appia, nu Capo di bove geheeten.--28) Q. Caecilius Bassus, vurig aanhanger van Pompeius, die na den slag bij Pharsalus naar Asia vlood en daar jaren lang te Apamea den strijd tegen de troepen van Caesar volhield. Na Caesar's dood sloten zijne troepen zich bij Cassius aan.--29) L. Caecilius Rufus, halfbroeder van P. Cornelius Sulla (Cornelii no. 54), trachtte dezen in zijne vorige rechten te herstellen; zie Caecilia (lex). Hij ondersteunde Cicero in diens verzet tegen de akkerwet van P. Servilius Rullus en werkte mede tot Cicero's terugroeping uit de ballingschap.--30) Q. Caecilius Niger, uit Sicilia, quaestor onder Verres. Tegen hem sprak Cicero zijne bekende divinatio uit.--31) Statius Caecilius, een Insubriër van groot talent, als slaaf naar Rome gekomen, was een beroemd blijspeldichter (180). Hij bewerkte Grieksche stukken (palliatae) vooral van Menander. Cicero, Horatius en Quinctilianus prijzen hem zeer. Wij hebben van zijne blijspelen slechts fragmenten.--32) Caecilius uit Calacte op Sicilia, beroemd grieksch rhetor en criticus ten tijde van Augustus.

Caecinae, eene gens, uit de etruscische stad Volaterrae afkomstig. 1) A. Caecina, door Cicero in 69 in een proces over de erfenis van een landgoed verdedigd.--2) A. Caecina, een zoon van no. 1, was bevriend met Pompeius en Cicero. Een beleedigend geschrift tegen Caesar was oorzaak van zijne verbanning, doch later verzoende hij zich met Caesar.--3) Caecina Volaterranus een vriend van Octavianus, werd door dezen gebruikt als onderhandelaar met Antonius (44).--4) A. Caecina Severus, een beproefd en dapper veldoverste, die met goed gevolg tegen de Bato's in den pannonisch-dalmatischen opstand streed (6 en 7 na C.). In 14 n. C. was hij legatus van Germania Inferior onder het opperbevel van Germanicus, en wist hij het oproer van het leger niet te beteugelen; eerst aan Germanicus gelukte dit door toegevendheid. Hij neemt deel aan alle veldtochten van Germanicus (14-16), en verwerft in 16 de triumphalia insignia.--5) A. Caecina Alienus, quaestor in Baetica (68 n. C.), sloot zich bij Galba aan, maar weldra wegens een veroordeeling op hem verbitterd, wist hij (Jan. 69) met Fabius Valens te bewerken, dat Vitellius door de soldaten aan den Rijn tot keizer werd uitgeroepen. Hij trekt daarop met 30.000 man naar Italia, terwijl hij onderweg de Helvetiërs tuchtigt. Bij Cremona wordt hij eerst door de Othoniani onder Suetonius Paulinus verslagen; toen later Fabius Valens met een ander leger zich bij hem gevoegd had, versloegen ze samen de Othoniani bij Bedriacum. Van Vitellius liep hij tot Vespasianus over, doch werd later, wegens samenzwering tegen dezen in 75 op last van Titus ter dood gebracht.--6) Caecina Paetus, zie Arria.

Caecubus ager, streek aan de zuidelijke grenzen van Latium, tusschen den lacus Fundanus en de zee, wel moerassig, doch beroemd om den voortreffelijken wijn, die er geteeld werd.

Caeculus, italiaansch heros, zoon van Vulcanus, stichter van Praeneste.

Caeles Vibenna, een etruscisch hoofd, die onder de regeering van Romulus (of later) naar Rome verhuisde en zich op den caelischen berg nederzette.

Caelia (lex), tabellaria van den volkstribuun L. Caelius, 107, z. Tabellariae (leges).

Caelii, plebejisch geslacht. 1) L. Caelius Antipater, tijdgenoot der Gracchen, rom. annalist, beschreef den tweeden punischen oorlog.--2) C. Caelius Caldus, volkstribuun in 107, was de maker der lex Caelia tabellaria. In 94 was hij consul. Later streed hij in Hispania tegen Sulla en Pompeius, die hem versloeg.--3) C. Caelius Caldus, kleinzoon van no. 2, volgde Cicero op als stadhouder van Cilicia.--4) M. Caelius Rufus, leerling van Cicero in de welsprekendheid, werd door dezen tegen eene aanklacht van ambitus met goed gevolg verdedigd (56). In 52 was hij volkstribuun en verzette zich krachtig tegen de democratische woelingen; zelfs bewerkte hij de verbanning van den woelzieken Q. Pompeius Rufus (zie Pompeii no. 5). Toen de burgeroorlog losbarstte, koos C. de zijde van Caesar; doch toen hij als praetor in 48 zich door dezen verongelijkt achtte, poogde hij in Zuid-Italië een oproer te verwekken, bij welke poging hij bij Thurii gedood werd. Hij was iemand van losse zeden (bekend is zijn liaison met Clodia), die wel eene aangevatte zaak met kracht kon doorzetten, maar verre van beginselvast was. Zijne briefwisseling met Cicero is zeer belangrijk voor de kennis van dit tijdperk. Als redenaar was hij niet zonder naam. Catullus valt hem heftig aan in zijn gedichten.--5) Caelius Aurelianus, geleerd rom. geneeskundige uit de 5de eeuw na C. te Sicca in Numidia geboren, van wien nog geschriften bestaan.--6) Caelius Apicius, zie Apicii.--7) D. Caelius Calvinus Balbinus, z. Balbinus.

Caelius mons, een der bergen, waarop Rome was gebouwd. Het was een der zeven bergen uit den tijd van het Septimontium, zie Roma. De tweede der veertien wijken of regiones, waarin Rome door Augustus werd verdeeld, heette naar dezen berg Caelimontium.

Caena = coena.

Caeneus, Caenis, Kaineus, Kainis, dochter van Elatus en Hippea; zij werd door Poseidon bemind, en op haar wensch, waarvan de god haar de vervulling vooraf had toegezegd, werd zij in een man veranderd en bovendien onkwetsbaar gemaakt. Caeneus was een van de Argonauten en van de calydonische jagers; in het gevecht tusschen de Centauren en Lapithen op de bruiloft van Pirithoüs werd hij door de Centauren, daar zij hem niet konden wonden, onder boomstammen bedolven en zoo gedood, v. a. vloog hij als een vogel van onder den houtstapel op.

Caeni, Kainoi, thracische volksstam aan de Propontis (zee v. Marmara).

Caenina, oude stad van Latium, tusschen Rome en Tibur, in ouden tijd bij Rome ingelijfd.

Caeparius (M.), deelgenoot aan de samenzwering van Catilina, werd 5 Dec. 63 in den kerker ter dood gebracht.

Caepio, familienaam in de gens Servilia (Servilii no. 12-18). Aangaande Q. Caepio Brutus z. Junii no. 9.

Caere, door de Grieken Agylla genoemd, oude stad in het Z. van Etruria, eene der 12 etruscische bondssteden, reeds vroeg machtig en bloeiend. Toen de Galliërs in 390 op Rome lostrokken, verleende Caere een wijkplaats aan de vestaalsche maagden en de romeinsche priesters en verkreeg daarvoor het rom. gastrecht. In 353 evenwel met Rome in onmin geraakt, verloor het de helft van zijn gebied, terwijl aan de inwoners het mindere burgerrecht, zonder het ius suffragii en het ius honorum, opgedrongen werd. Zie ook het volgend artikel. Onder Sulla werd Caere eene soldatenkolonie.

Caerites, inwoners van Caere. Toen hun het mindere burgerrecht gegeven werd (zie Caere), werden zij in den toestand van aerarii gebracht. Vandaar zijn de uitdrukkingen in tabulas Caeritum referri, op de lijst der Caeriten gebracht worden, en aerarium fieri synoniem. De Caerites behoorden tot de minste klasse der municipes (zie Municipium), daar ze geen eigen bestuur en eigen ambtenaren hadden.

Caerosi, germaansche volksstam aan de Maas in Belgica.

Caesar, Kaisar, familienaam in de gens Iulia, zie Iulii. Na Augustus evenwel wordt deze naam een titel van de prinsen der keizerlijke familie, hetzij zij er door geboorte of adoptie toe behoorden. Hoewel de eerste keizers tot en met Nero door adoptie tot de gens Iulia kunnen gerekend worden, werd toch de gentielnaam Iulius slechts zelden door hen gebruikt. Tiberius begon er mede, den naam Caesar als titel te dragen en weigerde alle andere titels. Na Vitellius, die den titel Caesar weigerde, werd Caesar de vaste keizerstitel, die dan vóór den eigennaam werd geplaatst, terwijl de vermoedelijke erfgenaam van den troon sedert Hadrianus den titel achter zijn eigennaam voerde. Sedert de staatsregeling van Diocletianus (z. a.) is Caesar de naam van den onderkeizer (hulpkeizer).

Caesaraugusta, vroeger Salduba, thans Saragossa, stad der Edetani, aan den Iberus (Ebro), sedert Augustus rom. kolonie.

Caesarea, Kaisareia, naam van een aantal steden, ter eere van dezen of genen romeinschen keizer aldus genoemd. De voornaamste zijn: 1) Caesarea ad Argaeum, vroeger Mazaca, oude residentie der cappadocische koningen en door Tiberius tot hoofdstad der rom. provincie Cappadocia verklaard. Het lag aan den mons Argaeus.--2) Caesarea Palaestinae, op de kust gelegen, vroeger Stratonis turris, door Herodes vergroot en verfraaid en ter eere van Augustus Caesarea genoemd (10 of 9). Het was de zetel der romeinsche stadhouders en sedert de verwoesting van Jerusalem hoofdstad der provincie Judaea.--3) Caesarea Paneas of Philippi, door den viervorst Philippus, zoon van Herodes, nabij de bron van den Jordaan uitgebreid en vergroot, en sedert naar hem genoemd.--4) Caesarea ad Libanum, zie Arca.--5) Caesarea Mauretaniae, vroeger Iol, door koning Juba herdoopt ter eere van Augustus, later rom. kolonie en hoofdstad der provincie Mauretania Caesariensis.--6) Caesarea in Phrygia, vroeger Antiochia ad Pisidas (z. Antiochia no. 3).

Caesarion, Kaisarion, zoon van C. Julius Caesar en Cleopatra, in 47 geb. Toen Antonius hem tot zoon en erfgenaam van Caesar had verklaard en tot mederegent van Aegypte had benoemd, liet Octavianus na den slag bij Actium den jongen Caesarion ombrengen (30).

Caesarodunum, thans Tours, hoofdst. der Turones aan den Liger (Loire).

Caesennius Paetus (L.), veldheer van Nero, streed ongelukkig tegen de Parthen (62 n. C.).

Caesetius Flavus (L.), volkstribuun in 44. Hij was een tegenstander van Caesar, die hem hierom met zijn ambtgenoot L. Epidius Marullus uit den senaat stiet en uit zijn ambt ontzette.

Caesia silva, een bergachtige streek in Germania tusschen de Luppia (Lippe) en de Isala (Geld. IJsel).

Caesii. Uit de gens Caesia zijn geen beroemde mannen bekend. De lierdichter Caesius Bassus was een vriend van den satirendichter A. Persius Flaccus.

Caestus, lederen riemen met looden knoppen er in, waarmede men zich de handen omwond voor het vuistgevecht.

Caetra, zie Cetra.

Caicus, Kaikos, rivier in Mysia, ontspringt op den Temnus, stroomt op niet grooten afstand voorbij de stad Pergamus en valt in de Aegaeïsche zee.

Caieta, thans Gaëta, kaap en zeestad van Latium in het land der Aurunci, genaamd naar Caieta, Aeneas' voedster, die daar begraven werd. Hier had Cicero een villa.

Calabra (curia), z. Curia Calabra.

Calabria, Kalabria, niet het thans onder dezen naam bekende gewest, maar het zuidoostelijke schiereiland van Italia, tegenwoordig Terra d' Otrante genoemd. Iapygia Messapia, Sallentina zijn oude namen voor deze streek. De naam Calabria komt eerst op na de verovering door de Romeinen. Brundisium en Tarente zijn de noordelijkste steden. In ouden tijd was deze thans zoo verwaarloosde uithoek niet onvruchtbaar, hoewel men dikwijls met gebrek aan water had te kampen. Sedert de verovering door de Romeinen neemt de bevolking af. Augustus vereenigde Calabria met Apulia tot de tweede regio Italiae.

Calacte, Kale akte, stad op de Noordkust van Sicilia.

Calagurris Nasica, thans Calahorra, stad in Tarraconensis aan den Iberus (Ebro) in het land der Vascones, geboorteplaats van Quinctilianus.

Calais, Kalaïs, en Zetes, de gevleugelde zonen van Boreas en Orithyia (Boreadae, Boreadai). Op den Argonautentocht kwamen zij te Salmydessus en bevrijdden daar hunne zuster Cleopatra, die met hare kinderen door haar gemaal, koning Phineus, gevangen gehouden werd. V. a. bevrijdden zij Phineus van de Harpyiën en kwamen zij om terwijl zij deze vervolgden. Of zij werden door Heracles gedood, omdat zij voornamelijk bewerkt hadden, dat hij op den Argonautentocht in Mysië werd achtergelaten.

Calamis, Kalamis, beroemd atheensch beeldhouwer omstreeks 460; zijne beelden stelden zoowel goden als menschen en dieren voor, en muntten uit door kracht en tevens bevalligheid.

Calantica, calautica of calvatica, kredemnon, vrouwenmuts, voornamelijk gedragen door oude dames, die niet veel haar meer hadden.

Calanus, Kalanos, een gymnosophist, dien Alexander uit Indië medenam; toen hij te Susa ziek werd, maakte hij vrijwillig op den brandstapel een einde aan zijn leven. Zooals hij voorspeld had, stierf Alex. kort daarna.

Calaris = Caralis.

Calatia, stad in Campania tusschen Capua en Beneventum.

Calatores, eigenlijk roepers om iemand te ontbieden, in het bizonder dienaren der pontifices, die bij de godsdienstige plechtigheden de orde moesten handhaven en bij de comitia calata het volk opriepen. Later werden ze pontifices minores.

Calauria, -rea, Kalauria, -reia, eiland op de kust van Argolis, tegenover Troezen, met een beroemden Poseidon-tempel, waar de redenaar Demosthenes in 322 zich door vergif van het leven beroofde.

Calautica = Calantica.

Calchas, Kalchas, zoon van Thestor uit Mycenae of Megara, beroemd vogelwichelaar die de Grieken naar Troje vergezelde. Ingevolge zijne uitspraken werd Iphigenia aan Artemis geofferd en Chryseis aan haar vader teruggegeven, ook had hij den langen duur van den oorlog voorspeld. Na den oorlog ontmoette hij te Colophon Mopsus, die hem als wichelaar overtrof, waarom hij van verdriet stierf of zich uit spijt doodde. In Apulië had hij een heiligdom met een orakel.

Calchedon = Chalcedon.

Calceus. De ouden kenden sandalen, pantoffels, schoenen en laarzen. De calceus is een schoen, die vastgestrikt of geregen wordt. De calceus senatorius had kruisbanden, die om den voet en de kuit werden gebonden. Men vindt de uitdrukking calceos mutare wel gebruikt voor: senator worden. Vóór op den senatorsschoen was een halfmaantje van ivoor, lunula, aangebracht. De calceus behoorde bij de toga; wanneer men deze laatste aflegde en tegen huiskleeding verwisselde, trok men ook de schoenen uit en deed sandalen of pantoffels aan.

Calculus Minervae, de stem waarmede Athena, toen Orestes voor den Areopagus terechtstond en de stemmen staakten, zich ten gunste van den aangeklaagde verklaard had. Vandaar werd de uitdrukking gebruikt, wanneer een aangeklaagde bij staking van stemmen werd vrijgesproken.

Calda, warm water, dat, evenals frigida, koud water, steeds gereed gehouden werd, om onder den wijn te mengen.

Caldarium, de zweetkamer in eene badinrichting. Zie Balneum.

Cale, stad der Gallaeci aan den mond van den Durius (Duero), thans Oporto.

Caledonia, oude naam voor Schotland. Alleen het zuidelijke deel is eenigen tijd in het bezit der Romeinen geweest. Zie Britannia.

Calendae, meer gewoon Kalendae, de eerste dag der maand. Zie annus.

Calendarium, het renteboek, waarin de bankiers en geldschieters de renterekeningen met hunne klanten boekten. Hoewel de Romeinen ook kalenders of almanakken hadden, is het woord calendarium in deze laatste beteekenis niet klassiek.

Calenus, familienaam in de gens Fufia.

Cales, oude stad in het N. van Campania, latijnsche kolonie sedert 334. De wijn, vinum Calenum, die in de omstreken der stad, den ager Calenus, geteeld werd, behoorde tot de voortreffelijkste van Italië.

Caletes of Caleti, een volk aan de kust van Belgica, aan den mond der Sequana (Seine), met de steden Carocotinum (Hâvre de Grace) en Juliobona (Lillebonne).

Calidia (lex), 99, van den volkstribuun Q. Calidius (z. Calidii no. 1).

Calidii, plebejisch geslacht. 1) Q. Calidius bewerkte in 99 als volkstribuun de terugroeping van Q. Caecilius Metellus Numidicus (Caecilii no. 13) uit de ballingschap. Uit dankbaarheid steunde de zoon van Numidicus, Metellus Pius, met alle kracht later (in 80) de candidatuur van Calidius voor het praetorschap.--2) M. Calidius, zoon van no. 1, ijverde als praetor in 57 voor de terugroeping van Cicero uit de verbanning. Later (begin 49) werd hij door Caesar aangesteld tot stadhouder in Gallia Cisalpina, waar hij weldra gestorven is. Hij was een zeer bekwaam redenaar.

Caligae, soldatenlaarzen, met dikke zolen met spijkers. Zij waren op den voet geheel gesloten.

Caligula, romeinsch keizer, 37-41 na C. Zijn eigenlijke naam was Gaius Caesar, maar van jongs af werd hij Caligula genoemd, omdat hij als kind in de legerplaats zijns vaders soldatenlaarsjes droeg. Zijn vader was de beroemde Germanicus, de zoon van Drusus; zijne moeder Agrippina was de dochter van M. Vipsanius Agrippa, die met Augustus' dochter Julia was gehuwd. Caligula regeerde gedurende de eerste acht maanden zacht en rechtvaardig, doch vervolgens als een waanzinnige wreedaard. Hij omgaf zijn lievelingspaard met een hofstoet en wilde het tot consul doen verkiezen, hij beschouwde zichzelf als een god, gaf zich aan dierlijken wellust over, moordde en plunderde rechts en links, tot hij eindelijk met zijne booze gemalin Caesonia en zijne dochter door Cassius Chaerea werd omgebracht (24 Jan. 41).

Callaïci = Gallaeci.

Callatis, Kallatis, grieksche volkplanting in Moesia aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee).

Callias, Kallias, naam van verscheiden leden van een adellijk atheensch geslacht, dat van Triptolemus heette af te stammen en waarin de waardigheid van fakkeldrager (dadouchos) bij de eleusinische mysteriën erfelijk was. Hiertoe behooren o. a. 1) Callias, zoon van Hipponicus no. 2, de rijkste Athener van zijn tijd; hij streed bij Marathon en onderhandelde in 449 met Perzië over den zgn. cimonischen vrede.--2) zijn kleinzoon Callias, zoon van Hipponicus no. 3, een lichtzinnig mensch, berucht door zijne zedelooze leefwijze, waardoor hij zijn groot vermogen verkwistte en in zijne laatste jaren gebrek leed. Ook aan het huisvesten en gastvrij onthalen van de sophisten, die Athene bezochten, moet hij veel geld besteed hebben. Hij diende in 391 onder Iphicrates en werd later (371) als gezant naar Sparta gezonden.--Niet tot dit geslacht behooren: 3) Callias, zoon van Calliades, die in 432 als veldheer voor Potidaea sneuvelde.--4) tyran van Chalcis omstreeks 350. Om zich van geheel Euboea meester te maken, wendde hij zich eerst om hulp tot Philippus van Macedonië, later tot Thebe, eindelijk tot Athene, waarmede hij vroeger in oorlog was geweest. Hier vond hij steun bij Demosthenes en inderdaad werd hem hulp gezonden, doch het plan gelukte niet. Later leefde hij te Athene, waar hij het burgerrecht kreeg.--5) atheensch blijspeldichter, jonger tijdgenoot van Cratinus, schrijver van zes blijspelen, waarvan enkele fragmenten bewaard zijn. Dezen Callias of een naamgenoot wordt een werk toegeschreven, grammatike tragodia genoemd, over welks inhoud niets bekend is.--6) van Syracusae, schrijver van een werk over het leven van Agathocles.

Callibius, Kallibios, bevelhebber der Spartanen, die tijdens de regeering der dertig te Athene in bezetting lagen.

Callicles, Kallikles, beroemd atheensch beeldgieter, tijdgenoot van Pericles.

Callicrates, Kallikrates, 1) een der bouwmeesters van het Parthenon. Ook de lange muren naar den Piraeus zijn door hem gebouwd.--2) syracusaansch veldheer, die in 415 in den oorlog tegen Athene sneuvelde.--3) van Tyrus, beschreef omstreeks 280 na C. het leven van keizer Aurelianus.

Callicratidas, Kallikratidas, volgde in 406 Lysander als opperbevelhebber der spartaansche vloot op. In karakter en in zijne opvatting van de wijze, waarop de oorlog behoorde gevoerd te worden, verschilde hij van zijn voorganger, daarom vond hij bij diens vrienden, ook bij Cyrus, in het begin veel tegenwerking. Toch wist hij spoedig de algemeene achting te verwerven en middelen te vinden om zijn vloot uit te breiden. Het gelukte hem, Conon met veertig schepen in de haven van Mytilene in te sluiten, nadat hij hem dertig ontnomen had. De Atheners zonden daarop honderd vijftig schepen om Conon te ontzetten, en in den beroemden slag bij de Arginusische eilanden viel Callicr. van zijn schip en verdronk.

Callicula, niet hooge berg in Campania, bij Casilinum, ten Z. of Z. O. van Cales.

Callidromus, Kallidromos, oostelijke tak van het Oeta-gebergte, met den bergpas Thermopylae.

Callifae, stad der Hirpini in Samnium, tegelijk met Rufrae en Allifae door Livius vermeld, maar verder niet bekend.

Callimachus, Kallimachos, 1) van Aphidnae, sneuvelde als polemarch bij Marathon.--2) van Corinthe, beroemd beeldhouwer, bouwmeester en schilder (omstreeks 400 of vroeger). Hem wordt de uitvinding van het corinthisch kapiteel toegeschreven.--3) van Cyrene (± 310-235), afstammeling der Battiaden, studeerde te Athene en leefde daarna te Alexandrië, waar hij waarschijnlijk gedurende eenigen tijd hoofd der koninklijke bibliotheek was. Door zijne veelomvattende geleerdheid en groote werkzaamheid heeft hij grooten invloed op de studiën zijner tijdgenooten en navolgers uitgeoefend; de voornaamste taalkundigen, Eratosthenes, Aristophanes van Byzantium, e. a., waren zijne leerlingen en het aantal zijner werken in proza en poëzie wordt op 800 geschat. Hoewel zijne gedichten vooral door de Romeinen ten zeerste bewonderd en dikwijls nagevolgd werden, toonen de weinige die overgebleven zijn meer geleerdheid dan kunst. Tot de meest bekende gedichten behoorden de Atia, waarin o. a. de beroemde roman van Acontius (z.a.) en Cydippe, nu gedeeltelijk teruggevonden, de Hecale, waarvan ook fragmenten gevonden zijn, en de coma Berenices, dat door Catullus vertaald is; geheel bewaard gebleven zijn 6 hymnen en vele epigrammen, opgenomen in de Anthologia Palatina. Onder zijn prozawerken is van beteekenis een beredeneerde catalogus der alexandrijnsche bibliotheek (Pinakes), waardoor de grondslag gelegd werd voor de beoefening van de geschiedenis der letterkunde.

Callimedon, Kallimedon, Athener, om zijne leelijkheid en zwelgerij dikwijls bespot. Hij behoorde tot de macedonische partij en vluchtte daarom na den dood van Alexander uit Athene, maar werd na afloop van den lamischen oorlog door Antipater teruggebracht. Toen Phocion veroordeeld werd, vond hij het echter geraden de stad voor goed te verlaten.

Callinicus, Kallinikos, bijnaam van Heracles, hem door Telamon gegeven toen zij te zamen Troje veroverd hadden.

Callinus, Kallinos, van Ephesus, de oudste elegische dichter der Grieken uit de eerste helft der zevende eeuw. Hij dichtte krijgsliederen.

Calliope, Kalliope, oudste der Muzen, godin der epische poëzie. Zij wordt afgebeeld met wastafeltjes in de eene en een schrijfstift in de andere hand.

Calliphon, Kalliphon, grieksch wijsgeer, die als het doel van het leven beschouwde, de vereeniging van genot en zedelijkheid. Hij leefde in de tweede eeuw en behoorde waarschijnlijk tot de peripatetische school.

Callipolis, Kallipolis, 1) stad op de Oostkust van Sicilia, nabij den Aetna, ten N. van Tauromenium.--2) stad op de thracische Chersonesus tegenover Lampsacus, thans Gallipoli. Nog meer steden droegen dezen naam. Zie ook Callium.

Callippus, Kallippos, Athener, vriend van Plato, was aanvankelijk een van de partijgenooten van Dio; later liet hij hem, steunend op de algemeene ontevredenheid met zijne regeering, verraderlijk vermoorden (353). Daarna nam hij zelf de regeering in handen, die hij echter slechts een jaar behield. Z. Dio.

Callipygus, Kallipygos, "met schoone billen", bijnaam van Aphrodite. De beelden van deze godin hadden de kleederen tot boven de heupen opgeschort.

Callirrhoë, Kallirroe, 1) dochter van Oceanus, moeder van Echidna en Geryon.--2) dochter van Achelous, z. Alcmaeon.--3) dochter van Scamandrus, moeder van Ilus. Assaracus en Ganymedes.--4) een calydonisch meisje; daar zij de liefde van Coresus, een priester van Dionysus, versmaadde, strafte deze god alle calydonische vrouwen met waanzin. Om deze ramp af te wenden moest Call. volgens een orakel door Coresus geofferd worden, doch deze doodde zichzelf in hare plaats, waarop Call. zich in eene bron stortte, die sedert haar naam droeg.--5) bron te Athene, in de nabijheid van het Olympieum, aan de overzijde van den Ilisus, die, sedert Pisistratus hier een brongebouw stichtte met 9 afzonderlijke waterkranen, ook Enneakrounos genoemd wordt. Anderen nemen aan, dat de Enneakrounos onderscheiden moet worden van de Callirrhoë, en aan de W.-zijde van de Acropolis gelegen heeft. Uit de Callirrhoë werd het water voor het bruidsbad gehaald.

Calliste, Kalliste, oude naam van het eiland Thera.

Callisthenes, Kallisthenes, 1) van Olynthus, bloedverwant van Aristoteles, die hem tegelijk met Alexander onderwijs gaf; later leefde hij te Athene, waar hij geschiedenis en natuurlijke historie beoefende. Hij voegde zich later bij Alexander op diens tocht door Azië, maar nam hem door zijne vrijmoedigheid zoo tegen zich in, dat deze hem zelfs van medeplichtigheid aan eene samenzwering betichtte en gevangen liet zetten (327) en hem v. s. liet ter dood brengen. Hij beschreef in verscheiden werken, waarvan de bekendste waren de Hellenika, de geschiedenis van zijn tijd en werd door latere schrijvers dikwijls geraadpleegd. Het eenige overgebleven werk dat zijn naam draagt, de bekende Alexanderroman, is zeker onecht.--2) atheensch redenaar van de anti-macedonische partij, die bij het einde van den heiligen oorlog (z. Phocis) maatregelen nam om de stad te verdedigen; hij was een van de redenaars, wier uitlevering door Alexander geëischt werd. Later werd hij genoemd als een van de personen, die zich door Harpalus hadden laten omkoopen.

Callisto, Kallisto, dochter van den arcadischen koning Lycaon, trouwe jachtgezellin van Artemis. Bij Zeus, die haar onder de gedaante van Artemis bezocht, werd zij moeder van Arcas, waarop zij in een berin veranderd werd, hetzij door Hera uit wraak, hetzij door Zeus om haar voor Hera te verbergen. Zie Arcas.--Ook Artemis zelve had in Arcadië den bijnaam van Callisto.

Callistratus, Kallistratos, 1) een tooneelspeler, die in de stukken van Aristophanes optrad. Onder zijn naam liet Arist. twee van zijn eerste stukken opvoeren. Vgl. Philonides.--2) van Aphidnae, een redenaar, die bij de Atheners in hoog aanzien stond en wiens roem Demosthenes bewoog zich op de studie der welsprekendheid toe te leggen. Hij was vooral werkzaam bij de organisatie van den tweeden attischen zeebond; zijne bekwaamheid als staatsman toonde hij ook in de tijden van de opkomst der thebaansche hegemonie. Als strateeg was hij in 377 de ambtgenoot van Timotheüs en Chabrias, in 373 van Chabrias en Iphicrates, ook was hij de voornaamste bewerker van den vrede, die in 371 tusschen de Atheners en Lacedaemoniërs gesloten werd. Later is hij door de Atheners ter dood veroordeeld, in ballingschap gegaan en bij zijne terugkomst ter dood gebracht (± 355).--3) leerling van Aristophanes van Byzantium, schrijver van eenige met roem genoemde werken over Homerus, Euripides, e. a. oude dichters. Hij leefde omstreeks 150.--4) sophist uit de derde eeuw na C., die in een smakeloos geschreven werk, ekphraseis, beschrijvingen gaf van eenige standbeelden.

Callistus (C. Julius), vrijgelatene van keizer Caligula, nam deel aan de samenzwering tegen hem, en was onder keizer Claudius een van de invloedrijke vrijgelatenen (a libellis). Hij was een tegenstander van Messalina. Een vermakelijk verhaal vertelt Seneca, hoe de vroegere eigenaar van Callistus, een aanzienlijk Romein, bij den nieuwen minister op audientie ging, maar aan de deur afgewezen werd.

Callium, Kallion, ook Callipolis geheeten, stad in het N. O. van Aetolia.

Calor, rivier in Samnium, waaraan Beneventum lag, zijtak van den Vulturnus.

Calpe, Kalpe, tgw. Gibraltar, kaap aan het fretum Gaditanum (straat van Gibraltar), met den tegenoverliggenden berg Abyla, de zuilen van Hercules genoemd. Beide zijn oud-phoenicische nederzettingen.

Calpurnia (lex) van 121, van den volkstribuun L. Calpurnius Bestia (Calpurnii no. 14) tot terugroeping van P. Popillius Laenas uit zijne ballingschap.

Calpurnia (lex) de repetundis van 149, van den volkstribuun L. Calpurnius Piso Frugi (Calpurnii no. 2), de eerste wet tegen afpersingen, door rom. overheden in de provinciën gepleegd. Tevens werd door deze wet de eerste quaestio perpetua ingesteld.

Calpurnia (lex) de ambitu, van den consul C. Calpurnius Piso (67), bedreigt ambitus met boete en levenslange uitsluiting van ambten. Zie ook Acilia Calpurnia (rogatio).

Calpurnii, een plebejisch geslacht, waartoe o. a. de familiën Piso, Bestia, en Bibulus behoorden. 1) C. Calpurnius Piso overwon als propraetor (185) in Hispania de Lusitaniërs en Celtiberiërs en hield in 184 een triumftocht.--2) L. Calpurnius Piso, om zijne onkreukbare rechtschapenheid Frugi bijgenaamd, volkstribuun in 149, z. Calpurnia (lex) de repetundis. In 136 streed hij als praetor, in 133 als consul zonder veel gevolg tegen de opgestane slaven op Sicilia. Hij schreef annales, die Livius nog gekend heeft, en die de rom. geschiedenis van Aeneas' aankomst in Italia tot op zijn eigen tijd behelsden.--3) L. Calpurnius Piso Frugi, zoon van no. 2, diende met eer onder zijn vader in den slavenoorlog (133), en stierf als stadhouder van Hispania (112).--4) Cn. Calpurnius Piso, aanhanger van Catilina, in 65 als quaestor pro praetore naar Hispania gezonden, werd door spaansche ruiters, die in zijn leger dienden, omgebracht (64).--5) M. Calpurnius Piso streed onder Pompeius tegen Mithradates en was in 61 consul. Hij was door zekeren Pupius geadopteerd en heette toen M. Pupius Piso Calpurnianus of M. Pupius Piso Frugi. Hij was een goed redenaar.--6) Cn. Calpurnius Piso, zoon van no. 5, was een echt republikein en streed na Caesars dood onder Brutus en Cassius. In 23 was hij consul.--7) Cn. Calpurnius Piso, zoon van no. 6, had met groote hardheid het stadhouderschap over Hispania gevoerd, en werd later (18 n. C.) door keizer Tiberius naar Syria gezonden, waar de dood van Germanicus (10 Oct. 19) op zijne rekening werd gesteld. Piso, die het bericht van Germanicus' dood te Cos ontving, keerde naar Syria terug, en wilde met geweld zich weder van de provincie meester maken. De beschuldiging, dat hij G. zou vergiftigd hebben, kon hij, voor den senaat ter verantwoording geroepen, gemakkelijk weerleggen, niet echter het feit, dat hij met geweld zich van de prov. Syria had willen meester maken. Derhalve vond men hem met afgesneden hals in zijn bed.--8) L. Calpurnius Piso Caesoninus, consul in 112, sneuvelde in 107 als legaat samen met den consul L. Cassius Longinus (Cassii no. 3) tegen de Tiguriners, een deel der Helvetiërs.--9) L. Calpurnius Piso Caesoninus, kleinzoon van no. 8, werd de schoonvader van Caesar, met wiens hulp hij in 58 consul werd. Hij was een tegenstander van Cicero, van wien nog eene redevoering in L. Pisonem bestaat.--10) L. Calpurnius Piso Frugi, een zeer rechtschapen man, praetor tegelijk met Verres, wiens tegenstander hij was. Hij was een vriend van Cicero.--11) C. Calpurnius Piso Frugi, zoon van no. 10, verloofde zich in 66 met Cicero's dochter Tullia, en ijverde in 57 voor Cicero's terugroeping. Hij stierf nog voordat Cicero uit de ballingschap teruggekeerd was.--12) C. Calpurnius Piso, smeedde eene samenzwering tegen Nero en bracht zich zelf om, toen zij ontdekt was (65 n. C.)--13) C. Calpurnius Piso Licinianus, door keizer Galba tot zijn opvolger bestemd, werd door de lijfwacht vermoord.--14) L. Calpurnius Bestia, volkstribuun in 121, z. Calpurnia (lex). In 111 was hij consul; hij voerde in Africa oorlog tegen Jugurtha, maar liet zich weldra omkoopen, en sloot een onvoordeeligen vrede met hem. Hij werd hiervoor later veroordeeld.--15) L. Calpurnius Bestia, aanhanger van Catilina en Cicero's vijand.--16) Een andere L. Calpurnius Bestia werd in 56 door Cicero verdedigd tegen eene aanklacht wegens ambitus. De oratio pro Bestia is verloren.--17) M. Calpurnius Bibulus was tegelijk met Caesar aedilis in 65, praetor in 62, consul in 59. Hij was een van de voorvechters der aristocratie, doch tegen Caesar niet opgewassen. In 51 verwierf hij zich als stadhouder van Syria grooten naam door zijn uitstekend bestuur. In den burgeroorlog voerde hij het bevel over Pompeius' vloot.--18) M. Calpurnius Bibulus, jongste zoon van no. 17, streed bij Philippi onder Brutus, was later legaat van Antonius in Syria, waar hij stierf (32).

Calumnia, het opzettelijk doen eener valsche aanklacht tegen een onschuldige. Actio calumniae is de actie, die de vrijgesproken beklaagde tegen den valschen aanklager kan instellen, iusiurandum calumniae de eed van den aanklager, dat hij werkelijk zijne tegenpartij schuldig acht en de aanklacht te goeder trouw doet. Wie van calumnia overtuigd werd, kreeg een letter (waarschijnlijk K) op het voorhoofd ingebrand, volgens eene lex Remmia, onzeker van wien en van welk jaar.

Calva, bijnaam van Venus; onder dezen naam werd haar een tempel gewijd, toen in den gallischen oorlog de rom. vrouwen zich de haren afsneden om pezen voor de bogen te laten maken. V. a. beteekent Calva de grillige of bedriegelijke.

Calvatica = Calantica.

Calvinus, familienaam in meer dan ééne gens: 1) Cn. Domitius Calvinus, tijdgenoot van Caesar, zie Domitii no. 15.--2) C. Sextius Calvinus, zie Sextii no. 3.--3) T. Veturius Calvinus, zie Veturii no. 6.--4) D. Caelius Calvinus Balbinus, zie Balbinus.

Calvisii. 1) C. Calvisius Sabinus was in den burgeroorlog legaat van Caesar en bestuurde vervolgens Africa (45). Na Caesars dood zond Antonius hem naar zijn stadhouderschap terug, doch de senaat droeg Africa op aan Q. Cornificius, zoodat Calvisius van de provincie geen bezit kon nemen. In 39 was hij consul, in 38 admiraal van de vloot van Octavianus in den oorlog tegen S. Pompeius, maar werd in 37 afgezet.--2) een andere C. Calvisius Sabinus, oud-consul, komt onder de slachtoffers van Caligula voor (39 n. C.).

Calvus, familienaam in de gens Licinia. Voor den dichter Calvus z. Licinii no. 6. Ook komt Calvus (= kaal) als agnomen nog elders voor, b.v. in de familie der Metelli (Caecilii no. 7 en 12).

Calx, de witte streep in de renbaan, die het einde van den te doorloopen afstand aanwees. Dit woord wordt veel in figuurlijke uitdrukkingen gebezigd, b.v. ad calcem pervenire = zijn doel bereiken, extra calcem excurrere = zijn doel voorbijstreven, a calce ad carceres revocari = opnieuw van voren af moeten beginnen.

Calycadnus, Kalykadnos, rivier in Cilicia bij Corycus uitmondend.

Calydnae, Kalydnai, twee eilandjes op de kust van Troas. Ook eene groep eilanden aan de kust van Caria, waarvan het grootste, Calydna, later Calymna werd geheeten en om zijn geurigen honig bekend was.

Calydnus = Calycadnus.

Calydon, Kalydon, oude stad in Aetolia aan den Euenus, het meest bekend door de mythe van het calydonische everzwijn en Meleager. Bij de rom. dichters is Calydonis = Deïanira, de dochter van koning Oeneus, Calydonius heros = Oeneus' zoon Meleager, Calydonius amnis = de Achelous, Calydonia regna = Apulia in Italia, omdat Oeneus' kleinzoon Diomedes daar een rijk stichtte.

Calydonische jacht. Bij gelegenheid van een oogstfeest had Oeneus, koning van Calydon, aan alle goden en godinnen offers gebracht, maar Artemis vergeten. Deze zond daarop een reusachtig everzwijn, dat het land verwoestte en ook voor menschen onveilig maakte. Ten einde dit monster met vereende krachten te bestrijden, riep Meleager nu de helden van Griekenland op tot eene gemeenschappelijke jacht, en onder de velen, die aan zijne uitnoodiging gehoor gaven, waren de Dioscuren, Theseus met Pirithoüs, Telamon en Peleus, Iason, Atalante, enz. De eerste wonde werd het dier toegebracht door Atalante, daarna vielen echter verscheiden helden, totdat Meleager het zwijn door een speerworp doodelijk trof, waarna de overigen het afmaakten. Aan Meleager werden als eereprijs de kop en huid toegewezen.

Calymna, zie Calydnae.

Calynda, Kalynda, stad in Caria, dicht bij Lycia.

Calypso, Kalypso, dochter van Atlas of van Oceanus of van Nereus, eene nimf die ver van goden en menschen op het eiland Ogygia in een prachtige grot woonde. Aan Odysseus, die na een schipbreuk op haar eiland landde, beloofde zij de onsterfelijkheid en eeuwige jeugd, indien hij altijd bij haar wilde blijven, en inderdaad gelukte het haar hem zeven jaar lang bij zich te houden. Maar eindelijk kregen de goden medelijden met den held, die door heimwee verteerd werd, en Hermes bracht aan Calypso het bevel hem te laten gaan. Bij Odysseus had zij twee zonen: Nausithoüs en Nausinoüs.

Camalodunum (ook Camulod. en Camald.), hoofdstad der Trinobanten en eerste rom. kolonie in Britannia, thans Colchester.

Camarina, Kamarina, stad op de Zuidkust van Sicilia, kolonie van Syracusae, gesticht in 599. Aan de eene zijde was de stad gedekt door een moeras, dat denzelfden naam droeg als de stad. Uithoofde van de ongezonde uitwasemingen wilden de inwoners dit moeras droog leggen. Zij raadpleegden echter vooraf het orakel, dat het volgende antwoord gaf: me kinei Kamarinan, akinetos gar ameinon. De raad werd in den wind geslagen, en de stad werd spoedig daarna, juist van den kant waar vroeger het moeras gelegen had, door den vijand veroverd. Vandaar het spreekwoord me kinei Kamarinan, van zaken, waaraan men niet moet roeren. De stad is verscheidene malen vernietigd, maar weder opgebouwd. In 552 door de Syracusanen, omdat de stad zich onafhankelijk wilde maken; in 492 door Hippocrates van Gela herbouwd, in 484 door Gelo opgeheven; in 461 werden de verdreven burgers teruggebracht. Tijdens den Peloponnesischen oorlog verhuisde het grootste deel van de bevolking naar Leontini. In 399 herbouwd door Timoleon, werd C. in 258 voor goed vernietigd door de Romeinen.

Cambunii montes, Kambounia ore, bergketen op de grenzen van Macedonia en Thessalia.

Cambyses, Kambyses, zoon en opvolger van Cyrus, koning van Perzië, 529-522. Terstond na het aanvaarden der regeering trok hij naar Aegypte, dat hij in 527 onderwierp; op een tocht naar Aethiopië, dien hij van hier uit ondernam, werd wel Meroë onderworpen, de eigenlijke onderneming mislukte echter door gebrek aan levensmiddelen, terwijl een groot deel van zijn leger in de libysche woestijn door watergebrek omkwam of door zandstormen bedolven werd. Hoewel hij de Aegyptenaren aanvankelijk zachtmoedig behandeld en hun godsdienst geëerbiedigd had, kwam na het mislukken van zijne onderneming tegen Aethiopië zijn achterdochtige en wreede aard boven, en maakte hem tot een dwingeland, die in Aegypte een waar schrikbewind uitoefende, in dronkenschap aanzienlijke mannen en vooral priesters liet dooden, en den godsdienst van het volk voortdurend bespotte. Op het bericht van een opstand in Perzië, waar een magiër, zich uitgevend voor Smerdis, den broeder van Camb., dien deze bij het begin zijner regeering heimelijk had laten dooden, zich van de regeering had meester gemaakt, nam hij den terugtocht aan, maar te Hamath in Syrië had hij het ongeluk zich bij het bestijgen van zijn paard met zijn eigen zwaard een doodelijke wonde toe te brengen. V. a. had hij, bij het hooren dat de omwenteling in Perzië gelukt was, zichzelven gedood.

Camenae, Casmenae, Carmenae, waarzeggende bronnimfen in Italië, later geïdentificeerd met de Muzen. Oorspronkelijk schijnen het godinnen geweest te zijn, die door het zingen van tooverformulieren het baren der vrouwen gemakkelijk maakten. De dienst der Camenae, die te Rome samen met Egeria een heilig bosch voor de Porta Capena hadden, was, naar men meende, door Euander ingevoerd.

Cameria of -rium, oude, verdwenen stad in Latium.

Camerinum, vroeger Camers, Kamarinon, machtige umbrische bergstad op de grenzen van Picenum. De inwoners heetten Camertes.

Camerinus, rom. dichter, tijdgenoot van Ovidius. Ook komt Camerinus als familienaam voor o. a. in de gens Sulpicia, klaarblijkelijk ontleend aan Cameria als plaats van afkomst.

Camers = Clusium.

Camicus, Kamikos, stad op Sicilia dicht bij Agrigentum.

Camilla, dochter van koning Metabus uit de volscische stad Privernum, door haar vader opgeleid als oorlogsheldin en jageres. Zij stond Turnus bij in den oorlog tegen Aeneas en kwam in den strijd om.

Camilli en -lae, knapen en meisjes van aanzienlijken huize, die bij godsdienstige plechtigheden den flamen Dialis en misschien ook anderen priesters ter zijde stonden.

Camillus, familienaam, zie Furii no. 9-14.

Camirus, Kameiros, dorische stad op het eiland Rhodus. Zie ook Ialysus.

Campania, Kampania, landschap van Midden-Italia, aan de Tyrrheensche zee. De naam Campania beteekent vlakte, evenals in het Fransch de naam Champagne, en de tegenwoordige Campagna di Roma. Oorspronkelijk was de naam ager Campanus. Met uitzondering van het moerassige noordwestelijke kustland was het klimaat zacht en de bodem vruchtbaar. Als oudste bewoners worden de Osci, Opikoi, genoemd, tot hen hoorden ook de Aurunci (Ausones) en de Sidicini. Dan zetten Grieken zich neer in Cumae, Dicaearchia (later Puteoli), Neapolis en Pompeii. In de zesde eeuw (± 520) werd het land vermeesterd door de Etruscers, die daar een bond van steden stichtten, waarvan Capua en Nola de voornaamste waren; doch het heerlijke klimaat en de rijke bodem maakte de veroveraars verwijfd, en zij moesten zwichten voor de Samnieten, die in het midden van de vijfde eeuw Campania veroverden (Capua viel in 443, Cumae in 421 in hun handen), en zich met de oorspronkelijke bewoners vermengden. In de vijfde en vierde eeuw dienen deze Kampanoi als huursoldaten in de grieksche legers. Aan het hoofd van iedere bondsstad staat een meddix, aan het hoofd van den bond een meddix tuticus. De voornaamste stad was Capua. Ook deze veroveraars ondergingen den invloed van het klimaat en waren op hunne beurt niet meer opgewassen tegen een aanval van andere samnietische volken, zoodat Capua zich in 338 in de armen van Rome wierp. Zóó ontstonden de rom.-samnietische oorlogen, die in 272 met de onderwerping van Samnium eindigden. Vóór dien tijd was Campania reeds geheel ingelijfd; in 318 werd de ager Falernus onder rom. burgers verdeeld; verder werden er kolonisten gebracht naar Cales (334), Suessa (313), Sinuessa (296). Als bondgenoot van Rome genoot Capua met zijne omstreken, den ager Campanus (ten Zuiden van de rivier Volturnus), groote voorrechten, doch daar het met andere campaansche steden in den tweeden punischen oorlog de partij van Hannibal had gekozen (216), werd het na de herovering (211) uiterst zwaar gestraft en van alle zelfstandigheid beroofd. Campania telde een aantal van de fraaiste en schoonst gelegen steden van Italia en was als bezaaid met lustverblijven van aanzienlijke Romeinen, vooral aan de golf van Napels, waar men o. a. de steden Baiae, Neapolis, Herculaneum, Pompeii had, te midden van een lusthof van wijnbergen, olijfboschjes en korenvelden.

Campanus morbus, hoornachtige uitwassen of groote wratten, vooral aan het voorhoofd, die, naar het schijnt, in Campania veel voorkwamen en nog voorkomen.

Campe, Kampe, een monster, dat op bevel van Uranus de Cyclopen in de onderwereld bewaakte, en later door Zeus gedood werd, toen hij die gevangenen bevrijdde.

Campi Diomedis, vlakte in Apulia tusschen Arpi en Cannae.

Campi lapidei, vlakte in den omtrek van Massilia (Marseille), met keisteenen bedekt ter grootte van een vuist. Daartusschen wies gras.

Campi macri, Makroi Kampoi, vlakte in Cisalpina tusschen Parma en Mutina (Modena).

Campi Phlegraei, vulkanische vlakte in Campania tusschen Capua en Cumae.

Campi Raudii, vlakte in Transpadana, aan den Padus (Po), bij Vercellae. Hier versloeg Marius de Cimbren, in 101.

Campus Martius, ook wel kortweg Campus, het veld, genoemd, een groot veld buiten het oude Rome tusschen den collis Quirinalis, den mons Palatinus en den Tiber. Het was aan Mars geheiligd en werd gebruikt voor openbare spelen, monstering van troepen, lichaamsoefeningen, paardrijden, volksvergaderingen (de comitia centuriata werden hier gehouden) en dgl. Het lag eerst buiten de stad, doch werd allengs met prachtige gebouwen en uitspanningsplaatsen versierd, vooral onder de regeering van Augustus, die er de 9de stadswijk of regio van maakte. Aurelianus trok het Marsveld binnen den stadsmuur.

Campus Spartarius, de vlakte bij Carthago nova (Carthagena), aldus genoemd naar het daar groeiende esparto-gras, dat de Carthagers tot scheepstouw verwerkten.

Camulodunum, zie Camalodunum.

Canabae, de burgerlijke nederzetting die zich bij elk vast Romeinsch kamp bevindt, en dikwijls, vooral aan den Rijn, tot een stad uitgroeit.

Canace, Kanake, dochter van Aeolus en Enarete, werd door Poseidon bemind en baarde hem verscheiden zonen. Toen zij echter verliefd werd op haar eigen broeder Macareus, verliet Poseidon haar en werd zij door haar vader gedood of tot zelfmoord gedwongen.

Canachus, Kanachos, van Sicyon, beroemd beeldhouwer uit de 6de eeuw, vooral zijn standbeeld van Apollo te Didyma wordt geprezen.

Canastraeum, Kanastron, kaap op Pallene, de westelijke landtong van Chalcidice.

Cancer, Karkinos, het sterrenbeeld de Kreeft; deze kreeft was door Hera onder de sterren verplaatst, omdat zij de hydra van Lerna tegen Heracles had geholpen, door dezen in den voet te bijten.

Candace, Kandake, koningin van Napata, die in 24 een inval in Aegypte deed, maar door den romeinschen stadhouder Petronius teruggeslagen werd. Zie verder Napata.

Candaules, Kandaules, de laatste lydische koning uit het geslacht der Heracliden, zie Gyges.

Candavia mons, bergstreek op de oostelijke grenzen van Illyria. De via Egnatia liep er door.

Candela, candelabrum. Voordat olielampen bekend waren, gebruikten de Romeinen kaarsen, candelae, waarvan de pit uit een bies bestond. De kandelaar heette candelabrum. Toen echter, althans in de huizen der gegoeden, de kaarsen door de lampen werden verdrongen, werden de candelabra ingericht om lampen op te zetten of aan kettinkjes op te hangen. Zij werden toen zóó hoog, dat men ze niet op tafel, maar op den grond plaatste. Deze lampenstandaards zijn in groote verscheidenheid van vorm en versiering bij opgravingen gevonden.

Candidatus. Wie te Rome naar eenig openbaar ambt wilde dingen, waarvan de begeving aan de volksvergadering stond, begaf zich naar den overheidspersoon, die de comitiën zou leiden en verzocht dezen, zijn naam op de lijst der mededingers te brengen. Deze aangifte heette nomen profiteri. De magistraat behoorde dan te onderzoeken, of de persoon, die zich aanmeldde, op dat oogenblik verkiesbaar was. Zoo ja, dan behoorde hij aan diens verzoek te voldoen, rationem eius habere. Het volk namelijk kon alleen geldige stemmen uitbrengen op hen, die op de lijst waren opgenomen. Dezen kleedden zich nu in eene toga, die in krijtwater gewasschen en dus helder wit was, toga candida, en werden hiernaar candidati genoemd, en bezochten van nu af dagelijks het forum, om zich bij de kiezers aan te bevelen. Zie ook nomenclator.

Candidatus principis. Evenals vroeger sommige ambtenaren door aanzienlijke personen werden aanbevolen, zoo placht Augustus sommige candidaten persoonlijk bij het volk aan te bevelen. Deze gewoonte werd ook door de volgende keizers in acht genomen; zij wezen dan onder de candidati enkelen aan, die moesten gekozen worden. De verkiezingen hadden sedert Tiberius in den senaat plaats. Van de quaestores wijst de keizer er twee aan, de quaestores Augusti, die geregeld candidati principis geheeten worden. Deze quaestoren waren zoo ongeveer secretarissen en adjudanten van den keizer en moesten o. a. de keizerlijke boodschappen en brieven in den senaat voorlezen.

Canephori, Kanephoroi, jonge meisjes uit de edelste familiën, die te Athene bij sommige processiën korfjes met heilige offergereedschappen, enz. op het hoofd droegen.

Canicula, zie Canis Maior.

Canidia, een tooverkol en giftmengster, die door Horatius in zijne gedichten (vooral de Epoden) bespot en aan de kaak gesteld wordt. Haar eigenlijke naam is Gratidia.

Canidius Crassus (P.), legaat van Lepidus, wist in 43 na Caesars dood het leger van Lepidus op de hand van Antonius te brengen. Later diende hij onder Antonius in Azië en in den slag bij Actium. Octavianus liet hem in Aegypte, waarheen hij gevlucht was, ter dood brengen.

Caninefates, een stam, die tot de Batavieren behoorde en aan de kust der tegenw. provincie Noord-Holland woonde, in het tegenwoordige Kennemerland. Zij namen ook deel aan den opstand onder Civilis. Zij werden niet tegelijk met de Batavieren in het rijk opgenomen, maar eerst onder keizer Tiberius onderworpen.

Caninii, plebejisch geslacht. 1) M. Caninius Rebilus was in 170 rom. gezant bij Perseus van Macedonia.--2) C. Caninius Rebilus diende onder Caesar in Gallia, in Africa, in Hispania. In 45 werd hij tot consul suffectus gekozen, juist tegen het einde van het jaar, zoodat hij nog één dag consul kon wezen. Cicero prijst daarom schertsend de waakzaamheid van Rebilus, die in zijn geheele consulaat niet geslapen had.--3) L. Caninius Gallus, volkstribuun in 56, komt als aanhanger van Pompeius voor.--4) Caninius Satrius, huisvriend van Cicero.

Canis, de vier éénen, de slechtste worp in het dobbelspel. Zie alea.

Canis Maior, Canicula, Sirius, Seirios, Kyon, het sterrenbeeld de Groote Hond, de voorbode der grootste zomerhitte; oorspronkelijk was deze hond een van de bewakers van Europa geweest, later kwam hij in handen van Cephalus en van Amphitryo (z. a.).--V. a. een hond van Orion of van Icarius.

Canis Minor, Antecanis, Prokyon, het sterrenbeeld de Kleine Hond, oorspronkelijk een van de honden van Orion, na diens dood onder de sterren geplaatst.

Cannae, Kannai, vlek in Apulia, aan den Aufidus, bekend door de vreeselijke nederlaag, die de rom. consuls C. Terentius Varro en L. Aemilius Paullus er in 216 leden. Of de slag op den noordelijken (rechter) oever of op den zuidelijken (linker) oever van den Aufidus heeft plaats gehad, daarover is men het niet eens. De rechtervleugel der Romeinen, en de linkervleugel der Carthagers sloot aan de rivier de Aufidus aan. Neemt men nu aan, dat de slag op den zuidelijken oever geleverd is, dan waren de Romeinen benedenstrooms van de Carthagers opgesteld. Plaatst men den slag op den noordelijken oever, zooals gewoonlijk geschiedt, dan komt voor het slagveld in aanmerking een veld, dat nu nog "Pezzo del Sangue" heet; de Romeinen hadden dan hun kleine legerplaats en verder de rivier in den rug. Een bezwaar tegen deze opvatting is, dat dan de Romeinen met het gezicht naar het N. staan, hetgeen met sommige berichten in strijd is.

Canobus, Kanobos, aanzienlijke, weelderige stad in de Nijldelta, aan den westelijken of canobischen hoofdmond der rivier. Vóór de stichting van Alexandria was Canobus de grootste koopstad van het westelijke deltagebied. Er was een beroemde Serapis-tempel.

Canon, Kanon, z. Alexandria no. 1 aan het slot.

Cantabri, Kantabroi, woest, oorlogzuchtig volk in Hispania, in het tegenw. Biscaye, eerst door Augustus (26-19) tot onderwerping gebracht.

Cantharus, Kantharos, drinkbeker met ooren; de beelden van Dionysus hebben meestal zulk een beker in de hand.

Cantium, gewest in het Z. O. van Britannia, thans Kent. De Cantii waren van de Britten het meest beschaafde volk.

Cantium promunturium, het zuidoostelijkste punt van Britannia, thans kaap Paperness in Kent.

Canuleia (lex), plebisciet van den volkstribuun C. Canuleius, 445. Het bepaalde, dat er conubium zou zijn tusschen patriciërs en plebejers. Een ander voorstel van denzelfden, dat één der consuls een plebejer zou kunnen zijn, werd ter zijde geschoven door de instelling van tribuni militum consulari potestate. Dit tweede wetsvoorstel is waarschijnlijk verzonnen, om de instelling van het krijgstribunaat te verklaren. Zie tribuni militum consulari potestate.

Canuleii, plebejisch geslacht. 1) C. Canuleius, volkstribuun in 445, de vader der lex Canuleia de conubio.--2) L. Canuleius Dives, praetor in Hispania in 171, vervolgde op last van den senaat eenige vorige stadhouders van dit gewest wegens afpersingen.

Canusium, Kanousion, stad in Apulia aan de via Appia nova, nabij den Aufidus, bekend door den driedaagschen strijd tusschen M. Marcellus en Hannibal (209), waaromtrent de berichten echter geen vertrouwen verdienen. De roode wol en de muilezels van C. waren beroemd. Horatius noemt de Canusiners bilingues, omdat in de stad een sterk grieksch element aanwezig was en men er dus zoowel Grieksch als Latijn sprak.

Capaneus, Kapaneus, zoon van Hipponoüs, een van de zeven vorsten die met Adrastus tegen Thebae ten strijde trokken. Om hem te straffen voor zijne overmoedige bewering, dat hij zelfs tegen den wil der goden den muur zou bestijgen, doodde Zeus hem, toen hij reeds op den stormladder stond, met den bliksem.

Capella, Capra, Aix, het sterrenbeeld de Geit, dat in het najaar met storm en onweder opkomt; oorspronkelijk de geit Amalthea, door Zeus onder de sterren geplaatst, omdat hare huid hem in den strijd tegen de Titanen tot schild gediend had.

Capena, oude stad in het Z.O. van Etruria, later rom. municipium, met een tempel en een grot van Feronia. De porta Capena te Rome voerde niet naar deze stad; ze was waarschijnlijk genoemd naar Capua, en heeft dus haar naam gekregen, toen de via Appia aangelegd is, die langs deze poort de stad verlaat. De overeenkomstige poort van Capua heet porta Romana.

Caphareus, Kaphereus, noordelijkste kaap aan de Zuidoostkust van Euboea, waar de grieksche vloot op haren terugkeer van Troje schipbreuk leed, en in 480 eene perzische vloot van 200 schepen, die Euboea wilde omvaren om de Grieken in den rug aan te vallen.

Capita aut navia, een spel, gelijk aan ons "kruis of munt", waarbij een geldstuk omhoog werd geworpen. De naam is hieraan ontleend, dat de oudste stempel van den as aan de eene zijde een Januskop, aan de andere de voorsteven van een schip was.

Capite censi. Zóó werden bij de indeeling van het rom. volk in klassen en centuriën diegenen genoemd, die òf niets bezaten òf te weinig om het bij den census in rekening te brengen en die dus alleen hun caput konden aangeven. Ze waren vrijgesteld van krijgsdienst. Zie ook proletarii.

Capitis deminutio is een vermindering van rechtspersoonlijkheid. Er waren drie graden. De cap. dem. minima had plaats, wanneer een romeinsch burger, die sui iuris was, zich tot zoon liet aannemen (arrogatio) en dus alieni iuris werd. Hij verloor dan den status familiae, daar hij ophield pater familias te zijn en als filius familias in de patria potestas van een ander trad.--De cap. dem. media sloot het verlies van het burgerrecht in zich. Zij had plaats door vrijwilligen afstand, reiectio civitatis of door aqua et igni interdictio. Een gewoon exsilium hief den status civitatis niet op, maar schorste dezen slechts. Hij die door deze deminutio getroffen was, kon door eene wet in zijne vorige rechten hersteld worden, restitutio in integrum.--De cap. dem. maxima was het verlies van den status libertatis; men werd dan slaaf. Zij werd o. a. toegepast op de incensi, d.w.z. op hen, die verzuimden zich bij de censoren aan te geven, met het doel, krijgsdienst en belasting te ontduiken, op den fur manifestus, den op heeterdaad betrapten dief, tenzij deze zich vrijkocht, op den schuldenaar (den addictus, niet den nexus, z. a.), die door zijne schuldeischers werd verkocht, in den tijd toen men nog met zijn lijf voor zijne schulden aansprakelijk was, wat in 326 door de lex Poetelia Papiria werd afgeschaft, op den veroordeelden burger, die gegrepen en ter dood gebracht werd, enz.

Capito, familienaam, zie Ateii en Fonteii.

Capitolinus, familienaam, zie Manlii no. 2, 6-10.

Capitolinus mons, een der bergen van het oude Rome. In het midden was deze berg lager dan aan de beide uiteinden. Op den Z.W. top was het Capitolium, op den N. top de arx met den tempel van Juno Moneta. Bij de derde uitbreiding der stad (zie Roma), toen de latijnsche gemeente van den Palatinus zich met de sabijnsche van den Quirinalis vereenigde, werd met het Forum ook de mons Capitolinus bij de stad getrokken en versterkt. Hij lag echter buiten het pomoerium. Op het Capitolium stond de groote driedubbele tempel van Jupiter Capitolinus, Juno en Minerva. Het was een tempel met drie cellae; die van den god was in het midden. Deze tempel werd door Tarquinius Priscus begonnen, door Tarquinius Superbus voltooid en in 509 door den consul M. Horatius Pulvillus ingewijd. Hij brandde driemaal af, in 83, 69 na C. en 80 na C., doch werd telkenmale herbouwd, de laatste maal door keizer Domitianus, die er 12000 talenten aan besteedde; z. Templum. Het Capitool was het heilige middelpunt van het rom. gebied; dáár brachten de nieuwe consuls hun eerste offer en deden geloften voor het welzijn van den staat; dáár offerde de zegepralende imperator, dáár waren de orakelboeken, de wettafels, de veroverde vaandels geborgen, enz. Behalve den reeds genoemden tempel worden op de daaromheen gelegen ruimte, area Capitolina, nog een aantal andere heiligdommen vermeld: de curia Calabra, vanwaar de pontifices maandelijks op de Kalendae den feestkalender afkondigden, de tempels of tempeltjes van Jupiter Feretrius, van Fides, Mens, Venus Erycina, Ops en andere, terwijl het aantal beelden en gedenkteekenen zóó groot was, dat het heette: in Capitolio deorum omnium simulacra colebantur. De inzinking tusschen de beide toppen wordt een asylum genoemd. Sedert 192 was hier een heiligdom van Veiovis, en aan de zijde van het forum vond men hier later het Tabularium (z. a.). Naar het Capitool voerde een oploopende weg, clivus Capitolinus, van het forum uit; doch men kon er ook van den zuidwestkant komen langs een trap, in den berg uitgehouwen en de centum gradus geheeten. Deze trap voerde naar een uitspringend gedeelte, saxum Tarpeium, of rupes Tarpeia genoemd, waar oudtijds de plebejische doodstraf werd voltrokken door de veroordeelden van de rots in eene daaronder liggende diepte te werpen.

Capitolium. Zie Capitolinus mons.

Cappadocia, Kappadokia, gewest van Asia minor. Het oudste Cappadocia strekte zich uit van den Halys tot aan Armenia langs den Pontus Euxinus. Onder het perzisch bestuur werden de landstreken Garsauritis en Cataonia er aan toegevoegd, zoodat het zich ten Z. tot aan het Taurusgebergte uitstrekte; doch daarentegen werd het noordelijke deel als afzonderlijke satrapie er af genomen, onder den naam Cappadocia ad Pontum, waaruit later het koninkrijk Pontus is ontstaan. Het binnenlandsche Cappadocia wist tijdens Alexander d. G. eene zekere onafhankelijkheid te handhaven en bleef als koninkrijk bestaan, tot het door Mithradates den Grooten, koning van Pontus, veroverd werd; doch Pompeius gaf het in 65 aan Ariobarzanes terug. Het werd nu een vasalstaat van Rome, tot Tiberius in 17 na C. er eene rom. provincie van maakte. Tot welken stam de Cappadociërs behooren, is nog niet uitgemaakt. Slechts weten we, dat reeds omstreeks 1800 de Cheta (Chatti), de Hittiten van het Oude Testament, in Cappadocië, in het tegenwoordige Boghazköi, ten O. van den Halys, het middelpunt van hun rijk hebben gehad. Het noordelijkste distrikt van C., aan de oevers van de rivieren Thermodon, Iris en Lycus, is door Assyriërs gekoloniseerd, bij de Grieksche schrijvers Syrioi of Syroi, of ook wel Leucosyriërs, Leukosyroi, genoemd, wegens hunne blanke kleur, terwijl de eigenlijke Syriërs bruin van tint waren. Aan de kust lagen vele grieksche volkplantingen, nederzettingen van Milete of faktorijen van Sinope; de voornaamste zijn van W. naar O.: Amisus, Themiscyra, Side (later Polemonium geheeten), Cotyora, twee steden Cerasus, Tripolis en Trapezus. Zie verder Pontus. Het eigenlijke Cappadocië was, evenals Armenia, een feudaalstaat. De hoofdstad was Mazaca aan den berg Argaeus; ter eere van Tiberius werd de naam veranderd in Caesarea (ad Argaeum).

Caprae of Capreae palus, de plaats op het Campus Martius, waar Romulus, terwijl hij bezig was een contio te houden, onder storm en onweer van de aarde was weggenomen (z. Quirinus). Ook later werden hier contiones gehouden.

Capraria, het geiteneiland, nabij de etruscische kust, thans Capraja.

Capreae, Kapreai, thans Capri, eil. ten Z. van den sinus Cumanus (golf v. Napels), het verblijf van keizer Tiberius in zijne laatste levensjaren. Volgens de sage is het oudtijds bewoond geweest door Teleboërs, onder koning Telon. Grieken uit Cumae hebben het gekoloniseerd, en tot diep in den keizertijd sprak de bevolking Grieksch.

Capricornus, Caper, Aigokeros, Pan, het sterrenbeeld de Steenbok, voorbode van storm, oorspronkelijk een afstammeling van Aegipan met horens, bokkepooten en een vischstaart, die met Zeus opgevoed was en hem later in den strijd tegen de Titanen hielp door in een schelp te blazen en zulk een vreeselijk geraas te maken, dat de vijanden verschrikt op de vlucht gingen.

Caprotina, Capratina, bijnaam van Juno, waaronder zij te Falerii e.e. vereerd werd. Te harer eere vierden de vrouwen op den 7den Juli (Nonae Caprotinae, ancillarum feriae) een feest, waaraan ook de slavinnen deelnamen, die zich daarbij vele vrijheden veroorloofden. Ter verklaring van dit feest dient het volgende verhaal, dat aan een fabula praetexta ontleend is: Kort na den gallischen oorlog trokken de Latijnen tegen de Romeinen op en eischten van hen vrouwen ten huwelijk. De Romeinen zonden hun slavinnen als vrije vrouwen gekleed, die nu de vijanden bij een feestmaal dronken maakten en daarna van den top van een wilden vijgeboom (Caprificus) een teeken gaven, waarop de Romeinen de legerplaats overvielen en de vijanden doodden.

Capsa, stad in Numidia midden in eene zandwoestijn. Hier waren Jugurtha's schatten geborgen. De plaats werd door Marius verwoest, doch later herbouwd en behoorde sedert tot Byzacium.

Capua, Kapye, vroeger Vulturnum geheeten, voornaamste stad van Campania. Door de Samnieten bedreigd, onderwierp het zich aan Rome (zie Campania). De burgers kregen toen de civitas sine suffragio, terwijl een gedeelte der rechtspraak in handen kwam van de praefecti Capuam Cumas (sedert 318). Na den slag bij Cannae (216) verbond het zich met Hannibal, doch werd na de inname (211) door de Romeinen bloedig gestraft. Zeventig der aanzienlijkste burgers werden ter dood gebracht, honderden in de gevangenis geworpen of als slaven verkocht, een deel der bevolking werd over andere steden verdeeld, en alle rechten en vrijheden aan de stad ontnomen. Het gemeentebestuur werd opgeheven, het grondgebied verbeurd verklaard; op het land langs zee werden twee col. civium Romanorum, Volturnum en Liternum, gesticht, het andere land, de ager Campanus (zie Agrariae leges) tot 59 geregeld verpacht. Door haar gunstige ligging bleef de stad een van de bloeiendste en grootste steden van Italië. Sedert 58 had zij weer een gemeentebestuur.

Caput is de rechtspersoonlijkheid van den rom. burger (zie capitis deminutio). Deze beteekenis heeft dit woord ook in de uitdrukking capite of capitis damnari.

Capys, 1) grootvader van Aeneas (z. Aeneas).--2) tochtgenoot van Aeneas, volgens de sage stichter van Capua.

Caracalla (M. Aurelius Antoninus Bassianus), sedert zijn benoeming tot Caesar in 196 n. C. ook M. Aurelius Antoninus geheeten, zoon van keizer Septimius Severus en Julia Domna, volgde met zijn broeder P. Septimius Antoninus Geta zijn vader in 211 op. Het leger had beide broeders slechts te zamen als keizers willen erkennen, hoewel reeds bij huns vaders leven een doodelijke haat tusschen hen heerschte. In 212 stak Caracalla zijn broeder in de armen hunner moeder dood, en veroordeelde den beroemden rechtsgeleerde Papinianus, die zijne afkeuring te kennen gaf, ook ter dood. Vervolgens trok hij op dolzinnige wijze het rijk door, hier oorlogende (z. Alemanni), daar zijn eigen onderdanen uitplunderende, tot hij eindelijk in 217 door zijn praefectus praetorio Macrinus te Edessa in Mesopotamia werd omgebracht. Caracalla gaf in 212 aan het geheele rijk het burgerrecht, ten einde ook in de provinciën de vicesima hereditatum, een successierecht van 5 pct., te kunnen innen en aldus de ontvangsten der keizerlijke schatkist te verhoogen. De bijnaam Caracalla is ontleend aan het kleedingstuk van dien naam, een gallischen mantel, dien de keizer droeg. Door Caracalla zijn de beroemde Thermae Antoninianae aangelegd, waarvan nog belangrijke ruïnen over zijn (zie Thermae).

Caractacus, een dapper vorst der Silures in Britannia, zoon van koning Cunobelinus, voerde oorlog met de Romeinen, en werd door de met hen bevriende Cartismandua, koningin der Brigantes, aan hen uitgeleverd. Keizer Claudius liet hem naar Rome voeren, doch schonk hem toen de vrijheid terug, 51 na C.

Caralis, Karalis, thans Cagliari, hoofdstad van het eiland Sardinia, aan den Zuidkant gelegen.

Carambis, Karambis, stad en kaap in Paphlagonia.

Caranus, Karanos, 1) Heraclide uit Argos, die omstreeks 750 met eene argivische kolonie Edessa innam en de stichter van het macedonische rijk werd; de latere koningen van dit rijk noemden hem hun stamvader.--2) zoon van Philippus en Cleopatra, die door Olympias gedood werd.--3) veldheer van Alexander in den oorlog tegen Perzië.

Caratacus = Caractacus.

Carausius, door Diocletianus belast met eene vloot de gallische kust tegen frankische en saksische zeeroovers te verdedigen, voer naar Britannia en liet zich daar tot Augustus uitroepen, 286 na C. Hij handhaafde zich, tot hij in 293 vermoord werd.

Carbatinae of Carpatinae, Karbatinai, Karpatinai, grove schoenen, uit één stuk leder vervaardigd en met kruisbanden om het been bevestigd.

Carbo, familienaam in de gens Papiria. Zie Papirii no. 11-14.

Carcaso, stad van de Volcae Tectosages in Gallia Narbonensis, thans Carcassonne.

Carcer. De carcer Mamertinus, te Rome aan het forum gelegen, bestond uit drie verdiepingen, waarvan slechts ééne boven den beganen grond was. Hier werden de licht gestrafte gevangenen in hechtenis gehouden (custodia communis). De middelste verdieping was een onderaardsch gewelf, waartoe slechts eene opening in de zoldering toegang verleende en waarin men geketend de zware gevangenisstraf onderging (custodia arcta). Daaronder lag een nog afgrijselijker kerkerhol, evenzeer alleen met eene opening van boven, waarin de doodstraf werd voltrokken. Dit gedeelte, dat het oudste was, werd ook Tullianum geheeten, omdat het vroeger gediend had als vergaarbak voor het water, dat daar uit de rotsen zijpelde. Dáár stierf Jugurtha den hongerdood. Daar werden ook Lentulus (Cornelii no. 48) en de 4 andere Catilinarii gewurgd. Ook in andere plaatsen schijnen de kerkers op deze wijze ingericht geweest te zijn; althans in dien van Herculaneum heeft men de sporen van twee ondergrondsche verdiepingen ontdekt.

Carceres, de stallen aan den ingang van den circus, waarin de wagenmenners, op de bespannen wagens staande, het sein tot den wedren afwachtten. Figuurlijk beteekent carceres ook het begin van iemands loopbaan: a carceribus = van den beginne af. Zie ook calx.

Carcinus, Karkinos, van Agrigentum, vestigde zich te Athene als treurspeldichter; zijne werken vonden echter evenmin bijval als die van zijne vier zonen. Zijn kleinzoon, de jongere Carcinus, leefde langen tijd aan het hof van Dionysius van Syracusae; met zijne 160 stukken behaalde hij elf maal een prijs.

Cardamyle, Kardamyle, 1º. stad aan de Oostzijde van de golf van Messene.--2º. stad in het N. van Chius.

Cardea, Carda, eene nimf die door Janus bemind werd, en door hem tot godin der deurhengsels, dus ook van huis en huisgezin, verheven werd. Ook beschermde zij kleine kinderen tegen den invloed van booze geesten.

Cardia, Kardia, stad van de thracische Chersonesus, aan den sinus Melas, kolonie van de Milesiërs, geboorteplaats van koning Eumenes. De bewoners werden met die van Pactye in 309/308 door Lysimachus naar zijn nieuwe hoofdstad Lysimachia (z. a.) overgebracht.

Cardo. De deuren der rom. huizen hingen niet in scharnieren, maar draaiden op uitstekende pennen, die in bussen sloten, welke in den boven- en den onderdorpel van het deurkozijn waren ingelaten. Deze pennen heetten cardines.--Cardo heet ook de lijn, die de augur bij het nemen der auspiciën van het N. naar het Z. trok. Zie auguria. De Rom. hadden ook eene godin der deurhengsels, Cardea.

Carduchi, Kardouchoi, thans Koerden, een machtig en krijgshaftig armenisch bergvolk, in welks bergen de Perzen zich niet waagden, toen de 10000 Grieken er binnentrokken.

Carfulenus (D.), rom. senator, aanhanger van Caesar en tegenstander van Antonius; hij streed samen met Pansa in den mutinensischen oorlog bij Forum Gallorum tegen Antonius; of hij, zooals het eerste bericht luidde, daar gesneuveld is, is niet zeker.

Caria, het zuidwestelijkste landschap van Klein-Azië, aan de kust bezet met grieksche volkplantingen, waarvan Halicarnassus en Cnidus de voornaamste waren. De Cariërs hadden oudtijds een groot gedeelte der eilanden van de Aegaeïsche zee in bezit en dreven zeeroof, totdat zij door de Grieken en vooral door koning Minos van Creta uit de eilandzee verdreven werden. Zij bleven echter een ruw, roofziek volk, wel geschikt voor huursoldaten, doch omkoopbaar. De Kares, Kretes, en Kappadokes werden door de Grieken ta tria Kappa kakista genoemd. De Westkust van Caria is bezet met ionische koloniën, waarvan Priene en Miletus de voornaamste zijn en Iassus de zuidelijkste is: de Zuidwestkust en de vóórliggende eilanden hebben een dorische bevolking. In de 4de eeuw maakte Mausolus, de vorst van Carië, zich onafhankelijk van Perzië, en verlegde zijne residentie van Mylasa naar Halicarnassus (z.a.).

Carinae, voorname wijk te Rome, tusschen den mons Esquilinus en den mons Caelius.

Carinus (M. Aurelius), keizer van Rome, 283-285 na C., zoon en opvolger van Carus. Hij was om zijne buitensporigheden en wreedheid gehaat en werd vermoord, na de nederlaag, die hij Diocletianus in Moesia toegebracht had.

Caristia (Charistia) of Cara Cognatio. Op den 22sten Februari, den dag na de feesten der Feralia (z. a.) of Parentalia, vierde men te Rome dit familiefeest, waarbij de bloedverwanten voor een feestmaaltijd bijeenkwamen.

Carmania, Karmania, thans Kerman, perzisch gewest aan de Perzische golf. Herodotus noemt de bewoners Germanioi.

Carmelus, Karmelos, thans Carmel = wijnberg, gebergte en kaap op de kust van Palaestina ten Z. van Ace (Ptolemaïs). Ook de hoogste top van den Antilibanus droeg dezen naam.

Carmenta, eene van de Camenae, moeder van Euander, wien zij de toekomstige grootheid van Rome voorspelde. Zij had een heiligdom aan de Porta Carmentalis, bloedige offers werden haar niet gebracht, en het was verboden iets van leder in den tempel te brengen. Op haar feest, de Carmentalia (11 en 15 Januari), werd zij als beschermster van barende vrouwen onder de namen Postvorta en Antevorta, Porrima of Prorsa aangeroepen.

Carmentalis (porta), poort te Rome aan den voet van den mons Capitolinus. Door den rechter doorgang (dexter Janus) van deze poort zijn de Fabii uitgetrokken naar de Cremera. Daarom gebruikte men dezen doorgang niet, en heet de poort scelerata.

Carmo of Carmona, stad in Baetica tusschen Hispalis (Sevilla) en Astigi.

Carna, eene godin, aan wie als doodenoffer boonenmeel geofferd werd op den 1sten Juni, die daarnaar Kalendae Fabariae genoemd wordt. Het feest heette Carnaria. Zie omtrent de andere doodenfeesten onder Lemures.

Carnabon, koning der Geten. Toen Triptolemus in zijn rijk kwam om er den landbouw in te voeren, behandelde C. hem vijandig en doodde hij een van zijne draken. Daarom veranderde Demeter hem in een slang.

Carneades, Karneades, van Cyrene, 213-129, stichter der derde of nieuwe academie en hevig bestrijder der stoicijnsche leer, waarvan hij vroeger een aanhanger was geweest. Volgens hem kan men door zinnelijke waarneming slechts waarschijnlijkheid, nooit waarheid, bereiken, en moesten dus de kenmerken der waarheid elders gezocht worden. In 155 werd hij met Critolaus en Diogenes door de Atheners naar Rome gezonden, om vrijstelling van eene opgelegde boete te vragen, en zijne scherpzinnigheid en welsprekendheid vond ook bij de Romeinen grooten bijval.

Carneus, Karneios, bijnaam van Apollo, onder welken hij bij verscheiden dorische stammen vereerd werd. De Spartanen geloofden, dat zij door dezen god naar de Peloponnesus teruggebracht waren en vierden ter herinnering daaraan jaarlijks in de maand Carneus (Aug.-Sept.) een groot feest (Karneia), waarbij zij steeds gewapend waren en over het geheel het leven in den oorlog nagebootst werd.

Carni, Karnoi, keltisch bergvolk in den N. O. hoek van Cisalpina, aan de Carnische Alpen. In hun gebied lagen de steden Julium Carnicum, Tergeste en Aquileia.

Carnifex of carnufex, de scherprechter, een servus publicus, die de doodstraf aan vreemdelingen en slaven voltrok. Aan rom. burgers werd deze straf voltrokken door een lictor.

Carnuntum, Karnous, Karnouton, aan den Donau, in Pannonia, belangrijk als vesting, garnizoensplaats en ligplaats der Donau-vloot.

Carnutes of Carnuti, machtige stam in het hart van Gallia, met de hoofdstad Genabum of Cenabum, het tgw. Orléans, z. Aureliani civitas. In het gebied der Carnuten hielden de Druïden jaarlijks hunne plechtige rechtszitting.

Carocotinum, z. Caletes.

Carpates of Alpes Bastarnicae, thans Karpathen.

Carpathus, Karpathos, eiland in de daarnaar genoemde Carpathische zee tusschen Creta en Rhodus. De zeegod Proteus hield daar verblijf en wordt bij dichters wel Carpathius vates genoemd.

Carpentum, een tweewielig rijtuig met een kap of huif voorzien. Een carpentum funebre was een tweewielige, rondom gesloten lijkwagen.

Carpesii of Carpetani, Karpetanoi, machtig volk in Hispania Tarraconensis, met de hoofdstad Toletum (Toledo).

Carpi, dacische volksstam tusschen den Donau en het westelijke gedeelte der Karpathen, die naar dit volk genoemd zijn. In de 3de eeuw n. C. treden ze meestal op aan den Beneden-Donau, en verwoesten vaak in vereeniging met de Gothen Moesia en Thracië.

Carrae of Carrhae, Karrai, in het O. T. Charan of Haran, stad in Mesopotamia, waar Crassus tegen de Parthen sneuvelde (53).

Carrinas, plebejische familie. 1) C. Carrinas komt in den eersten burgeroorlog 83/82 als een van de aanvoerders der Mariani voor. Na den slag bij de porta Collina (Nov.82) werd hij gevangen genomen en op last van Sulla ter dood gebracht.--2) C. Carrinas, consul in 43, zoon van no. 1, komt in den tweeden burgeroorlog als aanhanger van Caesar voor; later is hij een aanhanger van Octavianus, en voert o. a. oorlog tegen S. Pompeius (36); als proconsul van Gallië onderwerpt hij in 30 de Morini.--3) Carrinas Secundus, rhetor door Caligula in 39 n. C. verbannen, pleegde zelfmoord in de ballingschap te Athene, omdat hij niet in zijn levensonderhoud kon voorzien.--4) C. Carrinas Secundus, zoon van no. 3, werd in 64 n. C. door Nero uitgezonden, om in Griekenland geld in te zamelen.

Carroballista, ballista of blijde op twee wielen en door paarden getrokken.

Carruca, vierwielig staatsierijtuig, ook wel als reisrijtuig gebruikt (fr. carrosse).

Carseoli of Carsioli, stad in het land der Aequi, sedert 298 latijnsche kolonie.

Carsulae, stad in het Zuiden van Umbria bij Ameria.

Carsus, Karsos, riviertje in het O. van Cilicië, bij de Syrische poorten, tusschen Issi (Issus) en Myriandus.

Carteia, Karteia, belangrijke phoenicische volksplanting nabij het fretum Gaditanum of Herculis (straat van Gibraltar), sedert 171 lat. kolonie. Bij Carteia versloeg Caesar in 45 de broeders Sextus en Cn. Pompeius.

Carthaea, Karthaia, stad aan de Z.-zijde van het eiland Ceos.

Carthago, Karchedon = Nieuwstad, 1) de beroemde stad in Africa, die met Rome de punische oorlogen (z. a.) heeft gevoerd. De stad was ± 800 door tyrische uitgewekenen gesticht, volgens de sage onder aanvoering van Dido of Elissa, zuster van den dwingeland Pygmalion. De stad lag op een schiereiland, door eene niet breede landengte met het vasteland verbonden. Zij had twee havens; de grootste diende voor de handelsvloot, de andere, Kothon (= beker) geheeten, was de oorlogshaven, door 220 scheepskappen omringd. De acropolis der stad heette Byrsa, Byrsa (= burcht), en lag op een heuvel van 60 meter hoog. Op den top stond de prachtige tempel van Esmûn of Aesculapius. Aan den burg sloten zich de muren der zoogenaamde oude stad aan, 50 voet hoog en 30 voet breed, verdiepingsgewijze gebouwd, zoodat beneden stalling voor 300 olifanten, daar boven voor 4000 paarden was, en wederom hierboven ruimte voor de soldaten. De hoofdstraten liepen recht op den burg aan en hadden hooge huizen, tot zelfs van zes verdiepingen. Later werd ook de meer noordelijk gelegen voorstad, Megara, Magalia (= hoogte) of Neapolis geheeten, binnen de muren getrokken, en dit gedeelte werd het fraaiste en rijkste der stad, met tempels en prachtige lustverblijven voorzien. Eene waterleiding, 13 uur gaans lang, voorzag Carthago van water. Tot aan de 5de eeuw was het vastelandsgebied van Carthago zeer klein. Eerst in de 5de eeuw onderwerpt en onderdrukt het de omliggende libysche stammen, en verkrijgt het de heerschappij over alle phoenicische nederzettingen en faktorijen in het Westen. Het heeft verscheidene malen getracht Sicilië te veroveren; de eerste poging mislukte in 480 (slag bij de Himera); dan volgen de veldtochten van 409-404, waarbij Selinus en Himera te gronde gegaan zijn. Dan volgen de oorlogen met Dionysius en de andere tyrannen van Syracusae, en eindelijk de oorlogen met Rome, die aan haar bestaan een einde hebben gemaakt.--Na de verwoesting in 146 bleef de stad in puin liggen, tot C. Sempronius Gracchus er in 121 de colonia Junonia stichtte; deze werd het volgend jaar weer opgeheven, maar de coloni mochten blijven wonen. Daarop heeft Caesar in 44 er eene nieuwe kolonie Carthago gesticht, die in 29 door Augustus versterkt is. Daarnaast bestond een punische stad Carthago, met een afzonderlijk gemeentebestuur, tot nog onder Augustus beide steden samengroeiden. Dit nieuwe Carthago, Colonia Iulia Carthago, ontwikkelde zich snel en werd nog grooter dan het oude, zoodat het na Rome en Constantinopel de meest bevolkte stad van het rijk werd. In 439 na C. werd het de hoofdstad der Vandalen, en na den val van het vandaalsche rijk weder de residentie der oost-rom. stadhouders. De regeeringsvorm van het oude punische Carthago, dat eenmaal 700000 inwoners telde, was oligarchisch. Aan het hoofd der zaken stond een senaat, terwijl de uitvoerende macht aan twee suffeten of rechters was opgedragen. Volksvergaderingen werden alleen in hoogen nood bijeengeroepen.--2) Carthago in Hispania, tot onderscheiding dikwijls Carthago nova genoemd, thans Carthagena, was ± 228 gesticht door Hasdrubal en werd in 209 door Scipio, den lateren Africanus maior, veroverd en tot rom. kolonie gemaakt. In de nabijheid lag de Campus Spartarius.

Cartismandua, koningin der Brigantes in Britannia, die Caractacus aan de Romeinen overleverde.

Carus (M. Aurelius), bevelhebber der praetorianen onder keizer Probus, werd na diens dood in 282 na C. door de troepen tot keizer uitgeroepen en verhief toen zijne beide zoons Carinus en Numerianus tot Caesars. Hij was een bekwaam veldheer. Op een tocht tegen de Perzen in 283 werd hij òf door den bliksem getroffen òf door Aper, den bevelhebber zijner lijfwacht, vermoord.

Carventum, oude stad in Latium, met een sterk kasteel. De stad was oorspronkelijk één van de 30 gemeenten van den albaanschen bond (zie Albenses), en later één van de leden van den ouden latijnschen bond, waarvan Aricia en Tusculum de leiding hadden.

Carvilii, 1) Sp. Carvilius Maximus, consul in 293 en 272, overwon de Samnieten in 293, de Lucaniërs en Tarentijnen in 272 en hield twee triumftochten. Van den op de Samnieten behaalden buit bouwde hij een tempel voor de godin Fortuna.--2) Sp. Carvilius Maximus was consul in 234 en 228 en zegevierde over de Corsen en Sarden. Hij was ook augur.

Caryae, Karyai, stad in Laconica, door de Spartanen aan de Arcadiërs ontnomen en bekend door een tempel van Artemis Caryatis, wier priesteressen, Caryatides genaamd, eigenaardige dansen uitvoerden.

Caryanda, Karyanda, kuststad van Caria.

Caryatides, Karyatides, 1) zie Caryae.--2) zuilen in den vorm van vrouwenbeelden, die op het hoofd een kapiteel droegen, waarop de balken rustten. De Caryatiden van het Erechtheion op de Acropolis te Athenae worden gewoonlijk Korai genoemd.

Carystus, Karystos, stad der Dryopes in het Z. van Euboea, beroemd door haar voortreffelijken wijn en door eene groene marmersoort.

Casca, familie in de gens Servilia. Z. Servilii no. 22.

Cascellius (A.), uitstekend jurist in den eersten tijd van Augustus' regeering en voorstander der republiek.

Casilinum, stad van Campania op beide oevers van den Volturnus gelegen, verdedigde zich met heldenmoed tegen Hannibal, totdat de honger zóó nijpend werd, dat de verdedigers zelfs het leder hunner schilden als voedsel trachtten te gebruiken. Eindelijk (215) viel het Hannibal in handen. Later rom. kolonie.

Casinum, volscische stad in Latium, aan de via Latina; op den berg daarboven ligt het beroemde klooster Monte Cassino.

Casiotis, Kasiotis, streek tusschen Arabia en Aegyptus, nabij Pelusium, met het graf van Pompeius.

Casius, Kasion oros, 1) berg in Casiotis.--2) gebergte aan de kust van Syria, ten Z. van Antiochia.

Casmena, Kasmene, stad op Sicilia, kolonie van Syracusae, ligging onzeker.

Casperia, oud stadje der Sabijnen.

Caspiae portae, Kaspiai pylai, bergpas ten Z. der Caspische zee, ten O. der stad Rhagae, in het N. van Media. De pas, die 8000 schreden lang en niet breed was, was door de Perzen met ijzeren poorten gesloten en werd door wachtposten bewaakt. Deze pas was van groot belang, omdat de verbindingsweg tusschen het N.W. en het N.O. van het perzische rijk er door liep.

Caspii, Kaspioi, volksstam aan de Westkust der Caspische zee, ten N. van den Cyrus. Ook meer in het algemeen de kustbewoners dezer zee.

Caspii montes, Kaspia ore, een deel van den Caucasus, tusschen Colchis en de Caspische zee.

Caspium mare, he Kaspia thalatta, de Caspische zee. Het zuidelijk deel heet Hyrcanum mare. Omtrent de ware ligging en de grootte dezer zee heerschten bij de ouden zeer uiteenloopende meeningen. Enkelen hielden haar zelfs voor een golf van den Oceaan.

Cassander, Kassandros, oudste zoon van Antipater, geb. omstreeks 350. Kort voor den dood van Alexander werd hij door zijn vader naar Azië gezonden, waar hij tot 319 bleef; toen keerde hij naar Europa terug om zich van het regentschap meester te maken, dat Antipater bij zijn sterven aan den ouden Polyperchon had opgedragen. Door de hulp van Ptolemaeus en Antigonus gelukte het hem vasten voet in Griekenland te krijgen; daarop deed hij een inval in Macedonië, wist het leger van Polyperchon afvallig te maken, liet Olympias, die met dezen verbonden was, dooden, hield Roxane met haar zoontje gevangen en huwde met Thessalonice, de zuster van Alexander. Na dien tijd voerde hij, met Ptolemaeus e. a. veldheeren van Alexander verbonden, bijna voortdurend oorlog tegen Antigonus, die hem belette zich van Griekenland meester te maken; hij had in dien oorlog echter weinig geluk en werd zelfs in Macedonië door Demetrius aangevallen, totdat de slag bij Ipsus (301) hem van dezen lastigen vijand bevrijdde. De vrouw en kinderen van Alexander had hij reeds vroeger laten vermoorden, en toen hem nu bij de nieuwe verdeeling der provinciën Macedonië toegewezen werd, kon hij zich tot aan zijn dood (296) ongestoord in het bezit ervan handhaven. In 306 had hij in navolging van Antigonus den titel van koning aangenomen.

Cassandra, Kassandra, of Alexandra, de schoonste van Priamus' dochters. Apollo verleende haar uit liefde het vermogen de toekomst te voorspellen, maar daar zijne liefde onbeantwoord bleef, wreekte hij zich door te veroorzaken, dat men haar algemeen voor krankzinnig hield en niemand hare voorspellingen geloofde. Bij de verovering van Troje zocht zij bescherming in den tempel van Athena, maar Aiax, de zoon van Oileus, die haar daar vond, onteerde en mishandelde haar. Bij de verdeeling van den buit werd zij aan Agamemnon toegewezen, die haar naar Mycenae medenam; na zijn dood werd zij met hare beide kinderen ook vermoord. Cass. had te Leuctra in Laconica een tempel, haar graf was te Mycenae of te Amyclae.

Cassandrea, Kassandreia, het vroegere Potidaea, door Philippus van Macedonia verwoest, door Cassander herbouwd.

Cassia (lex) agraria, van den consul Sp. Cassius Viscellinus, 468, zie Agrariae leges.

Cassia (lex) de senatu, van den volkstribuun L. Cassius Longinus, 104, dat zij, die door het volk veroordeeld of van hun imperium ontzet waren, geen zitting mochten hebben in den senaat.

Cassia (lex) tabellaria, van den volkstribuun L. Cassius Longinus, 137. Door deze wet werd de geheime stemming ingevoerd bij de iudicia populi, behalve in zaken van perduellio. Zie Tabellariae leges.

Cassia Terentia (lex) frumentaria van de consuls C. Cassius Longinus (Cassii no. 7) en M. Terentius Varro Lucullus, 73, tot herstel der korenuitdeelingen, die door Sulla waren opgeheven. Zie annona.

Cassia (via), van Rome over Clusium en Arretium naar Florentia. Van hier gaat een andere weg over de Apennijnen naar Bononia.

Cassii, 1) Sp. Cassius Viscellinus, voor zoover bekend de éénige patriciër onder de Cassii, was in 502 consul en hield als zoodanig een triumftocht over de Sabijnen. In 501 (v.a. 498) was hij magister equitum onder den eersten dictator, T. Larcius Flavus. Toen hij in 493 ten tweeden male consul was, hielp hij, volgens de traditie, de verzoening tot stand brengen tusschen de patriciërs en de uitgeweken plebejers. Hij heeft in dat jaar ook den tempel van Ceres, Liber en Libera in Aventino (z. Ceres) gewijd. Hij heeft toen ook het bondsverdrag met de Latijnen tot stand gebracht. In 486 was hij ten derden male consul en stelde toen de lex Cassia agraria voor, volgens welke de tot ager publicus gemaakte grond der Hernici zou verdeeld worden onder de behoeftige plebejers en de latijnsche bondgenooten. Deze laatste bijvoeging ontstemde de plebs, en het viel den adel niet moeielijk, Cassius verdacht te maken van naar het koningschap te streven; hij werd ter dood veroordeeld en van de Tarpejische rots geworpen, of volgens eene andere overlevering door zijn eigen vader ter dood gebracht. Het verhaal omtrent de akkerwet is onhistorisch, en is afkomstig uit den tijd na C. Gracchus (123-121) en M. Drusus (91). Vast staat alleen het feit, dat Cassius wegens het streven naar de heerschappij ter dood gebracht, en zijn huis afgebroken werd. De latere plebejische Cassii zijn als cliënten te beschouwen van de vroegere patricische gens Cassia.--2) Q. Cassius Longinus bracht als praetor in 167 koning Perseus als gevangene naar de bergvesting Alba Fucentia. Hij stierf als consul in 164.--3) L. Cassius Longinus, kleinzoon van no. 2, bracht in 111 als praetor koning Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome als getuige in zake de gepleegde omkoopingen. Als consul sneuvelde hij in 107 in Aquitanië tegen de Cimbren en de Helvetiërs (de Tigurini).--4) L. Cassius Longinus Ravilla (= grijsoog), volkstribuun in 137, was de vader der lex Cassia tabellaria. Hij was censor in 125. Als rechter was hij zeer gevreesd, en bekend om zijn: "Cui bono?"--5) L. Cassius Longinus, zoon van no. 4, kenmerkte zich als tegenstander der optimaten en bracht o. a. in 104 als volkstribuun de lex Cassia de senatu tot stand.--6) C. Cassius Longinus was consul in 171 en censor in 155/4, en wilde een vast theater bouwen; doch P. Scipio Nasica, die in 155 consul was, belette dit, en een senaatsbesluit van 154 verbood zelfs, de tooneelstukken anders dan staande te aanschouwen.--7) C. Cassius Longinus, consul in 73, hernieuwde de door Sulla gestaakte korenuitdeelingen (lex Cassia Terentia frumentaria). In den zwaardvechtersoorlog werd hij in 72 door Spartacus verslagen.--8) C. Cassius Longinus was quaestor van Crassus, toen deze in 53 tegen de Parthen omkwam, en redde door zijn beleid het overschot van het leger. Hij verdedigde Syria tegen de Parthen en bracht hun in 51 eene groote nederlaag toe. In den strijd tusschen Caesar en Pompeius koos hij de partij van den laatsten en versloeg zelfs Caesars vloot bij Sicilia; doch na den slag bij Pharsalus verzoende hij zich met Caesar, die hem tot zijn legaat aanstelde, zonder hem echter een commando te geven, en hem in 44 de praetuur verschafte. Niettemin stelde Cassius zich met M. Junius Brutus aan het hoofd der samenzwering, die aan Caesar het leven kostte. Uit de briefwisseling tusschen Cicero en Cassius maakt men op, dat Cicero op de stemming van Cassius, en dus indirekt ook op het moordplan invloed heeft geoefend. Hierop vertrok hij naar de provincie Syria, hem door Caesar voor het volgende jaar toegezegd, verdreef den stadhouder Dolabella, aan wien de senaat Syria had toegewezen, nam bloedige wraak op de aanhangers van Caesar in Asia en trok, met Brutus vereenigd, naar Macedonia, waar beiden, na de nederlaag van Philippi (herfst van 42), zich om het leven lieten brengen. Juist zijn samengaan met den onbeduidenden Brutus schijnt zijn verderf geworden te zijn. Zie Junii no. 9.--9) Q. Cassius Longinus, berucht door zijne afpersingen in Hispania als legaat van Pompeius (54), was een der beide volkstribunen (de andere was Antonius), die 7 Jan. 49 uit Rome naar Caesar vluchtten. Caesar nam hem mede naar Hispania en liet hem daar achter als propraetor van H. ulterior, waar echter zijne willekeur een oproer onder het leger verwekte. Toen hij nu met zijne geroofde schatten naar Italië wilde oversteken, leed hij aan den mond van den Iberus schipbreuk en kwam om (begin 47). Hij heeft door zijn optreden Caesar's zaak zeer benadeeld, en den grond gelegd voor den opstand der Pompeiani, die in den slag bij Munda onderdrukt werd (45).--10) L. Cassius Longinus, broeder van no. 8, was legatus van Caesar in den oorlog tegen Pompeius, doch als broeder van den moordenaar van Caesar was hij bij Antonius verdacht. Deze belette hem dus het bezoek van de senaatszitting van 28 Nov. 44, waarin A. tegen Octavianus wilde optreden. Hij ging in 43 naar Azië, maar nam geen deel aan den oorlog, zoodat A. hem in 41 toestond in het vaderland terug te keeren.--11) L. Cassius Longinus, zoon van no. 10, sneuvelde bij Philippi in het leger van zijn oom.--12) L. Cassius Longinus, Cicero's mededinger naar het consulaat en deelgenoot van Catilina's samenzwering.--13) C. Cassius Parmensis (van Parma), een der deelnemers aan Caesars moord, vervolgens legaat van no. 8, vereenigde zich na den slag bij Philippi met Sex. Pompeius, ging na diens dood tot Antonius over en werd na den slag bij Actium op last van Octavianus ter dood gebracht. Hij schreef treurspelen en epigrammen.--14) C. Cassius Longinus, proconsul van Asia 40-41 n. C., stadhouder van Syria onder keizer Claudius tusschen 44 en 49, werd in 65 door Nero verbannen, omdat hij in zijn huis de beeltenis van no. 8 had. Vespasianus riep hem terug. Hij had grooten naam als rechtsgeleerde.--15) C. Cassius Chaerea, krijgstribuun bij de praetorianen onder Caligula en door dezen beleedigd, was het hoofd der saamgezworenen, die in 41 na C. den keizer om het leven brachten. De nieuwe keizer Claudius liet Chaerea terstond ter dood brengen.--16) L. Cassius Hemina, annalenschrijver omstreeks 150, schreef, naar het voorbeeld van Cato, in het Latijn.--17) T. Cassius Severus, redenaar van grooten naam onder de eerste twee keizers.--18) Cassius Avidius of Avidius Cassius, waarschijnlijk uit Syria afkomstig, streed onder Marcus Aurelius en L. Verus met veel beleid en geluk tegen de Parthen en elders. Hij veroverde in 163 n. C. Edessa, en joeg de Parthen over den Tigris terug, en zuidelijk trekkende veroverde en verwoestte hij Seleucia en Ctesiphon (164), maar moest later, door honger en pest gedwongen, terugkeeren. In 175 wierp hij zich zelf tot keizer op, doch werd drie maanden later door een zijner onderbevelhebbers vermoord.--19) Cassius Dio, geschiedschrijver, zie Dio Cassius.

Cassiope, -opea, -epea, Kassiepeia, -opeia, -ope, 1) moeder van Andromeda (z.a.). Zij werd met haar echtgenoot en dochter onder de sterren opgenomen.--2) stad en kaap aan de N. O. punt van Corcyra.

Cassis, 1) oorspronkelijk de helm van metaal in tegenstelling van den lederen helm, galea. Later evenwel werd de naam galea voor alle soorten van helmen gebezigd. Nevenvorm is cassida.--2) een jachtnet.

Cassiterides insulae, Kassiterides nesoi, de Scilly-eilanden ten Z. W. van Britannia. Hierheen brachten de inboorlingen van Cornwallis in met leer overtrokken booten het engelsche tin en lood, dat ze tegen aarde- en koperwerk en zout vooral aan de inwoners van Tartessus verkochten.

Cassivelaunus, aanvoerder der Britten tijdens de tweede landing van Caesar in Britannia.

Cassotis, Kassotis, bron in den delphischen tempel, zie Delphi. Ook de nimf van die bron.

Castalia, Kastalia, bron op den Parnassus, aan Apollo en de Muzen gewijd; wie van het water uit deze bron dronk, werd met dichterlijke geestdrift vervuld; ook werd het voor reinigingen, enz. in den delphischen tempel gebruikt.--Den naam Castalia had deze bron naar eene nimf, die er in gesprongen was, daar zij de liefde van Apollo niet beantwoordde en aan zijne vervolgingen niet konde ontkomen.

Castalides, Kastalides, de Muzen, zoo genoemd naar de bron Castalia.

Castellum, fort of kleine vesting. In den keizertijd zijn het de kleine wachtposten aan de grenzen, waarover sedert de 3de eeuw de grenssoldaten (de latere milites limitanei) verdeeld werden. Zie verder vicus no. 3. Castellum aquae, reservoir bij eene waterleiding, dikwijls een sierlijk gebouwde en met beeldwerk en zuilen versierde soort van watertoren, vanwaar het water dan naar verschillende fonteinen en gebouwen werd geleid.

Castolus, Kastolos, vermoedelijk eene stad in Lydia, in de nabijheid van Sardes, met eene vlakte, die tot verzamelplaats der troepen diende.

Castor, Kastor, 1) z. Dioscuri.--2) schoonzoon van Deiotarus, schreef een vervolg op de Chronika van Apollodorus (no. 1), dat tot het jaar 61 liep.

Castra. Als regel gold bij de Romeinen, dat een leger in den oorlog des nachts altijd door een wal en een droge gracht moest beschermd zijn. Wanneer voor de legerplaats eene geschikte plaats was uitgekozen, werd door een metator het kamp met vaantjes uitgebakend en hierop togen de soldaten aan den arbeid, om eene gracht te graven, waarvan de aarde naar binnen werd opgeworpen tot een wal. Volgens de beschrijving, die wij ervan hebben, bood een kamp in de dagen der republiek plaats aan voor twee legioenen met de daarbij behoorende socii. Het vormde een vierkant, zooals de teekening op de vorige pagina te aanschouwen geeft. De wal had vier poorten: 1 porta praetoria, waardoor het leger uittrok, in de naar den vijand toegekeerde zijde, 2 porta decumana aan de achterzijde der legerplaats, 3 porta principalis sinistra, 4 porta principalis dextra. De weg a a, die deze beide uitgangen verbond, heette via principalis, waarschijnlijk omdat ze liep langs het principium, het achterste gedeelte van het kamp, waar het praetorium enz. stond, terwijl de weg b b, die achter de vijfde manipels heen liep, den naam van via quintana droeg. Dit wordt duidelijker door bijgaande schets, waarin een gedeelte der legerplaats grooter is voorgesteld, en waarin tevens de rangschikking der verschillende wapens is aangegeven. Van het praetorium (P), het kwartier van den veldheer, liep de via decumana of praetoria (c c) naar de porta praetoria. Naast het praetorium had men aan de eene zijde het quaestorium (Q) met de tent van den quaestor en, voorzoover noodig, de bergplaatsen van proviand enz., en aan den anderen kant het forum (F). Om het praetorium, quaestorium en forum heen stonden de tenten van de tribuni militum en de praefecti sociorum (5), die der uitgelezen infanterie (6) en cavalerie (7) en vrijwilligers, evocati et selecti pedites et equites, en de keurbenden, onder den naam van extraordinarii pedites et equites uit de contingenten der bondgenooten uitgekozen (8), alsmede de auxilia van vreemde volken, wanneer deze aanwezig waren. Binnen den wal bleef een weg open van 200 voet breedte (intervallum) ten einde den vijand te beletten, door het werpen van brandbare stoffen het kamp in brand te steken. De wal was dikwijls met palissaden voorzien. In de winterkwartieren, hiberna (sc. castra) werden de tenten door houten barakken vervangen.--Het legerkamp van den keizerstijd was bestemd voor drie legioenen met de daarbij behoorende auxilia en de keizerlijke garde (cohortes praetoriae). Het praetorium bevindt zich nu in het midden van het kamp, met het front naar de via principalis, die nu dichter bij de porta praetoria ligt. De via quintana loopt nu achter het praetorium, evenwijdig met de via principalis. Rechts en links van de veldheerstent, op de latera praetorii, kampeeren de staf en de staftroepen (cohortes praetoriae); het voorgedeelte van het kamp, door de via praetoria in tweeën gedeeld, heet praetentura, het achtergedeelte retentura.

Castra, naam van onderscheidene plaatsen, die uit legerkampen zijn ontstaan, doordat zich in de nabijheid van het vaste kamp eene stad of een dorp vormde. Castra Cornelia (Corneliana) in het oude carthaagsche gebied, de landingsplaats van Scipio Africanus maior, waar hij in den winter van 204-203 zijn kamp had, nabij Utica. Castra Batava, aan de samenvloeiing van den Danubius en den Aenus (Inn), thans Passau. Castra Hannibalis, stad in het land der Bruttii aan de O.-kust, nabij Scyllaceum. Castra Herculis, in de Betuwe, Kesteren. Castra Pyrrhi, aan den Aous, in het landschap Triphylia, in het N. van Epirus. Castra Regina, in Raetia, tgw. Regensburg. Castra Vetera, in Belgica, nabij den Rijn; de naam leeft voort in den naam van het dorp Birten tegenover Wesel. Uit de nederzetting bij Castra Vetera (de Canabae z. a.) ontstond een stad, die door Traianus onder de koloniën werd opgenomen, Col. Ulpia Traiana, hoofdplaats van het land der Cugerni, die daarnaar vaak Traianenses heeten. In de 4de eeuw n. C. heet de plaats Tricesima of Tricesimae, tegenwoordig Xanten a/Rhein. De uitgangen -cester, -chester bij vele plaatsen in Engeland zijn verbasteringen van castra of van castrum.

Castra praetoria, vaste legerplaats der praetoriaansche garde, in 23 n. C., onder de regeering van Tiberius, buiten de porta Viminalis gebouwd door den praefectus praetorio Aelius Seianus.

Castrum, sterkte, kasteel. Zie vicus no. 3. Ook een aantal steden droegen dezen naam. Castrum Inui, zie Inui castrum. Castrum novum, naam van twee rom. koloniën, de eene op de kust van Etruria, tusschen Centumcellae en Pyrgi, de andere op die van Picenum, in het land der Praetutii. Castrum Verginum (Bergium), in het land der Bergistani (z. a.).

Castulo, Kastalon, bloeiende stad der Oretani in Hispania, aan den bovenloop van den Baetis (Guadalquivir). In den omtrek waren zilvermijnen. De saltus Castulonensis maakte een deel uit der tegenw. Sierra Morena.

Casystes, Kasystes, haven van Erythrae in Ionia.

Catabathmus, Katabathmos, bergstreek en dal aan de kust van Afrika, de grens vormende tusschen Cyrenaïca en Aegyptus.

Catabothra, ta Katabothra, onderaardsche afwateringskanalen van een meer, zooals bij het meer Copaïs in Boeotia, waar men bij lagen waterstand zich zelfs een eind ver in de afvoerwegen kon begeven.

Catadromus, katadromos, schuin gespannen koord, waarlangs koorddansers op- en afliepen.

Catadupa, ta Katadoupa, de watervallen van den Nijl aan de aethiopische grenzen.

Catagogia, Katagogia, feest ter eere van Aphrodite op den berg Eryx gevierd, wanneer de godin met hare gewijde duiven van haar jaarlijksche reis naar Libye terugkeerde. Vgl. anagogia.

Catalauni, thans Châlons-sur-Marne, in Gallia, bekend door de nederlaag van Attila in 451 na C.

Catamitus = Ganymedes.

Catana, Katane, thans Catania, kolonie van Chalcis, omstreeks 725 aan den voet van den Aetna gesticht. Door de vruchtbaarheid van den bodem steeg de stad spoedig tot een hoogen trap van bloei, totdat Hiero van Syracuse ze in 476 veroverde en de bewoners naar Leontini overbracht, terwijl hij daarentegen Catana weder bevolkte met 5000 Syracusanen en 5000 Peloponnesiërs, en den naam der stad in Aetna veranderde. Na Hiero's dood (461) hernamen de Cataniërs hunne stad; de door hen verjaagde bewoners verhuisden naar Inessa, dat voortaan Aetna heet. De Cataniërs moesten echter opnieuw zwichten voor Dionysius (403) en later nogmaals voor Agathocles. In den eersten punischen oorlog viel de stad in handen der Rom. Sedert Augustus, die er kolonisten heenvoerde, is het naast Messana de belangrijkste stad van Sicilië.

Cataonia, Kataonia, Z.O. gedeelte van Cappadocia, met verscheidene bergvestingen, zeer vruchtbaar.

Cataphractus, kataphraktos, ruiter, wiens lichaam en paard met een schubbenpantser bedekt waren.

Catapulta, katapeltes, soort van geschut waarmede men zware werpspiezen en steenen slingerde.

Catarractes of -ta, Katarraktes, ook met één r geschreven, rivier in Pamphylia, die met donderend geraas zich boven van de rotsen in zee stort. Ook wordt het woord gebezigd van watervallen in een stroom, vooral van de watervallen in den Nijl. Het woord kan ook een stuw in een rivier of een valdeur in eene vestingpoort beteekenen.

Catasta, verbastering van katastasis, schavot of planken verhevenheid tot tepronkstelling van misdadigers of tentoonstelling van slaven ten verkoop.

Cateia, een lange, dunne keltische werpspies, waaraan een riem bevestigd was, waarmede men de spies na den worp weer naar zich toe kon trekken.

Catervarii, zwaardvechters, die niet twee aan twee, maar bij afdeelingen tegen elkander streden.

Cathaei, Kathaioi, indisch volk, waartegen Alexander de Groote streed, ten O. van den Acesines.

Catharsius, Katharsios, de reinigende, bijnaam van Zeus.

Cathedra, kathedra, stoel met rugleuning, doch zonder armleuningen, voornamelijk in gebruik bij de vrouwen en bij de leeraars in philosophie, rhetorica en dgl. Vandaar ons woord katheder.

Catilina, familienaam in de gens Sergia. Zie Sergii no. 5.

Catilius Severus (L.), staatsman onder keizer Hadrianus, viel in ongenade, omdat hij zich tegen de adoptio van Antoninus Pius verklaarde (138 n. C.). Hij was toen praefectus urbi.

Catillum of -lus, soort van korenmolen. Het graan werd bovenin gestort en viel dan tusschen het binnenste en den mantel. Door nu den mantel rond te draaien, wreef men de korrels fijn tot meel.

Catil(l)us, zie Tiburtus.

Catina = Catana.

Catius, een Insubriër uit Ticinum, epicureïsch wijsgeer uit Cicero's tijd.

Cato, familienaam in de gens Porcia. Zie ook Valerii no. 37.

Catreus, Creteus, Katreus, Kreteus, zoon van Minos en Pasiphaë, vader van Althaemenes (z.a.), Aërope, Clymene en Apemosyne.

Catti of Chatti, Chattoi, germaansche stam, Hatten of Hessen, tot de groep der Herminonen behoorende. Hunne hoofdstad was Mattium. Zij wisten tegen de Romeinen hunne vrijheid te handhaven en wonnen zeer in macht na den val der Cheruscers. Een afdeeling van hen vormden de aan de Romeinen onderworpen Mattiaci (z. a.).

Catullus, rom. dichter. Zie Valerii no. 38.

Catulus, familienaam in de gens Lutatia.

Caturiges, volk in Narbonensis in het bovendal van de Druentia (Durance). Hoofdst. Eburodunum, thans Embrun.

Caucasa, ta Kaukasa, stad in het Z. van Chius.

Caucasus, Kaukasos, thans het kaukasisch gebergte, bij de ouden slechts zeer onvolkomen bekend. De Caucasiae portae, Kaukasiai pylai, waren een bergpas tusschen ontzaggelijke rotsen, door eene onneembare vesting gedekt. Het is waarschijnlijk dezelfde pas als de Sarmaticae portae (z.a.). De mythe laat hier, op bevel van Zeus, Prometheus door Hephaestus aan een rots vastklinken, daar bij de oudste Grieken de Caucasus voor een van de eindpalen der wereld gold. Zijn toppen reikten tot aan den hemel.

Caucasus Indicus, thans Hindoe-koh, uit den latijnschen of griekschen naam verbasterd. Door een misverstand gaf het leger van Alexander dezen naam aan den Paropanisus.

Cauchi = Chauci.

Caucones, Kaukones, oud pelasgisch volk, later verdwenen, in Griekenland (Triphylia en Elis) en Klein-Azië (Bithynië). De aziatische komen bij Homerus als bondgenooten der Trojanen voor.

Caudex = Codex.

Caudicaria navis, platboomd vaartuig, zolderschuit, lichter, uit ruwe planken getimmerd, die o. a. gebezigd werden om koren van Ostia naar Rome te vervoeren.

Caudium, oude stad in Samnium aan de via Appia nova. In de nabijheid, tusschen Calatia en Caudium, lag de bergpas, furculae Caudinae, waar in 321 de consuls T. Veturius Calvinus en Sp. Postumius Albinus door de Samnieten werden ingesloten.

Caulon of Caulonia, Kaulonia, stad aan de Oostkust van het land der Bruttii gelegen, zuidelijkste der achaeische koloniën, òf van uit het moederland, òf door Croton gekoloniseerd. Het was reeds vroeg een bloeiende stad en één van de steunpunten der Pythagoreërs. In 389 werd het door Dionysius den Grooten gesloopt, en de bewoners naar Syracusae overgebracht. Weldra werd het weer opgebouwd, en later in den oorlog met Pyrrhus door campaansche troepen ingenomen. De stad is vroeg vervallen. De meening van sommige grieksche geleerden, dat het oudtijds Aulon of Aulonia geheeten heeft, wordt door de munten weerlegd.

Caunus, Kaunos, ongezond gelegen stad in het Z. van Caria, geboorteplaats van den schilder Protogenes (± 315). De stad dreef grooten handel in gedroogde vijgen, cauneae.

Caupona, kapeleion. In de steden en langs de groote wegen vond men oudtijds wel herbergen en logementen, ook deversoria genoemd, doch deze waren meestal slecht en vuil, dikwijls vol ongedierte, en voor lieden van aanzien niet geschikt. Tegen het einde van de republiek werden ze echter ook door rijkere menschen bezocht. Ook wordt caupona gebruikt voor herbergen en kroegen, waar men wijn en dranken en soms ook eetwaren verkocht; in dat geval heeten ze vaak popinae.

Caurus = Corus.

Causia, kausia, breedgerande hoed van macedonischen oorsprong.

Cautio, elke handeling, hetzij borgstelling, pandgeving, schuldbekentenis, kwitantie of belofte, waardoor men iemand een waarborg geeft tegen mogelijke schade. Cautio de dolo, de gewaarborgde verzekering dat men geen kwaad in den zin heeft.

Cayster of -trus, Kaystros, rivier van Klein-Azië, die voorbij Ephesus in de Aegaeische zee valt, en beroemd was door de talrijke zwanenvluchten, die er zich ophielden.

Cavari (Cavares), volksstam in Gallia Narbonensis, aan den linkeroever van de Rhône, tusschen de Druentia (Durance) en Isara (Isère).

Cavarinus, senonisch Galliër, door Caesar tot koning over de Senones aangesteld, maar door zijne landslieden weder verdreven (54).

Cavaedium, cavum aedium, het holle van het huis, nl. de binnenplaats van een rom. heerenhuis, waarop verschillende vertrekken uitkwamen. Met de toeneming der weelde evenwel werd het cavaedium allengs herschapen in eene binnenzaal op de wijze van het atrium, met dakopening en regenvanger, maar ruimer dan het atrium, en in het midden met bloemen en beelden versierd.

Cavea, in het algemeen een kooi (kevie), traliewerk, afrastering, meer in het bizonder de ruimte, die in amphitheater, circus of theater voor de toeschouwers was bestemd. Zij was in drie rangen verdeeld: ima, media en summa cavea. Zie ook balteus.

Cea, latijnsche naam voor het eiland Ceos.

Ceadas, Keadas, Kaiadas, een afgrond te Sparta, waarin misdadigers (later hunne lijken) geworpen werden.

Cebenna mons, to Kemmenon oros, het woeste gebergte der Cévennes, in Gallia.

Cebes, Kebes, van Thebe, leerling van Socrates. Denzelfden naam draagt de schrijver van een wijsgeerig gesprek, Pinax, bevattende een allegorisch tafereel van het menschelijk leven, dat uit de 1ste eeuw na C. dateert.

Cebren, Kebren, riviertje en stad in Troas aan den Ida, tusschen Scepsis en Neandria.

Cebrenis, Kebrenis, Oenone, dochter van den riviergod Cebren.

Cebriones, Kebriones, zoon van Priamus en eene slavin, wagenmenner van Hector, viel door de hand van Patroclus.

Cecides, Kekeides, van Hermione, dithyrambendichter uit de eerste helft van de vijfde eeuw.

Cecropia, Kekropia, oude naam der acropolis van Athenae, bij dichters ook de stad zelve.

Cecropides, Kekropides, Theseus, afstammeling van Cecrops. Ook in het algemeen, vooral in het meervoud, = Athener.

Cecropis, Kekropis, 1) Agraulus, de dochter, en Procne en Philomela, de kleindochters van Cecrops.--2) = Attica.--3) een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Cecrops, Kekrops, een attisch autochthoon of pelasgisch koning van Attica, stichter der atheensche acropolis, die, evenals het geheele land, naar hem Cecropia genoemd wordt. Hij verdeelde het volk in twaalf gemeenten, en was de grondlegger van beschaving en zachtere zeden door het afschaffen van menschenoffers, het instellen van verschillende godsdienstplechtigheden, enz. In den wedstrijd tusschen Poseidon en Athena (z. a.) werd hij v. s. tot rechter verkozen. Hij was de vader van Erisychthon, Agraulus, Herse en Pandrosus. Als mythisch wezen wordt hij soms voorgesteld als half mensch, half draak (geminus, diphyes), lateren daarentegen maakten van hem een Aegyptenaar, die uit Sais eene volkplanting naar Attica gebracht zou hebben.

Cecryphalea, Kekryphaleia, eilandje in de Saronische golf, tot Argolis behoorende.

Cedalio, Kedalion, dienaar van Hephaestus.

Cedides, Kedeides = Cecides.

Cedreae, Kedreai, of Kedreiai, stad in Caria aan de Ceramische golf.

Cedrus, kedros, 1) de cederboom.--2) de olie of harst, die uit cederhout werd getrokken door het bij het vuur te leggen. Met deze cederolie wreef men de buitenbladen der boekrollen in, om ze te vrijwaren tegen mot.

Celaenae, Kelainai, bloeiende stad in het Z. van Groot Phrygia, aan de bronnen van den Maeander en den Marsyas. In Xenophons tijd was er een paleis van den perzischen koning, een van den satraap en een jachtpark. Hier behoort de mythe van Marsyas te huis.

Celaeno, Kelaino, eene van de Harpyiën.

Celeia, aanzienlijke rom. kolonie in Noricum, tusschen den Dravus (Drau) en den Savus (Sau).

Celelates, ligurisch volk ten Z. van den Padus (Po).

Celeres, oudste naam der ruiterij bij het rom. leger, volgens het verhaal ten getale van 300 door Romulus ingesteld. Ze werden aangevoerd door 3 tribuni celerum. Z. verder equites.

Celetrum, Keletron, stad in het macedonische landschap Orestis.

Celeüs, Keleos, koning van Eleusis, die Demeter gastvrij ontving toen zij hare dochter daar kwam zoeken; hij was haar eerste priester te Eleusis en genoot zelf na zijn dood goddelijke eer. Hij was de vader van Demophon en Triptolemus.

Cella. Onder dezen naam verstaat men vooreerst allerlei soorten van kelders en bergplaatsen (cella frumentaria, olearia, vinaria). In de tweede plaats zijn cellae kleine, meest gewelfde, kamertjes of cellen, die tot slaapvertrekjes dienden voor de slaven, in herbergen ook voor reizigers, enz.; zij hadden geen andere opening dan den ingang. Ten derde komen de badkamers in de huizen enkele malen onder den naam cella voor, b.v. cella caldaria = caldarium, enz. Ten vierde is cella het inwendige van een tempel, het tempelruim, waar het beeld der godheid stond.--Onder frumentum in cellam verstaat men het koren, dat de stadhouder voor zich en zijn gevolg noodig had en dat de landbouwers hem tegen een vastgestelden prijs in magazijn moesten leveren.

Celox, keles, keletion, snelvarend schip met eene sterke bemanning roeiers en daarom ook zeer geschikt voor zeeroof.

Celsus, 1) Celsus Albinovanus, lierdichter en vriend van Horatius.--2) A. Cornelius Celsus, geneesheer onder de eerste keizers, was de schrijver van eene encyclopaedie de artibus in 20 boeken, waarvan nog 8 de medicina bestaan.--3) P. Iuventius Celsus, vader en zoon, waren beroemde rechtsgeleerden onder Vespasianus en Hadrianus.--4) Celsus, schrijver van den alethes logos (± 180 n. C.) de eerste, zeer belangrijke, bestrijding in het Grieksch van het Christendom. De tekst is grootendeels bewaard gebleven door het geschrift van Origenes, waarin hij Celsus wederlegt (248 n. C.).

Celtae, Keltoi, machtige volksstam, die in ouden tijd het grootste gedeelte van Midden-Europa bewoonde. Vooral woonden zij onder den naam van Galli, Galatai, in Gallia. De Kelten of Galliërs schijnen echter zeer treklustig geweest te zijn; er worden verscheidene zwerftochten van hen vermeld. Men vond er in Hispania, in Britannia, in Cisalpina, in Macedonia, in Asia (waar zij genoodzaakt werden in het naar hen genoemde landschap Galatia vaste woonplaatsen te kiezen). De groote volksverhuizing drong hen naar de kuststreken. Zij waren forsche en gespierde menschen, blond of rossig van haar. De tegenw. bevolking van Wales, de Hooglanden van Schotland, Ierland, Bretagne en de baskische gewesten is nog grootendeels van keltischen oorsprong. Bij grieksche schrijvers staat Keltoi vaak voor Germani, tegenover Galatai = Galli.

Celtiberi, Keltiberes, dapper en vrijheidslievend volk, half van keltischen, half van iberischen stam, in Hispania, op de waterscheiding tusschen den Oceaan en de Middellandsche zee. Eerst steunden zij de Romeinen in den strijd tegen de Carthagers; vervolgens verweerden zij zich dapper tegen Rome, tot met den dood van Sertorius in 72 hunne kracht gebroken was. Numantia (bellum Numantinum 143-133) was een hunner steden.

Cena, zie Coena.

Cenabum of Genabum, het tgw. Orléans, z. Aureliani civitas.

Cenaculum, de bovenverdieping van het huis, oorspronkelijk voor den maaltijd gebruikt, zie Coena.

Cenaeum, Kenaion akron, kaap op Euboea tegenover de Thermopylae, met een tempel van Zeus.

Cenchreae, Kenchreai, een der drie havens van Corinthus, aan de Saronische golf.

Cenomani, Kenomanoi, keltische volksstam, die zich in de vijfde eeuw in Cisalpina vestigde in de omstreken van Mantua en Verona. Een ander gedeelte van den stam woonde in Gallia Lugdunensis, ten Noorden van de Loire, zie Aulerci.

Cenotaphium, Kenotaphion, ook wel tumulus honorarius of inanis, grafheuvel of graftombe zonder lijk, ter eere van iemand, wiens lijk men niet had kunnen vinden of die elders was begraven.

Censor. Vóór 445 werd de census te Rome door de consuls gehouden, waarbij dan het lot besliste, wie van beiden na afloop daarvan het plechtige reinigingsoffer of lustrum houden zou. Toen nu evenwel in 445 ten gevolge van het canuleïsche wetsontwerp (zie Canuleia (lex)) besloten werd, aan den drang der plebejers om aandeel in het consulaat tijdelijk te gemoet te komen door de verkiezing van tribuni militum consulari potestate, zonder onderscheid van stand promiscue e patribus et plebe, wierpen de patriciërs het bezwaar op, dat wellicht het lot een plebejer tot het houden van het lustrum zou aanwijzen, en wisten hierdoor de instelling van een nieuw patricisch ambt, dat der censoren, te verkrijgen. Waarschijnlijker is het dat de instelling der censuur noodzakelijk was geworden wegens de steeds vermeerderende ambtsbezigheden der consuls, die dit werk in één jaar niet konden voltooien, en dus het lustrum condere aan hun opvolgers moesten overlaten. Misschien ook is de censuur eerst toen ingesteld, en dateert de klassenindeeling van Servius Tullius eerst van dezen tijd. De eerste censoren (443) waren L. Papirius Mugillanus en L. Sempronius Atratinus. Eerst in 351 komt C. Marcius Rutilus als de eerste plebejische censor voor. In 339 bepaalde de lex Publilia van den dictator Q. Publilius Philo, dat één der censoren uit de plebs moest worden gekozen, waarna in 131 voor de eerste maal twee plebejische censoren voorkomen, Q. Caecilius Metellus Macedonicus en Q. Pompeius. Oorspronkelijk was de duur van het censorsambt vijf jaar; doch reeds in 434 werd het door de lex Aemilia van den dictator Mam. Aemilius Mamercinus tot 1 1/2 jaar beperkt, zoodat de staat dan 3 1/2 jaar zonder censoren was. Waarschijnlijker is het echter dat deze wet den oorspronkelijk éénjarigen ambtstijd, wegens de vele werkzaamheden aan den census verbonden, tot anderhalf jaar verlengde. Meestal koos men tot deze waardigheid oud-consuls. Onmiddellijk na de verkiezing, die plaats had in comitiis centuriatis, aanvaardden de censoren hun ambt, maar hadden voor het uitoefenen daarvan behalve de gewone rechten der potestas nog een bijzondere bevoegdheid noodig, de censoria potestas, die hun door een lex centuriata de censoria potestate werd verleend. Tot de werkzaamheden der censoren behoorde in de eerste plaats het houden van den census (z. a.) met het daaraan verbonden lustrum (z. a.), vervolgens het opmaken der senatorenlijst voor de eerstvolgende vijf jaar, waarbij zij degenen, die door hen onwaardig werden geacht, uit den senaat konden verwijderen. In de derde plaats behoorde er toe de verpachting van tollen en andere indirecte belastingen (vectigalia publica fruenda locare of vendere), de aanbesteding van openbare werken (opera locare), en de regeling der door elken burger te betalen belasting. Het meest gevreesd waren de censoren om hun toezicht op de zeden, regimen morum. Dikwijls trokken zij streng te velde tegen al wat naar weelde of overdaad zweemde. Zij konden den burgers hun stemrecht ontnemen (zie aerarii), ridders van de ridderlijsten schrappen (zie equites). Zulk eene vernedering en openbare berisping heette nota of animadversio censoria en de daaruit voortvloeiende schande was ignominia. Sulla, die den senaat onafhankelijk van alle ander gezag wilde maken, hief de censuur op, doch toen kwam de schandelijke omkoopbaarheid van tal van senatoren zóó sterk aan het licht, dat men de censuur terug verlangde. In 70 werd zij hersteld, doch de tijden waren er niet meer naar, om het zedenmeesterschap uit te oefenen. De volkstribuun P. Clodius Pulcher bewerkte in 58 door eene wet, dat de censoren niemand meer uit den senaat mochten stooten, die niet formeel door hen was aangeklaagd en door beiden schuldig bevonden was. Onder Augustus werden nog éénmaal censoren gekozen en vervolgens ging de censoria potestas op den princeps over.

Censorinus, familienaam in de gens Marcia, z. Marcii no. 8-10.

Censorinus, rom. taalgeleerde van omstreeks 240 na C., van wien nog een werk de die natali bestaat, waarin hij vooral over den invloed van sterren en geesten op 's menschen geboorte en levenslot handelt. Het werk berust op goede bronnen.

Census. Bij den census moest ieder burger zich bij de censoren aangeven, die hiertoe in de villa publica op den Campus Martius zitting hielden. Bij deze aangifte gaf men onder eede (ex animi sententia) zijn eigen naam, dien van zijn vader, zijn vrouw en kinderen, zijn ouderdom en vermogen op, en hiernaar werd men in de classis ingeschreven, waartoe men behoorde. Ten opzichte van het vermogen moeten wij hier aanstippen, dat de censoren alleen datgene belastbaar achtten, wat men ex iure Quiritium bezat; de ager publicus die slechts in possessione was, en het grondbezit in de provinciën werd niet ingeschreven. Wie verzuimde zich als burger aan te geven, was incensus; de straf was verlies der vrijheid, dus capitis deminutio maxima. Nadat de aangiften waren afgeloopen, moesten de scribae der censoren de verschillende burgerlijsten opmaken: 1º. de lijsten van de leden der tribus, met een lijst der aerarii (z. a.) als aanhangsel. 2º. de lijsten van de leden der centuriae. 3º. de lijsten der belastingplichtigen, z. hieromtrent tributum, orbi et orbae en tribuni aerarii en verder: aerarii. 4º. de lijsten der dienstplichtigen uit de klassen, mannen van 17 tot 46 jaar, tabulae iuniorum, die elk jaar werden bijgewerkt. Wegens verwaarloozing van huiselijke en zedelijke plichten konden de censoren de burgers straffen door hen uit eene tribus rustica in eene tribus urbana over te brengen of wel hen tot aerarii (z. a.) te maken. Met den census ging ook de lectio senatus voor het volgend vijfjarig tijdperk gepaard, en de herziening der ridderlijsten, recognitio equitum, zie equites. Een plechtig offer (zie lustrum) besloot den census.

Centauri, Kentauroi, een woest ruitervolk, dat in de bergen van Thessalië woonde, en door de Lapithen deels uitgeroeid, deels naar de grenzen van Epirus verjaagd werd. Later stelde men zich voor dat zij half menschen, half paarden waren (Hippocentauri), en dat zij afstamden van Centaurus, den zoon van Ixion (z. a.) en eene wolk. Hun strijd met de Lapithen, die met de volkomen nederlaag der Centauren eindigde, was ontstaan doordat zij, als gasten op de bruiloft van Pirithoüs, zich aan de bruid durfden vergrijpen.--Ook in Arcadië woonden Centauren, die door Heracles gedood of verjaagd werden, omdat zij hem een vat wijn wilden ontnemen, dat Bacchus voor hem bestemd had. Zie ook Pholus en Chiron.

Centimani, Ekatoncheires, drie reuzen met honderd armen, Aegaeon, Cottus en Gyes, zonen van Uranus en Gaea. Door hun vader in den Tartarus opgesloten, werden zij door Zeus verlost om hem in den strijd tegen de Titanen te helpen, en brachten zij veel bij tot zijne overwinning. De overwonnen Titanen werden nu in hun plaats naar den Tartarus verbannen en onder hunne bewaking gesteld.

Centrites, Kentrites, zijtak van den Tigris en grensrivier tusschen Armenia en het land der Carduchen.

Centrones, min juiste lezing voor Ceutrones.

Centumcellae, thans Cività Vecchia, havenstad in Zuid-Etruria, waar Traianus eene villa had.

Centum gradus, een van de opgangen naar het Capitolium, aan de Zuidwestzijde, dicht bij de Tarpejische rots.

Centumviri, een rechterlijk collegie, dat ongeveer in het midden van de 2de eeuw te Rome is ingesteld, dat uit vaste leden bestond en recht sprak in processen over quiritarischen eigendom, vooral in erfeniskwestiën. De leden, 105 in getal, 3 uit elke tribus, werden waarschijnlijk oudtijds door den praetor urbanus gekozen, later, toen het getal tot 180 steeg, uit een album door loting aangewezen, en spraken recht in naam van het volk. Zij waren in decuriën verdeeld. Voorzitters waren de praetor urbanus, later oud-quaestoren en sedert Augustus de decemviri stlitibus iudicandis.

Centuria. In de eerste plaats zijn centuriae de onderafdeelingen, waarin de verschillende klassen der burgers, met het oog op de legerindeeling, verdeeld waren volgens de regeling, die op naam van koning Servius Tullius staat. Uit de rijksten der eerste of hoogste klasse werden 18 centuriën ridders gekozen, elke van 100 man. Hiertoe werd sedert de censuur van App. Claudius (312) een in den census aangegeven vermogen van 400000 as gevorderd. De overige burgers der eerste klasse met een vermogen van ten minste 100000 as, waren in 80 centuriën verdeeld en wel 40 centuriae iuniorum (onder 45 jaar) en 40 centuriae seniorum (boven 45 jaar). De tweede klasse (75000-100000 as) telde 10 centuriae iuniorum en 10 centuriae seniorum, evenzoo de derde klasse (minimum 50000 as) en de vierde (25000 as). De vijfde klasse daarentegen (12500 as) telde 2 × 15 centuriën. Vroeger werd de census naar den grondeigendom bepaald, en werd men bij een eigendom van minstens 20 iugera in de eerste klasse geplaatst, bij een van 15 iugera in de tweede, bij 10 in de derde, bij 5 in de vierde en bij 2 in de vijfde klasse. Verder waren er twee centuriën van werklieden, n.l. ééne uit timmerlieden en ééne uit smeden bestaande (fabri tignarii et aerarii), alsmede ééne van hoornblazers, cornicines, en ééne van bazuinblazers, tubicines, en ten slotte ééne C. accensi velati (zie accensus no. 2). Omtrent de toepassing dezer indeeling van het volk op de uitoefening van het stemrecht zie Comitia. Men denke zich elke centurie als eene compagnie onder aanvoering van een centurio. De tweede klasse was minder volledig gewapend dan de eerste, de derde minder dan de tweede, enz. De capite censi waren vrij van belasting en van krijgsdienst, daar men meende, dat de verdediging van den staat moest rusten op hen, die werkelijk iets te verliezen hadden en dus het meeste belang hadden bij rust en veiligheid. De rijksten droegen de zwaarste lasten, doch hadden ook de meeste rechten. De eerste klasse telde, met de ridders mede, 98 van de 193 centuriën en bracht dus 98 van de 193 stemmen uit. De iuniores waren beschikbaar voor den dienst te velde, de seniores voor de verdediging der stad. Zie verder comitia centuriata.

Allengs evenwel liet men voor het leger deze indeeling varen, en werden de soldaten onderscheiden in hastati, principes en triarii. Ten tijde van Polybius was de normale sterkte van een legioen als volgt:

1200 hastati, flos iuvenum pubescentium, 1200 principes, robustior aetas, 600 triarii, veteranus miles spectatae virtutis,

terwijl 1200 velites of lichtgewapenden bij de verschillende afdeelingen waren ingedeeld en dienst deden als plaatsvervangers der gevallenen of als ongeregelde troepen. In hen was minus roboris aetate factisque. Eene centurie hastati of principes bestond uit zes gelederen, elk van tien man, en daarachter twee gelederen velites. Eene centurie triarii bestond uit drie gelederen triarii, dus 30 man, met twee gelederen velites. Aan het hoofd van elke centurie stond een centurio.

Centurio, hoofdman eener centurie. Twee centuriae in het leger vormden één manipulus: de aanvoerder der eerste centurie van elken manipel was centurio prior, die der tweede centurio posterior. De prior stond boven den posterior. De rangorde der centuriones van het legioen was de volgende. Eerst kwamen de 20 centuriones der triarii of pilani, en wel zóó, dat de beide centuriones van den eersten manipel hooger in rang waren dan die van den tweeden, deze weer hooger dan die van den derden, enz. Op dezelfde wijze volgden dan de 20 aanvoerders der principes en daarna de 20 der hastati. De laagste in rang was derhalve de centurio posterior van den tienden manipel der hastati; de hoogste was de centurio prior van den eersten manipel der pilani. Deze werd primus pilus of primipilus genoemd. Tijdens Caesar echter was het legioen in 10 cohorten verdeeld, elk uit één manipel van elke soort bestaande. In iedere cohorte was de rangorde deze: pilanus prior, p. posterior, princeps prior, pr. posterior, hastatus prior, h. posterior. De zes centuriones der eerste cohorte stonden boven die der tweede, enz. Als teeken van zijn rang had de centurio een wijngaardstok (vitis), dien hij soms zeer onzacht wist te gebruiken. Het zwaard droeg hij links, terwijl de soldaten het rechts droegen.

Centuripae, ta Kentoripa, oude stad op Sicilia aan den Symaethus nabij den Aetna. De burgers van Centuripae waren onder de rom. heerschappij de eenige Sicilianen, die recht van grondbezit over het geheele eiland hadden.

Ceos, Keos, eiland der Cycladen, niet ver van de Z.O.-punt van Attia, geboorteplaats der lierdichters Bacchylides en Simonides. Zelfmoord op zestigjarigen leeftijd was, naar men vertelt, oudtijds hier in zwang. Van de vier steden was Iulis de voornaamste.

Cephallenia, Kephallenia, bij Hom. ook Same of Samus genoemd en destijds afhankelijk van Ithaca, het grootste der Ionische eilanden. Van de vier steden was Same de voornaamste. In het begin van den peloponnesischen oorlog sloot het zich bij Athene aan.

Cephaloedis of -dium, Kephaloidis, -oidion, stad op de N.-kust van Sicilia, tusschen Himera en Halaesa.

Cephalus, Kephalos, 1) zoon van Hermes en Herse of van Deïon en Diomede, gehuwd met Procris, dochter van Erechtheus. Hij werd, toen hij op jacht was, door Eos geschaakt, maar zijn onweerstaanbaar verlangen naar zijne echtgenoote maakte, dat hij zich met de liefde der godin niet gelukkig gevoelde. Zij liet hem dan ook gaan, maar eerst nadat zij hem wantrouwen tegen Procris had ingeboezemd. Daarom besloot hij vermomd naar zijne woning terug te keeren en zijne gemalin te beproeven, en ofschoon hij haar eerst nauwelijks konde naderen en zij zeer lang aan zijne verleidelijke aanbiedingen weerstand bood, was zij op het punt toe te geven, toen hij zich bekend maakte. Beschaamd vluchtte zij naar Creta, waar zij van Artemis of Minos een onfeilbare werpspies ten geschenke kreeg en een jachthond, wien niets ontloopen konde. Als jong meisje kwam zij nu bij Ceph. terug, die haar uit begeerte naar de genoemde geschenken zijne liefde beloofde, waarop zij zich op haar beurt bekend maakte. Hierop volgde een verzoening. Maar door jaloerschheid gedreven, volgde Procris eens haar echtgenoot heimelijk toen hij ter jacht ging, en bij deze gelegenheid werd zij door Ceph. zelf, die tusschen het geboomte een wild dier meende te hooren, met de onfeilbare werpspies gedood. Hij werd daarom door den Areopagus verbannen en hielp later Amphitryo in zijn oorlog tegen de Taphiërs, waarvoor hij het eiland Cephallenia tot belooning ontving.--2) van Syracuse, een rijk en beschaafd man, die zich in 447 op raad van Pericles, zijn gastvriend, te Athene vestigde, vader van den redenaar Lysias.

Cepheis, Kepheis, Andromeda, dochter van Cepheus.

Cepheus, Kepheus, 1) zoon van Belus en Anchinoë, koning van Aethiopië, vader van Andromeda, werd met zijne vrouw en dochter onder de sterren verplaatst.--2) Arcadiër, zoon van Lycurgus, nam deel aan de calydonische jacht.--3) van Tegea, zoon van Aleüs en Neaera, een van de Argonauten.

Cephisodotus, Kephisodotos, 1) Athener, werd in 359 met eene vloot naar Thracië gezonden, waar hij zich door Charidemus liet overhalen tot het sluiten van een zoo schandelijken vrede, dat hij bijna ter dood veroordeeld werd; hij werd echter afgezet en voor vijf talenten beboet.--2) atheensch beeldhouwer, vader van Praxiteles, van wien nog een beeld, Vrede en Rijkdom, bestaat.

Cephis(s)us, Kephisos, ook wel Kephissos, naam van verscheidene rivieren, o. a. 1) in Phocis en Boeotia. Naar deze rivier, die in het meer Copaïs uitloopt, heet dit laatste bij Homerus ook Kephisis. De riviergod van dit stroompje was de vader van Narcissus.--2) riv. in Attica, die aan de Westzijde langs Athenae vloeide.--3) rivier in Argolis, die van links in den Inachus uitstroomt.

Cephren, = Chephren.

Cera, keros, was, werd door de ouden tot verschillende doeleinden gebruikt. Men bestreek er de houten schrijfplankjes mede, waarop men dan met een stalen schrijfstift of stilus schreef (tabulae ceratae). Soms waren eenige van zulke plankjes tot een boekje vereenigd, zooals bij ons wel met leitjes het geval is; zulk een boekje heette cerae; cera prima, secunda, enz. beteekende dan de eerste, tweede bladzijde. Voor geschriften, die bewaard moesten worden, om zoo noodig in rechten tot bewijsstuk te kunnen dienen, had men tafeltjes, welker inrichting uit nevenstaande afbeelding blijkt. Het eigenlijke stuk staat op de binnenzijde van het eerste en tweede tafeltje, deze twee zijn dichtgebonden met een touw, dat door een opzettelijk daarvoor gemaakte gleuf loopt, en dat bevestigd is door de zegels van getuigen, wier namen naast hun zegel geschreven zijn. Z. de afb. op blz. 162. Op de binnenzijde van het derde tafeltje staat een korte opgave van den inhoud van het document.--Ook werd het was gebezigd tot boetseeren, vooral voor de borstbeelden (of liever maskers) van beroemde voorzaten, imagines maiorum.--Ook schilderde men met wasverven, die vervolgens werden ingebrand, welke bewerking encaustiek heet, enkaustike, (z. encaustica).

Ceramicus, Kerameikos = pottenbakkersmarkt, plein en fraaie voorstad van Athenae, gedeeltelijk buiten, gedeeltelijk binnen den muur gelegen. In het buitengedeelte werden zij, die in den strijd gevallen waren, van staatswege begraven.

Ceramus, Keramos, stad in Caria, aan de golf, die naar haar sinus Ceramicus wordt genoemd.

Cerasus, Kerasous = het kersenrijke, de kersenstad, op de kust van Pontus, een kolonie van Sinope, vanwaar L. Licinius Lucullus in 74 de eerste kersen naar Rome overbracht. Een ander Cerasus, meer westelijk gelegen, is later verdoopt in Pharnacia (z. a.).

Ceraunii montes, Keraunia ore, gebergte op de kust van Epirus, berucht door de vele onweders (keraunos). Zie ook Acroceraunia.

Cerberus, Kerberos, zoon van Typhon en Echidna, een hond met drie, vijftig of honderd koppen, slangen in plaats van haren, en een staart met een drakekop. Hij hield verblijf in een hol aan gene zijde van de Styx en zorgde dat niemand de onderwereld verlaten konde; daarom moesten zij, die levend in de onderwereld afdaalden, dit monster bedwingen om zich den terugtocht te verzekeren. Orpheus deed hem door de tonen zijner lier in slaap vallen. Het laatste der twaalf werken van Heracles was dat hij den Cerberus naar de bovenwereld bracht, wat des te moeilijker was, daar hij van Pluto slechts verlof er toe gekregen had op die voorwaarde, dat hij hem ongewapend zoude vangen.

Cercasorum, Kerkasoron, stad aan den Nijl, juist waar deze zich in verschillende armen begint te splitsen.

Cercina, Kerkina of Kerkinna, twee door eene brug verbonden eilandjes met gelijknamige havenstad op de kust van Africa, in de kleine Syrte. Het kleinste eilandje wordt ook Cercinitis genoemd.

Cercine, Kerkine, gebergte in Macedonia tusschen den Axius (Vardar) en den Strymon (Karasu). Ook een meer, waardoor de Strymon loopt.

Cercinium, Kerkinion, sterkte in Thessalia aan het meer Boebeis.

Cercius = Circius.

Cercopes, Kerkopes, een soort kabouters, die bij de Thermopylae, op Euboea of in Lydië woonden. Zij ontstalen Heracles zijne wapenen en werden tot straf door hem aan een balk gebonden, maar hun berouw vermaakte den held zoo, dat hij hen weder losliet.--V.a. een volk dat het eiland Pithecusa bewoonde. Zij beloofden Zeus hun bijstand tegen de Titanen, maar toen zij het daarvoor bedongen loon ontvangen hadden, hielden zij hun woord niet. Tot straf werden zij in apen veranderd.--Een plaats te Athene, waar veelal gestolen goed verkocht werd, heette Kerkopon agora. Cercyon, Kerkyon, zoon van Poseidon of Hephaestus, vader van Alope. Hij woonde bij Eleusis en dwong alle vreemdelingen zich met hem in het vuistgevecht te meten; de overwonnenen bracht hij ter dood. Eerst Theseus gelukte het hem te overwinnen en te dooden.

Cerdiciates, volk in Liguria, ten Z. van den Padus.

Cerealia, feesten den 19den April te Rome ter eere van Ceres gevierd, met wedrennen en tooneelvertooningen. Sedert 202 begon het feest reeds den 12den April en duurde tot en met den 19den. Men ging in het wit gekleed, zond elkander bloemkransen en noodigde elkander ten maaltijd.

Cerealis, familienaam in de gens Petillia.

Ceres, eene italiaansche godin van den landbouw, die samen met Tellus (z. a.) vereerd werd, maar later door de Romeinen geïdentificeerd werd met Demeter. De eeredienst van de grieksche Ceres werd te Rome ingevoerd en haar eerste tempel gebouwd in 493 gedurende een door misgewas ontstanen hongersnood, en ingewijd door den consul Sp. Cassius Viscellinus. In dezen tempel, waarin zij te zamen met Liber (Dionysus) en Libera (Core) vereerd werd (men noemde den tempel aedes Cereris Liberi Liberaeque) en die de aandacht trok als eerste voorbeeld van griekschen bouwstijl, deden grieksche vrouwen, vooral uit Neapolis, dienst, en alle mythen, die op Demeter betrekking hebben, werden op Ceres overgedragen. Vooral den roof en het terugvinden van Proserpina herdachten de romeinsche vrouwen met groote plechtigheid in de maand Augustus en keizer Claudius trachtte zelfs de eleusinische mysteriën naar Rome over te brengen. Haar voornaamste feest bleef echter de Cerealia (z. a.). Ceres werd vooral als eene godin der plebejers beschouwd; haar tempel, waarin het plebejisch archief en afschriften van wetten en senaatsbesluiten bewaard werden, stond in een geheel plebejisch gedeelte van de stad (bij den Circus Maximus aan den kant van den Aventinus), haar dienst stond onder toezicht der aediles plebeii.

Cerinthus, Kerinthos, stad aan de O.-kust van Euboea, van Chalcis afhankelijk.

Cermalus, het N.W. gedeelte van den Palatinus. Het was een onderdeel van het Septimontium, zie Roma.

Cerretani, Kerretanoi, iberisch herdersvolk in de zuidelijke dalen der Pyrenaeën, in het tegenw. Cerdagne.

Cersobleptes, Kersobleptes, zoon van Cotys, werd in 358 koning der odrysische Thraciërs. De thracische Chersonesus, die door zijn vader veroverd was, moest hij aan de Atheners teruggeven; in 347 ontnam Philippus van Macedonië hem een deel van zijn rijk, en in 342 verloor hij het geheel en moest hij zich aan Philippus onderwerpen.

Cersus, Kersos = Carsus, Karsos.

Cervi, soort van palissaden of van zoogenaamde spaansche ruiters, uit boomstammen of zware takken bestaande, waaraan men andere takken had laten zitten als het gewei van een hert.

Cerynia, Keryneia, stad op de N.-kust van Cyprus.

Ceryx, Keryx, zoon van Hermes en Pandrosus, stamvader van het atheensche priestergeslacht der Ceryces (Kerykes of Kerykidai).

Cessio, overdracht van eene zaak of van een recht. Eene in iure cessio is eene formeele overdracht ten overstaan van den praetor. Zie ook bonorum cessio.

Cestius, naam van een rom. geslacht. 1) de bouwer van de brug, pons Cestius, die de insula Tiberina met de regio Transtiberina verbindt.--2) C. Cestius, rom. ridder, volkstribuun en praetor, tegenstander van Antonius, waarschijnlijk bij de proscriptiën van 43 omgekomen.--3) C. Cestius Epulo, de man tot wiens gedachtenis door eenige zijner erfgenamen de "pyramide van Cestius" werd opgericht, 37 meter hoog, op een grondvlak van 30 meter lang en breed. Het gevaarte, dat in 330 dagen voltooid werd, bevat slechts eene kleine lijkenkamer.--4) Cestius Gallus, onder Nero stadhouder van Syria, had in 66 na C. met een opstand der Joden te kampen, die de rom. onderdrukking moede waren.

Cestrine, Kestrine, landschap in Epirus tegenover Corcyra.

Cestus, kestos, de geborduurde gordel van Aphrodite, die onwederstaanbare bekoorlijkheid gaf.

Cetei, Keteioi, oude stam in Mysia aan de rivier Ceteus, die bij Pergamum in den Caïcus valt.

Cethegus, zeer oude familie in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 30-34.

Ceto, Keto, dochter van Pontus en Gaea, gehuwd met haar broeder Phorcys, en bij hem moeder van de Gorgonen, de Sirenen e. a. monsters.

Cetra, klein rond schild, met leder overtrokken, van spaanschen oorsprong, ten tijde van Caesar ook door lichtgewapende rom. troepen gebruikt.

Ceutrones, alpenvolk in de provincia Alpes Poeninae. De weg van Italia naar Lugdunum liep door hun gebied.

Cevenna, = Cebenna.

Ceyx, Keyx, 1) koning van Trachis, bij wien Heracles gastvrij opgenomen werd.--2) zoon van Hesperus en Philonis, gemaal van Alcyone (z. a.).

Chaboras, Chaboras, ook Aborras, rivier in Mesopotamia, ontspringt bij Resaïna, stroomt door Gauzanitis, neemt den Mygdonius en den Saocoras op, en valt bij Circesium in den Euphraat.

Chabrias, Chabrias, atheensch veldheer, die het bevel voerde over de troepen, welke de Atheners aan Euagoras van Cyprus te hulp zonden (388), en later (385) aan het hoofd stond van de grieksche huurlingen in dienst eerst van Acoris en daarna van Nectanebis van Aegypte. Op verlangen der Perzen door de Atheners teruggeroepen, verijdelde hij (378) een inval van Agesilaus in Boeotië door goed bedachte en geheel nieuwe manoeuvres, waardoor hij zich vooral grooten roem verwierf. Nadat hij in den zeeslag bij Naxus de Spartanen had overwonnen (376), werd hij naar Thracië gezonden, waar hij vele bondgenooten voor Athene won, en beschermde hij Abdera tegen de aanvallen van Charidemus. Na afloop van den thebaanschen oorlog voerde hij nog het bevel over de vloot van Tachos van Aegypte in diens oorlog tegen de Perzen. Hij sneuvelde in den bondgenootenoorlog bij het beleg van Chius (357), toen zijn schip in de haven van de vloot afgesneden en bijna reeds gezonken was.

Chaerea, hoofd der saamgezworenen tegen Caligula. Zie Cassii no. 15.

Chaeremon, Chairemon, 1) atheensch treurspeldichter, wiens werken, in weerwil van hunne letterkundige waarde, wegens hunne moeilijkheid meer geschikt werden geacht om gelezen, dan om opgevoerd te worden. Hij leefde omstreeks 375.--2) stoicijnsch wijsgeer van Alexandrië, hoofd der bibliotheek aldaar, kwam naar Rome en werd een der opvoeders van Nero. Van zijne geschied- en oudheidkundige werken is slechts weinig over.

Chaerephon, Chairephon, Athener, een van de vurigste vereerders van Socrates. Aan hem werd het bekende orakel gegeven, dat Socrates den wijsten aller menschen noemde. Ook als dichter van een treurspel wordt hij genoemd.

Chaeronea, Chaironeia, stad in Boeotia, geboorteplaats van Plutarchus, bekend door een drietal overwinningen: 1) van de Boeotiërs op de Atheners in 447;--2) van Philippus van Macedonia op de vereenigde Atheners en Thebanen in 338;--3) van Sulla op Mithradates' veldheer Archelaus, in 86. In de 5de eeuw behoorde het tot Orchomenos, later werd het een zelfstandig lid van den boeotischen bond (zie Boeotia).

Chalaeum, Chalaion, havenstad der Locri Ozolae aan de noordpunt van de Crisaeïsche golf.

Chalastra, Chalastra, stad in Macedonia aan den mond van den Axius (Vardar).

Chalce, Chalke, eilandje ten W. van Rhodus.

Chalcedon, Chalkedon, megarensische kolonie op de kust van Bithynia tegenover het jongere Byzantium, meermalen belegerd en veroverd. In haar gebied lag de havenstad Chrysopolis. Het was de geboortestad van den wijsgeer Xenocrates en had een beroemden Apollo-tempel. Eene andere schrijfwijze is Calchedon, Kalchedon.

Chalcidice, Chalkidike, groot schiereiland aan de macedonische kust, bezet met grieksche volksplantingen, vooral van de euboeïsche stad Chalcis (8ste eeuw). Het splitst zich in drie landtongen: Acte met den berg Athos, Sithonia en Pallene.

Chalcidicum, chalkidikon, overdekt, van voren open voorportaal of portiek, waarvan het dak door zuilen werd gedragen.

Chalcioecus, Chalkioikos, bijnaam van Athena te Sparta, naar haar met koper versierden tempel, waarin een koperen beeld van de godin stond en waar op de Chalcioecia (Chalkioikia) gewapende jongelingen offerden.

Chalcis, Chalkis, oude hoofdstad van Euboea, aan het smalste gedeelte van den Euripus gelegen, en sedert 411 door eene brug met het vasteland van Attica verbonden. Chalcis was eenmaal een bloeiende stad, die een groot aantal koloniën uitzond, o.a. naar Chalcidice, Cumae in Italia, Naxus op Sicilia, enz. Met Eretria, dat 3 uur ten Z. van Chalcis ligt, heeft het gedurende een halve eeuw (± 700-± 650) strijd gevoerd om de oppermacht op Euboea en het bezit van de Lelantische vlakte (zie Lelantius Campus), die met de nederlaag van Eretria eindigde. In dezen strijd werd Chalcis door Samus en Corinthe, Eretria door Milete en Megara geholpen. In 506 leed de adel van Chalcis, de hippobotai, een zware nederlaag tegen het democratische Athene, en Chalcis moest de Lelantische vlakte aan Athene afstaan, dat er 4000 kolonisten, klerouchoi, heenzond, die echter in 490, bij den aanval der Perzen op Eretria, naar hun land terugtrokken. Sedert 506 is de bloei van Chalcis voorbij, zie Euboea. In den tijd der Diadochen was Chalcis een der sterkste plaatsen van Griekenland, meestal in de macht van Macedonië. De Romeinen konden het in 207 niet innemen. Bij den vrede in 194 werd de stad vrij. In 146 werd ze na den opstand door de rom. troepen geplunderd en de muren gesloopt. Chalcis was de geboortestad van de dichters Lycophron en Euphorion en den redenaar Isaeus.--Ook in Aetolia en in Syria (Ch. ad Belum ten Z. van Beroea), vond men eene stad Chalcis.

Chaldaea, Chaldaia, het zuidelijke deel van Babylonia, later ook wel als algemeene naam voor het geheele land gebezigd. Zie overigens Babylonia en Chalybes.

Chaldaïcae rationes. Zie Babylonii numeri.

Chaleium, Chaleion = Chalaeum.

Chalus, Chalos, riviertje in N. Syria, waaraan Beroea en Chalcis lagen en dat in de woestijn wegsterft.

Chalybes, Chalybes, een volk van mijnwerkers in het O. van Pontus, onderdanen der Mossynoeci. Het Grieksche woord voor staal, chalyps, is aan hen ontleend. Hiervan moeten die Chalybes onderscheiden worden, die als een strijdhaftig en dapper volk geschilderd worden, en ook wel Chaldaei genoemd worden. Met de babylonische Chaldaei hebben ze niets te maken.

Chalybon, Chalybon, stad ten N. van Damascus in Syria, tgw. Helbun. De stad was beroemd om haar wijn.

Chamavi, Chamauoi, Chamaboi, germaansche stam, eerst aan den Rijn gevestigd en later aan den Visurgis (Weser). In de 4de eeuw n. Chr. wonen ze wederom aan den Rijn in het latere Hamaland, tusschen Ouden Yssel en Rijn, en behooren zij tot de Salische Franken.

Chaones, Chaones, ruwe volksstam in Epirus, wier land, Chaonia, zich langs de kust uitstrekte, van Acroceraunia tot aan de rivier de Thyamis. Bij romeinsche dichters is Chaonius pater = Zeus van Dodona, en columbae Chaoniae = de duiven van Dodona.

Chaos, Chaos, oorspronkelijk de onmetelijke ledige ruimte, die bestond voordat iets geschapen was; volgens lateren de vormlooze massa, waarin alles, wat later een afzonderlijk bestaan kreeg, verward dooreen lag. Chaos bracht Gaea, Tartarus en Eros, later nog Erebus en Nyx voort.

Characene, dat gedeelte van Susiana, dat boven Spasinu (Pasinu) Charax (zie Charax no. 1) ligt.

Charadra, Charadra, stad in het N.W. van Phocis, ten O. van Lilaea, aan het riviertje Charadrus, op een rots gelegen. Ook in Messenia en in Zuid-Epirus vond men eene stad van dezen naam.

Charax, Charax (= palissade, legerkamp), naam van onderscheiden steden. 1) stad in Susiane aan de monding van den Tigris, door Alexander den Gr. gesticht en Alexandria geheeten, vervolgens verdoopt in Antiochia naar den syrischen koning Antiochus IV Epiphanes, en ten slotte Charax Spasinu (Pasinu) genoemd naar den arabischen vorst Spasines (Pasines), die de plaats door dammen tegen overstrooming beveiligde.--2) stad op Corsica.--3) stad in Media, nabij de Caspiae portae.

Chares, Chares, 1) atheensch veldheer, die door zijne hebzucht en onrechtvaardigheid zoowel als door zijn gebrek aan beleid in den oorlog dikwijls reden tot ontevredenheid gaf, maar zich toch door kunstgrepen en zelfs door omkooping wist staande te houden. Toen hij in den bondgenootenoorlog gedurende een hevigen storm bij een aanval op Samus de nederlaag geleden had (356), bewerkte hij door valsche berichten dat zijne ambtgenooten, Iphicrates en Timotheüs, die den aanval afgeraden hadden, teruggeroepen en beboet werden. Toen hij zich echter door geldgebrek tot een grooten rooftocht tegen eenige perzische steden genoodzaakt zag en bovendien den oproerigen satraap Artabazus tegen den koning van Perzië steunde, werd hij op verzoek van dezen teruggeroepen. Vruchteloos trachtte hij eenige malen Olynthus tegen Philippus te beschermen, en Byzantium, dat hij eveneens tegen Philippus verdedigen zoude, weigerde zelfs hem te ontvangen. Waarschijnlijk sneuvelde hij in den slag bij Chaeronea.--2) bronsgieter uit Lindus, maker van het beroemde kolossale beeld van den zonnegod op Rhodus, omstreeks 290. Reeds in 222 is het beeld, dat ± 30 Meter hoog was, tengevolge van een aardbeving ingestort, en zijn de overblijfselen blijven liggen, totdat ze in den byzantijnschen tijd door een arabisch generaal aan een Jood verkocht zijn, die voor het vervoer de beschikking noodig had over 900 kameellasten.

Charicles, Charikles, 1) admiraal in den peloponnesischen oorlog, later een van de dertig.--2) schoonzoon van Phocion, liet zich door Harpalus omkoopen en werd ter dood veroordeeld, doch vluchtte (319).

Charidemus, Charidemos, van Oreüs op Euboea, aanvoerder van huurlingen in atheenschen, perzischen en thracischen dienst. Door zijne verraderlijke handelingen kwam hij dikwijls in moeilijkheden, toch werd hij in Thracië onder de regeering van zijn schoonvader Cotys en van Cersobleptes een man van veel invloed. Hoewel hem door de Atheners het burgerrecht geschonken was, was zijn politiek hun in den regel vijandig; niettemin wist hij sommigen zoo omtrent zijne bedoelingen te misleiden, dat men zelfs voorstelde hem bij eene afzonderlijke wet buitengewone bescherming tegen zijne vijanden toe te zeggen, welk voorstel echter door den tegenstand van Demosthenes en anderen waarschijnlijk verworpen werd (352). Tegen Philippus strijdt hij in 351 in de Chersonesus, in 349 in Chalcidice, in 338 bij Chaeronea. Hij was een van de mannen wier uitlevering door Alexander na het bedwingen van den thebaanschen opstand geëischt werd. Toen Alexander zich op verzoek van het volk met zijne verbanning tevreden stelde, vluchtte hij naar Perzië, waar hij, wegens al te vrijmoedige afkeuring van de maatregelen van Darius, door dezen ter dood gebracht werd (333).

Charietto, Charietton, bandiet, die eerst op eigen houtje van Trier uit den strijd begon tegen de in het rijk ingevallen Franken, en daarna door den onderkeizer (Caesar) Julianus aangeworven, door hem gebruikt werd in een guerilla tegen de in de Betuwe en Noord-Braband ingevallen Chamaven, waarbij hij den zoon van hun koning gevangen nam (358 n. C.). Ook gebruikte Julianus hem als gids tegen de Alamannen. Als comes Germaniae utriusque sneuvelde hij in 365 n. C. tegen Alamannen, die wederom in Gallië waren ingevallen.

Charilaus, Charillus, Charilaos, -leos, Charillos, nageboren zoon van Polydectes, neef en pupil van den wetgever Lycurgus, koning van Sparta. Hij voerde oorlog tegen de Argiven en Tegeaten maar werd door laatstgenoemden gevangen genomen en niet vrijgelaten, voor hij hun beloofd had hen niet weder te bestrijden.

Charis, Charites, Charis, Charites, Gratiae, dochters van Zeus en Hera of de Oceanide Eurynome of van Helius en Aegle of van Dionysus en Aphrodite. Zij zijn de godinnen der bevalligheid, zonder wier medewerking ieder feest, ieder kunstwerk, alles wat vreugde en genot schenken kan, zijn rechte waarde mist. Daarom zijn zij de vriendinnen der Muzen, de gezellinnen van Aphrodite, Peitho, Hermes, Apollo en Dionysus, en worden zij dikwijls gemeenschappelijk met deze godheden in dezelfde tempels vereerd, hoewel zij ook op vele plaatsen eigen tempels hadden. Bij Homerus is Charis de gemalin van Hephaestus, de Atheners vereerden twee Chariten, Auxo en Hegemone, de Spartanen eveneens twee, Cleta en Phaënna, gewoonlijk vindt men echter drie genoemd, Euphrosyne, Aglaïa en Thalia. De dienst der Charites verbreidde zich uit het boeotische Orchomenus over geheel Griekenland; aldaar vierde men te harer eer een feest, de Charisia of Charitesia.--Te Athene werden zij met de Horen in verband gebracht en werd haar ook invloed op het weder toegeschreven.--In lateren tijd golden zij ook voor godinnen van dankbaarheid en weldoen.--Gewoonlijk worden de drie Charites met elkander afgebeeld, als schoone, slanke, jonge vrouwen, somtijds met muziekinstrumenten, dobbelsteenen, rozen en mirten als attributen.

Charisius (Flavius Sosipater), taalgeleerde uit Campania, schrijver van een werk, getiteld ars grammatica in vijf boeken, waarvan nog gedeelten van het 1ste, 4de en 5de boek overig zijn. Hij leefde waarschijnlijk in het midden van de vierde eeuw na C.

Charistia, z. Caristia.

Charito, Chariton, van Aphrodisias in Phrygië, schrijver van een griekschen roman in acht boeken: Chaereas en Callirrhoë (waarschijnlijk uit de 2de eeuw n. C.).

Charmadas, Charmadas, een academisch wijsgeer, leerling van Carneades, omstreeks 110 leeraar der wijsbegeerte en redekunst te Athene, v. s. stichter der vierde academie. Cicero roemt zijne welsprekendheid en zijn merkwaardig geheugen.

Charmande, Charmande, aanzienlijke stad in Mesopotamia aan den rechteroever van den Euphraat.

Charmides, Charmides, oom van Plato, sneuvelde in het voorjaar van 403 in een gevecht tegen Thrasybulus.

Charminus, Charminos, atheensch vlootvoogd in den peloponnesischen oorlog, leed in 411 de nederlaag in een zeegevecht tegen Astyochus en steunde later de oligarchische bewegingen op Samus.

Charoeades, Charoiades, atheensch veldheer, ondersteunde Leontini met eene vloot in den oorlog tegen Syracusae, maar sneuvelde (427).

Charon, Charon, 1) zoon van Erebus en Nyx, de veerman der onderwereld, die de schimmen der afgestorvenen van Hermes in ontvangst nam en ze over Styx, Cocytus en Acheron naar het rijk der dooden bracht. Tot betaling van het veergeld legde men den dooden een obool in den mond. Slechts zij werden overgezet, wier lichamen behoorlijk begraven of verbrand waren, zoolang dit niet geschied was, bleven zij aan de oevers van de Styx zwerven. Levenden moesten, indien zij overgezet wilden worden, een gouden tak toonen, tot bewijs dat de goden het veroorloofden.--Charon wordt afgebeeld als een oud, vuil en armoedig gekleed man.--2) van Lampsacus, logograaf in de 5de eeuw.

Charondas, Charondas, beroemd wetgever te Catana op Sicilia (± 550), wiens veelgeprezen wetten in vele chalcidische volkplantingen van Sicilië en Beneden-Italië in zwang waren. Zij waren wel streng, doch rechtvaardig, kort en ondubbelzinnig. Niemand mocht daarin eene verandering voorstellen, tenzij met een strop om den hals, om terstond gewurgd te worden, indien het voorstel werd verworpen. Eens van de jacht komende, kwam hij in de volksvergadering, zonder er aan te denken, dat hij nog gewapend was, en toen een der burgers hem op de overtreding zijner eigene wetten opmerkzaam maakte, bezegelde hij zijne voorschriften met zijn bloed, door zich op staanden voet het zwaard in de borst te stooten.

Charta, chartes, papier. De ouden vervaardigden dit uit het merg der papyrusplant. Dit merg werd met een scherp voorwerp in zeer dunne lagen verdeeld, die zoo breed mogelijk genomen werden. De strooken, die men daardoor kreeg, werden op een vochtige plaat naast elkaar uitgespreid, en daarover dwarsstrooken met lijm vastgeplakt. Dan werd het geheel geperst, en in de zon gedroogd; daarop werden de verschillende bladen die men zoodoende kreeg, aan elkaar verbonden tot een rol, en wel zóó, dat de betere bladen aan den buitenkant, die het meest te lijden had, kwamen te liggen. Plinius onderscheidt acht soorten; de fijnste heette Augustea, de daaropvolgende Liviana, de minste soort was charta emporeutica of pakpapier. Bovendien vindt men nog vermeld: charta dentata, dat met een tand (misschien een stuk olifantstand of ivoor) was gladgewreven en gepolijst, en charta bibula, een doorschijnend soort vloeipapier. Naast papyrusrollen gebruikte men ook perkament, en in de 3de en 4de eeuw n. C. werd in het Westen de papyrusrol geheel door het perkament vervangen, terwijl in het Oosten eerst in de 8ste eeuw het katoen- en linnenpapier (charta bombycina) er voor in de plaats komt.

Charudes, Charoudes = Harudes.

Charybdis, Charybdis, z. Scylla.

Chasuarii of -ri, Chattouarioi, vermoedelijk dezelfden als de Chattuarii of Attuarii, een germaansch volk, eerst aan het Teutoburgerwoud, later aan den Beneden-Rijn en den IJsel woonachtig. Zij maakten later deel uit van het verbond der Franken.

Chatti = Catti.

Chauci, Chaukoi, onderscheiden in maiores en minores, een machtige germaansche stam aan de Noordzeekust tusschen de Amisia (Eems) en den Albis (Elbe). Drusus onderwierp ze; in 70 n. C. verbonden zij zich met de Batavieren onder Claudius Civilis. Later gaan ze op in de Saxones (z. a.).

Cheironomia, de beweging der handen, in het algemeen de mimische beweging van het lichaam volgens vaste regels bij het dansen; ook een soort spiegelgevecht.

Cheirotonia, het opsteken der handen, de meest gebruikelijke wijze van stemmen in de grieksche volksvergaderingen. De op deze wijze gekozen magistraten werden cheirotonetoi (ook hairetoi) genoemd.

Chelidoniae insulae, Chelidoniai nesoi = zwaluweilanden, vijf eilandjes tegenover kaap Chelidonium.

Chelidonium promunturium, Chelidonia akra ook Promunturium Sacrum genoemd, kaap in Lycia, ten Z. van Phaselis, uitlooper van den Taurus.

Chelonatas, Chelonatas, kaap in Elis, westelijkste punt der Peloponnesus, de eerste kaap ten Z. van Cyllene.

Cheops, Cheops, aegyptisch koning der 4de dynastie, omstreeks 2500, liet de grootste pyramide bouwen.

Chephren, Chephren, broeder of zoon en opvolger van Cheops, die eene pyramide liet bouwen, welke alleen door die van Cheops in grootte werd overtroffen.

Chersonesus, Chersonesos, schiereiland, van chersos of cherros, vast, en nesos, eiland. De meest bekende zijn de volgende: 1) Ch. Thracica, dikwerf kortweg Chersonesus geheeten, het smalle schiereiland tusschen den Hellespont ten O. en den sinus Melas ten W. De hals van het schiereiland was door een muur van 36 stadiën lengte verdedigd tegen invallen van thracische stammen. Er waren vele grieksche, vooral atheensche koloniën, die eerst onder de Perzen, daarna onder de Macedoniërs, ten laatste onder de Romeinen kwamen. Onder Augustus was de geheele Chersonesus in het bezit van M. Vipsanius Agrippa, en na diens dood van Augustus.--Ook een atheensche stad op de Chersonesus heet Chersonesus (of Agora).--2) Ch. Taurica, thans de Krim, waaruit Griekenland veel koren trok. Dit schiereil. werd ook wel Ch. Scythica of Cimmerica geheeten. In het Z.W. in de bergen woonden de Tauri; in het vlakke Noorden woonden Scythen. Op kaap Parthenium lag de tempel van Artemis Tauropolos, waar ook menschenoffers plaats vonden (mythe van Iphigenia en Orestes). Ook een stad aan de Zuidwestkust der Chersonesus heet Chersonesus, en werd door de inwoners van Heraclea Taurica gesticht.--3) Ch. Caria, waarvan het westelijk deel Ch. Cnidia of apo Knidou, het oostelijk X. tes Bybassies heet.--4) Ch. Thrachea of Rhodia tegenover Rhodus.--5) Ch. magna, op de kust van Cyrenaïca.--6) Ch. aurea, chryse, thans Malakka, in Achter-Indië.--7) Ch. Cimbrica, thans Jutland.--8) landtongen: in Argolis naar het N. gekeerd, tegenover Aegina (hierop lag Methana); verder: van Athos, bij Sinope, bij Carthago, enz.

Cherusci, Cherouskoi, machtig germaansch volk in den omtrek van het tegenw. Brunswijk, van den Albis (Elbe) tot over den Visurgis (Weser). Drusus sloot in 9 met hen een verbond, doch in 9 na C. vielen zij weder af en versloegen in het Teutoburgerwoud de legioenen van Quinctilius Varus. Inwendige verdeeldheden, vooral tusschen Arminius en diens schoonvader Segestes, verzwakten hen, evenwel hielden zij met de hulp van Longobarden en Semnonen den strijd vol tegen Maroboduus en de Marcomannen. In Tacitus' tijd (± 100 n. C.) waren ze door inwendige twisten zeer verzwakt.

Chiliarchus, Chiliarchos, Chiliarches, aanvoerder eener chiliarchia, eene afdeeling van 1000 of waarschijnlijk 1024 man, 64 man breed en 16 diep. Men vindt deze regeling bij het Macedonische leger en later bij de Ptolemaeën. Bij de Perzen de aanvoerder der koninklijke lijfwacht, de voornaamste persoon in het rijk na den koning. Het woord wordt ook gebruikt als vertaling van het latijnsche tribunus militum.

Chilo, Cheilon, spartaansch ephoor, als type van een spartaansch staatsman geroemd. Hij was ephoor in 560 of 556, en is misschien de eerste geweest, die dit ambt bekleed heeft. Als een van de zeven wijzen wordt hem de spreuk gnothi sauton of telos horan makrou biou toegeschreven.

Chimaera, Chimaira, een vuurspuwend monster, dochter van Typhon en Echidna, door den lycischen koning Amisodarus opgevoed, dat in Lycië groote verwoestingen aanrichtte en door Bellerophon met de hulp van Athena gedood werd. Haar lichaam was van voren dat van een leeuw, in het midden van een geit, van achteren van een draak; v. a. had zij drie koppen, namelijk die van de genoemde dieren.

Chione, Chione, 1) dochter van Boreas en Orithyia, moeder van Eumolpus.--2) dochter van Daedalion, werd door Hermes en Apollo bemind en, omdat zij op hare schoonheid trotsch was, door Artemis gedood.

Chionides, Chionides, 1) Eumolpus, zoon van Chione.--2) dichter der oude comedie, omstreeks 450.

Chiridota, cheiridotos, sc. chiton, tunica met lange mouwen, eene dracht, welke bij de Romeinen wel goed voor vrouwen, doch ongepast voor mannen werd geacht. Bij barbaren komen kleederen met lange mouwen zeer veel voor.

Chirisophus, Cheirisophos, Spartaan, streed in den slag bij Cunaxa onder Cyrus en was met Xenophon aanvoerder der Grieken op hun terugtocht.

Chiron, Cheiron, zoon van Cronus en Philyra, de voortreffelijkste der Centauren, uitmuntend door wijsheid, rechtvaardigheid en kennis. Hij was door Apollo en Artemis onderwezen en werd op zijne beurt de leermeester en opvoeder van vele jonge helden, zooals Iason, Theseus, Castor en Pollux, Achilles, e. a.; zelfs Asclepius had van hem de geneeskunst geleerd. Toen Heracles hem bij ongeluk met een zijner pijlen eene ongeneeslijke wonde had toegebracht, stond hij, opdat de dood een einde aan de ondragelijke pijn zou kunnen maken, zijne onsterfelijkheid aan Prometheus af, zoodat deze tevens, volgens eene vroegere belofte van Zeus, van zijn lijden bevrijd werd. Chiron werd als boogschutter onder de sterren geplaatst.

Chiton, het voornaamste kleedingstuk der Grieken, dat zoowel door mannen als vrouwen gedragen werd. De dorische ch. voor mannen was van wol, kort en zonder mouwen; de ionische van linnen, langer en met mouwen. Slaven en arbeiders droegen een ch. waaraan alleen voor den linkerarm een mouw was, (heteromaschalos, daarentegen wordt de gewone ch. amphimaschalos genoemd), of soms ontbrak ook deze en werden de twee losse slippen over den linkerschouder vastgeknoopt (exomis). De dorische ch. voor vrouwen was eveneens van wol, en niet zeer lang; de voorste en achterste helft waren eerst van onder de armen aan elkander vastgenaaid, terwijl de losse einden op de schouders met haken (peronai) werden vastgehouden; de ionische was van linnen, zeer lang, wijd en met wijde mouwen. De ch. werd door mannen op het bloote lichaam gedragen; vrouwen droegen gewoonlijk nog een onderhemd (chitonion).

Chius, Chios, Chios, thans Scio, groot en machtig eiland op de ionisch-aziatische kust. Als oorspronkelijke bewoners worden Lelegers en Pelasgen genoemd; later is het gekoloniseerd van uit Boeotië en Euboea. In den opstand der Ioniërs tegen de Perzen leverde het honderd schepen. In 494 door de Perzen onderworpen, bleef het 15 jaar schatplichtig, viel na den slag bij Lade (479) van Perzië af, en werd (477) als zelfstandig lid in het atheensche zeeverbond opgenomen. In 413 valt Chios van Athene af, en nu volgt voor het eiland een periode van oorlog, binnenlandschen strijd en verwoesting. Van 377-357 is het lid van den tweeden attischen zeebond; toen het van dezen bond was afgevallen, werd het weldra afhankelijk van den Cariër Mausolus. Het eiland leverde voortreffelijken wijn, mastik, marmer, vijgen en fijne porceleinaarde op. Het was de geboorteplaats van den treurspeldichter Ion, den geschiedschrijver Theopompus en beweerde ook het vaderland van Homerus te zijn. De hoofdstad aan de O.-zijde gelegen, heette ook Chius of Chios.

Chlamys, Chlamys, een mantel, dien men vooral bij het rijden droeg, oorspronkelijk aan Thessaliërs en Macedoniërs eigen. De atheensche jongelingen kregen zulk een mantel als zij epheben werden. Hij kon los omgeslagen of nauwer aan het lichaam aangesloten worden, en werd voor aan den hals of op den rechterschouder vastgemaakt.

Chloe, Chloe, bijnaam van Demeter.

Chloris, Chloris, 1) godin der bloemen, gemalin van Zephyrus, door de Romeinen voor dezelfde godin gehouden als Flora.--2) dochter van Amphion en Niobe; zij en haar broeder Amyclas werden alleen door Apollo en Artemis gespaard (z. Niobe), maar de dood van hare broeders en zusters had haar zulk een schrik aangejaagd, dat men haar naam Meliboea in Chloris (bleeke) veranderde.--3) dochter van een anderen Amphion, gehuwd met Neleus.--4) dochter van Tiresias.

Choaspes, Choaspes, 1) rivier in Susiane, die langs Susa stroomt, beroemd om haar kristalhelder water, dat de perzische koningen op hunne reizen in zilveren kruiken medenamen.--2) stroom in het Indusgebied, zijrivier van den Cophes of Cophen, die in den Indus valt, ook Choës genoemd.

Choerades, Choirades, sc. nesoi, rotseilandjes voor de haven van Tarentum.

Choerilus, Choirilos, 1) een der oudste atheensche treurspeldichters (omstreeks 524); vooral zijne satyrspelen worden geroemd.--2) van Samus, dichter van een historisch epos, Perseis (omstreeks 400).--3) van Iasus, tijdgenoot van Alexander den Gr. wiens daden hij in een episch gedicht verheerlijkte.

Choes, de tweede dag der Anthesteria (z.a.).

Chones, Chones, volk aan de kust van Zuid-Italië, tot de Oenotri behoorend, in de buurt van Metapontum en Siris. Daarnaar heette de kuststreek om de golf van Tarentum Chonia.

Choragus, choregos, iemand die bij het opvoeren van tooneelstukken, muziek- en dansuitvoeringen, met het bezorgen en bekostigen van het koor belast was. De choregie was een van de kostbaarste liturgieën (z. Liturgia), en bij den wedijver, waarmede de choragen elkander trachtten te overtreffen, stegen de kosten ervan wel eens tot 5000 drachmen. Deze kosten bestonden in de betaling en het onderhoud der choreuten en van den chorodidaskalos, iemand die het koor oefende en de repetities leidde, verder in prachtige kleederen, gouden kransen, enz., waarmede het koor optrad. De choragus, die den prijs won, richtte ter gedachtenis daaraan een klein marmeren gedenkteeken op, dat door een metalen drievoet gekroond werd. Zie de afbeelding bl. 103.

Chorasmii, Chorasmioi, een arische volksstam, die de oase van Chiwa reeds vroeg in cultuur heeft gebracht, en kanalen heeft aangelegd, gevoed door het water van den Araxes of Oxus, om het land te irrigeeren, zooals we dat in Mesopotamië vinden. Het is het stamland van Zarathustra. Zij leverden hulptroepen aan Alexander d. G.

Choraules, choraules, iemand die den zang en dans van een koor op de fluit begeleidt. De benaming zelf komt eerst in den romeinschen tijd voor.

Choregia, z. Choragus.

Chorizontes werden in den alexandrijnschen tijd de grammatici genoemd, die beweerden dat de Ilias en de Odyssee niet van denzelfden dichter waren.

Chorus, choros, een zeker aantal personen, die bij godsdienstige feesten reidansen uitvoerden, welke zij door gezang afwisselden. Later werd dit gezang hier en daar afgebroken door alleenspraken en dialogen, en zoo ontstond het drama. In het eigenlijke drama neemt het koor, zonder zelf handelend op te treden, toch aan de handeling deel, en begeleidt de daden der hoofdpersonen met opmerkingen, vermaningen, aansporingen, troostredenen, enz., terwijl het bij zekere rustpunten in de handeling liederen zingt, die daarmede min of meer in verband staan, en dansen uitvoert. Daarmede geeft het uiting aan de gevoelens, die volgens den dichter het stuk bij den toeschouwer moet opwekken. Het koor bestond in het treurspel uit 12, later uit 15, in het blijspel uit 24 personen. Soms zongen allen met elkander, soms bij beurten grootere of kleinere afdeelingen; gesproken werd slechts door den leider van het koor (choryphaios), of in enkele gevallen door de leiders der beide koorhelften (parastatai). De plaats van het koor was in de orchestra.

Chremonideïsche oorlog (± 265-263), zoo genoemd naar Chremonides, die in dien tijd te Athene aan het hoofd van den staat stond, werd door Athene, Sparta, het achaeisch verbond e. a. grieksche staten gevoerd om de Macedoniërs uit Griekenland te verjagen. De oorlog eindigde, toen Athene zich na een lang beleg aan Antigonus Gonatas had moeten overgeven.

Chrysa of -e, Chrysa, -e, stadje aan de Zuidkust van Troas, aan de Adramyttische golf met een tempel van Apollo Smintheus. Het plaatsje is vroeg verwoest.

Chrysaor, Chrysaor, 1) zoon van Poseidon en Medusa, die te voorschijn kwam toen zijne moeder door Perseus het hoofd werd afgehouwen.--2) "met een gouden zwaard", bijnaam van Zeus, Apollo e. a. goden.

Chrysas, Chrysas, rivier op Sicilia nabij Assorus, een zijrivier van den Symaethus.

Chryse promunturium, Chryse cherronesos, het schiereiland Malakka.

Chryseis, Chryseis dochter van Chryses, den priester van Apollo te Chryse. Op een strooptocht werd zij door Achilles gevangen genomen en bij de verdeeling van den buit aan Agamemnon gegeven. Toen haar vader haar wilde loskoopen, maar door Agamemnon beleedigd en weggejaagd was, zond Apollo tot straf de pest in het grieksche leger, die niet ophield voordat Chr. aan haar vader teruggegeven was (z. Briseis).

Chrysippus, Chrysippos, 1) zoon van Pelops en Axioche, werd door zijne stiefbroeders Atreus en Thyestes vermoord.--2) van Soli of Tarsus (282-206), zoon van Apollonius, leerling van Cleanthes en na diens dood hoofd der stoicijnsche school. Hij verdedigde en bevestigde de leer van Zeno in een groot aantal werken, naar men wil 705, waarin hij echter dikwijls zichzelf herhaalde of tegensprak. Hij gold als het ware voor den tweeden stichter der school, getuige het woord: ei me gar en Chrysippos, ouk an en Stoa.

Chrysogonus (C. Cornelius), vrijgelatene van Sulla, als valsche aanklager bekend uit Cicero's oratio pro S. Roscio Amerino.

Chrysopolis, Chrysopolis, versterkte havenstad in het gebied van Chalcedon in Bithynia, tegenover Byzantium, thans Scutari.

Chrysothemis, Chrysothemis, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra.

Chthonius, Chthonios, 1) een van de vijf Sparten, die in leven bleven bij het gevecht, dat zij onder elkander leverden (z. Cadmus).--2) Chthonios, Chthonia, is een bijnaam van godheden, die met de onderwereld in betrekking staan, als Hades, Demeter, Persephone e. a. Zeus Chthonios = Hades.

Chytroi, de derde dag der Anthesteria (z. a.).

Chytri, Chytroi, stad op Cyprus, dicht bij de N.-kust.

Cia = Ceos.

Cibalis, Cibalae, stad in Pannonia dicht bij den Donau, tusschen Sirmium en Mursa, waarbij Constantijn de Gr. in 314 na C. zijn zwager Licinius versloeg.

Cibyra, Kibyra, hoofdstad van Cabalia (z. a.) of Cibyratis, 2 1/2 uur gaans in omtrek, bloeiend door hare ijzerfabrikage. Dit Cibyra werd maior bijgenaamd ter onderscheiding van Cibyra minor in Pamphylia.

Cicereius (C.), rom. praetor in 173, overwon de Corsen en was stadhouder van Sardinia en Corsica. Daar de senaat hem de eer van een zegetocht binnen Rome weigerde, hield hij een zegepraal op den Albaanschen berg.

Cicero, familienaam in de gens Tullia, z. Tullii no. 3-9.

Cicones, Kikones, thracische volksstam aan de kust tusschen Abdera en de monding van den Hebrus. Hun stad heette Ismarus. De streek is vroeg beroemd om den wijn, die er groeit. In hun gebied lag later de ionische stad Maronea, ook Orthagorea geheeten.

Cidaris, kidaris, kitaris, het hooge en stijve hoofddeksel der perzische koningen, waaromheen een blauw met witte band liep.

Cierium, Kierion, stad in Thessaliotis, vroeger Arne geheeten.

Cilicia, Kilikia, landschap in het Z.O. van Asia minor, ten Z. begrensd door de zee en verder ingesloten door den Taurus en den Amanus. Het westelijke deel, bergachtig en boschrijk, werd Cil. aspera, tracheia, geheeten, het oostelijke vlakkere gedeelte Cil. campestris, pedias, ook propria. De bevolking, van syrische afkomst, week voor de grieksche kolonisatie naar de bergen en vormde na den val van het rijk der Seleuciden nog een afzonderlijk staatje in de bergstreken van den Amanus, onder den naam Eleutherokilikes. In de westelijke bergstreken woonden pisidische en isaurische stammen, als stoute zeeroovers berucht, totdat Pompeius in 67 en 66 den zeeroof fnuikte. De hoofdstad van eigenlijk Cilicië was Tarsus. Cilicia was, ook onder de perzische opperheerschappij, een koninkrijk, waarvan de vorsten den naam of titel Syennesis (misschien = edel vorst) voerden. Alexanders verovering maakte hieraan een einde. In 75 werd een klein hoekje in het W. door P. Servilius Vatia tot rom. provincie gemaakt, terwijl het overige later door Pompeius werd veroverd. Als rom. provincie heeft Cilicia in verschillende tijden zeer verschillende grenzen en verschillende indeelingen gehad.

Ciliciae portae, bergpas in den Taurus ten N. van Tarsus, door eene rivier doorsneden en door kasteelen versterkt. Door dezen pas kwam men uit het N. Cilicia binnen. De portae Ciliciae et Syriae en de portae Amanides verleenden toegang uit het O.

Cilix, Kilix, zoon van Agenor, die door zijn vader uitgezonden werd om zijne zuster Europa te zoeken; daar hij haar niet konde vinden, keerde hij niet naar huis terug. Het land, waar hij zich vestigde, werd Cilicia genoemd.

Cilla, Killa, stadje in Troas met een Apollo-tempel, in de buurt van Antandros.

Cilnii, een oud etruscisch geslacht van koninklijken bloede. Hiertoe behoorde C. Cilnius Maecenas (v. a. heet hij alleen C. Maecenas, en is Maecenas het nomen gentilicium), de vertrouwde vriend en raadsman van Octavianus, een voorstander van letteren en kunst en beschermer van dichters, vooral van Vergilius en Horatius. Tweemaal, in 36 en 31, droeg Octavianus gedurende zijne afwezigheid van Rome de zorg voor Rome en Italia aan Maecenas op. Deze was dus stadhouder, maar geheel als privatus, als gelastigde, daar hij nooit eenig openbaar ambt bekleed heeft. In deze betrekking en ook bij verschillende gelegenheden als onderhandelaar bewees Maecenas aan Augustus gewichtige diensten. Hij was het ook, die met Agrippa na den ondergang van Antonius aan Octavianus den raad gaf, de alleenheerschappij te behouden, en hij deed zulks uit volle overtuiging. Terwijl hij als schrijver of staatsman nooit heeft uitgeblonken, is zijn naam Maecenas als kunstbeschermer in wezen gebleven. Hij stierf in het jaar 8, omstreeks 60 jaar oud.

Cimber, familienaam in de gens Tillia.

Cimbri, Kimbroi, een volksstam van germaansche afkomst, die langs den Oceanus Germanicus (Noordzee) en wel grootendeels op de Chersonesus Cimbrica in Sleeswijk woonde. Ze behooren tot den stam der Ingaevones of Noordzee-Germanen. Toen door het onderloopen van een gedeelte hunner landerijen, hetzij ten gevolge van hooge zeevloeden, hetzij door een langzame daling van den bodem, het de sterk aangroeiende bevolking aan voedsel begon te ontbreken, trokken zij, met de germaansche Teutonen en de gallische Ambronen en Tiguriners verbonden, zuidwaarts en eischten grond in het rom. gebied, dien zij niet verkregen. In 113 versloegen zij bij Noreia in Noricum den consul Cn. Papirius Carbo (Papirii no. 12), wendden zich toen naar Gallia, waar zij vreeselijke verwoestingen aanrichtten, doch werden door de Belgen verslagen. Hierop trokken zij weder zuidwaarts naar de rom. provincie, eischten opnieuw grondbezit en versloegen, toen de rom. senaat weigerachtig bleef, eerst in 109 den consul M. Junius Silanus (Junii no. 16), en in 107 den legaat M. Aemilius Scaurus, en vernietigden in 105 bij Arausio (Orange) een leger van 80000 man onder den consul Cn. Mallius Maximus en den proconsul Q. Servilius Caepio (Servilii no. 15) bijna tot den laatsten man. Nu richtten zij hun tocht naar Hispania, doch werden door de Celtiberiërs teruggedreven. In 102 keerden zij naar Gallia terug, en verdeelden zich in twee groepen. De Ambronen en Teutonen wilden hun weg over de Zeealpen nemen, maar werden in 102 door C. Marius bij Aquae Sextiae (Aix in Provence) geheel verslagen. De Cimbren trokken naar Noricum en drongen door het dal van den Athesis (Etsch) de Po-vlakte binnen, doch werden in 101 op de Raudische velden bij Vercellae door C. Marius en Q. Lutatius Catulus vernietigd. Een gedeelte van den stam was in het vaderland achtergebleven, en in de 2de eeuw na Chr. woont er nog een afdeeling van hen in het noordelijkste gedeelte van Jutland. Het schiereiland en de noordpunt daarvan is naar hen benoemd.

Ciminius mons en lacus, boschrijke bergrug en meer in Etruria, ten Z.O. van het Volsinische meer.

Cimmerii, Kimmerioi, mythisch volk aan den rand van den oceaan, in het uiterste Westen der aarde, waar geen zonnestraal doordringt en alles in eeuwige nevelen is gehuld. Bij de dichters wordt de uitdrukking Cimmerii lacus voor de onderwereld gebezigd. De historische Cimmeriërs woonden in de taurische Chersonesus (de Krim) en verder langs de Palus Maeotis (zee v. Azow). Voor de Scythen wijkende, trokken zij naar Azië, drongen plunderende tot in Lydia door, vermeesterden omstreeks 650 Sardes, maar werden toen door den lydischen koning Ardys teruggedreven.

Cimolus, Kimolos, klein eiland der Cycladen, ten N. van Melos, met zilvererts en fijne kalkaarde, die door de vollers als creta fullonica gebruikt werd tot het wasschen van fijn lijnwaad (zooals bij ons de zeep).

Cimon, Kimon, 1) zoon van Stesagoras, vader van Miltiades. Hij werd door Pisistratus uit Athene verjaagd, maar keerde later terug. Toen hij met zijne renpaarden ten derden male den eersten prijs te Olympia behaald had, lieten de zonen van Pisistratus hem vermoorden.--2) zoon van Miltiades en Hegesipyle, geb. 504. Daar zijn vader als schuldenaar van den staat gestorven was, miste hij eenigen tijd het burgerrecht, totdat de rijke Callias de schuld voor hem betaalde; daarvoor stond C. hem de schoone Elpinice af, die zijne halfzuster en tevens zijne vrouw was. Na dien tijd streed hij met veel roem tegen de Perzen, veroverde Eïon in Thracië en het eiland Scyrus, voegde door zijne dapperheid en innemend gedrag vele steden, waaronder sommige niet-grieksche, aan den atheenschen bond toe, versloeg de Perzen bij de rivier Eurymedon in Pamphylië op denzelfden dag te land en ter zee (468), bedwong Naxus, dat getracht had zich van den atheenschen bond los te maken, en bracht eindelijk de geheele Chersonesus in het bezit der Atheners (476-468). Door deze overwinningen had hij ook in het staatkundige grooten invloed gekregen, en toen Themistocles verbannen en Aristides gestorven was, was hij de eerste man van Athene. Hij wist het door te drijven, dat de bondgenooten hunne verplichting om schepen te leveren konden afkoopen, en dwong vele wederspannige staten met geweld in de atheensche symmachie te blijven. Ten gevolge van zijne aristocratische neigingen en van zijne vriendschap voor Sparta stond hij echter voortdurend bloot aan de aanvallen der volkspartij, en hoewel eene eerste aanklacht tegen hem zonder gevolg bleef, werd hij in 460, nadat een leger, dat op zijn raad in den oorlog tegen de Messeniërs aan de Spartanen ter hulp gezonden was, uit wantrouwen was teruggezonden, door het ostracismus verbannen. Hoewel zijn verzoek om in den slag bij Tanagra (457) mede te strijden, werd afgewezen, werd hij niet lang daarna uit zijne ballingschap teruggeroepen en in 451 bewerkte hij een vijfjarigen wapenstilstand tusschen Athene en Sparta. In 449 opnieuw met eene vloot van 200 schepen tegen de Perzen gezonden, stierf hij gedurende het beleg van Citium. De zoogenaamde vrede van Cimon, waarbij de koning van Perzië alle grieksche steden in Klein-Azië onafhankelijk verklaarde en zich verbond geene oorlogsschepen in de Aegaeische zee te zenden, wordt alleen door latere schrijvers vermeld. Deze vrede is in werkelijkheid door Callias gesloten (z. Callias no. 1).--Behalve Cimon's groote talenten als veldheer, worden ook zijne liefdadigheid en minzaamheid tegenover arme burgers geroemd en de mildheid, waarmede hij groote sommen aan de verfraaiing zijner vaderstad besteedde.

Cinado, Kinadon, een Spartaan, die in het begin der regeering van Agesilaus eene samenzwering smeedde om de staatsregeling omver te werpen. Het plan werd echter verraden en de saamgezworenen werden ter dood gebracht.

Cinara, Kinara, eilandje in de Aegaeische zee, oostwaarts van Naxos, beroemd om zijne artisjokken, kinarai.

Cincia (lex) de donis et muneribus. Deze wet verbood aan advocaten geschenken aan te nemen van de rechtzoekenden. Zij was een plebisciet, 204.

Cincii. Van dit plebejische geslacht zijn slechts de Alimenti bekend. 1) L. Cincius Alimentus was in 210 en 209 praetor op Sicilia. In 208 deed hij een vruchteloozen aanval op Locri Epizephyrii in Bruttium. Hij werd door Hannibal krijgsgevangen gemaakt. Hij is de schrijver van annales in het Grieksch.--2) M. Cincius Alimentus, volkstribuun in 204, was de vader der lex Cincia.

Cincinnatus, familienaam in de gens Quinctia, z. Quinctii no. 2-5.

Cinctus Gabinus = Gabinus cinctus.

Cineas, Kineas, 1) thessalisch vorst, die met 1000 ruiters de Pisistratiden kwam helpen, toen de Lacedaemoniërs hen uit Athene wilden verjagen.--2) Thessaliër, vriend en dienaar van Pyrrhus, den koning van Epirus, wien hij door zijn verstand en zijne welsprekendheid groote diensten bewees. Tevergeefs ontried hij Pyrrhus den tocht naar Italië, wel werd op zijn raad den Romeinen na de eerste overwinning van Pyrrhus vrede aangeboden. Hij ging zelf tweemaal naar Rome om te onderhandelen, de eerste maal na Pyrrhus' overwinning bij Ausculum (279), maar in weerwil van zijne welsprekendheid wees de senaat, die op hem den indruk maakte van eene vergadering van koningen, zijne voorstellen standvastig af. Hij stierf, naar het schijnt, gedurende den tocht van Pyrrhus naar Sicilië. Ook als schrijver van werken over taktiek en geschiedenis wordt hij genoemd.

Cinesias, Kinesias, atheensch dithyrambendichter, omstreeks 415, dikwijls bespot om zijne ultra-moderne muziek.

Cinga, zijrivier van den Sicoris (Segre) in Tarraconensis.

Cingetorix, Galliër uit het volk der Treviri ten tijde van Caesar, vriend der Romeinen, die hem het bestuur over zijne onderworpen stamgenooten lieten. Ook naam van een vorst der Britten in denzelfden tijd.

Cingulum, bergvesting in Picenum, in 63 door Labienus aangelegd.

Cinna, familienaam in de gens Cornelia (z. Cornelii no. 39-42) en de gens Helvia.

Cinxia, bijnaam van Juno, als godin van het huwelijk.

Cinyps, gen. -phis, Kinyps, rivier op de kust van Africa tusschen de groote en de kleine Syrte, bij Leptis magna. De streek, waardoor zij stroomde, bracht zeer schoonharige geiten voort. Dichterlijk is cinyphius = afrikaansch.

Cinyras, Kinyras, zoon van Apollo, koning van Cyprus, priester van Aphrodite. Bij zijne dochter Myrrha verwekte hij, zonder haar te kennen, den schoonen Adonis; toen hij dit ontdekte, stortte hij zich in zijn zwaard.

Cios = Cius.

Cippus, oorspronkelijk = paal. Deze naam kreeg ook een palissadeering onder water, door Caesar aangelegd in de grachten zijner legerplaats vóór Alesia. Deze versterking bestond in stukken van boomstammen, van boven scherp gepunt en met gekapte takken, die op den bodem der gracht werden neergelaten. Verder wordt het meestal gebruikt voor grenspaal van hout of steen, om den Tiberloop, het pomoerium, de waterleidingen, en de area van een graf aan te wijzen.

Circe, Kirke, dochter van Helius en Perse. Zij woonde op het eiland Aeaea, dat zij door hare tooverkunsten in een heerlijk oord herschapen had, waar zij den tijd doorbracht met weven en zingen en door schoone nimfen bediend werd. Toen Odysseus op haar eiland landde, veranderde zij zijne makkers in zwijnen, hijzelf was echter door een kruid, dat hem door Hermes gegeven was, tegen hare toovermiddelen bestand; zelfs dwong hij haar, aan zijne makkers hunne oorspronkelijke gedaante terug te geven. Hij bleef een geheel jaar bij haar en verwekte bij haar drie zonen: Telegonus, den mythischen stichter van Tusculum, Agrius en Latinus. Toen hij eindelijk op aandringen zijner makkers wenschte te vertrekken, liet zij hem gaan, na hem eerst zijn verdere lotgevallen voorspeld te hebben. Zie Telemachus.

Circeii, oude havenstad in Latium, wegens de overeenkomst van naam door de mythe met Circe in verband gebracht. De nabijgelegen kaap heette promunturium Circeium of Circeius mons. In de 5de eeuw was Circeii in de macht der Volscen, maar in 393 werd het heroverd, en als latijnsche kolonie ingericht, wat het gebleven is tot 90. Onder Circaea moenia bij Horatius moet men niet Circeii, maar Tusculum verstaan (z. Circe).

Circesium, Kirkesion, rom. grensvesting in Mesopotamia aan de samenvloeiing van den Chaboras en den Euphraat. Hier was in 604 koning Necho van Aegypte door Nebukadnezar verslagen.

Circius, Thraskias, de noordwestenwind, zie Windstreken. Circius of Cercius ventus, ook ventus Gallicus geheeten, is de naam van een wind, die met groote heftigheid in het Zuiden van Gallia Narbonensis, en Zuidwaarts tot aan Ostia optreedt. Het is de bekende Mistral. In andere streken heet hij Corus of Caurus.

Circumcelliones worden sedert de helft van de 4de eeuw n. C. die Donatisten genoemd, die in Afrika, door den nood gedrongen, monniken en zwervers werden; ze zijn hevig gekant tegen andersdenkenden en tegen de bezittende klassen.

Circus. Wedrennen behoorden tot de meest geliefde schouwspelen der Rom. Het renperk was eene langwerpige ruimte, aan wier begin de stallen (carceres) zich bevonden. Deze carceres waren in een flauwen boog gebouwd, zoodat de afstand tot aan het eigenlijke aanvangspunt van den rit voor allen gelijk was. Aan het andere eind was de circus afgerond. Langs de renbaan waren de zitplaatsen voor de toeschouwers, op dezelfde wijze als in het amphitheatrum. In de as der baan was eene verhevenheid, de spina, waarop dikwerf altaren, zuilen en dergelijke versierselen stonden. Vóór de beide uiteinden der spina stonden de metae of eindpalen, waarom de wagens moesten heenzwenken. Zulk eene meta bestond uit een steenen voetstuk met drie kegelvormige zuilen. Op de spina, nabij de einden, stonden twee verhevenheden; op de eene lagen zeven groote marmeren eieren, op de andere stonden zeven groote marmeren dolfijnen. Bij elken omrit (curriculum of spatium) werden een ei en een dolfijn afgenomen. Zeven omritten vormden een missus. Wie bij den zevenden omrit het eerst de krijtstreep (zie calx) bereikte, was overwinnaar. Bij elken wedren of missus liepen in den regel vier wagens (zie auriga), terwijl verscheidene missus elkander opvolgden.

De circus maximus te Rome, gelegen tusschen den Palatinus en den Aventinus, herhaaldelijk vergroot, was ten laatste 600 Meter lang en 150 M. breed. Hij kon toen 180,000 toeschouwers bevatten. Behalve dezen telde Rome binnen zijne muren nog een kleineren, den circus Flaminius, door C. Flaminius in 220 gesticht op den Campus Martius ten N.O. van den Capitolinus. De circus max. en de circus Flam. hebben hun naam gegeven aan de 11de en 9de der 14 regiones, waarin Augustus Rome verdeelde.

Cirphis, Kirphis, zie Parnassus.

Cirrha, zie Crissa.

Cirta, Kirta, uiterst sterke stad in Numidia (Africa Nova), koninklijke residentie, later naar Constantijn den Gr. Constantina genaamd; tgw. Constantine.

Cisalpina (Gallia), het noordelijk gedeelte van Italië, van de Alpen tot aan de riviertjes Macra en Rubico. Het was gedeeltelijk bevolkt door gallische stammen, die er de Etruscers en Umbriërs uit verdrongen. Het omvatte de landstreken Liguria, Gallia Cispadana, Gallia Transpadana, Venetia, Histria.

Cispadana (Gallia), de oostelijke helft van Noord-Italië bezuiden den Padus (Po).

Cispius (mons), een van de bergen van het Septimontium, zie Roma; hij behoorde tot de wijk Esquiliae, en was gelegen tusschen den Mons Oppius en den Collis Viminalis.

Cisseis, Kisseis, 1) Theano, dochter van den thracischen koning Cisses.--2) Hecabe, dochter van Cisseus.

Cissia, Kissia, oude naam voor de landstreek Susiane aan den Choaspes, met eene zeer heldhaftige bevolking.

Cisterna, van boven gesloten vergaarbak, vooral voor regenwater; open vergaarbakken heeten lacus.

Cistophorus, kistophoros, 1) degene, die bij sommige godsdienstige plechtigheden, vooral bij de mysteriën, de heilige kist droeg, waarin zich offergereedschappen, enz. bevonden.--2) aziatische munt ter waarde van 4 drachmen, die tot stempel had een half geopende kist, waaruit een slang te voorschijn kwam.

Cithaeron, Kithairon, woest gebergte tusschen Attica, Boeotia en Megaris, rijk aan ongeluksmythen (Actaeon, Pentheus, Niobe's kinderen, Oedipus te vondeling gelegd).

Cithara, kithara, kitharis, een muziekinstrument, door Amphion of Linus uitgevonden; het was in vorm nagenoeg gelijk aan onze gitaar en had oorspronkelijk 3 of 4, gewoonlijk 7, later nog meer, eindelijk 15 snaren. Men bespeelde het met de hand of met een plectrum, terwijl men het op den linkerarm liet rusten.

Citium, Kition, een der negen hoofdsteden van Cyprus, op de Zuidkust gelegen. Cimon stierf hier (449).

Cius of Cios, Kios, oude koopstad aan de Z. kust van de Propontis aan den Cianus Sinus, kolonie van Miletus, door de Macedoniërs verwoest, maar door Prusias van Bithynia herbouwd en Prusias geheeten, niet te verwarren met het zuidelijker gelegen Prusa.

Civilis (Iulius, niet Claudius), Batavier van edele afkomst, die in de jaren 69-70 na C. het hoofd was van den bataafschen opstand tegen Rome. Een oogenblik nam de opstand onrustwekkende afmetingen aan. Met andere germaansche stammen vereenigd, behaalden de Batavieren meer dan ééne overwinning en belegerden Castra Vetera (Xanten), dat zij ten laatste ook vermeesterden. Ook in Gallië brak een opstand uit, maar gebrek aan samenwerking en aan de noodige eenheid was oorzaak, dat de Galliër Julius Tutor en later ook Civilis door den rom. veldheer Cerealis verslagen werden. Het gelukte den Romeinen, de Batavieren van hunne bondgenooten te scheiden en naar hun eiland terug te dringen (z. ook Batavodurum), waarop Civilis met Cerealis een eervollen vrede sloot en het oude bondgenootschap der Batavieren met Rome werd hersteld.

Civitas, burgerrecht (eigenlijk ius civitatis of ius Quiritium). Volgens de begrippen der oudheid had alleen de burger van den staat vanzelf aanspraak op de bescherming der wetten. Door verdragen met andere staten kon wederzijdsche bescherming worden verleend, doch in het algemeen beschermden de wetten den vreemdeling niet, tenzij een burger zich zijner aantrok en voor hem optrad. Vandaar de groote beteekenis van het burgerrecht in de oude tijden. Men was burger door geboorte of door schenking van het burgerrecht. De rechten, die het Rom. burgerrecht verleende, kunnen onderscheiden worden in iura privata en iura publica. Tot de iura privata behoorden vooral het conubium en het commercium; tot de iura publica in de eerste plaats het ius provocationis, het recht om zich van een vonnis der overheden op de volksvergadering te beroepen. De rom. burger was tijdens de republiek vrij van onteerende straffen; alleen door de volksvergadering kon hij tot geeseling en doodstraf worden veroordeeld. Het ius suffragii en het ius honorum et sacerdotiorum maakten geen noodzakelijk bestanddeel van het rom. burgerrecht uit. Die het hadden, waren cives optimo iure; die het niet hadden, heetten aerarii (z. a.). Keizer Caracalla schonk in 212 na C. het burgerrecht aan alle vrije inwoners van het rom. rijk, ten einde de successierechten op rom. erfenissen door het geheele rijk te kunnen heffen. Zie ook capitis deminutio en politeia.

Civitates. In de oudheid vindt men in hetzelfde land verschillende volken en stammen, soms wel door een verbond vereenigd, maar toch elk met hun eigen gebied en als zelfstandig geheel. Zoo vormden ook de grieksche volksplantingen aan de Middellandsche zee en hare bijzeeën afzonderlijke staatjes. De Rom. lieten dezen toestand bestaan, en waar zij hem niet vonden, riepen zij hem in het leven, door het land in civitates te versnipperen. Hoever deze versnippering ging, blijkt o.a. hieruit, dat op Sicilia 63 civitates bestonden, ieder door een verdrag aan Rome geketend, doch onderling zonder band, zonder conubium of commercium. (Alleen de burgers van Centuripae hadden recht van grondbezit over het geheele eiland). Zoo stond Rome tegenover een aantal kleine gebiedjes of staatjes en bleef het gemakkelijk meester, en dit is het, wat men onder dividere et imperare te verstaan heeft.

Civitates foederatae, liberae, immunes. In het rom. gebied had men ook vrije steden, civitates liberae, met eigen wetten en eigen rechtspraak, waaraan ook de inwonende Romeinen onderworpen waren. De stadhouder der provincie had dáár geen gezag uit te oefenen en geen recht, zich in de iurisdictio dezer staatjes te mengen. Deze vrije gemeenten waren òf civitates liberae et foederatae, die indertijd vrijwillig een foedus met Rome hadden gesloten op den voet van wederzijdsche gelijkheid van rechten,--òf wel alleen civitates liberae, waaraan de vrijheid door eene wet of een senaatsbesluit was geschonken, hetzij voor betoonde trouw of voor vrijwillige onderwerping. Deze laatste soort was aan geldelijke lasten ten bate der rom. schatkist onderworpen, tenzij zij civitates liberae et immunes waren, waaraan alleen in buitengewone gevallen verplichtingen konden worden opgelegd. De uitdrukking civitas foederata zonder bijvoeging van libera sluit geene vrijheid in. Wanneer men civitates foederatae naast socii gebezigd vindt, moeten onder de eerste de civitates in de provinciën, onder de laatste die in Italia verstaan worden. Zie echter socii.

Cladeus, Kladeos, beek die langs Olympia stroomend in den Alpheus valt.

Clanis, riv. in Etruria, stroomt langs Clusium en valt in den Tiber.

Clanius, rivier in Campania, ten Z. van den Volturnus, aan zijn monding ook Liternus geheeten.

Clarissimi, titel der derde klasse van ambtenaren onder Constantijn.

Clarus, Klaros, stadje in Ionia nabij Colophon, met een tempel en een orakel van Apollo Clarius.

Classiarii. De zeedienst was bij de Rom. veel minder in aanzien dan de krijgsdienst te land. De bemanning der vloot, classiarii, socii navales, werd dan ook uit de armere burgers en uit de vrijgelatenen genomen. In later tijd wordt ook de naam classici gebruikt.

Classici, de burgers, die tot de eerste klasse behoorden. Vanhier de uitdrukking scriptores classici, schrijvers van den eersten rang. Ook = classiarii.

Classicum, trompet- of hoornsignaal, ook gebruikt voor het bijeenroepen der comitia centuriata.

Classis. De rom. burgers waren naar hun vermogen in 5 classes ingedeeld (zie centuria). De eerste klasse werd dikwerf bij uitnemendheid classis geheeten; vandaar de uitdrukking infra classem voor hen, die lager stonden. In het oudere Latijn is classis de onder de wapenen geroepen manschap; vandaar classis procincta, het slagvaardige leger. Ook = vloot. Omtrent de geschiedenis der romeinsche marine valt het volgende te melden. In 426 wordt voor het eerst een zeegevecht vermeld, in 394 gaat een oorlogsschip naar Delphi. In 338 behalen de Romeinen een overwinning ter zee op de Antiaten, in 311 worden de duoviri navales classi ornandae et reficiendae voor het eerst vermeld. In den eersten Punischen oorlog is de vloot zeer belangrijk. Later liet men ze vervallen, of liet men de bondgenooten voor schepen zorgen. Eerst door de troebelen van den zeerooveroorlog komt men er toe weer een voldoende vloot te bouwen (67), en sedert speelt die een groote rol in de burgeroorlogen. Augustus en de latere keizers onderhouden een blijvende vloot, die twee stations heeft, één te Misenum, één te Ravenna. Ook in de provincies had men vloten, o.a. in Egypte, en op den Donau en den Rijn.

Clastidium, stad der Anares (Anamari) in Gallia Cispadana, nabij den Padus (Po) op de grens van Liguria. M. Claudius Marcellus (zie Marcelli no. 29) behaalde hier in 222 eene overwinning op de Galliërs en versloeg eigenhandig hun aanvoerder Virdomarus.

Claternae, stad in Gallia Cispadana aan de Via Aemilia ten O. van Bononia (Bologna).

Claudia (lex) van den volkstribuun Q. Claudius in 218, dat geen senator of senatorszoon een zeeschip mocht hebben van meer dan 300 amphorae (76 hectoliter) inhoud. Hierdoor werd het aan de senatoren onmogelijk gemaakt handel te drijven. Deze maatregel heeft indirekt het grootgrondbezit in Italië in de hand gewerkt, daar de senatoren voortaan hun geld in land belegden.

Claudia (lex) van den consul C. Claudius Pulcher in 177, dat de Latijnen, die zich te Rome ophielden, deze stad moesten verlaten en naar hunne eigene steden terugkeeren. De bedoeling was, de ontvolking der latijnsche steden te voorkomen.

Claudia (lex) van keizer Claudius, een verbod om aan minderjarigen geld te leenen.

Claudianus (Claudius), een der laatste dichters van het west-rom. rijk, ± 400 na C., geb. te Alexandria, bezong in latijnsche verzen den lof en de daden van keizer Honorius en van Stilicho. Epische fragmenten, brieven en kleine gedichten zijn nog van hem overig. Hij schreef niet zonder talent en kracht.

Claudii, een oorspronkelijk sabijnsch geslacht. 1) Atta Clausus verhuisde in 504 uit de stad Regillum, waar hij vele vijanden had, met zijne cliënten naar Rome, waar hij bereidwillig onder de patriciërs werd opgenomen en met de zijnen eene eigene tribus Claudia vormde. Te Rome werd zijn naam veranderd in Appius Claudius met den bijnaam Sabinus Inregillensis. In 495 was hij consul. Hij maakte zich gehaat door zijne trotschheid en hardheid jegens de plebejers en zijne schuldenaars. Alles wat van hem verteld wordt, is verzonnen.--2) App. Claudius Crassus Inregillensis Sabinus, zoon van no. 1, was consul in 471 en in 451, maar trad toen af, om decemvir legibus scribundis te worden. De verhalen omtrent zijn consulaat in 471, en zijn tegenwerking van de volkstribunen en de lex Publilia, zijn verzonnen. Ook alle verhalen omtrent het decemviraat gedurende 451-449 zijn onhistorisch. Volgens deze verhalen zou hij na het gebeurde met Verginia (zie Verginii no. 6) in de gevangenis ter dood gebracht zijn of zich zelven het leven benomen hebben.--3) C. Claudius Sabinus, ook een zoon van no. 1, toonde zich bij verschillende gelegenheden den plebejers zeer vijandig. Alles is ook hier verzonnen.--4) App. Claudius Crassus of Crassinus, heftig bestrijder van de toelating der plebejers tot het consulaat, was in 362 dictator en stierf als consul in 349.--5) App. Claudius Caecus, censor in 312 (v. a. 310), legde als zoodanig de beroemde via Appia en eene waterleiding, aqua Claudia, aan. Hij bleef langer dan zijn ambtgenoot in functie (zie Plautii no. 4) om deze bouwwerken te voltooien. Omtrent zijn verandering in den Herculesdienst zie men Pinarii. Overigens is deze censuur bekend geworden door ingrijpende wijzigingen, vooral hierdoor, dat Cl. niet meer uitsluitend het grondbezit, maar ook het overige vermogen als grondslag voor den census aannam en aan alle burgers, ook aan de vrijgelatenen, toestond, zich in alle tribus te laten inschrijven, alsmede door de willekeurige, tegen de gewoonte indruischende lectio senatus, waarbij zonen van vrijgelatenen, o. a. Cn. Flavius in den senaat werden opgenomen. Zijn geheele werkzaamheid als censor was in democratischen geest en gekant tegen de belangen zijner standgenooten, de patricii. Claudius was consul in 307 en in 296, in welk laatste jaar hij de Etruscers versloeg. Later werd hij blind, doch hield in 279 of 280 in den senaat niettemin de beroemde rede, waardoor hij bewerkte dat de vredesvoorslagen van Pyrrhus van de hand werden gewezen.--6) App. Claudius Caudex streed als consul in 264 tegen de Carthagers op Sicilia.--7) P. Claudius Pulcher, zoon van no. 5, verloor als consul in 249 bij Drepana een zeeslag tegen de Carthagers. De heilige hoenders, die ongunstige voorteekenen gaven, had hij in zee laten werpen. Hij werd later wegens hoogverraad aangeklaagd, en waarschijnlijk veroordeeld. Hij hoorde tot de radicalen, evenals zijn vader.--8) App. Claudius Pulcher, zoon van no. 7, nam deel aan den slag bij Cannae in 216 en het beleg van Syracusae in 213 en stierf aan zijne wonden kort na de inneming van Capua in 211, waaraan hij als consul en proconsul een werkzaam aandeel had. Z. Fulvii no. 4.--9) App. Claudius Pulcher, een zoon van no. 8, streed in 198 en 197 onder T. Quinctius Flamininus in den macedonischen oorlog, in 195 tegen Nabis van Sparta, in 191 onder M'. Acilius Glabrio in den syrischen oorlog, versloeg in 185 als consul de ligurische Ingauni en nam later nog verschillende gezantschappen waar.--10) C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 8, consul in 177, versloeg de Istriërs en Liguriërs, streed in 171 in den oorlog tegen Perseus en werd in 169 censor. Als zoodanig maakte hij zich door zijne gestrengheid gehaat. Hij werd tijdens zijn censuur door den tribunus plebis P. Rutilius van perduellio aangeklaagd, en zou veroordeeld zijn, als niet zijn ambtgenoot Tib. Sempronius Gracchus voor hem in de bres was gesprongen. Van hem is de lex Claudia de sociis Latinis.--11) Claudia Quinta, waarschijnlijk een kleindochter van no. 5. Toen in 204 het schip met het beeld van Cybele (zie Rhea) uit Pessinus te Ostia gekomen was, kon het door de droogte niet naar Rome opgesleept worden. De sage vertelt, dat daarop Claudia Quinta door aan het touw te trekken, beweging heeft gebracht in het schip, en zóó hare kuischheid heeft bewezen. Haar beeltenis stond later in den voorhof van den tempel van Cybele, en bleef bij brand tweemaal ongeschonden.--12) App. Claudius Pulcher, consul in 143, werd eerst door de Salassiërs, een alpenvolk, verslagen, doch behaalde later eene overwinning op hen en hield toen, trots de weigering van den senaat, een zegetocht binnen Rome onder bescherming zijner dochter Claudia, vestaalsche maagd, die op den zegewagen was gesprongen en den arm om haar vader sloeg. Hij was censor in 137. De als volkstribuun bekende Tib. Sempronius Gracchus was zijn schoonzoon. Hij was III vir agris iudicandis adsignandis (zie Agrariae leges), en wordt als zoodanig ook genoemd III vir agris dividendis colonisque deducendis. Hij was princeps senatus. Als redenaar wordt hij door Cicero met lof genoemd.--13) C. Claudius Pulcher, ook als redenaar bekend, tegenstander van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus in het jaar 100, vertoonde als aediel het eerst olifanten bij de openbare spelen in 99. In 95 kreeg hij als praetor de opdracht van den senaat, een nieuwe staatsregeling op te stellen voor de inwoners van Halaesa op Sicilië.--14) App. Claudius Pulcher, praetor in 89, zag in 87 in den burgeroorlog zijn leger tot L. Cornelius Cinna overloopen; hij werd in 86 verbannen, maar keerde met Sulla terug en werd consul in 79; later streed hij voorspoedig als pro-consul van Macedonië tegen de Scordisci. Hij liet zijn kinderen (no. 15-19) in armoede achter.--15) App. Claudius Pulcher, zoon van no. 14, diende onder zijn zwager L. Licinius Lucullus in den oorlog tegen Mithradates in 74-72, en eischte in 72 van Tigranes in Antiochia op hoogen toon de uitlevering van Mithradates. Griekenland (in 61) en Sardinia (56) hadden veel te lijden van zijne roofzucht, evenals Cilicia, waar hij in 53 proconsul was en in 51 door Cicero werd opgevolgd. In 54 was hij consul geweest, in 50 was hij censor en vervolgde in anderen de ondeugden, die hem zelven aankleefden, hebzucht en omkoopbaarheid. Hij was een vijand van Cicero, wiens terugroeping uit de ballingschap hij bestreed. Later haalde hij zich Caesars haat op den hals, moest in 49 Rome verlaten en voegde zich bij Pompeius, die hem tot stadhouder over Griekenland aanstelde. Hij was een goed redenaar. Hij stierf op Euboea kort na den slag bij Pharsalus.--16) C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 14, propraetor van Asia in 55, werd veroordeeld wegens afpersingen, hoewel hij zijn aanklager omgekocht had.--17) P. Clodius (= Claudius) Pulcher, derde zoon van no. 14, was de bekende volkstribuun en doodsvijand van Cicero. Hij was een rustelooze onruststoker, die voor geene daden van geweld terugdeinsde. In den oorlog tegen Mithradates ruide hij ten bate van Pompeius de troepen van zijn zwager Lucullus op, zoodat zij weigerden verder te trekken. In Dec. 62 sloop hij bij gelegenheid van het feest der Bona Dea, dat in het huis van den pontifex maximus Caesar gevierd werd, en waarbij alleen vrouwen tegenwoordig mochten zijn, in vrouwenkleederen Caesar's woning binnen, maar werd ontdekt. Hij werd in 61 wegens incestus aangeklaagd, maar tengevolge van omkooping der rechters vrijgesproken. Van dezen tijd dateert de vijandschap met Cicero, die tegen hem getuigd had. In 59 bewerkte Caesar, die hem als werktuig tegen Cicero en de senaatspartij noodig had, door een lex curiata, waarbij Clodius door een plebejer als zoon werd aangenomen, diens overgang tot de plebs (transitio ad plebem, zie Comitia Curiata Calata), zoodat hij zich voor 58 tot tribunus plebis kon laten kiezen. Toen hij in 58 als volkstribuun Cicero in ballingschap had gedreven en Cato door een eervolle opdracht uit Rome had verwijderd (zie Clodiae leges no. 7), ontzag hij niets of niemand meer en oefende aan het hoofd zijner gewapende benden van slaven en huurlingen te Rome een waar schrikbewind uit. Hij kwam in 52 om bij eene schermutseling tusschen zijne bende en het gevolg van zijn vijand T. Annius Milo op den heerweg bij Bovillae. Zie verder Clodiae leges.--18) Clodia maior, dochter van no. 14, was gehuwd met Q. Caecilius Metelles Celer, wiens dood (59) haar werd geweten. Cicero, dien zij haatte, wreekte zich op haar in zijne oratio pro Coelio, die door haar van giftmengerij was beschuldigd. Zij was de minnares van Q. Valerius Catullus (zie Valerii no. 38) en daarna van M. Caelius Rufus (Caelii no. 4).--19) Clodia minor, dochter van no. 14, was gehuwd met L. Licinius Lucullus.--20) C. Claudius Centho, komt in 200 in den oorlog tegen Philippus van Macedonia als legaat voor.--21) App. Claudius Centho, zoon van no. 20, streed in 174 voorspoedig tegen de Celtiberiërs, in 170 en 169 met afwisselend geluk in Illyria.--22) C. Claudius Nero streed in 214 onder M. Claudius Marcellus op Sicilia, veroverde in 211 als pro-praetor Capua en versloeg in 207 als consul met zijn ambtgenoot M. Livius Salinator bij den Metaurus Hannibals broeder Hasdrubal, die aldaar sneuvelde. In 204 waren beide consuls censors. Hierbij deed zich het ergerlijke tooneel voor, dat beide censoren elkander van de ridderlijsten schrapten, en ook op andere wijze kibbelden.--23) Tib. Claudius Nero was in 202 consul met Scipio Africanus maior. Zijn tocht naar Africa mislukte door storm.--24) Tib. Claudius Nero, dien Cicero gaarne tot schoonzoon had gehad, hield het na Caesars dood eerst met Antonius, later met Sextus Pompeius, en stond vervolgens (38) aan Octavianus zijne vrouw Livia Drusilla af, bij wie hij twee zonen had, den lateren keizer Tiberius en den bekenden veldheer Drusus (zie no. 26).--25) Tib. Claudius Nero, zoon van no. 24, rom. keizer 14-37 na C. Zie Tiberius.--26) Nero Claudius Drusus, gewoonlijk Drusus genoemd, jongere zoon van no. 24 en dus broeder van keizer Tiberius, geb. 38, toen Livia reeds met Octavianus getrouwd was, werd door zijn stiefvader Augustus, wiens vertrouwen hij in volle mate bezat, in 15 uitgezonden om de Alpenvolken, vooral de Raetiers, te onderwerpen, hetgeen hij met zijn broeder Tiberius tot stand bracht. Uit de onderworpen streken werd een nieuwe provincie Raetia et Vindelicia gevormd, waarbij de reeds onderworpen Vallis Poenina gevoegd werd. Daarop werd Drusus in 13 legatus Augusti van de Tres Galliae, met de opdracht, den oorlog tegen de Germanen te voeren (12-9). Eerst versloeg hij de Sugambren, die onder koning Maelo over den Rijn waren gevallen, en voer langs de door hem gegraven fossa Drusiana (z.a.) naar het land der Friezen en Chauken. Hij onderwierp de Friezen (12), de Usipii (11), trok door het land der Sugambri, en legde twee castella aan, n.l. Aliso en één in den Taunus (11). In 9 trok hij door het land der Chatten en Cherusci tot aan de Albis (Elbe), doch overleed toen door een val van zijn paard. Door zijn veldtochten werd Germania tot aan de Elbe bij het Romeinsche rijk gevoegd, en werd eerst weer vrij door de vernietiging van het leger van Varus (9 n. C.). Drusus' dood werd algemeen betreurd. Daar hij evenals zijn broeder Tiberius door Augustus geadopteerd was, behoort zijn zoon Germanicus onder de Caesares, zie Iulii en Germanicus.--27) Claudius Nero, zoon van no. 26 en broeder van Germanicus, rom. keizer, 41-54 na C. Zie Claudius (keizer).--28) Ti. Claudius Caesar Britannicus, zoon van keizer Claudius (no. 27), geboren 41 n. C. Zijne moeder was de zedelooze Valeria Messalina. Hij werd door keizer Nero in 55 vergiftigd, zie Claudius (keizer).--29) Nero Claudius, aangenomen zoon en opvolger van no. 27, rom. keizer, 55-68 na C. Zie Nero (keizer).--30) M. Claudius Marcellus, een der uitstekendste mannen van zijn tijd, onderwierp als consul, 222, Gallia Cisalpina, waarbij hij in den slag bij Clastidium op den gallischen aanvoerder Virdumarus de spolia opima behaalde. Na den slag bij Cannae in 216 redde hij als praetor het overschot van het rom. leger en wist tijdig Nola te bezetten, zoodat de afval verhinderd werd. Een eigenlijke veldslag is toen niet geleverd, maar de moreele uitwerking was er niet minder om. In 215 als consul gekozen, legde hij vitio creatus zijn ambt neder, maar bleef pro consule in de nabijheid van Nola, dat hij wist te behouden. In 214 was hij weder consul, en nam met zijn ambtgenoot Q. Fabius Maximus Cunctator Casilinum in, waarbij hij zich aan trouwbreuk schuldig maakte. Hij ging daarop naar Sicilië, nam Leontini in, en veroorzaakte door zijn gestrengheid den afval van Syracuse. In 213 volgt nu het beroemde beleg van deze stad, die in 211 door hem stormenderhand werd veroverd, waarbij Archimedes omkwam. De stad werd uitgeplunderd. In 210 was hij ten vierden male consul en streed hij tegen Hannibal in Italië, maar richtte niet veel uit. In 208 was hij nogmaals consul, doch viel in eene hinderlaag en sneuvelde. De Rom. noemden hem "het zwaard van den staat" wegens zijne onversaagde dapperheid.--De Marcelli waren de eenige plebejische tak der gens Claudia; zij worden onder de patroni van Sicilia gerekend.--31) M. Claudius Marcellus, zoon van no. 30, ontkwam zwaar gewond aan de hinderlaag, waarin zijn vader sneuvelde. In 196 versloeg hij als consul de Insubriërs, in 189 was hij censor, waarbij hij zich door eene groote mate van zachtmoedigheid onderscheidde.--32) M. Claudius Marcellus, consul in 183.--33) M. Claudius Marcellus, kleinzoon van no. 30, een braaf en edel krijgsman, was consul in 166, 155 en 152, en behaalde lauweren in Gallia Cisalpina, Liguria en Hispania.--34) M. Claudius Marcellus, ten wiens behoeve Cicero in 46 in den senaat zijne oratio pro Marcello hield, was een aanhanger van Pompeius, minder om diens persoon dan om het beginsel. Hij wilde Caesar niet om vergiffenis vragen, en eerst toen deze hem op aandrang van den senaat ongevraagd amnestie verleend had, maakte hij zich op, om naar Rome terug te keeren, doch onderweg werd hij te Athene omgebracht.--35) C. Claudius Marcellus, broeder van no. 34, consul in 49, was een tegenstander van Caesar en volgde Pompeius, maar stierf spoedig.--36) C. Claudius Marcellus, neef van no. 34 en 35, consul in 50, bood aan Pompeius het opperbevel tegen Caesar aan, en week met hem uit, doch verzoende zich later met Caesar. Hij was gehuwd met Octavia, de zuster van Octavianus.--37) M. Claudius Marcellus, zoon van no. 36, werd door Augustus tot zoon aangenomen en huwde diens dochter Julia. Hij was iemand van uitstekende begaafdheden, van wien men algemeen groote verwachtingen koesterde; doch hij stierf plotseling, in het jaar 23, 20 jaar oud te Baiae. Dat hij door Livia zou zijn vergiftigd, is lasterpraat. Hij is het, die door Vergilius (Aen. VI 861-887) verheerlijkt wordt: "Tu Marcellus eris".--38) Marcella, dochter van no. 36, was eerst gehuwd met M. Vipsanius Agrippa en na hare scheiding van dezen (21), met Julus Antonius, zoon van den drieman.--39) Q. Claudius Quadrigarius, rom. annalist, tijdgenoot van Sisenna (Cornelii no. 56), schreef eene kroniek, vermoedelijk van den gallischen brand tot aan Sulla's dood.--40) Claudius Didymus, grammaticus in de 1ste eeuw n. C., schreef een werk, waarin hij de verwantschap van het Latijn en het Grieksch trachtte aan te toonen.

Claudiopolis, zie Bithynium.

Claudius, voluit Tib. Claudius Nero Germanicus, rom. keizer, 41-54 n. C. Hij was de jongere zoon van Drusus (Claudii no. 26) en Antonia minor, en was in het jaar 10 te Lugdunum (Lyon) geboren. Na de vermoording van Caligula, 25 Jan. 41, vonden de praetorianen hem toevallig in het paleis verscholen en plaatsten hem op den troon. Na reeds van twee vrouwen gescheiden te zijn, had hij in 39 de zedelooze Messalina gehuwd, die hem geheel beheerschte. Nadat hij eindelijk tot straf voor hare euveldaden haar had laten ombrengen (48), huwde hij zijne nicht Agrippina, de dochter van zijn broeder Germanicus, wier derde man hij werd. Om haar te believen sloot hij zijn eigen zoon Britannicus Caesar van de regeering uit en nam Agrippina's zoon uit haar eerste huwelijk met Cn. Domitius Ahenobarbus tot zoon en opvolger aan (50). Dit was de latere keizer Nero. Toen Claudius nu ook den onzedelijken levenswandel en de overheersching van Agrippina moede begon te worden, ruimde deze hem door vergif uit den weg. Britannicus was toen nog een knaap van 13 jaar; in het volgende jaar (55) ruimde Nero, door achterdocht en naijver gedreven, ook hem uit den weg door middel van vergif. Claudius was zwak en vreesachtig van aard, en meer geschikt voor de studeerkamer dan voor den troon. Voor hem voerden vooral de vrijgelatenen de regeering: de voornaamste hiervan zijn: Narcissus, ab epistulis, M. Antonius Pallas, a rationibus, C. Julius Callistus, a libellis, en Polybius, a studiis. Cl. ondernam een krijgstocht naar Britannia, doch liet spoedig de verovering daarvan aan zijne generaals over. Onder zijn bestuur werd Mauretania (z. a.) ingelijfd (42). Hij legde een groote zeehaven te Ostia aan, en bouwde twee waterleidingen, de Anio novus en de aqua Claudia. Ook trachtte hij den Fucinus lacus (z. a.) een uitloop te geven. Hij beoefende o. a. de taalkunde en verrijkte het alphabet met drie nieuwe letters, die echter na zijn dood weder in onbruik geraakten. Ook hield hij gaarne redevoeringen. Zie ook Iulii aan het slot, onder d en f.

Claudius II--M. Aurelius Claudius Gothicus--rom. keizer 268-270 na C., opvolger van Gallienus, een Illyriër, die zich reeds onder de keizers Decius en Valerianus als voortreffelijk krijgsman had doen kennen, dreef als keizer de Alemannen en Gothen, die hij bij Naissus in 269 versloeg, naar hun land terug, doch overleed spoedig te Sirmium aan de pest.

Clausus (Atta). Zie Claudii no. 1.

Clavus, spijker. In den muur van den Jupitertempel op het Capitool te Rome werd elk jaar een gouden spijker geslagen volgens overoud gebruik uit den tijd, dat het schrift nog niet algemeen bekend was. Dit geschiedde door een der consuls, of, wanneer deze afwezig waren, door een dictator clavi figendi causa, en wel op de Iden van Sept. (13 Sept.).

Clavus, purperstreep, die van den hals der tunica over de borst tot beneden aan den zoom liep en voor de senatoren breed was (latus clavus, tunica laticlavia), voor de ridders smal (angustus clavus, tunica angusticlavia).

Clazomenae, Klazomenai, eene der 12 ionische steden op de kust van Voor-Azië, ten W. van Smyrna, aan den Sinus Hermaeus, geboorteplaats van den wijsgeer Anaxagoras, den vriend van Pericles. Uit vrees voor de Perzen verhuisde de bevolking voor een groot gedeelte naar een naburig eiland, dat door Alexander later met den vasten wal verbonden werd. De stad bezat fraaie tempels.

Cleander, Kleandros, volksleider te Gela, die zich later tot tyran opwierp, na eene regeering van zeven jaren werd gedood en door zijn broeder Hippocrates opgevolgd (498).

Cleandridas, Kleandridas, Spartaan, werd in 445 door de ephoren met koning Plistoanax als raadsman naar Attica gezonden; later werd hij beschuldigd, dat hij zich door Pericles had laten omkoopen om werkeloos te blijven, en ter dood veroordeeld; hij vluchtte echter naar Thurii, waar hij zich in den oorlog tegen de Lucaniërs onderscheidde. Zijn zoon was de beroemde Gylippus.

Cleanthes, Kleanthes, 1) van Corinthe, een van de oudste grieksche schilders.--2) van Assus, oorspronkelijk vuistvechter, werd later een leerling van Zeno en voorzag des nachts in zijn levensonderhoud door water dragen en deeg kneden. Hij bleef gedurende 19 jaren de lessen van Zeno hooren en volgde hem na zijn dood (264) als hoofd der stoicijnsche school op; op 99-jarigen leeftijd stierf hij, naar men zegt, vrijwillig van honger. Het kwaad is volgens hem niet het werk der goden, maar een gevolg van het onverstand der menschen, en wordt door de goden zelfs weder ten goede geleid. Een lofzang op Zeus van hem is bewaard gebleven.

Clearchus, Klearchos, 1) spartaansch vlootvoogd in de laatste jaren van den peloponnesischen oorlog. Toen hij later (403) Byzantium tegen de Thraciërs zoude verdedigen, maakte hij zich van de alleenheerschappij meester en regeerde hij met geweld en in strijd met de bevelen der ephoren. Om deze reden ter dood veroordeeld, keerde hij niet naar Sparta terug; hij werd aanvoerder van het grieksche leger van den jongen Cyrus, streed in den slag bij Cunaxa en werd na den dood van Cyrus stilzwijgend als leider der grieksche troepen erkend. Hij werd echter kort daarna door Tissaphernes verraderlijk gevangen en gedood.--2) leerling van Plato en Isocrates, later tyran van Heraclea, werd na eene wreede regeering van elf jaar vermoord (364). Hij vestigde te Heraclea eene bibliotheek.--3) van Soli op Cyprus, een van de beste leerlingen van Aristoteles. Hij schreef verscheiden philosophische en historische werken, waarvan nog enkele fragmenten bestaan.

Clearidas, Klearidas, streed in Macedonië onder Brasidas tegen de Atheners en trachtte den vrede van Nicias tegen te werken.

Cleides, Kleides, Kleides, oostkaap van het eiland Cyprus, met voorgelegen eilandjes.

Clemens (T. Flavius) Alexandrinus, presbyter van Alexandrië, waar hij ± 215 n. C. op hoogen leeftijd stierf. In zijne talrijke grieksche geschriften tot verdediging van het Christendom, waarvan drie bewaard gebleven zijn, tracht hij te bewijzen dat het beste van de grieksche philosophie aan de Joden ontleend is. Hij was de leermeester van Origenes.

Cleobis en Biton, Kleobis, Biton, zonen van Cydippe, priesteres van Hera te Argos, trokken op een feestdag den wagen hunner moeder naar den 45 stadiën verwijderden tempel, toen de daarvoor bestemde stieren te laat kwamen. Toen de moeder de godin om haar besten zegen voor hare kinderen gebeden had, sliepen zij in en ontwaakten niet weder.

Cleobulus, Kleoboulos, tyran van Lindus, een van de zeven wijzen (omstreeks 580); zijn spreuk was: metron ariston.

Cleombrotus, Kleombrotos, 1) Spartaan, jongste zoon van koning Anaxandridas en voogd van Plistarchus, den zoon van zijn broeder Leonidas I. Bij den inval van Xerxes in Griekenland, voerde hij het bevel over het grieksche landleger op den Isthmus, vanwaar hij, door een zonsverduistering verschrikt, overhaast terugkeerde; kort daarna stierf hij.--2) Cl. I, koning van Sparta, opvolger van zijn broeder Agesipolis I. Nadat de Spartanen uit de Cadmea verdreven waren, deed hij een inval in Boeotië (378), doch spoedig trok hij terug zonder iets uitgericht te hebben; hij sneuvelde in den slag bij Leuctra, 371.--3) Cl. II werd in plaats van zijn schoonvader Leonidas II koning van Sparta, toen deze wegens zijn verzet tegen de plannen van Agis III was afgezet (242). Toen echter twee jaar later de partij van Leonidas de overhand kreeg, stond Cl. aan hevige vervolgingen bloot, zijn leven werd echter gespaard op de smeekingen van zijne gemalin Chilonis, die met hem in ballingschap ging.

Cleomedes, Kleomedes, 1) beroemd worstelaar uit Astypalaea. Eens had hij bij de olympische spelen de overwinning behaald, maar geen prijs gekregen, omdat hij zijn tegenpartij gedood had; waanzinnig van spijt rukte hij de zuilen van een gymnasium uit den grond, waardoor zestig jongelingen onder de puinhoopen begraven werden. Toen men hem vervolgde, vluchtte hij in den tempel van Athena en werd van daar als de laatste der heroën in den hemel opgenomen.--2) zoon van Lycomedes, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog.--3) schrijver over sterrenkunde (1ste eeuw n. C.), van wien nog eenige werken bestaan.

Cleomenes, Kleomenes, 1) Cl. I, zoon van Anaxandridas, koning van Sparta (520-491), een moedig en ondernemend, maar trotsch en stijfhoofdig man. Zijn eerste onderneming was tegen de Argiven, wien hij door list een gevoeligen slag toebracht; zelfs werd hij aangeklaagd omdat hij de stad Argos niet genomen had, en hij erkende dat hij het had kunnen doen, maar door godsdienstige bezwaren weerhouden was. Later (510) was hij aanvoerder van het leger, dat op bevel van het delphische orakel de Pisistratiden uit Athene verjoeg, en ter wille van zijn gastvriend Isagoras deed hij nog tweemaal een inval in Attica, beide keeren met ongelukkigen afloop, want eerst werd hij op de acropolis ingesloten, en toen hij met een grooter leger terugkwam om hierover wraak te nemen, moest hij door den tegenstand van de Corinthiërs en van zijn ambtgenoot Demaratus onverrichter zake aftrekken. De voorstellen tot een bondgenootschap tegen de Perzen, zoowel van Aristagoras als van de Scythen, vonden bij hem meer gehoor dan bij eenig ander Spartaan. Door Demaratus in zijne plannen tegen Aegina gedwarsboomd, wist hij door omkooping van het delphische orakel een uitspraak te verkrijgen, volgens welke Demaratus niet de zoon van koning Aristo was, zoodat deze van de regeering ontzet werd en zich in ballingschap begaf. Spoedig werd echter het bedrog bekend en Cl. vluchtte naar Thessalië en later naar Arcadië; eindelijk in Sparta teruggekeerd, werd hij waanzinnig, naar men zeide ten gevolge van dronkenschap, en maakte hij op gruwelijke wijze een einde aan zijn leven (489).--2) broeder van den spartaanschen koning Plistoanax en voogd van diens zoon Pausanias, voerde het bevel over het leger dat in 427 in Attica viel.--3) Cl. II, koning van Sparta, zoon en opvolger van Cleombrotus I, regeerde bijna 61 jaar (371-310) zonder dat er van zijne regeering iets te vermelden valt.--4) Cl. III, koning van Sparta, zoon van Leonidas II, dien hij op ongeveer twintigjarigen leeftijd opvolgde, (236), een verstandig, moedig en doortastend man, vol geestdrift voor de plannen van Agis III, waarin hij gesterkt werd door zijne moeder Cratesiclea en zijne gemalin Agiatis, de weduwe van Agis. Daar hij inzag dat hij den steun van het leger noodig had, zoo hij de gewenschte hervormingen tot stand wilde brengen, trachtte hij dit voor zich te winnen door een oorlog tegen het achaeisch verbond, en inderdaad gelukte het hem na eenige kleine ondernemingen, de Achaeërs bij den berg Lycaeus en spoedig daarna (226) bij Leuctrum te verslaan. Nu openbaarde hij zijne plannen aan eenige vertrouwden; door list verwijderde hij zijne tegenstanders, doodde vier ephoren, verbande tijdelijk 80 van de voornaamste oligarchen, maakte zijn broeder Euclidas tot mederegent, schafte het ephoraat af, kondigde schulddelging en nieuwe verdeeling van grondbezit af, vermeerderde het aantal burgers door het opnemen van perioeken, hervormde den raad, en voerde de oude wetten en instellingen weder in. Den oorlog zette hij intusschen met geluk voort, zelfs Argos en Corinthe kozen zijne zijde; toch bood hij vrede aan op voorwaarde, dat de hegemonie van Sparta in de Peloponnesus erkend werd, maar Aratus, vreezend dat het achaeisch verbond daardoor alle macht zou verliezen, vond het beter de hulp van Antigonus Doson in te roepen. Nu ging Argos weder verloren en over het geheel kon Cl., die in dien tijd ook zijne gemalin verloor, zich niet tegen Antigonus staande houden; nadat de oorlog nog eenigen tijd met afwisselend geluk gevoerd was, en Cl. vergeefsche pogingen gedaan had om bij Ptolemaeus Euergetes ondersteuning te vinden, waagde hij bij Sellasia een grooten slag, maar leed een volkomen nederlaag en ontkwam met weinige ruiters (221). Terstond ging hij naar Aegypte om hulp te vragen, maar Ptolemaeus stierf kort daarna, en zijn opvolger Ptolemaeus Philopator liet zich door zijne gunstelingen overreden Cl. gevangen te nemen. Wel ontsnapte hij uit de gevangenis, maar wanhopende aan het bereiken van zijn doel, trachtte hij een opstand onder het volk te verwekken, en toen hij ook hierin geen steun vond, doodde hij zichzelf, 35 jaar oud (219). Zijn lijk werd opgehangen en ook zijn moeder en kinderen werden ter dood gebracht.--5) van Naucratis, werd door Alexander belast met het toezicht op den bouw van Alexandrië en met het innen der belastingen. Wegens zijn hebzucht en afpersingen liet Ptolemaeus hem na den dood van Alexander ter dood brengen, terwijl hij zijne groote schatten verbeurd verklaarde.--6) atheensch beeldhouwer uit de 1e eeuw n. C., van wien een werk, de Germanicus in het Louvre, bewaard gebleven is; de zgn. Venus van Medicis, die hem toegeschreven wordt, is niet van hem.

Cleon, Kleon, zoon van Cleaenetus, leerlooier te Athene, reeds bij het leven van Pericles een van de leiders der radicale partij, werd na diens dood de eerste man van de volkspartij. Hij was het die in 427, na de herovering van Lesbus, dat van de Atheners afgevallen was, doordreef, dat alle weerbare mannen van Mytilene zouden gedood worden, een besluit, dat den volgenden dag in dien zin gewijzigd werd, dat alleen de hoofdschuldigen, volgens waarschijnlijk sterk overdreven berichten ruim duizend in getal, ter dood gebracht werden. Toen in 425 de Atheners 420 Spartanen op het eiland Sphacteria ingesloten hadden, en de Lacedaemoniërs vrede aanboden, drong Cl. erop aan, dat het eiland eerst overgegeven zou worden, zoodat de onderhandelingen afsprongen. Daar echter de inneming van het eiland niet zoo spoedig volgde als men verwacht had, begonnen de Atheners zich over den loop der zaken ongerust te maken, en verweet men Cl. reeds dat door hem de vrede niet was tot stand gekomen. Bij zijne verdediging liet deze zich ontvallen dat, indien de strategen (Nicias en Demosthenes) hun plicht deden, Sphacteria reeds lang in hunne macht moest zijn, waarop Nicias, die in de vergadering tegenwoordig was, terstond aanbood hem zijne betrekking tijdelijk af te staan. In het eerst sloeg Cl. dit aanbod van de hand, maar door het volk gedwongen het aan te nemen, beloofde hij zich binnen twintig dagen van het eiland te zullen meester maken, en met de hulp van Demosthenes vervulde hij zijne belofte. Daardoor kwam hij in groot aanzien, waarvan hij o. a. gebruik maakte om door verschillende financiëele maatregelen middelen te verschaffen om den oorlog krachtiger te voeren. In 422 werd hij met een leger naar Thracië gezonden, waar hij aanvankelijk eenig voordeel behaalde, maar den slag bij Amphipolis tegen Brasidas verloor, bij welke gelegenheid hij op de vlucht gedood werd. Zie ook dikastikon. Cl. wordt beschreven als een onopgevoed, baatzuchtig en overmoedig man, die de laagste hartstochten van het volk vleide en zijne meening meer door woorden, soms zelfs meer door schreeuwen, dan door argumenten deed zegevieren. Men heeft opgemerkt dat zijne tijdgenooten, die melding van hem maken, in de politiek zijne tegenstanders waren, en dat dus vermoedelijk hun oordeel aan overdrijving, misschien zelfs aan partijdigheid, lijdt; toch schijnt uit de feiten, die omtrent hem bekend zijn, te mogen worden opgemaakt, dat hij een man was van niet geringen aanleg en vol vaderlandsliefde, doch van weinig beschaving, in zijne geheele politieke richting en bij iedere bizondere gelegenheid door zijn haat tegen de Spartanen en de aristocratie tot uitersten geneigd, en dat hij in ieder geval de groote gaven miste, waardoor zijn voorganger Pericles het volk op den rechten weg had weten te houden.

Cleonae, Kleonai, stad in Argolis; ten W. lag Nemea; vandaar Cleonaeus leo dichterlijk = nemeïsche leeuw. Ook eene stad aan den berg Athos op Chalcidice, met een gemengde bevolking.

Cleonymus, Kleonymos, 1) Athener, die om zijne lafheid dikwijls door Aristophanes bespot wordt.--2) zoon van Cleomenes II, werd bij den dood van zijn vader (310) wegens zijne vijandschap met den anderen koning Areus van de regeering uitgesloten en aan het hoofd van een troep huurlingen naar Italië gezonden, om de Tarentijnen tegen de Lucaniërs bij te staan. Hij voerde den oorlog over het geheel met geluk, maar toen de Tarentijnen vrede sloten, nam hij Corcyra en viel hij Thurii en andere steden in Beneden-Italië aan, totdat hij door de Romeinen verdreven werd. Bij zijne avontuurlijke tochten naar de kusten der Adriatische zee verloor hij leger en vloot. In 293 streed hij ongelukkig tegen Demetrius Poliorcetes en in 272 trachtte hij met Pyrrhus van Epirus zich te vergeefs van Sparta meester te maken.

Cleopatra, Kleopatra, 1) dochter van Boreas en Orithyia, z. Calaïs.--2) dochter van Idas en Marpessa, gehuwd met Meleager, na wiens dood zij zich van verdriet ophing.--3) tweede vrouw van Philippus van Macedonië, na wiens dood Olympias haar met hare kinderen liet vermoorden.--4) dochter van Philippus en Olympias, gehuwd met Alexander van Epirus, na diens dood met Perdiccas. Toen ook deze gestorven was, koos zij onder de macedonische veldheeren, die haar ten huwelijk vroegen, Ptolemaeus tot echtgenoot, maar Antigonus hield haar gevangen en liet haar waarschijnlijk vermoorden (308).--5) dochter van Antiochus III, z. Ptolemaeus no. 9 en 10.--6) dochter van Ptolemaeus V, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus VI, later met haar anderen broeder Ptolemaeus VII, z. Ptolemaeus no. 10 en 11.--7) dochter van Ptolemaeus VI Philometor, gehuwd met Alexander Balas, daarna, toen deze van den troon gestooten was, met Demetrius Nicator, en nadat deze door de Parthen gevangen genomen was, met Antiochus Sidetes. Toen Demetrius terugkwam, liet zij hem en hun zoon Seleucus vermoorden, maar niet lang daarna werd zij door haar anderen zoon gedwongen den gifbeker te drinken.--8) jongere dochter van Ptolemaeus VI en Cleopatra no. 6, gemalin van Ptolemaeus VII, z. Ptolemaeus no. 11, 12 en 13.--9) dochter van Ptolemaeus VII, gehuwd met Antiochus IX.--10) dochter van Ptolemaeus Auletes, geb. 69, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus XII. Spoedig werd zij door de voogden van Ptolemaeus, Achillas en Pothinus, wegens hare eerzuchtige plannen verdreven en reeds trachtte zij zich met geweld recht te verschaffen, toen Caesar te Alexandrië kwam en besliste, dat de beide echtgenooten gezamenlijk zouden regeeren. Wel veroorzaakte deze beslissing groote ontevredenheid en kwam Caesar zelfs in vrij groot gevaar, daar Ptolemaeus echter in een gevecht sneuvelde, bereikte Cl. haar doel. Op bevel van Caesar, die door hare buitengewone schoonheid geheel betooverd was, huwde zij met haar jongsten broeder Ptolemaeus XIII, ook kwam zij naar Rome, waar Caesar's liefde voor haar zoo groote ontevredenheid verwekte, dat zij na zijn dood moest vluchten. Na den slag bij Philippi ontmoette zij Antonius te Tarsus, en nam hem door hare bekoorlijkheden zoo voor zich in, dat hij haar naar Alexandrië volgde, haar op zijne tochten door Azië medenam en toeliet dat zij, na het vermoorden van haar broeder en zuster, alleen over Aegypte heerschte. Zoo groot was haar invloed op hem dat, toen zij in den slag bij Actium in het heetste van het gevecht de vlucht nam, Antonius haar volgde en daardoor de oorzaak was van de nederlaag der zijnen. Toen hij zich daarna gedood had en Cl. zag, dat Octavianus ongevoelig was voor hare schoonheid, en vreesde, dat hij haar in triumf naar Rome wilde voeren, doodde zij zich, naar men beweerde door den beet eener vergiftige slang (30).--11) bijgenaamd Selene, dochter van Antonius en Cleopatra, door haar vader met Cyrenaica begiftigd en door Octavianus aan Juba uitgehuwd.--12) dochter van Mithradates, gehuwd met Tigranes van Armenië.

Cleophantus, Kleophantos, een van de oudste grieksche schilders, de eerste die verf op zijne teekeningen aanbracht.

Cleophon, Kleophon, 1) invloedrijk volksleider te Athene in de laatste jaren van den peloponnesischen oorlog, verzette zich hardnekkig tegen den vrede en werd daarom door de oligarchische partij van het een of ander aangeklaagd en door een onder hun invloed staande rechtbank ter dood veroordeeld (404).--2) atheensch treurspeldichter, v. s. dezelfde als de vorige.

Clepsydra, klepsydra, 1) een wateruurwerk, in inrichting gelijk aan onze zandloopers, doch met water gevuld. Oorspronkelijk dienden zij om den tijd te meten, gedurende welken een redenaar voor het gerecht mocht spreken, men had echter ook grootere (horologia), die natuurlijk langer liepen en door eene indeeling of schaal den verloopen tijd aanwezen.--2) bron op de acropolis te Athene.--3) bron op den berg Ithome.

Cleruchia, klerouchia, eigenlijk een land, waar volgens het oorlogsrecht veroveraars de oorspronkelijke bevolking onderworpen en het grondbezit onder elkander verdeeld hadden; in het bizonder atheensche volkplantingen, waarvan de grondeigenaars atheensche burgers bleven, desverkiezende te Athene konden blijven wonen en hunne burgerrechten uitoefenen, maar ook tot den krijgsdienst en andere lasten verplicht waren en geen eigen rechtspraak hadden. Terwijl volkplantingen anders nieuwe staten vormen, blijven de cleruchiën, waarvan sedert 506 vele gesticht werden, deelen van den atheenschen staat. Ook in het rijk der Ptolemaeën vindt men klerouchoi; dit zijn actief dienende soldaten, die een stuk staatsland in bezit hebben, welk bezit dikwijls in eigendom overgaat. Deze worden ook katoikoi genoemd.

Cleta, Kleta, bij de Spartanen eene van de Chariten.

Clidemus, Clitodemus, Kleidemos, (Kleitodemos), schreef in de 4e eeuw eene attische geschiedenis (Atthis) e. a. geschiedkundige werken.

Clientes. Vóór het ontstaan der plebs vond men te Rome een stand van hoorigen of halfvrijen, die, naar het schijnt, volgens oud-italisch gebruik, onder de bescherming of het patronaat der burgers stonden en daarentegen ook zekere bepaalde verplichtingen tegenover hunne patroni hadden. Over de wederzijdsche verhouding dezer beide standen zie men het artikel patronus. Ook vreemden, die zich te Rome wilden vestigen, moesten in den oudsten tijd, daar zij geene rechtspersoonlijkheid bezaten, zich onder de rechtspersoonlijkheid van een burger stellen (applicatio), en derhalve zich in clientela begeven, indien zij de bescherming der wetten wilden genieten. In verloop van tijd loste het cliëntschap zich op in de plebs. Men neemt gewoonlijk aan, dat de cliënten van het platteland in 457, toen het aantal volkstribunen van 4 op 10 gebracht werd (zie tribuni plebis), vrij verklaard zijn. Anderen dateeren die vrijwording reeds van koning Servius Tullius. De cliënten moeten scherp onderscheiden worden zoowel van slaven als van plebejers.--In lateren tijd komt de naam cliënten terug voor de bezoldigde visitemakers bij de rom. grooten, bij wie zij ook wel als anteambulones dienst deden. Zij werden voor hunne bezoeken en diensten beloond, hetzij met een mandje eetwaren (sportula), hetzij met geld. De aanzienlijke Romein, wiens receptiën zij dus hielpen opluisteren, wordt dan tegenover hen rex geheeten.

Climax, Klimax, "trap", een berg in het O. van Lycia, het begin van den Taurus. Hij komt ook onder den semietischen naam Solyma voor (ook = trap). In de Ilias komen de Solymers als vijanden der Lyciërs voor. De naam van den berg komt van een trap, die in den bergpas is uitgehouwen. Ook een gebergte in Coelesyria heette Climax.

Climberris = Elimberris.

Clinias, Kleinias, 1) vader van Alcibiades, een zeer rijk man, sneuvelde bij Coronea (447); ook een jongere broeder en een neef van Alcibiades droegen dien naam.--2) pythagoreïsch wijsgeer, tijdgenoot van Plato.--3) verdienstelijk staatsman te Sicyon, omstreeks 264 vermoord. Hij was de vader van Aratus no. 1.

Clio, Kleio, de Muze der geschiedenis, wordt afgebeeld met een rol papier in de hand.

Clipeus, aspis, rond, dekselvormig schild, in den regel van op elkander gelegde lagen leder gemaakt en niet metaal bekleed, of wel uit teenen gevlochten en dan met leder en metaal bedekt.--Ook noemt men in de badhuizen aldus het deksel van den oven, waaruit de heete lucht uit de stookplaats in de heete badkamer stroomde.

Clisthenes, Kleisthenes, 1) tyran van Sicyon (596-565), uit het huis der Orthagoriden, trachtte den oud-ionischen stam, waartoe hij zelf behoorde, boven de Doriërs, die Sicyon vroeger van Argos uit veroverd hadden, te verheffen en over het geheel alle banden los te maken, die Sicyon met Argos verbonden. Daartoe trachtte hij in de eerste plaats den eeredienst van den argivischen heros Adrastus door dien van Dionysus te verdringen, hij verbood de voordrachten der rhapsoden, omdat zij Argos en argivische sagen bezongen en veranderde ook de namen der dorische stammen, die hij Hyaten, Oneaten en Choereaten noemde (met toespeling op hys, onos, choiros), terwijl zijn eigen stam den naam Archelai kreeg. Hij stond aan het hoofd van het leger der Amphictyonen, toen de inwoners van Crissa wegens hun heiligschennis gestraft werden. Zijn rijkdom toonde hij door de schitterende wijze, waarop hij allen, die zijne dochter Agariste tot vrouw begeerden, een jaar lang onthaalde.--2) Athener, kleinzoon van den vorigen, zoon van den Alcmaeonide Megacles en Agariste, stelde zich na den val der Pisistratiden aan het hoofd der volkspartij en hervormde de staatsregeling van Solon in democratischen geest. Wel gelukte het zijn aristocratischen tegenstander Isagoras door de hulp van Cleomenes I hem voor korten tijd te verdrijven, maar de gewelddadige handelingen van Cleomenes verwekten zoo groote verbittering, dat Cl. spoedig terugkeeren kon. Over zijne hervormingen z. Boule, Demoi, Ostracismus, Phyle. Later zoude hij, misschien met het oog op de vijandige houding van Sparta, getracht hebben met den perzischen satraap van Sardes betrekkingen aan te knoopen, en zou het volk hem daarom uit wantrouwen verjaagd hebben (505).

Clitarchus, Kleitarchos, 1) zoon van Dinon, beschreef de geschiedenis van Alexander d. G. in gezwollen stijl en met allerlei fabelachtige berichten doormengd; toch werd hij door latere schrijvers als Diodorus, Curtius e. a. veel gebruikt, daar men, waarschijnlijk ten onrechte, meende dat hij Alexander op zijn tochten vergezeld had.--2) tyran van Eretria onder bescherming van Philippus van Macedonië, werd door de Atheners onder Phocion verdreven.

Clitodemus = Clidemus.

Clitomachus, Kleitomachos, 1) beroemd om zijne vele overwinningen in de isthmische en pythische spelen, behaalde eens drie prijzen op één dag.--2) Carthager, eigenlijk Hasdrubal genaamd, leerling van Carneades, na wiens dood (129) hij ongeveer twintig jaar hoofd der academie was; zijne talrijke geschriften, v. s. 400, zijn verloren; Cicero heeft ze echter gebruikt o. a. in zijn werk: de divinatione.

Clitor, Kleitor, sterke stad en riviertje in het N. van Arcadia.

Clitumnus, riviertje in Umbria, met een tempel van den god Clitumnus.

Clitus, Kleitos, 1) zoon van Mantius, werd door Eos geschaakt.--2) bijgenaamd de Zwarte, veldheer van Alexander d. G., redde hem het leven in den slag bij den Granicus en was sedert een van zijne gunstelingen; hij werd bevelhebber van de lijfwacht en satraap van Bactrië. Alex. doodde hem in dronkenschap bij een drinkgelag, toen Cl. hem ergerde door zijne al te vrijmoedige taal.--3) bijgenaamd de Witte, voerde na Alex.'s dood de veteranen terug, overwon in den lamischen oorlog de Atheners ter zee, werd landvoogd van Lydië, van waar Antigonus hem na twee jaar verdreef, overwon, als admiraal van Polyperchon, Antigonus en Cassander bij Byzantium ter zee, maar sneuvelde den dag daarna (318).

Clivus Capitolinus, de weg, die van het Forum te Rome naar boven leidde naar den Mons Capitolinus.

Cloaca Maxima, het groote afvoerkanaal in Rome, dat oorspronkelijk diende om de lage gronden in den omtrek van het latere Forum droog te leggen, en later uitgebreid en overdekt, tevens het huiswater van een gedeelte van de stad naar den Tiber afvoerde. Het oudste gedeelte dateert nog uit den koningstijd. Het werk bestaat nog, en is weer in gebruik genomen. Het begint bij de laagte tusschen Oppius en Cispius, loopt dan onder het Argiletum door naar het Forum, en vervolgens door het Velabrum en het Forum Boarium, tot het tusschen den Pons Aemilius en den kleinen rondtempel in den Tiber mondt. Het woord is afgeleid van cloare = reinigen.

Cloacina, volgens de gewone opvatting een bijnaam van Venus, zij had een heiligdom bij het Comitium te Rome, dat naar men meende, reeds bestond sedert de vereeniging van Rom. en Sabijnen. In werkelijkheid is het de godin der Cloaca Maxima (z. a.) en heeft zij met Venus niets te maken.

Clodia (via). Deze weg liep van Rome door Etruria ten W. van den Lacus Sabatinus over Saturnia en Rusellae en sloot zich vervolgens aan de via Aurelia aan. V. a. vereenigt hij zich voorbij Blesa wederom met de via Cassia (z. a.) en loopt dan van Florentia naar Luca en Forum Clodii.

Clodiae (leges) van den volkstribuun P. Clodius Pulcher, in 58. 1) lex frumentaria, dat de korenuitdeelingen om niet zouden plaats hebben.--2) lex de auspiciis, dat op de dagen, waarop wetgevende comitia gehouden werden, geene andere auspicia mochten genomen worden en dus geene obnuntiatio zou kunnen plaats grijpen. Bovendien werden de leges Aelia et Fufia opgeheven, zie servare de caelo.--3) lex de collegiis, tot herstel der in 64 bij senaatsbesluit opgeheven gilden en demagogische genootschappen, collegia compitalicia.--4) lex de censoria notione, dat de censoren niemand mochten bestraffen, die niet formeel bij hen was aangeklaagd en door beiden schuldig was bevonden.--5) lex de capite civis Romani, dat wie een rom. burger zonder rechterlijk vonnis had ter dood gebracht (gelijk Cicero met Catilina's eedgenooten had gedaan), zou verbannen worden. Deze wet werd nader uitgewerkt door een tweede, waarbij aan Cicero, nu met name genoemd, het verblijf binnen 400 mijlen van Rome werd ontzegd (aqua et igni interdictio).--6) lex de provinciis consularibus, waarbij aan den consul L. Calpurnius Piso Caesoninus Macedonia en Achaia, aan den consul A. Gabinius Syria werd opgedragen. Het doel was, hen gunstig te stemmen, opdat zij zich niet tegen Cicero's verbanning zouden verzetten.--7) lex de rege Ptolemaeo, dat koning Ptolemaeus van Cyprus zou onttroond worden en zijn land en bezittingen tot eigendom van het rom. volk zouden worden verklaard, en dat M. Porcius Cato (minor) deze wet zou ten uitvoer leggen. Het doel der wet was eigenlijk, Cato op eene fatsoenlijke manier uit Rome te verwijderen.--8) lex de suffragiis libertinorum, dat de vrijgelatenen ook in de tribus rusticae zouden kunnen stemmen. Deze wet kwam echter niet tot stand.

Clodii = Claudii. Eenige leden der gens Claudia schreven hun naam met o in plaats van au, zie Claudii no. 17-19.

Clodius Albinus. Zie Albinus.

Clodius Macer (L.), generaal van Nero in Africa, had zich bij den opstand van Vindex en Galba tegen Nero (voorjaar van 68) half onafhankelijk gemaakt, maar werd na Nero's dood wegens zijne roofzucht door Galba gevonnisd.

Cloelii of Cluilii, patricische gens, afkomstig uit Alba Longa. 1) C. Cloelius, volgens de overlevering koning van Alba Longa, voerde oorlog tegen Rome tijdens Tullus Hostilius en stierf gedurende den veldtocht, waarop Mettius Fuffetius dictator van Alba werd.--2) Cloelia, rom. maagd, die, onder de gijzelaars aan Porsena uitgeleverd, ontsnapte en over den Tiber naar Rome terugzwom. De senaat zond haar naar Porsena terug, doch deze stelde haar in vrijheid en schonk haar een fraai opgetuigd paard, terwijl hij ook nog een aantal andere gijzelaars te harer keuze losliet. De Rom. richtten voor haar een standbeeld te paard op.--3) Q. Cloelius Siculus, consul in 498, benoemde zijn ambtgenoot T. Larcius Flavus tot eersten dictator.

Clotae aestuarium, golf op de Westkust van Caledonia (Schotland), thans Firth of Clyde.

Clotho, Klotho, de spinster, eene van de Moerae, wordt voorgesteld met een haspel, waarmede zij 's menschen levensdraad spint.

Cluentii. 1) L. (v. a.) A. Cluentius, italiaansch generaal in den marsischen oorlog, bij Nola gesneuveld, in 89.--2) A. Cluentius Habitus, vader en zoon, bekend door de schitterende oratio pro Cluentio van Cicero in 66.

Cluilii = Cloelii.

Clupea, rom. naam voor de stad Aspis in Africa, z. a.

Clusium, Klousion, vroeger Camers geheeten, de voornaamste der 12 etrurische hoofdsteden, residentie van Porsena, wiens praalgraf in de nabijheid was. De stad was zeer sterk. De belegering van Clusium door de Galliërs gaf aanleiding tot hun tocht naar Rome in 390. Het speltmeel van Clusium (far Clusinum) was om zijne fijnheid zeer gezocht.

Clusius, bijnaam van Janus (z. a.).

Cluvii, een campaansch geslacht, dat zich te Rome vestigde.--1) Pacula Cluvia voorzag de Romeinen, die te Capua door Hannibal werden gevangen gehouden, van levensmiddelen.--2) M. Cluvius bestuurde Cicero's geldzaken.--3) Cluvius Rufus, geschiedschrijver, bekleedde onder Claudius en Galba verschillende ambten. In zijne geschiedenis beschreef hij den tijd van Caligula tot Vitellius. Tacitus heeft hem als bron gebruikt.

Clymene, Klymene, 1) Oceanide, gehuwd met Iapetus, moeder van Atlas, Menoetius, Prometheus, Epimetheus.--2) bij Prometheus moeder van Deucalion.--3) bij Helius moeder van Phaëthon, later gehuwd met den aethiopischen koning Merops.--4) dochter van Minyas, bij den arcadischen koning Iasius moeder van Atalante.--5) dochter van Catreus, werd op bevel van een orakel door haar vader verstooten en aan een zeeman Nauplius (no. 3) gegeven om haar te verwijderen, bij wien zij moeder werd van Palamedes en Oeax.--6) v. s. een bloedverwante van Menelaus, dienares van Helena, met wie zij naar Troje ging; na de inneming der stad werd zij aan Acamas gegeven.--7) bijnaam van Persephone.

Clymenus, Klymenos, 1) zoon van Cardys, stelde vijftig jaar na den zondvloed van Deucalion de olympische spelen weder in.--2) zoon van Presbon, koning van Orchomenus in Boeotië, schoonvader van Nestor, stierf aan eene wonde, die hem bij een wedren door een thebaanschen wagenmenner werd toegebracht.--3) bijnaam van Hades.

Clypea = Clupea.

Clypeus = clipeus.

Clysonymus, Klysonymos, zoon van Amphidamas, speelmakker van Patroclus, die eens bij het dobbelspel twist met hem kreeg en hem doodsloeg.

Clytaemnestra, Klytaimnestra, (waarschijnlijk beter Clytaemestra, Klytaimestra, dochter van Tyndareos en Leda, gemalin van Agamemnon (z. a.). Zij regeerde na diens dood met Aegisthus over Mycenae en Argos totdat Orestes, volwassen geworden, zijn vader wreekte en beiden doodde.

Clytia, Klytia, Oceanide, door Apollo bemind. Toen de god ook voor Leucothoë liefde had opgevat, verried Cl. dit uit jaloerschheid, waarop Leucothoë door haar vader levend begraven werd. Daarom kreeg Apollo een afkeer van haar, en uit verdriet onthield zij zich van spijs en drank en verkwijnde zij, totdat zij in een zonnebloem veranderd werd.

Clytius, Klytios, 1) een van de Giganten.--2) zoon van Alcmaeon en de dochter van Phegeus, die na den dood van zijn vader naar Elis vluchtte; hij was de vader van Piraeus en de stamvader der Clytiaden, een beroemd waarzeggersgeslacht in Elis.--3) naam van eenige Trojanen.

Cnemides, Knemides, versterkte stad aan den Cnemis in het gebied der Locriërs.

Cnemis, Knemis, berg op de Zuidgrens der Epicnemidische Locriërs.

Cnidia, Knidia, bijnaam van Aphrodite naar de stad Cnidus, waar een beeld van die godin stond, dat door Praxiteles gemaakt was en voor een van de belangrijkste kunstwerken der oudheid gold.

Cnidus, Knidos, dorische stad tot de Hexapolis Dorica behoorende, op de uiterste punt van de Chersonesus Cnidia; de stad lag tusschen twee havens, die door een kanaal verbonden waren. Op de uiterste punt, het voorgebergte Triopium, lag de tempel van Apollo, waar de bondsvergaderingen der aziatische Doriërs plaats vonden, en hun gemeenschappelijke feesten gevierd werden. Cnidus zelf is in de heele oudheid beroemd om den tempel van Aphrodite Euploia, met het door Praxiteles vervaardigde beeld der godin.

Cnosus, later Cnossus, ook met Gn. geschreven, Knosos, stad op de Noordkust van Creta, in voorhistorische tijden (2400-1200) de koningszetel van een machtig volk met een zeer interessante, hoog ontwikkelde beschaving; wie de dragers waren dezer beschaving, weten we nog niet; we kunnen echter twee tijdperken onderscheiden, die van de vóór-grieksche, en die van de achaeische heerschappij. Omstreeks 1000 vervalt deze cretensisch-myceensche beschaving, en in den historischen tijd is de stad dorisch, met de havensteden Amnisus en Heracleum. Een herinnering aan den vroegeren glans en de vroegere heerlijkheid is bij het grieksche volk levendig gebleven door de sagen van Minos, den Minotaurus en het Labyrinth, van Daedalus en Icarus en van Ariadne. Cnosia tellus = Creta, Cnosia, Cnosis, Cnosias = Ariadne, Cnosia stella = het sterrenbeeld de kroon van Ariadne. De opgravingen der laatste jaren hebben het oude paleis der vorsten van Cnosus blootgelegd.

Coactores. Coactores agminis, soldaten van de achterhoede, die tegen desertie uit de gelederen moesten waken,--Coactores exactionum, of coactores argentarii, personen, wier werk het was, verschuldigde gelden te innen. De vader van Horatius was coactor.

Cocalus, Kokalos, koning op Sicilië, die Daedalus gastvrij opnam toen hij van Creta vluchtte, en Minos doodde toen hij hem kwam opeischen. Uit dankbaarheid versierde Daedalus zijn rijk met vele kunstwerken. V. a. had hij Daedalus willen uitleveren, waarop deze 's konings badkamer zoo overmatig liet verwarmen, dat deze stikte.

Cocceii, aanzienlijk geslacht, waarschijnlijk uit Umbria. 1) L. Cocceius Nerva, vriend van Octavianus, voerde de onderhandelingen tusschen dezen en Antonius. Later stelde hij met Maecenas en Asinius Pollio te Brundisium de voorwaarden op van de overeenkomst tusschen Antonius en Octavianus (herfst 40). In 37 werd hij wederom naar Brundisium gezonden met Maecenas en Fonteius Capito; Horatius en Vergilius maakten de reis mede. Tengevolge daarvan kwam het verdrag van Tarente tot stand.--2) M. Cocceius Nerva, bekwaam jurist, was een der weinigen, die het vertrouwen van Tiberius bezaten. Uit verdriet over diens handelingen liet hij zich doodhongeren (33).--3) M. Cocceius Nerva, rom. keizer, een kleinzoon van no. 2. Zie Nerva.

Coche, Koche, stad aan den Tigris nabij Ctesiphon.

Cocles, zie Horatii.

Cocosates, volksstam in Aquitania, aan den Aturus (Adour).

Cochlear, een soort eierlepel, waarvan de steel spits uitliep, om b. v. schelpdieren en slakken te eten. Een groot soort lepel heet ligula (z. a.).

Cocylium, Kokylion, aeolische stad in Mysia.

Cocytus, Kokytos, rivier in Epirus, tak van den Acheron. In de voorstellingen één van de rivieren in de onderwereld, evenals de Acheron, de Pyriphlegethon en de Styx. In de onderwereld is de Cocytus een arm van de Styx.

Codanus Sinus, het Kattegat. Soms ook wordt de geheele Oostzee zoo genoemd.

Codex, een blok hout, een strafblok aan het been. Ook eene verzameling wastafeltjes om op te schrijven, van achteren aaneengehecht, evenals onze leitjes. Vervolgens ook een boek van papier of perkament, ingenaaid. Ten slotte ook een wetboek, b.v. codex Iustinianeus. Codex accepti et expensi = kasboek.

Codicilli (zie codex), kleine wastafeltjes tot een notitieboekje vereenigd, om aanteekeningen te maken, ook om als brief verzonden te worden, toevoegsels tot een testament te maken, en dgl. Zie Cera.

Codrus, Kodros, zoon van Melanthus, laatste koning van Attica. Bij een inval van de Doriërs had een orakel den Atheners de overwinning voorspeld als hun koning sneuvelde, waarop C. zich verkleed in het kamp van de vijanden begaf, twist zocht en gedood werd. De Doriërs trokken toen ontmoedigd af, en de eupatriden schaften het koningschap af, onder voorwendsel dat niemand na C. de regeering waardig was.

Coela (plur.), ta Koila tes Euboias, het vlakke gedeelte van Euboea langs de Oostkust tusschen de kapen Caphareus en Chersonesus.

Coele, he Koile, zuidwestelijke voorstad van Athene, tusschen de lange muren.

Coelesyria, he koile Syria, sedert de macedonische verovering de dalstreek tusschen den Libanon en den Antilibanon, met de bronnen van den Orontes en de stad Heliopolis (Baälbek). In het rom. tijdperk breidde de naam Coelesyria zich uit over het land ten O. van den Antilibanon, waar Damascus lag, zelfs tot Palmyra.

Coelii = Caelii no. 1-3.

Coelius mons = Caelius mons.

Coelossa, Koilossa, berg in Sicyonia.

Coëmptio, eene der vormen, waaronder een rom. huwelijk kon worden gesloten. Zij berustte op het recht van den pater familias, om zijne kinderen te verkoopen. Ten overstaan van vijf getuigen en een libripens, die de weegschaal hield, stond de vader zijne dochter aan den bruidegom af. Deze laatste tikte daarbij met een geldstuk tegen de schaal, eene zinnebeeldige voorstelling van het betalen van den koopprijs. Door zulk een huwelijk kwam de vrouw in de manus van haar echtgenoot (zie manus). Vóór de eigenlijke handeling der coemptio plaats had, gaf de bruid op de vraag van haar aanstaanden echtgenoot haar toestemming tot het huwelijk, zoodat zij door den verkoop geen slavin werd, maar naast haar man eene vrije positie innam. Over de coëmptio cum extraneo fiduciae causa zie men het artikel tutela.

Coena, de hoofdmaaltijd der Rom., die gehouden werd na afloop der hoofdbezigheden van den dag, tusschen 2 en 4 uur volgens onze wijze van tijdverdeeling. In den oudsten tijd was de coena echter om 12 uur; het avondeten heette toen vesperna. Men gebruikte den maaltijd in den ouden tijd in het atrium, daarop een tijd lang op de bovenverdieping, die cenaculum heet, vervolgens in het triclinium. Oudtijds zat men aan tafel, daarop volgde een tijd, waarin de mannen op grieksche wijze aan tafel lagen, terwijl vrouwen en kinderen zaten. Tegen het eind van de republiek was het aanliggen (accubare), behalve voor de kinderen, algemeen in gebruik. In den ouden tijd bestond de maaltijd uit twee gangen; de tweede (mensae secundae) bestond uit vruchten: una carnis fuerat, altera pomorum; bij den tweeden gang werd gedronken: una epularum, altera poculorum. In den keizertijd bestond de coena van den gegoeden burger uit drie gangen (fercula): 1) een voorgerecht, gutus, gustatio, promulsis, uit eieren, schelpdieren, visch, radijs, olijven, of salade bestaande, alles eenigszins pikant toebereid om den eetlust op te wekken;--2) het caput coenae, gewoonlijk uit twee of drie gangen bestaande;--3) de mensae secundae, nagerecht of dessert, dat uit versche en gedroogde vruchten en gebak bestond. Ook bij den gewonen burgerstand had men drie fercula, maar eenvoudiger; er werd veel kool en varkensvleesch gegeten, ook jonge geiten en verder kippen. Tusschen de verschillende gerechten hield men gewoonlijk een kleine pauze, die besteed werd aan gezellig onderhoud of voorlezen of het uitvoeren van muziek of vertooningen door de slaven. Voor en na den maaltijd en ook tusschen de gangen wiesch men zich de handen, wat des te meer noodig was, omdat men geen vorken kende, en dus met de vingers at. Vóór de mensae secundae bad men tot en offerde men aan de Lares en den Genius van den pater familias, later ook aan den Genius van den keizer. Wat in later tijd de maaltijden der rijken zoo kostbaar maakte, was niet zoozeer de wijze van toebereiding als wel het opdisschen van spijzen, die zeldzaam of moeielijk te verkrijgen waren. Z. deipnon.

Coenus, Koinos, een van de dapperste generaals van Alexander d. G., schoonzoon van Parmenio, stierf op den terugtocht uit Indië (326).

Coërcitio is het recht, dat de ambtenaren behalve de quaestoren hebben, om de burgers tot eerbied en gehoorzaamheid aan hun verordeningen te dwingen. De dwangmiddelen waren: doodstraf, geeseling, boete (multae dictio), hechtenis en pignoris capio; alleen de magistratus cum imperio en de tribuni plebis konden, voor zoover de provocatie-wetten hierop geen inbreuk maakten, al deze straffen aanwenden; de censoren en aedilen hadden alleen de multae dictio en de pignoris capio. De magistratus cum imperio hadden de coërcitio tegen de magistraten, wier imperium geringer was dan het hunne, en tegen de mag. sine imperio. De tribunen hadden dit recht tegen alle magistraten, later zelfs tegen den dictator, terwijl zij aan niemands coërcitio onderworpen waren.

Uit de coërcitio, die ook in den keizertijd blijft bestaan, heeft zich door de provocatiewetten de eigenlijke strafrechtpleging (iudicatio) ontwikkeld, en de strafrechtpleging der stadhouders van de provinciën berust op het ius coërcitionis.

Coës, Koes, aanvoerder der Mitylenaeërs, die Darius op zijn tocht tegen de Scythen volgden. Hij was het die aanried de brug over den Donau niet af te breken, waarvoor hij later beloond werd met de tyrannie over Mytilene. Bij het uitbreken van den opstand der Ioniërs werd hij gedood.

Coetae, Koitai, volksstam in oostelijk Pontus, verkeerde lezing voor Taochoi.

Coeüs, Koios, een van de Titanen.

Cognatio, natuurlijke bloedverwantschap door gemeenschappelijke afstamming. Zie agnati.

Cognitio, gerechtelijk onderzoek door de overheid in eene rechtszaak, ook wel de beslissing.

Cognitor, 1o identiteitsgetuige, d.i. een Romeinsch burger, die in een vreemd land gerechtelijk van een ander verklaart, dat hij insgelijks een Rom. burger is, en de persoon is, voor wien hij zich uitgeeft.--2o zaakwaarnemer in privaatzaken.--3o in later tijd degene, aan wien de cognitio (z. a.) toekomt, rechter van instructie.

Cognomen. Zie nomen.

Cohors als krijgsterm beteekent in de eerste plaats eene vereeniging van troepen als afdeeling van een legioen. Twee centuriae van hetzelfde wapen vormden een manipulus. Sedert den tweeden punischen oorlog vereenigde men twee manipels tot eene cohorte. Omtrent de normale sterkte van een legioen z. Centuria. Was het noodig het legioen te versterken, dan werd het getal hastati en principes in elke centurie vermeerderd, niet echter dat der triarii of pilani. Ten gevolge van verschillende hervormingen deels van Marius afkomstig, deels van Caesar, bestond in Caesars tijd het legioen uit 10 cohorten, en elke cohorte uit 6 centuriën of 3 manipels, zooals de figuur aanwijst. Bij de opgaaf van de getalsterkte der cohorten worden de velites niet medegerekend, en wanneer men b.v. van cohortes quingenariae leest, moet men dit getal aldus verdeelen, dat elke cohorte uit het vaste getal van 60 triarii of pilani en verder uit 220 principes en 220 hastati bestaat. Onder Augustus werd de eerste cohorte van ieder legioen op de dubbele sterkte der overige gebracht: zij telde 1000 soldaten, 100 onderofficieren of decani en 5 centuriones, en werd cohors milliaria genoemd, terwijl de andere cohorten 555 man voetvolk hadden, n.l. 500 soldaten, 50 decani en ook 5 centuriones. Aan de eerste cohorte waren 132, aan elke der andere 66 geharnaste ruiters toegevoegd.--In lateren tijd wordt cohors ook van eene afdeeling ruiterij gebezigd.--Ook van de hulptroepen, door de bondgenooten geleverd, wordt meermalen het woord cohortes gebruikt.

Cohors praetoria, de garde of lijfwacht van den veldheer of stadhouder, ook wel met inbegrip van zijn staf en zijn geheele gevolg van officieren, ambtenaren, vrienden en dienaren. Het eerst heeft Scipio Africanus minor in den numantijnschen oorlog zoo'n lijfwacht opgericht.

Cohortes praetoriae. Augustus richtte een gardecorps op van 9 cohorten, elk 1000 man sterk, waarvan er echter niet meer dan 3 te Rome in garnizoen lagen, die bij de burgers ingekwartierd werden en buiten dienst de toga mochten dragen, weshalve zij ook wel cohortes togatae worden genoemd. Deze garde had hooger soldij en korter diensttijd dan de overige troepen. Hiervan onderscheiden is de bataafsche lijfwacht, de corporis custodes (z. a.). Op aansporing van Seianus liet keizer Tiberius voor de praetorische cohorten eene vaste legerplaats, castra praetoria, bouwen in den N.O. hoek van Rome. Vitellius ontbond de praetoriaansche garde, omdat zij voor Otho tegen hem had gestreden, en richtte eene nieuwe van 16 cohorten op. In de geschiedenis van Rome speelden de praetorianen eene groote rol: keizers werden door hen op den troon geplaatst en vermoord, éénmaal zelfs, in 193 na C., verkochten zij de keizerlijke waardigheid aan den meestbiedende. Keizer L. Septimius Severus ontbond de garde in 194 en verving ze door een andere. Onder Constantijn werd zij afgeschaft en hare legerplaats afgebroken. In het eerst stond de garde onder twee praefecti praetorio, tijdens Tiberius onder één, later weder onder één of twee of drie.

Cohortes urbanae, eene soort van gendarmerie, door Augustus opgericht, om voor de openbare veiligheid te Rome te zorgen. Eerst waren er 3; Vitellius bracht het getal op 4. Zij stonden onder den praefectus urbi. Later smolten zij met de praetorianen samen.

Cohortes vigilum, zeven in getal, voor elk tweetal wijken één, eene soort van brandweer en politie, door Augustus ingesteld. Zij stonden onder een praefectus vigilum.

Colchis, Kolchis, landschap aan den O.-hoek van den Pontus Euxinus (Zwarte zee), ten Z. van den Caucasus, ten N. van Armenia, door den Phasis doorsneden. Het land was moerassig, zoodat de woningen voor een deel op palen moesten gebouwd worden, doch het was zeer vruchtbaar en leverde o.a. timmerhout, hennep, pek, honig, was, vooral vlas en linnen, en ook goud op. Van de boorden van den Phasis zijn de fazanten, aves Phasianae, afkomstig. De bewoners van de vlakte hadden een donkere huidkleur en kroeshaar, en leken op de Aethiopiërs, zoodat Herodotus vermoedt, dat ze uit Aegypte hierheen verplaatst zijn. Aan de kust lagen de milesische koloniën Phasis en Dioscurias. Mithradates VI maakte het gewest tot eene pontische provincie; daarna werd het aan Rome cijnsbaar. De mythe noemt het Aeaea of Aea en plaatst er de gouden ramsvacht, bekend uit de sagen van den Argonautentocht en van Iason en Medea. Bij dichters is Colchis meermalen = de Colchische vrouw, d. i. Medea.

Colias, Kolias, kaap op de Westkust van Attica dicht bij Phalerum, waar fijne porceleinaarde werd gevonden. Er stond een tempel van Aphrodite.

Collatia, latijnsche stad aan den Anio, door Tarquinius Priscus veroverd, de woonplaats van L. Tarquinius Collatinus en Lucretia.

Collatinus, zie Tarquinii no. 3.

Collegae zijn niet slechts ambtgenooten, maar ook overheden, die onder gelijke auspiciën gekozen zijn. Zoo zijn de praetoren collegae minores der consuls, de magister equitum een collega minor van den dictator. Op de par potestas der collegae berust het ius intercessionis, dat ze tegenover elkaar kunnen uitoefenen.

Collegium, 1) collegie van ambtgenooten, b.v. collegium pontificum.--2) corporatie tot eenig bepaald doel, b.v. collegia tenuiorum, begrafenisfondsen.--3) gilden van ambachtslieden, collegia opificum.

Collina, eene der vier regiones, waarin Servius Tullius de stad Rome verdeelde. Deze regio omvatte den collis Quirinalis en den collis Viminalis.

Collina (porta), noordoostelijkste poort van Rome in den muur van Servius Tullius.

Collybus, kollybos, agio bij de geldwisselaars.

Collytus, Kollytos, demus in Attica tot de phyle Aegeis behoorende.

Colonae, Kolonai, naam van twee steden, eene in Troas ten Z.W. van Neandria, en eene in Mysia.

Colonatus. Colonus beteekent oorspronkelijk boer, maar wordt later gewoonlijk in de beteekenis van pachtboer gebruikt. De boerderijtjes zijn klein; de pachttermijn is gewoonlijk 5 jaar, maar wordt dikwijls stilzwijgend vernieuwd; en daar de colonus gewoonlijk geen geld heeft, wordt de pacht in natura betaald. De groote landgoederen, die zich sinds den 2den Punischen oorlog in Italië vormden (z. Latifundia), lieten de eigenaars of bezitters liefst door slaven bewerken (z. Agrariae leges); de wet, die hen dwong een zeker aantal vrije daglooners in dienst te hebben, werd niet uitgevoerd of ontdoken. Toen echter door de slavenopstanden (z. Spartacus) de slaven in aantal ontzettend afnamen of onbetrouwbaar werden, namen de eigenaars weer een tijd lang hun toevlucht tot het pachtsysteem. In den keizertijd nam echter in Italië het gebruik van slaven, de uitbreiding der latifundia en de ontvolking, die daarmede gepaard pleegt te gaan, weer hand over hand toe. In de provinciën, vooral in Africa, waaromtrent wij het best zijn ingelicht, is het grootgrondbezit ook schrikbarend. Op de groote landgoederen (saltus) hetzij van particulieren, hetzij van den keizer, vindt men daar naast het huis en het bedrijf van den landheer uitsluitend kleine pachters, coloni, die tengevolge van de slechte ekonomische toestanden, daar anders het bedrijf niet meer loonend is, langzamerhand gedwongen worden op hun grond te blijven wonen (glaebae adstricti). Deze saltus of praedia worden tot groote distrikten (tractus) bijeengevoegd, en aan het verband met het municipium waartoe ze oorspronkelijk behoorden, onttrokken. Verschillende contracten, waaraan die coloni gebonden waren, zijn in de laatste twintig jaar in Africa teruggevonden. Het oudste contrakt, lex colonis fundi villae Magnae data ad exemplum legis Mancianae dateert van het jaar 116 of 117 n. C. In de 4de eeuw n. C. worden de verplichtingen van hoorigheid ook in de wetgeving opgenomen, en strenge strafbepalingen vastgesteld op het verlaten van de hofstede. Men werd colonus of door geboorte, of door vrijwillig zich aan te melden. Ook zwervers en landloopers werden aan een eigenaar uitgeleverd. Men werd slechts vrij door dienst te nemen, of, later, door priester of monnik te worden. Hun toestand wordt in den loop der eeuwen hoe langer slechter. Omtrent den oorsprong van het kolonaat tast men nog vrijwel in het duister. Sommige geleerden meenen, dat, al zijn de vormen, waaronder deze hoorigheid zich voordoet, ook niet oostersch, toch de oorsprong er van in de hellenistische wereld gezocht moet worden.

Colonia, 1) Grieksche koloniën. Wanneer eene grieksche stad overbevolkt dreigde te worden, werd eene commissie uitgezonden, om op eene nog niet door Grieken in bezit genomen kust eene geschikte plaats te vinden voor den bouw eener nieuwe stad. Was zulk een punt gevonden, dan werd een deel der bevolking als vrijwillige landverhuizers daarheen overgebracht en van de noodige hulpmiddelen voorzien, en er verrees eene zelfstandige stad, die wel in den beginne de bescherming der moederstad genoot, maar toch niet afhankelijk van haar was. Het geval van Potidaea, dat jaarlijks zijn eersten magistraat uit Corinthus kreeg, is uitzondering, geen regel. Wel bleef er een band van piëteit tusschen de metropolis en de kolonie bestaan, als tusschen moeder en dochter, en de afgezanten der moederstad hadden bij de openbare feesten eene eereplaats, doch de burgers der eene hadden daarom nog geen aanspraak op het burgerrecht der andere. Zie ook Cleruchia. De uitzending eener kolonie had onder zekere plechtigheden plaats, zooals het medenemen van vuur uit het prytaneum der moederstad, en ook werd geene grieksche kolonie gesticht zonder dat eerst een of ander orakel was geraadpleegd. Natuurlijk waren er behalve de bovengenoemde reden nog andere redenen tot stichting van volkplantingen. Bij inwendige verdeeldheid kon het gebeuren, dat de onderliggende partij besloot uit te wijken. Ook de verovering van een staat door machtiger vijanden kon aanleiding tot landverhuizing geven. Ook handelsbelangen speelden eene rol, en menige kolonie is gesticht om in afgelegen zeeën aan de koopvaarders der moederstad een veilig station te verschaffen. Met de inboorlingen van hun nieuw vaderland hadden de kolonisten vaak een hardnekkigen strijd te voeren. Overwonnen de Grieken, dan ontwikkelde zich in den regel een betrekking van perioeci, doch menigmaal ook bezweken zij, zooals b.v. de grieksche steden op de kust van Voor-Azië zich aan de lydische koningen moesten onderwerpen.--2) Romeinsche koloniën. De Romeinen zonden met een geheel ander doel koloniën uit, en wel niet naar onbewoonde plaatsen, maar naar bestaande steden in pas veroverd gebied, om daar als voorposten wacht te houden. Het waren militaire posten, propugnacula imperii. De nieuwe kolonisten kregen voor zich en hunne gezinnen woningen en landerijen, die door de oude bezitters moesten worden ingeruimd. Ze vormden een afzonderlijke gemeente. Voor een klein deel waren het coloniae civium Romanorum, d. w. z. de uitgezonden kolonisten waren rom. burgers, die ook in hunne nieuwe woonplaats het volle burgerrecht behielden. Hiertoe behooren o. a. de coloniae maritimae. Deze hebben, omdat zij met de verdediging der kust belast zijn, militiae vacationem sacrosanctam, waarmede echter in den tweeden punischen oorlog geen rekening gehouden werd. De meeste coloniae waren col. latinae (zie hieronder); vaak werden ook Romeinsche burgers naar veroverde streken gezonden, zonder een bepaalde colonia, d.w.z. een stad met gemeentebestuur, te vormen; men spreekt dan van assignationes viritanae. Zie ook onder het artikel Agrariae leges: Lex Sempronia agraria van C. Gracchus. De oude inwoners, inquilini, werden als dediticii, overwonnelingen, beschouwd. Evenwel werd hun nu en dan toegestaan, zich als coloni te laten inschrijven. Toen geheel Italia het burgerrecht bezat, hadden de coloniae geen militaire beteekenis meer.--Deze gewoonte, koloniën als militaire bezetting uit te zenden, was in Italia algemeen. Het latijnsche stedenverbond deed het ook, en tusschen 493 en 340, d. i. van de stichting van het romeinsch-latijnsch-hernicisch bondgenootschap tot aan den laatsten latijnschen oorlog, werden door de bondgenooten bondskoloniën uitgezonden. Na de onderwerping van Latium bevolkten de Romeinen sommige koloniën met Latijnen. In tegenstelling der vroegere coloniae latinae werden deze coloniae latinae populi romani geheeten; zij waren 39 in getal, o. a. Ariminum, Brundisium, Cremona, Placentia, en hadden het ius Latii.--Een andere soort van coloniae waren die, welke nu en dan werden uitgezonden om Rome te ontlasten van behoeftige, dikwerf oproerige burgers. Dit waren landbouwkoloniën. De vestiging dezer laatste dagteekent van den tijd der Gracchen. In de burgeroorlogen werd het gewoonte, dat de overwinnaar zijne soldaten met grondbezit beloonde. Zoo wees Sulla niet slechts vele landerijen, waarvan de eigenaars omgekomen of gevlucht waren, aan zijne soldaten ter verdeeling toe, maar ook den grond van verschillende mariaanschgezinde steden, waarvan de inwoners eenvoudig uit huis en hof verdreven werden. Evenzoo wees Octavianus in 41 en 40 acht steden in Gallia Transpadana, tot straf voor hunne gehechtheid aan de zaak van Brutus en Cassius, aan zijne legioenen toe, bij welke gelegenheid ook Vergilius uit zijn eigendom verdreven werd. Dit zijn coloniae veteranorum.--De uitzending van koloniën had volgens eene speciale wet plaats en werd geregeld door opzettelijk hiertoe gekozen commissarissen, meestal drie, III viri coloniae deducendae.

Colonia Agrippina, stad der Ubii of Agrippinenses, aldus in 50 n. Chr. genoemd ter eere van Germanicus' dochter Agrippina. Het was de hoofdstad van Germania Inferior. In den lateren keizertijd is de stad zeer belangrijk als grensvesting, en nu en dan zetel van den keizer. Thans Keulen aan den Rijn.

Colonus, Kolonos, demus in Attica, ten N. van Athenae, geboorteplaats van Sophocles, met een tempel van Poseidon, eene grot der Eumeniden en het graf van Oedipus.

Colophon, Kolophon, aziatisch-ionische stad met de havenstad Notium door muren verbonden, beroemd door zijne vloot en zijne voortreffelijke ruiterij. Vandaar het spreekwoord Kolophona epitithenai = eene zaak haar beslag geven. Toch werd de stad meer dan eens ingenomen. In het nabijgelegen Clarus was een beroemd orakel van Apollo. Colophon was de geboorteplaats van den elegieëndichter Mimnermus en maakte ook aanspraak op Homerus.

Colossae, Kolossai, vroeger eene aanzienlijke stad in het Z. van Groot-Phrygia, doch allengs door naburige plaatsen overschaduwd, in Strabo's tijd nog slechts een stadje. Hier was een van de eerste christelijke gemeenten.

Colosseum, zie Amphitheatrum.

Colotes, Kolotes, leerling van Epicurus, verdedigde in verscheiden werken de leer van zijn meester, en viel daarbij de oudere wijsgeeren soms hevig aan.

Columbar, als strafwerktuig vermoedelijk een houten bord, waarin men zóó gesloten werd, dat hoofd en handen er door staken. Het werd slechts voor slaven gebezigd.

Columbarium, duiventil; ook een grafkelder met een aantal rijen van nissen boven elkander om lijkbussen in te plaatsen. Zie de teekening op bldz. 187. Onder elke nis was op een plaatje de naam van den overledene vermeld. Er waren algemeene columbaria, waarin men eene plaats kon koopen.--Ook de roeigaten van een schip worden aldus genoemd.

Columella (L. Iunius Moderatus) geboren te Gades, leefde in het midden der eerste eeuw na C. en leverde een smaakvol en vloeiend geschreven werk de re rustica in 12 boeken; hiervan is het 10de boek, over den tuinbouw, in navolging van Vergilius, in hexameters geschreven.

Columna. Hoewel bij verschillende volken der oudheid verschillende vormen van zuilen in gebruik waren, kunnen hier slechts de grieksche en rom. worden besproken, en wel in hoofdtrekken de dorische, ionische en corinthische zuilen. Bij de grieksch-dorische orde rijst de schacht der zuil zonder voetstuk als het ware uit den bodem op; deze schacht is voorzien van ondiepe, aaneensluitende groeven, cannelures geheeten, en bereikt eene hoogte van ongeveer 4,5 à 5 maal hare benedenmiddellijn. Op de schacht rust het bovenstuk of kapiteel, capitulum, kephalaion. Het onderste deel van dit kapiteel is de hals, hypotrachelion, een voortzetting der schacht door eene insnijding of een lijstje er van gescheiden, en soms met ringvormige lijnen versierd. Daarop rust de eierlijst, echinus, echinos, en op deze weder de vierkante dekplaat of abacus, abax. Op de dekplaten rust dan de draagbalk of architraaf van den bovenbouw. Bij de rom.-dorische zuil is de schacht meestal glad, en wanneer zij soms gecanneleerd is, zoo strekken de groeven zich toch slechts over het bovenste tweederde deel uit, terwijl het ondereinde glad blijft. Soms rust de zuil op een voetstuk of basement, eene cirkelvormige schijf met bolronde kanten, torus.--De grieksch-ionische zuil bereikt gemiddeld eene hoogte van 8 maal de middellijn der beneden-doorsnede; de schacht rust op een voet van kussens, door holle randen, trochiloi, gescheiden. De cannelures zijn dieper dan bij de dorische zuil, en niet aaneensluitend, maar door smalle, gladde bandjes gescheiden. Het kapiteel is minder eenvoudig dan het dorische. De hals is met figuren versierd, evenzoo de eierlijst. Daarop rust een dekstuk als een veerkrachtig kussen, aan weerszijden in spiraalvormige krullen, zoogenaamde voluten, uitloopende. Dit dekstuk draagt den abacus en deze wederom den architraaf. De rom.-ionische krul mist de welving in het midden en maakt hierdoor niet den indruk van veerkracht, dien de grieksche maakt. Ter verklaring van de grootere slankheid der ionische zuil vergeleken met de dorische diene het volgende: De ionische zuil is oorspronkelijk een binnenzuil geweest, aan de binnenzijde van een gebouw aangebracht, tot schoring van het dak. Ze was dus oorspronkelijk van hout, maar tegen de vochtigheid van den bodem geplaatst op een steenen onderstel, hetgeen de basis dezer zuil verklaart. Later werd de zuil in steen gecopieerd, en ook aan de buitenzijde aangebracht. De dorische zuil is in den regel van steen geweest, slechts bij het Heraeum te Olympia en bij den ouden tempel te Delphi waren de zuilen van hout. De zuilen worden om het gebouw aangebracht, en hullen het als het ware in een mantel in; men noemt dit de peristasis.--De corinthische zuil onderscheidt zich van de ionische door den rijkdom van haar kapiteel, dat in tal van variatiën met bladvormen en vlechtwerken is versierd. Zie de teekening op blz. 190. Oorspronkelijk waren het acanthusbladeren. Vooral de Rom. hebben dit kapiteel met allerlei versieringen aangewend. Bij de Grieken is de corinthische zuil op de wijze der ionische gegroefd, bij de Rom. dikwerf glad. Echt rom. is onder al de drie zuilenorden de vierkante voet of plint, die soms vrij hoog is.

Columna M. Aurelii, op de Piazza Colonna te Rome, naar het model van de Columna Traiani, door Keizer M. Aurelius opgericht ter verheerlijking zijner krijgsdaden. De zuil is 100 rom. voet (29,6 M.) hoog en omgeven door reliefs in 23 windingen; de onderste helft verheerlijkt het bellum Germanicum, den oorlog tegen de Marcomannen en Quaden (172-173 n. C.), de bovenste helft het bellum Sarmaticum, den oorlog tegen de Sarmaten, Iazygen en Quaden (174-175). Bovenop staat tegenwoordig een standbeeld van den apostel Paulus.

Columna bellica, kleine zuil voor den Bellona-tempel te Rome, ten N.W. van den mons Capitolinus. Bij deze zuil werd oudtijds het formulier der oorlogsverklaring uitgesproken.

Columna Maeniana, zuil op het Comitium te Rome, met een balkon er op, genoemd naar haren bouwmeester C. Maenius. Bij deze zuil werden slaven, dieven en gemeene misdadigers gestraft.

Columna rostrata, zuil met scheepssnebben versierd, opgericht ter eere der overwinning van C. Duillius op de Carthagers in 260.

Columna Traiani. Onder de verschillende zuilen te Rome is vooral die van Traianus merkwaardig. Zij is van wit marmer, 117 voet hoog en van binnen met een wenteltrap van 180 treden voorzien. Bovenop stond het standbeeld des keizers; thans staat er dat van den apostel Petrus. Buitenom zijn spiraalsgewijze en relief tafereelen uit den dacischen veldtocht aangebracht, uit meer dan 2500 figuren bestaande.

Columnae Herculis, twee bergen aan het fretum Gaditanum (straat v. Gibraltar), n.l. Calpe in Europa en Abyla in Afrika, volgens de mythe door Heracles vaneengescheiden, om de beide zeeën te vereenigen. Romeinsche zeelieden gaven bovendien dien naam aan het toen uit twee afzonderlijke rotsen bestaande Helgoland.

Colyttus, Kolyttos = Collytus.

Comaetho, Komaitho, dochter van Pterelaus, koning der Taphiërs. Uit liefde voor Amphitryo, die de Taphiërs beoorloogde, sneed zij haar vader het gouden haar af, waarvan het behoud van zijn leven afhing; Amphitryo liet haar wegens haar verraderlijk gedrag dooden. Vgl. Nisus.

Comana, ta Komana, naam van twee steden, de eene in Cappadocia aan den Sarus gelegen, de andere in Pontus aan den Iris. Beide steden hadden een tempel, aan de gewapende godin Mâ gewijd, waar tempelslavinnen wapendansen uitvoerden. Vooral de pontische tempel met zijne 6000 hierodulen had een uitgestrekt landbezit, en de opperpriester er van genoot een koninklijk aanzien. Misschien hebben die gewapende vrouwenscharen aanleiding gegeven, om in die streek aan den Thermodon de woonplaats der Amazonen te stellen.

Comes, sedert Constantijn den Grooten een titel voor hooge staats- en hofbeambten, als: comes stabuli, keizerlijk opperstalmeester, comes sacrarum largitionum, minister van finantiën, e. a. Zie ook Illustres. Er waren comites in actu, in dienst, vacantes, buiten dienst, en ook honorarii.

Cominii, plebejisch geslacht.

Cominium, stad in Latium aan de grenzen van Samnium, ten N. van Atina, door de Romeinen verwoest (293).

Comissatio, een drinkgelag als voortzetting der coena, meestal tot diep in den nacht.

Comitia zijn vergaderingen, waar het romeinsche volk, na het waarnemen der auspicia, volgens een zijner politieke indeelingen bijeenkwam en waar een stemming plaats had. Het recht zulke vergaderingen samen te roepen en te leiden (ius agendi cum populo) kwam, behalve bij de com. curiata calata, alleen toe aan de hoogere overheidspersonen.

Comitia curiata calata zijn volksvergaderingen, die vroeger door den koning, later door den pontifex maximus werden bijeengeroepen (calare) tot zekere sacrale handelingen, waarbij de tegenwoordigheid van het volk voldoende was en geene stemming plaats had. Ze kwamen bijeen voor de Curia Calabra op het Capitool, en werden in de oudste tijden gehouden tot inauguratie van den koning, de flamines en later van den rex sacrificus, tot het maken van testamenten (testamentum comitiis calatis factum), bij arrogatio uithoofde der detestatio sacrorum, tot afkondiging van den feestkalender, bij de transitio in plebem, enz.

Comitia curiata waren de oudste soort van volksvergadering op het gebied van wetgeving en verkiezing. Men stemde er naar curiën, zoodat er 30 stemmen werden uitgebracht. Toen de wetgevende macht op de centuriaatcomitiën was overgegaan, werd toch aan de magistraten, die het noodig hadden, het imperium door eene curiaatvergadering verleend (lex curiata de imperio).

Comitia centuriata waren die, waarin het volk naar classes en centuriae stemde. Zie centuria. Het kwam dus op den census aan, niet op geboorte. Elke centurie bracht ééne stem uit, er waren derhalve 193 stemmen. Waren de 80 centuriën der eerste klasse en de 18 riddercenturiën eenstemmig, dan behoefde reeds de tweede klasse niet meer ter stemming te worden opgeroepen. De centuriaatcomitiën worden bijeengeroepen in de eerste plaats voor de verkiezing der hoogere ambtenaren, in de tweede plaats voor de wetgeving; deze ging echter in den loop der tijden gedeeltelijk op de comitia tributa, gedeeltelijk op het concilium plebis over. Consuls brachten hun wetsvoorstellen steeds (behalve als ze in de oppositie waren) ex auctoritate senatus voor de com. cent. Twee bevoegdheden van wetgevenden aard bleven uitsluitend aan de c. centuriata voorbehouden: 1º. het recht om oorlog te verklaren (lex de bello indicendo), 2º. het recht om aan de censores na hun benoeming de potestas te verleenen (lex de censoria potestate). Ook hadden zij de rechtspraak in lijfstraffelijke zaken, die haar echter sedert 149 door de quaestiones perpetuae meer en meer werd onttrokken.--Op een niet juist bekend tijdstip, vermoedelijk tusschen 241 en 218, had er eene samensmelting der centuriën en der tribus plaats. Volgens de meest aangenomen gissing werden de burgers van elke tribus naar hunnen census en hun leeftijd in 10 centuriën gesplitst, van elke klasse een cent. seniores boven 45 jaar, en een cent. iuniores van 17-45 jaar. Dit gaf voor de 35 tribus 350 centuriën, 70 in elke klasse. Wanneer men daarbij 18 c. ridders, 2 c. werklieden, 2 c. muzikanten en 1 c. proletariërs voegt, krijgt men een totaal van 373 centuriën en even zooveel stemmen. Zelfs bij volkomen eenstemmigheid moest dan na de stemming der eerste klasse en der ridders niet slechts de tweede klasse, maar na deze ook nog de derde ter stemming worden opgeroepen, om eene volstrekte meerderheid te verkrijgen. Anderen geven weer andere oplossingen aan de hand, die allen hierop gebaseerd zijn, dat volgens Cicero het aantal stemmen steeds 193 gebleven was. Alleen zeker is dat de eerste classis in elke tribus in een centuria seniorum en een c. iuniorum gesplitst was.

Comitia tributa. Zuivere tribuutcomitiën zijn die, waarin alle stemgerechtigde burgers tributim kunnen stemmen en elke tribus ééne stem uitbrengt. Over de tribuutvergaderingen der plebs onder voorzitterschap harer tribunen, zie men het artikel concilia plebis. Op het voetspoor der volkstribunen maakten ook andere overheden van de gelegenheid gebruik, het volk tributim op te roepen, omdat de tribuutvergaderingen, althans in den beginne, aan geene auspiciën gebonden waren en dus minder omslag vereischten. De lex Aternia Tarpeia droeg in 454 aan deze comitia de rechtspraak op in boetezaken boven een zeker bedrag. In 447 werd hun de verkiezing der magistratus minores opgedragen. De eerste wet in comitiis tributis aangenomen was de lex de vicesima manumissionum, waarover de consul Cn. Manlius, in het kamp voor Sutrium, het leger tribusgewijze liet stemmen (Zie lex Manlia). Wetten van politieken aard zijn er overigens in de com. trib. slechts weinig voorgesteld en aangenomen. Het meest bekend zijn de leges tributae praetoriae, wetten tot regeling van het privaatrecht, die ex auctoritate senatus door den praetor urbanus werden ingediend. De lex Domitia, 104, bracht ook de verkiezing der priester-collegiën aan de tribus, doch op dezen voet, dat door het lot 17 (minor pars) van de 35 tribus zouden worden aangewezen voor de stemming, en dat de door haar gekozenen door het collegie moesten worden gecoöpteerd. Dit zijn de comitia sacerdotum.

Comitiales dies, de dagen, waarop comitia mochten gehouden worden (quibus cum populo agi licet). Er zijn er tegen het einde van de republiek ongeveer 190. Uitgesloten waren de dies nefasti, de dies fasti, en de nundinae. In den kalender worden ze aangeduid met een C. Op de nundinae mochten wel vergaderingen van de plebs (concilium plebis) gehouden worden.

Comitium, een vierhoekig plein, dat ten N. aan het forum grensde, waar oudtijds de comitia curiata plaats hadden en, voor het Forum ingericht was, ook als marktplein diende. Het lag veel hooger dan het Forum. Aan de Noordzijde lag de Curia Hostilia, ook stonden er de ambtszetels van de tribuni plebis. Later werd een groot gedeelte van het plein ingenomen door de nieuwe Curia Julia.

Commagene, Kommagene, het noordelijk gedeelte van Syria met de hoofdstad Samosata aan den Euphraat, die hier nog niet bevaarbaar was. Aan den anderen kant werd het gewest door den Taurus en den Amanus ingesloten. Na Alexander d. Gr. was het onder een zijtak der Seleuciden geruimen tijd een zelfstandig rijk. Tiberius veroverde het in 17 na C.; Caligula gaf het terug; Vespasianus maakte het weder tot rom. provincie. Onder Diocletianus en Constantijn droeg het, met Cyrrhestice vereenigd, den naam Euphratensis of Augustophratensis.

Commeatus. Onder dit woord verstaat men niet slechts toevoer van levensmiddelen, maar ook het verlof aan de soldaten. Hoewel het recht om commeatus te verleenen eigenlijk alleen aan den veldheer toekomt, schijnen de centuriones, evenals bij het verleenen van vacationes munerum (zie Beneficiarius miles), hierin handel gedreven te hebben. Keizer Otho maakte hieraan een einde door aan de centurio's eene jaarlijksche toelage te geven.

Commentarii, apomnemoneumata of hypomn., fr. mémoires, gedenkschriften, dagboek. Ook de aanteekeningen der pontifices, die in den gallischen brand verloren gingen, worden zóó geheeten, commentarii pontificum. Het woord wordt verder ook van letterkundige geschriften gebruikt. Caesar geeft dien naam aan zijn verslag van den Gallischen en den burgeroorlog.

Commercium is de bevoegdheid om volgens, streng rom. recht eigendom te verkrijgen en te vervreemden. Het zwaartepunt er van lag in het testament- en erfrecht. Wie toch het commercium niet bezat, kon van een burger niet erven, noch hem iets bij testament vermaken. Hij kon ook geen grondbezit hebben. Zoo zorgden de Romeinen er in den regel voor, dat de civitates (z. a.) in de onderworpen gewesten onderling geen commercium hadden.

Commius, vorst der Atrebaten, door Caesar aangesteld (57), bewees hem diensten bij den tocht naar Britannia, doch sloot zich in 52 bij den grooten gallischen opstand onder Vercingetorix aan.

Commodus (L. Aelius Aurelius), rom. keizer 180-192 n. C., zoon van Marcus Aurelius en diens gemalin Faustina, hoewel sommigen hem voor een zoon van F. en een gladiator hielden. Hij was een der ellendigste vorsten, die op den rom. keizerstroon zetelden, verkwistte schatten aan wedrennen, zwaardvechtersspelen en dierengevechten, waarbij hij zelf optrad, en stelde er zijn roem in, de eerste gladiator van het rijk te zijn en zich als een tweeden Hercules te doen vereeren. Op aansporing zijner gunstelingen Perennis en Cleander liet hij met groote wreedheid de beste burgers om het leven brengen, tot hij eindelijk zelf vermoord werd.

Commodus (L. Ceionius), zie Verus.

Comoedia, komodia. De uitgelaten vroolijkheid, die bij de Dionysusfeesten placht te heerschen, uitte zich o. a. ook in kunstelooze liederen, waarin zij, die aan het feest deelnamen, elkander en anderen vrijmoedig, dikwijls op zeer ruwe wijze, plaagden en bespotten. Uit deze liederen ontwikkelde zich mettertijd, onder de handen van eenige verdienstelijke dichters, de comedie. Nadat in Megara en op Sicilië de eerste stappen in deze richting gedaan waren, kwam deze dichtsoort tot hoogen bloei te Athene, waar het afwisselend en veelbewogen leven den dichters rijke stof opleverde, waarvan zij met de aloude vrijheid gebruik maakten. Geen onderwerp is van zoo teederen aard, of de comediedichters durven het op hunne wijze behandelen, geen persoon is zoo machtig of hoog geplaatst, of zij stellen hem, ook in zijn huiselijk leven, voor het volk ten toon en geven zijne feilen en tekortkomingen, natuurlijk veelal zeer overdreven, aan de openbare bespotting prijs; zoo werd de comedie een middel, waardoor de openbare meening met onbeperkte vrijheid over personen en toestanden kritiek uitoefende. Aan handeling ontbreekt het in de comedie niet, maar eenheid zou men er tevergeefs in zoeken; met onbeteugelde phantasie laat de dichter op de meest onverwachte wijze het eene tooneel op het andere volgen, mits hij de gelegenheid vindt zijne toeschouwers te doen lachen. Schijnt dus scherts en spot het eenige doel der comedie te zijn, als geheel beschouwd hebben de stukken, ten minste voor zoover wij ze kennen, eene ernstige strekking; wel beschouwd bestaat immers alles wat afgekeurd en bespot wordt, door toedoen of ten minste met goedvinden van het publiek, het oppermachtige volk; de dichter schroomt dan soms ook niet zelf, door middel van het koor, het woord tot de toeschouwers te richten en hun met ernst en aandrang mede te deelen wat hem op het hart ligt. In het bizonder dient daartoe de parabasis (parabasis), een intermezzo, dat met de handeling niet in het minste verband staat. De voornaamste aantrekkelijkheid der oude comedie (archaia kom.) ging verloren, toen omstreeks het einde van den peloponnesischen oorlog hare vrijheid door wettelijke bepalingen beperkt en het verboden werd bestaande personen te noemen (onomasti komodein), tevens werden de stukken met veel minder luister opgevoerd en langzamerhand vervielen ook de koren. Daarentegen leggen de dichters der nieuwe komedie (nea kom.) zich meer op de eigenlijk gezegde dramatische kunst toe: in hunne stukken verloopt de handeling meer natuurlijk en voert geleidelijk tot de ontknooping, in plaats van bepaalde personen worden typen uit het dagelijksche leven ten tooneele gevoerd, de karakters worden beter volgehouden, enz. Het overgangstijdperk tusschen de oude en nieuwe comedie noemt men den tijd der mese kom.--De rom. comedie is eene navolging van de nieuwe grieksche; een enkel stuk dat, naar het voorbeeld der oude attische comedie, tegen verscheiden aanzienlijke Rom. gericht was, bezorgde den schrijver, Naevius, gevangenisstraf. De stukken zijn meestal uit het Grieksch vertaald of bewerkt; in de fabulae palliatae komen zelfs grieksche, in de veel minder talrijke fabulae togatae romeinsche toestanden en kleederdrachten voor.

Comperendinatio. Wanneer eene rechtszaak niet op één dag kon worden afgehandeld, werd zij verdaagd tot den derden (volgens onze rekening den tweeden) dag daarna, in diem perendinum. Vandaar wordt de tweede termijn van een proces comperendinatio genoemd, ook al viel deze niet op den derden dag.

Compitalia, feesten 3-5 Januari ter eere der Lares compitales, beschermgoden der compita. Dit is oorspronkelijk vooral een feestdag voor de familia, de slaven, en op dien dag mag de vilicus offeren. Een compitum is een punt, waar twee of meer straten of wegen zich vereenigen of elkander kruisen. Gewoonlijk vond men daar een Larenkapel of een altaar. De landelijke dienst der Lares compitales ging ook op de stad over, waar zich uit de wijken collegia compitalicia voor de viering van de wijkfeesten vormden; meestal bestaan deze uit slaven en vrijgelatenen. Later is de keizersvereering hierop overgegaan, en werd de Genius Augusti tusschen de twee Lares compitales vereerd.

Compluvium, vierkante opening in het dak van het atrium, waardoor het licht naar binnen viel. De naam is hieraan ontleend, dat het dak naar de opening toe eenigszins afliep, om het regenwater te verzamelen, dat dan beneden in het impluvium of den regenbak werd opgevangen. Zie de afbeelding van een oud pompeiaansch huis, dat hiervan een voorstelling geeft, onder domus.

Compromissum, plechtige wederzijdsche belofte van geschilvoerende partijen, om hunne zaak aan de beslissing van een arbiter te onderwerpen.

Compsa, stad der Hirpini in Zuid-Samnium nabij de bronnen van den Aufidus.

Comum, Komon, stad in Gallia Transpadana aan den lacus Larius (meer v. Como), een zeer bloeiende rom. kolonie en een voorpost tegen de Alpenvolken. Plinius Secundus minor was hier geboren. Comum had beroemde ijzerfabrieken.

Concilia plebis. Een concilium is eene vergadering, niet van het geheele volk, maar van een gedeelte, van een enkelen stand, b.v. alleen van de patriciërs of alleen van de plebejers. De volkstribunen nu, die alleen overheden der plebs, maar geene magistratus populi Romani waren, konden alleen de plebejers oproepen; de lex Publilia Voleronis van 471 bepaalde, dat de volkstribunen het recht zouden hebben, de plebs tributim op te roepen tot het verkiezen van hun opvolgers (zie hieromtrent onder tribuni plebis), eerst slechts de stedelijke bevolking, later sedert de vrijmaking van het platteland (457), ook de landelijke; er zijn dan 21 tribus. De besluiten van zulk een concilium plebis waren geene leges, maar plebiscita, en alleen verbindend voor de plebejers, niet voor het geheele volk. Doch de tribunen, steunende op hunne onschendbaarheid en op de getalsterkte der plebs, brachten het zóó ver, dat de plebiscita ook voor de patriciërs verbindend werden. Drie wetten brachten de gelijkstelling van plebiscita met leges tot stand: de lex Horatia Valeria in 449, ut quod tributim plebs iussisset, populum teneret, de lex Publilia in 339, ut plebiscita omnes Quirites tenerent, de lex Hortensia, in 287, ut eo iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. V. s. zijn de twee eerste wetten een anticipatie van de lex Hortensia. Zie Horatiae Valeriae (leges). Sedert dezen tijd worden de concilia plebis ook veelvuldig met den naam comitia tributa bestempeld, en worden de plebiscita ook leges genoemd. Het eenige verschil tusschen comitia tributa en concilium plebis is sedert de lex Hortensia gelegen in den voorzitter; is de voorzitter een magistratus populi, dan spreekt men van com. trib., is deze een mag. plebis, dan heet de vergadering concilium plebis. Concilia heeten in den keizertijd ook de provinciale landdagen, die vooral bijeenkomen voor de vereering des keizers, den cultus Augusti.

Conciliabulum, eigenlijk verzamelplaats. Onder dezen naam werden marktvlekken en gerechtsplaatsen verstaan, die echter niet de rechten van een municipium hadden. Zie vicus no. 3.

Concio = Contio.

Concordia, godin der eendracht, voornamelijk van de eendracht tusschen de burgers en in den keizerstijd tusschen de leden van het keizerlijke huis. Wanneer burgertwisten bijgelegd waren, bouwde men een tempel voor Concordia. De voornaamste van die tempels lag aan het Forum en was door Camillus gesticht na aanneming der licinische wetten. De godin werd afgebeeld als eene deftige matrone met een horen van overvloed en een olijftak of een schaal in de handen.

Concubinatus, het samenleven van twee wettelijk ongehuwden, tusschen wie geen wettig huwelijk mogelijk is bij gebreke van conubium. Ook wordt het woord gebezigd voor de samenleving van een ongehuwd man met eene vrouw, die in stand ver beneden hem stond, b.v. met eene liberta van hem. Trouwbreuk der concubina was volgens de zienswijze der rom. juristen als echtbreuk strafbaar. De kinderen waren liberi naturales. Soms wordt concubina ook wel in den zin van pellex gebezigd.

Condate, keltische stedennaam = het latijnsche Confluentes. Er waren in Gallia Transalpina een aantal steden van dezen naam, aan de samenvloeiing van twee rivieren gelegen, als: in het gebied der Aeduërs, thans Cosne,--bij de Allobrogers, thans Seyssel,--bij de Redoners, thans Rennes,--bij de Santonen, thans Cognac,--bij de Senonen, thans Montereau. Eéne heeft den ouden naam vrij wel behouden, nl. Condate Aulercorum, thans Condé.

Condictio, eigenlijk eene afspraak. In rechten beteekent eene actio per condictionem de inleiding van een proces door eene dagvaarding om over 30 dagen voor den praetor te verschijnen ad iudicem capiendum. Later heette elke persoonlijke aanklacht aldus, terwijl de dagvaarding achterwege bleef. Eene condictio had altijd een certum tot onderwerp, b.v. eene certa pecunia, eene bepaalde som gelds.

Condrusi, germaansche volksstam in Belgica, aan de Mosa (Maas). Hun naam leeft nog voort in Condroz, tusschen Luik en Namen. Zij waren onderhoorig aan de Treviri.

Condylium, sterkte in het land der Perrhaebi (Thessalia).

Confarreatio was de oudste vorm van een rom. huwelijk en ontleende den naam aan den speltkoek, panis farreus, dien het bruidspaar samen nuttigde. Het huwelijk werd voltrokken in tegenwoordigheid van den pontifex maximus, den flamen Dialis en tien getuigen en van de pronuba (z.a.). Na afloop van de plechtigheid zeide de echtgenoote: "ubi tu Caius (meester), ego Caia (meesteres)". Door deze huwelijksvorm ontstond tevens de manus (z.a.). Zie ook nuptiae. Het kon alleen ontbonden worden door diffarreatio (z.a.). Voor de priesterwaardigheid van flamen Dialis, Martialis en Quirinalis en rex sacrificulus moest men uit een huwelijk per confarreationem gesproten, en wanneer de vrouw ook als priesteres moest optreden, ook op deze wijze gehuwd zijn. Daar de confarreatio langzamerhand in plaats van regel uitzondering werd, werd het dikwijls moeielijk, voor deze priesterschappen geschikte personen te vinden.

Confluentes, thans Coblenz, aldus genoemd omdat het aan de samenvloeiing van Mosella en Rhenus lag.

Congiarium, uitdeeling van een zeker aantal congii wijn, olie en dgl. onder het volk door de overheden op eigen kosten bij plechtige gelegenheden. Vervolgens werd dit woord ook gebruikt voor andere bedeelingen, zelfs in geld. De uitdeeling had plaats in tesserae of bons, op vertoon waarvan men op aangewezen plaatsen de waarde kon ontvangen. In enkele gevallen werden deze tesserae onder de menigte te grabbelen geworpen.

Congius, rom. maat voor natte waren, iets meer dan 3 liter. Er gingen 8 congii op eene amphora.

Conisterium, konisterion, konistra, in het gymnasium de plaats, waar worstelaars en vuistvechters zich oefenden; in het theater de plaats, waar de orchestra opgeslagen was, vandaar ook de orchestra zelve.

Connubium, minder goed voor conubium.

Conon, Konon, 1) atheensch vlootvoogd in den peloponnesischen oorlog. Na het ontslag van Alcibiades werd hem met anderen het opperbevel opgedragen, hij werd echter door Callicratidas op zee verslagen en in de haven van Mytilene ingesloten; de overwinning der Atheners bij de Arginusen (406) bevrijdde hem. Bij Lysander's overwinning bij Aegospotami was hij de eenige admiraal, die waakzaam genoeg was om met eenige schepen behouden te ontkomen. Hij ging naar Cyprus, van waar hij betrekkingen aanknoopte met het perzische hof, en toen Agesilaus in Azië kwam, kreeg Conon het bevel over eene perzische vloot, waarmede hij de spartaansche vloot onder Pisander bij Cnidus volkomen versloeg (394). Door Pharnabazus geholpen, verjoeg hij de Spartanen uit de eilanden en steden van Klein-Azië, landde hier en daar op de peloponnesische kusten, en liet voor perzisch geld de muren van Athene herstellen. Kort daarna door de Atheners naar den spartaanschgezinden perzischen veldheer Tiribazus gezonden, werd hij door dezen te Sardes gevangen genomen, doch waarschijnlijk wist hij te ontsnappen en eindigde hij zijn leven op Cyprus.--2) van Samus, beroemd wis- en sterrenkundige, vriend van Archimedes, gestorven ± 240.--3) taalkundige, die onder Caesar te Rome leefde, schreef vijftig verhalen van geschiedkundigen en mythologischen inhoud.

Conopeum, konopeion, een gordijn of deken van lichte stof, waarmede men zich bedekte om in den slaap niet door insecten gehinderd te worden.

Conquisitores, werfofficieren, buitengewone commissarissen, die in hachelijke tijden zooals na den slag bij Cannae, uitgezonden werden om allen, die voor den krijgsdienst geschikt waren, te pressen.

Conscripti, zie Patres Conscripti.

Consecratio, zie apotheosis.

Consentes dii zijn de twaalf goden, aan wie ingevolge de bepalingen der libri Sibyllini volgens Grieksch gebruik voor het eerst in 217 een lectisternium aangeboden is; het waren 6 paren van goden: Jupiter en Juno, Neptunus en Minerva, Mars en Venus, Apollo en Diana, Volcanus en Vesta, Mercurius en Ceres, naar analogie van de 12 groote goden der Grieken. Er werden van hen statuae auratae op het forum opgesteld. In de 4de eeuw (367) n. C. zijn deze voor het laatst hernieuwd, en opgesteld in de porticus deorum Consentium aan den Clivus Capitolinus, die nog bestaat.

Consentia, thans Cosenza, sterke vesting in het N. van het land der Bruttii, in het binnenland, aan den bovenloop van de Crathis. Hier stierf Alarik.

Considii, plebejisch geslacht, waarvan wij hier alleen vermelden C. Considius Longus die in 50 zijne provincie Africa verliet en aan zijn legaat Q. Ligarius overdroeg, om zich te Rome candidaat te stellen voor het consulaat. Later naar Africa teruggekeerd, vond hij wel zijne plaats ingenomen, doch bezette Hadrumetum en verzette zich tegen Caesar, tot hij na den slag bij Thapsus (46) door zijn eigen soldaten vermoord werd.

Consilium. Wanneer iemand door den praetor als iudex was aangesteld om in een proces vonnis te wijzen, eischte de gewoonte gebiedend, dat hij zich met een consilium van rechtskundige vrienden als adviseurs omgaf. Zoo behoorde ook de paterfamilias, wanneer hij als huisrechter in familiezaken optrad, een consilium van bloedverwanten en buren bijeen te roepen. Consilium principis is de kabinetsraad des keizers.

Consistorium principis is de naam, dien de keizerlijke staats- of kabinetsraad sedert Diocletianus droeg.

Constans. Na den dood van Constantijn den Gr. (337 n. C.) en na de vermoording van Dalmatius, verdeelden de zonen op het congres te Viminacium het rijk, en kreeg de oudste zijner drie zonen, Constantinus II, het bestuur over Gallia, Britannia, Hispania en Mauretania Tingitana. De tweede zoon Constantius kreeg het Oosten; de derde, Constans, bestuurde Italia, Illyricum, Macedonia, Achaia, Thracia en Africa. Constantinus II deed zijn broeder Constans den oorlog aan, doch werd in 340 bij Aquileia verslagen en verdronk op de vlucht. Constans voegde nu zijns broeders gebied bij het zijne, terwijl hij Thracia aan zijn broeder Constantius afstond. In 341 en 342 vocht hij voorspoedig tegen de Franken. Hij was een flink krijgsman. In den kerkelijken strijd was hij op de hand van Athanasius. Om zijne losbandige levenswijze algemeen veracht, werd hij in 350 bij een legeropstand onder Magnentius te Illiberis (Helena), door de soldaten vermoord.

Constantia, zuster van Constantijn den Gr. en sedert 312 n. C. echtgenoote van Licinius.

Constantia, latere naam van Salamis op Cyprus, zie Salamis.

Constantina, naam van eenige steden, ter eere van Constantijn den Gr. aldus verdoopt, o.a. Cirta in Numidia, thans nog Constantine, en Tomi aan de Zwarte zee, het ballingsoord van Ovidius.

Constantinopolis, zie Byzantium.

Constantinus Magnus (Flavius Valerius), rom. keizer 306-337 na C., was de oudste zoon van Constantius Chlorus en Helena, geboren te Naïssus 285 of later. Hij diende eerst onder Diocletianus en Galerius in het Oosten. Toen zijn vader tot Caesar werd verheven (292), zocht Galerius hem uit wantrouwen onder zijn bereik te houden, doch moest eindelijk toegeven, dat de zoon zich naar Britannia tot zijn vader begaf. In 306 stierf Constantius Chlorus, die sedert een jaar den rang van Augustus bezat, te Eboracum (York) op een tocht tegen de Picten, waarop Constantinus door de troepen tot Augustus werd uitgeroepen, hoewel Galerius hem slechts als Caesar erkende. In den strijd van Galerius tegen den ouden keizer Maximianus en diens zoon Maxentius mengde Constantinus zich in den beginne niet, hoewel hij Maximianus' dochter Fausta huwde; doch na den dood van Galerius aanvaardde hij den strijd tegen alle medekeizers en pretendenten en bleef hij eindelijk als alleenheerscher over. Reeds in 310 had hij zijn schoonvader laten dooden, toen deze hem naar het leven stond. In 312 trok hij op tegen zijn zwager Maxentius, dien hij bij den pons Milvius, ten N. van Rome, versloeg. Zijn leger was in dezen slag 98000 man sterk, dat van Maxentius 170000; C. gebruikte daarin de kruisvaan (het Labarum) en zijne soldaten droegen het teeken des kruises op hun schilden. Hij was nu alleenheerscher van het Westen, terwijl zijn zwager Licinius sedert den dood van Maximinus Daia (313) het Oosten in handen had. Reeds in 314 ontstond een oorlog tusschen hen, waarin L. in verschillende gevechten, o. a. in den slag bij Cibalae, verslagen werd, en Illyricum aan C. moest afstaan. In 323 brak de oorlog op nieuw uit; C. overwon in twee groote slagen, bij Adrianopel en bij Chrysopolis, waarop L. gevangen genomen en afgezet werd. Van nu af aan is C. alleenheerscher over het geheele rijk.

Van den beginne af had hij het Christendom begunstigd; na zijn overwinning op Maxentius besluit hij te Rome de christelijke priesters uit de staatskas te bezoldigen, en hen te bevrijden van de gemeentelasten, waardoor de christelijke eeredienst een door den staat erkende eeredienst wordt, en de Christenen gelijke rechten krijgen als de belijders der oude leer; hij ruimde hun ook openbare gebouwen in als kerken en liet nieuwe kerken voor hen bouwen; later verbood hij ook de heidensche offers. In 325, na den val van Licinius werd te Nicaea in Kl.-Azië onder zijn voorzitterschap het beroemde concilie gehouden, en in 327 nogmaals bijeengeroepen. In het bestuur van het rijk bracht hij ingrijpende veranderingen, o. a. door het burgerlijk bestuur der provinciën streng van het militaire te scheiden. De hoogste burgerlijke ambtenaren zijn de 4 praefecti praetorio (z. a.), de praefectus urbi te Rome en die te Constantinopel; de hoogste militairen waren de magistri equitum en peditum of utriusque militiae, oorspronkelijk twee, later meer. De keizerlijke garde (de palatini van keizer Diocletianus) werd tot een veldleger uitgebreid, de comitatenses, terwijl de grenstroepen, de limitanei, tot soldaten van den tweeden rang verlaagd werden. Hij voerde een oostersche keizervereering in, omgaf zich met een vasten hofstoet van paleisbeambten, verdeelde de hooge ambtenaren in vier klassen met de titels van illustres, spectabiles, clarissimi en perfectissimi, en verplaatste de residentie en den zetel der regeering naar Byzantium (Constantinopel) in 330 n. C. Van zijne hardvochtigheid en wreedheid getuigen o. a. het ombrengen zijner gemalin Faustina en van zijn zoon Crispus. Hij stierf 22 Mei 337 te Nicomedea.

Constantinus II (Flavius Claudius), keizer 337-340 na C., oudste zoon van Constantijn den Gr., streed voorspoedig tegen de Sarmaten, doch kwam in den strijd tegen zijn broeder Constans om. Zie Constans.

Constantinus III, een soldaat, die ten tijde van Honorius van 407 tot 411 n. C. in Britannia en Gallia voor keizer speelde, doch gevangen genomen en ter dood gebracht werd.

Constantius Chlorus (Flavius Valerius), romeinsch keizer van 293-306 n. C., vader van Constantinus Magnus. Hij was van geringe afkomst, maar leidde later zijn geslacht af van Claudius Gothicus. In 293 werd hij Caesar voor het Westen. Hij streed gedurende zijn geheele regeering tegen de Franken, en voegde Britannia, waar Allectus, opvolger van Carausius (z. a.) heerschte, weer bij het rijk (296). Hij woonde te Trier, waar van zijn paleis de ruïne nog te zien is. Toen Diocletianus en Maximianus 1 Mei 305 het bewind neerlegden, werd C. Augustus. In 306 stierf hij te Eboracum (York). Zie Constantinus Magnus.

Constantius II, tweede zoon van Constantijn den Gr., zie Constans.--Na den dood zijns vaders ruimde hij, schijnbaar onder den aandrang van zijn leger, een aantal bloedverwanten uit den weg. Twee neven bleven gespaard, Gallus, dien hij later, in 354 na C., toch liet ombrengen, en Julianus, die hem in 361 opvolgde. Door den dood zijner beide broeders werd Constantius in 350 alleenheerscher. Een tegenkeizer, Magnentius, werd verslagen en doodde zichzelf, door allen verlaten, in 353 te Lugdunum (Lyon). Constantius bracht zijn leven door in oorlogen met de Perzen en met verschillende kroonpretendenten, en stierf in Cilicia in 361, terwijl hij op marsch was tegen zijn neef Caesar Julianus, die in 360 in opstand was gekomen.

Constantius (Flavius), veldheer van keizer Honorius, versloeg o.a. den overweldiger Constantinus III, huwde in 417 na C. 's keizers zuster Placidia en werd in 421 door Honorius tot Aug. en medekeizer benoemd, doch stierf nog in datzelfde jaar.

Consualia, z. Consus.

Consulairtribunen = tribuni militum consulari potestate.

Consules, hypatoi. Na de verdrijving der laatste koningsfamilie uit Rome werd het consulaat ingesteld. Dit ambt werd telkens door twee mannen gedurende een jaar waargenomen. Stierf er een, dan werd in zijne plaats een ander gekozen, consul suffectus. Zij werden gekozen in de centuriaatcomitiën. Hun titel, uit con en sul saamgesteld (op de wijze van ex-sul), beteekent zooveel als samengaanden, ambtgenooten. Als erfgenamen der koninklijke macht hadden zij de insignia daarvan: toga praetexta, sella curulis, lictores. Zij vervulden ook den werkkring des konings, totdat door de instelling der censuur en der praetuur een deel hunner werkzaamheden op afzonderlijke magistraten overging. Te Rome riepen zij den senaat bijeen, zaten daarin voor en voerden de genomen besluiten uit. Hunne rechtsmacht was beperkt door de provocatio, doch in oogenblikken van gevaar werd hun somtijds door den senaat buitengewone, dictatoriale macht verleend door de formule: videant consules, ne quid respublica detrimenti capiat. In het leger was hunne macht nagenoeg onbeperkt; de krijgseed werd door de soldaten aan hen gedaan (iurare in verba consulis). De aanvaarding van hun ambt moest met bepaalde plechtigheden geschieden: auspiciën, een offer op het Capitool, eene plechtige senaatszitting, viering der feriae Latinae. Wie deze formaliteiten verzuimde, zooals in 217 Flaminius, werd door velen gerekend eigenlijk geen consul te zijn. Tweemaal is het consulaat geschorst, de eerste maal in 451 door de instelling der decemviri legibus scribundis, de tweede keer in 445 door de instelling van tribuni militum consulari potestate. Door een der leges Liciniae Sextiae (z. echter aldaar) in 367, werd bevolen, dat één der consuls uit de plebejers zou gekozen worden. In 172 werd het consulaat voor de eerste maal door twee plebejers bekleed. De dag, waarop de consuls hun ambt aanvaardden, is in verschillende tijden verschillend geweest, sinds 222 echter was het geregeld de 15de Maart, sinds 153 (z. Fulvii no. 13) geregeld de 1ste Januari. Sulla bepaalde, dat de consuls gedurende hun ambtsjaar in Rome moesten blijven, en eerst na afloop daarvan pro consule naar eene provincie mochten gaan. In de laatste halve eeuw der republiek komen enkele afwijkingen voor. Zoo werd in 52 Pompeius tot consul sine collega gekozen. Onder de keizers werd het consulaat eene schijnvertooning. De benoeming geschiedde in den regel voor twee maanden; de eerste van elk jaar heetten consules ordinarii, de volgende suffecti. Macht was er niet meer aan verbonden; het was alleen om de eer te doen en om later den titel van consularis te kunnen voeren. Om de eerzucht te bevredigen, benoemden de keizers soms wel oud-consuls titulair, consulares honorarii.--Consul designatus was hij, die tot consul gekozen was, maar zijn ambt nog niet aanvaard had. Met opzet liet men de verkiezing eenigen tijd aan de aanvaarding voorafgaan, opdat de benoemden tijd zouden hebben zich op de hoogte der zaken te stellen.

Consus, oud-italisch god van den landbouw, eigenlijk van het in de schuren geborgen graan (van condere). Hij had een tempel op den Aventinus, en een onderaardsch altaar in den Circus. Zijn voornaamste feestdag, de Consualia (21 Augustus) is een oogstfeest; aan Consus worden de eerstelingen van den oogst geofferd, en verder wordt het feest gevierd met ludi circenses, bestaande oorspronkelijk in wedrennen van muildieren, die onder de bescherming van Consus staan. Hij raakte spoedig in vergetelheid, en nu werd hij door de Romeinsche geleerden geïdentificeerd met Neptunus Equester, Poseidon Hippios. Ook nam men aan, dat op zijn feest de sabijnsche maagdenroof zou gepleegd zijn, en dat ter herinnering hieraan die dag luisterrijk met groote wedrennen gevierd werd.

Contestatio litis = Litis contestatio.

Contio, saamgetrokken uit conventio, volksvergadering, door een overheidspersoon bijeengeroepen, om een of andere mededeeling te doen, in het algemeen voor alle openbare staatkundige en godsdienstige handelingen van ambtenaren en priesters, voor het afkondigen van edicten, of om eenig onderwerp in debat te brengen. Stemming kon in eene contio niet plaats hebben. De voorzittende magistraat opende de contio met een gebed, sollemne precationis carmen. Het debat was niet vrij. De voorzittende magistraat kon naar goedvinden het woord verleenen, contionem dare, of weigeren. Hij kon ook iemand ongevraagd oproepen om het woord te voeren, hij kon ook het debat sluiten, contionem summovere. In eene contio staat het volk niet gerangschikt naar curiën, centuriën of tribus. Bij de wetgevende comitia werd de stemming door een contio voorafgegaan. Ook het strafproces werd in eerste instantie viermaal in een contio behandeld. Voor de eerste (prima accusatio) riep de magistraat (quaestor of duoviri perduellionis) den reus op, om zich op een bepaalden dag te verantwoorden (diei dictio). In een tweede en derde contio, telkens door minstens één dag gescheiden (z. comperendinatio) volgde nu getuigenverhoor en verdediging. Bij de quarta accusatio werd nu, indien de magistraat den aangeklaagde schuldig bevond, het vonnis geveld. Kwam dan de veroordeelde in hooger beroep bij het volk, dan volgde na minstens 24 dagen (in trinundinum) de bijeenkomst der comitia centuriata, die het vonnis bekrachtigde of vernietigde.

Contractus, contract, overeenkomst, van dien aard, dat overtreding of niet-naleving ervan grond oplevert tot eene rechtsvordering, wat bij een pactum of afspraak in den regel niet het geval is.

Contrebia, sterke stad der Celtiberiërs in Hispania Tarraconensis Z.Z.W.waarts van Caesaraugusta (Saragossa).

Contubernales, de krijgsmakkers, die in dezelfde tent kampeerden. Ook verstaat men er jonge Romeinen van aanzienlijken huize onder, die zich vrijwillig als comites bij den veldheer aansloten, om zich in de krijgskunde te oefenen, en die in de veldheerstent, het praetorium, met den veldheer het middagmaal gebruikten.

Contubernium, de toestand van contubernales. Ook het huwelijk van of met slaven of slavinnen, dat geene rechtsgeldigheid had, daar slaven geen conubium hadden.

Contumacia, van contemnere, niet voldoen aan de oproeping van den praetor, om voor den rechter te verschijnen. De partij, die niet verscheen, verloor bij verstek onherroepelijk zijn proces. In strafzaken stond op het niet verschijnen van den beklaagde de aqua et igni interdictio.

Conubium, de bevoegdheid volgens de wet om een rechtsgeldig huwelijk, matrimonium iustum of legitimum, te sluiten. Dit bestond in de oudheid niet tusschen burgers van verschillende staten, indien het niet uitdrukkelijk bij verdrag bepaald was. Vóór 445 bestond te Rome ook geen conubium tusschen patriciërs en plebejers; eerst de lex Canuleia stond dit toe. Was er conubium, dan volgden de kinderen den stand des vaders, anders dien der moeder. Zie verder matrimonium.

Convenae, gemengde bevolking in Aquitania langs den Garumna (Garonne) aan den voet der Pyrenaeën, gedeeltelijk door Pompeius uit Hispania daarheen overgebracht. De hoofdplaats was Lugdunum Convenarum.

Conventio in manum. Manus was de macht van den man over de vrouw, waarmede gepaard ging het beheer van haar vermogen. De vrouw kwam door huwelijk in manum mariti. Bij een huwelijk per confarreationem of per coëmptionem was de conventio in manum een onmiddellijk gevolg, bij usus echter volgde zij eerst na een onafgebroken bezit van een vol jaar en kon zij verhinderd worden, wanneer de vrouw vóór den afloop van het jaar een trinoctium buitenshuis doorbracht. In den loop des tijds werd de conventio in manum door coëmptio ook in zwang gebracht, niet om te huwen, maar om agnatenvoogdij te ontgaan, coëmptio cum extraneo fiduciae causa. Zie hierover het artikel tutela.

Conventus. Een rom. provincie was voor de rechtspleging in arrondissementen of distrikten ingedeeld, conventus genaamd, en in de hoofdplaatsen daarvan hield de stadhouder zijne rechtsdagen (conventum of forum agere). Conventus beteekent ook wel de saamgekomen menigte, de vergadering.--Onder conventus civium Romanorum verstaat men eene corporatie van in zulk een distrikt woonachtige cives Romani, de romeinsche gemeente aldaar.

Convivium, symposion, drinkgelag na den maaltijd, iets, waarvan de Rom. bij een gastmaal hartstochtelijke liefhebbers waren. Door het lot (het werpen met dobbelsteenen) werd een der dischgenooten tot president aangewezen, arbiter of magister bibendi, rex vini, die omtrent de menging van den wijn, het aantal schepjes (cyathi) voor elken beker, zijne bevelen gaf en de tafelwetten vaststelde. Onder de aardigheden bij zoodanig convivium behoorde ook het ad numerum bibere, het drinken op iemands gezondheid met zooveel bekers (hoewel niet in eens), als diens naam letters bevatte. Ook de cottabus was een geliefd spel daarbij. Terwijl bij de Grieken een symposion nog wel eens met verstandige gesprekken kon gepaard gaan, was het bij de Rom. vaak alleen aan het drinken gewijd. Zie deipnon.

Coos = Cos.

Copa, ook caupa en cupa, waardin, meisje uit een herberg, vooral eene, die door een dans met begeleiding van castagnetten bezoekers trachtte te lokken. Cupa is ook de titel van een klein gedicht, aan Vergilius toegeschreven.

Copae, Kopai, oude bondsstad van Boeotia, aan het meer Copais.

Copaïs, Kopais, het meer van Copae, in Boeotia, bekend door zijn fluitenriet en zijne alen. Het riviertje Cephissus stroomde er door, terwijl onderaardsche kanalen, catabothra, het water afvoerden. In den zomer droogde het meer grootendeels uit en vormde dan een aantal kleine meertjes.

Cophen, Kophen, zijtak van den Indus, waaraan Cabura (Kabul) en Nagara liggen.

Copia, sedert 193 lat. kolonie in het gebied van het oude Thurii, z. a.

Copis, kopis, een licht gekromde sabel, vooral bij oostersche volken in gebruik.

Coponii, plebejisch geslacht uit Tibur afkomstig. Een hunner, C. Coponius, redde bij Carrhae het rom. leger na den dood van Crassus (53).

Copreus, Kopreus, zoon van Pelops, vluchtte wegens den moord van Iphitus uit Elis naar Eurystheus, die hem als heraut gebruikte om zijne bevelen aan Heracles over te brengen, daar hijzelf zich niet in diens tegenwoordigheid durfde wagen.

Coptus, Koptos, stad in Boven-Aegypte, door handel bloeiende, niet ver stroomafwaarts van Thebae.

Cora, Kore = Persephone.

Cora, Kora, oude latijnsche stad op den rand van het Volscisch gebergte, met cyclopische muren.

Coracesium, Korakesion, vesting en zeerooversnest in W. Cilicia.

Coras, zie Tiburtus.

Corassiae, Korassiai, eilandjes op de aziatisch-ionische kust, niet ver van Samus. Zie ook Corsiae.

Corax, Korax, een Siciliër, die na den dood van Hiero (467) over Syracuse regeerde, maar zich later van het staatsbestuur terugtrok. Hij beoefende vlijtig de wetenschap en was de eerste, die de leer der welsprekendheid theoretisch behandelde.

Corax, Korax, berg in het oosten van Aetolia.

Corbio, 1) vesting der Aequers in Latium op den berg Algidus, oorspronkelijk latijnsch.--2) stad der Suessetanen in Tarraconensis, nabij den Iberus (Ebro), thans Berga.

Corbulo, familienaam in de gens Domitia, z. Domitii no. 16.

Corcyra, Kerkyra, later Korkyra, waarschijnlijk het Scheria der Phaeaciërs bij Homerus, aanzienlijk eiland tegenover de epirotische kust in de ionische zee gelegen, sedert ongeveer 700 volkplanting van Corinthus. De toenemende bloei van Corcyra wekte den naijver van Corinthus op, en reeds in 660 waren de twee staten in oorlog; in dezen oorlog wordt het eerst van een geregelden zeeslag melding gemaakt. Toen in 436 de gebeurtenissen in Epidamnus eene botsing tusschen de beide staten hadden uitgelokt, zocht Corcyra, dat eene machtige vloot had, hulp bij Athene en verhaastte hierdoor de uitbarsting van den peloponnesischen oorlog. Na Alexander d. Gr. geraakte Corcyra door inwendige verdeeldheid in verval en stelde zich in 228 onder romeinsche bescherming. De hoofdstad heette ook Corcyra en had eene hooggelegen acropolis. De eilanders stonden in geen goeden reuk, en hadden den naam, brutaal en bedriegelijk te zijn.

Corcyra nigra, eiland aan de dalmatische kust, tusschen de eilanden Melite en Pharus tgw. Cursola.

Cordax, kordax, de dans van het koor in de oude attische comedie, over het algemeen een ontuchtige, onbetamelijke dans.

Corduba, Kordyba, thans Cordova, de eerste rom. kolonie in Baetica en hoofdplaats van dit gewest, geboorteplaats van M. en L. Annaeus Seneca en van M. Annaeus Lucanus.

Cordyene of Gordyene, Gordyene, het land der Carduchen in het Z.O. van Armenia, thans Kurdistan.

Coressus, Koresos, ook wel Koressos geschreven, berg in Ionia, nabij Ephesus en ook een voorstad van Ephesus, aan den voet van dien berg gelegen.

Coresus, Koresos, z. Callirrhoë no. 4.

Corfinium, stad der Paeligni in Samnium, in den marsischen oorlog (90) onder den naam Italia tot hoofdstad der tegen Rome opgestane bondgenooten gekozen.

Corinna, Korinna, beroemde lyrische dichteres van Tanagra, die zich echter gewoonlijk te Thebe ophield. Zij zou Pindarus de dichtkunst geleerd en hem vijfmaal in wedstrijden den prijs afgewonnen hebben. Haar bloeitijd valt omstreeks 500.

Corinthia, Korinthia, landschap van de Peloponnesus, gedeeltelijk op den Isthmus gelegen, aan de eene zijde door den sinus Corinthiacus, aan de andere door den sinus Saronicus bespoeld.--Als oudste bewoners werden Aeoliërs genoemd; de stad heette toen Ephyra. Bij de dorische verovering viel C. aan zekeren Aletes ten deel; omstreeks 950 verhief zich het geslacht der Bacchiaden, dat in 657 door zekeren Cypselus verdreven werd. Deze veranderde de oligarchie in eene tyrannis. Hij heerschte gematigd en verfraaide de stad (657-628). Zijn zoon Periander (628-585) wordt onder de zeven wijzen van Griekenland gerekend; hij regeerde echter willekeurig en zocht den adel uit te roeien. Zijn zoon Psammetichus werd verdreven en de republikeinsche staatsvorm hersteld. Corinthe had een aanzienlijke vloot en dreef een zeer uitgebreiden zeehandel, die echter geweldig achteruit ging sedert Athene als zeemogendheid optrad; na den peloponnesischen oorlog begon het aanzien van den staat te tanen; het sloot zich vervolgens aan bij de Macedoniërs en later bij het achaeïsch verbond, ten gevolge waarvan het in 146 door den rom. consul L. Mummius veroverd en de stad Corinthus ingenomen en verwoest werd. In Corinthia behooren de mythen te huis van Sisyphus en Bellerophon. Zie verder Isthmus en Isthmia.

Corinthische oorlog wordt de oorlog genoemd, dien de verbonden Atheners, Thebanen, Corinthiërs en Argiven van 395 tot 387 tegen Sparta voerden, waarbij zij van Perzië uit met geld ondersteund werden. De oorlog begon met den aanval der Spartanen op Haliartus, die echter mislukte en waarbij Lysander sneuvelde; deze ongelukkige uitslag noodzaakte de Spartanen Agesilaus uit Azië terug te roepen. Nog voor zijne terugkomst wonnen zij den slag bij Nemea, en ook de bloedige slag bij Coronea, waarin Agesilaus vele wonden kreeg, liep in hun voordeel af; daarentegen werd hun vloot bij Cnidus door Conon geheel vernietigd (394). De Corinthische oorlog, zoo genoemd omdat de legers van beide partijen zich meestal bij Corinthe bevonden, levert na deze slagen weinig belangrijke gebeurtenissen op, maar is merkwaardig wegens het optreden van Pharnabazus als bondgenoot van Sparta's vijanden, en omdat toen voor het eerst door Iphicrates uit huurtroepen een goed georganiseerd corps peltasten gevormd werd. De oorlog eindigde met den vrede van Antalcidas (z. a.).

Corinthus, Korinthos, in zijn bloeitijd de prachtigste stad van Griekenland, aan den voet van een berg, waarop ter hoogte van 1900 voet de burcht Akrokorinthos stond. Het had drie havens: Schoenus en Cenchreae aan de saronische golf, Lechaeum (waarmede het door een dubbelen muur verbonden was) aan de golf van Corinthe. Nabij de stad lag het cypressenbosch Craneum, waar de wijsgeer Diogenes zijn zomerverblijf hield. De ligging der stad was overheerlijk; in tal van prachtige gebouwen overtrof zij Athene, doch tevens was Corinthus de meest weelderige en zedelooze stad van Griekenland. Vooral voor vreemdelingen was het verblijf er kostbaar en vol verleiding; vandaar het spreekwoord: ou pantos andros es Korinthon esth' ho plous. Beroemd was de Aphrodite-tempel met zijne 1000 hierodouloi.--Door L. Mummius werd de stad in 146 veroverd en verwoest. Caesar liet ze herbouwen (46), en dank zij hare ligging, begon zij opnieuw te bloeien. Z. Corinthia.

Coriolanus (C. of Cn. Marcius), zie Marcii no. 3.

Corioli, latijnsche stad, die van den latijnschen bond naar de Volscen overging, in 493 heroverd door C. Marcius, die hiernaar den bijnaam Coriolanus kreeg. De stad is in den strijd tusschen Romeinen en Volscen vroeg te gronde gegaan; ze lag dicht bij Lanuvium.

Cormasa, stad in Pisidia.

Cornelia (lex) de senatu cooptando Agrigentinorum van P. Cornelius Scipio Africanus maior, die in 205 praetor van Sicilia was.

Cornelia (lex) van den consul Cn. Cornelius Lentulus Clodianus (Cornelii no. 49) in 72, tot invordering der gelden, die Sulla aan de koopers van verbeurdverklaarde goederen had kwijtgescholden.

Cornelia (lex) de restituendo Cicerone, tot terugroeping van Cicero uit zijne ballingschap, van den consul P. Cornelius Lentulus Spinther in 57 (Cornelii no. 50).

Corneliae (leges) van L. Cornelius Cinna (zie Cornelii no. 39) van 87. 1) de novorum civium et libertinorum suffragiis, waarbij de nieuwe burgers en de vrijgelatenen over alle tribus werden verdeeld.--2) de exsulibus revocandis. Tot deze ballingen behoorde in de eerste plaats Marius. Deze wetten werden voorgesteld, nadat Sulla naar het Oosten was vertrokken.

Corneliae (leges) van L. Cornelius Sulla, van 88, die hij liet aannemen, nadat hij zich met geweld van de stad had meester gemaakt. 1) tot afschaffing van de leges Sulpiciae van P. Sulpicius Rufus.--2) dat geen wetsvoorstel door een volkstribuun aan het volk mocht voorgesteld worden zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat, z. lex Hortensia. Deze wet is hernieuwd in 81.--3) dat het volk bij de verkiezingen niet meer tributim, zooals sedert 241 gebruikelijk was (zie Comitia Centuriata), maar volgens de ouderwetsche centuriënindeeling van Servius Tullius moest stemmen.--4) dat het aantal senatoren met 300 leden uit de nobilitas moest versterkt worden.--5) een lex de coloniis deducendis.--6) eene lex unciaria, waarbij de wettelijke rente op eene uncia per 10 maanden, dus op 10% per jaar werd vastgesteld, zie Fenus.

Corneliae (leges) van L. Corn. Sulla, van 81. 1) lex de proscriptione, dat de goederen der vogelvrijverklaarden zouden worden verbeurd verklaard, evenals van hen, die in den strijd voor de partij van Marius en Cinna gevallen waren; bovendien werden de zonen en kleinzonen van het recht om eerambten te bekleeden uitgesloten.--2) lex tribunicia, die aan de volkstribunen het recht ontnam wetten voor te stellen, zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat (zie ook Corneliae (leges) van 88), zoodat het eenige recht, dat ze behielden, het ius auxilii ferendi was, en hen onbevoegd verklaarde verder eenig ambt te bekleeden.--3) lex de magistratibus, dat men eerst aediel moest geweest zijn om praetor, en praetor om consul te kunnen worden, en niet tweemaal binnen tien jaar hetzelfde ambt mocht bekleeden, eene hernieuwing van de lex Villia annalis.--4) lex iudiciaria, die de iudicia aan den ridderstand ontnam en aan de senatoren teruggaf.--5) lex de sacerdotiis, waarbij het getal der pontifices en der augurs op 15 werd gebracht; tevens werd de lex Domitia de sacerdotiis afgeschaft (zie Attia (lex)), en ook de verkiezing van den pontifex maximus en den curio maximus door cooptatio vervangen.--6) leges agrariae en lex de civitate, om aan de inwoners van een aantal democratischgezinde municipia het burgerrecht te ontnemen en hun grond onder de soldaten van Sulla te verdeelen, zie ook onder Agrariae (leges).--7) lex de provinciis ordinandis, dat de stadhouders in de provinciën ook zonder lex curiata het imperium zouden hebben en de aftredende stadhouder binnen 30 dagen na de aankomst van zijn opvolger de provincie moest verlaten.--8) lex sumptuaria, waarbij de som bepaald werd, die op gewone dagen en op feestdagen voor het middagmaal besteed mocht worden.--Verder gaf Sulla nog eenige wetten betreffende de quaestiones perpetuae, waarbij niet zoozeer nieuwigheden werden ingevoerd, als wel eene nauwkeuriger omschrijving van de verschillende misdrijven, en hier en daar wellicht eenige verscherping van straf. Vermeld worden de volgende wetten: lex de repetundis, lex de maiestate, lex de sicariis et veneficiis, lex nummaria (tegen valsche munters), lex testamentaria (tegen testamentvervalsching) sive de falsis, lex de iniuriis e.a. Zie verder iudex. Sulla's lex iudiciaria werd in 70 afgeschaft door de lex Aurelia van den praetor L. Aurelius Cotta, de lex tribunicia in hetzelfde jaar door de lex Pompeia, de lex de civitate geraakte nog veel eerder in vergetelheid. Tot de lex de magistratibus behoorde misschien ook de afschaffing der censuur en de jaarlijksche verkiezing van 20 quaestoren, die in den senaat zitting namen, waardoor deze vanzelf voltallig werd gehouden. Vooraf had Sulla het aantal senatoren op 600 gebracht, door de ontbrekende bij volkskeuze te laten benoemen.

Corneliae (leges) van den volkstribuun C. Cornelius (Cornelii no. 55), in 67. 1) dat aan niemand in eene senaatszitting dispensatie van eenige wet zou verleend worden, tenzij 200 leden aanwezig waren, en dat geene intercessio zou gelden, wanneer daartoe een wetsvoorstel aan het volk werd gedaan.--2) ut praetores ex edictis suis perpetuis ius dicerent.

Cornelia Baebia (lex) de ambitu van de consuls P. Cornelius Cethegus en M. Baebius Tamphilus, 181. Omtrent den inhoud van deze wet is niets bekend.

Cornelia Caecilia (lex) de Cn. Pompeio, van de consuls P. Cornelius Lentulus Spinther en Q. Caecilius Metellus Nepos, 57, strekkende om Pompeius gedurende vijf jaar met de cura annonae in het geheele rom. rijk te belasten.

Cornelia Gellia (lex) van de consuls Cn. Cornelius Lentulus Clodianus en L. Gellius Poplicola, in 72, tot bekrachtiging der schenkingen van het burgerrecht door Pompeius.

Cornelii. De gens Cornelia was de beroemdste der rom. gentes. O. a. behoorden tot haar de patricische familiën Cethegus, Cinna, Cossus, Dolabella, Lentulus, Scipio, Sulla, en de plebejische familiën Balbus, Gallus, Merula. 1) Ser. Cornelius Maluginensis, de eerste consul uit de gens Cornelia, 485.--2) L. Corn. Maluginensis Uritinus, consul in 459, veroverde v. s. de zeestad Antium op de Volscen; v. a. streed hij met zijn ambtgenoot Fabius tegen de Aequi.--3) A. Corn. Cossus, consul in 428, behaalde de tweede spolia opima op den vejentischen koning Lars Tolumnius. In 426 was hij consulairtribuun en magister equitum van den dictator Mam. Aemilius Marmercinus.--4) A. Corn. Cossus, dictator in 385, bedwong zoowel den buitenlandschen vijand, de Volscen, als de binnenlandsche onlusten, door M. Manlius Capitolinus verwekt.--5) A. Corn. Cossus Arvina, consul in 343, werd bij het begin der samnietische oorlogen door den vijand hij den berg Gaurus ingesloten, doch behaalde door het beleid van zijn krijgstribuun P. Decius Mus toch nog eene schitterende overwinning. Dit verhaal is geheel verzonnen, evenals de geheele zoogenaamde eerste samnietische oorlog. In 332 was hij andermaal consul, in 322 dictator (ludorum Rom. causa).--6) P. Corn. Scipio komt in 395 onder de consulairtribunen voor. Hij was de eerste, die het cognomen Scipio had.--7) L. Corn. Scipio Barbatus, consul in 298, streed tegen de Etruscen in Etrurië, en vooral tegen de Samnieten in Lucania; zijn sarcophaag met een opschrift in verzen uit ± 200 is nog bewaard gebleven.--8) Cn. Corn. Scipio Asina, zoon van no. 7, consul in 260, stak met zijn ambtgenoot C. Duillius in zee, doch geraakte te Lipara in carthaagsche gevangenschap, waaruit hij later vrijgekocht werd. In 254 was hij andermaal consul en veroverde toen Panormus (Palermo). Den spotnaam Asina kreeg hij, naar men zegt, omdat hij als landrot, om zijn watervrees bespot werd; watervrees werd door de Romeinen als een kenmerkende eigenschap van de ezelin beschouwd.--9) L. Corn. Scipio, ook een zoon van no. 7, consul in 259, nam Aleria op Corsica in, en onderwierp het eiland. Zijn grafschrift is nog bewaard gebleven.--10) P. Corn. Scipio Asina, zoon van no. 8, consul in 221, streed voorspoedig tegen de istrische zeeroovers.--11) P. Corn. Scipio, zoon van no. 9, verloor als consul in 218 tegen Hannibal den slag aan den Ticinus bij Victumalae, waarin hij zwaar gewond door zijn zoon gered werd. Vervolgens terugtrekkend over de Po, leed hij met zijn ambtgenoot Tib. Sempronius Longus de nederlaag aan de Trebia. In 216 stak hij naar Hispania over, waar zijn broeder (no. 12) reeds vasten voet had verkregen. Na herhaalde overwinningen behaald te hebben op Hasdrubal en Mago, sneuvelde Publius in 212 met zijn geheele leger, waarop ook Cnaeus, die terugtrok, door de Carthagers achterhaald, omsingeld en afgemaakt werd.--12) Cn. Corn. Scipio Calvus, ook een zoon van no. 9, consul in 222, voerde met M. Claudius Marcellus (zie Claudii no. 29), oorlog tegen de Insubriërs, en veroverde Mediolanium (Milaan), ging in 218 als legaat van zijn broeder naar Hispania, waar hij Hanno versloeg en in 217 aan den mond van den Iberus (Ebro) eene carthaagsche vloot vernielde. Zie verder bij no. 11.--13) P. Corn. Scipio Africanus maior, zoon van no. 11, redde zijn vader bij den Ticinus het leven, streed, schoon eerst 19 jaar oud, in 216 met den rang van krijgstribuun bij Cannae en onderscheidde zich ook na den slag door zijn onwrikbaren moed. In 211 na den ondergang van zijn vader en zijn oom werd de jonge Scipio door het volk pro consule naar Spanje gezonden, waar hij in 210 den Carthagers een zwaren slag toebracht door de verovering van Carthago Nova; in 209 kon hij Hasdrubal niet verhinderen, Spanje te verlaten en zijn broeder Hannibal te hulp te komen; of hij Hasdrubal werkelijk bij Baecula verslagen heeft, staat niet vast. Hij veroverde na Hasdrubals vertrek geheel Hispania, zoodat hij in 206 naar Rome kon terugkeeren, waar hij in 205 het consulaat bekleedde. In 204 stak hij naar Africa over, waar Masinissa zich onmiddellijk bij hem aansloot; Scipio bracht nu de Carthagers zóó in het nauw, dat zij einde 203 Hannibal uit Italia terugriepen. Door den slag bij Zama in den herfst van 202 dwong hij Carthago tot een smadelijken vrede. Hij hield in 201 een luisterrijken intocht binnen Rome en verwierf den eernaam Africanus. In 199 was hij censor en in 194 andermaal consul. In 190 ging hij als legaat met zijn broeder (no. 14) naar Asia; aan den slag bij Magnesia (190), waarin Lucius Scipio Antiochus III van Syria versloeg, nam hij echter geen deel, daar hij toen ziek was. Na hun terugkeer in 188 werden de beide broeders in de volgende jaren meermalen door partijgenooten van M. Cato en Flamininus voor de volksvergadering gedaagd wegens omkoopbaarheid en verduistering van gelden. Eens trof het zóó, dat het juist de verjaardag van den slag bij Zama was, waarop P. Scipio, in plaats van zich te verdedigen, in wegslepende taal het volk naar het Capitool opriep, om den goden voor die overwinning dank te brengen. Toch werden beide broeders veroordeeld, en Publius verliet Rome, ging naar Liternum om niet meer terug te keeren, en stierf vermoedelijk in 183.--14) L. Corn. Scipio Asiaticus (v. a. Asiagenus), ook een zoon van no. 11, diende onder zijn broeder (no. 13) in Hispania, was in 193 praetor in Sicilia, en in 190 consul. In deze hoedanigheid voerde hij den syrischen oorlog en verwierf zich den bijnaam Asiaticus, doch werd na zijn terugkeer wegens verduistering van gelden veroordeeld (zie bij no. 13). Hij bezat op verre na niet de veldheerstalenten van zijn broeder.--15) P. Corn. Scipio, zoon van no. 13, een man van edel karakter, onttrok zich om redenen van gezondheid aan de staatszaken. Hij was het, die no. 18 tot zoon aannam.--16) L. Corn. Scipio, broeder van no. 15, een onwaardige zoon zijns vaders, kwam in den oorlog met Antiochus in handen van den vijand, maar werd later zonder losgeld vrijgelaten; hij werd in 174 uit den senaat gestooten.--17) Cornelia, de edele dochter van no. 13, moeder van Tib. en C. Sempronius Gracchus, beroemd om hare deugden.--18) P. Corn. Scipio Aemilianus Africanus minor, zoon van L. Aemilius Paullus, den overwinnaar van Perseus, door no. 15 geadopteerd. Hij verwierf zijne eerste lauweren onder zijn vader Paullus in den slag bij Pydna (168), diende later (151) in Hispania onder L. Licinius Lucullus (Licinii no. 22) en in Africa onder M'. Manilius (149). Hij verwierf zich zóóveel roem, dat hij, schoon eerst 37 jaar oud, in 148 tot consul werd gekozen, om den derden punischen oorlog ten einde te brengen. Na een zwaar beleg vermeesterde hij in 146 het uitgeputte Carthago, vernietigde de stad, en verkocht de inwoners als slaven, doch beweende op de puinhoopen het jammerlijk lot der stad. Met groote eer werd hij te Rome ontvangen, en hem de overgeërfde naam Africanus als loon voor eigen verdiensten toegekend. In 142 was hij censor, en trachtte als zoodanig het toenemend zedenbederf en de binnendringende oostersche weelde met klem te keer te gaan. De rampspoedige numantijnsche oorlog verschafte hem in 134 zijn tweede consulaat. Na eerst de verslapte krijgstucht hersteld te hebben, veroverde hij (herfst 132) het hardnekkig verdedigde Numantia en kreeg den eernaam Numantinus. Zijne tegenkanting tegen de hervormingsplannen van zijn zwager Tib. Gracchus, wiens zuster Sempronia hij gehuwd had, deed hem de volksgunst verbeuren. In eene stormachtige senaatszitting in 131 betuigde Scipio, dat z.i. Gracchus terecht was omgebracht, waarop de volkstribuun C. Papirius Carbo hem een landverrader noemde en het volk hem onder scheldwoorden en verwenschingen naar huis begeleidde. Later, in April of Mei 129, wist hij te bewerken, dat aan de III viri, gekozen ter uitvoering van de lex Sempronia agraria van Tib. Gracchus, de rechtspraak onttrokken werd (zie Agrariae leges), en na een senaatszitting door senatoren, volk en bondgenooten naar huis begeleid, werd hij den volgenden morgen in zijn bed dood gevonden. Scipio was een zeer geletterd man, die met Lucilius, Terentius, en vooral met Polybius vertrouwelijken omgang had. De innige vriendschapsband tusschen hem en C. Laelius Sapiens vormt de inleiding van Cicero's geschrift de amicitia.--19) P. Corn. Scipio Nasica, zoon van no. 12, had den naam de rechtschapenste burger van Rome te zijn. Reeds als jongeling werd hem in 204 de eervolle zending opgedragen, het beeld der mater Idaea, dat uit Pessinus in Galatia te Ostia was aangebracht, van daar naar Rome over te brengen. In 194 streed hij als praetor in Hispania, in 191 als consul tegen de Boiers, die zich onderwierpen. Hij stond bekend als een groot rechtsgeleerde. De bijnaam Nasica, die in de familie bleef, beteekent kromneus.--20) P. Corn. Scipio Nasica Corculum, zoon van no. 19 en schoonzoon van no. 13, diende onder Aemilius Paullus in Macedonia. Hij was consul in 162, maar moest toen, evenals zijn ambtgenoot C. Marcius Figulus (zie Marcii no. 12), als vitio factus aftreden; in 155 was hij wederom consul en versloeg en onderwierp toen de Dalmatiërs. In 159 was hij censor, in 150 werd hij pontifex maximus. Hij verzette zich in het belang van Rome tegen de verwoesting van Carthago. Zijn bijnaam Corculum had hij aan zijne rechtskennis en scherpzinnigheid te danken; hij beteekent zooveel als: een man van geest en hart. Deze Scipio stelde het eerste wateruurwerk te Rome op.--21) P. Corn. Scipio, bijgenaamd Serapio wegens zijne gelijkenis op een veekooper van dien naam, consul in 138, voerde in 133 de senaatspartij tot den gewapenden aanval op Tib. Gracchus aan. Om hem voor de volkswoede te beveiligen, droeg de senaat hem eene zending op naar Asia, waar hij overleed. Hij was een zoon van no. 20.--22) P. Corn. Scipio Nasica Serapio, zoon van no. 21, stierf in 111 tijdens zijn consulaat.--23) P. Corn. Scipio Nasica, praetor in 93, zoon van no. 22, gehuwd met de dochter van den redenaar L. Licinius Crassus.--24) L. Corn. Scipio Nasica, zoon van no. 23, geadopteerd door zijn grootvader, den redenaar L. Crassus (Licinii no. 12), en daarom L. Licinius Crassus Scipio genoemd.--25) P. Corn. Scipio Nasica, ook een zoon van no. 23, gewoonlijk Metellus Scipio genoemd, schoonvader van Pompeius. Zie Caecilii no. 18.--26) L. Corn. Scipio Asiaticus (Asiagenus), consul in 83, een afstammeling van no. 14, streed tegen Sulla, werd door dezen gevangen genomen, doch weder vrijgelaten. Hij hernieuwde echter den oorlog tegen Sulla, moest vluchten en stierf te Massilia. Hij was de schoonvader van P. Sestius, dien Cicero verdedigd heeft (Sextii no. 5).--27) Cn. Corn. Blasio, consul in 270 en 257, censor in 265.--28) L. Corn. Balbus, afkomstig uit Gades (Cadix), diende in den strijd tegen Sertorius, eerst onder Q. Metellus Pius, daarna onder Pompeius, van wien hij het burgerrecht verkreeg (72). Later vergezelde hij Caesar, toen deze propraetor in Spanje was. Tijdens het driemanschap werd hem het burgerrecht betwist, maar Cicero, die tijdens zijn ongeluk den steun van Balbus had genoten, verdedigde hem (56) met goed gevolg. Hoewel Balbus vervolgens te Rome in het belang van Caesar werkzaam was en ook pogingen aanwendde om Cicero voor dezen te winnen, was hij toch niet ondankbaar tegen Pompeius, maar deed moeite om door bemiddeling van invloedrijke personen eene schikking tot stand te brengen. Later werkte hij mede om Caesar met Cicero te verzoenen. Ook met Octavianus stond hij op goeden voet; in 40 was hij consul.--29) L. Corn. Balbus minor, neef van no. 28, kreeg ook in 72 het burgerrecht, nam aan Caesars veldtochten in Aegypte en Hispania deel. Als quaestor (43) vergrootte hij de haven van Gades, maar maakte zich door strengheid zeer gehaat. Als proconsul van Africa, 21-20, overwon hij de Garamantes; hij was de laatste privaatman, die triumfeerde (19), en de eerste, die geen Romein was van geboorte. Het theatrum Balbi is door hem gebouwd (13).--30) M. Corn. Cethegus, consul 204, pontifex maximus en begaafd redenaar, versloeg in 203 Hannibals broeder Mago in het land der Insubriërs (in Cisalpina).--31) C. Corn. Cethegus, consul 197, versloeg de Insubriërs en Cenomanen in Cisalpina. Later werd hij naar Africa gezonden om de geschillen tusschen Masinissa en Carthago te vereffenen.--32) P. Corn. Cethegus, consul 181, bracht als proconsul in 180 met zijn ambtgenoot M. Baebius Tamphilus 40000 Liguriërs met hun vrouwen en kinderen naar Samnium over (z. Apuani), en triumfeerde zonder oorlog gevoerd te hebben.--33) P. Corn. Cethegus, door Sulla vogelvrij verklaard, maar later weder in genade aangenomen, werd na Sulla's dood, niettegenstaande zijn verdorven karakter, een man van grooten invloed.--34) C. Corn. Cethegus, deelgenoot aan de samenzwering van Catilina, behoorde onder hen, die door Cicero werden ter dood gebracht.--35) P. Corn. Dolabella, consul in 283, overwon bij het Vadimonische meer de Boiers en de Etruriërs.--36) Cn. Corn. Dolabella, aanhanger van Sulla, consul in 81, overwon de Thraciërs als proconsul in Macedonia (79). In 77 werd hij door Caesar aangeklaagd wegens afpersingen, doch vrijgesproken.--37) Cn. Corn. Dolabella, praetor in 81, propraetor in 80 en 79 in Cilicia, zoog de provincie uit. Zijn legaat C. Verres hielp hem hierbij, doch verschafte later de bewijzen om hem te doen veroordeelen. Hij ging in ballingschap.--38) P. Corn. Dolabella, berucht om zijne uitspattingen, was met Cicero's dochter Tullia gehuwd tegen diens zin. In den burgeroorlog liep hij van Pompeius tot Caesar over, streed onder hem bij Pharsalus (48), liet zich vervolgens, om volkstribuun te kunnen worden, door een plebejer Lentulus tot zoon aannemen, was in 47 een zeer woelig volkstribuun, vergezelde hierna Caesar naar Africa en Hispania en werd door diens toedoen tot consul voor het jaar 44 verkozen. Na Caesars dood sloot Dolabella zich bij diens moordenaars aan, tot Antonius hem met de provincie Syria tevreden stelde, waardoor hij met Cassius weder in onmin geraakte. Op reis naar Syria beging hij in Griekenland en Klein-Azië verschillende buitensporigheden, zoodat de senaat hem vogelvrij verklaarde. Door Cassius aangevallen en geen uitweg ziende, bracht hij zichzelf in 43 te Laodicea ad mare om het leven.--39) L. Corn. Cinna, de bekende aanhanger van Marius, was consul in 87, toen Sulla naar Asia vertrok. Hoewel hij aan Sulla onder eede beloofd had de bestaande instellingen te zullen handhaven, trad hij op met een aantal daarmede strijdige wetsvoorstellen, doch werd door zijn medeconsul Cn. Octavius uit Rome verdreven. Met Marius aan het hoofd eener aanzienlijke strijdmacht teruggekeerd, richtte hij met hem een bloedbad aan onder de aanhangers van Sulla; doch toen de door Marius in dienst genomen slaven niets meer ontzagen, lieten Q. Sertorius en Cinna een groot aantal van hen neersabelen. Cinna was nog driemaal consul, in 86, 85 en 84. In dit laatste jaar keerde Sulla naar Italia terug, en werd Cinna door zijne eigene soldaten te Ancona gedood.--40) L. Corn. Cinna, zoon van no. 39, sloot zich na Sulla's dood bij den oproerigen consul M. Aemilius Lepidus aan, streed vervolgens onder Q. Sertorius, mocht in 73 ten gevolge van de lex Plautia terugkeeren, en werd onder Caesar praetor (44). Na Caesars dood hield hij eene lofspraak op diens moordenaars, doch werd bijna gesteenigd, terwijl zekere C. Helvius Cinna, dien men voor hem aanzag, door het volk vermoord werd.--41) Cn. Corn. Cinna Magnus nam deel aan eene samenzwering tegen Augustus, toen deze in Gallia was (16-13), maar kreeg vergiffenis en werd later zelfs consul (5 na C.).--42) Cornelia, dochter van no. 39, was gehuwd met Caesar, die in weerwil van Sulla's aandrang weigerde haar te verstooten.--43) L. Corn. Merula, consul in 193, leverde een bloedigen slag tegen de Boiers, waarvan 17000 sneuvelden, terwijl 212 veldteekens in zijne handen vielen. Daar hij echter ook 5000 man verloren had, werd hem geen zegetocht toegestaan.--44) L. Corn. Merula werd in 87 consul in plaats van den verdreven Cinna (no. 39). Toen deze evenwel terugkeerde, liet Merula zich de aderen openen en doodbloeden. Hij was flamen Dialis, welk ambt na zijn dood 75 jaar onbezet bleef.--45) L. Corn. Lentulus, consul in 327, gaf bij Caudium in 321 den raad, door vrijwillige overgaaf het rom. leger voor geheelen ondergang te behoeden. Deze raad legde te meer gewicht in de schaal, daar Lentulus een der dappersten was. Ten onrechte wordt hem de bijnaam Caudinus gegeven. De naam Lentulus is ontleend aan het verbouwen van linzen.--46) Cn. Corn. Lentulus, consul in 201, had zeer verlangd, in Africa tegen Carthago oorlog te voeren, maar voor hij uit Sicilië naar Africa kon oversteken, was de vrede geteekend (201).--47) P. Corn. Lentulus onthaalde in 169 het eerst het rom. volk op gevechten van wilde dieren. In 162 was hij consul suffectus. Hij was princeps senatus. Hij was een tegenstander van de Gracchen, en streed op hoogen leeftijd nog in 121 in de rijen der optimaten tegen C. Gracchus.--48) P. Corn. Lentulus Sura, een man van laag karakter, algemeen geminacht. Niettemin was hij in 75 praetor, in 71 consul, en hoewel hij in 64 uit den senaat werd gestooten, in 63 andermaal praetor. In dit jaar werd hij wegens deelneming aan de samenzwering van Catilina door Cicero ter dood gebracht.--49) Cn. Corn. Lentulus Clodianus, consul in 72, streed met zijn ambtgenoot L. Gellius Poplicola ongelukkig tegen de zwaardvechters onder Spartacus. Beiden waren censors in 70, toen de censuur, door Sulla afgeschaft, weder hersteld werd. Zie ook lex Cornelia Gellia. Hij was een goed redenaar. Hij was ook een der legaten van Pompeius in den zeerooversoorlog.--50) P. Corn. Lentulus Spinther, consul in 57, een warm vriend van Cicero, voor wiens terugroeping uit de ballingschap hij sterk ijverde. (Zie Cornelia (lex) de restituendo Cicerone). Zie verder omtrent hem Caecilia Cornelia (lex). In den burgeroorlog was hij op de zijde van Pompeius; hij werd door Caesar gevangen genomen en gedood.--51) L. Corn. Lentulus Crus, tegenstander van Clodius en van Caesar, consul in 49, volgde Pompeius en werd in Aegypte vermoord.--52) L. Corn. Sulla Felix, geb. in 138, stamde uit eene arme familie, en legde zich met ijver op de wetenschappen toe, vooral op de grieksche taal- en letterkunde. Hij was een man van fijne beschaving, doch losbandig en zedeloos. In 107 vergezelde hij Marius als quaestor en leidde als zoodanig met veel takt de onderhandelingen met koning Bocchus over de uitlevering van Jugurtha. Vervolgens diende hij als legaat in de oorlogen tegen de Cimbren en Teutonen (104-101). In 93 was hij praetor, in 92 propraetor in Cilicia. Hij slaagde er in, Ariobarzanes, die door Mithradates verdreven was, op den troon van Cappadocia te herstellen. Bij deze gelegenheid kwam hij in het Cappadocische Comana, waar zijne soldaten den eeredienst van Mâ-Bellona leerden kennen. In den bondgenootenoorlog diende Sulla als legaat in 90 onder den consul L. Julius Caesar, in 89 onder den consul L. Porcius Cato. In 90 had hij geen succes, maar in 89 veroverde hij Stabiae en Pompeii, verdreef de Samnieten uit Campania, onderwierp de Hirpini, drong daarop in Samnium door, en veroverde de hoofdstad Bovianum. Met onmenschelijke wreedheid woedde Sulla tegen de gevangenen. Hierop werd hij consul (88) en kreeg Asia tot provincie met het opperbevel in den mithradatischen oorlog. Sulla verzette zich te vergeefs tegen de wetgeving van P. Sulpicius Rufus (z. Sulpiciae leges), en vluchtte toen uit Rome naar zijn leger in Campania. Daarop werd op voorstel van P. Sulpicius het bevel aan Marius opgedragen. Op het bericht hiervan trok Sulla met zijn leger naar Rome terug; Sulpicius werd gedood, Marius en anderen vogelvrij verklaard. Na eenige wetten te hebben gegeven, stak Sulla naar Griekenland over, waar hij eerst Athene na een hardnekkige verdediging van vele maanden in Maart 87 bijna geheel uitmoordde, en den Piraeus slechtte; daarna versloeg hij den mithradatischen veldheer Archelaus bij Chaeronea, en een tweede leger bij Orchomenos (86), en trok vervolgens naar Azië, waar hij in het voorjaar van 85 met den koning vrede sloot, om de handen tegen Fimbria (zie Flavii no. 4) en de democraten in Italië vrij te krijgen. Voordat hij naar Italië vertrok, strafte hij Asia vreeselijk voor haar afval. Intusschen was Marius naar Rome teruggekeerd en woedde met L. Corn. Cinna (no. 39) tegen de aristocratische partij. In 83 kwam Sulla terug en nu ontbrandde de vreeselijke burgeroorlog, die geheele streken van Italië ontvolkte en met Sulla's zegepraal eindigde. De belangrijkste slag in dezen oorlog is die bij de Porta Collina (1 Nov. 82), waarbij de Samnieten, die op Rome losgetrokken waren, onder Pontius Telesinus en den jongen Marius door Sulla verslagen werden; de krijgsgevangenen liet hij daarna afmaken. Door den interrex L. Valerius Flaccus liet hij eene wet voorstellen, waarbij hem de levenslange dictatuur werd opgedragen, z. Valeria (lex) de Sulla dictatore. Het regende nu vogelvrij- en verbeurdverklaringen; duizende landerijen werden aan zijne soldaten toegewezen, hij omringde zich met eene lijfwacht van 10000 vrijgelatenen, en door een geheel stel wetten trachtte hij de heerschappij van den senaat blijvend te bevestigen. Hij had echter zelf het voorbeeld gegeven, hoe een veldheer alles vermocht omver te werpen, als hij slechts zich van de genegenheid van zijn leger wist te verzekeren, eene kunst, die Sulla in hooge mate verstond. Zie verder Corneliae (leges) van L. Corn. Sulla van 81. Na twee jaar (79) legde Sulla de dictatuur neder en trok zich terug op zijn landgoed bij Puteoli, waar hij gedenkschriften begon op te stellen, die echter niet door hem voltooid werden. Hij stierf reeds in 78 aan de gevolgen van zijn losbandig leven. Hij was de eerste uit de gens Cornelia, wiens lijk niet begraven, maar verbrand werd.--53) Faustus Corn. Sulla, zoon van no. 52, diende onder Pompeius in het Oosten, o.a. in 63 voor Jerusalem, welks muur hij het eerst beklom. Later streed hij ook bij Pharsalus en bij Thapsus, en werd op de vlucht door P. Sittius gevangen genomen en door Caesars soldaten omgebracht. Hij was de schoonzoon van Pompeius.--54) P. Corn. Sulla, was voor 65 tot consul gekozen, doch werd met zijn ambtgenoot P. Autronius Paetus wegens ambitus veroordeeld. In 62 werd hij door den jongen L. Manlius Torquatus (Manlii no. 14) beschuldigd van deelgenootschap aan de tweede samenzwering van Catilina, waartegen Cicero hem verdedigde, nadat Q. Hortensius Hortalus hem reeds verdedigd had tegen eene aanklacht van Torquatus wegens deelneming aan de eerste samenzwering. Hij streed ook bij Pharsalus, doch voor Caesar. In 45 werd hij waarschijnlijk door roovers vermoord.--55) C. Cornelius, volkstribuun in 76. Zie Corneliae (leges).--56) L. Cornelius Sisenna, praetor in 78, stierf in 67 als legaat van Pompeius op Creta. Hij was een geleerd man, en schreef annales van zijn tijd, en gaf eene vertaling uit der milesische vertellingen van Aristides.--56 b) Cornelia Metella = Caecilia Metella, z. Caecilii no. 26.--57) Verder vindt men nog de familienamen Merenda, Rufinus, Scapula. Onder de Rufini verdient genoemd te worden: P. Cornelius Rufinus, consul 290 met M' Curius Dentatus; zij maakten samen een einde aan den Samnietischen oorlog. In 277 was hij weder consul en streed toen tegen Pyrrhus. In 275 werd hij door den censor C. Fabricius uit den senaat gestooten, omdat hij meer dan 10 pond aan tafelzilver bezat. Hij was berucht om zijn hebzucht.--58) Cornelius Nepos, geschiedschrijver, in Gallia Transpadana geboren, bevriend met Catullus en Atticus en door dezen ook met Cicero. Hij heeft verschillende werken geschreven van historischen en geographischen aard, maar zeer oppervlakkig. 1º. 3 boeken Chronica. 2º. een werk Exempla getiteld, waaruit Valerius Maximus (z. a.) geput heeft. 3º. een Chorographia. 4º. zijn hoofdwerk is echter de viris illustribus libri XVI, waarin op oppervlakkige wijze naast grieksche beroemdheden romeinsche behandeld waren, en waarvan nog enkele stukken, het boek over de buitenlandsche veldheeren (Cornelii Nepotis vitae excellentium imperatorum), het bekende schoolboek, en verder twee biographieën uit het boek de latinis historicis, n.m. een kleine van Cato en een uitgebreide van Atticus, over zijn.--59) C. Cornelius Gallus, te Forum Julii (Fréjus) uit een nederigen stand geboren, dichter en bevriend met Ovidius, Vergilius, e.a. Hij werd door Augustus in 30 tot praefectus van Aegypte aangesteld. Later in ongenade gevallen, benam hij zichzelf het leven (26). Zijne gedichten zijn verloren.--60) A. Cornelius Celsus, zie Celsus.--61) C. Cornelius Chrysogonus, zie Chrysogonus.--62) M. Cornelius Fronto, zie Fronto (M. Cornelius).--63) Cornelius Severus, zie Severi no. 1.--64) P. Cornelius Tacitus, zie Tacitus (P. Cornelius).

Corniculum, latijnsche stad ten N. van den Anio; ze is vroeg verdwenen.

Cornificii, plebejisch geslacht. 1) Q. Cornificius, onder wiens bewaking de Catilinariër C. Cornelius Cethegus werd gesteld. Hij was het, die het eerst in den senaat de heiligschennis van P. Clodius Pulcher ter sprake bracht. Met Cicero dong hij, maar te vergeefs, naar het consulaat.--2) Q. Cornificius, zoon van no. 1, aanhanger van Caesar, na diens dood stadhouder van Africa vetus, en aanhanger van den senaat en van Sextus Pompeius, sneuvelde in 41 in een slag tegen het driemanschap bij Hadrumetum. Evenals zijn vader had hij met Cicero omgang. Hij was redenaar en dichter.--3) L. Cornificius, aanhanger van Octavianus.--4) Cornificius, een rhetor, wordt ten onrechte voor den schrijver gehouden van de Rhetorica ad C. Herennium, een werk uit den tijd van Sulla, dat in 4 boeken uitvoerig de rhetorica behandelt.

Cornu copiae, horen van overvloed, zie Amalthea.

Cornus, versterkte hoofdplaats der Sarden aan de Westkust van Sardinia.

Cornuti, plebejisch geslacht. 1) C. Caecilius Cornutus, een man van strenge zeden en hierom Pseudo-Cato genoemd, volkstribuun in 61 en praetor in 57, ijverde voor de terugroeping van Cicero uit diens ballingschap.--2) M. Caecilius Cornutus, praetor urbanus in 43, werd na den dood der beide consuls A. Hirtius en C. Vibius Pansa door zijne troepen verlaten en sloeg de hand aan zich zelven.--3) Cornutus (L. Annaeus). Zie Annaei.

Coroebus, Koroibos, 1) zoon van Mygdon, koning van Phrygië, die uit liefde voor Cassandra Priamus te hulp kwam. Hij muntte uit door dapperheid en was een van de weinige strijders, die onder Aeneas nog een laatsten uitval waagden, terwijl de stad reeds brandde; bij deze gelegenheid sneuvelde hij.--2) overwinnaar in de olympische spelen in 776, het jaar waarmede de telling der Olympiaden begint.

Corollarium, krans met bladeren van goud, zilver of ander metaal, die men aan geliefde tooneelspelers placht toe te werpen, vandaar = toegift, fooi.

Corona. De Rom. maakten veel werk van bloemkransen, bij feestmalen hadden zij dikwerf lange kransen om den hals, die op de borst afhingen, en wel liefst van geurende rozen. Ook als militaire eerbewijzen waren coronae in gebruik, doch alsdan van anderen aard. De corona triumphalis, een laurierkrans, soms ook van goud vervaardigd, werd door den zegepralenden veldheer en later door de keizers gedragen. De corona ovalis, bij eene ovatio gedragen, was een myrtenkrans. De corona obsidionalis of graminea, de eenvoudigste doch eervolste van alle, viel den generaal ten deel, die een ingesloten rom. leger had ontzet. Zij werd gevlochten uit gras, op de plaats zelve geplukt. De corona civica, van eikenloof, zoo mogelijk met de eikels er aan en met het devies ob civem servatum, werd gegeven voor het redden van een kameraad in den slag. De corona muralis, in den vorm van een wal, was voor hem, die het eerst de muren eener belegerde stad beklom. Evenzoo werd degene, die het eerst in een vijandelijk kamp doordrong, beloond met de corona vallaris of castrensis, die met kleine gouden palissaden was versierd. De corona navalis of rostrata was versierd met gouden scheepssnebjes. Goden en heroën en later ook wel de keizers vindt men dikwerf met eene corona radiata, waarin reeds meer het begin eener kroon is te zien. Ook is er een sterrenbeeld corona = de krans van Ariadne.

Corone, Korone, stad in Messina aan de Messenische golf, in 371 door de Messeniërs met behulp van Boeotiërs uit Coronea, op de plaats van het vroegere Aepea gesticht, thans Coron.

Coronea, Koroneia, stad in Boeotia, bekend door de overwinning der Boeotiërs op de Atheners in 447, en door die der Spartanen onder Agesilaus in 394 in den corinthischen oorlog.

Coronides, Koronides, Asclepius, zoon van Coronis.

Coronis, Koronis, 1) dochter van Phlegyas, koning van Thessalië, bij Apollo moeder van Asclepius. Nog voordat deze geboren was, schonk zij hare liefde aan een gast van haar vader, den Arcadiër Ischys; tot straf doodde Apollo haar, doch haar nog niet geboren kind werd door hem gered.--2) dochter van Coroneus, koning van Phocis, werd, terwijl zij den verliefden Poseidon ontvluchtte, door Athena in een kraai veranderd.

Coronta, ta Koronta, stad in het Z. van Acarnania.

Coronus, Koronos, 1) zoon van Caeneus, koning der Lapithen, een van de Argonauten, werd in den oorlog tegen Aegimius door Heracles gedood.--2) zoon van Thersander, mythisch stichter van Coronea.

Corporis Custodes of Corpore Custodes, naam van de door Augustus ingerichte, door Galba ontbonden, germaansche lijfwacht der Julisch-Claudische Keizers. Onder hen vormen de Batavi de meerderheid. Het zijn geen eigenlijke soldaten, toch zijn het allen vrijen of vrijgelatenen, geen slaven. Men moet ze scherp onderscheiden van de praetoriani, die steeds romeinsche burgers zijn (zie cohortes praetoriae).

Corsiae, Korsiai, eilandjes bij Samos, waarschijnlijk = Corassiae.

Corsica, Korsike, doch bij de ouderen gewoonlijk Kyrnos geheeten, het bekende eiland; de bewoners heeten Corsi. De bodem was onvruchtbaar, de bevolking ruw en roofzuchtig. Na den eersten punischen oorlog kwam het onder Rome met Sardinia, waarmede het ook verder als ééne provincie vereenigd bleef.

Corsote, Korsote, stad in Mesopotamia, op een eilandje in den Euphraat, in Xenophon's tijd reeds verlaten.

Cortona, Kortona, eene der twaalf hoofdsteden van Etruria, even ten N. van het Trasimeensche meer, met pelasgische muren.

Coru pedion, Korou pedion, vlakte in Lydia bij Sardes.

Coruncanii, plebejisch geslacht. 1) Tib. Coruncanius, consul 280, was de eerste plebejische pontifex maximus, een man van groote rechtskennis en vroomheid. Hij was de eerste jurist, die bij zijn adviezen auditores toeliet.--2) C. en L. Coruncanius, rom. gezanten, in 230 tot koningin Teuta naar Scodra in Illyria gezonden, verbitterden haar zoozeer door hunne vrijmoedige taal, dat zij één hunner liet ombrengen.

Corus, de Noordwestenwind, zie Windstreken.

Corvinus, bijnaam in de gens Valeria (Valerii no. 28).

Corvus, familienaam in de gens Valeria (Valerii no. 13). Ook de naam van een belegeringswerktuig, enterhaak op de schepen.

Corvus, een raaf, die door Apollo gezonden werd om water uit een bron te halen; bij de bron gekomen, zag hij een vijgeboom en bleef nu eenige dagen wachten tot de vijgen rijp waren. Om zijn lang uitblijven te verontschuldigen, nam hij een waterslang mede en beweerde, dat deze iederen dag de bron had leeggedronken. Tot straf voor dit bedrog verbood Apollo hem gedurende eenigen tijd te drinken, en ter herinnering hieraan staat aan den hemel het sterrenbeeld Corvus tusschen Hydra en Crater.

Corybantes, Korybantes, z. Rhea (Cybele).

Corycides nymphae, de Muzen, zoo genoemd naar de corycische grot in Phocis.

Corycium antrum, Korykion antron, grot aan de zuidelijke helling van den Parnassus, in Phocis. Zie ook Corycus no. 1.

Corycus, Korykos, 1) kaap en stad in Cilicia, dicht bij de monding van den Calycadnus. In den omtrek groeide de beste saffraan. In de nabijheid vond men de corycische grot (mythe van Typhon en Zeus).--2) kaap in Ionia tusschen Teos en Erythrae.--3) kaap en stad in Pamphylia.

Corymbus, korymbos, ouderwetsch kapsel der atheensche vrouwen of der Atheners in het algemeen, waarbij het haar op de kruin van het hoofd saamgebonden werd; ook naam voor iemand, die het haar zoo draagt.

Corynetes, Korynetes, "knotsdrager", bijnaam van Periphetes en Areïthoüs.

Coryphaeus, koryphaios, in het bizonder de leider van den koorzang en dans in de tragedie en comedie, die ook uit naam van het koor het woord voert, wanneer het niet zingt, maar spreekt.

Coryphasium, Koryphasion, kaap en stad op de Westkust van Messenia.

Corythus, Korythos, 1) zoon van Zeus, gehuwd met de Pleiade Electra, stichter van Corythus, later Cortona.--2) zoon van Paris en Oenone, werd door zijne moeder naar Helena gezonden, om de jaloerschheid van Paris op te wekken; toen deze hem bij Helena aantrof, doodde hij hem zonder hem te herkennen.--3) een van de Lapithen.--4) een van de gasten op de bruiloft van Perseus.

Cos, Kos, ook Coos, Cous, Koos, grieksch eiland op de aziatische kust, met eene gelijknamige hoofdstad, die een heerlijk panorama opleverde, wanneer men uit zee kwam. De bevolking was dorisch. Het eiland leverde voortreffelijken wijn, aardewerk, zalven en beroemd lijnwaad op (Coae vestes). Asclepios of Aesculapius, aan wien het geheiligd was, had hier een schoonen tempel, waarmede een beroemde medische school verbonden was; Hippocrates en Apelles waren op Cos geboren. Van den laatste was op het eiland eene Venus anadyomene, die later door Augustus voor 100 talenten werd gekocht.

Cosa, ook Cossa, kuststad van Etruria, in 273 als latijnsche kolonie aangelegd in het gebied van Volci (z.a.). Het was een sterke vesting, waarvan de muren nog bestaan. In 199 kreeg de stad nieuwe kolonisten. De haven heette portus Herculis of portus Cosanus.

Cosconii, plebejisch geslacht, waarvan enkele leden in verschillende oorlogen en betrekkingen voorkomen.--1) C. Cosconius, praetor in 89, versloeg in den bondgenooten-oorlog de Samnieten.--2) C. Cosconius, bevriend met Cicero, tribunus plebis in 59, in 56 rechter in het proces van P. Sestius.

Cossaea, Kossaia, landstreek op de grenzen van Susiana en Media, door eene roofzieke en woeste bevolking bewoond.

Cossus, familienaam in de gens Cornelia. Z. Cornelii no. 3-5.

Cossyra, Kossyra, eil. tusschen Sicilia en Africa.

Cothon, Kothon, eene haven van Carthago.

Cothurnus, kothornos, een tot het midden van het been reikende laars, van voren met riemen vastgemaakt. Deze laarzen werden vooral door jagers gebruikt; later werden zij ook op het tooneel gedragen, waar zij, van dikke zolen voorzien, den tooneelspelers in het treurspel een hoogere gestalte gaven; vandaar wordt het woord ook metonymisch gebruikt voor treurspel. Daar iedere laars zoowel aan den linker- als aan den rechtervoet paste, wordt de naam ook gegeven aan iemand die alle politieke partijen bevredigen wil.

Cotini, een keltisch volk in Germania, ten N. van de Donau, aan den bovenloop van de rivier de Gran wonende.

Cotiso, koning der Geten in Dacia, die tijdens den burgeroorlog tusschen Octavianus en Antonius over den Donau was gevallen, maar later overwonnen werd.

Cotta, familienaam in de gens Aurelia, z. Aurelii no. 1-8.--In den gallischen oorlog komt ook nog als legaat van Caesar zekere L. Aurunculeius Cotta voor, die in den opstand der Eburones onder Ambiorix (winter van 54/53) sneuvelde.

Cottabus, kottabos, een waarschijnlijk oorspronkelijk sicilisch spel, dat door de Atheners dikwijls na den eten gespeeld werd. Het bestond daarin, dat men op een bepaalden afstand een weinig wijn uit een beker in kleine schaaltjes moest werpen, die in evenwicht ophingen en door het gewicht zakkend op een of ander metalen voorwerp stieten en daardoor geluid gaven, of die op water dreven en door het gewicht zonken; in het al of niet gelukken van den worp of in den meer of minder helderen klank van het metaal zag men dikwijls ook een liefdeorakel.

Cottiae Alpes, zie Alpes. Dit berglandje werd onder keizer Nero met Liguria tot eene provincie Alpes Cottiae vereenigd. Hoofdstad: Segusio (Susa).

Cottius, opperhoofd van ligurische stammen om en bij het naar hem genoemde Cottische Alpenland. Octavianus stelde hem als vorst aan met den titel praefectus. Zijn zoon, ook Cottius geheeten, kreeg van keizer Claudius den koningstitel. Onder Nero werd het vasalstaatje als provincie ingelijfd.

Cottus, Kottos, een van de Centimani.

Cotyla, kotyle, inhoudsmaat, de helft van een sextarius, vooral voor het meten van geneesmiddelen gebruikt.

Cotyora, Kotyora, kolonie van Sinope op de kust van Pontus, vanwaar Xenophon en de 10000 Grieken zich inscheepten naar Sinope.

Cotys, Kotys, 1) koning van Thracië (383-359), om zijne wreedheid berucht, schoonvader van Iphicrates. Ofschoon hij atheensch burger was, was zijne politiek altijd den Atheners vijandig, en toen hij door sluipmoord uit den weg geruimd was, werden zijne moordenaars door de Atheners met het burgerrecht en gouden kransen begiftigd.--2) koning der Odrysen, ondersteunde Perseus van Macedonië tegen de Rom.--3) regeerde onder Augustus (12 n. C.-± 18 n. C.) over de helft van Thracië, doch werd door zijn broeder Rhescuporis, die de andere helft beheerschte, gevangen genomen en gedood.--4) zoon van den vorigen, kreeg van Caligula Klein-Armenië, daar Thracië gedurende zijne minderjarigheid rom. provincie geworden was. Tusschen 37/38 en 46 n. C. was Thracië weer zelfstandig onder de drie broers Rhoemetalces, Cotys en Polemo.

Cotys, Cotytto, Kotys, Kotytto, thracische of phrygische godin, die ook door Grieken en Rom. vereerd werd. Hare feesten, Cotyttia, Kotyttia, die des nachts gevierd werden, kenmerkten zich door luidruchtigheid en buitensporigheid. De dienaren van Cotys heetten Baptai.

Cous = Cos.

Cragus, Kragos, vulkanisch gebergte in Lycia, waar de mythe der Chimaera tehuis behoort. Evenwijdig met den Cragus liep de Anticragus.

Cranaë, Kranae, eil. op de laconische kust bij Gytheum of bij Attica, waar Paris en Helena op hunne vlucht overnachtten.

Cranaea, Kranaia, bijnaam van Athena te Elatea in Phocis.

Cranaüs, Kranaos, koning van Attica na Cecrops, ten tijde van Deucalion en den zondvloed. Hij werd door zijn schoonzoon Amphictyon van den troon gestooten. Naar hem heeten de oude Atheners Cranaï (Kranaoi) en Athene Cranaa (Kranaa, Kranaai); zijne dochter Atthis gaf haar naam aan Attica.

Craneum, Kraneion, cypressenbosch en uitspanningsoord bij Corinthe, waar ook de cynische wijsgeer Diogenes des zomers placht te vertoeven.

Cranii, -ium, Kranioi, -ion, stadje aan de Westkust van het eil. Cephallenia.

Cranon, Crannon, Kranon, Krannon, vroeger Ephyra, stad in Thessalia in het gewest Pelasgiotis. Bij Crannon behaalde Antipater in den lamischen oorlog de beslissende overwinning op de Grieken en Thessaliërs (322).

Crantor, Krantor, van Soli in Cilicië, academisch wijsgeer, leerling van Xenocrates en Polemo; zijne werken worden door Cicero met lof vermeld. Hij was de eerste, die commentaren op de werken van Plato schreef, en bestreed de stoicijnsche leer.

Crassus, familienaam, vooral in de gens Licinia (Licinii no. 7-17). Hij komt ook voor bij de Canidii, Otacilii, Papirii (Papirii no. 1-4).

Crater, krater, een groote vaas, die in de eetzaal stond, waarin wijn met water vermengd werd en waaruit dit mengsel in de bekers der gasten geschept werd.

Craterus, Krateros, 1) veldheer onder Alexander d. G., aanvoerder van het landleger op den terugtocht uit Indië, voerde de veteranen uit Azië naar hun vaderland terug (324), en zou Antipater als regent van Macedonië vervangen, toen Alex. stierf. In den lamischen oorlog besliste zijne komst den slag bij Crannon ten gunste van Antipater, met wien hij daarna Perdiccas en Eumenes bestreed; in een slag tegen laatstgenoemde sneuvelde hij (321).--2) Macedoniër, v. s. zoon van den vorigen, schrijver eener Psephismaton Synagoge, verzameld uit de te Athene bewaarde origineelen, van welk werk nog enkele overblijfsels bestaan.--3) beroemd geneesheer, tijdgenoot van Cicero.

Crates, Krates, 1) atheensch blijspeldichter omstreeks 450, een van de grondleggers der oude attische comedie; men schreef hem 14 stukken toe.--2) Athener, leerling van Polemo en na diens dood gedurende korten tijd hoofd der academie.--3) Thebaan, de voornaamste leerling van den cynicus Diogenes en gedurende eenigen tijd leeraar van Zeno.--4) van Mallus, te Tarsus opgevoed, werd aan het hof van Attalus de stichter der pergameensche school van taalgeleerden; in zijne werken over Homerus bestreed hij Aristarchus. In 167 begeleidde hij Attalus II naar Rome en bleef daar wegens ziekte langen tijd. Hij is de eerste van de Stoici, die Homerus vooral op het gebied van de geographie voor onfeilbaar verklaart, en door allegorische uitlegging alles wat men weet, bij Homerus meent terug te vinden. Zoodoende is hij de schepper geweest van een nieuwe denkrichting, die ook op latere geslachten grooten invloed heeft geoefend en nog oefent. Zie o. a. Philo Judaeus.

Crates, Cratis, vlechtwerk, horde, schanskorf en dgl. Enkele malen komt de uitdrukking voor: sub crate necari. De veroordeelde werd op den grond uitgestrekt onder eene teenen horde, die zóólang met steenen werd bezwaard, tot de ongelukkige onder het gewicht den geest gaf.

Crathis, Krathis, rivier in het land der Bruttii, die bij Thurii in den sinus Tarentinus uitstroomt. De Sybaris is een zijriviertje hiervan, maar stroomde oorspronkelijk ten N. van de Crathis in zee. Ook een kuststroompje in Achaia.

Cratinus, Kratinos, 1) Athener (520-423), de eigenlijke schepper der oude attische comedie. Hij was de eerste die in zijne stukken een politieke strekking legde en drie acteurs liet optreden. Hij trad tamelijk laat als dichter op en behaalde met 21 stukken negenmaal de overwinning, o. a. met zijn laatste stuk Pytine (de wijnflesch), kort voor zijn dood opgevoerd, waarin hij zijn eigen gebrek, dronkenschap, aan de bespotting van het publiek prijsgaf.--2) atheensch blijspeldichter, die ongeveer eene eeuw later leefde dan de vorige; van hem worden 8 stukken genoemd.

Cratippus, Kratippos, 1) schreef een vervolg op de geschiedenis van Thucydides, tot welk werk, naar men meent, een onlangs in Egypte gevonden fragment behoort. Zie Theopompus.--2) van Mytilene, peripatetisch wijsgeer te Athene, leermeester van Cicero's zoon.

Cratis = Crates.

Cratylus, Kratylos, leerling van Heraclitus en van Protagoras, leermeester van Plato, die een zijner werken naar hem noemde.

Cremaste, Kremaste, goudhoudende streek in Troas nabij Abydus.--Zie ook Larissa no. 2.

Cremera, zijtak van den Tiber in Etruria, die langs Veii stroomt, en bij wiens uitmonding in den Tiber in 479 de 306 Fabii sneuvelden.

Cremni, Kremnoi, scythische koopstad aan den mond van den Tanaïs (Don) in de Maeotis.

Cremona, Kremone, romeinsche kolonie met latijnsch recht, in 219 aan den linkeroever van den Padus (Po) aangelegd, in 190 versterkt met 6000 nieuwe kolonisten, een van de rijkste steden van Gallia Cisalpina. Behalve tal van prachtige gebouwen had Cr. het grootste amphitheater van Italië. In 41 leed het door de soldaten van Antonius, in 69 na C. werd het door die van Vespasianus verwoest. Hoewel Vespasianus de stad herbouwde, keerde de oude welstand niet terug.

Cremonis iugum, een berg der Alpen, thans Cramont of Grammont, tusschen den Mont Blanc en den kleinen St. Bernard, ten Z. van Courmayeur.

Cremutius Cordus, geschiedschrijver ten tijde van Augustus en Tiberius, die zijne vrijmoedige taal met den dood moest boeten, en wiens geschiedwerken verbrand werden (25 n. C.).

Crenides, Krenides, zie Philippi.

Creon, Kreon, 1) koning van Corinthe, vader van Creusa.--2) zoon van Menoeceus, regeerde over Thebe van den dood van zijn zwager Laius tot de troonsbestijging van Oedipus en wederom na den dood van Eteocles en Polynices; z. Antigone.--3) koning van Thebe, schoonvader van Heracles, z. Amphitryo.

Creophylus, Kreophylos, cyclisch dichter van Samus of Chius, wordt de vriend, leermeester of schoonzoon van Homerus genoemd. Een van zijne nakomelingen zou de gedichten van Homerus naar Sparta gebracht en aan Lycurgus gegeven hebben.

Crepida, een zool met of zonder hakleder, die op den voet werd vastgeregen. Ne sutor ultra crepidam = schoenmaker, houd u bij uw leest.

Crepundia (plur.), kleine stukjes kinderspeelgoed, die soms den kinderen om den hals werden gehangen, hetzij als talisman, hetzij als herkenningsteeken.

Cresilas, Kresilas, uit Cydonia op Creta, een van de beroemdste bronsgieters van de 5de eeuw. Tot zijn beroemdste werken behoorden een stervende gewonde, een gewonde Amazone (wedstrijd tusschen Phidias, Polycletus en Cresilas) en een portretstatue van Pericles. Van de laatste zijn nog een paar replieken over.

Cresphontes, Kresphontes, een van de drie zonen van Aristomachus, den achterkleinzoon van Heracles, die de Peloponnesus heroverden; bij de verdeeling kreeg hij Messenia, waar hij later bij een opstand met twee van zijne zonen gedood werd.

Cressa, Kressa, cretensische vrouw, bijnaam van Ariadne en Aërope; Cressa bos = Pasiphaë.

Crestonia, Krestonia, met de hoofdstad Crestone of Creston, Krestone, Kreston, streek in Macedonia tusschen den Strymon en den Axius.

Creta, Krete, thans Candia of Creta, het grootste der grieksche eilanden, van havens ruim voorzien, vruchtbaar, gezond van klimaat, was reeds vroeg (zie Cnossus en Phaestus) het middelpunt van een zeer hoog ontwikkelde beschaving, die men tegenwoordig in een vóórgrieksch en een achaeisch tijdperk pleegt te onderscheiden. Na het verval der myceensche beschaving dringen de Doriërs het eiland binnen. Bij Homerus heet Creta nog hekatompolis en vooral in de Odyssea vindt men nog vele herinneringen aan de vroegere macht en rijkdom van het eiland. De bevolking was zeer gemengd, doch de dorische stam had het overwicht. De dorische bevolking vormde de heerschende kaste, de burgers. De hypekooi, eene vrije, doch onderworpen bevolking, kwamen overeen met de perioikoi in Laconica. Dan volgden twee klassen van lijfeigenen: de mnoitai, lijfeigenen van den staat, en de klarotai of aphamiotai, lijfeigenen op de goederen van particulieren. Opvoeding der jeugd vanwege den staat en gemeenschappelijke maaltijden waren ook op Creta wet. Na de afschaffing van het koningschap had men 10 archonten met een senaat en een collegie van ephoren. Allengs splitste Creta zich in verschillende republieken (de belangrijkste steden zijn dan: Cnosus, Gortyn, Lyttus of Lyctus, Praesus, later Hierapytna, en in het W. Cydonia), totdat Q. Caecilius Metellus Creticus 68-64 het eiland onderwierp en als provincie inrichtte. Sedert kwam Creta, ook zedelijk, in diep verval, zoodat de bewoners met de Capadociërs, Ciliciërs of Cariërs onder de kappa kaka gerekend werden: Kretes aei pseustai, kaka theria, gasteres argai. Op Creta behooren de mythen te huis van Minos, Daedalus, den Minotaurus, den cretensischen Zeus, wiens graf men er liet zien, e. a. Naar Creta is het krijt creta genoemd; de cretische aarde is echter niet krijt, maar porseleinaarde.

Creteus = Catreus.

Cretheus, Kretheus, 1) zoon van Aeolus en Enarete, stichter van Iolcus, vader van Aeson, Pheres, Amythaon en Hippolyte.--2) een zanger, die Aeneas op zijne tochten vergezelde en door Turnus gedood werd.--3) vader van Neleus.

Cretio. Cretio hereditatis is de uitdrukkelijke verklaring, dat men eene erfenis aanvaardt.

Creusa, Kreousa, 1) dochter van Oceanus en Gaea, bij Peneus moeder van Hypseus.--2) dochter van Erechtheus, echtgenoote van Xuthus, moeder van Achaeus en Ion.--3) dochter van Priamus, gemalin van Aeneas, moeder van Ascanius; zij zoude in den nacht, waarin Troje genomen werd, met Aeneas vluchten, maar zij raakte in de verwarring verloren en werd door de moeder der goden op wonderbare wijze van de aarde weggenomen.--4) dochter van Creon, onder wiens regeering Iason en Medea te Corinthe kwamen. Om met Creusa te trouwen erstiet Iason Medea, die zich wreekte door aan hare mededingster een vergiftigd kleed te zenden, dat zich aan het lichaam vasthechtte en haar onder vreeselijke pijnen deed omkomen.

Crimissus of Crimisus, Krimissos, Krimisos, rivier in het W. van Sicilia, zijrivier van den Hypsus, bekend door de overwinning van Timoleon op de Carthagers in 339.

Criobolia, zie Rhea (Cybele).

Crisa, Krisa = Crissa.

Crispus, (= kroeskop), rom. familienaam in verscheidene geslachten. Zie Marcii (no. 11), Salustii, Vibii (no. 6).--Flavius Julius Crispus, oudste zoon van Constantijn den Gr., een rijk begaafd jongeling, zoowel in vrede als in den oorlog uitstekend, werd in 326 na C. te Pola in Istria, op bevel zijns vaders vermoord.

Crissa, Krissa, oude handelsstad in Phocis, met de haven Cirrha, werd in 590 op last der Amphictyonen verwoest, daar het van de bedevaartgangers naar Delphi tollen hief. Cirrha werd later als havenstad van Delphi herbouwd.

Crithote, Krithote, stad in het N. van de thracische Chersonesus, aan den Hellespont gelegen.

Critias, Kritias, 1) zoon van Dropides, vriend van Solon, overgrootvader van Plato.--2) achterkleinzoon van den vorigen, leerling van Gorgias en Socrates, verdienstelijk dichter en redenaar, dikwijls in de werken van Plato vermeld, die een van zijne gesprekken naar hem noemde. Aanvankelijk aanhanger der democratie, werd hij later om onbekende redenen verbannen en kwam hij eerst na afloop van den peloponnesischen oorlog naar Athene terug, waar hij zich als hoofd van de dertigmannen zeer gehaat maakte door zijne gewelddadige handelingen. Hij sneuvelde in 403 in een gevecht tegen Thrasybulus.

Crito, Kriton, 1) leerling en vriend van Socrates, naar wien Plato een van zijne werken noemde.--2) dichter der nieuwe comedie; één zijner stukken is in 168/7 opgevoerd.

Critolaus, Kritolaos, 1) van Phaselis, opvolger van Ariston als hoofd der peripatetische school, een van de drie wijsgeeren, die in 155 door de Atheners als gezanten naar Rome gezonden werden en die het eerst de Rom. met grieksche welsprekendheid en wijsbegeerte bekend maakten. Hij bleef te Rome, waar hij in hoogen ouderdom stierf.--2) strateeg van het achaeisch verbond, heftig tegenstander der Romeinen, werd in 146 door Metellus bij Scarphe verslagen en verdween daarna spoorloos.

Crius, Krios, Kreios, zoon van Uranus en Gaea, een van de Titanen.

Crobylus, krobylos, ouderwetsch kapsel der Atheners, in het bizonder der atheensche mannen, en van eenige barbaarsche volken, overigens = Corymbus.

Crocodilopolis, Krokodeilon polis, stad in Midden-Aegypte aan het meer Moeris, later Arsinoë geheeten.

Croesus, Kroisos, zoon van Alyattes, laatste koning der Lydiërs, regeerde 560-546. Hij maakte de aziatische Grieken schatplichtig, sloot een verbond met de grieksche eilandbewoners, en strekte zijn rijk oostwaarts tot den Halys uit. Toen zijn zwager Astyages door Cyrus onttroond was, verbond hij zich met de koningen van Aegypte en Babylon tot een oorlog tegen het jonge perzische rijk, doch voordat zijne bondgenooten hem hulp hadden kunnen zenden, trok Croesus, door dubbelzinnige orakels misleid, over den Halys; na een onbeslisten slag evenwel trok hij terug naar Sardes om zich beter tot den oorlog voor te bereiden, maar Cyrus volgde hem, belegerde de stad en nam haar na veertien dagen in. Croesus verloor zijn rijk, maar behield het leven, naar het heette door goddelijke tusschenkomst; Cyrus behandelde hem altijd met achting, hield hem steeds als een vriend en raadsman bij zich en beval hem bij zijn dood ook aan Cambyses aan. De rijkdom van Croesus is spreekwoordelijk geworden en zijne geschiedenis werd beschouwd als een treffend voorbeeld van de onbestendigheid van het geluk, waarop Solon hem reeds zou gewezen hebben, toen hij hem in zijne gelukkigste dagen te Sardes bezocht.

Crommyon, Krommyon, stad op de Corinthische landengte, aan de Saronische golf. Hier doodde Theseus het beruchte everzwijn.

Cromnus, Kromnos, stadje in het Z. van Arcadia, bij Megalopolis.

Cronides, Cronion, Kronides, Kronion, Zeus, de zoon van Cronus.

Cronium mare, het noordelijkste gedeelte van de Noordzee, ook wel de zee ten Noorden van Schotland. De oude schrijvers bevatten allerlei phantastische verhalen hieromtrent; volgens sommigen is ze gestold, volgens anderen zoo drabbig, dat men er met de roeispanen nauwelijks door kan komen. Al deze verhalen zijn een gevolg van de ontdekkingsvaart van Pytheas van Massilia.

Cronus, Kronos, Saturnus (z. a.), de jongste der Titanen, zonen van Uranus en Gaea. Op aansporing zijner moeder, die verbitterd was omdat Uranus zijne jongere zonen, de Cyclopen en Hecatonchiren, in den Tartarus geworpen had, overviel hij zijn vader, verminkte hem met een sikkel op gruwelijke wijze, en dwong hem van de wereldheerschappij afstand te doen. Sedert dien tijd regeerde Cr. met de Titanen gedurende de gouden eeuw, hij huwde zijne zuster Rhea, maar daar zijn vader hem voorspeld had, dat ook hij eens door een zijner kinderen onttroond zou worden, verslond hij hen terstond na hunne geboorte; alleen Zeus werd door zijne moeder gered, terwijl Cr. in plaats van hem een grooten in doeken gewikkelden steen verslond. Toen Zeus opgegroeid was, kwam hij in opstand tegen zijn vader; door Gaea en Metis ondersteund, dwong hij hem eerst de verslonden kinderen uit te braken en daarop begon hij den oorlog, waarvan de uitslag was dat Cr. met de Titanen, die zijne partij gekozen hadden, in den Tartarus geworpen werd. Later kwam echter eene verzoening tusschen vader en zoon tot stand, en sedert dien tijd heerscht Cr. op de eilanden der gelukzaligen. Te Athene vierde men zijn feest, de Kronia, onder gebruiken, die aan den gouden tijd moesten doen denken, z. Saturnalia.--Cr. wordt algemeen beschouwd als een oogstgod, door sommigen als een god van den tijd. Hij wordt afgebeeld als een oud man, met langen baard, gezeten op een troon, met het kleed over het hoofd getrokken en een sikkel in de hand.

Crossaea, Krossaia, streek op de grens van Chalcidice aan de golf van Thermae.

Croton, Kroton, thans Crotone, welvarende en machtige stad in het land der Bruttii, tusschen 700 en 650 door Achaeërs gesticht. De stad was beroemd door hare wetgeving, door reinheid van zeden, door de school van Pythagoras, en door voorliefde der inwoners voor lichaamsoefeningen. Zij was de geboorteplaats van den kampvechter Milo. Wel leden omstreeks 550 de Crotoniaten eene zware nederlaag door de bewoners van Locri Epizephyrii, doch Croton herstelde zich en kon nog in 510 het verwijfde Sybaris ten val brengen. Verdeeldheid was evenwel oorzaak, dat de grieksche steden in Zuid-Italië zich op den duur niet konden handhaven tegen de Syracusanen aan den éénen en de Lucaniërs aan den anderen kant.--In den tweeden punischen oorlog maakte Hannibal Croton tot een steunpunt zijner krijgsoperatiën, waarop de Romeinen er in 194 eene rom. kolonie van maakten.

Crotona = Cortona.

Crustae, 1) goud- of zilverbeslag (ciseleerwerk), dat op zilveren of bronzen vaatwerk werd opgelegd, in tegenstelling van emblemata, inlegwerk.--2) marmeren platen, waarmede de wanden bekleed werden.

Crustumerium, oude latijnsche stad, reeds vroeg door de Romeinen veroverd. Op het veroverde land werd de tribus Crustumina ingericht.

Crux, het kruis, een paal met een dwarshout er aan. De veroordeelde werd eerst gegeeseld, vervolgens aan touwen omhoog geheschen en dan aan handen en voeten aan het kruis vastgenageld, waarna men hem liet hangen tot hij gestorven was. Deze straf werd alleen toegepast op slaven, vreemdelingen en burgers van lagen stand.

Crypta, krypte. Hieronder moet men niet een ondergrondsche ruimte van eenig gebouw verstaan, zooals wij onder eene crypte doen; maar een lange gang met lichtopeningen of vensters in de muren, bij groote hitte of slecht weder tot wandelplaats dienende. Meestal liep zulk eene crypta om eenig groot gebouw of om eene binnenplaats heen. Zie ook cryptoporticus.

Cryptoporticus, overdekte gaanderij, aan ééne zijde gesloten, aan de andere zijde open in den vorm eener kolonnade, terwijl eene crypta ter weerszijden muren had.

Cteatus, Kteatos, z. Actoriones.

Ctesias, Ktesias, van Cnidus, uit het geslacht der Asclepiaden, van 404/401 tot 387/4 lijfarts aan het perzische hof, waarna hij naar zijne vaderstad terugkeerde. Ook in 397 had hij een tijd in zijn vaderstad vertoefd. Hij is de schrijver van verscheiden werken; zijne perzische geschiedenis, Persika, in 23 boeken, wordt veel door oude schrijvers gebruikt, ofschoon hem dikwijls gebrek aan waarheidsliefde verweten wordt. Van dit werk zijn, evenals van een ander, Indika, slechts eenige fragmenten bewaard gebleven. Ctesias is meer een op sensatie belust romanschrijver (vandaar zijn populariteit) dan een ernstig historicus. Zijn Indika zijn belangrijker, omdat daarin de eerste berichten omtrent Indië, vooral de dieren- en plantenwereld, voorkomen.

Ctesibius, Ktesibios, beroemd werktuigkundige te Alexandrië onder Ptolemaeus Euergetes, leermeester van Hero, met wien hij o. a. verscheiden toepassingen van luchtdruk uitvond. Hij of een naamgenoot, die omstreeks 125 leefde, was de uitvinder van het orgel.

Ctesiphon, Ktesiphon, z. Demosthenes.

Ctesiphon, Ktesiphon, stad aan den Tigris, na den dood van Alexander d. Gr. gesticht, tegenover Seleucia. Ctesiphon was lang het winterverblijf der parthische koningen en eene sterke grensvesting. In den keizertijd werd het bij herhaling door de Rom. veroverd, n.m. in 116 door keizer Traianus, in 165 door de legaten van Lucius Verus, in 198 door Septimius Severus.

Cuberni = Gugerni.

Cubi, zie Bituriges.

Cubiculum, klein vertrek, van een rustbed of eene slaapstede voorzien. Men onderscheidde de cubicula in diurna en nocturna. Lezen, studeeren, zelfs schrijven geschiedde bij de Rom. veeltijds in liggende houding.--De latere keizers namen ook de gewoonte aan, bij de openbare spelen niet op een podium of balkon te zitten, maar in eene soort loge of cubiculum op een rustbed liggende de spelen gade te slaan.

Cubitus, rom. lengtemaat = 1 1/2 rom. voet = bijna 45 centimeter.

Cucullus, kap aan een mantel, om bij slecht weder over het hoofd te trekken.

Cugerni = Gugerni.

Cularo, zie Gratianopolis.

Culex, titel van een klein gedicht, dat op naam van Vergilius staat en waarin de schim eener gedoode mug om eene begrafenis vraagt.

Culleus, 1) lederen zak, waarin de parricidae genaaid en in het water geworpen werden.--2) rom. maat voor vloeistoffen = ruim 500 liter.

Cumae, Kyme, stad in Campania, de oudste grieksche volkplanting in Italia, in de 8ste eeuw (737?) door de Chalcidiërs van Euboea, met medewerking van kolonisten uit Eretria en uit Cyme (aan de Oostkust van Euboea), waaraan de naam ontleend is, en van de Grai (z. a.) uit Boeotië, gesticht. Vooral door toedoen van Cumae is de grieksche beschaving in Italië doorgedrongen. Dáár hield volgens de sage de beroemde Sibylle haar verblijf; dáár landde Aeneas en stierf Tarquinius Superbus. Dicaearchia, later Puteoli geheeten, was de havenstad van Cumae. In 474/3 kwam Hiero van Syracusae de stad tegen de Etruscers te hulp, en versloeg hen in een bloedigen zeeslag. Toen tusschen 443 en 415 de Samnieten Campania veroverden, viel ook Cumae in hunne handen (421). De inwoners werden grootendeels als slaven verkocht. In 338 werd de stad met Capua en andere Campaansche steden civitas sine suffragio. Z. Praefecti Capuam Cumas.

Cunaxa, Kounaxa, stadje in Babylonia aan den Euphraat, waarbij Cyrus de jongere sneuvelde in den slag tegen zijn broeder Artaxerxes Mnemon (401).

Cuneus, wig. In den circus, het amphitheater en het theater zijn cunei de wigvormige afdeelingen, waarin de zitplaatsen der toeschouwers door de gangpaden verdeeld worden. In den oorlog is de cuneus eene wigvormige slagorde, om door de gelederen van den vijand heen te breken. De soldaten noemden ze ook wel caput porcinum, zwijnskop. Zie verder: forceps (forfex). Later beteekent cuneus dikwijls slechts eene kolonne, zonder dat men daarbij aan den wigvorm behoeft te denken, ook wel een dichtgesloten vierkant.

Cuneus, de Zuidkust van Lusitania.

Cunobelinus, ten tijde van keizer Caligula, koning van de Trinobantes, vader van Caratacus.

Cupido, z. Eros.

Cupra maritima, belangrijke zeestad in Picenum, tusschen Castrum Firmanorum en Truentum, met een tempel van de in Picenum vereerde godin Cupra mater = Juno.

Cupressus. De cipres, uit Creta afkomstig, was aan Pluto geheiligd. Een cipres, vóór een huis in den grond geplaatst, gaf te kennen, dat er een doode was. Evenzoo plaatste men hem bij brandstapels en plantte men hem op graven. In de tuinen werden zij dikwijls, evenals palmen, in allerlei vormen gesnoeid.

Cura of curatio, curateele. Deze werd uitgeoefend over krankzinnigen en verkwisters. De curator had dan het beheer over het vermogen. Volgens eene lex Plaetoria (z. a.) werd er ook een cura minorum ingesteld, om jongelieden, die sui iuris geworden en de voogdij reeds ontwassen, maar nog geen 25 jaar oud waren, in bescherming te nemen tegen aanslagen op hunne onervarenheid. Voor zekere rechtsgeldige verrichtingen, b.v. het voeren van een proces, was de medewerking van den curator noodig.

Curator is in het algemeen hij, die eene cura uitoefent. Curatores noemde men ook zekere ondergeschikte beambten, opzieners, b.v. curatores aquarum, cloacarum, viarum, monumentorum publicorum tuendorum, enz. Zoo was o.a. Q. Catulus curator restituendi Capitolii.

Cures, Kyreis, oude hoofdstad der Sabijnen in het zuidelijkste gedeelte van het Sabijnsche land, dat reeds vroeg bij Rome is ingelijfd, geboorteplaats van Titus Tatius en Numa Pompilius. De inwoners heeten Curenses of Curenses Sabini. De naam Quirites is dus niet van Cures afgeleid, zooals men wel eens vermoed heeft.

Curetes, Kouretes, 1) de oudste inwoners van Acarnanië en Aetolië, werden in een oorlog tegen Calydon door Meleager overwonnen.--2) z. Rhea (Cybele).

Curia, vergaderzaal, in het bijzonder voor de vergaderingen van den rom. senaat. De oudste was de curia Hostilia, waarvan de eerste bouw aan Tullus Hostilius werd toegeschreven. Ze had een hooge vooruitspringende stoep. Ze werd vergroot door Sulla, maar brandde in 52 af bij de begrafenis van Clodius. De nieuwe Curia, door Caesar begonnen, door Augustus voltooid en gewijd, Curia Julia geheeten, nam een groot gedeelte van het vroegere Comitium in beslag. Verder had men de curia Pompeia. De curia Calabra op het Capitolium (z. Capitolinus (mons)) diende tot priesterlijk gebruik. Vóór dit gebouw hadden de comitia curiata calata plaats.

Curiae. Elke der drie oude rom. stamtribus, Tities, Ramnes en Luceres, was in 10 afdeelingen verdeeld, die elk haar eigen vergaderlokaal, curia, haar eigen sacra, en haar eigen priester, curio, hadden. Bij de comitia curiata bracht elke curie ééne stem uit. Acht der curiae zijn ons met name bekend: Foriensis, Rapta, Veliensis, Velitia, Titia, Faucia, Acculeia en Tifata. De leden eener curia waren curiales. Ze vierden twee feesten: de Fornacalia (z. a.) en de Fordicidia.

Curiata (lex), zie Comitia Curiata.

Curiatii, de drie albaansche gebroeders, die, volgens het bekende poëtische verhaal, in den oorlog tusschen Alba Longa en Rome met de drie rom. Horatii streden. In het Albaansch gebergte, aan den weg van Albano naar Aricia, vindt men een etruscisch grafmonument, dat langen tijd voor het graf der Horatii en Curiatii gehouden is. Later komt deze naam ook te Rome voor. In 453 vindt men in een overigens geheel ongeloofwaardig verhaal een consul P. Curiatius Fistus Trigeminus vermeld, die in 451 een der tienmannen was, en in 188 een volkstribuun C. Curiatius, die de beide consuls van dat jaar in hechtenis liet nemen.

Curiatius Maternus, redenaar en dichter tijdens Domitianus, van wiens geschriften echter niets meer overig is. Hij is de hoofdpersoon in Tacitus' Dialogus de Oratoribus, in 77 n. C. ten zijnen huize gehouden.

Curii, een plebejisch geslacht. 1) M'. Curius Dentatus trad als volkstribuun in 296 tegen den consul App. Claudius (later Caecus) op, toen deze de verkiezing van een plebejer zocht tegen te gaan. Dit verhaal is onhistorisch. In 290 was hij zelf consul, versloeg met zijn ambtgenoot P. Cornelius Rufinus de Samnieten, en onderwierp de Sabijnen. In 275 ten tweede male consul zijnde, bracht hij aan koning Pyrrhus een nederlaag toe, hetzij bij Beneventum, dat toen nog Maluentum heette, hetzij ergens in Lucania in Arusinis campis. Het dankbare volk verkoos hem terstond ten derden male, waarop Curius de verbonden volken van Zuid-Italië overwon. In 272 stierf hij, terwijl hij censor was. Uit den buit, op Pyrrhus behaald, liet hij de tweede waterleiding van Rome, de Anio vetus (zie Anio) bouwen, welk werk eerst eenige jaren na zijn dood voltooid werd. In 290 had hij, na de onderwerping der Sabijnen, aan het water van den lacus Velinus een uitloop gegeven, zie Avens. Bekend is zijne eenvoudige levenswijze en zijne weigering, van de gezanten der Samnieten geschenken aan te nemen, onder bijvoeging, dat hij liever over rijken wilde heerschen, dan zelf rijk zijn.--2) Q. Curius, deelgenoot van Catilina's samenzwering, verklapte de geheimen er van aan zijne minnares Fulvia, die ze op hare beurt aan Cicero overbracht.

Curio, familienaam in de gens Scribonia, z. Scribonii no. 2 en 4-6.

Curio, priester eener curia. Aan het hoofd der 30 curiones stond een curio maximus. Deze werd reeds in de 3de eeuw in de comitia sacerdotum gekozen.

Curiosolites, gallisch volk in Aremorica.

Curium, Kourion, stad aan de Zuidkust van Cyprus, bij Kaap Curias, he Kourias akra, naar men zeide, een volkplanting der Argivers.

Cursor, familienaam in de gens Papiria, z. Papirii no. 5-7.

Cursus, wedrennen met twee- of vierspannen. Bij een vierspan liepen de vier paarden naast elkander; de twee middelste waren op de gewone wijze aangespannen; de twee buitenste trokken aan touwen, die ter zijde van den wagen waren vastgehaakt, en werden daarom equi funales geheeten. Zie verder de artikels auriga en circus.

Cursus publicus, de staatspost, door keizer Augustus ingesteld. Daar de kosten hiervan door de provinciales werden gedragen, werd dit in latere eeuwen een drukkende finantiëele last voor de bevolking.

Curtii. 1) Mettus of Mettius Curtius, een Sabijn, die na den maagdenroof tegen Rome streed en op de vlucht bijna in een moeras omkwam. Later vestigde hij zich te Rome.--2) M. Curtius, een moedig jongeling, sprong in 362 gewapend en te paard in een kloof, die zich te Rome op het forum had gevormd en niet te dempen was. De godspraak had verklaard, dat het kostbaarste, wat Rome bezat, er in moest worden geworpen. Na Curtius' zelfopoffering sloot de kloof zich weder. De plek werd ommuurd en behield den naam van lacus Curtius.--3) C. Curtius Philo of Chilo, consul 445, bestreed de wetsvoorstellen van den volkstribuun C. Canuleius. Het verhaal, en de geheele persoon is waarschijnlijk onhistorisch.--4) Q. Curtius Rufus, rom. geschiedschrijver ten tijde van keizer Claudius. Hij schreef een werk de rebus gestis Alexandri Magni in 10 boeken, waarvan de eerste twee en stukken van de andere boeken verloren zijn.

Curtius (lacus), zie Curtii no. 2 en Mundus.

Curubis, stad aan de Oostkust van Africa (Zeugitana), ten Z. van Clupea (Aspis).

Curulis (magistratus en sella). Curulische overheden te Rome waren zij, die het recht hadden in het openbaar een sella curulis als zetel te bezigen, n.l. een tabouret met ivoren onderstel en over elkaar gekruiste pooten, zooals onder het koningschap de koning bezigde. Zulk een curulischen zetel hadden de consuls, de praetoren, de censoren, omdat deze, ieder voor zijn deel, de erfgenamen waren der koninklijke macht; verder de interrex, de dictator en zijn magister equitum, terwijl ook aan de curulische aedilen deze onderscheiding was verleend. Ook de tijdelijk ingestelde decemviri legibus scribundis en tribuni militum consulari potestate waren curulische overheden, derhalve alle magistratus maiores en de aediles curules. Bij de sella curulis behoorde ook de purpergerande toga, toga praetexta.

Custodia libera, vrijwillige hechtenis in het huis van een of anderen aanzienlijken burger, als waarborg, dat de beschuldigde niet zou trachten te ontvluchten. Onder de keizers vindt men de custodia militaris, waarbij de beschuldigde onder de bewaking van één of twee soldaten staat, doch zich overigens met dezen vrij mocht bewegen. In custodia militari bevond zich o.a. de apostel Paulus, toen hij te Rome gevangen zat.

Cutiliae, oude sabijnsche stad, aan een meertje gelegen. De eigenlijke stad was reeds vroeg verdwenen, doch dicht bij het meer, aan welks water geneeskracht werd toegeschreven, vormde zich eene badplaats Cutiliae of aquae Cutiliae. In het meer lag een drijvend eilandje, dat men voor den umbilicus Italiae hield. In de nabijheid lag de villa, waar Vespasianus stierf.

Cyaneae insulae, Kyaneia nesoi, twee drijvende rotsen in zee aan den thracischen Bosporus (straat v. Constantinopel). Door de felle branding sloegen deze rotsen voortdurend tegen elkander en verbrijzelden alles wat er tusschen kwam. De Argonauten lieten eene duif er tusschen door vliegen, en toen deze het er levend had afgebracht, stonden de rotsen plotseling voorgoed stil. Zij werden ook Symplegades, Symplegades, genoemd.

Cyathus, kyathos, 1) een lepel, waarmede wijn uit het mengvat in de bekers geschept werd.--2) als maat bij Grieken en Rom. het 72ste deel van een chous of congius, het 192ste van een hekteus of modius.

Cyaxares, Kyaxares, zoon en opvolger van Phraortes, koning van Medië (625-585). Den oorlog tegen Assyrië, dien hij als bondgenoot van Nabopolassar voerde, moest hij ten gevolge van een inval der Scythen staken; toen hij hen na een verblijf van 15 (v. a. 28) jaar uit Azië verdreven had, werd Niniveh omstreeks 606 veroverd en het assyrische rijk vernietigd, z. Alyattes.

Cybebe, Cybele, Kybebe, Kybele, z. Rhea.

Cybistra, ta Kybistra, oude stad in Cataonia aan den noordelijken voet van den Taurus, aan de zijde van Lycaonia; in den keizertijd behoort de stad tot Cappadocia.

Cychreus, Kychreus, zoon van Poseidon en Salamis, dochter van Asopus. Hij bevrijdde het eiland Salamis van een draak, die het onbewoonbaar maakte, stichtte er een volkplanting, en regeerde er tot zijn dood; daar hij geene kinderen had, liet hij de regeering aan Telamon na.

Cyclades, Kyklades, de eilandengroep, die het heilige eilandje Delus omringde voor zoover de eilanden door Ioniërs bewoond waren. Het waren: Andrus, Tenus, Myconus, Syrus, Ceos, Cythnus, Siphnus, Naxus, Parus. De ouden namen er 12 aan, doch omtrent de hier ontbrekende is men het niet eens.

Cyclici, Kyklikoi, een groep epische dichters, navolgers van Homerus, die echter meer dan deze een mythus of kring van mythen in zijn geheel ter behandeling namen; bij voorkeur sloten zij zich, ook wat den inhoud hunner werken betreft, bij Homerus aan. De eerste cyclici leefden omstreeks het begin der 8ste eeuw.

Cyclopes, Kyklopes, drie zonen van Uranus en Gaea, die door hun vader en later weder door Cronus in den Tartarus werden geworpen, maar door Zeus bevrijd werden, hem hielpen in den strijd tegen de Titanen en den bliksem voor hem smeedden; Apollo doodde hen in zijn toorn, toen Asclepius door Zeus met den bliksem gedood was. Als smeden noemde men hen later dienaren van Hephaestus, waarvan echter meer dan drie waren; hun werkplaats was in den Aetna of op het eiland Lipara, waar zij niet alleen den bliksem, maar ook wapenen voor goden en helden vervaardigden. Ook sommige zeer oude bouwwerken, samengesteld uit reusachtige steenklompen, waarvan de bewerking meer dan menschelijke kracht scheen vereischt te hebben (cyclopische muren), worden aan Cyclopen toegeschreven, die met Proetus uit Lycië naar Argolis gekomen zouden zijn.--Bij Homerus zijn de Cyclopen een volk van wilden en menscheneters, zij kennen recht, wet, noch godsdienst en houden zich alleen met veeteelt bezig, terwijl zij zelfs met elkander geen verkeer hebben; hun vruchtbaar land brengt zonder handenarbeid alles voort wat zij noodig hebben.--De Cyclopen worden voorgesteld als geweldige reuzen met één oog in het midden van het voorhoofd.

Cycnus, Kyknos, 1) zoon van Apollo en Thyria of Hyria, leefde als jager tusschen Pleuron en Calydon. In weerwil van zijne buitengewone schoonheid, verlieten hem al zijne vrienden om zijne terugstootende manieren; alleen Phylius bleef hem getrouw en bewees hem allerlei diensten. Eindelijk verloor echter ook deze het geduld en weigerde een stier over te geven, dien hij op last van Cycnus gevangen had, waarop deze zich in drift van een rots stortte; Apollo veranderde hem echter gedurende den val in een zwaan. Zijne moeder weende zoo om zijn verlies, dat zij wegkwijnde en in het meer Hyria veranderde.--2) zoon van Poseidon en Calyce, door zijne moeder te vondeling gelegd, maar door visschers gevonden en opgevoed; toen hij volwassen was, maakte Poseidon hem koning van Colonae in Troas. Zijne beide kinderen, Tenes en Hemithea, liet hij, op valsche aanklachten van hun stiefmoeder, in een kist in zee werpen; zij landden op Tenedus, waar Tenes koning werd. Later zag Cycnus zijn ongelijk in en kwam hij zijn zoon terughalen; beiden kwamen den Trojanen te hulp toen de Grieken landden, en reeds dadelijk geraakten zij in strijd met Achilles, die aan Cycnus, daar hij onkwetsbaar was, een hevigen slag op het hoofd gaf, die hem in onmacht deed vallen, waarop hij hem met den riem van zijn eigen helm wurgde. Poseidon veranderde hem in een zwaan.--3) zoon van Ares en Pelopea, een wreede reus, die bij Iton in Thessalië woonde en alle reizigers aanviel om van hunne schedels een tempel voor zijn vader te bouwen. Hij werd door Heracles gedood.--4) zoon van Ares en Pyrene, eveneens een geweldige reus, die door Heracles gedood werd, ofschoon Ares zelf hem bijstond; ook van hem zeide men dat hij in een zwaan veranderd was. De strijd tusschen Ares en Heracles was zoo hevig, dat Zeus hen door den bliksem scheiden moest.--5) zoon van Sthenelus, koning der Liguriërs, die den dood van zijn vriend Phaëthon zoo hevig betreurde, dat Apollo hem uit medelijden in een zwaan veranderde en onder de sterren plaatste.

Cydippe, Kydippe, z. Acontius.

Cydnus, Kydnos, ijskoude rivier in Cilicia, die door de stad Tarsus stroomt en waar Alexander de Groote zich eene ernstige ziekte op den hals haalde.

Cydonia, Kydonia, thans Canea, oude, machtige stad op de N.W. kust van Creta, het middelpunt van den voor-griekschen stam der Cydones, Kydones. De inwoners waren uitstekende boogschutters. Cydonia mala = kweeperen.

Cylipenus, bij vroege schrijvers de naam van de Oostzee.

Cyllene, Kyllene, ook mons Cyllenius, op de grenzen van Achaia en Arcadia, de hoogste berg der Peloponnesus, geboorteplek van Hermes of Mercurius, die er een tempel had en dikwijls door de dichters Cyllenius wordt genoemd.--Ook eene havenstad in het N. van Elis.

Cyllenius, Kyllenios, bijnaam van Hermes, z. Cyllene.

Cylon, Kylon, 1) atheensch eupatride, overwinnaar in de olympische spelen (640), schoonzoon van Theagenes, den tyran van Megara. Hij trachtte zich van de alleenheerschappij meester te maken en bezette, door een dubbelzinnig orakel misleid, de acropolis (612), doch kon zich niet staande houden en werd door gebrek aan levensmiddelen gedwongen te vluchten. Zijne aanhangers werden, hoewel hun lijfsbehoud toegezegd was, verraderlijk vermoord, z. Alcmaeonidae.--2) van Croton, een aanzienlijk man, die aan het hoofd der volkspartij de aristocratische regeering en de aanhangers van Pythagoras (z. a.) verdreef.

Cymbalum, kymbalon, muziekinstrument ongeveer gelijk aan onze bekkens, in gebruik bij de feesten van Bacchus en Cybele.

Cyme, Kyme, 1) bijgenaamd he Aiolike (in onderscheiding van het Italiaansche Cumae) of he Phrikonis, beroemde aeolische havenstad op de aziatische kust, geboorteplaats van Ephorus. Hier overwinterde de vloot van Xerxes na diens terugkeer uit Griekenland. In 17 na C. leed het zwaar door eene aardbeving. Van de Cymaeërs deden in Griekenland allerlei dwaasheden de ronde.--2) stad aan de Oostkust van Euboea, z. Cumae.

Cynegirus, Kynegeiros, v. s. een broeder van Aeschylus. Toen hij na den slag bij Marathon een van de vertrekkende perzische schepen met de handen wilde terughouden, werd hem de arm afgehouwen, ten gevolge waarvan hij stierf.

Cynaetha, Kynaitha, stad in het N. van Arcadia, met een ruw slag van inwoners.

Cynaethus, Kynaithos, beroemd rhapsode van Chius, zoude omstreeks 500 de gedichten van Homerus op Sicilië bekend gemaakt hebben; v. s. was hij de dichter van een der zoogenaamde homerische hymnen.

Cynesii, Kynesioi, Kynetes, een volk in het W., bij Herodotus vermeld, waarschijnlijk Iberiërs.

Cynici, Kynes, Kynikoi, heetten de wijsgeeren uit de school van Antisthenes; waarschijnlijk is de naam afgeleid van het gymnasium Cynosarges, waar Antisthenes, als niet volbloed Athener, onderwijs geven moest; tevens vond men echter er in eene toespeling op het leven der Cynici, dat door hun overdreven onthouding van genot en beperking van behoeften naar veler oordeel iets dierlijks had. In later tijd treden ze vooral op als boetpredikers. Ze hebben samen met de Stoici, die meer voor de hoogere standen werkten, een enormen invloed geoefend op het moderne denken.

Cynosarges, Kynosarges, een worstelperk voor onechte kinderen, buiten Athene gelegen, aan de Zuidkant, en aan Heracles gewijd. Hier onderwees Antisthenes (± 400) zijne wijsbegeerte, welke naar deze plaats de cynische is genoemd.

Cynoscephalae, Kynos kephalai, naam van twee heuvels in het Z.O. van Thessalia, bij Scotussa, die van verre gezien op hondskoppen gelijken. Hier behaalde T. Quinctius Flamininus in 197 de overwinning op Philippus van Macedonia.

Cynossema, Kynos sema, kaap van de thracische Chersonesus, daar waar de Hellespont het nauwst is, ten Z. van Madytus, met het graf der in een hond veranderde Hecuba.

Cynosura, Kynosoura, 1) voorgebergte in Attica, dat de baai van Marathon in het O. afsluit.--2) smalle landtong aan de Oostkust van Salamis, waar het zegeteeken van den grooten zeeslag van 480 opgericht werd.--3) het zuidwestelijke deel van de stad Sparta.--4) eene nimf van het gebergte Ida, voedster van Zeus, die onder de sterren verplaatst werd, v. s. de Kleine Beer.

Cynthia, de pseudonym voor de geliefde van Propertius (z. a.); in werkelijkheid heette ze Hostia.

Cynthius, -a, Kynthios, -thia, Apollo en Artemis, naar den berg Cynthus, hun geboorteplaats.

Cynthus, Kynthos, kale berg op het eil. Delus, z. a.

Cynuria, Kynouria, distrikt ten O. van den Parnon, tusschen Argolis en Laconica, een twistappel tusschen beide staten, tot het eindelijk omstreeks 540 door de Spartanen voor goed aan de Argoliërs ontrukt werd. Onder Philippus van Macedonia werd het weder met Argos vereenigd (338). Naar de stad Thyrea wordt het landschap ook Thyreatis geheeten.

Cynus, Kynos, stad der opuntische Locriërs aan de Euboeïsche zeeëngte.

Cyparissia, Kyparissia, de cipressenstad, op de W.-kust van Messenia aan de Cyparissische golf.

Cyparissus, Kyparissos, 1) zoon van Telephus, die van verdriet verkwijnde omdat hij bij ongeluk een geliefkoosd hert had gedood, dat hem door Apollo geschonken was; hij werd in een cipres veranderd.--2) stadje in Phocis bij Delphi.

Cypria, Cypris, Kypria, Kypris, Aphrodite, zoo genoemd naar het eiland Cyprus, den hoofdzetel van haar eeredienst.

Cyprianus (Thascius Caecilius), vroeger heidensch rhetor, later christen en bisschop van Carthago, onderging in 258 na C. onder de regeering van keizer Valerianus met grooten moed den marteldood. Hij heeft verscheidene godsdienstige geschriften nagelaten. Vele werken echter, die op zijn naam staan, zijn van oudere of jongere tijdgenooten.

Cyprus, Kypros, voornaam grieksch eiland in den oosthoek der Middellandsche zee. Reeds vroeg zijn de oudste bewoners door Phoeniciërs teruggedrongen; na den trojaanschen oorlog kwamen er grieksche volkplanters, en sedert dien tijd vindt men de oude bevolking slechts in Amathus aan de Z. kust, de Phoeniciërs in het nabij gelegen Cition; de andere steden zijn grieksch. Omstreeks 560 werd Cyprus door Aegypte onderworpen en werd vervolgens met Aegypte perzisch. Het heeft toen verscheidene malen gepoogd, zich zelfstandig te maken. In 499 sloot het zich bij den ionischen opstand aan, maar werd spoedig weer onderworpen. Onder atheensche hegemonie was het eiland vrij van 478-449. Ook koning Euagoras van Salamis (z. a.) wist het eiland een tijdlang vrij te houden van de Perzen. In de 4e eeuw is het geheel vergriekscht. Na den val van het perzische rijk werd het macedonisch, kwam toen onder een zijtak der Ptolemaeën en werd in 58 rom. provincie. Het eiland was rijk aan koper (aes Cyprium) en aan timmerhout. De scheepsbouw werd er zoo veelvuldig uitgeoefend, dat dichterlijk trabs Cypria voor schip gebezigd wordt. Het eiland was zeer vruchtbaar. De ouden vergeleken den vorm van het eiland met dien eener ossenhuid en noemden de N.O.-punt boos oura, ossestaart. Cyprus was de hoofdzetel der Aphrodite- of Venusvereering; vandaar dat Venus dikwerf Cypria wordt geheeten. De voornaamste steden zijn: Salamis, Paphus, Soli, en de hierboven genoemde: Amathus en Cition.

Cypsela, ta Kypsela, 1) versterkte stad in Thracia aan den Hebrus (Maritza) en aan de via Egnatia.--2) vesting in Parrhasia, in het Z. van Arcadia.

Cypselus, Kypselos, 1) koning van Arcadië ten tijde van de terugkomst der Heracliden; hij behield zijn rijk door zijne dochter Merope aan Cresphontes tot vrouw te geven.--2) zoon van Eëtion en Labda, van moederszijde verwant met de Bacchiaden. Daar dezen hem reeds als kind trachtten te dooden, omdat hij hun volgens een orakel de heerschappij over Corinthe zoude ontnemen, verborg zijne moeder hem in een kist (kypsele), die later te Delphi gewijd werd en nog in de 2e eeuw na C. daar te zien was. Toen hij volwassen was, werd het orakel vervuld; hij stelde zich aan het hoofd der volkspartij, verjoeg de Bacchiaden, en regeerde sedert gelukkig en zacht (657-627), bevorderde handel en verkeer, en liet de stad met vele kunstwerken verfraaien. Zijn zoon Periander volgde hem op.

Cyrenaica, Kyrenaïke, klein, maar bloeiend landschap op de N.-kust van Afrika (thans plateau van Barca). Naar de vijf grieksche steden: Cyrene en de bijbehoorende havenstad Apollonia, Barca, later haar havenstad Ptolemaïs, Tauchira of Arsinoë, en Hesperis of Berenice werd het staatje ook Pentapolis Cyrenaïca genoemd. Het land was rijk aan water en hierdoor zeer vruchtbaar. In 322 kwam het onder de Ptolemaeën. De laatste heerscher uit dit vorstenhuis, Ptolemaeus Apion, vermaakte in 95 zijn land aan de Rom., die het later met Creta tot ééne provincie vereenigden. Onder Traianus kwamen de in Cyr. gevestigde Joden in opstand, waardoor het land grootendeels ontvolkt werd, daar er op de Rom. en Cyrenaïkers een algemeene moord werd gepleegd.

Cyrene, Kyrene, dochter van Hypseus of Peneus, beminde van Apollo, die haar uit Thessalië naar Libye wegvoerde, waar hij haar naam aan de stad Cyrene gaf; zij was de moeder van Aristaeus.

Cyrene, Kyrene, hoofdstad van Cyrenaïca, in een heerlijk oord gelegen, gesticht door Battus van het eiland Thera (631), wiens afstammelingen, de Battiaden, tot 450 over de stad heerschten, zie Battus. Cyrene was beroemd door zijne artsen. Het was de uitvoerhaven van het kostbare silphium (silphion), dat als kruiderij en als geneesmiddel gebruikt werd. Cyrene was de geboorteplaats o.a. van den wijsgeer Aristippus, den aardrijkskundige Eratosthenes, den dichter Callimachus.

Cyrenius, Kyrenios = P. Sulpicius Quirinius (z. Sulpicii no. 21).

Cyreschata, ta Kyreschata, in Sogdiana, de uiterste grensvesting van Cyrus' gebied aan den Jaxartes, door Alexander d. G. verwoest.

Cyrnus, Kyrnos = Corsica.

Cyropolis, Kyroupolis = Cyreschata.

Cyrrhestice, Kyrrestike, landschap in het N. van Syria, tusschen het Amanusgebergte en den Euphraat, ten Z. van Commagene. Het droeg zijn naam naar de stad Cyrrhus.

Cyrrhus, Kyrros, 1) stad in Cyrrhestice.--2) stad in het macedonische gewest Emathia tusschen den Axius (Vardar) en den Haliacmon (Vistritza), ten N. van Pella.

Cyrus, Kyros, 1) de stichter van het perzische rijk, zoon van Cambyses, die als aan Medië onderhoorig vorst over Perzië regeerde, en Mandane, de dochter van Astyages. Naar aanleiding van onheilspellende droomen gaf zijn grootvader bij zijne geboorte aan Harpagus bevel het kind te dooden; door toeval werd hij echter gespaard, op lateren leeftijd herkend en aan zijne ouders teruggegeven. Maar Harpagus, die door Astyages op wreede wijze voor zijne ongehoorzaamheid gestraft was, spoorde Cyrus, nadat deze zijn vader was opgevolgd, tot opstand aan, en door een enkelen slag, waarin Harpagus met een groot deel van het leger tot hem overliep, bracht hij de heerschappij van de Mediërs op de Perzen over (550). Hij breidde zijn rijk uit door de verovering van Lydië (z. Croesus) en liet de grieksche steden van Klein-Azië door zijn veldheeren Mazares en Harpagus onderwerpen, hij voerde ook oorlog tegen Babylonië en nam de hoofdstad in door den Euphraat uit zijne bedding af te leiden (538); den Joden gaf hij verlof naar hun land terug te keeren. Hij sneuvelde in een slag tegen de Massageten (z. Oxus), die hij aanvankelijk door list overwonnen had (529). Niet minder groot dan als veroveraar was C. als koning; ook de veroverde landen behandelde hij met zachtheid en met zorg voor hunne afzonderlijke belangen; door verstandige maatregelen wist hij de eenheid van zijn uitgestrekt rijk te bewerken.--V. a. was Cyrus niet met Astyages verwant, maar nam hij als overwinnaar diens dochter Amytis tot vrouw; ook zou hij in den oorlog tegen de Derbices (evenals de Massageten een scythisch volk) gestorven zijn aan de gevolgen van een val van zijn olifant.--Verdicht is het verhaal dat Cyrus zonder omwenteling, als opvolger van zijn oom Cyaxares, den zoon en opvolger van Astyages, de regeering verkregen zou hebben.--2) de jongere, tweede zoon van Darius Nothus, satraap van Lydië, Phrygië en Cappadocië, ondersteunde Lysander krachtig met geld in den oorlog tegen de Atheners, waarvoor hij later door de Spartanen in zijne onderneming geholpen werd. Zijne moeder had getracht hem, met voorbijgaan van zijn ouderen broeder Artaxerxes, tot troonopvolger te doen benoemen, op grond dat hij geboren was nadat zijn vader de regeering aanvaard had; dit mislukte echter, en Artaxerxes, die hem niet vertrouwde en bovendien gehoor gaf aan de inblazingen van Tissaphernes, nam hem spoedig na den dood van Darius gevangen en veroordeelde hem ter dood, doch liet hem op voorspraak zijner moeder weder vrij. Verbitterd door deze behandeling, vormde Cyrus het plan zijn broeder te onttronen. Hij trachtte zich overal vrienden en bondgenooten te verwerven, versterkte zijne krijgsmacht, terwijl hij voor den schijn Tissaphernes beoorloogde, en nam troepen grieksche huurlingen, te zamen ongeveer 13000, in dienst, die hij hier en daar liet bezig houden totdat hij hen zoude noodig hebben. In 401 verzamelde hij zijn leger te Sardes en trok hij, de Grieken over het doel van zijn tocht misleidende, eerst naar Cilicië, vervolgens over den Euphraat tot Cunaxa, waar hij het veel sterkere leger van zijn broeder ontmoette. Door de overwinning der Grieken, die op den rechtervleugel stonden, scheen de slag reeds ten voordeele van Cyrus beslist te zijn, toen hij, in drift op Artaxerxes toesnellende, door een van de begeleiders des konings gedood werd.--De Grieken volbrachten hun terugtocht, eerst onder Clearchus, later onder Xenophon, te midden van moeilijkheden van allerlei aard.

Cyrus, Kyros, rivier, die op den mons Moschicus op de N. grenzen van Armenia ontspringt, door de caucasische landschappen Iberia en Albania stroomt en, door een zijarm met den Araxes vereenigd, zich in de Caspische zee ontlast.

Cyssus, Kyssous, haven van Erythrae op de ionisch-aziatische kust.

Cytaeïs, Kytaïke, Medea, naar de stad Cytaea in Colchis.

Cytaea, Kytaia, stad in Colchis aan den Phasis.

Cythera, Cytherea, Cythereis, Cytheria, Kythere, Kythereia, Kythereis, Kytheria, Aphrodite, zoo genoemd naar het eiland Cythera, waar zij hoog vereerd werd.

Cythera, ta Kythera, thans Cerigo, eiland ten Z. van Laconica met de gelijknamige stad en de haven Scandea, en met een beroemden tempel van Aphrodite of Venus, die dan ook dikwijls Cytherea genoemd wordt. Het eiland was eerst in het bezit van Phoeniciërs, vervolgens kwam het achtereenvolgens in handen der Argiven, Spartanen en Atheners. Door zijne ligging was het tegenover Sparta een strategisch punt van groot gewicht.

Cynthus, Kythnos, eiland van de Cycladengroep, met warme bronnen, ten Z. van Ceos gelegen. Het was bewoond door Dryopes.

Cytinium, Kytinion, een van de vier steden der dorische tetrapolis (Cytinium, Boeum, Erineus, Acypha of Pindus).

Cytissorus, Kytissoros, zoon van Phrixus en Chalciope. Toen Athamas na de vlucht van Phrixus geofferd zou worden, waarschijnlijk ter verzoening van de bloedschuld, die hij door den dood van dezen op zich meende geladen te hebben, kwam Cyt. met het bericht dat Phrixus nog leefde en belette daardoor dat het offer plaats had. Daardoor rustte op hem de toorn van Zeus Laphystius, en werd bepaald dat de oudste van zijn geslacht altijd aan dien god geofferd zoude worden, welke straf later alleen toegepast werd op hen, die betrapt werden op de poging om het prytaneum te betreden. Deden zij geene poging hiertoe of gelukte het hun onbemerkt binnen te komen, dan waren zij behouden.

Cytorus, Kytoros, oude stad aan de kust van Paphlagonia, stapelplaats van Sinope. Het lag op of aan een berg van denzelfden naam, die rijk aan buks- of palmboomen was.

Cyzicus, Kyzikos, bloeiende milesische kolonie op de zuidkust der Propontis (zee van Marmara), op den hals van het schiereiland Arctonnesus (= bereneiland), gesticht 756. Aan weerszijden der landengte had de stad uitstekende havens, door eene doorgraving met elkander verbonden. Tot het gebied der stad behoorde ook het versterkte eiland Proconnesus (= reeëneiland), dat een gezocht, zwart en wit gevlamd, marmer opleverde, waarnaar het in de middeleeuwen Marmara werd genoemd. Hier versloeg Alcibiades in 410 de Spartanen te land en ter zee, waarbij Mindarus sneuvelde. De groote bloei van Cyzicus dagteekent van het verval van Miletus en Athene. Toen de vrede van Antalcidas (387) de aziatische Grieken aan Perzië had prijsgegeven, gelukte het den Cyziceners in 365, de perzische bezetting te verdrijven. Later kwam de stad onder Macedonia, vervolgens bij Pergamus en ten slotte onder Rome. Uit trouw aan de Rom. doorstond zij in 75 een zwaar beleg van den pontischen koning Mithradates, en werd zij tot belooning door L. Lucullus tot eene civitas libera verheven. Onder keizer Nero ging deze vrijheid te loor, wegens mishandeling van rom. burgers. De gouden munten der stad, kyzikenoi, waren alom in de handelswereld bekend en gangbaar. Ook de cyziceensche balsem, uit het sap der irisplant bereid, unguentum Cyzicenum of irinum, myron kyzikenon, was beroemd.

D.

Daae of Dahae, Daai, scythisch volk ten O. der Caspische zee. Zij deden als ruiters dienst in de legers der Perzen, van Alexander d. G. en van Antiochus III van Syria.

Dacia, Dakia, thans Zevenbergen en Rumenië, rijk aan granen, hout en metalen, werd bewoond door een krijgshaftig thracisch volk (de Daci), dat voortdurend de rom. grenzen bestookte. Zie ook Getae. Domitianus kocht van hun koning Decebalus den vrede voor eene jaarlijksche schatting; Traianus echter onderwierp het land in twee oorlogen 101-102 en 105-107 n. C. De verschillende gebeurtenissen uit deze oorlogen zijn op de Columna Traiani in beeld gebracht. Traianus bracht vele kolonisten naar Dacia over, vooral om de goudmijnen te bewerken. Aurelianus liet het weder varen (270), terwijl de Gothen er bezit van namen. De rom. bewoners werden toen naar den zuidelijken oever van den Donau overgebracht, waar uit een stuk van Moesia eene nieuwe provincie Dacia Aureliani werd gevormd; later komt deze voor onder den naam Dacia ripensis, terwijl in het binnenland een nieuwe provincie Dacia mediterranea werd ingericht, hoofdstad Serdica (tgw. Sophia).

Dactyli Idaei, Daktyloi Idaioi, zeer oude daemonen, die op den berg Ida in Phrygië of op Creta woonden en de eerste bewerkers van metalen waren; in Griekenland gelden zij als priesters van Rhea Cybele en worden zij steeds met de Curetes en Corybantes te zamen genoemd, dikwijls niet van hen onderscheiden. Een van hen zou de stichter der olympische spelen zijn.

Dadicae, Dadikai, volksstam op de grenzen van Sogdiane.

Daduchus, Dadouchos, fakkeldrager, vooral eene voorname betrekking bij de eleusinische mysteriën, erfelijk in het geslacht van Callias en Hipponicus, het geslacht der Kerykes.

Daedala, ta Daidala, stad en berg op de grenzen van Lycia en Caria. Ook eene stad ergens in India.

Daedala, Daidala, feest ter eere van Zeus en Hera, in Boeotië gevierd. Bij de kleine Daedala, die waarschijnlijk eens om de vier jaar te Plataeae plaats hadden, werd een eik omgehouwen en daaruit een beeld van Hera vervaardigd; bij de groote, die slechts eens om de zestig jaar gevierd werden, waren dus veertien van die beelden gereed, die door vertegenwoordigers van de veertien bondssteden naar den Cithaeron gebracht werden; daar werd een stier en een koe geofferd, en de beelden verbrand op een houten altaar, dat mede verbrandde.

Daedalion, Daidalion, zoon van Hesperus en Philonis, stortte zich van verdriet over den dood zijner dochter Chione van den Parnassus en werd in een havik veranderd.

Daedalus, Daidalos, 1) zoon van Metion of Palamaon, achterkleinzoon van Erechtheus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester en uitvinder van een groot aantal werktuigen; hij was de eerste die beelden maakte, waarvan de oogen open waren en de beenen van elkander stonden, zoodat men zeide dat hij zelfs wandelende beelden maken konde. Uit naijver doodde hij zijn neef en bekwamen leerling Talos, waarvoor hij door den Areopagus ter dood veroordeeld werd ; hij redde zich echter door de vlucht en ging naar Creta, waar hij door Minos goed ontvangen werd. Onder de kunstwerken, die hij hier maakte, behoort het beroemde labyrinth, dat tot gevangenis van den Minotaurus diende. Daar Minos echter vermoedde, dat hij aan Ariadne den draad gegeven had, waarmede Theseus zich uit het labyrinth gered had, liet hij Daedalus zelf met zijn zoon Icarus in dien doolhof opsluiten; beiden ontsnapten echter door middel van vleugels, welke Daedalus gemaakt had uit veeren met was aan elkander verbonden. Icarus vloog te hoog op en kwam zoo dicht bij de zon, dat het was smolt en hij in de naar hem genoemde Icarische zee stortte; Daedalus kwam echter behouden bij Cumae in Italië aan, waar hij een tempel voor Apollo stichtte. Daarop begaf hij zich naar Sicilië, waar Cocalus (z.a.) hem gastvrij ontving en waar hij o.a. eene onneembare vesting bij Agrigentum en een tempel voor Aphrodite op den Eryx bouwde.--Ook in andere landen zag men later in merkwaardige oude kunstwerken sporen van een bezoek van D.--2) sicyonisch beeldhouwer omstreeks 400.

Daemon, Daimon, oorspronkelijk de naam dien men aan de goden gaf, wanneer men dacht aan den goeden of slechten invloed dien zij op het menschelijk leven uitoefenden. Later beschouwde men hen als wezens, die tusschen heroën en goden in stonden, afgestorvenen uit de gouden eeuw, die over het welzijn der menschen waakten, hun de gaven der goden brachten en omgekeerd hunne gebeden ten hemel droegen. Maar tegenover deze beschermgeesten (agathodaimones) stonden ook kwelgeesten (alastores), die de menschen tot kwaad verleiden en in het ongeluk storten. Door Socrates vond het geloof ingang, dat ieder mensch zijn eigen daemon heeft, die hem gedurende zijn geheele leven beschermt, en eindelijk kende men aan ieder mensch een goeden en een kwaden daemon toe.--De Joden en Christenen gaven den naam daemon weder als in de oudste tijden aan alle heidensche goden, maar verklaarden hen allen voor booze daemonen of duivels.

Dahae = Daae.

Daia, romeinsch keizer 305-313 n. C., zie Maximinus (Galerius Valerius).

Dalmatae, zie Dalmatia.

Dalmatia, Dalmatia, in ruimen zin, omvatte het kustland ten O. der Adriatische zee, van Histria af tot aan den Drilon, de grens van Illyris Graeca. De naam is door de Romeinen aan dit gewest gegeven naar de hieronder genoemde Dalmaten, met wie ze lang oorlog gevoerd hebben. Het werd ook Illyria Barbara genoemd, en nog in twee kustlanden onderscheiden: Liburnia, het noordelijk deel, van Histria tot aan den Titius, en Dalmatia in engeren zin, tusschen de rivieren Titius en Drilon. De bevolking van dit kustland leefde van jacht, visscherij, veeteelt en ook van zeeroof. Dientengevolge kwamen zij bij herhaling met de Rom. in botsing. De eerste illyrische oorlog had plaats 229-228 tegen koningin Teuta, de tweede in 219 tegen Demetrius van Pharus. In 168 werd koning Gentius, omdat hij met Perseus van Macedonia een bondgenootschap had gesloten, door den praetor L. Anicius in een dertigdaagschen veldtocht verslagen en gevangen genomen, en zijn rijk in drie cijnsplichtige distrikten verdeeld. Doch reeds vóór Gentius hadden zich een aantal stammen losgerukt van het illyrische rijk en onder den naam Dalmaten, Dalmatae, eene republiek gesticht met Delminium tot hoofdstad. In 156 versloegen deze Dalmaten den rom. consul C. Marcius Figulus (Marcii no. 12), doch zij werden in 155 onderworpen door P. Cornelius Scipio Nasica (Cornelii no. 20), doordat hij hun hoofdstad innam. In 117 werden zij andermaal onderworpen door L. Caecilius Metellus, die den naam Dalmaticus verwierf (Caecilii no. 12). Bij herhaling stonden de Dalmatiërs weder op, in 78, 50-47, 16 en 11, en 6-9 na C. (opstand van Bato).

Dalmatius, stiefbroeder van Constantijn den Gr. Ook zijn zoon droeg denzelfden naam. Na Constantijns dood verloor deze laatste, aan wien Constantijn de Groote een deel van het rijk toegedacht had, in een soldatenoproer het leven, zie Constantius II.

Dalminium of Delminium, hoofdstad van de dalmatische republiek.

Damalis, Damalis of he Bous, kaap en vlek in Bithynia aan den thracischen Bosporus, op de plaats waar Io, in een koe veranderd, de zeeëngte overzwom. Vandaar voer men, van Chalcedon komend, over naar Byzantium.

Damarete, Damarete, gemalin van Gelon; naar haar heet een sicilische munt = 10 att. drachmen, damareteion.

Damaratus = Demaratus no. 1.

Damascus, Damaskos, overoude stad in Coelesyria, aan de rivier Bardines of Chrysorrhoas, in eene zeer vruchtbare streek onder een heerlijk klimaat gelegen. Door verschillende besproeiingskanalen, uit de rivier afgeleid, was dáár in de woestijn eene groote oase ontstaan, waar verschillende karavaanwegen als in één middelpunt samenliepen. Damascus was tot aan de verovering door de Assyriërs (± 750) de hoofdstad van het machtigste der syrische (aramaeische) staten, en geregeld met Israël in oorlog. De Assyriërs verwoestten stad en omgeving, maar in den tijd der Perzen is het weer een belangrijke handelsstad. In den tijd der Diadochen hoorde het nu eens tot het rijk der Seleuciden, dan weder tot dat der Ptolemaeën. In 85 ontstond er een onafhankelijk staatje onder een arabisch vorstenhuis, dat echter reeds sedert Pompeius (66) onder Rome kwam te staan. De rom. keizers, vooral Diocletianus, begunstigden de stad zeer, die beroemd werd door hare wapenfabrieken (damascener klingen) en lijnwaadweverijen (damast).

Damasias werd in 582 archont te Athene, en gebruik makend van de burgertwisten die sedert Solons vertrek woedden, bleef hij deze waardigheid gedurende 26 maanden bekleeden; toen verbonden zich echter alle partijen tegen hem en werd hij verjaagd.

Damasippus, naam in de gens Licinia (Licinii no. 19 en 20).

Damasithymus, Damasithymos, vorst van Calynda, ging met Xerxes naar Griekenland en sneuvelde bij Salamis, door de goedgeslaagde list van Artemisia.

Damastes, Damastes, 1) = Procrustes.--2) van Sigeum, geschiedschrijver, omstreeks 400.

Damia, Damia, 1) godin van den wasdom, op verschillende plaatsen te zamen met Auxesia vereerd, misschien bijnaam van Persephone. Op Aegina vond men beelden van hen in knieënde houding, van olijvenhout.--2) bijnaam der Bona Dea, v. s. dezelfde als no. 1.

Damocles, Damokles, gunsteling van Dionysius I, die steeds het geluk van den tyran roemde. Daarom liet Dionysius hem op zekeren dag alles genieten, wat hem zoozeer bekoorde, maar liet ondertusschen boven zijn hoofd een scherp zwaard aan een paardenhaar ophangen als beeld van de gevaren die een alleenheerscher bedreigen. Het zwaard van Dam. is tot een spreekwoord geworden.

Damon, Damon, 1) atheensch toonkunstenaar en sophist, leermeester en vriend van Pericles, wegens ongeloof verbannen.--2) van Syracusae, die voor zijn vriend Phintias gijzelaar bleef, toen deze wegens een waarschijnlijk verdichten moordaanslag op Dionysius II ter dood veroordeeld was en eenigen tijd uitstel van straf gevraagd had. Tegen de verwachting der hovelingen keerde Phintias nog juist bijtijds terug, waardoor de tyran zoo getroffen was, dat hij beiden het leven schonk en verzocht in hun vriendschapsbond opgenomen te worden, wat hem echter geweigerd werd.

Damosia, de tent der spartaansche koningen, wanneer zij in het veld waren; hoi peri damosian, hoi apo damosias, zij die met hen die tent bewoonden.

Dana, Dana, of Thoana, Thoana, groote stad in Cappadocia, waarschijnlijk dezelfde als Tyana (z. a.).

Danaë, Danae, z. Acrisius. Volgens eene italiaansche legende zou zij met haar zoon in Italië gekomen zijn en de stad Ardea gesticht hebben; daarna zou zij bij Pilumnus moeder geworden zijn van Daunus, van wien Turnus afstamde.

Danai, Danaoi, heeten de Grieken in de gedichten van Homerus, oorspronkelijk een volk in Argos.

Danaides, Danaïdes, Perseus, zoon van Danaë; Danaïdai, Argiven, ook algemeen Grieken.

Danaides, Danaïdes, de vijftig dochters van Danaüs (z. a.).

Danapris, thans Dniëpr = Borysthenes.

Danastris, thans Dniëstr, oudtijds Tyras geheeten, rivier in Sarmatia.

Danaus, Danaos, zoon van Belus en Anchinoë, kreeg na den dood van zijn vader de regeering over Libye, maar door zijn tweelingbroeder Aegyptus en diens zonen bedreigd, vluchtte hij met zijne vijftig dochters naar Argos, waar hij koning werd; hij bouwde den burcht van Argos en leerde hoe men in tijden van droogte het land van water kon voorzien. De vijftig zonen van Aegyptus volgden hem echter en vroegen zijne dochters ten huwelijk; Danaüs gaf toe, maar overreedde zijne dochters, hunne echtgenooten in den huwelijksnacht te vermoorden, waaraan alle gevolg gaven, behalve Hypermnestra. De echtgenoot van deze, Lynceus, doodde nu Danaüs zelf en al zijne schoonzusters, die tot straf voor hare misdaad in de onderwereld eeuwig water moeten scheppen in een bodemloos vat.

Dandaridae of Dandarii, Dandarioi, scythisch volk aan de Oostkust van de Palus Maeotis (zee van Azow) ten N. van den Caucasus.

Danuvius, Danoubios, vroeger Ister (Hister), welke naam voor den benedenloop ook in later tijd nog dikwerf voorkomt. Deze stroom, thans Donau, was onder de keizers langen tijd de grensrivier van het rom. rijk.

Daorsi, Daorizoi, kleine volksstam in Zuid-Dalmatia.

Daphnae Pelusiae, Daphnai hai Pelousiai, aegyptische grensvesting tegen Arabia, nabij Pelusium.

Daphne, Daphne, 1) dochter van Peneus, werd door Apollo bemind; toen zij, door hem vervolgd, de goden om hulp smeekte, werd zij in een laurier veranderd.--2) nimf van den Parnassus, in de oudste tijden priesteres bij het delphische orakel, toen dit nog aan Gaea behoorde.

Daphne, Daphne, voorstad der syrische stad Antiochia, een waar lustoord, rijk aan laurierboomen en cypressen, met een beroemden Apollo-tempel. Daphne was een lievelingsverblijf der Seleuciden, later ook van Pompeius en andere Romeinen. In zedelijk opzicht stond het slecht aangeschreven, men spreekt van Daphnici mores.

Daphnephoria, Daphnephoria, feest om de acht jaar ter eere van Apollo te Delphi en in Boeotië gevierd, ter herinnering aan zijne reiniging na het dooden van den Python.

Daphnis, Daphnis, zoon van Hermes en eene nimf, herder en jager op Sicilië, bekwaam fluitspeler en de uitvinder der bucolische poëzie. Hij zwoer trouw aan eene nimf, die hem beminde, en toen hij zijn eed brak, strafte zij hem met blindheid of veranderde hem in een steen; Hermes verplaatste hem echter onder de sterren.--V.a. stierf hij van liefdesmart, daar hij zich tegen den wil van Aphrodite verzet had.

Daradax, Daradax, zijrivier van den Euphraat in Syria (Cyrrhestica).

Darapsa = Drepsa.

Dardanarii, opkoopers en speculanten in koren, die de prijzen zochten op te drijven. Dit was onder de keizers strafbaar gesteld en behoorde tot de delicta extraordinaria.

Dardania, Dardania, 1) gewest en stad van het trojaansche land, aan den Hellespont, de zetel van Aeneas. Hiernaar worden de Trojanen ook wel Dardani genoemd. De stad Dardania moet niet verward worden met Dardanus.--2) het land der Dardani, Dardanoi, in Moesia Superior, het tegenw. Servië. De Dardaniërs waren een morsig, doch muzikaal volk, van illyrischen stam.

Dardanides, Dardanides, Dardanion, Priamus, Anchises e.a. afstammelingen van Dardanus; Dardanidae, Dardanidai, Dardanioi, Dardaniones, Dardanoi, Trojanen.

Dardanis, Dardanis, trojaansche vrouw, in het bijzonder Creusa (no. 3).

Dardanus, Dardanos, zoon van Zeus en Electra, de mythische stamvader der Trojanen en dus ook der Romeinen. Hij stichtte in Phrygië de stad Dardania en erfde later van zijn schoonvader Teucer de regeering; sedert dien tijd werd het land naar hem Dardania genoemd, totdat zijn kleinzoon Tros het den naam Troia gaf. Zijne vrouw Chryse had van Athena als huwelijksgift het Palladium en de beelden der groote goden gekregen, wier dienst hij eerst op Samothrace instelde en later naar zijn rijk overbracht. Dardanus was v. s. in het trojaansche land geboren, v. a. was zijn vaderland Samothrace, Arcadië, Creta of Italië.

Dardanus, Dardanos, stad aan den Hellespont op den aziatischen oever, ten Z. van Abydus. De naam Dardanellen is hiervan afgeleid.

Dares, Dares, trojaansch priester van Hephaestus, zou nog voor Homerus eene Ilias op palmbladen geschreven hebben. Het latijnsche prozawerk, dat nog bestaat en eene vertaling van de Ilias van Dares Phrygius heet te zijn, is een werk van weinig beteekenis, dat echter door middeleeuwsche dichters veel gebruikt en nagevolgd is. Het is waarschijnlijk uit de 5de eeuw na C., het Grieksche origineel, dat verloren gegaan is, is misschien uit de 1ste of 2de eeuw n. C. Zie Dictys.

Daricus, dareikos, perzische gouden munt, ook in Griekenland gangbaar, ongeveer ter waarde van 22 att. drachmen. Het gewicht van den dariek bedraagt gemiddeld 8.41 gram.

Darius, Dareios, 1) D. I. Hystaspis, zoon van Hystaspes, behoorde tot het geslacht der Achaemeniden, diende onder Cambyses, was een van de zeven perzische edellieden die tegen den valschen Smerdis samenzwoeren, en werd, nadat deze vermoord was, ten gevolge van een orakel tot koning verheven (521). In het begin van zijne regeering had hij met een algemeenen opstand van de onderworpen landen te kampen, toen echter Babylon na een lang beleg weder ingenomen was, gaven de andere provinciën zich na elkander over. Daarop wijdde D. het eerst zijn zorg aan het binnenlandsch bestuur: hij hervormde het belastingstelsel, legde goede wegen aan, met vaste halten voor de posterijen, en verdeelde het rijk in satrapieën. In 513 ondernam hij met een leger van 700,000 (?) man een veldtocht tegen de Scythen; door middel van een schipbrug trok hij over den Ister en deed een inval in hun land, maar de Scythen trokken zich in hunne steppen terug en vermeden een open gevecht, zoodat D. na vele verliezen door gebrek genoodzaakt was onverrichter zake terug te keeren en verloren geweest ware, indien de aziatische Grieken aan het verlangen der Scythen voldaan hadden en de brug hadden afgebroken. Terwijl nu zijn veldheer Megabazus de landen aan den Bosporus onderwierp, breidde hij zijn rijk tot aan den Indus uit en veroverde hij ook Barca (510). Nadat de door Aristagoras (z. a.) verwekte opstand der ionische Grieken bedwongen was, wenschte D. de Atheners en Eretriërs, die de opstandelingen geholpen hadden, te straffen. Hij zond daarom zijn schoonzoon Mardonius met een groote vloot naar Griekenland (493), doch de meeste schepen verongelukten bij het voorgebergte Athos; drie jaar later gingen Datis en Artaphernes met een nog talrijker leger, die wel Eretria verwoestten en de inwoners naar Azië overbrachten, maar bij Marathon tegen de Atheners een volkomen nederlaag leden. Verdere plannen van Darius tegen Athene en tegen het inmiddels afgevallen Aegypte werden door zijn dood verijdeld (486).--2) D. II Ochus (Ochos), bastaardzoon van Artaxerxes I, en daarom door de Grieken Nothus (Nothos) genoemd, maakte zich door het vermoorden van zijn broeder van de regeering meester (424). Hij liet zich geheel door zijne vrouw, Parysatis, en door gunstelingen beheerschen en lokte door zijne zwakheid allerlei onlusten en opstanden uit, die hij meest door list wist te dempen; Aegypte konde hij echter niet onderwerpen. Hij stierf in 405.--3) D. III Codomannus, kleinzoon van Artaxerxes II, werd na de vermoording van Arses door Bagoas op den troon gebracht (336). Hij trachtte het inwendig zeer verzwakte rijk te herstellen, en maakte een einde aan het schrikbewind van Bagoas; in den oorlog tegen Alexander d. G. toonde hij zich echter zwak; hij verloor de gevechten bij Issus en Gaugamela, trachtte naar de oostelijke provinciën van zijn rijk te vluchten, maar werd op weg door zijn satraap Bessus vermoord (331).

Dascon, Daskon, vesting en inham op Sicilia, ten Z. van Syracusae.

Dascylium, Daskylion, stad in Bithynia, aan de Propontis. Onder de perzische heerschappij was het de residentie van de satrapen van Phrygia minor, dat daarnaar ook he Daskylitis satrapeia of ho en Daskyleio nomos heette.

Dassaretae, Dassaretai, stam in het Z.O. van Illyris Graeca. Hoofdstad Lychnidus aan den lacus Lychnitis.

Datames, Datames, een Cariër, die onder Artaxerxes II tegen de Cadusiërs streed en tot belooning voor zijn beleid en dapperheid satraap van Cappadocië werd. Hij bewees den koning vele diensten en werd zeer door hem onderscheiden, maar uit vrees dat Artaxerxes aan zijne invloedrijke vijanden het oor zou leenen, kwam hij in opstand (± 370). Langen tijd hield hij zich staande, maar eindelijk werd hij verraderlijk vermoord (360).

Dataphernes, Dataphernes, was een van hen die Bessus aan Alexander verrieden; niettemin bleef hij met Spitamenes den oorlog voortzetten, totdat hij door de Dahae aan Alexander overgeleverd werd.

Datis, Datis, veldheer van Darius Hystaspis, die met Artaphernes de nederlaag bij Marathon leed.

Datum, Daton, stad en streek in oostelijk Macedonia ten O. van den Pangaeus mons, tegenover Thasus, met rijke goudmijnen.

Daulis, Daulis, sterke stad in Phocis ten O. van den Parnassus, aan den weg van Chaeronea naar Delphi. Hier behoort de mythe van Philomela en Procne te huis.

Daunia, het noordelijk gedeelte van Apulia, het land van Daunus, den vader van den rutulischen koning Turnus (zie Aeneas) en schoonvader van Diomedes. Daunius heros = Turnus; Daunia gens = Rutuliërs; dea Daunia = Iuturna, Turnus' zuster; Daunias (bij Horatius) = Apulia.

Daunus, Daunos, zoon van Pilumnus en Danaë, of een Arcadiër, zoon van Lycaon, koning van Daunia. Diomedes stond hem bij in den oorlog tegen de Messapiërs en nam zijne dochter tot vrouw.

Dea Dia, waarschijnlijk de godin der voortbrengende kracht in de natuur, een andere naam voor Ceres of Tellus, wier dienst te Rome door de fratres arvales (z. Arvales fratres) waargenomen werd; te harer eere werd jaarlijks gedurende drie dagen in Mei in de stad en in een nabijgelegen heilig woud een feest gevierd.

Decanus, in den keizertijd een hoofdman van tien soldaten, die in dezelfde tent gelegerd waren.

Decebalus, Dekebalos, koning van Dacia, van wien Domitianus den vrede kocht (89 n. C.), maar die door Traianus geheel verslagen werd en zichzelf het leven benam (106 n. C.). Zie Dacia.

Decelea, Dekeleia, attische gemeente ten N.W. van Athenae, bekend door den deceleïschen oorlog (413-404), toen de Spartanen op raad van Alcibiades de plaats bezetten.

Decemprimi, 1) eene commissie van 10 leden, die in de municipia aan het hoofd van den senaat stond. In navolging van dezen vindt men in den keizertijd, in het Oosten van het rijk decaproti, hoi deka protoi, die echter een anderen werkkring hebben. De decaproti behoeven niet tot de senaatsleden te behooren. Zij innen de belastingen en zijn aansprakelijk voor het binnenkomen daarvan.--2) decemprimi heeten ook de bestuursleden van den in decuriae ingedeelden ordo der scribae (z. apparitores).

Decemviri, een collegie van 10 mannen. 1) Decemviri agris dividundis, commissie van landverdeeling uit den ager publicus onder het volk. Zie Agrariae (leges), en wel Rogatio Servilia agraria van 63.--2) Decemviri legibus scribundis, het uit de rom. geschiedenis bekende collegie der tienmannen in 451-449, tengevolge der lex Terentilia in het leven geroepen en waartoe App. Claudius behoorde. Zie Claudii no. 2 en Tabularum (leges XII).--3) Decemviri (st)litibus iudicandis, een oud rechterlijk collegie, dat in processen over vrijheid en burgerrecht recht sprak, en dat reeds in de 5de eeuw bestond (z. Horatiae Valeriae (leges)), als we ten minste aan mogen nemen, dat de woorden iudices decemviri op hen betrekking hebben; v. s. is het college eerst in de 3de eeuw, tusschen 242 en 227, ingesteld. De leden werden in de tribuutcomitiën gekozen. Onder Augustus veranderde hun werkkring en werden zij voorzitters der centumviri. Zij vormen een onderdeel van de vigintiviri.--4) Decemviri sacrorum of sacris faciundis, belast met het toezicht op de sibyllijnsche boeken, die op het Capitool bewaard werden en die zij op last van den senaat raadpleegden (zie Sibylla). Zij hebben het toezicht op de offers, die Graeco ritu gebracht worden, oorspronkelijk ook op de supplicationes en lectisternia, waartoe ex libris besloten was. In den beginne waren er 2, later 10 (5 patricische en 5 plebejische), sedert Sulla 15.

Decentius, Caesar (onderkeizer) 350-353 n. C. Hij was een neef van Magnentius, die hem aangesteld had om de aanvallen der Germanen af te weren; tijdens zijn bestuur werd echter Gallia door de Germanen verwoest. Hij doodde zichzelf, toen hij den dood van Magnentius vernam.

Decetia, stad der Aeduërs in Gallia Transalpina aan den Liger (Loire).

Decianus, naam in de gens Appuleia (Appuleii no. 4 en 5).

Decidius Saxa, naam van twee broeders, die in den burgeroorlog voor Caesar en later voor Antonius streden. De een sneuvelde als propraetor van Syria in 40 tegen de Parthen, die onder aanvoering van Q. Labienus in de provincie gevallen waren.

Decimatio. Wanneer eene geheele troepenafdeeling van een rom. leger zich had schuldig gemaakt aan iets, wat in een enkele met den dood zou worden gestraft, b.v. muiterij, lafhartigheid in den strijd, dan werd die afdeeling in het gelid geschaard, het lot wees aan, waar men zou beginnen te tellen, en elke tiende man werd onmiddellijk ter dood gebracht. Onder de keizers werd deze straf dikwijls verzacht tot vicesimatio of centesimatio.

Decii, een plebejisch geslacht. 1) P. Decius Mus, krijgstribuun in 343, redde toen door zijn kloekmoedigheid het rom. leger, dat door de Samnieten bij den berg Gaurus was ingesloten, en deed een bijna wissen ondergang in eene luisterrijke zegepraal verkeeren. In 340 offerde hij als consul zich in den strijd tegen de Latijnen op, en bezorgde hierdoor den zijnen eene schitterende overwinning. Evenals de geheele eerste samnietische oorlog, is ook het verhaal omtrent de opoffering van Decius in den oorlog tegen de Latijnen verzonnen. Slechts staat vast, dat Decius als consul gesneuveld is.--2) P. Decius Mus, zoon van no. 1, consul in 312, 308, 297 en 295, censor in 304, streed voorspoedig tegen de Etruscers, Samnieten en Umbriërs, en bezorgde in 295 bij Sentinum, het voorbeeld zijns vaders volgende, door een vrijwilligen dood zijn leger de overwinning op de Samnieten en de Kelten.--3) P. Decius Mus, zoon van no. 2, consul in 279, viel in den slag bij Asculum (Ausculum) tegen Pyrrhus. V. s. is het verhaal omtrent het heldhaftig gedrag der Decii, n. m. dat ze zich aan de onderaardsche goden wijdden en daarna den dood zochten, op dezen Decius Mus toepasselijk.--4) P. Decius klaagde in 120 als volkstribuun den gewezen consul L. Opimius aan, dat hij burgers onveroordeeld in den kerker had geworpen. Cicero noemt hem als redenaar.--5) P. Decius (Mus) sloot zich, om zijne schulden te kunnen betalen, aan Antonius aan en nam deel aan den mutinensischen oorlog. Cicero zegt daarom spottend, dat hij op het voorbeeld zijner voorvaderen zich voor zijne schulden had opgeofferd.

Decimii, aanzienlijk geslacht uit Samnium.

Decius (C. Messius Quintus Traianus), uit Pannonia afkomstig, rom. keizer 249-251 na C., opvolger van Philippus Arabs, regeerde goed, doch vervolgde de Christenen. Op een tocht tegen de Gothen kwam hij met zijn zoon in een moeras om.

Decumana porta, de poort aan de achterzijde der legerplaats. Zie castra.

Decumanus, tiendpachter. Ager decumanus, tiendplichtig land. Miles decumanus, soldaat van het tiende legioen. Zie ook auguria.

Decumates agri, zie agri decumates.

Decuria, afdeeling van 10 personen, later eene kleine afdeeling in het algemeen, zonder dat men zich streng aan het getal 10 hield. Bij de ruiterij was elke turma (30 man) in drie decuriae afgedeeld.

Decurio, de eerste van eene decuria ruiterij en als zoodanig de hoofdman er van.--Decuriones worden in de municipia de leden van den senatus municipalis genoemd, die ook ordo decurionum heet.

Decursio of decursus, 1) militaire oefening met pak en zak door het geheele leger, waarbij verschillende krijgsbewegingen werden uitgevoerd en waarbij de soldaten vooral geoefend werden, hunne liniën en gelederen te bewaren.--2) een militaire optocht of parade rondom een grafheuvel of een altaar, ter eere van een in den strijd gevallene opgericht.

Dedicatio, plechtige inwijding van eenig openbaar gebouw, b.v. van een tempel. Hij die den tempel wijdde, sloeg daarbij de hand aan de deurpost en moest een wijdingsformulier nazeggen, dat de pontifex maximus hem voorzeide. Daarbij te haperen gold als een slecht voorteeken.

Dediticii waren zij, die zich onvoorwaardelijk aan de genade der Rom. hadden moeten overgeven.--Zie ook Aelia Sentia (lex). Dediticii konden noch cives noch Latini worden.

Deïanira, Deianeira, dochter van Oeneus, gemalin van Heracles (z. Achelous) en de onschuldige bewerkster van zijn dood (z. Heracles), waarom zij zich van het leven beroofde.

Deïdamea, Deidameia, 1) dochter van Lycomedes, werd bij Achilles, die in meisjeskleederen aan het hof van haar vader leefde, moeder van Neoptolemus.--2) vrouw van Pirithoüs.--3) zuster van Pyrrhus van Epirus, gehuwd met Demetrius Poliorcetes.--4) dochter van Pyrrhus van Epirus.

Deigma, gebouw in den Piraeus, waar monsters van koopwaren ter bezichtiging uitgestald werden.

Deimos, zoon of dienaar van Ares.

Deïoces, Deiokes, een Mediër, die, nadat het volk zich van de Assyriërs onafhankelijk gemaakt had, door zijne wijsheid en rechtvaardigheid grooten roem verwierf en daarom tot koning verheven werd (709 of 700), stichter van Ecbatana.

Deïoneus, Deioneus, 1) of Deïon, Deion, een van de zeven zonen van Aeolus, werd koning van Phocis.--2) schoonvader van Ixion, werd door dezen, toen hij de bruidsgeschenken van hem vorderde, verraderlijk in een vuurpoel geworpen.--3) zoon van Eurytus.

Deïonides, Miletus, zoon van Apollo en Deïone.

Deiotarus, Deiotaros, tetrarch van Galatia in Azië, ondersteunde de Rom. in den mithradatischen oorlog en ontving daarvoor van den rom. senaat den titel van rex met een vergrooting van grondgebied. In den burgeroorlog streed hij voor Pompeius; Caesar vergaf het hem echter en liet hem het grootste gedeelte van zijn rijk. In 45 werd Deiotarus door zijn kleinzoon Castor en zijn arts Phidippus aangeklaagd van een aanslag tegen Caesars leven, toen deze indertijd bij hem had vertoefd. Cicero verdedigde den koning, en hoewel er geene vrijspraak schijnt gevolgd te zijn, werd de zaak toch niet verder vervolgd. Antonius bevestigde voor eene groote som gelds Deiotarus weder in zijn vroeger gebied, maar later streed hij onder Brutus bij Phillippi tegen de triumviri, met wie hij zich echter verzoende.

Deïphobe heette de sibylle van Cumae, dochter van den zeegod Glaucus.

Deïphobus, Deiphobos, zoon van Priamus en Hecabe, een van de voornaamste trojaansche helden. Hij was steeds tegen de uitlevering van Helena en trouwde haar na den dood van Paris. Bij de verovering van Troje werd zijn huis verwoest en hij door Menelaus op wreedaardige wijze gedood. Met Paris zou hij Achilles gedood hebben.

Deïphontes, Deiphontes, zoon van Antimachus, schoonzoon en opvolger van Temenus (z.a.); v.a. vluchtte hij na den dood van zijn schoonvader uit vrees voor zijne zwagers naar Epidaurus.

Deipnon, de hoofdmaaltijd der Grieken, in de oudste tijden omstreeks den middag, later tegen den avond gebruikt, waarbij men dikwijls gasten ontving, of die ook wel met bijdragen (apo symbolon) der gezamenlijke deelnemers betaald werd. Bij aankomst der gasten werden hun door slaven de zolen afgenomen en de voeten gewasschen, daarop wiesch men de handen en nam men plaats op de rustbank, waarop men liggende het maal gebruikte. Als spijzen worden genoemd gerstebrei (bij armere lieden het voornaamste gerecht), groenten, vleeschspijzen en visch; vorken of messen gebruikte men niet, wel lepels; onder het eten hield men de handen schoon met fijngewreven broodkruimels. Na het eten werden de schotels weggenomen, waschwater met een soort zeep, soms ook bloemen en reukwerken rondgediend en begon het nagerecht (deuterai trapezai) of drinkgelag (symposion) met een drankoffer (spondai) waarbij men de woorden agathou daimonos uitsprak. Nadat door het lot een tafelpresident (symposiarchos, basileus, archon) was aangewezen, bleef men onder het genot van wijn, vruchten, kaas, koek, enz., dan dikwijls nog lang bij elkander, terwijl men zich den tijd verdreef met gesprekken, gezelschapsspelen, dikwijls ook met voordrachten van fluitspeelsters of vertooningen van danseressen.

Deïpyle, Deipyle, dochter van Adrastus, gehuwd met Tydeus.

Dekaprotoi, z. Decemprimi no. 1.

Dekarchiai, dekadarchiai, colleges van tien personen, na den peloponnesischen oorlog door Lysander met de regeering belast in de meeste steden, die zich bij Sparta hadden aangesloten. De willekeur, waarmede deze colleges, gesteund door spartaansche bezettingen en harmosten, regeerden, maakte in korten tijd de spartaansche hegemonie algemeen gehaat.

Delatio nominis, heet in den tijd der quaestiones perpetuae het indienen eener aanklacht bij den praetor quaestionis.

Delatores, aanbrengers van misdrijven, waartegen straf bedreigd was. Onder sommige keizers, toen majesteitsprocessen aan de orde van den dag waren, maakten sommigen van dit aanbrengen eene broodwinning, daar hun een vierde van de opgelegde boete of van het verbeurdverklaarde vermogen des veroordeelden ten deel viel. Ook persten zij dikwerf aanzienlijke sommen af door de bedreiging, in geval van weigering eene aanklacht in te dienen. Ze worden ook quadruplatores genoemd.

Delia, geliefde van Tibullus (z.a.); pseudonym voor Plania.

Delium, Delion, boeotisch stadje in het gebied van Tanagra, waar de Boeotiërs in 424 de Atheners versloegen.

Delius, -ia, Delios, -ia, bijnamen van Apollo en Artemis, naar het eiland Delus, waar zij geboren waren en waar Apollo hoog vereerd werd.

Dellius (Q.), dezelfde, aan wien Horatius een ode heeft gericht, werd door Antonius in 41 naar Aegypte gezonden, om Cleopatra ter verantwoording naar Tarsus te ontbieden. Later ging hij tot Octavianus over. Hij heeft den oorlog tegen de Parthen beschreven, dien hij in het gevolg van Antonius medemaakte.

Delmatia oude schrijfwijze voor Dalmatia.

Delmatius = Dalmatius.

Delminium = Dalminium.

Delphi, Delphoi, kleine maar beroemde stad van Phocis, langs den Z.rand van den tweetoppigen Parnassus tegen den berg aan gebouwd, met verscheidene tempels, waaronder die van den Pythischen Apollo de voornaamste was. Delphi werd oudtijds als het middelpunt der aarde beschouwd. De oudste tempel, die volgens de sage door Trophonius en Agamedes gebouwd was, verbrandde in 548. Hij werd (530-514) door de uit Athene verdreven Alcmaeoniden prachtig in dorischen stijl herbouwd, waarbij de oostgevel, in plaats van in porus of tufsteen, in parisch marmer werd opgetrokken. In 373 werd hij door een aardbeving en een brand vernietigd, maar door de Amphictyonen met het geld van den tempel in nieuweren stijl herbouwd. Ook later is hij nog herhaaldelijk hersteld, tot hij ten laatste door een aardbeving vernietigd werd. Hij bevatte een ontzaggelijken tempelschat, een gouden beeld van den god en een heiligen steen, die als de navel der aarde, omphalos tes ges, beschouwd werd, terwijl nog vele andere standbeelden op den voorhof stonden. In den pronaos las men de spreuken gnothi seauton en meden agan. Achter de cella was een afzonderlijke ruimte, het adyton, waaronder of waarbij de aardkloof zich bevond, waaruit zwaveldampen opstegen, die de Pythia (zie hieronder) in geestvervoering brachten. (Het bericht omtrent die zwaveldampen wordt tegenwoordig voor een fabeltje gehouden). In den phocensischen oorlog (357-346) werd de tempel uitgeplunderd door de huurtroepen der Phocensen, in 278 door de Galliërs, die ten getale van 200000 Griekenland trachtten binnen te dringen, later door Sulla, vervolgens door Nero, die honderden standbeelden uit Delphi naar Rome liet voeren, terwijl het overschot later door Constantijn den Gr. naar Constantinopel werd overgebracht. De stad verviel, en verschillende aardbevingen vernielden ze en verdreven de bevolking. Op de plaats lag later het dorp Kastri; nu heeft de fransche regeering dit doen verplaatsen, en daarop is tusschen 1892 en 1901 opgegraven, wat er nog over is. De tempel zelf lag in het midden van den temenos, een met hooge muren omgeven sterk hellend terrein; in het zuidelijke gedeelte, dat het laagst lag, vindt men voornamelijk thesauroi en geschenken, ten N. van den tempel links het theater, rechts de lesche van de Cnidiërs, een gebouw, waar de vreemdelingen plachten samen te komen. Het orakel van Delphi was het meest beroemde der oudheid; eerst behoorde het aan Gaea, Ge; deze schonk het aan Themis, Themis aan Phoebe, Phoebe aan Phoebus Apollo, z. Pytho. Wanneer het orakel zou geraadpleegd worden, plaatste zich eene der priesteressen of Pythiai, na zich gebaad en uit de bron Cassotis gedronken en laurierbladeren in den mond genomen te hebben, op een zetel, die op een drievoet rustte, en uit de geluiden, die zij uitstiet, maakten de priesters het antwoord gereed. Door zijn groot aanzien heeft het orakel meermalen op den gang der historische gebeurtenissen invloed uitgeoefend. De pythische spelen hadden in de vlakte van Crissa plaats, telkens in het derde jaar eener olympiade. De eereprijs bestond in een lauwerkrans.

Delphinia, feest ter eere van Apollo als beschermer der zeevaart, te Athene den 6en of 7den Munychion gevierd.

Delphinium, Delphinion, 1) stad aan de Oostkust van het eil. Chius.--2) haven van Oropus in Attica, overvaartplaats naar Euboea.--3) gerechtshof te Athene in den tempel van Apollo Delphinius, dat over phonos dikaios recht sprak (zie Ephetae).

Delphinus, Delphin, Delphis, Delphin, 1) sterrenbeeld, waarin men den dolfijn van Arion of van Amphitrite meende te zien.--2) een werktuig waarvan men zich in den zeeoorlog bediende; het was een groote klomp lood of ijzer, die aan den mast hing en met kracht tegen het vijandelijke schip geslingerd werd.

Delta, het noordelijke deel van Aegypte, tusschen de verschillende armen, waarin de Nijl zich splitst, door aanslibbing gevormd en uiterst vruchtbaar, en met een groot getal steden. De naam is ontleend aan den driehoekigen vorm.

Delubrum, de plaats van reiniging en verzoening, de tempel, vooral dat gedeelte er van, waar het beeld der godheid stond.

Delus, Delos, Delos, het heilige Cycladeneiland, waar Apollo en Artemis door Latona ter wereld waren gebracht. Apollo had er een wit marmeren tempel met een altaar uit hoornen in elkaar gewerkt. Tot de viering van Apollo's geboortefeest (Apollonia) zonden de grieksche staten jaarlijks in de maand Thargelion plechtige gezandschappen. Om de vier jaar werd dit feest vervangen door de Delia, een van de luisterrijkste feesten van geheel Griekenland. Geen begrafenis mocht op Delus plaats hebben; lijken werden naar het nabijgelegen Rhenea overgebracht. De oudste bewoners waren Cariërs, daarna vestigden er zich Ioniërs. Na den perzischen oorlog werd te Delus de bondskas van het atheensche zeeverbond bewaard, totdat Pericles deze naar Athene overbracht (454). Delus was in de 2de eeuw, toen het door de Romeinen aan Athene werd toegewezen, en een vrijhaven werd, beroemd om zijne slavenmarkten, die van heinde en verre werden bezocht. In den eersten mithradatischen oorlog werd het (88) door den pontischen veldheer Menophanes of door Archelaus geplunderd en verwoest, de mannelijke bevolking omgebracht, vrouwen en kinderen in slavernij weggevoerd. In 69 werd het eiland wederom geplunderd, nu door de zeeroovers, en sedert dien tijd is het vervallen. Thans is Delus woest en verlaten. Naar het eiland en den berg Cynthus wordt Apollo dikwerf Delius en Cynthius genoemd. Zie Asteria.

Demades, Demades, atheensch redenaar van geringen stand, die in het belang van Macedonië werkte en een geducht tegenstander van Demosthenes was; bij Alexander d. G. stond hij in hooge gunst, zoodat hij met Phocion tot hem gezonden werd, toen de Atheners na het bedwingen van den thebaanschen opstand de wraak des konings vreesden (z. Demosthenes). Antipater liet hem ter dood brengen, daar hij in onderschepte brieven de bewijzen van een aanslag van Demades tegen hem gevonden had (319). Zijn karakter wordt uiterst bedorven genoemd, daarentegen roemen de ouden zijne onweerstaanbare welsprekendheid, zijne geestigheid en gevatheid; niettemin waren zijne werken reeds vroeg verloren.

Demagogos, leider der volkspartij in eene republiek (ook prostates tou demou); gewoonlijk menschen die, niet door de ambten die zij bekleedden, maar door persoonlijke eigenschappen, vooral door welsprekendheid, grooten invloed hadden verworven. Terwijl een bekwaam en braaf man, zooals Pericles, als demagoog veel kon doen om het volk ten goede te leiden, gebruikten latere atheensche demagogen hun invloed veelal om het volk tegen de rijken en aanzienlijken op te hitsen, waardoor partijschappen ontstonden, die voor den staat een werkelijk gevaar opleverden; vandaar dat het woord meestal eene ongunstige bijbeteekenis heeft.

Demaratus, Demaratos, 1) koning van Sparta, zoon van Aristo, tegenstander van zijn ambtgenoot Cleomenes I (z.a.). Toen hij van de regeering ontzet was, ging hij naar Perzië, waar hij door Darius met achting behandeld werd en een eigen grondgebied kreeg. Later begeleidde hij Xerxes op zijn tocht naar Griekenland, doch zijne raadgevingen en waarschuwingen vonden weinig gehoor.--2) corinthisch koopman, die voor den tyran Cypselus vluchtte en naar Tarquinii ging; hij was de vader van Tarquinius Priscus.

Demarchus, demarchos, bestuurder van een attischen demus; hij werd voor een jaar door de leden van den demus gekozen, riep hun vergaderingen bijeen en leidde ze, hield een register van de leden, enz. Grieksche schrijvers over rom. geschiedenis geven denzelfden naam aan de volkstribunen.

Demeter, Demeter, Ceres, dochter van Cronus en Rhea, godin van den akkerbouw, van de geheele plantenwereld en vooral van het koren, die de goede gaven der aarde doet opkomen (Anesidora). Zijzelve had op vele plaatsen de menschen leeren zaaien en ploegen en had later door Triptolemus (z.a.) de kennis daarvan over de geheele aarde doen verbreiden. Daardoor was zij de oorzaak geworden, dat de menschen hun vroeger zwervend leven vaarwel zeiden en zich tot staten en eene geordende maatschappij vereenigden; zij is daarom ook de godin van wet en orde (Thesmia, Thesmophoros) en van het huwelijk. Dikwijls wordt zij als de vruchtbare aarde zelve beschouwd en daarom somtijds voor dezelfde gehouden als Gaea of Rhea; ook haar naam werd door sommigen als Ge meter verklaard. Zij is een van de oudste grieksche godheden en werd reeds door de Pelasgen vereerd (Pelasgis), in lateren tijd raakte haar dienst bij de dorische volken meer op den achtergrond. Zij was bij Zeus moeder van Persephone, bij Poseidon van het paard Arion, en bij Iasion van Plutus. De voornaamste mythus van Demeter heeft betrekking op het zoeken en vinden van hare door Hades geroofde dochter Persephone (z.a.), bij verscheiden groote feesten te harer eere gevierd, vooral bij de eleusinische mysteriën, werd deze mythus in herinnering gebracht, waarbij men, naar het schijnt, symbolisch zeker verband zocht aan te toonen tusschen het jaarlijks afsterven en herleven der natuur en het herleven van 's menschen ziel na den dood.--Men offerde aan Dem. runderen, zwijnen, vruchten en honig; de korenaar, de papaver, alle vruchtboomen, de pijnboom en de olm zijn aan haar gewijd. Hare afbeeldingen gelijken veel op die van Hera, echter heeft haar gelaat eene zachtere, minder strenge uitdrukking; gewoonlijk heeft zij een krans van korenaren om het hoofd en een korf met vruchten of de mystische fakkel in de handen.

Demetrias, Demetrias, sterke vesting in het thessalische landschap Magnesia, aan de Pagasaeïsche golf, door Demetrius Poliorcetes gesticht en langen tijd een sleutel van Griekenland.

Demetrius, Demetrios, 1) Poliorcetes, Poliorketes, zoon van Antigonus I, geb. 337, onderscheidde zich reeds vroeg in de oorlogen, die zijn vader tegen de andere veldheeren van Alexander te voeren had. Hij streed met afwisselend geluk tegen Ptolemaeus en Seleucus (z. Antigonus no. 1), en verwierf zijn bijnaam door de uitvinding van merkwaardige belegeringswerktuigen, waardoor hij de stad Salamis op Cyprus tot de overgave dwong, nadat hij de vloot van Ptolemaeus, die aan de belegerden hulp kwam brengen, geheel verslagen had. Na deze dubbele overwinning nam hij, evenals zijn vader, den titel van koning aan (306). Na een mislukt beleg van Rhodus (304) trok hij naar Athene, vanwaar hij vroeger (307) de macedonische bezetting verjaagd had, maar dat thans weder door Cassander bedreigd werd; bij zijne komst trok Cassander zich terug, en D. bleef te Athene, waar hij, door het volk met overdreven eerbewijzen overladen, zich aan allerlei uitspattingen overgaf, totdat Antigonus, door het bondgenootschap van Cassander, Ptolemaeus, Lysimachus en Seleucus bedreigd, hem naar Azië terugriep. Met den slag bij Ipsus (301), waarbij Antigonus sneuvelde en D. slechts met een klein gedeelte van het leger kon vluchten, scheen alles voor hem verloren te zijn, vooral daar de Atheners weigerden hem in hunne stad te ontvangen, maar snel besloten deed hij een aanval op de kustlanden van Thracië, en verbond hij zich, zoodra er onder zijne vijanden oneenigheid begon te ontstaan, met Seleucus, wien hij zijne dochter tot vrouw gaf. In Syrië kwam spoedig daarop eene verzoening tusschen D. en Seleucus en hunne tegenpartij tot stand. D. verzamelde opnieuw een leger en eene vloot en trok naar Griekenland (296), waar hij Salamis, Aegina en Athene innam en de Spartanen overwon. Vervolgens door Alexander, den jongeren broeder van koning Antipater van Macedonië, te hulp geroepen, verjoeg hij Antipater, maar ook Alexander liet hij dooden, waarna hij tot koning van Macedonië uitgeroepen werd (293). Met geluk streed hij tegen de oproerige Boeotiërs en tegen Pyrrhus van Epirus, maar de groote toebereidselen, die hij maakte om de aziatische landen van zijn vader te heroveren, riepen een nieuw bondgenootschap van Seleucus, Lysimachus en Ptolemaeus tegen hem in het leven, en voor het tot een gevecht kwam, werd D., die om zijn hoogmoed en heerschzucht bij de Macedoniërs gehaat was, door zijn leger verlaten, zoodat hij moest vluchten (288). Van Griekenland uit zette hij aanvankelijk met geluk den oorlog voort, maar in het volgende jaar werd hij in het land van Seleucus door eene zware ziekte overvallen en was hij genoodzaakt zich over te geven. Seleucus hield hem tot zijn dood (283) te Apamea gevangen. D. was een man van buitengewone bekwaamheid in den oorlog, vol geestkracht in tegenspoed en gevaar, daarbij was hij fijn beschaafd en kon hij in den omgang zeer aangenaam zijn, maar door overmoed, onbezonnenheid en zekere neiging tot het avontuurlijke en buitengewone kon hij van zijne voortreffelijke eigenschappen geen partij trekken en stierf hij als gevangene, betrekkelijk jong, deels van hartzeer, deels ten gevolge zijner uitspattingen.--2) D. II, koning van Macedonië, zoon en opvolger van Antigonus Gonatas, regeerde 239-229 onder voortdurende oorlogen met de naburige volken.--3) D. Soter, Soter, zoon van Seleucus Philopator, leefde tot zijn 23ste jaar als gijzelaar te Rome. Na den dood van Antiochus IV (165) ging hij, zonder toestemming, maar misschien niet tegen den wensch van den senaat, naar Syrië, waar hij zijn neef Antiochus V dwong hem de regeering af te staan. Wegens zijne wreedheid en dronkenschap gehaat, sneuvelde hij in een gevecht tegen Alexander Balas (150).--4) D. Nicator, Nikator, zoon van no. 3, die een tijd lang als gijzelaar te Rome geleefd had, stiet Alexander Balas door de hulp van Ptolemaeus Philometor van den troon (145), maar kon zich nauwelijks tegen de voortdurende opstanden zijner onderdanen en tegen Antiochus VI staande houden. In een oorlog tegen de Parthen, dien hij aanvankelijk met geluk voerde, werd hij krijgsgevangen gemaakt en eerst een krijgstocht, dien zijn broeder Antiochus tegen de Parthen ondernam, gaf hem de vrijheid en de regeering weder (130); toen hij echter in zijn rijk terugkwam moest hij spoedig weder voor Alexander Zabina vluchten en werd hij door handlangers van dezen of door zijne vrouw Cleopatra (no. 7) vermoord (126).--5) D. Eukairos, vierde zoon van Antiochus Grypus, streed met Antiochus X om de regeering van Syrië; in een strijd tegen zijn broeder Philippus werd hij door diens bondgenooten, de Parthen, gevangen genomen; hij stierf als gevangene (94).--6) D. Phalereus, Phalereus, leerling van Theophrastus. Door Cassander werd hem het bestuur van Athene opgedragen, dat hij van 317-307 zoo verdienstelijk waarnam, dat het dankbare volk hem 360 standbeelden oprichtte. Toen echter Demetrius Poliorcetes de Macedoniërs verjoeg, moest hij als een misdadiger vluchten. Hij begaf zich naar Thebe en van daar naar Aegypte, waar hij bij Ptolemaeus Lagi groote achting genoot; Ptolemaeus Philadelphus verbande hem echter naar Boven-Aegypte, waar hij in 283 aan de gevolgen van een slangebeet stierf. Hij was niet alleen als staatsman, maar ook als wijsgeer, redenaar en dichter beroemd; van zijne talrijke geschriften is echter niets overgebleven.--7) van Pharus, stadhouder van koningin Teuta (z. a.) op Corcyra. Door verraad won hij de gunst der Rom. en kreeg hij, na afloop van den illyrischen oorlog, het geheele gebied dat vroeger door de Illyriërs veroverd was (228). Later tegen de Rom. in opstand gekomen, werd hij verjaagd en moest hij naar Philippus van Macedonië vluchten (219).--8) D. Bellienus, vrijgelatene van een anderen D., verwekte onlusten bij de Intimilii, die door Caelius op last van Caesar met geweld onderdrukt moesten worden.--9) van Scepsis (± 150), schrijver van een werk over de antiquiteiten uit den tijd van den trojaanschen oorlog (Troikos diakosmos) in 30 boeken. Zijn mededeelingen omtrent de ligging van het homerische Troje zijn eerst door de opgravingen op het einde der vorige eeuw wederlegd.--10) D. Syrus, leeraar der welsprekendheid, wiens lessen Cicero te Athene bijwoonde.--11) van Magnesia, tijdgenoot van Cicero, schreef o.a. een boek over dichters en schrijvers, die door gelijkheid van naam dikwijls met elkaar verward werden.--12) van Gadara, vrijgelatene en gunsteling van Pompeius.--13) gunsteling van Caesar, na wiens dood hij door Antonius tot stadhouder van Cyprus benoemd werd.--14) van Sunium, leefde 40-90 na C. te Rome, waar hij als cynisch wijsgeer in hoog aanzien stond.

Deminutio capitis = Capitis deminutio.

Demioi, demosioi, demokoinoi heetten te Athene de ondergeschikten der elfmannen; het waren staatsslaven, die als gevangenbewaarders, beulen e. dgl. dienst deden.

Demiourgoi, 1) de laatste van de drie phylen, waarin de bevolking van Attica door Theseus verdeeld werd.--2) in sommige staten van de Peloponnesus de hoogste overheidspersonen (z. bijv. Achaeisch verbond).--3) eig. zij die voor het publiek werken; zoo noemde men allen, die door hun eigen werk in hun levensonderhoud moesten voorzien. Daar zulke personen uit den aard der zaak niet zooveel tijd als anderen op de markt, in de gymnasia en dergelijke openbare plaatsen konden doorbrengen, werden zij in vele staten als minder bij de algemeene belangen betrokken beschouwd, en genoten zij over het geheel weinig aanzien.

Democedes, Demokedes, van Croton, beroemd geneesheer, die op Aegina (528), te Athene en op Samus met roem werkzaam was. Toen Samus door Darius veroverd was (522), kwam hij als gevangene naar Susa, waar hij Darius van een wond aan den voet en Atossa van een gezwel aan de borst genas, maar toen de koning hem als zijn lijfarts wilde behouden, wist hij te bewerken dat hij tot eene verkenningsreis naar de grieksche kusten gezonden werd (520); bij Tarentum ontsnapte hij, waarna hij naar zijne vaderstad terugkeerde en met de dochter van den worstelaar Milo trouwde. Als aanhanger van Pythagoras verbond hij zich met de aristocratische partij tegen de heerschende democratie; toen echter (in 500) de Pythagoraeërs ten offer vielen aan de woede van het volk, vluchtte hij naar Plataeae.

Demochares, Demochares, zoon van Laches en de zuster van Demosthenes, die zijne opvoeding leidde en hem van zijne beginselen doordrong. Als bestrijder van de macedonische partij had hij den grootsten invloed onder Demetrius Poliorcetes, maar werd hij verdreven toen de macht van Macedonië weder toenam. Als gezant naar Macedonië en Aegypte, als financier en in meer andere betrekkingen heeft hij zich zeer verdienstelijk gemaakt. Zijn werk over de geschiedenis van zijn tijd is verloren gegaan. Zie ook Demosthenes.

Democritus, Demokritos, van Abdera, geb. 460 en op zeer hoogen ouderdom gestorven. Hij erfde van zijn vader een zeer groot vermogen en deed reizen naar Aegypte en het verre Oosten; in zijne vaderstad teruggekeerd, wijdde hij zich geheel aan de studie der wijsbegeerte en der natuurwetenschap. De atomistische leer, waarvan zijn leermeester Leucippus de grondslagen gelegd had, werd door D. nader uitgewerkt en tot een stelsel gemaakt. Volgens hem bestaat alles uit ondeelbare stofdeeltjes (atoma), die soortelijk aan elkander gelijk zijn, maar in grootte en gewicht verschillen; deze zijn eeuwig en in voortdurende beweging, en uit hunne vereeniging, die onder den invloed van een onberekenbaar toeval tot stand komt, ontstaan niet slechts werelden en andere lichamen, maar ook de zielen en goden. Tusschen de atomen is ledige ruimte, een niets (meden), dat evengoed bestaat als het iets (den). De kennis, die alleen op zinnelijke waarneming berust, is onvolledig en duister (skotie), de echte (gnesie) wordt door onderzoek en studie verworven. Het hoogste goed is gemoedsrust (euesto, euthymia, ataraxia), die men verkrijgt door in alle dingen de juiste maat te houden; van daar misschien zijn bijnaam van lacher (gelasinos). Van zijne talrijke werken, ook op taal- en letterkundig gebied, waarvan de belangrijke inhoud en de stijl geroemd wordt, is zeer weinig bewaard gebleven.

Demodocus, Demodokos, de blinde zanger aan het hof van Alcinous, koning der Phaeaken.

Demoi, onderafdeelingen der attische phylen. Van ouds was Attica voor administratieve doeleinden in demen of districten verdeeld; door de nieuwe indeeling van Clisthenes werd hun aantal 100, zoodat 10 eene phyle vormden. Later vindt men 174 vermeld, er worden zelfs 199 namen van demen genoemd, waarvan echter vele waarschijnlijk op verkeerde lezing berusten. Zij, die tot denzelfden demus behooren (demotai), brengen gemeenschappelijk zekere offers (hiera demotika) en deelen in de inkomsten en uitgaven van den demus. Het bestuur berustte bij een demarchos, het beheer der financiën bij een tamias. Ieder burger moest tot een demus behooren en zich op zijn 18de jaar in het register (lexiarchikon grammateion), dat door den demarch gehouden werd, laten inschrijven.

Demokoinoi, z. demioi.

Demonax, Demonax, van Cyprus, die ten tijde van Hadrianus te Athene leefde. Ofschoon hij tot de richting der cynici behoorde, wijdde hij zich ook aan de staatszaken en genoot hij algemeene achting. Hij stierf op zeer hoogen leeftijd vrijwillig van honger, om de lasten van den ouderdom te ontgaan.

Demophanes, Demophanes, z. Ecdemus.

Demophilus, Demophilos, 1) dichter der nieuwe attische comedie.--2) geschiedschrijver, zoon van Ephorus (z. a.).

Demophoon, -phon, Demophoon, -phon, 1) zoon van Celeüs. Toen Demeter bij Celeüs gastvrij ontvangen was, werd haar de zorg voor den kleinen Demophon opgedragen; uit dankbaarheid wilde de godin het kind onsterfelijk maken, waartoe zij hem bij dag met ambrosia zalfde en des nachts in het vuur reinigde. Toen echter Metanira haar eens des nachts verraste en van schrik luid gilde, zag Demeter in toorn van haar plan af.--2) zoon van Theseus en Phaedra, ging met de Grieken naar Troja, waar hij zijne grootmoeder Aethra (z. a.) bevrijdde. Op de terugreis verloofde hij zich met Phyllis, dochter van den thracischen koning Sithon; hij ging echter voor het huwelijk naar zijn vaderland, en daar hij over den bepaalden tijd uitbleef hing Phyllis zich op; zij werd in een amandelboom veranderd. Aan Diomedes, die bij zijne terugkomst van Troja een inval in Attica deed zonder te weten in welk land hij was, ontnam D. het palladium. Hij verdedigde de Heracliden tegen Eurystheus, en regeerde ook nog, toen Orestes in Attica kwam.

Demopoietoi, vreemdelingen wien het burgerrecht geschonken was. Dit geschiedde, ten minste in vroegere tijden, te Athene hoogst zelden en alleen wegens bizondere verdiensten jegens het volk. Een voorstel om iemand het burgerrecht te verleenen moest in twee opeenvolgende volksvergaderingen aangenomen worden, en in de tweede moesten zich minstens 6000 stemmen bij geheime stemming voor den voorgestelde verklaren. Ook dan nog misten de nieuwe burgers sommige rechten; eerst hunne kinderen, soms hunne kleinkinderen, genoten het burgerrecht in zijn vollen omvang.

Demosioi, z. demioi.

Demosthenes, Demosthenes, 1) zoon van Alcisthenes, atheensch strateeg in den peloponnesischen oorlog, ondernemend, omzichtig en bekwaam. In 426, toen hij met 30 schepen de kusten van de Peloponnesus plunderde, vormde hij het plan door Aetolië, Doris en Phocis te dringen en een inval in Boeotië te doen; door onbekendheid met land en volk mislukte deze onderneming en leed D. zulke verliezen, dat hij uit vrees voor den toorn der Atheners te Naupactus bleef. Toen hij echter den Spartanen bij die stad en bij het amphilochische Argos gevoelige verliezen had toegebracht, keerde hij naar Athene terug. In het volgende jaar bezette hij Pylus in Messenië en sloot hij de spartaansche hoplieten, die gekomen waren om hem te verjagen, op het eiland Sphacteria in; na een lang beleg dwong hij, door Cleon (z. a.) geholpen, hen tot de overgave. Toen in 413 de berichten, die Nicias van Syracusae zond, steeds ongunstiger werden, werd D. met eene aanzienlijke vloot hem te hulp gezonden; de geleden verliezen waren echter reeds te groot, en D. vond bij zijn ambtgenoot te veel tegenstand, dan dat hij eenig voordeel kon behalen of het leger en de vloot kon redden; na de beslissende nederlaag werd hij, evenals Nicias, gevangen genomen en door de verbitterde Syracusanen ter dood gebracht.--2) Athener, zoon van Demosthenes, geb. 383, verloor op zijn zevende jaar zijn vader, die hem een vrij aanzienlijk vermogen naliet, waarvan echter, toen hij meerderjarig werd, bijna alles door zijne voogden verduisterd of verkwist was. In het proces, dat hij hun deswege aandeed (364), trad hij dus reeds zeer vroeg als redenaar op, zoodat sommigen ook vermoedden dat de bij die gelegenheid door hem gehouden redevoeringen niet door hem alleen, maar door of ten minste met de hulp van Isaeus gemaakt waren. Deze was reeds vroeger zijn leermeester in de welsprekendheid geweest, ofschoon hij natuurlijk ook andere redenaars hoorde, en de natuurlijke nadeelen, waarmede D. te kampen had, lichamelijke zwakte en een spraakgebrek, waren bij het onderwijs zoovele moeielijkheden, die hij alleen door bewonderenswaardige volharding kon te boven komen. Ofschoon D. het eerste proces tegen een van zijne voogden won, gelukte het hem niet zich in het bezit te stellen van het hem toekomende, en moest hij zich ten slotte met de betaling eener betrekkelijk kleine som tevreden stellen; dientengevolge vond hij het ook raadzaam met de twee andere voogden eene schikking te maken. Daarna hield hij zich als logographos bezig met het schrijven van pleidooien, waarmede hij naar het schijnt veel succes had, doch deze werkzaamheid liet hij varen toen hij zich op de staatszaken ging toeleggen. Op ongeveer dertigjarigen leeftijd begon hij ook in de volksvergadering op te treden, v. s. nadat hij bij eene vroegere poging uitgefloten, maar door een beroemd tooneelspeler tot volharding aangemoedigd was. Voorshands hield hij zich met onderwerpen van ondergeschikt belang bezig, maar weldra zag hij dat van buiten een gevaar dreigde, dat den ondergang van Athene en geheel Griekenland ten gevolge moest hebben: de toenemende macht van Macedonië. Sedert 351, het jaar waarin hij zijn eerste Philippica hield, houdt D. niet op, de Atheners tegen Philippus te waarschuwen, en hen te wijzen op hunne verkeerdheden, waardoor het dezen mogelijk werd zich steeds grooter gebied te verwerven en meer en meer invloed op de aangelegenheden der Grieken te krijgen. Grievend moet het voor D. geweest zijn te zien, hoe weinig zijne vermaningen vermochten, hoe zelden de door hem voorgestelde maatregelen ten uitvoer gebracht werden, deels door de onverschilligheid van het volk, deels door gebrek aan bekwame veldheeren, maar vooral door het drijven van eene invloedrijke partij, die in het belang van Macedonië werkte en waarvan Aeschines (z. a.) de woordvoerder was. Het kon D. niet ontgaan, waartoe dit alles leiden moest; toen dan ook Philippus na den tweeden heiligen oorlog eensklaps het masker afnam en zelfs Athene bedreigde, was hij de eenige die niet verrast werd, die kalm genoeg bleef om ook nu nog verstandige maatregelen te nemen en oogenblikkelijk een bondgenootschap tusschen Thebe en Athene tot stand te brengen, dat aanvankelijk Philippus met goed gevolg scheen weerstand te bieden; de slag bij Chaeronea besliste echter in het nadeel der Grieken. Vruchteloos waren ook de pogingen van D. om na den dood van Philippus een algemeen grieksch bondgenootschap tegen Macedonië in het leven te roepen; de snelheid en gestrengheid, waarmede Alexander op Thebe wraak nam, boezemde ieder schrik in, en alleen op voorspraak van Demades zag Al. af van zijn eisch, dat met andere redenaars ook D. aan hem zoude uitgeleverd worden. Maar hoe weinig gevolg de bemoeiingen van D. ook hadden, het volk erkende steeds zijne edele bedoelingen en zijn vaderlandslievend streven; zoolang men zich nog konde bedriegen omtrent Philippus' plannen, mocht het al lachen, wanneer D. door zijne vijanden een overdreven pessimist en "waterdrinker" genoemd werd, telkens wanneer zij een beslissenden slag tegen hem meenden te slaan, toonde het volk hoezeer het hem achtte. Toen D. Aeschines wegens hoogverraad aanklaagde, ontsnapte deze, in weerwil van zijne invloedrijke vrienden, ternauwernood aan eene veroordeeling; toen daarentegen Aeschines zich verzette tegen een volksbesluit, waarbij aan D. wegens zijne verdiensten een gouden krans werd toegekend, leed hij zulk een verpletterende nederlaag, dat hij een langer verblijf te Athene onmogelijk achtte (z. Aeschines). Ook werden aan D. verscheiden eerambten opgedragen, die hij alle met bekwaamheid en dikwijls met groote kosten waarnam, en de hardnekkige tegenstand der macedonischgezinden kon niet beletten, dat hem werd opgedragen de lijkrede over de gesneuvelden bij Chaeronea uit te spreken. Ongelukkige gevolgen had voor hem echter de komst van Harpalus (z. a.); ofschoon hij eerst afgeraden had dezen in de stad te ontvangen, beweerde men later dat hij zich had laten omkoopen om in het belang van Harpalus te werken; hij werd tot eene boete van 50 talenten veroordeeld, en daar hij die som niet kon betalen, werd hij gevangen gezet (324); hij ontvluchtte echter na weinige dagen en bracht eenigen tijd op Aegina en te Troezen door, totdat hij bij de algemeene beweging, die door den dood van Alexander in geheel Griekenland ontstond, teruggeroepen werd. Hij werd in triumf te Athene ingehaald en leidde weder voor eenigen tijd met hart en ziel de toebereidselen voor den oorlog tegen Macedonië; na de nederlaag bij Crannon vluchtte hij naar den tempel van Poseidon te Calauria, waar hij, toen de troepen van Antipater naderden om hem gevangen te nemen, zich door vergif van het leven beroofde (October 322). Ruim 40 jaar later richtte het volk, op voorstel van Demochares, een standbeeld voor hem op, als voor een man die zijn vermogen voor het algemeen belang had opgeofferd, den staat vele diensten bewezen en vele bondgenooten verworven had, het volk steeds ten goede geraden had, en eindelijk in het gevaar den dood boven het verzaken zijner beginselen had gekozen. Zijne redevoeringen zijn voor een deel verloren gegaan, van de 61, die zijn naam dragen, worden 16 voor onecht gehouden; de echte gelden als modellen van welsprekendheid en dienen tot schitterende bewijzen van zijne bekwaamheid en zijn ijver, zoowel als van zijne vaderlandsliefde en zijn edel karakter. De belangrijkste en meest gelezen redevoeringen zijn: kata Philippou a´ (begin 351), de 3 Olynthische (351-349), peri tes eirenes (346), kata Philippou b´ (344), peri tes parapresbeias (343, zie Aeschines), peri ton en Cherroneso (341), kata Philippou g´ (341), hyper Ktesiphontos peri tou stephanou (330, zie Aeschines).

Denarius, zilveren rom. munt = 10 as, (zie as), later, toen de as in gewicht beperkt was = 16 as. De denarius is altijd in waarde gelijkgesteld met de Attische drachme. De stempels waren verschillend. Denarius aureus, bij verkorting alleen aureus geheeten = 25 zilveren denarii of 100 sestertiën. Zie aureus.

Denseletae of Dentheleti, Dentheletai, Dantheletai, thracisch volk aan den Haemus, tusschen de rivieren Strymon en Nestus.

Dentatus, bijnaam in het geslacht der Curii.

Denuntiatio, de inleiding tot een proces, de mededeeling daarvan door den eischer aan den gedaagde en de afspraak der partijen om voor den praetor te verschijnen. Sedert M. Aurelius wordt denuntiatio vaak gebezigd voor de gerechtelijke dagvaarding.

Deo, Deo, verkorte naam, die aan Demeter vooral bij de dichters gegeven werd.

Depontani werden wel eens de burgers boven 60 jaar genoemd. Den Romeinen zelf was de oorsprong van dezen naam duister. Misschien is de uitdrukking hieruit te verklaren, dat toen de pontes ingevoerd werden bij het stemmen, iuniores, hetzij in ernst of in scherts, geroepen hebben: sexagenarios de ponte, met deze beteekenis, dat de oude heeren, die door hun leeftijd geen diensten meer aan den staat verschuldigd waren, ook maar van de stembus moesten wegblijven. Dat de zestigjarigen echter het stemrecht gemist zouden hebben, is beslist onjuist.

Deportatio, verbanning naar eenige afgelegen strafkolonie, zooals de cycladische eilanden, Donusa, Amorgos, Seriphus, Gyarus, onder militaire bewaking en met verlies van burgerrecht en bezittingen. Relegatio was slechts eenvoudige verbanning naar eene bepaald aangewezen plaats, waar de balling overigens als vrij man leefde, en zonder verdere rechtsgevolgen. Onder de republiek waren deze straffen voor rom. burgers onbekend; zij dagteekenen uit den tijd van Augustus. Bij Tacitus e. a. worden deportatio en relegatio somtijds dooreen gebezigd.

Derbe, belangrijke stad in Lycaonia, aan de grenzen van Isauria, het eerst genoemd als de woonplaats van den tyran Antipater, den vriend van Cicero.

Derbices, Derbikkai, scythisch volk aan de noordelijke grenzen van Perzië, in de steppen ten O. van de Caspische zee. Het zijn de afstammelingen van de Massageten, waartegen Cyrus te velde trekt.

Dercetis, -to, Derketis, -keto, een syrisch meisje, moeder van Semiramis; zij liet den vader van haar kind dooden en het kind in een woestijn brengen, waar het door duiven gevoed werd; daarna stortte zij zich in een meer bij Ascalon en werd zij in een visch veranderd. De Syriërs vereerden haar onder den naam Atargatis als godin te Hierapolis; zij wordt afgebeeld met het bovenlijf van eene vrouw, dat in een vischstaart uitloopt.

Dercyl(l)idas, Derkyl(l)idas, Spartaan, die in den peloponnesischen oorlog met roem diende. In 399 werd hem het bevel over het spartaansche leger in Klein-Azië opgedragen; hij herstelde de onder zijn voorganger Thibron verslapte krijgstucht, voerde met kracht den oorlog tegen de Perzen, en wist vooral door zijn groote slimheid, om welke hij Sisyphus bijgenaamd werd, groote voordeelen te behalen. Reeds hadden de satrapen Tissaphernes en Pharnabazus een wapenstilstand met hem gesloten om de vredesvoorwaarden op te stellen; toen echter de koning van Perzië intusschen groote krijgstoerustingen maakte, kwam Agesilaus in Azië en nam het opperbevel van D. over. Deze bleef nog eenigen tijd bij het leger, en toen na den zeeslag bij Cnidus de Spartanen overal verjaagd werden, handhaafde hij zich in Abydus en Sestus.

Dertona, Derthon, stad in Liguria, ten Z. van den Padus (Po), rom. kolonie met den bijnaam Julia, thans Tortona.

Dertosa, Dertosa, thans Tortosa, stad der Ilercavones in Tarraconensis nabij de monding van den Iberus (Ebro).

Designator, 1) bediende in het theatrum, die aan de toeschouwers hunne plaatsen moest aanwijzen. De entréekaartjes, tesserae theatrales, wezen den rang, de afdeeling (cuneus) en het nummer der plaats aan, benevens den titel van het stuk.--2) aannemer van begrafenissen en lijkstaatsies.--3) in de 3de eeuw n. C. een scheidsrechter bij de wedrennen.

Destrictarium, vertrek waar men zich van stof, zweet en olie liet reinigen, zie Strigilis en Balneum.

Dèsultores, 1) paardrijders, voltigeurs, die in vollen ren van het paard sprongen, het bijhielden en er weder opsprongen, of ook wel met twee paarden of meer hunne kunsten vertoonden en van het eene op het andere oversprongen.--2) numidische en ook wel andere ruiters, die twee paarden bestuurden, en wanneer het eene vermoeid was, in vollen ren en volle wapenrusting op het andere oversprongen.

Detestatio sacrorum, plechtige afstand van de sacra zijner gens bij arrogatio in eene andere, of verzaking van de sacra der familie bij een testamentum comitiis calatis factum.

Deucalion, Deukalion, 1) zoon van Prometheus en Clymene, koning van Phthia, was met zijne vrouw Pyrrha de eenige die behouden bleven, toen Zeus het overige menschdom door eene overstrooming en een plasregen van negen dagen verdelgde. Het schip, dat hij op raad van Prometheus gebouwd had, landde bij het vallen van het water op den Parnassus (v. a. Athos of Aetna). Verschrikt door de eenzaamheid die hen omringde, raadpleegden zij het orakel van Themis, dat hun beval de beenderen hunner moeder achter zich te werpen. D. begreep dat hiermede steenen, als het ware de beenderen der moederaarde, bedoeld werden; zij gehoorzaamden aan het orakel en de steenen van D. werden mannen, die van Pyrrha vrouwen. Het graf van D. vond men te Athene bij den tempel van den olympischen Zeus, dat van Pyrrha te Cynus in Locris. Hunne kinderen waren Hellen, Amphictyon, Protogenea e. a.--2) zoon van Minos en Pasiphaë, vader van Idomeneus, nam deel aan den tocht der Argonauten en aan de calydonische jacht.

Deunx = 11 unciae. Als muntstuk bestond de deunx niet. De as had 12 unciae.

Deva, Deoua, thans Chester (afgeleid van Castrum), in de buurt van Liverpool, stad in Britannia Romana. Ook de aanliggende baai of breede riviermond, thans Dee, heette zoo.

Deverra, eene godin, die met Pilumnus en Intercidona aangeroepen werd om eene kraamvrouw met haar kind tegen den invloed van Silvanus te beschermen. Om zich de hulp van die godheden te verzekeren, liet men des nachts drie mannen met bijl, stamper en bezem, de zinnebeelden der beschaving, om het huis loopen.

Deversorium, zie Caupona.

Dexippus, Dexippos, 1) grieksch geschiedschrijver in de 3de eeuw n. C., wiens voornaamste werk de gebeurtenissen na den dood van Alexander behandelde.--2) nieuw-platonisch wijsgeer in de 4de eeuw n. C., schrijver van commentaren op Aristoteles.

Dextans = 10 unciae of 5/6 as. Een muntstuk van dit bedrag bestaat niet.

Di indigetes, enz., zie Dii indigetes, enz.

Dia, z. Dea Dia.

Dia, Dia, 1) oude naam van het eiland Naxus.--2) eilandje ten N. van Midden-Creta.--3) eilandje in de arabische golf (Roode Zee), voor de monding van de Aelanitische golf (Aelaniticus sinus).

Diablintes, een van de vier takken der Aulerci. Hoofdstad: Noviodunum, tgw. Jublains.

Diacria, Diakria, het N.O. bergland van Attica. De Diacriërs waren het armste en meest democratisch gezinde gedeelte der attische bevolking.

Diadikasia, in het algemeen de beslissing in een proces, in het bizonder in eene rechtszaak, waarin verschillende personen dezelfde aanspraken (bijv. op een voogdij, ambt e. dgl.) willen doen gelden; ook in een proces tegen de staatskas, wanneer iemand beweerde recht te hebben op verbeurdverklaarde goederen.

Diadochos, opvolger; in het bizonder wordt die naam gegeven aan hen, die na den dood van Alexander d. G. over de deelen van zijn rijk regeerden.

Diaeta, een complex van verschillende kamers in een Romeinsch huis, die samen een woning op zich zelf vormen. In Pompeii heeft men verscheidene zulke diaetae meenen te herkennen.

Diaeus, Diaios, van Megalopolis, sedert 149 strateeg van het achaeisch verbond en aanvoerder in den oorlog tegen de Romeinen, die vooral door zijn toedoen ontstaan was; nadat hij door Mummius bij Leucopetra op den Isthmus verslagen was, maakte hij door vergif een einde aan zijn leven (146).

Diagoras, Diagoras, 1) van Rhodus, een der beroemdste athleten van Griekenland, vader en grootvader van athleten. Een van de gedichten van Pindarus is aan hem gewijd.--2) van Melus, zoon van Teleclides, hield zich in zijne jeugd met poëzie bezig, later werd hij een aanhanger van Democritus. Hij leefde meestal te Athene, waar hij door het loochenen der goden (vandaar zijn bijnaam atheos) en het bespotten der mysteriën zooveel aanstoot gaf, dat de Atheners een prijs op zijn hoofd stelden (411); hij vluchtte echter tijdig naar Corinthe. Deze verhalen zijn echter niet geheel betrouwbaar.

Diagraphes, beambten te Athene, die ieders aanslag in buitengewone belastingen (bijv. de eisphora) bepaalden en nalatige betalers vervolgden.

Diaitetes, scheidsrechter. Te Athene werden civiele zaken, ter besparing van onkosten, meestal in de eerste instantie door een scheidsman behandeld. Op verzoek van den eischer wees de magistraat, die met de leiding van het proces belast was, door het lot een van de openbare scheidslieden aan, waarvan er meer dan honderd waren; van de beslissing van den scheidsman kon men bij de Heliaea appelleeren. De scheidsrechter kreeg bij elke zitting van beide partijen een drachme; wegens misbruiken in het waarnemen zijner betrekking kon hij bij de logisten aangeklaagd worden.--Bovendien kon men elk geschil bij overeenkomst door een of meer scheidsrechters laten beslissen, die men zelf koos; van hun uitspraak was echter geen appèl geoorloofd.

Diaktoros, bijnaam van Hermes, als uitvoerder van de bevelen van Zeus.

Diamartyria, het bewijs door getuigen, dat eene aanklacht al of niet behoort in behandeling genomen te worden. De aangeklaagde kon eischen, dat de aanklager door getuigen bewees, dat er geen beletsel (verjaring e. dgl.) bestond om de zaak te behandelen, of anders zelf door getuigen bewijzen dat zulk een beletsel wel bestond. Wie bij de diamartyria geen vijfde deel van de stemmen voor zich had, verviel in de epobelia.

Diana, oorspronkelijk eene italiaansche maangodin, wier wezen in nauw verband staat met dat van Janus, en wier dienst door latijnsche plebejers in Rome was ingevoerd; later werd zij geïdentificeerd met Artemis en werden alle attributen en mythen van deze op haar overgebracht. Zij was voornamelijk de godin van het mindere volk, ook slaven en slavinnen stonden onder hare bescherming. Haar feestdag viel op den 13den Augustus, en de ludi saeculares waren aan haar en Apollo gewijd.--Beroemd was de tempel, dien zij als beschermgodin van het latijnsche stedenverbond op den Aventinus had. Ook te Aricia (z. a.) had zij een beroemd heiligdom. Haar eeredienst in den tempel op den Aventinus is ingericht naar dien van de Aricische Diana.

Dianium, kaap en stad van Tarraconensis, tegenover de Pityusen-eil. De stad, oudtijds eene kolonie van Massilia en toen Hemeroscopium geheeten, had een beroemden Diana-tempel. Sertorius gebruikte de haven als marinestation.

Diapsephisis. Wanneer er vermoeden bestond, dat iemand zich wederrechtelijk als atheensch burger had laten inschrijven, werd bij volksbesluit bevolen, dat de demos, waartoe zulk een persoon behoorde, zijn ledenregister zoude herzien. In eene vergadering der demotai werd dan dit register voorgelezen, en over iedereen, wiens recht men betwijfelde, werd gestemd; deze stemming heette diapsephisis. De persoon, te wiens nadeele de stemming was uitgevallen, verloor zijn burgerrecht zonder verdere straf te beloopen; indien hij echter appelleerde en ook dan in het ongelijk gesteld werd, konden zijne goederen verbeurd verklaard en hijzelf als slaaf verkocht worden.--Ten tijde van Demosthenes gebeurde het eens, dat aan alle demen tegelijk het herzien hunner ledenlijsten werd opgedragen.

Diasia, Diasia, een groot feest ter eere van Zeus Meilichios den 23sten Anthesterion door de Atheners bij den Ilissus gevierd; het was een verzoeningsfeest, waarbij ieder burger een offer bracht; wie geen stuk vee kon betalen, gaf een gebak in den vorm van een schaap of varken.

Diaulos dromos, of alleen diaulos, een wedloop, waarin de dubbele lengte van de renbaan afgeloopen werd.

Dicaea, thracische stad bij het meer Bistonis.

Dicaearchia, Dikaiarchia, havenstad van Cumae, later Puteoli.

Dicaearchus, Dikaiarchos, van Messana, leerling van Aristoteles, beroemd als schrijver van wijsgeerige, geschied- en aardrijkskundige werken, die echter alle bijna geheel verloren gegaan zijn. Zijn Bios Hellados in 3 boeken was het oudste werk over beschavingsgeschiedenis.

Dichalkon, grieksch koperen muntstukje, een vierde van een obolus.

Dictator. De dictatuur, omstreeks 500 te Rome ingesteld, was in den grond een herstel der koninklijke macht, doch slechts voor zes maanden op zijn langst. Was de taak, waarvoor hij benoemd was, vroeger afgeloopen, dan behoorde de dictator zijn ambt neer te leggen. De dictator, oudtijds ook magister populi geheeten, als aanvoerder van het voetvolk, werd benoemd door een der consuls, natuurlijk krachtens een senaatsbesluit; op zijne beurt benoemde hij zijn magister equitum, die zijn collega minor en, zoo noodig, zijn plaatsvervanger was en met hem aftrad. Daar de onbeperkte volmacht van den dictator ouder was dan de instelling van het volkstribunaat, vermochten de volkstribunen niets tegen den dictator, die van zijnen kant ook niets tegen hen vermocht uithoofde hunner onschendbaarheid, zij konden elkander dus niet hinderen. De dictator was niet aan de provocatio onderworpen, zie echter Valeriae (leges) de provocatione, no. 3. In 217, na den slag bij het trasumeensche meer, was er geen consul te Rome om een dictator te benoemen; hierom werd Fabius Maximus (Cunctator) door het volk gekozen en niet tot dictator benoemd, maar met dictatoriale macht bekleed, pro dictatore. Na afloop van den 2den Punischen oorlog zijn geen dictatoren meer benoemd. In plaats van een dictator te benoemen, behielp men zich met het senatus consultum ultimum (z. a.). De benoeming van L. Cornelius Sulla door eene lex Valeria (z. a.) tot levenslang (perpetuus) dictator was eene dier onwettigheden, waaraan de laatste tijd der rom. republiek zoo rijk is. De rom. geschiedenis kent dictators, vooral rei gerundae causa, d. i. tot het voeren van een oorlog, maar ook seditionis causa, comitiorum habendorum c., senatus legendi c., delectus habendi c., feriarum Latinarum c., clavi figendi c., d. i. voor het inslaan van den gouden jaarspijker op het Capitool, quaestionis exercendae c., d. i. tot het leiden van een buitengewoon rechtsgeding. De officieele term voor de benoeming is: dictatorem dicere. De grieksche vertaling is autokrator, ook diktator. Tot de insigniën van den dictator behoorden de sella curulis, de toga praetexta en 24 lictoren met roedenbundels en bijlen. De eerste dictator was T. Lartius Flavus, de eerste uit de plebs C. Marcius Rutilus, in 356. Ook bij het latijnsch verbond komen dictators voor.

Dictator municipalis. In de municipia stonden meestal twee personen aan het hoofd van het gemeentebestuur met den titel van duumviri iuri dicundo. Evenwel komen enkele afwijkingen voor. Zoo stond b.v. te Lanuvium, Aricia, Caere, Nomentum, Fidenae, Tusculum één persoon aan het hoofd met den titel van dictator.

Dicte, Dikte, berg op Creta, waar Zeus geboren was. Bij rom. dichters Dictaeus = cretensisch.

Dictynna, Diktynna, z. Britomartis.

Dictys, Diktys, 1) broeder van koning Polydectes van Seriphus, die de kist aan land trok, waarin zich Danaë met haar kind bevond.--2) D. Cretensis, van Cnossus, had naar men meende, Idomeneus in den trojaanschen oorlog begeleid en op palmbladen een dagboek (Ephemeris) geschreven, dat ten tijde van Nero bij gelegenheid van eene aardbeving in zijn graf gevonden werd. Van dit werk bestaat eene latijnsche vertaling van zekeren L. Septimius, die in de 4de eeuw n. C. leefde; van het oorspronkelijk grieksche werk is onlangs een klein gedeelte gevonden. Z. Dares.

Didaskalia, een gedenkschrift betreffende de opvoering van een tooneelstuk, bevattende den titel van het stuk, den naam van den schrijver, den tijd en de plaats der opvoering, enz. Van deze documenten maakten latere schrijvers over geschiedenis der letterkunde of van het tooneel, v. s. Aristoteles het eerst, veel gebruik, en bij de meeste grieksche en latijnsche tooneelstukken, die bewaard gebleven zijn, bestaat ook nog de didaskalia geheel of gedeeltelijk.--D. beteekent in de eerste plaats het instudeeren door den dichter van een koor, vooral voor tragedie en comedie, dan ook het opvoeren zelf der tooneelstukken; ook de stukken, die bij dezelfde gelegenheid ten tooneele kwamen, noemde men soms met een gemeenschappelijken naam didaskalia.

Didia (lex) sumptuaria, tot beperking der uitgaven voor maaltijden, niet slechts te Rome, maar in geheel Italia, 143, een uitbreiding van de lex Fannia van 161.

Didii, aanzienlijk plebejisch geslacht. 1) T. Didius, consul in 98, overwon als praetor de Scordiscers. Als proconsul versloeg hij de Celtiberiërs in Hispania. Hij sneuvelde in den marsischen oorlog.--2) C. Didius, legaat van Caesar, sneuvelde in Hispania in den strijd tegen S. Pompeius.--3) M. Didius (Severus) Julianus, zie Juliani no. 3.

Dido, Dido, ook Elissa, Elissa, geheeten, was de zuster van den tyrischen koning Pygmalion, en de echtgenoote van haren oom Acerbas of Sichaeus. Toen Pygmalion haar man had doen vermoorden, vluchtte Dido ± 870 met een aantal Tyriërs, en landde op de kust van Africa, waar zij van zekeren koning Iarbas een stuk grond kocht en aldaar de stad Carthago stichtte. Toen later Iarbas haar met geweld en onder bedreiging met een oorlog tot vrouw begeerde, richtte Dido een brandstapel voor zich op en doorstak zich daarop met een zwaard. Zij werd door de Carthagers als godin vereerd. Vergilius brengt in zijne Aeneis Aeneas en Dido samen, en laat Dido sterven tengevolge van hopelooze liefde voor Aeneas. Dezen vorm van de sage heeft hij aan Naevius en misschien ook aan Ennius ontleend.

Didrachma, -mum, didrachmon, grieksch zilveren muntstuk ter waarde van twee drachmen.

Didyma, ta Didyma, stad in het gebied van Miletus, ook Branchidae geheeten, met een beroemden tempel en een orakel van Apollo, waarvan het geslacht der Branchiden de priesterlijke waardigheid vervulde. Door Darius of door Xerxes werd de stad verwoest, doch later werd zij door de Milesiërs herbouwd. De bouw werd echter nooit geheel voltooid. Zie ook Branchidae.

Didymus, Didymos, 1) bijgenaamd Chalkenteros, beroemd alexandrijnsch grammaticus, geb. in 63, wien door de ouden een fabelachtig aantal werken, v. s. 3500, worden toegeschreven. Voornamelijk hield hij zich bezig met commentaren en woordenboeken op Homerus, Sophocles, Aristophanes e. a. dichters en de attische redenaars.--2) Claudius Didymus, z. Claudii no. 40.

Dies Comitiales, z. Comitiales dies.

Dies Endotercisi, z. Festi dies.

Dies Fasti, z. Fasti.

Dies Festi, z. Festi dies.

Dies Nefasti, z. Nefasti dies.

Dies Profesti, z. Festi dies.

Diespiter, oude naam van Jupiter (Diovis pater).

Diffarreatio, eene in bizonderheden onbekende vorm van echtscheiding, wanneer het huwelijk per confarreationem gesloten was. Deze echtscheiding komt eerst sedert den keizertijd voor.

Digentia, een koel en helder beekje in het sabijnsche land, dat langs het landgoed van Horatius stroomde en zich in den Anio stortte.

Digesta, een verzameling van juridische geschriften; vooral wordt met dien titel, (gr. Pandektai) een gedeelte aangeduid van het wetboek van Justinianus.

Digiti, door Cicero gebruikte latijnsche naam van de Dactyli Idaei.

Digitius (S.) werd door Scipio Africanus maior bij de inneming van Carthago nova (210) met een muurkrans begiftigd. Zijn zoon was in 194 praetor en stadhouder van Hispania citerior.

Dii indigetes, de inheemsche, oorspronkelijk rom. goden, in tegenstelling van de peregrini of novensides.

Dii manes, zie Manes.

Dii novensides (novensiles) of peregrini, goden wier dienst niet oorspronkelijk rom., maar van elders ingevoerd was, in tegenstelling met de di(i) indigetes.

Dii penates, zie Penates.

Dii selecti: hieronder verstaat Varro de voornaamste Romeinsche goden.

Di(i)polia of Bouphonia, feest te Athene den 14den Skirophorion ter eere van Zeus Polieus gevierd. Men liet een stier van het heilige koren, dat op het altaar lag, eten en offerde hem daarop als het ware tot straf. De priester, die hem doodde, moest echter terstond na den doodelijken slag vluchten, en de bijl, waarmede het offer voltrokken was, werd in zijn plaats voor het gerecht gebracht, vervloekt en in zee geworpen. De huid van het offerdier werd opgevuld en daarna voor een ploeg gespannen. Sommigen zien in dit gebruik een overblijfsel van een oude dierenvereering.

Dikastai kata demous, rechters, die over minder belangrijke zaken en waarschijnlijk alleen in de demen buiten de stad oordeelden. Zij waren door Pisistratus ingesteld, om de landlieden buiten de stad te houden. Na zijn val werden ze afgeschaft, maar in 453 weder ingesteld ten getale van 30. Na Euclides (403) werd het getal op 40 gebracht, vanwaar zij gewoonlijk hoi tettarakonta genoemd worden.

Dikasterion, lokaal waar eene rechtbank zitting houdt, ook de rechtbank zelve.

Dikastikon, de belooning der rechters te Athene, misthos dikastikos. Door Pericles werd aan de rechters eene betaling van een obolus voor iedere zitting toegekend, door Cleon werd deze verdrievoudigd (triobolon heliastikon). De rechters ontvingen bij hunne komst in het gerechtshof een bewijsje (symbolon), waarop zij na afloop der zitting bij de kolakretai betaling kregen. Overdreven is ongetwijfeld het bericht, dat jaarlijks 150 talenten als dikastikon door den staat uitgegeven werden.

Dike, godin der gerechtigheid, dochter van Zeus en Themis, dikwijls als straffende godin met de Erinyen vereenigd. Zij is dezelfde als Astraea.

Dike, proces, meer in het bizonder, in tegenstelling van graphe, ook agon idios, dike idia genoemd, proces wegens persoonlijke beleediging, mishandeling, toegebrachte schade, enz. De behandeling der dikai is vooral daardoor van die der graphai verschillend, dat de aanklager moet zijn de betrokken persoon of zijn kyrios, en dat beide partijen tot dekking van de kosten zekere geldsom (prytaneia) moesten storten, die de verliezende partij aan de winnende moest terugbetalen. De straf bestond meestal in boete of schadeloosstelling, aan den aanklager te betalen, echter konden de rechters in sommige ernstige gevallen nog eene verhooging van straf (prostimema) bijv. gevangenisstraf, erbij voegen, en volgde op herhaalde veroordeelingen somtijds atimie. Vgl. graphe.

Dimachaeri, dimachairoi, een soort van zwaardvechters. Uit den naam maakt men op, dat zij ieder met twee zwaarden gewapend waren.

Dimallum, Dimalos, ook -le, stad der Parthini in Illyris graeca, aan de kust gelegen.

Dimensuratio provinciarum is de titel van een klein geschrift over geographie uit de 4e eeuw n. C., zie Divisio orbis terrarum.

Dinarchus, Deinarchos, van Corinthe, geb. omstreeks 361, kwam jong naar Athene en werd een leerling en vriend van Theophrastus en Demetrius Phalereus. Als aanhanger van Cassander werd hij in 307 verbannen en ging hij naar Chalcis op Euboea, van waar hij eerst in 292 terugkwam; na den dood van Cassander liet Polyperchon hem ter dood brengen. Hij leefde van het schrijven van pleitredenen, waarin hij Demosthenes trachtte na te volgen; een van de drie redevoeringen, die zijn naam dragen, wordt door velen voor onecht gehouden.

Dindymene, Dindymene, bijnaam van Rhea Cybele, naar haar tempel op den berg Dindymum, volgens de overlevering door de Argonauten gesticht.

Dindymum, -mus, -ma (plur.), Dindymon, -mos, -ma, naam van twee bergen, beide aan Cybele geheiligd, die hiernaar Dindymene heet. De eene lag op de grenzen van Phrygia en Galatia, nabij de stad Pessinus, waar een tempel was met het uit den hemel gevallen beeld der godin, dat in 204 naar Rome werd overgebracht. De andere berg lag op het schiereiland van Cyzicus en had een tempel, die reeds door de Argonauten zou gesticht zijn.

Dino, Deino, dochter van Phorcys, eene van de Graeae.

Dinochares, Deinochares, beroemd macedonisch bouwmeester, was belast met den aanleg van Alexandrië en richtte den brandstapel voor Hephaestion op. Van hem was het zonderlinge plan, uit den berg Athos een beeld van Alexander te houwen, dat in de rechterhand eene stad zoude dragen, en in de linker een schaal, waaruit eene rivier zou stroomen. V. a. is zijn naam Dinocrates, Timochares, Chirocrates of Stasicrates.

Dinocrates, Deinokrates, 1) z. Dinochares.--2) z. Philopoemen.

Dio, Dion, van Syracuse, zoon van Hipparinus, zwager van den jongen Dionysius, geb. 409. Van nature met vele voortreffelijke eigenschappen begaafd en sedert zijne jeugd beoefenaar der wijsbegeerte, genoot hij algemeen hoog aanzien en oefende hij zelfs zoowel op den ouderen als op den jongeren Dionysius een gunstigen invloed uit. Maar zijne vijanden, vooral Philistus, wisten hem bij laatstgenoemden verdacht te maken, zoodat hij in 366 verbannen werd; hij ging naar Athene en leefde daar eenigen tijd, terwijl hij vooral met zijn vriend Plato omging, die vroeger op zijn verzoek tweemaal Syracuse bezocht had, en nu herhaaldelijk vergeefsche pogingen aanwendde om eene verzoening tusschen hem en den tyran te bewerken. Toen eindelijk de heerschappij van Dionysius steeds drukkender werd en zich vooral tegen de betrekkingen van Dio richtte, besloot hij een poging te wagen, om zijn vaderland te bevrijden. Met eene uiterst geringe macht landde hij in het W. van Sicilië (357), terwijl Dionysius hem met een vloot aan de kust van Italië afwachtte, en werd hij met vreugde door de Syracusanen ontvangen; daar echter de burcht in handen van Dionysius gebleven was, volgden nog langdurige gevechten en onderhandelingen, gedurende welke, vooral door de tegenwerking van zijn vroegeren aanhanger Heraclides, die nu bevelhebber van de vloot was, reeds oneenigheden tusschen Dio en zijne partijgenooten uitbraken, die eenmaal zoo hoog liepen, dat hij zich met de zijnen naar Leontini begaf; spoedig echter werd hij teruggeroepen en eindelijk moest Dionysius zijne aanspraken laten varen. Toen Dio nu echter zelf aan de regeering gekomen was, verminderde spoedig de ingenomenheid met hem, en kreeg hij door zijne overdreven gestrengheid en willekeurige handelingen vele vijanden. Vooral Heraclides bleef zich tegen hem verzetten, en toen hij dezen had laten ter dood brengen, steeg de ontevredenheid zoo hoog, dat weldra bij sommigen het plan opkwam zich van den geweldenaar te ontdoen. Zoo werd Dio, na eene regeering van ruim drie jaar, op een feestdag in zijn eigen kamer vermoord (354). Zijn aandenken werd echter hoog in eere gehouden en de Syracusanen richtten te zijner gedachtenis een gedenkteeken op.

Dio Cassius (beter Cassius Dio) Cocceianus, Dion ho Kassios, kleinzoon van Dio Chrysostomus, geb. te Nicaea 155 n. C., trad in 186 als redenaar te Rome op, werd senator, praetor, tweemaal consul en stadhouder van Pergamus, Africa, Dalmatië en Pannonië. Na eenigen tijd in Campania gewoond te hebben, ging hij naar Nicaea terug, waar hij zijn leven eindigde. Van zijn groot grieksch werk, bevattende in 80 boeken de romeinsche geschiedenis van de vroegste tijden tot Alexander Severus, een werk dat hij op aansporing van een droomgezicht onder handen nam en waaraan hij 22 jaren werkte, zijn 25 boeken (36-60) volledig bewaard gebleven, van de andere bestaan grootere of kleinere fragmenten en uittreksels. Het bevat belangrijke bijdragen voor de geschiedenis van het keizerrijk, ofschoon ook veel, dat ons weinig belang inboezemt, bijv. verhalen van wonderen, hofgeschiedenissen, enz.; in taal en stijl tracht hij de oude grieksche schrijvers na te volgen.

Dio Chrysostomus Cocceianus, Dion ho Chrysostomos, geb. te Prusa omstreeks 50 n. C., hield zich aanvankelijk met rhetorische, later met philosophische studiën bezig. Onder Nerva en Traianus leefde hij, door beide keizers hoog geëerd, te Rome, van waar hij vroeger onder Domitianus verbannen was. Van hem bestaan 80 in den vorm van redevoeringen geschreven verhandelingen over wijsbegeerte en zedekunde, uitmuntend door sierlijkheid en zuiverheid van taal, en zeer belangrijk voor de kennis der toestanden in zijn tijd.

Diobelia, z. theorikon.

Diocaesarea, Diokaisareia, vroeger Sepphoris, aanzienlijke stad in Galilaea; den nieuwen naam krijgt de stad na de verwoesting van Jerusalem.

Diocles, Diokles, 1) zoon van Orsilochus, koning van Pherae.--2) van Megara, om zijne dapperheid na zijn dood als heros vereerd; te zijner eere vierde men te Megara jaarlijks het feest Diokleia.--3) een van de vorsten te Eleusis, die door Demeter in de mysteriën onderwezen werden.--4) van Phlius, dichter der oude attische comedie.--5) demagoog te Syracuse tijdens den peloponnesischen oorlog, aan wien vooral de barbaarsche behandeling der atheensche krijgsgevangenen geweten wordt. Na afloop van den oorlog tegen de Atheners bewerkte hij de wetten in democratischen geest, en men verhaalde, dat hij zichzelf van het leven beroofd zou hebben, omdat hij in strijd met zijn eigen wet gewapend in de volksvergadering gekomen was (vgl. Charondas). Na een ongelukkig gevecht tegen de Carthagers (409) werd hij verbannen, doch spoedig teruggeroepen.--6) van Carystus, beroemd geneesheer vóór den tijd van Aristoteles.--7) van Peparethus, grieksch geschiedschrijver uit de 3e eeuw, die over de oudste geschiedenis van Rome schreef. Zijn werk heeft Fabius Pictor (Fabii no. 25) als bron gebruikt.--8) rhetor uit den tijd van Augustus.

Diocletianus (C. Aurelius Valerius), van geringe afkomst, in Dalmatia geboren, klom van gemeen soldaat onder keizer Probus tot stadhouder van Moesia op, en werd in Nov. 284 na C. door zijn leger tot keizer uitgeroepen. Daar hij inzag, dat bij de toenemende invallen der barbaren het rom. rijk te uitgebreid was voor één regent, nam hij in 285 Maximianus tot Caesar, en in 286 tot Augustus en mederegent aan, wien hij het W. des rijks toevertrouwde, terwijl hij zelf de zorg voor het O. behield. In 293 namen zij nog twee hulpkeizers aan, met den titel Caesar, als het ware kroonprinsen, om hen later als Augusti op te volgen, n.l. Galerius voor het O., Constantius Chlorus voor het W. Tevens werd elke helft van het rijk nog weer in tweeën gesplitst (zie praefecturae). Als onderverdeeling van de praefecturae had men nu 12 dioeceses (z. a.), die weer onderverdeeld waren in 101 provincies. Italië werd met de overige provincies gelijk gesteld, en ook aan de grondbelasting onderworpen. Verder worden burgerlijk en militair gezag gescheiden. Het burgerlijk gezag is in handen van de 4 praefecti praetorio, de legers worden gecommandeerd door duces. In 305 legde Diocletianus, die naar rust verlangde, zijne waardigheid neder, om bij Salona stil te leven. Van zijn paleis aldaar zijn nog overblijfselen. Hij stierf in 313. Diocletianus behoort tot de keizers, die de Christenen streng vervolgden. Met hem begint de (absolute) monarchie. De senaat wordt ter zijde geschoven. Alle gezag gaat uit van den keizer, die zich Dominus laat noemen, en een streng hofceremonieel, aan het Oosten ontleend, invoert. De keizers wonen nu niet meer in Rome, maar meer aan de grenzen van het rijk, Maximianus te Milaan, Diocletianus te Nicomedea. Toch heeft Diocl. nog veel in Rome gebouwd, zie Thermae.

Diodorus, Diodoros, 1) van Iasus, bijgenaamd Cronus, megarisch wijsgeer aan het hof van Ptolemaeus Lagi.--2) van Tyrus, te Athene leerling van Critolaus en zijn opvolger als hoofd der peripatetische school.--3) D. Siculus van Agyrium, leefde onder Augustus te Rome. Na dertig jaar in Europa en Azië gereisd en met ernst zijne bronnen bestudeerd te hebben, zette hij zich tot het schrijven van eene algemeene geschiedenis (Bibliotheke historike) van de vroegste tijden tot Caesar in 40 boeken, waarvan 15 (1-5, 11-20) geheel bewaard gebleven zijn, terwijl van de overige fragmenten en uittreksels bestaan. Hoewel hij zijne bronnen gewoonlijk zonder kritiek eenvoudig naschrijft en ten gevolge van zijne streng synchronistische indeeling aan zijn werk geene eenheid wist te geven, is het toch belangrijk door vele van elders onbekende berichten, vooral betreffende de geschiedenis van Sicilië.

Diodotus, Diodotos, 1) Athener, op wiens voorstel de Atheners het besluit introkken om de afvallige Mytilenaeërs te dooden (z. Cleon).--2) van Erythrae, schrijver van Ephemerides Alexandrou, een werk, dat verloren gegaan is, maar waarvan Plutarchus en Diodorus gebruik gemaakt hebben.--3) geleerd stoicijnsch wijsgeer, leermeester en vriend van Cicero, in wiens huis hij woonde en stierf (49/48), en wien hij zijn vermogen naliet.

Dioecesis, dioikesis, onderafdeeling van het keizerrijk sedert Diocletianus (z. a.).

Diogenes, Diogenes, 1) van Apollonia op Creta, ionisch wijsgeer uit het einde van de 5e eeuw, die, evenals Anaximenes, de lucht als de grondstof van alles aannam. Van zijn werk peri physeos zijn enkele fragmenten bewaard.--2) de cynicus, ho Kyon, geb. 404 te Sinope. Met zijn vader Hicesias, die als valsche munter veroordeeld was, vluchtte hij als knaap naar Athene, waar hij leerling werd van Antisthenes. In de praktijk dreef hij de leer van dezen, dat het geluk bestaat in het gemis van behoeften, tot zulk een uiterste, dat hij bij de Atheners tot een voorwerp van spot werd. Hij gebruikte het slechtste voedsel, kleedde zich als een bedelaar, en nam inderdaad ook wel aalmoezen aan; hij woonde in een klein, armoedig huisje, dat men spottend een ton noemde, ofschoon hij meestal onder den blooten hemel of in eene stoa sliep. Van geleerdheid of wijsgeerige bespiegelingen had hij een afkeer; onbekommerd om den spot zijner tijdgenooten, hekelde hij op zijn beurt de dwaasheden, maar evenzeer de beschaving van zijn tijd. Plato noemde hem Sokrates mainomenos. Op eene reis naar Aegina werd hij door zeeroovers gevangen genomen en op Creta als slaaf verkocht; Xeniades van Corinthe kocht hem en vertrouwde hem de opvoeding zijner kinderen toe, van welke taak hij zich tot genoegen van zijne leerlingen en hun vader kweet. (V. s. is dit verhaal, zooals zoovele omtrent hem, verzonnen). Daarna vrijgelaten, leefde hij des winters te Athene, des zomers te Corinthe, waar hij in 323, naar men verhaalde op straat, stierf.--3) van Seleucia in Babylon, leerling van Chrysippus en eenigen tijd hoofd der stoicijnsche school, werd met Carneades en Critolaus in 155 als gezant naar Rome gezonden. Van zijne talrijke werken is niets overgebleven.--4) D. Laërtius, leefde te Athene waarschijnlijk in het begin van de 3de eeuw n. C., schreef een werk in 10 boeken over het leven en de leerstellingen van beroemde wijsgeeren, dat een hoofdbron is voor de geschiedenis der wijsbegeerte, ofschoon de tekst waarschijnlijk in hooge mate vervalscht is.

Dioikismos, de gewelddadige ontbinding eener aanzienlijke stad en verdeeling van de inwoners in kleine landelijke gemeenten; een van de middelen tot invoering eener aristocratische staatsregeling.

Diolkos, zie Isthmus.

Diomedeae insulae, nesoi Diomedeiai, vijftal eilandjes aan de Oostkust van Italia, ten N. van den mons Garganus. Zij waren genoemd naar Diomedes, die na den val van Troje, op de apulische kust zou geland zijn. Op het grootste van deze eilanden, Trimerus (Trimetus), heeft Julia, de kleindochter van Augustus, twintig jaar in ballingschap geleefd.

Diomedes, Diomedes, 1) koning der Bistonen in Thracië, die de vreemdelingen, welke in zijn rijk kwamen, aan zijne paarden tot voedsel gaf. Heracles liet hem zelf dit lot ondergaan en bracht de paarden aan Eurystheus.--2) zoon van Tydeus en Deipyle, nam deel aan den oorlog der epigonen. Na afloop daarvan volgde hij zijn grootvader Adrastus als koning van Argos op, en trok hij met 80 schepen met de Grieken naar Troja, waar hij zich een van de dapperste helden betoont, onder bescherming van Athena altijd in de voorste rijen strijdt, en zelfs Aphrodite en Ares wondt. Met Odysseus dringt hij door een onderaardschen gang in de stad en rooft het palladium, dat hij later naar Argos medeneemt (z. echter Demophon). In Argos teruggekeerd, vindt hij dat Aphrodite, uit wraak voor de haar bij Troje toegebrachte wond, zijne vrouw Aegialea tot overspel verleid heeft; daarom vertrekt hij, hetzij vrijwillig, hetzij uit vrees voor hare lagen, naar Aetolië, en geeft zijn grootvader Oeneus de regeering weder, die hem door zijn broeder Agrius ontnomen was. Op de terugreis wordt hij door storm naar de kust van Italië gedreven en landt hij in Daunia, hij ondersteunt koning Daunus tegen de Messapiërs, neemt diens dochter Euippe tot vrouw, sticht vele steden (Beneventum, Brundisium e. a.) en sterft op hoogen leeftijd. V. a. zoude hij op het laatst van zijn leven naar Argos teruggekeerd en daar gestorven zijn, of zoude hij op reis daarheen op een van de Insulae Diomedeae verdwenen zijn, terwijl zijne tochtgenooten van verdriet over zijn verlies in reigers (aves Diomedeae) veranderden. In verscheiden steden van Italië en Griekenland werd hij als heros vereerd, te Argos stond zijn dienst in nauw verband met dien van Athena. Behalve bovengenoemde eilandjes zijn ook de Diomedei Campi in Apulia naar hem genoemd.--3) latijnsch grammaticus uit de 4de eeuw na C., schreef 3 boeken de arte grammatica, in hoofdzaak een uittreksel uit oudere dergelijke werken en vol citaten uit oude schrijvers.

Diomedis Campi = Campi Diomedis.

Diomedon, Diomedon, atheensch admiraal uit den laatsten tijd van den peloponnesischen oorlog, behaalde eenige voordeelen op de afvallige bondgenooten, was een van de admiraals die den slag bij de Arginusae wonnen en later door de Atheners ter dood veroordeeld werden, z. Leo no. 4.

Diomeia, vroolijk feest ter eere van Heracles door de Atheners gevierd, zoo genoemd naar den Athener Diomus, den eersten die hem als god, en niet als heros, een offer bracht.

Diomosia, de eed, waarmede beide partijen in een rechtsgeding hunne verklaringen bekrachtigen, z. antomosia.

Dion = Dio.

Dione, Dione, dochter van Oceanus en Tethys of van Uranus en Gaea, bij Zeus moeder van Aphrodite. Oorspronkelijk was zij het vrouwelijk evenbeeld van Zeus, en werd zij vooral te Dodona als zijne gemalin vereerd; later werd zij als zoodanig door Hera verdrongen. Ook Aphrodite heet soms Dione of meer Dionaia.

Dionysia, Dionysia, feesten ter eere van Dionysus, in het bijzonder twee die in Attica gevierd werden: 1) de kleine of landelijke (D. ta kat' agrous, en agrois, ta mikra), in de maand Poseideon (Dec. Jan., zie Annus) buiten de stad gevierd, dagen van uitgelaten vroolijkheid, zang, dans, scherts en plagerij. In de verhalen van de lotgevallen van Dionysus, die bij dit feest door op een wagen staande personen voorgedragen werden, ligt de oorsprong van het attische drama. Eene eigenaardige vermakelijkheid waren de askolia, waarbij men op een gevulden en van buiten glad gemaakten zak moest springen en zich staande houden.--2) de groote of stedelijke (D. ta megala, ta kat' asty, astika, ook alleen D.), eerst ten tijde van Pisistratus ingesteld, van 8 tot 13 Elaphebolion (Maart-April, z. Annus) met groote pracht in de stad gevierd. Het oudste beeld van den god werd door een schitterenden optocht rondgeleid, terwijl door talrijke koren dithyramben gezongen werden, dikwijls door de beroemdste dichters voor die gelegenheid vervaardigd; de hoofdzaak was echter het opvoeren van nieuwe tragedies en comedies. In den tijd van den att. zeebond kwamen bij dit feest ook de bondgenooten hunne bijdragen storten; bovendien trokken de feestelijkheden zulk eene menigte landvolk en vreemdelingen, dat men die dagen ook voor de geschiktste hield om bekend te maken, welke onderscheidingen de staat aan verdienstelijke burgers had toegekend.--Tusschen beide feesten en als het ware daarmede tot een geheel vereenigd, vielen de Lenaea en de Anthesteria.

Dionysi(a)des, Dionysiades, -sides, treurspeldichter uit Tarsus, tijdgenoot van Alexander d. G.

Dionysius, Dionysios, 1) van Phocaea, aanvoerder der Ioniërs in den opstand tegen Perzië; na den slag bij Lade ging hij naar Sicilië, van waar hij als vrijbuiter tegen Tyrrheners en Carthagers streed.--2) de oude, geb. 431, van geringe afkomst, onderscheidde zich in den oorlog tegen Carthago; nadat de strategen, die Agrigentum verloren hadden, op zijne aanklacht van hun ambt ontzet waren, werd hij met anderen in hun plaats benoemd; in deze betrekking wist hij het leger voor zich te winnen, waarop hij zijne ambtgenooten afzette, met eene wacht naar Syracuse trok en zich van de alleenheerschappij meester maakte (405). Daar hij in den oorlog met Carthago niet gelukkig was, maakte hij gebruik van de omstandigheid, dat hun leger door pest geteisterd werd, om vrede te sluiten, waarbij echter een groot deel van Sicilië in hun macht bleef. Nu versterkte hij Ortygia, nam een groot aantal huursoldaten in dienst en maakte zich meester van alle grieksche steden op Sicilië. Hij vergrootte de stad Syracuse, en bracht een groot deel der bevolking van Naxus, Catana, Leontini enz., daarheen over. Den oorlog tegen de Carthagers hervatte hij driemaal en voerde hij over het geheel met geluk, hoewel hij geen blijvend voordeel kon behalen; zelfs werd hij in 396 door Himilco in Syracuse belegerd, totdat de pest in het carthaagsche leger weder zulke verwoestingen aanrichtte, dat D. het na eene gemakkelijke, doch beslissende overwinning tot het koopen van vrijen aftocht dwong. Ondertusschen had D. ook Croton en Rhegium veroverd en andere grieksche steden in Beneden-Italië aangevallen. Bij zijne onderdanen was hij algemeen gehaat wegens zijne wreedheid, roekeloosheid en verregaanden achterdocht. Hij liet zich veel voorstaan op zijne liefde voor kunst en wetenschap, noodigde dichters en wijsgeeren aan zijn hof, maar wilde daarvoor ook bewonderd worden om zijne eigene treurspelen; te Olympia werden zijne werken bespot, maar te Athene won hij in 367 een prijs. Hij stierf kort daarna, v.s. van vreugde over die overwinning, v.a. aan de gevolgen zijner onmatigheid of door vergif, dat zijn zoon hem had laten geven.--3) de jonge, zoon van den vorigen, in zijne opvoeding uit wantrouwen door zijn vader verwaarloosd, kwam in 367 aan de regeering en maakte spoedig vrede met de Carthagers. Daar hij van nature niet wreed of onbekwaam scheen, meende Dio (z.a.) hem door de leeringen van Plato, die naar Syracuse genoodigd werd, tot een ideaal vorst te kunnen vormen, en inderdaad scheen dit korten tijd te gelukken, maar weldra leende D. het oor aan vleiers en verkeerde raadgevers. Dio werd verbannen, en hoewel Plato later nogmaals naar Syracuse geroepen werd, bleek het dat hij allen invloed verloren had. Na het vertrek van Dio ontaardde de regeering van D. in eene tyrannie, nog drukkender dan die van zijn vader, en toen Dio in 357 terugkeerde, werd hij met open armen ontvangen. D. ging naar Locri in Beneden-Italië, waar hij zich van de heerschappij meester maakte en de burgerij wreed onderdrukte, totdat hij zich in 346 den strijd der partijen te Syracuse ten nutte wist te maken om daarheen terug te keeren en de regeering weder in handen te nemen. Weldra riepen echter de Syracusanen, zijne onderdrukking moede en bovendien door de Carthagers in het nauw gebracht, hulp van Corinthe in; Timoleon kwam en dwong D. zich over te geven en de regeering neder te leggen. Hij vertrok naar Corinthe (344), waar hij, naar men verhaalde, als schoolmeester het overige van zijn leven in armoede sleet.--4) van Miletus, logograaf, jonger tijdgenoot van Hellanicus.--5) van Samus, leefde in den alexandrijnschen tijd en schreef mythologische en historische werken, die door Diodorus als bronnen gebruikt werden.--6) D. Thrax, (ho Thrax), grammaticus te Alexandrië, leerling van Aristarchus, schrijver van de eerste wetenschappelijke grieksche spraakkunst en van andere werken op het gebied der philologie.--7) van Halicarnassus, leefde sedert 30, waarschijnlijk als rhetor, te Rome, en schreef, behalve kleinere werken, eene rom. geschiedenis (Rhomaïke archaiologia) van de oudste tijden tot den eersten punischen oorlog; het is uitgekomen in 7; hij had er 22 jaar aan gewerkt; van de 20 boeken, waaruit dit werk bestond, zijn de eerste elf volledig, de overige in uittreksels en fragmenten bewaard. Zijn streven is, de beschikking der goden in de geschiedenis duidelijk te maken, en de Grieken met hunne onderwerping aan Rome te verzoenen; zijn stijl is veelal opgesmukt, vooral in de lange redevoeringen, die hij zijn hoofdpersonen in den mond legt. Van zijne rhetorische en critische verhandelingen zijn de meeste bewaard gebleven, zij zijn van groot belang voor de geschiedenis der grieksche letterkunde.--8) van Halicarnassus, bijgenaamd ho Mousikos, naar zijne Mousike historia, een groot werk over de geschiedenis van kunsten en wetenschappen, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard zijn. Hij leefde ten tijde van Hadrianus.--9) de reisbeschrijver (ho periegetes), uit den tijd van Keizer Hadrianus, schreef in grieksche hexameters een overzicht van de aardrijkskunde, waarin hij vooral Posidonius volgde, en dat door lateren veel gebruikt en eenige malen in het Latijn vertaald werd, o. a. door Avienus.

Dionysus, Dionysos, Bacchus, zoon van Zeus en Semele, werd bij den dood zijner moeder, daar de tijd zijner geboorte toen nog niet gekomen was, door Zeus gedurende eenige maanden in zijn dij bewaard. Toen het kind voor de tweede maal ter wereld kwam, gaf Zeus het aan de nimfen van Nysa om op te voeden en te verzorgen. Nadat D. volwassen was, plantte hij den wijnstok en gaf hij van den daaruit bereiden drank aan de nimfen en andere bewoners van het woud te drinken; terstond gaven allen zich aan hem over en vereenigden zij zich in opgewonden geestvervoering om hem te begeleiden op den tocht, dien hij ging ondernemen om zijne nieuwe gave over de geheele wereld te verspreiden. Bijna overal, vooral bij Oeneus in Aetolië en in Attica (z. Icarius), werd zijn geschenk dankbaar aangenomen en hijzelf als god gehuldigd, tegenstanders bracht hij door indrukwekkende bewijzen zijner macht tot zwijgen (z. Acoetes, Lycurgus, Pentheus). Toen eindelijk zijne overwinning volkomen was, erkenden dan ook de olympische goden zijne macht en zijn weldadigen invloed op de menschen en gaven hem een plaats in hun midden. De god, in wiens hoede over het algemeen boomen en boomvruchten staan (Antheus, Anthios, Dendrites, Hyes, Phloios), is in het bizonder een god van den wijn, en daar het kweeken van vruchten, evenals iedere tak van landbouw, den overgang van een lageren tot een hoogeren trap van beschaving vooronderstelt of ten gevolge heeft, geldt hij evenals Demeter voor den brenger van zachtere zeden, wet en orde (Thesmophoros), veelal wordt hij ook met deze godin in verband gebracht, zelfs wordt hij mede vereerd in de eleusinische mysteriën, waar hij den naam Iacchus (Iakchos) draagt, of als broeder of bruidegom van Core Koros heet. En terwijl de wijn de menschen verkwikt en versterkt, hen van zorg en leed bevrijdt (Lyaios), brengt hij ook het gemoed in hoogere stemming, verhoogt zijne ontvankelijkheid voor indrukken en is de bewerker van de geestdrift (enthousiasmos). Daarom is D. ook een bevorderaar der schoone kunsten (Melpomenos) en een vriend der Muzen, en wordt hij dikwijls in vereeniging met Apollo vereerd, met wien hij ook als orakelgevend god overeenkomst heeft; de dithyrambus en het drama hebben hun ontstaan aan zijn eeredienst te danken. Maar aan den anderen kant wordt die hoogere stemming dikwijls tot luidruchtige uitgelatenheid, waardoor zich verscheiden Dionysusfeesten kenmerkten, of tot mystieke opgewondenheid (Bakchos, Bromios, Euios). Dit laatste vond men vooral bij de nachtelijke feesten (Nyktelia), die in den herfst op den Parnassus gevierd werden, waarbij vrouwen in dierenhuiden gekleed en met den thyrsus in de hand als razend (Maenaden, Bacchanten, Thyaden, enz.) over de toppen der bergen rondzwierven, terwijl zij onder een oorverdoovend uitgillen van den kreet euoi, begeleid door de muziek van fluiten en pauken, zelfs de dieren verscheurden die onder hare handen kwamen, en het bloedige vleesch opaten. Deze luidruchtige, zoogen. orgiastische, wijze van vereering, die van Thracië naar Beotië en verder naar het overige Griekenland overgebracht was, was de oorzaak dat men verband zocht tusschen D. en Rhea Cybele, Atys, Sabazius e. a. aziatische godheden, wier dienst een dergelijk karakter droeg.--De afbeeldingen van D. stellen hem nu eens voor als een man met weelderige lokken en vollen baard, koninklijk van gestalte en in een lang, golvend gewaad, dan eens als een jongeling met smachtende trekken, bijna vrouwelijk van gelaat en lichaamsbouw; gewoonlijk worden zijne haarlokken samengebonden door een haarband (mitra) of door een krans van wijnloof en klimop en heeft hij een thyrsusstaf in de hand. Vooral stelde men hem gaarne voor te midden van den stoet (thiasos), bestaande uit nimfen, maenaden, Silenen, satyrs en dgl., die hem op zijne verre tochten, welke zich v. s. tot Indië uitstrekten, begeleid zouden hebben; te midden van dit woeste gezelschap ligt de god, soms nevens zijn bruid Ariadne (z. a.), in zalige rust. Ook vindt men hem in het gezelschap van de Chariten, Eros en Aphrodite. De wijnstok en het klimop, en onder de dieren de panter, los, tijger, ezel, dolfijn en bok zijn hem gewijd.--De Rom. identificeerden hem met Liber en bij de orphische mysteriën droeg hij den naam Zagreus.

Diophanes, Diophanes, grieksch redenaar van Mytilene, leermeester van Ti. Gracchus en als diens aanhanger met hem ter dood gebracht.

Diophantus, Diophantos, 1) atheensch redenaar, vriend en partijgenoot van Demosthenes.--2) alexandrijnsch wiskundige uit het einde van de 3de of het begin van de 4de eeuw n. C., de eerste schrijver over algebra. Van zijn werk Arithmetika is ongeveer de helft bewaard gebleven.

Diopithes, Diopeithes, van Sunium, atheensch strateeg in den oorlog tegen Philippus. Toen deze zich in vredestijd van de grieksche steden in de Chersonesus wilde meester maken en D. dit trachtte te verhinderen, beschuldigde Philippus hem te Athene als verbreker van den vrede (343); hij werd echter door Demosthenes in de redevoering peri ton en Cherroneso en zelfs door Phocion verdedigd (341). Hij sneuvelde kort daarna.

Diores, Diores, 1) zoon van Amarynceus, sneuvelde als aanvoerder der Epeërs bij het beleg van Troje.--2) vader van Automedon.--3) zoon van Priamus, ging met Aeneas naar Italië en werd door Turnus gedood.

Dioscorides, Dioskorides, 1) epigrammendichter, van wien verscheiden gedichtjes in de grieksche anthologie zijn opgenomen, leefde omstreeks 200.--2) grieksch steensnijder ten tijde van Augustus.--3) Pedanius D., beroemd grieksch geneesheer uit Anazarbus, tijdgenoot van Nero, schrijver van een werk over geneeskrachtige planten, dat nog tot in de 15de eeuw als het voornaamste op dit gebied gold.

Dioscuri, Dioskouroi, Castor (Kastor) en Pollux (Polydeukes), tweelingbroeders, door Zeus in de gedaante van een zwaan bij Leda verwekt, of zonen van Tyndareos en Leda (Tyndaridae, Tyndaridai), terwijl v. s. Castor de zoon van Tyndareos en Pollux die van Zeus is. Zij waren heldhaftige jongelingen, Castor uitmuntend als ruiter, Pollux als vuistvechter. Nog op jeugdigen leeftijd namen zij Aphidna (z. a.) in, later verwierven zij grooten roem bij de calydonische jacht en den tocht der Argonauten (z. Amycus). In den strijd tegen de Apharetidae (z. a.) vond Castor, die als zoon van Tyndareos sterfelijk was, den dood, en Pollux kreeg op zijne smeekingen van Zeus vergunning de onsterfelijkheid met zijn broeder te deelen, zoodat beiden telkens een dag in de onderwereld, den volgenden op den Olympus doorbrengen. Te Sparta, waar hun dienst inheemsch is, worden zij beschouwd als beschermers van den staat, later werden zij meer algemeen vereerd als verdedigers van het gastrecht en gidsen der zeevarenden, wien zij zich als St. Elmsvuur vertoonen. Dikwijls verschijnen zij aan de menschen en verschaffen zij hun de overwinning in een ongelijken strijd. Zoo hadden zij eens de Locriërs in Italië tegen de achtmaal sterkere Crotoniaten bijgestaan en denzelfden dag hunne overwinning bij de olympische spelen bekend gemaakt. Eveneens streden zij in de gelederen der Romeinen bij het meer Regillus, tengevolge waarvan hun een tempel op het forum gewijd werd, die elk jaar den 15den Juli in plechtigen optocht door de romeinsche ridders bezocht werd. Zij worden gewoonlijk als ruiters afgebeeld, met een eivormigen helm op het hoofd en een speer in de hand, dikwijls ook met een ster boven het hoofd. Te Athene werden zij Anakes, te Rome ook wel Castores genoemd.

Dioscurias, Dioskourias, milesische volkplanting, bloeiende marktplaats en koopstad in Colchis, sedert Traianus Sebastopolis bijgenaamd.

Diospolis, Diospolis, grieksche naam voor het aegyptische Thebae, ook magna, he megale, bijgenaamd. Een eind stroomafwaarts lag Diospolis minor, he mikra. Een derde lag in het Delta-gebied, in de nabijheid van Mendes. Ook in Palestina (zie Lydda) en Phrygia vond men dezen naam. Zie ook Cabira.

Diota, wijnkruik met twee ooren.

Diotimus, Diotimos, 1) Athener, aanvoerder van de vloot die aan de Corcyraeërs tegen Corinthe te hulp gezonden werd (433).--2) atheensch vlootvoogd in den corinthischen oorlog.--3) zoon van Diopithes, atheensch vlootvoogd en aanhanger van Demosthenes.

Diotrephes, Diotrephes, Athener, die in 413 thracische hulptroepen naar hun vaderland terugbracht en op weg Mycalessus verwoestte. In 411 werd hij door de 400 naar Thasus gezonden om er eene aristocratische staatsregeling in te voeren, wat den afval van dat eiland ten gevolge had.

Dioxippus, Dioxippos, 1) blijspeldichter der nieuwe attische comedie.--2) atheensch vuistvechter, overwinnaar bij de olympische spelen. Hij behoorde tot het geleide van Alexander den G., en overwon eens ongewapend een gewapenden Macedoniër.

Dipaea, Dipaia, stadje in Arcadië, ten Z.O. van Mantinea, waar de Lacedaemoniërs in 471 de Arcadiërs overwonnen, die zich van den peloponnesischen bond hadden willen afscheiden.

Diphilus, Diphilos, 1) grieksch episch dichter uit de 5de eeuw.--2) van Sinope, dichter der nieuwe attische comedie, tijdgenoot van Alexander d. Gr. en Philemon, leefde gewoonlijk te Athene en stierf te Smyrna. Sommige van zijne talrijke werken, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard gebleven zijn, werden door romeinsche blijspeldichters, vooral Plautus, nagevolgd.--3) stoicijn, wegens zijne omslachtige redeneeringen Labyrinth bijgenaamd; hij wordt door Lucianus vermeld.--4) tooneelspeler, tijdgenoot van Pompeius.--5) schrijver en voorlezer van L. Licinius Crassus (Licinii no. 12).--6) beroemd geneesheer van Siphnus, leefde kort na Alexander d. G., schreef een groot werk over voedingsmiddelen.--7) schrijver van een werk over de constructie en het gebruik van verschillende machines.

Diphridas, Diphridas, spartaansch ephoor (394), waarschijnlijk dezelfde die in 391 door de Spartanen als bevelhebber over het leger naar Azië gezonden werd, om Thibron op te volgen.

Diphthera, een lederen chiton, voornamelijk door landlieden en herders gedragen.

Diploma, diploma, een dubbel gevouwen papier, eene soort van paspoort voor hen, die in dienst of op kosten van den staat reisden, opdat zij het onderweg noodige spoedig zouden kunnen krijgen. Onder de keizers verstond men onder diploma een giftbrief van de hooge overheid, waarbij gunsten of voorrechten werden uitgereikt.

Dipylon, to Dipylon, vroeger hai Thriasiai pylai geheeten, de hoofdpoort van Athene, aan den N.W.-kant van de stad; van hier gaan twee wegen, ééne naar Eleusis, ééne naar de Academia. Vóór de poort lag ho exo Kerameikos, waar veel graven ontdekt zijn, aan de binnenkant ho entos K. (z. Athenae aan het begin). De poort heeft den naam gegeven aan de oud-Attische vazen van geometrischen stijl, in de graven vóór de poort gevonden, de Dipylon-vazen.

Dirae = Furiae.

Dirce, Dirke, dochter van Helius, gemalin van Lycus, z. Antiope. Ook naam van een bron bij Thebae.

Diribitores (diribere = dishibere) bij de comitiën waren zij, die de uitgebrachte stemmen sorteerden en telden. Aug. liet hiertoe op den Campus Martius een afzonderlijk gebouw, diribitorium, oprichten.

Dis = Pluto.

Discessio, meest gewone wijze van stemmen in den senaat, waarbij de voorstemmers en tegenstemmers zich naar twee verschillende kanten der zaal begaven.

Discordia, z. Eris.

Diskobolia, een bij de Grieken zeer geliefd spel, onderdeel van het pentathlon, waarbij men met een steenen of ijzeren schijf (diskos), die in het midden iets dikker was dan aan den rand, naar een bepaald doel of om het verst wierp. De eigenaardige houding, die de speler (diskobolos) op het oogenblik van den worp aannam, is dikwijls door beeldhouwers voorgesteld.

Dispensator, in aanzienlijke huizen de slaaf, die de kas hield en de boeken bijhield, op landgoederen de intendant of rentmeester.

Dithyrambus, dithyrambos, lied bij de feesten van Dionysus gezongen, waarvan het onderwerp oorspronkelijk de avonturen van dien god, weldra echter ook die van andere goden en helden waren. Aanvankelijk een ruw, kunsteloos lied, dat door de feestvierenden naar willekeur gezongen werd, kreeg het zijn eigenaardigen vorm door Arion, die het in strophen en antistrophen verdeelde en door koren liet voordragen. Sedert dien tijd bereikte de dithyrambische poëzie een hoogen trap van bloei, en te Athene dongen bij de Dionysusfeesten de beroemdste lyrische dichters in den dithyramben-wedstrijd mede naar den prijs. Het tijdperk van haar verval begint op het einde der 5de eeuw; eerst kreeg de muziek de overhand over de poëzie, daarna verwaarloosde men meer en meer alle regelen der kunst, totdat men zich geheel liet leiden door een teugellooze fantasie, die, zoowel dichterlijk als muzikaal, niets anders voortbracht dan gezwollen bombast. In overeenstemming hiermede werd de antistrophische vorm van de liederen opgegeven, en werd de voordracht het werk van enkele virtuozen.

Dium, Dion, 1) stad op de landtong Acte in Chalcidice, met een gemengde bevolking.--2) stad in het N. van Euboea.--3) stad aan den voet van den Olympus en aan de Thermaeische golf, in het macedonische landschap Piëria, met een beroemden tempel van Zeus. Hier waren de ruiterstandbeelden opgericht, die de beeldhouwer Lysippus had gegoten ter eere van de gesneuvelden aan den Granicus. Later werden deze beelden naar Rome overgebracht.--4) kaap op de N. kust van Creta.

Dius Fidius, god der trouw, ook Semo Sancus geheeten, als eedformule me Dius Fidius sc. iuvet. Dius Fidius = Jupiter Fidius, grieksch Zeus Pistios. Hij had al in de 5de eeuw (sedert 466) een tempel op den Quirinalis, en later ook een op het Tiber-eiland. Zie ook Fides.

Divico, aanvoerder der Helvetiërs in den oorlog van 107, toen het rom. leger onder L. Cassius Longinus verslagen werd en onder het juk moest doorgaan. Hij werd in 58 als gezant tot Caesar gezonden, en sloeg toen een hoogen toon aan.

Divinatio, de kunst of gaaf, om uit gezochte of ongezochte teekenen den wil der goden uit te vorschen of door goddelijke ingeving de toekomst te voorspellen. Zie voor de Rom. de artikels auguria, haruspices en extispicium, voor de Grieken manteia. Divinatio is ook bij een strafproces dat gedeelte van het proces, waarbij door gissing, d.w.z. zonder getuigenverhoor door de rechters bepaald moet worden, wie aanklager zal zijn. Ook de redevoeringen van de advocaten heeten divinatio. Zie Caecilii no. 30.

Divisio orbis terrarum, is de titel van een klein boekje over geographie aan het einde van de 4de eeuw n. C., evenals de Dimensuratio imperii uitgegeven naar oudere bronnen, waarschijnlijk de wereldkaart van Agrippa.

Divisor, iemand, die zich belastte met het uitdeelen van geld en het koopen van stemmen voor dezen of genen candidaat bij de verkiezingen; men zou kunnen zeggen: een makelaar in stemmen.

Divitiacus, een van de hoofdpersonen bij de Aeduërs, bevriend met Caesar. Zijn jongere broeder Dumnorix, die den Rom. vijandig was, had hem in macht en aanzien een tijdlang overvleugeld; Caesar herstelde hem weder in zijne macht. Uit naam van verschillende gallische staten verzocht hij Caesar, hen te verlossen van de drukkende overheersching van den Germaan Ariovistus.--Ook wordt nog een Divitiacus, koning der Suessionen, bij Caesar als een machtig vorst vermeld, evenwel zonder nadere bijzonderheden.

Divodurum, stad der Mediomatrici, aan de Mosella (Moezel), thans Metz.

Divona, stad der Cadurci in Aquitania, thans Cahors.

Divortium, echtscheiding. Bij de Rom. moest de ontbinding van het huwelijk plaats grijpen overeenkomstig den vorm, waaronder het gesloten was. Een huwelijk per confarreationem, oorspronkelijk misschien onontbindbaar, werd ontbonden door diffarreatio (eerst sedert den keizertijd); een huwelijk per aes et libram (coëmptio) werd door remancipatio per aes et libram te niet gedaan; een huwelijk zonder eenigen omslag gesloten, kon door eene eenvoudige mondelinge of schriftelijke opzegging verbroken worden. De man zeide: tu tuas res tibi habeto, foras exi; de vrouw: tu tuas res tibi habeto, redde meas. Naarmate de laatstgenoemde soort van huwelijken meer in zwang kwam, hadden ook de echtscheidingen menigvuldiger en lichtvaardiger plaats. Zie repudium.

Divus, de titel van gestorven keizers na de consecratio. Zie Apotheosis.

Diyllus, Diyllos, Athener, schreef een vervolg op de geschiedenis van Ephorus tot 298. Hij leefde in de 3de eeuw.

Doberus, Doberos, aanzienlijke stad in het macedonische gewest Paeonia.

Dobreta (Dobretae), stad in Dacia, aan den linker-oever van de Donau, ten O. van de IJzeren Poort, tgw. Turn Severin. De stad bestond reeds tijdens de Flavische Keizers.

Dodecaschoenus, Dodekaschoinos, landstreek langs den Nijl, ter lengte van 12 schoeni = 133 kilometer. Waarschijnlijk is dit het gebied in den omtrek van de laatste katarrakt van den Nijl, tusschen Syene en Philae. De veronderstelling, dat hiermede Nubia Inferior bedoeld wordt (z. Napata), schijnt onjuist te zijn.

Dodona, Dodone, oude stad in Epirus in het landschap Thesprotia, met een orakel van Zeus, het oudste van Griekenland. De tempel stond aan den voet van den berg Tomarus; de uitspraken van het orakel werden opgemaakt uit het ruischen der bladeren van heilige eiken in een aangrenzend bosch en uit het gekletter van bekkens, die in de boomen hingen. Dit geschiedde door priesters, Selloi of Helloi, die met ongewasschen voeten den tempel betraden, en door priesteressen, Peleiades, genoemd.

Dodrans = 9 unciae = 3/4 as.

Dokimasia, in het algemeen onderzoek, in het bizonder het onderzoek naar iemands bevoegdheid om eene bepaalde plaats in den staat in te nemen, waarop hij aanspraak maakt, bijv. om als burger ingeschreven te worden, als redenaar in de volksvergadering op te treden, enz. Vooral belangrijk was te Athene het onderzoek naar hen, die als overheden of leden van den raad verkozen waren, waarbij gevraagd werd of de verkozene aan alle door de wet gestelde voorwaarden voldeed, en of hij door zijn vroeger leven de hem toegekende eer waardig was.

Dolabella, familienaam in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 35-38.

Doliche, Doliche, 1) stad in Commagene ten W. van Zeugma, met warme baden en een tempel van Zeus Dolichenos, Jupiter Dolichenus, een aziatische godheid, waarvan de dienst vooral sedert de inlijving van Commagene (71 n. C.), over het geheele Westen, en voornamelijk, evenals die van Mithras, onder de soldaten sterk verbreid was. De dienst werd zeer door de keizers begunstigd.--2) stad in het thessalische gewest Perrhaebia ten N. van Oloösson.--3) = Dulichium, een der Echinadische eilanden aan den mond van den Achelous.--4) oude naam voor het eiland Icarus.

Dolichos, de wedloop in de lange renbaan, eene uitgestrektheid van 7, 12, 20 of 24 stadiën. Hij die aan zulk een wedloop deelneemt, heet dolichodromos.

Dolon, Dolon, Trojaan, zoon van Eumedes, die als verspieder naar het leger der Grieken ging, maar op weg door Diomedes en Odysseus aangehouden werd; nadat hij medegedeeld had, welke toerustingen de Trojanen gemaakt hadden, werd hij door de beide Grieken gedood.

Dolonci, Dolonkoi, een thracisch volk, naam van de niet-Grieksche bevolking van de thracische Chersonesus.

Dolopes, Dolopes, machtige volksstam, waarvan het gebied tusschen Thessalia, Epirus en Aetolia lag ingesloten en die deel nam aan den oorlog tegen Troje. Een tak van hen bewoonde het eiland Scyrus.

Dolus, als rechtsterm, onrecht, wederrechtelijke handeling, dolus malus geheeten, wanneer er opzettelijk bedrog wordt gepleegd. Daar dit in den regel het geval is, staat dolus alleen meestal in de beteekenis dolus malus. Beroemd is de omschrijving, die de praetor C. Aquillius Gallus, tijdgenoot van Cicero er van gaf: si aliud simulatum esset, aliud actum. Dolum praestare beteekent: schadevergoeding geven wegens gepleegd bedrog. In crimineele zaken is dolus malus minder de handeling zelve, dan wel het voorbedacht opzet daartoe.

Dominium, eigendom en eigendomsrecht. Volgens streng rom. recht kon alleen hij zijn eigendomsrecht doen gelden, die het commercium had en op eene door de wetten erkende wijze den eigendom had verkregen. Het ius gentium, of, beter gezegd, het peregrinenrecht, dat te Rome aldus werd genoemd, erkende echter voor niet-burgers ook andere, niet streng civielrechtelijke wijzen om iets te verwerven. Nu ging het echter niet aan, den civis achter te stellen bij den peregrinus en zoo ontwikkelde zich uit het praetorische recht de leer van quiritarischen en bonitarischen eigendom. Tot de res mancipi b.v., dat is tot zulke zaken, die formeel ten overstaan van getuigen per aes et libram moesten worden overgedragen, behoorden niet slechts grondbezittingen op italischen bodem, maar o.a. ook slaven en last- en trekdieren. Wanneer nu zulke een res eenvoudig door overgave, traditio, in andere handen was overgegaan, dan gaf dit voor den verkrijger geen dominium ex iure Quiritium; doch de praetor kon toch het bezit als geldig erkennen; dan noemde men zulk een bezit: in bonis habere.

Domitia (lex) de sacerdotiis, 104, van den volkstribuun Cn. Domitius Ahenobarbus (zie Domitii no. 5). Deze wet bepaalde dat voor de verkiezing van leden der priestercollegiën 17 van de 35 tribus (minor pars) door het lot zouden worden aangewezen, en dat hij, die door deze 17 tribus was gekozen, door het college zou gecoöpteerd worden.

Domitia (via), van Massilia langs de kust naar Spanje, in 120 door Cn. Domitius Ahenobarbus (zie Domitii no. 4) aangelegd.

Domitianus (T. Flavius), jongste zoon van Vespasianus, volgde in 81 na C. zijn broeder Titus als keizer op. Stelselmatig was hij buiten de regeeringszaken gehouden; toch regeerde hij de eerste twee jaren beter, dan men kon verwachten, toen echter werd zijne regeering, naar de gewone opvatting, een schrikbewind, een toonbeeld van wreedheid en onzinnigheid. Hij vond genot in vervolging en bloedvergieten en in den doodsangst zijner slachtoffers. Hij streed voorspoedig tegen de Chatten (82-83), en met afwisselend geluk tegen de Daci (85-86 en 87-89), die hij uit Moesia verdreef. Den ongelukkigen afloop van zijne oorlogen tegen de Marcomannen en Quaden, van wie hij zelfs den vrede moest koopen, bemantelde hij door schitterende triomftochten, terwijl hij zichzelf den titel van "Heer en God" toelegde. Toen hij in 96 ook zijne gemalin Domitia ter dood wilde laten brengen, werd hij met haar medeweten door eene samenzwering vermoord.

Domitii, een aanzienlijk plebejisch geslacht, waarin twee hoofdtakken voorkomen, de Ahenobarbi en de Calvani. 1) L. Domitius zou den naam Ahenobarbus (koperbaard, roodbaard) gekregen hebben, omdat in 496 de Dioscuren (Castor en Pollux) hem de overwinning bij het meer Regillus hadden bericht, en tot staving hunner geloofwaardigheid zijn zwarten baard aangeraakt en in een rooden zouden veranderd hebben. Andere schrijvers vermelden dit voorval, zonder aanwijzing welke overwinning behaald was. De eerste Ahenobarbi komen eerst veel later voor.--2) Cn. Dom. Ahenobarbus, consul in 192, overwon de Bojers. In 190 streed hij in Asia, en had hij een groot aandeel aan den slag bij Magnesia, waarin L. Scipio Antiochus versloeg. Als praetor urbanus wijdde hij in 194 den tempel van Faunus, in 196 begonnen, zie hieromtrent ook Scribonii no. 2.--3) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 2 was in 167 een der tien gezanten tot regeling der macedonische zaken.--4) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 3, consul in 122, versloeg de Allobrogers en Averners, wien hij door zijne olifanten grooten schrik aanjoeg. Als censor in 115 verwijderde hij met zijn ambtgenoot L. Caecilius Metellus Dalmaticus 32 leden uit den senaat. Hij liet de via Domitia in Gallia Narbonensis, van Massilia langs de kust naar Spanje, aanleggen.--5) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 4, was als volkstribuun in 104 de maker der lex Domitia de sacerdotiis; uit dankbaarheid koos het volk hem tot pontifex maximus. In 96 was hij consul, in 92 censor met den vermaarden redenaar L. Licinius Crassus (Licinii no. 12). Zij vaardigden een edict uit tegen de pas opgerichte latijnsche rhetorenscholen.--6) L. Dom. Ahenobarbus, ook een zoon van no. 4, in 100 tegenstander van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus, trad als praetor (98 of 97) in Sicilia zeer streng op tegen de slaven, consul in 94, werd later op last van den jongen Marius vermoord (82).--7) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 6, schoonzoon van L. Cornelius Cinna, vluchtte voor Sulla naar Africa (82) en sneuvelde daar in den strijd tegen Pompeius.--8) L. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 5, gehuwd met Porcia, dochter van Cato van Utica, onverzoenlijk tegenstander van Caesar, aediel in 61, praetor in 58, consul in 54, trachtte Corfinium tegen Caesar te verdedigen, viel in diens handen, doch werd vrijgelaten en sneuvelde bij Pharsalus.--9) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 8, was bij zijn vader te Corfinium en Pharsalus. Het staat niet vast, of hij tot de moordenaars van Caesar behoort heeft. Wel hoorde hij tot hun partij. Als vlootvoogd van Brutus vernielde hij in 42 de vloot der driemannen (z. Domitii no. 15), doch hij verzoende zich na den slag bij Philippi door tusschenkomst van C. Asinius Pollio met Antonius. Daar hij echter diens betrekking tot Cleopatra afkeurde, ging hij kort vóór den slag bij Actium tot Octavianus over, maar stierf reeds eenige dagen daarna.--10) L. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 9, schoonzoon van den drieman M. Antonius, consul in 16, drong met een leger van Illyricum uit (7) tot over den Albis (Elbe). Later commandeerde hij aan den Rijn en in het N. van Germania, waar hij pontes longi aanlegde. Hij was een goed veldheer, doch ruw en gevoelloos en haatdragend.--11) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 10, consul in 32 na C., gehuwd met Germanicus' dochter Agrippina, was de vader van keizer Nero, die oorspronkelijk L. Domitius Ahenobarbus heette, zie Nero.--12) Domitia, dochter van no. 10, gehuwd met Passienus Crispus, werd door Nero, toen zij reeds hoogbejaard was, vergiftigd, opdat hij zich haar vermogen zou kunnen toeëigenen.--13) Domitia Lepida, ook eene dochter van no. 10, moeder van de beruchte keizerin Valeria Messalina, werd op aanstoken van Agrippina omgebracht (54).--14) Cn. Dom. Calvinus Maximus, consul in 283, streed met zijn ambtgenoot P. Cornelius Dolabella tegen de Senonen. In 280 was hij de eerste censor uit de plebs.--15) Cn. Dom. Calvinus, als tribunus plebis in 59 tegenstander van Caesar; na vele knoeierijen werd hij, na een interregnum van een half jaar, in 53 consul, daarna was hij aanhanger van Caesar en voerde in den slag bij Pharsalus het centrum van diens leger aan. Later (42) zag hij als admiraal der driemannen zijne vloot in de ionische zee door die van Cn. Dom. Ahenob. (no. 9) vernielen. Later (van 39-36) streed hij als stadhouder in Hispania. Na zijn terugkeer triumfeerde hij, en herstelde de door brand vernielde regia, aan wier muren hij in marmer lijsten liet aanbrengen van alle consuls en van alle triumfen, de zoogenaamde Fasti Capitolini. Zie Fasti no. 2.--16) Cn. Dom. Corbulo, uitstekend veldheer onder Claudius en Nero, beroemd door zijne overwinningen op de Friezen en Chauken (47 n. C.), de Armeniërs en de Parthen (55-66), door zijne zeldzame rechtschapenheid en zijne ongehoorde reuzenkracht. Uit ijverzucht zond Nero hem zijn doodvonnis toe in Griekenland, waar hij zich vrijwillig het leven benam. De fossa Corbulonis op het eiland der Batavieren, waarschijnlijk de Vliet, verbond Maas en Rijn. Corbulo heeft ook gedenkschriften nagelaten, die echter verloren zijn.--17) Domitia Longina, dochter van no. 16, gemalin van keizer Domitianus, was eene schoone vrouw, doch niet van onberispelijke levenswijze. Zij had verboden omgang met den tooneelspeler Paris. Toen dit uitkwam, werd Paris gedood (± 82 n. C.), en zij verbannen, maar in 89 op verzoek van het volk teruggeroepen. Later nam zij aan de samenzwering tegen den keizer deel. Zij heeft haar man zeer lang overleefd. Zij wordt ook Domitilla geheeten.--Niet tot de gens Domitia behooren: 18) Domitius Afer, redenaar; zie Afer.--19) Domitius Marsus, gevierd dichter, vriend en tijdgenoot van Vergilius en Tibullus.--20) Domitius Ulpianus, beroemd jurist; zie Ulpianus.--21) L. Domitius Aurelianus, rom. keizer; zie Aurelianus.--22) Flavia Domitia, vrijgelatene, vrouw van Vespasianus, doch gestorven voordat hij keizer werd, moeder van Titus en Domitianus.

Domus. Hoewel er bij de romeinsche huizen evengoed verschil van inrichting bestond als in andere landen en tijden het geval is, komen er toch enkele vertrekken in zekere volgorde in voor, die in geen rom. huis van eenig aanzien ontbreken. Als type van een huis van matigen omvang geven wij hier den plattegrond van het zoogenaamde huis van Pansa te Pompeji. Met het tuintje er achter, dat op de teekening slechts gedeeltelijk is aangegeven, vormt het erf een langwerpigen vierhoek, aan alle zijden door straten omgeven en is dus eene insula. Aan drie zijden zijn tegen het huis kleinere woningen en winkeltjes gebouwd (8 en 9), waaronder een betrekkelijk groot huisje (9) waarin eene bakkerij werd uitgeoefend. Aan den ingang van het eigenlijke heerenhuis vindt men eene inspringende ruimte (V) vestibulum genoemd. Door de deur ianua, ostium (O) komt men in den gang en vervolgens in het atrium (A), in welks midden men het compluvium vindt (6). Ter weêrszijden van het atrium zijn eenige cubicula (2) en aan het einde twee zoogenaamde alae (3), alcoves, niet met deuren, maar met gordijnen afgesloten. In den tijd, dat het italiaansche huis nog een vrijstaand boerenhuis was, hadden deze alae vensteropeningen, waardoor het licht binnen kwam. Toen het huis als stadshuis werd ingebouwd, vervielen deze vensters, en was men verplicht de kleine dakopening van het atrium, het latere compluvium, die oorspronkelijk vooral voor het uitlaten van den rook gediend had, grooter te maken, waardoor het vertrek ten minste in den winter voor bewoning minder doelmatig werd. Zie ook atrium. Achter het atrium is het tablinum (T), en daarnaast een vertrek (1), dat hier vermoedelijk tot bibliotheek diende. Een gang (5) leidt van het atrium naar de binnenplaats (cavaedium) of peristylium (C of P), waarvan de 4 zijden overdekt waren, terwijl het dak, om het regenwaterbekken, door zestien zuilen wordt geschraagd. Rechts is eene eetzaal, triclinium (Tr.), achteraan eene pronkzaal, oecus, door een gang (5) van de keuken, culina, gescheiden, en geheel achteraan eene galerij of verandah (7), die toegang gaf tot het viridarium of tuintje. Het rom. huis was als het ware in zich zelf gekeerd, zonder vensters aan de straatzijde, althans voor zoover de benedenverdieping betreft. Bij een groot getal vertrekken had men dus meer dan één binnenhof noodig, hetzij dan eene eenvoudige binnenplaats (cavaedium) of eene zuilengaanderij (peristylium, porticus). De tweede afbeelding hierbij toont een oud pompejaansch huis van buiten; waarbij vooral de inrichting van het compluvium duidelijk zichtbaar is. De huizen hadden ook bovenverdiepingen, waarvan de vertrekken evenwel slechts klein konden zijn, daar boven het atrium geen vertrek kon zijn. Over het grieksche huis zie men het artikel oikia, over de tegenstelling tusschen insula en domus het artikel insula.

Donatistae, een sekte van Christenen, die zich in de vierde eeuw in Afrika heeft afgescheiden, en genoemd is naar een zekeren bisschop Donatus, zie ook Circumcelliones.

Donatus (Aelius), rom. taalgeleerde (± 350 na C.), wiens latijnsche spraakleer in de middeleeuwen nagenoeg de eenige grondslag der latijnsche taalstudie was. Wij bezitten van hem ook nog een belangrijken commentaar op de blijspelen van Terentius, behalve op den Heautontimorumenos, en talrijke aanhalingen (bij Servius) op de Georgica en de Aeneis van Virgilius.

Donatus (Tib. Claudius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.), moet niet met den vorigen verward worden. Hij leverde eene levensbeschrijving van Vergilius. Bovendien zijn er eenige fragmenten over van een commentaar op Vergilius.

Donusa, -sia, Donousia, eilandje in de Aegaeische zee, nabij en ten O. van Naxos, viridis genoemd om de groene marmersoort, die er gevonden werd. Onder de keizers diende Donusa tot strafkolonie voor gedeporteerden.

Dora, ta Dora, Doros, havenstad en vesting op de kust van Palaestina, nabij den berg Carmel.

Dores, Dories, een van de vier hoofdstammen der Grieken. In zeer oude tijden in Thessalië woonachtig, trokken zij omstreeks 1000 uit hun zoogenaamd stamland Doris naar de Peloponnesus, die zij grootendeels veroverden en van waar zij de bevolking verdreven. Van daar zonden zij koloniën uit naar Creta, Azië (z. Doris no. 2), Italië en Sicilië. De Doriërs onderscheiden zich door vele eigenaardige gebruiken van de overige Grieken.

Dorieus, Dorieus, 1) zoon van Anaxandridas. Toen zijn broeder Cleomenes, dien hij voor de regeering ongeschikt achtte, zijn vader opvolgde (520), ging D. naar Libye om daar eene volkplanting te stichten; hij werd echter van daar verdreven, ging naar het westen van Sicilië (de streek bij den Eryx) en sneuvelde in een gevecht tegen de Carthagers (500). Uit den tijd, waarin deze gebeurtenissen voorvallen, blijkt reeds, dat Dorieus niet onmiddellijk na de troonsbestijging van zijn broeder de expedities ondernomen heeft. V. s. had Dorieus de inwoners van Croton bij de verwoesting van Sybaris (510) geholpen; deze meening is onjuist.--2) zoon van Diagoras van Rhodus, overwinnaar bij alle groote grieksche spelen. In den peloponnesischen oorlog streed hij in spartaanschen dienst; hij werd door de Atheners gevangen genomen, maar wegens zijn groote beroemdheid vrijgelaten (407).

Doris, Doris, dochter van Oceanus en Tethys, gemalin van Nereus, moeder der Nereïden of Doriden; ook eene van de Nereïden.

Doris, Doris, 1) klein, onbeduidend landje in Midden-Griekenland, alleen belangrijk, omdat de peloponnesische Doriërs het als hun stamland beschouwden. Oorspronkelijk hadden hier Dryopes gewoond, maar dezen waren door de Doriërs op hun tocht naar het Zuiden verdreven. Het land had 4 stadjes, Pindus, Erineüs, Cytinium en Boeum, de dorische tetrapolis genoemd.--2) kustland van Caria, in het Z.W. van Voor-Azië, waartoe ook de eilanden Cos en Rhodus en enkele kleinere behoorden. De steden Halicarnassus en Cnidus op het vasteland, Cos op het eiland Cos en de drie rhodische steden Lindus, Ialysus en Camirus maakten de dorische hexapolis uit. De bondsvergaderingen werden gehouden bij het triopische heiligdom van Apollo en Demeter, op kaap Triopium bij Cnidus.

Doriscus, Doriskos, stad op de thracische kust aan den mond van den Hebrus (Maritza), in eene vlakte van gelijken naam gelegen.

Dorpia, de eerste dag der Apaturia.

Dorpon, avondmaal, oudtijds laat in den namiddag gebruikt. Toen in lateren tijd het middagmaal (deipnon) later en later gebruikt werd, werd ook de tijd van het avondmaal meer en meer verschoven, en eindelijk verviel het geheel en al.

Dorus, Doros, zoon van Hellen en Orseis, of van Apollo en Phthia, of van Poseidon, mythisch stamvader der Doriërs.

Dorylaeum, Dorylaion, stad met warme bronnen in Phrygia, belangrijk kruispunt van verschillende groote wegen, aan de rivier Thymbris.

Dos, bruidschat. Bij Grieken en Romeinen was het gebruikelijk, dat de vader of de familie der bruid haar naar stand en vermogen eene passende huwelijksgift medegaven. Hoewel de man het beheer had over en het vruchtgebruik van het vermogen zijner vrouw, mocht hij dit toch niet vervreemden. Er konden toch bij overlijden of echtscheiding gevallen voorkomen, dat de dos geheel of gedeeltelijk moest worden teruggegeven aan de vrouw of hare familie. In grieksche staten was dit regel. Retentio propter liberos werd gezegd, wanneer de man bij scheiding een gedeelte van den bruidschat voor de kinderen behield, propter mores, wanneer de vrouw door een minder passend gedrag aanleiding tot scheiding had gegeven. Processen over de teruggave van een bruidschat waren actiones rei uxoriae of de dote. Daar ieder geval op zich zelf moest beoordeeld worden, behoorden zij tot de actiones bonae fidei. Wat de vrouw uit het familiegoed medebracht, was dos profecticia, wat er verder bijkwam, adventicia.

Dositheus Magister, schrijver eener latijnsche grammatica met latijnsch-grieksche woordenlijst en vertaaloefeningen, leefde in de vierde eeuw na C.

Dossennus, een soort harlekijn in de fabulae Atellanae.

Dotium, Dotion, stad en vlakte in Thessalia aan het meer Boebeis.

Douleia, slavernij, de toestand waarin iemand verkeert, die, hetzij door geboorte uit ouders, die slaven zijn, hetzij door krijgsgevangenschap, hetzij door verkoop, zijne persoonlijke vrijheid en dus ook alle burgerlijke rechten miste. De slaven der Grieken waren oorspronkelijk allen barbaren, terwijl men zich omgekeerd verplicht rekende, Grieken vrij te koopen, die in slavernij geraakt waren. Hoewel de slaaf volstrekt als het eigendom van zijn heer beschouwd werd, stelden toch wet en gebruik, ten minste te Athene, aan de willekeur van den heer eenige grenzen; wie een slaaf doodde, moest zich voor het gerecht verantwoorden. Het groote aantal slaven (in sommige staten veel grooter dan dat der vrijen) maakte het misschien raadzaam hen niet door harde behandeling tot tegenweer te noodzaken. Particulieren gebruikten hunne slaven niet alleen voor persoonlijke diensten, maar lieten hen dikwijls ook min of meer zelfstandig als landbouwers, handwerkslieden of fabrieksarbeiders werken, en lieten hen soms tegen eene vooraf vastgestelde vaste betaling (apophora) hun loon of winsten behouden. Ook de staat had slaven (demosioi), die deels politiediensten verrichtten, deels bij sommige magistraten als dienaars geplaatst werden. Als aanklager kon een slaaf niet optreden, ook mochten zij geen getuigen zijn, hoewel aan hunne verklaringen, op de pijnbank afgelegd, groote waarde gehecht werd. Aangeklaagd konden zij waarschijnlijk niet worden wegens handelingen, die zij op bevel van hunne heeren verricht hadden. De vrijheid konden zij terug krijgen door zich los te koopen, of door beschikking van hunne heeren, dikwijls bij testament, soms ook van staatswege, wanneer zij vrijwillig in den oorlog medegestreden en zich onderscheiden, of wanneer zij zware misdaden aangebracht hadden. De vrijgelatene (apeleutheros) was echter niet van alle verplichtingen tegenover zijn vroegeren heer (prostates) ontslagen, z. apostasiou graphe.

Drabescus, Drabeskos, stad in het macedonische gewest Edonis, aan een oostelijken zijtak van den Strymon.

Drachma, drachme, de meest gebruikelijke zilveren munt der Grieken, het 6000ste deel van een talent, ongeveer f 0,45.

Draco, Drakon, 1) archont en eerste wetgever der Atheners (621). Hoewel zijne staatsregeling de bevoorrechte positie van den adel veel verminderde, door het recht op het bekleeden van vele ambten aan grondeigendom te verbinden, was dit, bij de algemeene verarming en het drukkende schuldrecht, niet voldoende om een einde te maken aan de heerschende ontevredenheid en de daardoor ontstane burgertwisten. Van zijne wetten werden in de wetgeving van Solon alleen de strafbepalingen tegen moord overgenomen.--2) van Stratonicea, schrijver van vele grieksche werken over grammatica en metriek, waarvan slechts een uittreksel bewaard is; hij leefde in de 2e eeuw n. C.

Draco, Drakon, Anguis, Serpens, het sterrenbeeld de draak, v. s. de draak, die de appelen der Hesperiden bewaakt had, v. a. de Python, of de door Cadmus gedoode draak. Zie ook Anguis als veldteeken.

Draconarius, soldaat, die den draco draagt.

Drangiane, Drangiane, gewest van het perzische rijk, in het midden van Ariana. De bewoners heeten Zarangai (bij Herodotus Sarangeis), waarvan de Grieken Drangai hebben gemaakt. Bij Herod. komen de Sarangers in het perzische leger voor met eene soort van waterlaarzen. Hun land was laag en moerassig. In het zuidelijk deel woonden de Ariaspae (z. a.).

Draudacum, sterkte van de Penesten in Illyris graeca.

Dravus, Drabos, zijtak van den Donau in Noricum en Pannonia, thans Drave of Drau.

Drepanum, -a, Drepanon, ta Drepana, naam van meer dan ééne stad en kaap, wegens de sikkelvormige ligging. O. a.: kaap op de N. kust van Creta, kaap van de Peloponnesus nabij de invaart der corinthische golf; stad en kaap op de N.W. kust van Sicilia, door den Carthager Hamilcar gesticht als ligplaats der vloot, thans Trapani. Vergilius laat Anchises hier sterven.

Drepsa, Drepsa, ta Drapsaka, sterke stad in Bactriana, aan de N.-zijde van den Paropanisus.

Drilae, Drilai, colchisch bergvolk in N.O. Pontus, nabij de stad Trapezus.

Drilon, Drilon, of Drinius, thans Drin, in zijn benedenloop grensrivier tusschen Illyris graeca en Illyris barbara (Dalmatia).

Dromos, ook stadion, de renbaan in een grieksch gymnasium, een stadium lang.--Op Creta werden de jongelingen, wanneer zij den leeftijd bereikt hadden, waarop het hun geoorloofd was aan de oefeningen in de gymnasia deel te nemen, dromoi of dromes genoemd.

Dropici, Dropikoi, perzische nomadenstam.

Druentia, rivier in Gallia Narbonensis, valt bij Avenio (Avignon) in den Rhodanus (Rhône); thans Durance.

Druidae, Druides, Druidai, priesterschap bij de keltische bevolking van Britannia en Gallia. Zij maakten den voornaamsten stand uit en waren vrij van staatslasten; vandaar dat vele jongelingen, ook uit den adel, onder de Druïden zochten te worden opgenomen. Hunne leer, die godsdienst, rechtsgeleerdheid, genees-, natuur- en sterrenkunde omvatte, alles in een mystiek gewaad gehuld, mocht niet in schrift gebracht worden, zoodat het onderricht alleen mondeling was en nieuwelingen soms een twintigtal jaren noodig hadden om in alles te worden ingewijd. Éénmaal 's jaars hielden de gallische Druïden eene plechtige samenkomst in het gebied der Carnuten, dat voor het midden van Gallia werd gehouden. Dáár spraken zij recht tusschen twistende partijen en zelfs tusschen staten en volken. Zij, die door hen in den ban waren gedaan, waren overal van alle gemeenschap uitgesloten. Toen de rom. beschaving den ouden keltischen eeredienst verdrong, ging ook het aanzien der Druïden verloren. Door Keizer Claudius werd hun eeredienst geheel verboden. Later werd die ook in Britannia uitgeroeid door de verovering van het eiland Mona (Anglesey), waar die eeredienst gevestigd was.

Drusiana fossa, zie Fossa.

Drusilla, 1) Livia Drusilla, derde vrouw van Augustus en moeder van Tiberius. Zie Livii no. 8.--2) Drusilla, dochter van Germanicus en Agrippina (zie Julii onder e) en dus eene zuster van Caligula, gehuwd met zekeren Aemilius Lepidus, leidde een ontuchtig leven met haren broeder en werd door dezen na haar dood (38 n. C.) onder den naam Panthea onder de godinnen opgenomen.--3) Drusilla, dochter van den joodschen koning Herodes Agrippa, gehuwd met Antonius Felix, procurator van Judaea.

Drusus, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 26) en de gens Livia (Livii no. 2-5, 8, 9).

Dryades, Hamadryades, Dryades, Hamadryades, boomnimfen; men meende dat iedere boom zijn eigen nimf had, goddelijke wezens, die echter stierven met den boom, dien zij onder hunne bescherming hadden.

Dryantides, Lycurgus, koning van Thracië, zoon van Dryas.

Dryas, Dryas, 1) een van hen, die naar de hand dongen van Pallene, en dus, volgens besluit van haar vader, met zijne mededingers om haar bezit moest worstelen. Toen hij alleen met Clitus overbleef, liet zijn wagenmenner zich door Pallene, die Clitus beminde, omkoopen om zijn wagen gedurende den strijd te laten omvallen, zoodat D. door zijn tegenstander gedood werd.--2) zoon van den thracischen koning Lycurgus, werd door zijn vader, die door Dionysus met waanzin geslagen was, gedood.

Drymaea, Drymaia, stad in Phocis ten N. van den Cephisus, met een tempel van Demeter Thesmophoros.

Drymus, Drymos of Drymos, sterkte in Attica op de grenzen van Boeotia.

Drymussa, Drymoussa, eiland in de Hermaeische golf, op de kust van Ionia.

Dryope, Dryope, dochter van Dryops of van Eurytus, werd bij Apollo moeder van Amphissus, en huwde later met Andraemon. Eens plukte zij een lotusbloem, die oorspronkelijk de nimf Lotis geweest was, waarop zij zelve in zulk een plant veranderd werd.

Dryopes, Dryopes, een oude grieksche volksstam, die oorspronkelijk aan den Oeta bij Malis woonde. Later verspreiden zij zich, en vindt men hen in Zuid-Euboea (steden: Carystus en Styra), op het eiland Cythnus ten Z. van Attica, verder in Argolis (Hermione, Eion, Asine, Nemea), later te Asine in Messenia, en elders.

Dryops, Dryops, zoon van Spercheus en Polydora of van Apollo en Dia, stamvader der Dryopes. Ook de inwoners van Asine in Messenië beschouwden hem als hun stamvader en vierden hem ter eere om het andere jaar een feest.

Dubis, thans Doubs, zijtak van den Arar (Saône), stroomt langs Vesontio (Besançon).

Dubius Avitus, legatus van Germania Inferior, overwon in 50 n. C. de Friezen.

Dubris portus, thans Dover, havenstad der Cantii op de Zuidoostkust van Britannia.

Ducenarius. Dit woord komt in verschillende beteekenissen voor, die alle met het getal 200 samenhangen, als: een hoofdman over 200 man; een rechter uit hen gekozen, wier vermogen slechts 200000 sestertiën bedroeg; zij vormden sedert Augustus de 4de decuria van rechters (zie iudex aan het slot); een keizerlijke procurator in de provinciën met eene jaarwedde van 200000 sestertiën.

Ducetius, Douketios, een Siciliër, die in 461 zich aan het hoofd der inboorlingen van het eiland stelde om hen van de heerschappij der grieksche steden te bevrijden. Hij werd door de Syracusanen in 450 verslagen en naar Corinthe verbannen. Later keerde hij met kolonisten naar Sicilia terug, en woonde te Cale Acte, tot hij in 440 stierf.

Duilia (lex) van den volkstribuun M. Duillius, 449, dat al wie voortaan de plebs zonder tribunen zou laten, of een overheidsambt zonder beroep op het volk zou in het leven roepen, gegeeseld en ter dood gebracht zou worden. Aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld, zie Duilii no. 1.

Duilia Maenia (Menenia) (lex), 357. Zie fenus.

Duilii, ook Duellii en Duillii geschreven, plebejisch geslacht. 1) M. Duillius, een van de 4 volkstribunen, die in 471 volgens de lex Publilia Voleronis door de plebs tributim gekozen werden. Het verhaal, dat hij ook in 449 volkstribuun geweest is, en toen, als een wakker en verstandig voorvechter voor de rechten der plebejers, toen de tienmannen hunne macht misbruikten, de plebs tot eene secessio zou bewogen hebben, is geheel verzonnen. Ook het bericht, dat op zijn voorstel, na den zelfmoord van App. Claudius Crassus Inregillensis Sabinus en Sp. Oppius Cornicen, aan de overige tienmannen, onder wie ook een K. Duillius Longus voorkomt, amnestie verleend zou zijn, verdient geen vertrouwen. Zie ook Duilia (lex). Volgens een ander bericht zijn de overgebleven tienmannen verbannen, en hun goederen verbeurd verklaard.--2) C. Duillius, consul 260, de bekende Romein, die door middel van enterbruggen (corvi) bij Mylae de eerste overwinning ter zee op de Carthagers behaalde, welk feit door de oprichting der columna rostrata vereeuwigd werd. In 258 was hij censor, terwijl hij levenslang het eerbewijs verkreeg, om, wanneer hij van een feestmaal huiswaarts keerde, zich door een fakkeldrager en een fluitspeler te doen vergezellen.

Dulgubini, een germaansche stam, ten W. van den Visurgis (Weser).

Dulichium, Doulichion, het grootste der Echinadische eilanden aan den mond van den Achelous. Het behoorde tot het gebied van Odysseus, die daarom dichterlijk ook wel Dulichius wordt genoemd.

Dymanes, een van de drie dorische phylae, zoo genoemd naar Dymas.

Dumnorix, hoofdman der Aeduërs, broeder van Divitiacus (zie aldaar). Toen Caesar op het punt stond voor de tweede maal naar Britannia over te steken, en Dumnorix, dien hij wantrouwde, wilde medenemen, trachtte deze te ontvluchten, doch werd door Caesars ruiterij, die hem achterhaalde, gedood.

Duoviri = Duumviri.

Dupondius, eene munt ter waarde van 2 as.

Dura, ta Doura, stad in Mesopotamia, aan den Euphraat, ten Z. van Circesium.

Duris, Douris, 1) beroemd Attisch schilder van vazen in streng roodfigurigen stijl, uit het begin van de 5 eeuw.--2) van Samus, grieksch geschiedschrijver omstreeks 250, die door latere schrijvers dikwijls aangehaald wordt, ofschoon men hem niet algemeen voor geloofwaardig hield.

Durius, Dourios, rivier in Hispania, grensscheiding tusschen Lusitania en Gallaecia (Tarraconensis), thans Douro.

Durocortorum, hoofdstad der Remers in Gallia, thans Reims.

Duronia, stad in Samnium, nabij de bergengte van Caudium.

Durostorum, vesting aan den Donau in Moesia Inferior, t.g.w. Silistria.

Duumviri. 1) Duumviri perduellioni iudicandae waren in den rom. koningstijd rechters, die in 's koningsnaam recht spraken in zaken van perduellio of hoogverraad. In het republikeinsche tijdperk vinden wij deze duumviri nog eene enkele maal, o. a. in het proces van Rabirius, door den praetor bij het lot aangewezen.--2) Duumviri sacris faciundis, belast met het toezicht en het raadplegen der sibyllijnsche boeken. Hun getal werd later op 10 en vervolgens op 15 gebracht. Zie decemviri s. f.--3) Duumviri iuri (iure) dicundo. In de muncipiën en koloniën stonden veeltijds twee mannen aan het hoofd, die, evenals te Rome de consuls, voor een jaar gekozen werden. Zij hadden ook lictoren, doch met staven gewapend. Naast hen vindt men in verschillende municipia duoviri aedilicia potestate.--4) Duumviri viis purgandis. Het toezicht op het schoonhouden van en het onbelemmerd verkeer in de straten van Rome buiten de muur van Servius Tullius tot aan den eersten mijlpaal was opgedragen aan duumviri. Zij worden het eerst genoemd in de lex Julia municipalis van 45. Augustus schafte dit ambt af, waarschijnlijk vóór 12, en stelde toen curatores viarum aan. Zij behoorden tot de zoogenaamde vigintisexviri (z.a.).--5) Duumviri navales classi ornandae et reficiendae, buitengewone commissarissen, in 311 voor het eerst vermeld, tot het uitrusten eener vloot.--6) Duumviri aedi faciundae, reficiundae, dedicandae, buitengewone commissarissen voor den bouw, de herstelling of de wijding van een tempel.

Dymae of Dyme, Dymai, Dyme, eene der 12 bondssteden van Achaia, aan de golf van Patras, bij de grens van Elis, later rom. kolonie. Ook eene stad in Thracia aan de via Egnatia, aan den benedenloop van den Hebrus.

Dymantis, Hecabe, dochter van Dymas.

Dymas, Dymas, 1) Phrygiër, vader van Hecabe.--2) zoon van Aegimius, stamvader der dorische Dymanes.

Dynamene, Dynamene, eene van de Nereïden.

Dyras, Dyras, riviertje in Malis, ten Z. van den Spercheus, dat oudtijds in de Malische golf uitliep. Nu is het een zijriviertje van den Spercheus.

Dyrr(h)achium, Dyrrachion, thans Durazzo, bloeiende koopstad aan de Oostkust der Adriatische zee, door Catullus taberna Adriae genoemd. De overtocht dezer zee had meestal plaats tusschen Brundisium en Dyrrachium, vanwaar dan de via Egnatia over Thermae of Thessalonice naar Byzantium voerde. In de grieksche geschiedenis heet D. Epidamnus, doch de Rom., voor wie de laatste naam een ongunstigen klank had, gaven aan de stad haar oudsten naam terug. De stad was eene kolonie van Corcyra en Corinthe (gesticht 627); de burgeroorlog, waarin de aristocratie hulp van Corcyra, de volkspartij hulp van Corinthus kreeg, was het voorspel van den peloponnesischen oorlog.

Dysaules, Dysaules, broeder van Celeüs, werd door Ion uit Eleusis verjaagd, en voerde te Phlius de eleusinische mysteriën in.

Dysorum, Dysoron oros, gebergte, met goudmijnen, ten W. van den Beneden-Strymon, in Macedonia.

Dyspontium, Dyspontion, stad in Pisatis, na de onderwerping van het landschap door de Eleërs verlaten.

E.

Ebora, rom. muncipium in Lusitania, ook Liberalitas Iulia genaamd, thans Evora.

Eboracum, Eborakon, thans York, hoofdstad der Brigantes in Britannia. De keizers Septimius Severus en Constantius Chlorus stierven te York, Constantijn de Gr. werd er tot keizer uitgeroepen.

Ebudae insulae, Eboudai nesoi, ten N.W. van Caledonia (Schotland), thans de Hebriden.

Eburodunum, hoofdstad der Caturiges (z.a.).

Eburones, Ebourones, germaansch volk in Belgica, dat langs de Maas woonde, van Namen tot Roermond, door Caesar zoo goed als uitgeroeid, omdat ze het romeinsche leger, dat in hun land overwinterde, bij den opstand van 54/53 hadden afgemaakt.

Eburovices, keltisch volk in Normandië met de hoofdstad Mediolanum (Evreux aan de Eure), een van de vier stammen der Aulerci.

Ebusus, Ebysos, thans Iviza, het grootste der Pityusen-eilanden bij Hispania. Ook de stad heette Ebusus. Zij werd in den tweeden punischen oorlog (217) door de Rom. tevergeefs bestormd.

Ecbatana, ta Ekbatana, ook Agbatana, hoofdstad van Media, zomerverblijf der perzische en later der parthische koningen. Het was terrasgewijze gebouwd tegen de helling van den boschrijken Orontesberg, en door zeven verschillend gekleurde muren omgeven. Als stichter wordt Deioces genoemd.

Ecdemus, Ekdemos, en Demophanes (v. a. Megalophanes), twee burgers van Megalopolis, leerlingen van Arcesilaus, verdreven den tyran Aristodemus uit hunne vaderstad, en hielpen Aratus in het verdrijven van Nicocles uit Sicyon. Daarna gingen zij naar Cyrene, waar zij zich door het geven van wijze wetten verdienstelijk maakten. Later keerden zij terug en wijdden zij zich aan de opvoeding van Philopoemen.

Ecdicus, ekdikos, iemand, die, wanneer eene civitas in eene provincie in rechten optrad, die civitas voor de rechtbank vertegenwoordigde. De latijnsche benaming is cognitor civitatis.

Ecetra, Echetra, sterke volscische stad in Latium, vermoedelijk door de Rom. verwoest.

Echecrates, Echekrates, van Phlius, leerling van Archytas, vriend en misschien leermeester van Plato.

Echedorus, Echeidoros, macedonische riv., die ten O. van den Axius in de golf van Thermae uitloopt.

Echemus, Echemos, koning van Arcadië, trok als bondgenoot van Atreus den Doriërs bij hun inval in de Peloponnesus tegemoet, en doodde Hyllus.

Echepolus, Echepolos, 1) Sicyoniër, die aan Agamemnon eene schoone merrie gaf, om zich los te koopen van de verplichting om mede naar Troja te gaan.--2) Trojaan, door Antilochus gedood.

Echetlus, Echetlos, een heros, op bevel van een orakel door de Atheners vereerd sedert den slag bij Marathon, waar hij als landman verschenen was, met een ploegschaar vele vijanden gedood had, en na de overwinning verdwenen was.

Echetus, Echetos, wordt in de Odyssea genoemd als een wreed koning van Epirus, die alle vreemdelingen mishandelde en zijn eigen dochter de oogen uitstak.

Echidna, Echidna, dochter van Tartarus en Gaea, of van Chrysaor en Callirhoë, een monster, half vrouw, half slang, woonde in Cilicië, was bij Typhon moeder van de Chimaera, den Cerberus (Echidneus canis), de lernaeische hydra e. a. monsters. Zij werd door den alzienden Argus in den slaap gedood.--V. s. woonde zij in het land der Scythen, en verwekte Heracles bij haar drie zonen, van welke een de stamvader der scythische koningen werd.

Echinades, Echinades, zeeëgel-eilanden, aan den mond van den Achelous vóór de kust van Acarnania gelegen, en gevormd door de sterke aanslibbing van den stroom. Volgens de mythe waren het nimfen geweest, die bij het offeren den riviergod hadden vergeten en toen met den grond, waarop zij stonden, waren losgescheurd en door den stroom een eind ver meegesleurd.

Echinos, doos waarin te Athene bij een proces de bewijsstukken enz., bewaard werden.

Echinus, Echinos, 1) stad in Acarnania aan de Ambracische golf.--2) stad in het thessalische landschap Phthiotis aan de Malische golf.

Echinus, echinos, de eierlijst aan het kapiteel eener zuil. Zie columna.

Echion, Echion, 1) een der mannen, gesproten uit de door Cadmus gezaaide draketanden, huwde diens dochter Agave, en hielp zijn schoonvader bij het bouwen van Thebae.--2) zoon van Hermes en Antianira, beroemd om zijne snelheid in het loopen, nam deel aan de calydonische jacht en den tocht der Argonauten.--3) een van de Giganten, die den hemel bestormden; Athena veranderde hem door het Medusahoofd in een steen.--4) verkeerde lezing voor Aetion, z. a.

Echionides, Pentheus, zoon van Echion no. 1.

Echo, Echo, boeotische Oreade, die Hera met haar gesnap bezig hield, wanneer Zeus de nimfen bezocht. Toen deze list ontdekt werd, ontnam Hera haar het gebruik harer tong, zoodat zij alleen de laatste woorden herhalen kan van vragen, die men tot haar richt. Zij werd verliefd op Narcissus, en daar deze haar niet beminde, kwijnde zij weg, en bleef alleen hare stem over. Bij Pan was zij moeder van Iynx.

Ecnomus mons, Eknomos lophos, kaap aan de Z. kust van Sicilia tusschen Agrigentum en Gela, waar L. Manlius Vulso in 256 de Carthagers verslagen heeft.

Ecphantides, Ekphantides, een van de oudste dichters der oude attische comedie, door zijn jongeren tijdgenoot Cratinus bespot.

Eculeus = equuleus.

Edessa, Edessa, 1) stad in het macedonische landschap Emathia, vroeger Aegae, waarvan het eerst de vóórstad was.--2) stad in Osroene, tusschen den Euphraat en den Chaboras, ook wel Osroë of Orrhoë geheeten, onder de Seleuciden Antiochia Callirrhoë genoemd naar de talrijke nabijgelegen bronnen van den Scirtus, in den keizertijd en in de kruistochten weder bekend als Edessa.

Edetani, Edetanoi, volk in Tarraconensis aan de tegenw. golf van Valencia. In hun gebied lagen de steden Valentia en Saguntum.

Edictum. Elke overheid te Rome kon binnen den kring harer ambtsbevoegdheid verordeningen maken en afkondigen, zoowel voor enkele op zichzelf staande gevallen als in het algemeen geldig voor het geheele ambtsjaar. Zoo bevatten b.v. de edicta der aedilen voorschriften omtrent markt- en handelsverkeer, openbare veiligheid en dgl. Bepalingen, die nuttig bleken te werken, werden uit den aard der zaak door de opvolgers van hunne ambtsvoorgangers overgenomen. Het belangrijkste dezer edicten is het jaarlijksch edict van den praetor urbanus en in de tweede plaats van den praetor qui inter peregrinos ius dicebat. Zulk een edictum praetoris stond voor 's praetors woning op een wit houten bord of album met zwarte letters te lezen. De strenge bepalingen van het oud-rom. ius privatum moesten mettertijd in milderen geest gewijzigd en uitgebreid worden. Wat nu de eene praetor van den anderen overnam, werd edictum perpetuum of tralaticium genoemd. Bijzondere bepalingen, in den loop van het ambtsjaar door den praetor uitgevaardigd, heetten edicta repentina. Zoo ontstond naast het oude ius civile (niet in strijd daarmede, doch daarop gegrond) het ius praetorium of honorarium, z. a. Hiernaast wordt ook vermeld het edictum aedilium curulium, aan wie de beslissing in handelsgeschillen, en dus ook het vaststellen van de bepalingen, daarop betrekking hebbende, was opgedragen.

Edoni, Edones, Edonoi, thracisch volk, door Philippus van Macedonia onderworpen. Zij woonden ten O. van den Beneden-Strymon en waren berucht door hun woesten Bacchusdienst; zie Myrcinus. Dichterlijk is Edonus = thracisch, Edonis = Bacchante.

Eetion, Eetion, 1) koning van Thebe in Mysië, vader van Andromache, met zijne zeven zonen door Achilles gedood.--2) koning van Imbrus, kocht een zoon van Priamus uit de krijgsgevangenschap vrij.--3) vader van Cypselus.

Effatum in het algemeen uitspraak, verkondiging, formulier in godsdienstzaken, o.a. het formulier, dat de augur uitsprak bij de wijding eener ruimte op aarde of aan den hemel tot templum. Vandaar de uitdrukking effari templum.

Egeria, Aeg., Egeria, Aig., orakelgevende bronnimf, die gehuwd was met Numa Pompilius, en volgens wier voorschriften Numa de godsdienstige aangelegenheden regelde; na zijn dood vluchtte zij naar Aricia, waar zij van droefheid in een bron veranderde. Zij was eene beschermgodin van Rome en werd vooral door zwangere vrouwen aangeroepen. Zij had een heiligdom voor de Porta Capena en een te Aricia.

Egesta, Egesta, bij de Rom. gewoonlijk Segesta, bij Vergilius Acesta geheeten, een oude, niet-grieksche stad op de N.W.-kust van Sicilia, volgens de latere sage door Trojanen gesticht. In de nabijheid vond men twee riviertjes, die de namen Simoïs en Scamander droegen. De strijd tusschen deze stad en Selinus gaf aanleiding tot den tocht der Atheners naar Syracusae. Egesta had de hulp der Atheners ingeroepen. Sedert 263 was het met Rome verbonden.

Egestes = Acestes.

Enkaustike, zie Encaustica.

Enkoimesis, incubatio, het slapen in den tempel van een droomorakel, waar men in den slaap door een droomgezicht antwoord meende te ontvangen op vragen aan het orakel gedaan.

Enktesis, het bij verdrag aan de burgers van twee staten toegestane recht, om in elkanders grondgebied vaste goederen te hebben; ook het goed dat men volgens dit recht in eigendom heeft.

Enkyklios paideia, agoge, het onderwijs, dat men voor beschaafden noodig achtte. Het omvatte in latere tijden grammatica, rhetorica, philosophie, rekenkunde, muziek, geometrie en astronomie.

Egnatia of Gnathia, drukke havenstad in Apulia aan de via Appia nova, ten N. van Brundisium, met slecht water.

Egnatia (via), de groote heerweg, die van Dyrrachium door Illyria, Macedonia en Thracia naar Byzantium liep. Van Rome reisde men langs den Appischen weg tot Capua, verder langs den nieuwen App. weg naar Brundisium, stak dan de Adriatische zee over naar Dyrrachium en zette den tocht langs den Egnatischen weg voort over Apollonia en Thessalonica. De weg is aangelegd na de onderwerping van Macedonia (146).

Egnatii, uit Samnium. 1) Gellius Egnatius was een der aanvoerders van de Samnieten in de samnietische oorlogen. Hij sneuvelde in 295 in den slag bij Sentinum.--2) Marius Egnatius, aanvoerder der Samnieten in den bondgenooten-oorlog. In 90 lokte hij den rom. consul L. Julius Caesar in eene hinderlaag en vernietigde bijna diens geheele leger, bij den mons Massicus. In 89 sneuvelde hij. Na den oorlog vindt men Egnatii in den rom. senaat.--3) C. Egnatius Rufus, rom. ridder, door Cicero om zijne hulpvaardigheid geprezen.--4) M. Egnatius Rufus, zeer bemind bij het volk, werd op last van Octavianus als samenzweerder ter dood gebracht (19).--5) P. Egnatius Celer, stoisch wijsgeer uit Berytus. In 69 n. C. werd hij door Musonius Rufus wegens zijne handelswijze jegens Barea Soranus (z. a.) aangeklaagd, en door den senaat veroordeeld.

Egnatuleius (C.), op wiens aansporing in 44 het vierde legioen van Antonius tot Octavianus was overgegaan, kreeg op Cicero's voorstel verlof om beneden den wettigen leeftijd naar de hooge staatsambten te mogen dingen, maar wordt later niet meer genoemd.

Eion, Eïon, havenstad van Amphipolis.--2) = Eiones.

Eiones, Eïones, stadje der Dryopes in Argolis aan den Sinus Argolicus, vroeg verwoest.

Eira = Ira.

Eirenes, te Sparta jongelieden van 20 tot 30 jaar; bij spelen en gymnastische oefeningen hadden zij het opzicht over de agelai.

Eiresione, een met wol omwonden krans van olijftakken, die, met bloemen en vruchten beladen, bij de Pyanepsia rondgedragen en aan den tempel van Apollo en ook aan particuliere huizen opgehangen werd. Ook het lied, dat daarbij gezongen werd en waarbij men giften verzocht, en in het algemeen een lied van dien inhoud.

Eisangelia, een bizondere vorm van proces te Athene, die aangewend werd bij zware misdaden en bij zulke, die voor den staat zelf gevaar schenen op te leveren. De aanklager diende een klachtbrief (eisangelia) bij den raad of de volksvergadering in, en wanneer deze aangenomen werd, werd de aangeklaagde in hechtenis genomen, hoewel hij zich in de meeste gevallen door het stellen van drie borgen daaraan onttrekken kon. Wanneer de raad den aangeklaagde schuldig bevonden had, en meende dat de hoogste boete, die hij kon opleggen (500 drachmen), als straf niet toereikend was voor de misdaad, verwees hij de zaak naar de thesmotheten of naar het volk. Aanklachten die bij de volksvergadering ingekomen waren, konde zij zelve behandelen of naar de thesmotheten verwijzen; bij misdaden, waarvoor geen straf bij de wet bepaald was, werd vóór het onderzoek vastgesteld, welke straf ingeval van veroordeeling zoude opgelegd worden. Sedert het begin der vierde eeuw bepaalde de wet, op welke misdaden de eisang. kon worden toegepast; kort daarna werd op die misdaden de doodstraf gesteld met verbod van begrafenis in Attica.--De eisangelia had in sommige gevallen, ook indien de aangeklaagde vrijgesproken werd, geen geldelijk nadeel voor den aanklager ten gevolge, zooals andere processen.

Eisagoges, een collegie van vijf rechters, die uitspraak deden in de meeste emmenoi dikai; ook worden zoo alle overheden genoemd, wanneer zij eene bij hen ingediende aanklacht na voorloopige instructie voor de rechtbank brengen.

Eisiteria, offer door de leden van den raad bij het aanvaarden hunner betrekking gebracht. Z. exiteria.

Eisphora, buitengewone belasting op het vermogen, te Athene voor het eerst door Pisistratus geheven, later vervangen door de phoroi, der bondgenooten; in den Peloponnesischen oorlog voor het eerst in 428, later in oorlogstijd dikwijls geheven. Wie die belasting niet betaalde, werd gestraft met verbeurdverklaring zijner goederen, niet met atimie, zooals andere schuldenaars van den staat. Zie ook symmoria.

Ekecheiria, zie Olympia, ta Olympia.

Ekklesia, volksvergadering. Te Athene besliste de volksvergadering over alle aangelegenheden van den staat, wanneer de wet daarover niet anders beschikt had, bijv. bij wetgeving, verkiezingen, het verklaren van oorlog en sluiten van vrede, enz. In elke prytanie werden vier gewone (tetagmenai) vergaderingen gehouden, in dringende gevallen werden ook buitengewone (synkletoi, proskletoi, katakletoi) vergaderingen beroepen. De onderwerpen, in de vergadering te behandelen, moesten door den voorzitter vooraf bekend gemaakt worden (prographein ekklesian); voor een van de gewone vergaderingen (de kyria ekkl.) waren zij bij de wet vastgesteld. De vergaderplaats was in de oudste tijden de markt, later gewoonlijk de Pnyx, nog later de schouwburg. Toegang tot de vergaderingen, recht om aan de discussies deel te nemen en stemrecht hadden alle burgers boven de 20 jaar oud, voor zoover zij niet door atimie dat recht verloren hadden. De voorzitter, oudtijds de epistates der prytanen, later die van de proedroi (z.a.), opende de vergadering met een offer en gebed en legde daarna de punten ter behandeling aan het volk voor (protithenai), die gewoonlijk begeleid werden door een praeadvies van den raad (probouleuma), waarover dan eerst gestemd werd (procheirotonia); vereenigde de vergadering zich niet daarmede, dan kon iedereen een voorstel doen, dat de voorzitter echter niet in stemming mocht brengen, wanneer het in strijd met de wet was, en waarvan iedereen de behandeling kon verhinderen door de verklaring, dat hij den voorsteller wegens de onwettigheid van het voorstel (paranomon) zoude aanklagen. De stemming geschiedde door het opsteken der handen (cheirotonein), of wanneer zij personen betrof met steentjes (psephizesthai, dikwijls ook algemeen voor stemmen gebruikt).--Tot de spartaansche volksvergadering (halia), hadden toegang alle Spartanen boven de 30 jaar oud en in het volle bezit van hunne burgerlijke rechten; in latere tijden wordt nog eene afzonderlijke vergadering van homoioi vermeld, ofschoon het niet blijkt in welke verhouding zulk eene vergadering tot de algemeene volksvergadering stond. De meeste staatszaken worden door de gerousia behandeld; wanneer het volk ter vergadering geroepen werd, had het alleen de bevoegdheid de voorstellen van de gerousia of van den koning aan te nemen of te verwerpen; veranderingen daarin te brengen of nieuwe voorstellen te doen was niet geoorloofd, zelfs had men om het woord te voeren de bizondere vergunning van den voorzitter noodig. De stemming had plaats door geschreeuw, en, ingeval de uitslag twijfelachtig was, door afzondering van voor- en tegenstemmers.

Ekklesiastikon, betaling voor het bijwonen der volksvergadering te Athene, eerst één, later drie obolen, waarschijnlijk eerst na den peloponnesischen oorlog ingevoerd. Ten tijde van Aristoteles was het ekkl. tot een drachme verhoogd, en voor de kyria ekklesia tot 9 obolen.

Ekkletos polis, een staat, waaraan twee strijdende staten met onderling goedvinden de beslechting van hun geschil opdragen.--Bij de verdragen tusschen verschillende staten was soms bepaald, dat wanneer een burger van den eenen staat in den anderen staat een proces verloor, hij bij zijn eigen staat van dit vonnis in appèl kon komen; de staat, waarbij men appelleert, wordt dan ook ekkletos polis, het proces ekkletos dike genoemd.

Ekkyklema, een machine, waardoor de achtergrond van een tooneel geopend wordt, om een huis of paleis van binnen te laten zien; v. s. een kleine houten stelling, die door de groote achterdeuren op het tooneel gerold werd, en waarop zich de personen bevonden, die voorondersteld werden in het huis te zijn.

Ekloges, te Athene buitengewone beambten, belast met het invorderen van aan den staat verschuldigde gelden, vooral die van de schatplichtige bondgenooten.

Elaea, Elaia, oude stad in aziatisch Aeolis, aan de Elaïtische golf, later haven van Pergamus.

Elaeus, g. -untis, Elaious, olijvenstad, kolonie van Teos op de punt van de thracische Chersonesus, met het grafteeken van Protesilaus, den eersten Griek, die op het trojaansch gebied aan wal sprong en tevens sneuvelde.

Elagabalus = Heliogabalus.

Elana = Aelana.

Elaphebolia, Elaphebolia, feest ter eere van Artemis in de maand Elaphebolion gevierd, waarbij haar een koek in den vorm van een hert geofferd werd.

Elaphebolion, Elaphebolion, 9de maand van het Attische jaar (Maart-April), zie annus.

Elatea, Elateia, stad en sterke burcht in Phocis, de sleutel van een bergpas naar Thessalia. Philippus van Macedonia bezette dit punt in 338, waarvan de slag bij Chaeronea het gevolg was.

Elaver, ook Elaris, Elauris, thans Allier, zijtak van den Liger (Loire), ontspringt op den mons Cebenna.

Elbo, Elbo, eiland tusschen den phatnitischen en den tanitischen Nijlmond, waar de aegyptische koning Anysis zich schuil hield voor den aethiopischen overweldiger Sabaco en later Amyrtaeus tegen den perzischen koning Artaxerxes I.

Elea, later Velia, stad in Lucania aan de Tyrrheensche zee, door vluchtelingen uit Phocaea gesticht ± 550, toen Cyrus de perzische heerschappij over de Westkust van Klein-Azië uitbreidde. Hier woonden de wijsgeeren Xenophanes, Parmenides en Zeno, de stichters der eleatische school; zie Xenophanes.

Eleatische wijsbegeerte, z. Xenophanes.

Electra, Elektra, 1) dochter van Ocanus en Tethys, moeder van Iris en de Harpyieën.--2) Pleiade, bij Zeus moeder van Dardanus en Iason.--3) zuster van Cadmus, gaf haar naam aan een van de poorten van Thebe.--4) dochter van Agamemnon en Clytaemnestra, zorgde bij den moord van haar vader, dat Orestes in veiligheid gebracht werd; toen hij terugkeerde, hielp zij hem op Clytaemnestra en Aegisthus wraak te nemen. Zij was door haar moeder aan een armen daglooner uitgehuwd, die haar echter met allen eerbied behandelde; later huwde zij met Pylades.--5) dochter van Latinus; v. s. was Remus de zoon van Italus en Electra.

Electrides insulae, Elektrides nesoi, barnsteeneilanden, zie Glaesariae insulae.

Electryon, Elektryon, zoon van Perseus en Andromeda, koning van Mycenae, gehuwd met Anaxo, vader van Alcmene. Zie Amphitryo.

Elegia, elegeia (ta), ook elegeia, een soort lyrisch gedicht, de eerste overgang van epische tot lyrische poëzie. In inhoud, wijze van behandeling, dialect en versmaat (hexameters met pentameters afwisselend, disticha) verwijdert zich de elegie oorspronkelijk niet ver van het epos. De oudste (ionische) elegieën waren krijgsliederen of behandelden de politiek, later bij de Atheners werden het meer liederen uit het dagelijksch leven, tafel-, liefde- en klaagliederen, de Alexandrijnen eindelijk kozen dezen dichtvorm bij voorkeur voor geleerde onderwerpen. Bij de Romeinen werd sedert het einde der republiek tot zeer laat van de elegie veel werk gemaakt.

Eleleides = Bacchae.

Eleon, Eleon, oude stad in Boeotia, ten O. van Tanagra.

Elephantine, Elephantine, eilandje met stad in den Nijl, op de aethiopische grenzen dicht bij Syene, onder de Perzen en Rom. een sterk bezette grenspost.

Elephenor, Elephenor, zoon van Chalcodon, vorst der Abanten, werd voor Troje door Agenor gedood.

Eleus = Elaeus.

Eleusinia, Eleusinia, eleusinische mysteriën, groote feesten en plechtigheden ter eere van Demeter en Persephone, die hier Cora heette, waarbij reeds vroeg Dionysus onder den naam Iacchus werd opgenomen. De mysteriën dienden ter herinnering aan den zwerftocht van Demeter na den roof harer dochter en zouden door die godin zelve ingesteld zijn, toen zij op dien tocht te Eleusis gastvrij ontvangen werd. Evenals men in het verdwijnen en herrijzen van Persephone eene mythische voorstelling zag van het schijnbaar sterven en herleven der natuur, zoo werden ook de eleusinische plechtigheden op twee tijden van het jaar gevierd, de groote ter herinnering aan Persephone's afdalen naar de onderwereld in den herfst, de kleine ter viering van hare terugkomst op aarde in de lente. De groote mysteriën begonnen den 15den Boëdromion en duurden verscheiden dagen. De eerste vijf waren gewijd aan offers, reiniging, enz.; de voornaamste dag was echter de zesde, Hiakchos genaamd, wanneer een optocht van Athene naar Eleusis gehouden werd, waaraan soms meer dan 30.000 menschen, allen bekranst, deel namen; daar men dikwijls halt maakte en de reis meermalen gestoord werd door allerlei scherts en plagerij, was het nacht, voordat men aan de plaats zijner bestemming gekomen was. Daar werden dan fakkeldansen uitgevoerd en heilige liederen gezongen, alles ter herinnering aan Demeter, haar smart bij het missen en haar vreugde bij het vinden harer dochter. De eigenlijke geheime feestviering had in een tempel (mystikos sekos) plaats. Wat daar gebeurde, is niet in bizonderheden bekend; slechts zooveel kan men uit de uitdrukkingen van oude schrijvers daaromtrent opmaken, dat het lot van Persephone op zeer indrukwekkende wijze dramatisch werd voorgesteld (deze voorstellingen heeten dromena); zonder dat er eenig bepaald dogma verkondigd werd, moest bij de ingewijden, door wat zij zagen en mede ondervonden, de hoop opgewekt worden, dat ook zij eens, evenals de godin, uit het rijk van dood, duisternis en verschrikking verlost zouden worden. Na afloop van het sombere gedeelte der plechtigheid werd het daarmede verbonden vasten gebroken door het gebruik van een drank kykeon, bereid uit water, meel en prij, terwijl het geheele feest besloten werd door de plemochon, waarbij men uit bijzondere schalen naar oost en west water plengde. Om de vijf jaar werden de mysteriën met meer dan gewonen luister gevierd, en naar het schijnt waren er soms ook feestspelen mede verbonden.--De kleine mysteriën werden in de maand Anthesterion in de voorstad Agrae gevierd en stelden het mystisch huwelijk tusschen Persephone en Iacchus voor.--De mysteriën waren oorspronkelijk alleen voor Eleusiniërs, later ook voor Atheners, vervolgens voor alle Grieken toegankelijk, eindelijk werden ook barbaren ingewijd, mits een atheensch burger (mystagogos) hen inleidde. Gewoonlijk ontving men de eerste wijding bij de kleine mysteriën; alsdan mocht men de groote nog in hetzelfde jaar als mystes bijwonen, eerst het volgende jaar werd men echter epoptes, en mocht men als zoodanig ook bij de geheime plechtigheden tegenwoordig zijn.--De feesten stonden onder het toezicht van den archon basileus, en werden geleid door verschillende priesters, waarvan de voornaamste de hierophantes was; op hem volgden de dadouchos, hierokeryx en epibomios.--Lang stonden de eleusinische mysteriën bij de Grieken in hoog aanzien. Zij werden opgeheven bij besluit van Theodosius den Gr., nadat reeds kort te voren de tempels en andere heilige gebouwen door dweepzieke monniken in het gevolg van Alarik verwoest waren.

Eleusis, g. -inis, Eleusis, 1) stad in Attica nabij de grenzen van Megaris. De stad was beroemd door hare mysteriën ter eere van Demeter en Persephone, zie Eleusinia. De weg van Athenae naar Eleusis heette hiera hodos. Eleusis had met Brauron den naam van polis.--2) oude stad in Boeotia, aan den zuidelijken oever van het meer Copaïs, vroeg te gronde gegaan door de overstroomingen van het meer.

Eleutherae, Eleutherai, demus van Attica op de boeotische grenzen.

Eleutheria, 1) feest ter eere van Zeus Eleutherius om de vijf jaar te Plataeae gevierd, ter herinnering aan den gelukkigen afloop van de perzische oorlogen.--2) feest op Samus.--3) huiselijk feest door vrijgelaten slaven gevierd.

Eleutherocilices, Eleutherokilikes, rooversstam op den Amanus en den Taurus, die zich den naam van vrije Ciliciërs gaven. Hoofdstad: Pindenissus, bergvesting.

Eleutho, Eleutho = Ilithyia.

Elfmannen, zie Hendeka.

Elicius, bijnaam aan Jupiter gegeven als regengod; men trachtte in tijden van droogte door een processie (het aquaelicium) van blootvoets gaande matronae met loshangende haren, en van de ambtenaren zonder teekenen hunner waardigheid, van Jupiter Elicius regen af te smeeken; hierbij werd ook de regensteen, lapis manalis door de priesters onder gebeden medegevoerd. Later heeft men J. El. vereenzelvigd met den bliksemgod, en meende men, hem door zekere formules te kunnen dwingen den bliksem uit den hemel naar beneden te zenden; hij had een tempel op den Aventinus, door Numa gebouwd.

Elimea, Elimia, -iotis, Elimeia, Elimia, -iotis, landschap van Macedonia, in het zuiden, op de thessalisch-epirotische grenzen. Hoofdstad: Elima.

Elimberris (Climberris), hoofdstad der Ausci, in Aquitania, zie Ausci.

Elis, Elis, Eleia, het meest westelijke gewest der Peloponnesus, in vier deelen verdeeld: Elis propria in het N.W., Acrorea in het N.O., Pisatis met de hoofdplaats Pisa, in het midden, en Triphylia, het land der drie stammen: Caucones, Paroreatae, en Minyae, in het Z.--De stad Pylus Triphyliacus was v. s. de woonplaats van den grijzen Nestor. In Pisatis lag Olympia, aan den Alpheus, de beroemde schouwplaats der olympische spelen. Uithoofde dezer spelen was Elis aan Zeus Olympius geheiligd en onschendbaar en mocht door geene vijandelijke legers betreden worden; tot op den peloponnesischen oorlog werd deze onschendbaarheid geëerbiedigd. Om dezelfde reden had ook de stad Elis, aan den Peneus gelegen, geene muren. Oudtijds was Elis door Epeërs bevolkt; bij de dorische verhuizing viel het ten deel aan den Aetoliër Oxylus en uit de samensmelting van Epeërs, Aetoliërs en Doriërs ontstonden de Eleërs. De dorische naam van het land is Alis. In Elis behooren de mythen te huis van Pelops en de schoone koningsdochter Hippodamia en van den Augiasstal en den stroom Alpheus.

Elisa, Elissa = Dido.

Elison, Elisson, Elisa, beek, grens tusschen Elis propria en Pisatis.

Elische school, z. Phaedo.

Ellopia, Ellopia, 1) stad en kustland in het N. van Euboea, daarom ook = Euboea.--2) oude naam der omstreken van Dodona in Epirus.

Elmantica = Salmantica.

Elone, Elone, stad in het thessalische landschap Perrhaebia, later Limone, Leimone.

Elorus, Eloros, Heloros, zie Helorus.

Elpenor, Elpenor, een van de tochtgenooten van Odysseus, viel in dronkenschap van het dak van Circe's paleis en brak den nek. Odysseus ontmoette hem later in de onderwereld.

Elymais, Elymaïs (Elâm), landstreek in Susiane, bewoond door de krijgshaftige Elymaeërs, die als boogschutters in het O. grooten naam hadden.

Elymi, Elymoi, sicilische volksstam, die rondom den berg Eryx woonde, verbonden met de Carthagers.

Elymia, Elymia, stad in Arcadia, ten Z. van Orchomenus.

Elymiotis = Elimea.

Elimus, Elymos, zoon van Priamus of Anchises, vluchtte uit Troje naar Sicilië en werd de stamvader van de Elymi (z. a.).

Elysii of Elisii, germaansche volksstam tot de Lugii behoorend, in het N.O. van Germania, vermoedelijk aan den bovenloop van de Oder.

Elysium, Elysion pedion, een veld aan het uiterste einde der aarde, waarheen lievelingen der goden zonder te sterven verplaatst worden om er een zalig leven te leiden. Volgens lateren is het een deel van de onderwereld, waar de braven na hun dood verblijf houden.

Emancipatio. Hoewel volgens het rom. recht een vader krachtens zijne patria potestas zijne kinderen kon verkoopen, zoo had dit recht toch zijne grenzen. Hij kon zijn zoon niet vaker verkoopen dan driemaal, overeenkomstig de wet der 12 tafelen. Hiervan maakten de Rom. gebruik om een zoon van de patria potestas te ontslaan. De vader verkocht zijn zoon per aes et libram ten overstaan van een libripens en vijf getuigen door een schijnkoop aan een pater fiduciarius (zie fiducia). Deze liet echter den zoon weder vrij, zoodat deze weder onder de vaderlijke macht terugkeerde. Wanneer deze handeling nu driemaal herhaald was, was de vaderlijke macht verbroken. De pater fiduciarius gaf den zoon ten derde male aan den pater naturalis terug, doch deze had hem nu niet meer in potestate, doch slechts in mancipio en kon hem hiervan vrij verklaren, manumittere, waardoor hij sui iuris werd.

Emathia, Emathia, landschap van Macedonia ten W. van den Axius (Vardar), de bakermat van het macedonisch koningshuis. Dichterlijk is Emathia zoowel = Macedonia als = Thessalia.

Emathides, Emathides, negen dochters van Pierus, koning van Emathia, die met de Muzen een wedstrijd durfden aangaan en in eksters veranderd werden.

Emathion, Emathion, zoon van Tithonus en Eos, koning van Arabië, werd door Heracles gedood.

Embades, schoenen, meestal door mannen uit de lagere standen gedragen.

Embaterion, 1) bij de Spartanen de muziek, die bij het marcheeren geblazen werd, ook een anapaestisch lied, dat men op marsch zong.--2) offer, voordat men zich inscheepte.

Emblemata, 1) inlegwerk, (in tegenstelling met crustae z. a.) goud in zilver, of zilver in brons, waarvan de figuren "en relief" zijn.--2) mozaiek.

Emerita Augusta = Augusta Emerita.

Emesa, Emesa, stad in Syria, aan den Orontes, met een prachtigen zonnetempel, waar Heliogabalus opperpriester was, voordat hij romeinsch keizer werd. Alexander Severus was te Emesa geboren. In de nabijheid werd Zenobia van Palmyra in 272 na C. door Aurelianus verslagen.

Emmeleia, dans in het grieksche treurspel, waarschijnlijk meer een gebarenspel, waardoor de inhoud der koorzangen aanschouwelijk voorgesteld werd.

Emmenidae, Emmenidai, een adellijk geslacht te Gela en Agrigentum; na den dood van den tyran Phalaris hadden zij te Agrigentum de regeering in handen. De beroemdste van hen was Theron, wiens zoon Thrasydaeus om zijne wreedheid verdreven werd (470). Hun stamvader was, naar zij beweerden, Polynices.

Emmenoi dikai, te Athene processen, waarin binnen dertig dagen na de aanklacht uitspraak gedaan moest worden.

Emodi montes, Emodon oros. De Emodi montes en de Imaus, Imaos, der ouden grensden aan elkander, zonder dat men echter een juist begrip van de ligging had. Vermoedelijk vormen de Emodi montes het westelijk, de Imaus het oostelijk gedeelte van het Himalaya-gebergte.

Emona, stad in Pannonië aan den Nauportus (zijtak van den Savus), tgw. Laibach. Bij latere schrijvers wordt de stad gerekend tot Italië te behooren.

Empedocles, Empedokles, van Agrigentum (492-432), uit een aanzienlijk en rijk geslacht, wierp als een van de leiders der volkspartij de aristocratische regeering in zijne vaderstad omver (444), weigerde de hem aangeboden koninklijke waardigheid en voerde eene zuivere democratie in. Als staatsman, natuur- en geneeskundige, wijsgeer en redenaar uitmuntend, werd hij als een gunsteling der goden beschouwd en na zijn dood als heros vereerd. Op het einde van zijn leven ging hij naar de Peloponnesus, en het schijnt dat hij buiten zijn vaderland gestorven is; ook verhaalde men dat hij, om door zijne plotselinge verdwijning indruk te maken, in den Aetna sprong, en dat dit later verraden werd, doordat de berg een van zijne sandalen uitbraakte.--In zijne leerdichten, peri physeos en katharmoi, waarvan nog verscheiden fragmenten bestaan, verkondigt hij de eeuwigheid en onvergankelijkheid der stof; hij neemt vier stoffelijke elementen (rhizomata) aan: vuur, lucht, aarde en water, waarop twee ideale elementen, liefde en haat, inwerken; onder de heerschappij der liefde is alle stof vereenigd tot ééne massa of chaos (sphairos), heeft de haat alle macht, dan bestaan alle stofdeeltjes afzonderlijk, tusschen deze beide uitersten ligt het leven van individuën. Ontstaan en vergaan zijn dus ijdele woorden, er is slechts vereeniging (mixis) en scheiding (diallaxis). De ziel is een mengsel van alle elementen en is daardoor in staat alle te kennen. Ook de leer van de zielsverhuizing schijnt Empedocles van Pythagoras of de Orphici te hebben overgenomen.

Emporia, ta Emporia, landstreek in Africa aan de kleine Syrte, zeer vruchtbaar en reeds vroeg met phoenicische koloniën bezet.

Emporium, Emporiae, Emporion, Emporiai, kolonie van Massilia in het gebied der Indigetes, aan den O. uithoek der Pyrenaeën, tegenwoordig Ampurias.

Emptio venditio (zonder et), koop en verkoop. Emptio bonorum, zie bonorum emptio. Emptor familiae, de schijnkooper, zie fiducia.

Empulum, stadje in Latium, bij Tibur.

Empyromanteia, de kunst van waarzeggen uit het branden van het offervuur, het eerst, naar het heette, onderwezen door Amphiaraus.

Empusa, Empousa, een spook of menschenetend monster met ezelspooten, waarmede men kinderen bang maakte.

EN = Dies endotercisus, z. Festi (dies).

Enagonios, bijnaam van verscheiden goden als beschermers van wedstrijden, vooral van Hermes.

Enarete, Enarete, dochter van Deïmachus, gemalin van Aeolus no. 1.

Encaustica, n.l. ars, enkaustike (techne), de kunst om met kleuren te schilderen, welke met was waren aangemengd en vervolgens op het beschilderde voorwerp voorzichtig werden ingebrand. Op die wijze werden marmeren beeldwerken en ook architectuurstukken beschilderd. Men kreeg op deze wijze levendige, schitterende kleuren, doch men schijnt nog niet achter de bizonderheden der bewerking te zijn. Ook het inbranden van figuren in ivoor met eene heet gemaakte graveerstift wordt encaustiek genoemd. Voorbeelden van encaustiek op hout zijn de portretten, die men in late aegyptische graven gevonden heeft.

Enceladus, Enkelados, een der Giganten, die met de goden streden; hij werd overwonnen en ligt sedert onder den Aetna.

Encheleis, Encheleis, een volksstam in zuidelijk Illyrië.

Endeis, Endeis, dochter van Chiron, gemalin van Aeacus, moeder van Peleus en Telamon.

Endeixis, in het attisch recht een vorm van aanklacht, ten gevolge waarvan de aangeklaagde terstond in hechtenis genomen werd, tenzij hij borgen stelde. Dit geschiedde bijv. wanneer een onbevoegde zich burgerlijke rechten aangematigd had en in sommige gevallen bij moord.

Endotercisi (intercisi) dies, zie Festi (dies).

Endromis, endromis. Bij de Rom. beteekent dit woord een grof wollen deken, die men na lichaamsoefeningen omsloeg, ten einde geen koude te vatten. De endromis Tyria was van fijnere stof. Bij de Grieken echter is endromis eene sterke, van voren dichtgeregen jachtlaars, waarmede Artemis dikwijls werd afgebeeld, en die kuit en voet omsloot, maar de teenen bloot liet.

Endymion, Endymion, zoon van Zeus of Aëthlius en Calyce, koning van Elis, had bij Selene vijftig dochters; zijn graf was te Olympia.--V. a. was hij een Cariër of van Elis naar Carië gegaan en leefde hij daar op den berg Latmus. Selene beminde hem en steeg elken nacht van haar wagen af om hem in zijn slaap te beschouwen en te kussen, waarom hij tot Zeus bad dat hij eeuwig slapen en eeuwig jong blijven mocht, wat hem werd toegestaan.--Andere verhalen noemen Artemis in plaats van Selene en maken van End. een jager of herder.

Enechyrasia of enechyrasmos, het beslag leggen op goederen van iemand, die na veroordeeling verzuimde op den bepaalden termijn te betalen.

Engyum of Engyïum, Engyon, Engyion, stad in het binnenland van Sicilia, ten Z. van Apollonia, met een tempel der Magna Mater of, volgens andere schrijvers, van de theai meteres.

Enipeus, Enipeus, rivier in Thessalia, zijtak van den Apidanus. De riviergod werd bemind door Tyro, dochter van Salmoneus; Poseidon nu nam de gedaante aan van Enipeus en verwekte bij Tyro twee zoons, Pelias en Neleus. De mythe wordt ook verplaatst naar den Enipeus in Elis, een zijtak van den Alpheus. Een derde rivier van denzelfden naam in Macedonië ontspringt op den Olympus en stroomt bij Dium (no. 3) in zee.

Enispe, Enispe, oude stad in Arcadia, vroeg verdwenen.

Enna of Henna, Enna, oude stad der Siculi in het binnenland van Sicilia, ho omphalos Sikelias geheeten, afhankelijk van Syracusae, op een steile hoogte in eene zeer vruchtbare landouw gelegen, waar veel tarwe verbouwd werd. Daarom was de stad met haren omtrek aan Demeter geheiligd. In den sicilischen slavenopstand onder Eunus, die in 132 onderdrukt werd, was Enna het brandpunt. Hier laat de mythe Proserpina door Pluto schaken. Tegenwoordig is de streek dor en woest.

Ennaëteris, Ennaeteris, astronomische cyclus van acht jaar, met 96 maanden en 3 schrikkelmaanden = 2922 dagen, ingevoerd door Cleostratus van Tenedus.--Ook feesten, die om de acht jaar gevierd worden, heeten enneaterides.

Enneakrounos, zie Callirrhoë no. 5.

Ennea hodoi, naam der streek, waar later Amphipolis werd gesticht.

Ennius (Q.), rom. dichter, in 239 te Rudiae in Calabria geboren, Griek door opvoeding en reeds vroeg met de grieksche letterkunde bekend. M. Porcius Cato Maior vond hem in 204 als rom. soldaat op Sardinia, merkte zijn talent op en nam hem naar Rome mede. Dáár verwierf Ennius zich de vriendschap van verschillende aanzienlijke Rom., o.a. van de Scipiones en de Fulvii Nobiliores, door wier toedoen hij in 184 onder de rom. burgers werd opgenomen. Hij stierf in 169. De Rom. zagen in Ennius den schepper hunner nationale poëzie. Zijn voornaamste werk zijn zijne Annales, in 18 boeken, eene doorloopende rom. geschiedenis in verzen, en wel niet in de oude, harde saturnische, maar in epische versmaat. Hij was de eerste, die den dactylischen hexameter op het Latijn toepaste. Vooral Vergilius heeft voor zijne Aeneis aan Ennius zeer veel ontleend. Ook schreef E. naar grieksche voorbeelden een aantal treurspelen, benevens andere gedichten van gemengden inhoud, vooral Saturae (4 boeken), en in proza een vertaling van de hiera anagraphe (sacra historia) van Euhemerus (z. a.). Ten onrechte hebben sommige schrijvers verteld, dat hij in het familiegraf der Scipio's begraven is.

Ennomus, Ennomos, 1) Mysiër, bondgenoot der Trojanen, beroemd als vogelwichelaar.--2) Trojaan, door Odysseus gedood.

Ennosigaios, aardschudder, bijnaam van Poseidon.

Enodios, Enodia, op de wegen vertoevend, bijnaam van Hermes, Artemis, Hecate en Persephone.

Enomotia, afdeeling van het spartaansche leger, het zestiende deel van eene mora, bestaande uit 25, 32 of 36 man.

Enope, Enope, oude stad in Messenia, later Gerenia genoemd.

Enosichthon = Ennosigaios.

Entasis is de zwelling of verdikking, die men in het midden van de dorische zuil opmerkt, en die het denkbeeld moet wekken, dat de zuil iets zwaars te dragen heeft, zie columna.

Entella, Entella, stad aan den Crimisus in het W. van Sicilia, in het gebied der Elymi.

Entimus, Entimos, Cretenser, die eene kolonie naar Gela op Sicilië bracht.

Entoria, dochter van een rom. landman, werd bij Saturnus, die bij haar vader zijn intrek genomen had, moeder van vier zonen. Saturnus leerde haar vader wijn bereiden, en toen deze zijn buren van den nieuwen drank gegeven had, en zij daardoor bedwelmd werden, meende men dat hij hen vergiftigd had en steenigde men hem. Daarom hingen zijne kleinzonen zich op. Een latere hongersnood werd als een straf van den god beschouwd, en om hem en zijne zonen te verzoenen, bouwde Lutatius Catulus aan de tarpeïsche rots een tempel voor Saturnus met een altaar met vier aangezichten. Dit verhaal is een late nabootsing van de sage van Erigone, zie Icarius.

Enyalius, Enyalios, bijnaam van Ares, v. a. een krijgsgod, zoon van Ares en Enyo.

Enyo, Enyo, 1) eene oorlogsgodin, die Ares in den oorlog vergezelde; te Athene stond haar beeld in den tempel van dien god. De Rom. hielden haar voor dezelfde als Bellona.--2) een van de Graeae.--3) cappadocische godin, = Rhea Cybele of Artemis.

Eora, z. Erigone.

Eordaea, Eordaia, stad en landschap in het hart van Macedonia, ten W. van den mons Bermius, bewoond door de Eordi, Eordoi.

Eos, Eos, dochter van Hyperion en Thea, de rozenvingerige (rhododaktylos), in saffraankleurige kleederen gehulde (krokopeplos) godin van het morgenrood, stijgt des morgens vroeg uit den Oceaan op en brengt aan goden en menschen het daglicht, terwijl zij voor haar broeder Helius uit rijdt; later wordt zij godin van den dag genoemd. Zij was gehuwd met Astraeus, bij wien zij moeder werd van de winden en sterren; nadat hij in den Tartarus geworpen was, schaakte zij achtereenvolgens Orion, Tithonus, Clitus en Cephalus. Een eeredienst had zij niet. Bij de Rom. is zij dezelfde als Aurora, die echter eene dochter van den zonnegod genoemd wordt.

Epacria, Epakria = Diacria.

Epangelia dokimasias, de verklaring, in de atheensche volksvergadering, soms onder eede, afgelegd, dat men van plan was dengene, die zich gereed maakte tot het volk te gaan spreken, wegens eene crimineele handeling aan te klagen; zulk eene verklaring schokte natuurlijk het vertrouwen van het volk in den spreker, maar moest ook door de aangekondigde aanklacht gevolgd worden.

Epaminondas, Epameinondas, Thebaan, zoon van Polymnis, uit een arm maar edel geslacht, geb. omstreeks 418. Met den grootsten ijver legde hij zich toe op alles, wat tot de ontwikkeling van lichaam en geest konde dienen; vooral schepte hij behagen in het onderwijs van den pythagoreïschen wijsgeer Lysis, die, uit Tarente gevlucht, in het huis van Ep. eene schuilplaats vond. Bescheiden en zelfverloochenend, in het staatkundige vervuld van een ideaal, dat hoog boven het streven der twistende partijen in zijne vaderstad stond, vervulde hij lang eene betrekkelijk onbeduidende rol; afkeerig van burgertwisten, nam hij ook geen deel aan de samenzwering van zijn vriend Pelopidas, die in 379 een einde maakte aan de spartaansche overheersching en de oligarchische regeering; toen echter de vrijheid heroverd was, trad Ep. op den voorgrond. Hij bewerkte, dat de omwenteling bij de burgerij krachtigen steun vond, dat de gevallen partij niet te veel van de wraak der overwinnaars te lijden had, en dat de meeste boeotische steden zich bij Thebe aansloten. Als gezant bij de vredesonderhandelingen te Sparta (371) weigerde hij toe te stemmen in de oplossing van den boeotischen bond; toen de oorlog hervat werd, behaalde hij als boeotarch de schitterende overwinning bij Leuctra (371), die men grootendeels te danken had aan de door Ep. uitgevonden scheeve slagorde (loxe phalanx), waarin de linker vleugel veel diepere opstelling had dan de rechter en het centrum en, tegen de in gr. legers heerschende gewoonte, met den eigenlijken aanval belast was (z. Taxis). Een gevolg van deze overwinning was, dat de meeste peloponnesische staten van Sparta afvielen, en in het volgende jaar trok Ep. zelf met een groot leger naar de Peloponnesus, ten einde eenheid tusschen die staten tot stand te brengen; hij dringt tot Sparta zelf voorwaarts en bewerkt het herstel van Messenië en de stichting van Megalopolis door de Arcadiërs. In 368 werd Pelopidas verraderlijk door Alexander van Pherae gevangen genomen en de Thebanen zonden een leger om hem te bevrijden; toen dit leger door onbekwaamheid van den aanvoerder in gevaar geraakt was, verlangde het dat Ep., die als gewoon soldaat aan den tocht deelnam, het opperbevel zou in handen nemen; hij leidde den terugtocht en bij een tweede expeditie dwong hij Alexander zich aan de eischen van Thebe te onderwerpen. Ook wendde Ep. pogingen aan om zijne vaderstad tot eene zeemogendheid te verheffen, die echter zonder gevolg bleven. Besluiteloosheid bij de peloponnesische bondgenooten en de moeielijkheid hen op den duur tot eendrachtige samenwerking te bewegen, noodzaakten Ep. nog herhaaldelijk tot tochten naar de Peloponnesus, het laatst in 362, toen hij weder zeer nabij Sparta kwam; daar hij echter zag, dat men daar op zijne komst voorbereid was, trok hij terug tot Mantinea, waar het tot een slag kwam. Ep. behaalde weder de overwinning en joeg het geheele vijandelijke leger op de vlucht, maar werd doodelijk gewond. Met hem eindigde de kortstondige grootheid van Thebe.

Epaphroditus, Epaphroditos, 1) geleerd grammaticus, zeer bevriend met Flavius Josephus, kwam onder Nero naar Rome en leefde er tot de regeering van Nerva; hij schreef commentaren op oude grieksche dichters.--2) geheimschrijver van Nero, wien hij bij zijn zelfmoord behulpzaam was, daarom werd hij (in 95) door Domitianus ter dood veroordeeld.

Epaphus, Epaphos, zoon van Zeus en Io, werd koning van Aegypte en stichter van Memphis.

Eparitoi, heette het gemeenschappelijk leger der Arcadiërs, toen de arcadische steden na den slag bij Leuctra tot een bond vereenigd waren.

Epei, Epeioi, oude volksstam uit Thessalia, die lang vóór den trojaanschen oorlog naar Aetolia was getrokken en zich later in het N. van Elis had gevestigd. Zie Elis.

Eperatus, Eperatos, van Pharae, opvolger van Aratus als strateeg van het achaeisch verbond.

Epetium, stad in Dalmatia, ten Z. van Salona.

Epeus, Epeios, 1) zoon van Endymion, was overwinnaar in den wedloop, dien hij op bevel van zijn vader te Olympia met zijne broeders hield, en kreeg daardoor de regeering over Elis.--2) zoon van Panopeus, van een van de Cycladen, een van de strijders tegen Troje, beteekende weinig als krijgsman, maar was beroemd als vuistvechter en als maker van het houten paard van Troje. In latere verhalen wordt hij als verachtelijk laf voorgesteld; v. s. zou hij naar Italië gekomen zijn en Pisa en Metapontum gesticht hebben.

Ephebos, jong mensch die den huwbaren leeftijd bereikt heeft, tusschen knaap en man. Te Athene werden de knapen op hun 18de jaar epheboi, na twee jaar (epi dietes hebesantes) dienstplicht als grenswacht (peripoloi), werden zij op hun 20ste jaar meerderjarig, kregen zij toegang tot de volksvergadering en traden zij in den geregelden krijgsdienst. Het kenteeken der epheboi is kort geschoren haar, terwijl kinderen en mannen het haar lang dragen.

Ephedros, degene die, bij een wedstrijd waarvoor zich een oneven aantal mededingers hebben aangegeven, bij de loting geen tegenpartij gekregen heeft, en dus afwacht totdat hij, door het afvallen der overwonnenen, gelegenheid krijgt aan den strijd deel te nemen.

Ephesia, Ephesia, feest ter eere van Artemis te Ephesus in de maand Artemision gevierd. Hieraan namen alle Ioniërs van Klein-Azië deel. Er werden agones hippikoi, gymnikoi en moosikoi gehouden. In later tijd was hieraan een nachtelijk feest verbonden, dat berucht was wegens zijne onzedelijkheid en niet toegankelijk was voor getrouwde vrouwen.

Ephesiae literae, Ephesia grammata, onverstaanbare woorden, ingegrift op het beeld der ephesische Artemis; deze woorden werden op metalen plaatjes of steenen gegraveerd, die dan als amuletten groote waarde hadden.

Ephesis, hooger beroep, van een vonnis der heliastenrechtbank was alleen in geval van veroordeeling bij verstek geoorloofd; van een scheidsrechterlijk vonnis (zie diaitetes) kon men bij de Helaea apelleeren tegen storting van zekere som als parabolon.

Ephestris, omslagdoek of mantel, bij koud weder door mannen en vrouwen gedragen.

Ephesus, Ephesos, na de tuchtiging van Miletus de voornaamste der 12 ionische bondssteden op de aziatische kust, aan den mond van den Cayster. Volgens de mythe was de stad oorspronkelijk gesticht door Amazonen. Het was in elk geval een vóór-Grieksche stad (met de opgravingen zijn vele myceensche vondsten voor den dag gekomen), door de Cariërs gesticht. In ongeveer 1100 hebben de Ioniërs onder Androclus er bezit van genomen. De stad was beroemd door haren Artemis-tempel, die voor een van de zeven wonderen doorging. Omtrent den dienst van deze Artemis zie men Artemis aan het einde. In 356, juist in den nacht van Alexanders geboorte, stak Herostratus, om zijn naam te vereeuwigen, den tempel in brand; doch deze herrees nog prachtiger dan te voren. Lysimachus vergrootte de stad in 268 en legde een nieuwe haven aan, daar de oude dicht geslibd was door de aanslibbingen van den Cayster; maar haar toppunt van bloei bereikte zij onder de rom. keizers als hoofdstad der provincie. Ephesus dreef voortdurend een levendigen handel en was de voornaamste stapelplaats van Klein-Azië. De wijsgeer Heraclitus (± 510) was hier geboren.

Ephetai, een rechterlijk collegie te Athene, v. s. door Draco ingesteld, v. a. veel ouder. De 51 epheten moeten meer dan 50 jaar oud zijn; zij waren in 3 gerechtshoven verdeeld, en spraken recht over moord in alle gevallen, die niet volgens de wet voor den Areopagus moesten gebracht worden.

Ephialtes, Ephialtes, 1) een van de Aloaden, z. Aloadae. V. a. een van de Giganten, door Heracles en Apollo van zijne oogen beroofd.--2) een daemon, die als nachtmerrie de menschen kwelt.--3) een Thessaliër, die bij de Thermopylae aan Xerxes een bergpas verried, waardoor hij Leonidas in den rug konde vallen. Door de Amphictyonen vogelvrij verklaard, werd hij later gedood.--4) Athener, vooral bekend door zijne maatregelen tot inkrimping van de macht van den Areopagus. Bij de voorbereiding van die maatregelen werd hij door Pericles ondersteund; korten tijd nadat zijne voorstellen waren aangenomen (462), werd hij vermoord. Zijne braafheid en belangeloosheid worden dikwijls hoog geroemd.--5) atheensch demagoog, bestrijder der macedonische partij. Toen Alex. na de verwoesting van Thebe zijne uitlevering eischte (335), vluchtte hij naar Azië, en bij het beleg van Halicarnassus sneuvelde hij.

Ephori, ephoroi, 1) vijf spartaansche overheden, wier bevoegdheden, oorspronkelijk waarschijnlijk tot een of ander onderdeel van het staatsbestuur beperkt, zich in den loop der tijden zoo uitbreidden, dat zij de overige magistraten, ook de koningen, ter verantwoording konden roepen en hun zelfs geldboeten konden opleggen; zijzelf waren eerst bij het neerleggen van hun ambt aan hunne opvolgers rekening en verantwoording schuldig. Zoo kregen zij van zelf ook eene groote politieke macht, die eindelijk zoo ver ging, dat zij het toezicht hadden op het naleven der wetten, op zeden en tucht, dat zij volksvergaderingen bijeenriepen en er voorstellen deden, dat zij beslisten over het al of niet toelaten van vreemde gezanten, enz.--De ephoren bekleedden hun ambt een jaar; zij werden oudtijds door de koningen benoemd, later door het volk verkozen. Het ephoraat is v. s. reeds door Lycurgus, v. a. eerst door Theopompus ingesteld; misschien heeft laatstgenoemde den ephoren bij de wet de groote macht toegekend, die zij later bezaten, en waardoor zij als de aangewezen vertegenwoordigers der volksvergadering een tegenwicht vormden tegen koningen en gerusia, zooals bij de wetgeving van Lycurgus bezwaarlijk bedoeld kan zijn. Daarom verzetten zij zich tegen den door Agis III bedoelden terugkeer tot de instellingen van Lycurgus; daarom begon ook Cleomenes III zijne hervormingen met de afschaffing van het ephoraat, dat na zijne nederlaag bij Sellasia echter hersteld werd.--2) een geheim comité van vijf personen, door de oligarchische clubs te Athene na den slag bij Aegospotami aangewezen om voor hunne belangen te waken en de verdediging der stad tegen Lysander te belemmeren.

Ephorus, Ephoros van Cumae in Aeolis, leerling van Isocrates, de eerste schrijver eener algemeene geschiedenis. Deze liep van de terugkomst der Heracliden tot het jaar 356; zij werd door zijn zoon Demophilus voortgezet tot 340, en uitgegeven in 30 boeken, waarvan slechts weinige fragmenten bewaard gebleven zijn. Wegens de wijze, waarop hij zijn stof behandelt, wordt hij soms de voorlooper van Polybius genoemd. Zijn werk werd door de ouden zeer verschillend beoordeeld en door Diodorus Siculus veel gebruikt; Diyllus e. a. schreven vervolgen erop.

Ephyra, Ephyra, oude naam van het latere Corinthus (z. a.), van eene stad in Thessalia (later Crannon), in Epirus (later Cichyrus geheeten, dicht bij de kust, hoofdstad van de thesprotische vorsten), in Aetolia, in Elis (later Oenoë).

Epibomius, Epibomios, titel van een der priesters bij de eleusinische mysteriën.

Epialtes, z. Ephialtes no. 2.

Epicaste, Epikaste, 1) = Iocaste.--2) dochter van Calydon, echtgenoote van Augias.--3) dochter van Augias, moeder van Thessalus.

Epicharis, Epicharis, vrijgelaten slavin, die in de samenzwering van Piso tegen keizer Nero betrokken was, doch zelfs door de pijnbank niet tot bekentenis kon gedwongen worden, en toen zij ten tweede male zou gepijnigd worden, zich met haar gordel wurgde.

Epicharmus, Epicharmos, van Cos, geb. 540, kwam reeds jong naar Sicilië, leefde te Megara en, toen deze stad verwoest was, te Syracuse aan het hof van Hiero, waar hij in 460 stierf. In zijn jeugd hield hij zich veel bezig met wijsbegeerte, later wijdde hij zich echter uitsluitend aan de poëzie en werd hij de eigenlijke schepper der dorisch-sicilische comedie. Hij schreef 35 stukken, waarvan slechts enkele fragmenten nog bestaan. Zijn fort is de mythologische travestie, zooals blijkt uit de namen zijner stukken, zooals Bouseiris, Hebas gamos, Komastai e Haphaistos. Andere stukken zijn meer verwant met de Mimoi (z. Mimus). Hij heeft veel invloed gehad op de oud-attische comedie, en vooral op de middel- en nieuwe comedie. Waarschijnlijk ook op de Atellanae.

Epicheirotonia, 1) ep. ton nomon, de jaarlijksche herziening der wetten, die te Athene in de eerste volksvergadering van het jaar plaats had. Iedereen kon voorstellen, eene oude wet door eene nieuwe te vervangen; alsdan werden uit de heliasten een zeker aantal nomothetai gekozen, voor wie een formeel proces tusschen de oude en de nieuwe wet gevoerd werd, waarbij door het volk aangewezen personen als verdedigers (synegoroi, syndikoi) der oude wet optraden.--2) ep. ton archon, bevestiging der overheden in de eerste vergadering van iedere prytanie. Wanneer iemand bij die gelegenheid bezwaren tegen een magistraat inbracht, werd deze geschorst, totdat de zaak door de rechtbank der heliasten onderzocht was.

Epicnemidii (Locri), dat gedeelte der Locriërs, dat op en aan den berg Cnemis woonde.

Epicrates, Epikrates, hielp Thrasybulus bij het verdrijven van de 30; later werd hij ter dood veroordeeld wegens verraderlijke handelingen, door hem als gezant gepleegd.

Epictetus, Epiktetos, 1) beroemd Attisch vazenschilder uit het laatste deel van de zesde eeuw; hij werkte in de fabrieken van Nicosthenes en anderen. Sommige van zijn vazen zijn nog in zwart-figurigen stijl, anderen in rood-figurigen stijl.--2) geb. te Hierapolis in Phrygië, leefde lang te Rome als slaaf van Epaphroditus no. 2; toen deze hem vrijgelaten had, woonde hij de lessen van Musonius Rufus bij en trachtte hij, hoewel met weinig gevolg, zijne opvatting van de stoicijnsche leer te Rome ingang te doen vinden. Nadat Domitianus alle philosophen uit Rome verbannen had (89 n. C.), ging hij naar Nicopolis in Epirus, waar hij tot den tijd van Hadrianus leefde. Ver verwijderd van de aanmatiging der toenmalige stoïcijnen, onthoudt hij zich meestal van bespiegelingen en legt hij zich alleen toe op de zedenleer. Evenals Socrates gaf hij zijn onderricht in voor ieder toegankelijke gesprekken op openbare plaatsen en vereenigde hij een aantal leerlingen rondom zich, waartoe ook Arrianus behoorde, die na den dood van den meester zijne leer in een uitvoeriger (diatribai) en in een meer beknopt (encheiridion) werk te boek stelde. Ep. zelf heeft niets geschreven.

Epicurus, Epikouros, Athener, geb. 342 of 341, werd zeer jong door zijn vader medegenomen naar Samus, waar deze als klerouchos eigendommen had. Reeds zeer vroeg beoefende hij de wijsbegeerte en maakte hij met verschillende stelsels kennis; 32 jaar oud trad hij eerst te Mytilene, kort daarna te Lampsacus, met een eigen stelsel op, in 306 kwam hij naar Athene, waar hij reeds in 323 voor korten tijd geweest was en waar hij tot zijn dood (270) talrijke leerlingen rondom zich verzamelde.--Ep. vereenigt in zijne philosophie de natuurkundige theorieën van Democritus met de leer van Aristippus tot één geheel. Alles bestaat uit atomen, die door hunne neiging tot vereeniging lichamen vormen; de ziel bestaat uit zeer fijne atomen, die door het geheele lichaam verspreid zijn, en sterft met het lichaam; de eenige bron van kennis is waarneming; het hoogste goed is genot, dat echter niet alleen in beweging (chara, euphrosyne), maar ook in rust (ataraxia, aponia) bestaat; geestelijk genot staat hooger dan lichamelijk; de wijze onthoudt zich echter van die genietingen, waardoor hij later grootere zou moeten derven of die later smart ten gevolge hebben; de goden zijn gelukzalige wezens, die in de ruimte tusschen de verschillende werelden wonen, zonder zich om de menschelijke zaken te bekommeren.--Ep. wordt door de ouden geroemd als een braaf, eenvoudig en matig levend man; zijne leerlingen, met wie hij vertrouwelijk en gezellig omging, bleven hem met liefde en eerbied gedenken, en slechts een enkele trachtte zijn stelsel verder te ontwikkelen. Van zijne zeer talrijke geschriften--men spreekt van bijna 300--is slechts zeer weinig bewaard gebleven.

Epicydes, Epikydes, 1) atheensch demagoog, tijdgenoot van Themistocles.--2) Syracusaan, te Carthago geboren, nam langen tijd te Syracuse aan het hof van Hieronymus en ook na diens dood de carthaagsche belangen waar. Hij leidde voor een deel de verdediging van Syracuse tegen de Romeinen, ging na de verovering van die stad (212) naar Agrigentum, en toen ook dit gevallen was, keerde hij naar Africa terug.

Epidamnus = Dyrr(h)achium.

Epidaurus, Epidauros, oud-ionische stad in Argolis, aan de Saronische golf, met een beroemden tempel van den god Asclepius, die hier geboren was. Het heiligdom is door het Grieksche archaeologische genootschap opgegraven. Ook eene aanzienlijke stad in Dalmatia, aan de kust, ook Epidaurum geheeten.

Epidaurus Limera, Epidauros he Limera, stad op de Oostkust van Laconica, met een goede haven.

Epidemia, Epidemia, familiefeest, gevierd wanneer iemand behouden van eene reis teruggekeerd was.

Epidius Marullus (L.), z. Caesetius Flavus.

Epidosis, te Athene vrijwillige gift aan de staatskas, vooral dat, wat men bij de eisphora meer betaalt dan men verplicht is; ook het onverplicht op zich nemen van liturgieën e. dgl.

Epigamia = Conubium.

Epigenes, Epigenes, 1) van Sicyon, een van de oudste grieksche treurspeldichters, v. s. de eerste die onderwerpen behandelde, welke niet in betrekking stonden met de mythen van Dionysus. Hij behoort geheel tot de sage.--2) blijspeldichter in het begin der vierde eeuw.--3) twee leerlingen van Socrates, de een zoon van Criton, de andere van Antiphon.--4) van Rhodus, schrijver van een werk over den landbouw.--5) ten onrechte bijg. Gnomonikos, van Byzantium, wiens astronomische werken door Plinius en Seneca aangehaald worden.--6) vazenfabrikant uit den tijd van Pericles.

Epigoni, Epigonoi, 1) z. Adrastus.--2) titel van een cyclisch gedicht, door sommigen aan Homerus toegeschreven.

Epigraphes, Epignomones = Diagraphes.

Epikleros, heette te Athene eene vrouw, die het vermogen van haar vader erft, wat alleen kon geschieden wanneer deze geene mannelijke afstammelingen naliet. Zij was verplicht den naasten mannelijken bloedverwant te huwen, ook wanneer zij reeds met een ander gehuwd was. Daarentegen konden arme erfdochters (thettai) eischen, dat de naaste mannelijke bloedverwant haar huwen of haar een behoorlijken bruidschat geven zoude.

Epilachon, door het lot aangewezen plaatsvervanger van een bij het lot aangewezen overheidspersoon of raadslid, om bij diens dood of afzetting terstond zijne plaats in te nemen.

Epilenaia, z. Lenaea.

Epimenides, Epimenides, van Creta, waarzegger, priester en dichter, over wiens leven allerlei verhalen vol wonderen in omloop waren. Zoo verhaalde men dat hij in zijne jeugd in een grot in slaap gevallen was, en daar 56 jaar geslapen had, dat hij een leeftijd van 150 of 300 jaar bereikt had, e. dgl. In 596 werd hij naar Athene geroepen om de stad te reinigen van de heiligschennis der Alcmaeonidae (z.a.). Hij wordt soms tot de zeven wijzen gerekend, en verscheiden werken van hem worden genoemd, zooals orakels, reinigingsliederen, enz.

Epimetheus, Epimetheus, zoon van Iapetus en Clymene, broeder van Prometheus (z.a.), bij Pandora vader van Pyrrha.

Epimethis, Pyrrha, dochter van Epimetheus.

Epiphanea, Epiphaneia, 1) stad in O. Cilicia, nabij de bergpassen van den Amanus, vroeger Oeniandus geheeten. Pompeius verplaatste een gedeelte der zeeroovers hierheen.--2) stad in Syria aan den Orontes, vroeger Hamath geheeten, door Antiochus Epiphanes vergroot en naar hem genoemd.

Epipolae, Epipolai, het N.W. en hoogst gelegen gedeelte der stad Syracusae.

Epirus, Epeiros, land tusschen den Pindus en de Adriatische zee, en tusschen Hellas en Illyria. Het land werd door illyrische stammen bewoond, waarvan de Chaones, de Thesproti en de Molossi de voornaamste waren. Deze Illyriërs hadden de oudere grieksche stammen, waartoe de Graïci en de Helli of Selli (in Hellopia) behoorden, verjaagd. De vorsten der Molossers breidden allengs sedert de 4de eeuw hunne heerschappij over het geheele land uit. Onder hunne koningen, die van Achilles beweerden af te stammen, is Pyrrhus (295-272), die tegen de Romeinen oorlog voerde, de merkwaardigste. Later (234/3) werd Epirus republikeinsch; het vormde toen een bondsstaat, waarvan Phoenice de hoofdstad was, kwam vervolgens onder Macedonia en ten slotte met dit rijk onder Rome (167). Van de vreeselijke verwoesting door Aemilius Paulus heeft het land zich nooit kunnen herstellen. De bewoners heetten Epirotae, Epeirotai.

Epirus nova = Illyris graeca.

Episemainesthai, z. Euthynai en Logistai.

Epistatai, 1) z. Prytaneis.--2) ep. ton demosion ergon, te Athene commissies belast met het toezicht op openbare werken en vooral op het gebruik der daartoe beschikbaar gestelde gelden.

Epistrophia, bijnaam van Aphrodite (z.a.).

Epitadeus, Epitadeus, spartaansch ephoor in het begin der vierde eeuw, maakte, zooals men later aannam, veranderingen in het eigendomsrecht, waarbij schenkingen bij het leven of bij testament wettig verklaard werden; ten gevolge daarvan verminderde sedert dien tijd het aantal grondeigenaars aanmerkelijk.

Epitrope, te Athene het vergelijk tusschen strijdende partijen, waarbij zij hun geschil aan de beslissing van door hen gekozen scheidsrechters onderwerpen. Van zulk een beslissing was geen hooger beroep.

Epitropes dike, aanklacht tegen iemand, die als voogd over minderjarige kinderen, hunne belangen niet behoorlijk had waargenomen of zich aan bedriegelijke handelingen had schuldig gemaakt; zulk eene aanklacht moest door den pupil binnen vijf jaar na afloop der voogdij bij den archont ingediend worden. Gedurende de voogdij kon een voogd wegens zulke handelingen door ieder burger door middel van de epitropes graphe bij den archont aangeklaagd worden.

Epobelia, een boete, die in sommige processen de aanklager beliep, wanneer minder dan een vijfde van de rechters voor veroordeeling gestemd hadden. De boete bedroeg een zesde van de som in kwestie.

Epodus, Epodos, 1) slotzang, het gedeelte van een lyrisch gedicht, dat na de strophe en antistrophe gezongen werd.--2) versus intercalaris of epiphthegmaticus, refrein.--3) in het algemeen lyrische gedichten, waarin op een langer vers een korter volgt, met uitzondering van het elegische distichon. Daarom hebben de grammatici den naam Epodon liber aan het bundeltje gedichten van Horatius gegeven, die door hem zelf om hun bijtenden inhoud iambi genoemd zijn.

Epoikoi, zij die van staatswege naar eene reeds bewoonde stad of volkplanting gezonden worden, om zich daar te vestigen.

Epona, gallische godin van paarden, lastdieren, stallen, voerlieden, enz., die sedert de 1ste eeuw n. C. ook in Rome vereerd werd.

Eponymus, eponymos, in het algemeen degene, naar wien iets genoemd wordt, bijv. de oude heroën, van wie de attische phylen en demen hun naam hebben, de eerste archont, die zijn naam aan het jaar geeft, enz.

Epoptes, ingewijde van den hoogsten graad bij de mysteriën, zie Eleusinia.

Eporedia, thans Ivrea, stad van Gallia Cisalpina, nabij Augusta Praetoria in het gebied der Salassers. Volgens eene uitspraak der sibyllijnsche boeken zonden de Rom. er in 100 eene rom. kolonie heen. Zie onder Agrariae leges: Lex Appuleia agraria van 100. Later municipium.

Eporedorix, naam van twee aanzienlijke Aeduërs. De een viel in Caesars handen in een veldslag tegen Vercingetorix (52); de ander was als aanvoerder der aeduïsche ruiterij in Caesars leger, doch liep ten slotte ook tot Vercingetorix over.

Epos, epe, epische of objectief-verhalende poëzie, behandelde waarschijnlijk oorspronkelijk enkele gebeurtenissen uit de legenden betreffende goden, heroën of edele geslachten, doch werd later ontwikkeld tot het samenhangend verhaal van geschiedenissen uit het heldentijdperk, zooals wij het bij Homerus vinden. Taal en metrum van Homerus werden door alle latere epische dichters behouden, zijne wijze van behandeling der stof werd door allen als model beschouwd. Wat de behandelde onderwerpen betreft sloten zich de cyclici (z. a.) het meest bij Homerus aan, lateren kozen ook soms geschiedenis, terwijl alexandrijnsche dichters onderwerpen van verschillenden aard, meest van geringen omvang, met meer geleerdheid dan kunst op epische wijze behandelden. In de 5de eeuw na C. herleefde het epos nog voor korten tijd, zonder echter iets van belang voort te brengen.--Tot de epische poëzie rekent men ook de didactische, het leerdicht, waarvan de werken van Hesiodus het oudste voortbrengsel zijn en waarvan de oudste wijsgeeren zich bedienden om hunne theoriën bekend te maken, terwijl in den alexandrijnschen tijd en later alle wetenschappen in dezen vorm behandeld werden.--Ook in de rom. letterkunde komt het epos reeds zeer vroeg voor; bij voorkeur behandelde men aanvankelijk deelen der rom. geschiedenis; eerst door de studie der alexandrijnsche poëzie kwam men ook tot beoefening van het grieksche heldenepos; Vergilius verbindt beide richtingen door in zijne Aeneis inheemsche sagen tot onderwerp te kiezen. Het leerdicht werd door de Rom. steeds met voorliefde beoefend.

Eppius (M.), aanhanger van Pompeius, door Caesar na den slag bij Thapsus begenadigd.

Eprius Marcellus (T. Clodius), een man van lage inborst, was onder Claudius en Nero praetor, en daarna legatus pro praetore van Lycia en Pamphylia, waar hij zich door zijne inhaligheid zeer gehaat maakte. Hij was consul in 61 n. C. Vervolgens speelde hij bij Nero de rol van verklikker. Hij wist Thrasea Paetus te doen veroordeelen (66). Ook in de gunst van Vespasianus wist hij zich in te dringen; hij was (Juli 70-Juli 73) proconsul van Asia; toen hij echter eene samenzwering tegen den keizer trachtte te bewerken, werd dit ontdekt en toen hij in den senaat veroordeeld was, maakte hij zichzelven van kant (79).

Epulones. Vóór 196 was de zorg voor de maaltijden, waarmede sommige godsdienstige feesten behoorden gepaard te gaan, aan de pontifices opgedragen. De lex Licinia van den volkstribuun C. Licinius Lucullus van 196 droeg deze taak op aan een bijzonder collegie van drie mannen, triumviri epulones, welk getal later op zeven werd gebracht en door Caesar, doch met behoud van den naam septemviri, op tien.

Epyaxa, Epyaxa, echtgenoote van den vorst (Syennesis) van Cilicië.

Equirria, een Marsfeest op 27 Februari en 14 Maart, waarbij een wedren te paard op den campus Martius plaats had.

Equites (over de atheensche hippes z. a.). Eene lijfwacht van ruiterij, celeres genaamd naar het gr. woord keletes, wordt reeds onder de regeering van Romulus vermeld. Ze stonden onder een tribunus celerum, v. s. onder 3 tribuni celerum. Onder de koningen klom het getal equites tot 1800, in 18 centuriae verdeeld. Zes dezer centuriën droegen den naam van sex suffragia. Vermoedelijk zijn dit de drie dubbelcenturiën van Tarquinius Priscus: Ramnes, Tities, Luceres priores en posteriores. De overige heeten XII centuriae equitum. Na de verdrijving der koningen bleef het getal op 1800, zij werden genomen uit rijke burgers der eerste klasse. Wanneer een bepaalde census voor de equites is vastgesteld, weten we niet, maar later bedraagt die 400.000 sestertiën van 2 1/2 as = f 40.000. Bij de lex Roscia theatralis van 67 werd deze census hernieuwd, en ook in den keizertijd is dit zoo gebleven. De ruiters ontvingen van den staat geld (aes equestre z. a.) voor het aankoopen van een paard, equus publicus, en tot onderhoud een zeker havergeld, aes hordearium (z. a.). Wanneer de census gehouden werd, werden ook de equites gemonsterd, recognitio. Hun paard aan den teugel leidende, traden zij ieder op hunne beurt voor de censoren, en hoorden daar de woorden traduc equum of vende equum. Het laatste was een teeken, dat men van de lijsten der equites was geschrapt, hetzij wegens niet voldoende onderhoud van zijn paard, hetzij de censors om eene andere reden eene openbare bestraffing wilden toepassen. In 403 tijdens den laatsten oorlog met Veii meldden zich een aantal jongelieden aan om als vrijwillige equites op eigen kosten te dienen. Zóó had men toen equites equo publico en equo privato. De laatsten stemden echter niet in de riddercenturiën mede. Het geheele aantal equites bedroeg in 225: 22100. Oorspronkelijk waren de equites bestemd voor den ruiterdienst te velde en hiervoor werden bij elk legioen 300 ruiters gevoegd, doch deze dienst geraakte allengs in minachting, omdat het zwaartepunt der rom. krijgsmacht in het voetvolk gelegen was. De Rom. bezigden liever als ruiterij troepen van de bondgenooten in de provinciën, die veel beter waren, en de equites Romani, niet langer als ruiterkorps dienst doende, werden meer een bevoorrechte klasse van burgers, waaruit men bij voorkeur hoofdofficieren, ordonnansen en den staf des veldheers koos. De hoogere officiersrangen, die van tribuni militum en praefecti, worden uitsluitend door equites bekleed, terwijl de hoogste rang, die een pedes bereiken kan, die van primipilus is. Van ruiterbende werden zij ridderkorps. In 123 stelde C. Gracchus als volkstribuun door zijne lex Sempronia iudiciaria vast, dat de indices niet langer uit den senaat zouden genomen worden, maar uit hen, die den riddercensus hadden (zie iudex), en daar deze nu allen op ééne lijst moesten gebracht worden, ook al behoorden zij niet tot de 1800, ontstond toen een ridderstand, ordo equester. Kreeg een ridder toegang tot den senaat, dan kon hij van den ridderstand niet langer deel uitmaken. Onder de ridders vond men de eigenaars der groote handelshuizen (een senator of senatorszoon mocht geen handel drijven, zie lex Claudia), de bankiers, de belastingpachters of publicani. Zij vormden de geldaristocratie, die dikwerf vijandig tegenover den senatorenstand stond. Met de senatoren hadden de ridders den gouden ring gemeen (ius anuli); zij droegen de tunica angusticlavia, met smallen purperstreep (zie clavus), en in dienst of bij plechtige optochten de trabea, een mantel met purperen strepen. Ook hadden zij bevoorrechte plaatsen in het theatrum, zie Roscia (lex) theatralis. Omtrent het stemrecht der equites in de com. centuriata zie men praerogativa. In den keizertijd worden vele keizerlijke ambten, o. a. de praefectura Aegypti, en het bestuur van vele kleine provincies en van de finantiën uitsluitend aan equites opgedragen, met de titels praefecti en procuratores.

Equites illustres. Augustus schiep in den ridderstand een bepaalde klasse van ridders, de eq. equo publico of eq. illustres, ook wel eq. dignitate senatoria geheeten, die den senatorencensus van 1.000.000 sestertiën hadden, en waaruit de keizer de meeste zijner officieren en hooge ambtenaren koos.

Equites singulares, in de 2de en 3de eeuw n. C. een regiment garde kavallerie van de romeinsche keizers, meest bestaande uit vreemdelingen (Germanen, vooral Batavi).

Equuleus, het folterpaard, een martelwerktuig, waarvan wij den vorm niet kennen. De persoon, die gefolterd moest worden, werd er op vastgebonden en dan uiteengerekt. Het werd niet voor burgers, maar voor slaven gebezigd. Ook in de acta martyrum wordt het vaak vermeld. Ook bij gerechtelijke verhooren werden slaven, die getuigenis moesten afleggen, op een dergelijk folterwerktuig geplaatst.

Equus Tuticus of Aequum Tuticum, een stadje der Hirpini in Samnium ten O. van Beneventum.

Er, Er, Pamphyliër, die in een slag gedood werd, tien dagen liggen bleef en daarna op den brandstapel herleefde en verhaalde, wat hij in de onderwereld gezien had.

Erae, Erai, kleine sterke havenstad op de aziatisch-ionische kust, ten Z.O. van Erythrae, in het gebied van Teos.

Erana, Erana, hoofdvesting der Eleutherocilices op den berg Amanus. Ook eene stad in Messenia, aan de W.-kust even ten N. van het eilandje Prote.

Eranos, een in het grieksche recht veel voorkomend gebruik tot het gezamenlijk uitleenen van gelden, zonder daarvoor rente te vorderen. Om iemand geldelijk te steunen voor het doen van zaken of voor het loskoopen van een krijgsgevangene, of ook alleen om gelden te beleggen, geven een zeker aantal personen, ieder voor zich een zelfde geldsom aan den voorzitter, archeranos of eranarches, handen, die deze geheele som den vrager van den eranos ter hand stelt, onder de conditie, dat deze de som in termijnen afbetaalt. De er. wordt genoemd òf naar de grootte van ieders bijdrage, b.v. er. pentakosiodrachmos, òf naar de grootte van de heele som b.v. er. eikosimnaios, tettarakontamnaios. De rechten van de deelnemers, en de verplichting tot terugbetaling van den ontvanger zijn voor overdraging vatbaar, en kunnen ook in rechte gehandhaafd worden. Andere er., vooral in lateren tijd, dienden om voor ééns, of geregeld op gemeenschappelijke kosten feestvergaderingen te houden, of vereenigingen in stand te houden, zooals er in de hellenistische wereld onder allerlei vormen voorkomen.

Erasinides, Erasinides, 1) atheensch veldheer, een van de overwinnaars bij de Arginusen, die later ter dood veroordeeld werden.--2) corinthisch veldheer, die den Syracusanen te hulp kwam, toen zij in den peloponnesischen oorlog door de Atheners aangevallen waren (414).

Erasinus, Erasinos, 1) de eenige rivier van Argolis, die in den zomer niet droog is; hij mondt na een zeer korten loop dicht bij de plaats, waar de Inachus in het zand verloopt.--2) beek in Attica, bij Brauron mondend.

Erasistratus, Erasistratos, 1) van Iulis, kleinzoon van Aristoteles, beroemd heel- en ontleedkundige in de 3de eeuw, stichter eener geneeskundige school. Hij woonde te Alexandria.--2) Athener, een van de zoog. 30 tyrannen.

Erato, Erato, muze van het minnedicht en de mimiek, wordt afgebeeld met eene lier in de hand, soms in gezelschap van Eros.

Eratosthenes, Eratosthenes, 1) een van de zoog. 30 tyrannen te Athene, voorstander van de meer gematigde politiek van Theramenes, later door Lysias aangeklaagd wegens den moord van diens broeder Polemarchus.--2) van Cyrene, geb. 275, in Alexandrië onderwezen, leefde eenigen tijd te Athene, en werd in 235 hoofd der alexandrijnsche bibliotheek, welke betrekking hij bekleedde totdat hij, ruim 80 jaar oud, zich van het leven beroofde, daar hij vreesde blind te worden (194). Behalve zijne gedichten liet hij een groot aantal werken na over wiskunde, wijsbegeerte, geschiedenis en chronologie, taal- en letterkunde, alsmede zijn voornaamste werk: Geographika of Geographoumena in drie boeken, welk werk de grondslag werd van eene wetenschappelijke behandeling der aardrijkskunde, en door lateren zeer dikwijls gebruikt werd. Van al deze werken is bijna niets bewaard gebleven.

Erchomenus, Erchomenos, oude naam voor: Orchomenus, z. a.

Ercte, Eirkte of Heirkte, bergvesting in N.W. Sicilia. Hai Heirktai, vlek in Argolis dicht bij Nauplia.

Erechtheis, Erechtheis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Erechtheum, Erechtheion, de plaats op de atheensche acropolis, waar de tempels van Poseidon Erechtheus en van Athena Polias stonden, met de zoutbron en den heiligen olijfboom, die uit den strijd tusschen Poseidon en Athena over de naamgeving der stad was ontstaan. Zie Athenae.

Erechtheus, Erechtheus, 1) zoon van Hephaestus en Gaea of Atthis, opgevoed door Athena (z. Agraulus). Hij verdreef Amphictyon en werd koning van Attica, stelde den eeredienst van Athena en de Panathenaea in, en was rechter in den twist tusschen Athena en Poseidon over het bezit van Attica; hij was de eerste die een vierspan gebruikte en werd daarom als Voerman onder de sterren geplaatst. Er. was een zeer oud attisch heros, die in het Erechtheum gemeenschappelijk met Athena en Poseidon vereerd werd.--2) kleinzoon van den vorigen, zoon van Pandion, koning van Athene. In den oorlog tegen de Eleusiniërs werd hem de overwinning voorspeld, mits hij eene van zijne vier dochters doodde; toen hij nu de jongste opofferde, beroofden zich ook hare drie zusters van het leven, daar zij gezworen hadden met elkander te zullen sterven. Er. versloeg in den strijd Eumolpus, die de Eleusiniërs hielp, maar werd op verzoek van diens vader Poseidon door Zeus met den bliksem gedood.--V. s. is deze Er. oorspronkelijk dezelfde als de vorige.

Erembi, Eremboi, onbekende volksstam, ergens in het oostelijk gedeelte van het gebied der middellandsche zee wonende, v. s. verwant met de Arabieren, v. a. = Aramaei.

Eremos dike, proces, waarin wegens het wegblijven van een der partijen bij verstek vonnis wordt uitgesproken. De veroordeelde kon vernietiging van zulk een vonnis vragen (antilachein ten eremon), wanneer hij meende te kunnen bewijzen, dat er redenen geweest waren om de behandeling der zaak uit te stellen.

Eresus, Eresos, stad op de Z.-W. kust van het eiland Lesbus, geboorteplaats van de dichteres Sappho en van den wijsgeer Theophrastus (± 300).

Eretria, Eretria, voorname havenstad op Euboea aan den Euripus, waarschijnlijk gesticht door de Abantes, later een atheensche kolonie, die zelve verscheidene volkplantingen naar de macedonische kust uitzond en in de 7de eeuw een groot gebied (Andrus, Tenus, Ceüs, Oropus) beheerschte. Omtrent haar strijd met Chalcis, zie Chalcis. Met Athenae had het den opstand der Ioniërs in Azië tegen Darius I ondersteund. Daarom werd het in 490 door Datis en Artaphernes verwoest, terwijl de bewoners geboeid naar Perzië (Ardericca nabij Susa) werden gezonden. De stad werd terstond weder bevolkt en neemt deel aan den Perzischen oorlog.--Ook een stadje in het N. van het thessalische landschap Phthiotis.

Eretri(a)ci, Eretriakoi, wijsgeeren uit de school van Menedemus, wiens leerstellingen waarschijnlijk grootendeels met die der megarische school overeenkwamen.

Eretum, Ereton, oude sabijnsche stad aan den Tiber.

Ereuthalion, Ereuthalion, erfde van zijn vriend Lycurgus de knots van Areïthoüs (z. a.). Daarop vertrouwende, daagde hij alle helden ten strijde uit, tot hij door Nestor gedood werd.

Ergades = Argades.

Ergane, Ergane, bijnaam van Athena (z. a.).

Ergastulum, slavengevangenis op de uitgestrekte landgoederen der rom. grondeigenaars.

Erginus, Erginos, 1) zoon van Clymenus no. 2, koning van Orchomenus in Boeotië. Om den dood van zijn vader te wreken, deed hij den Thebanen den oorlog aan, overwon hen en legde hun een jaarlijksche schatting op. Twintig jaar later vond Heracles te Thebe de gezanten van Erg., die gekomen waren om de verschuldigde schatting te halen; hij sneed hun neus en ooren af en zond hen zoo terug. In den oorlog, die hierop volgde, werd Erg. door Heracles gedood.--V. a. werd hij gedwongen de reeds betaalde schatting dubbel terug te geven, waardoor zijn land tot groote armoede verviel, en hij er eerst op hoogen leeftijd de vroegere welvaart hersteld zag. Hij was de vader van Agamedes en Trophonius.--2) zoon van Poseidon, helper en opvolger van Tiphys als stuurman der Argonauten, beroemd door zijn snelheid in het loopen.

Erianthus, -thes, Erianthos, -anthes, vertegenwoordiger van Thebe bij de vergadering, waarin na afloop van den peloponnesischen oorlog over de vredesvoorwaarden beraadslaagd werd; op zijn voorstel stemden Thebanen, Corinthiërs e. a. voor de geheele vernietiging van Athene.

E(e)riboea, 1) Eeriboia, stiefmoeder der Aloaden (z. a.).--2) Eriboia, z. Periboea no. 5.

Erichthonius, Erichthonios, 1) = Erechtheus.--2) zoon en opvolger van Dardanus, vader van Tros, beroemd om zijn rijkdom, vooral om zijne drieduizend buitengewoon schoone merries.

Ericinium, stad in Thessalia bij Gomphi.

Eridanus, Eridanos, 1) mythische stroom, zoon van Oceanus en Tethys. Herodotus vermeldt hem als eene rivier, die zich in de noordelijke zee ontlast, en aan wier oevers barnsteen wordt gevonden. Daar nu over Hadria (Adria), dat bij de monden van den Po ligt, het uit het Noorden komende barnsteen werd uitgevoerd, hebben latere schrijvers den Eridanus vereenzelvigd met den Padus.--2) beek die ten O. van Athenae aan den voet van den Lycabettus ontspringt, en door het N. van Athenae stroomend, in den Ilisus valt.

Erigon, Erigon, rivier in Macedonia, zijtak van den Axius.

Erigone, Erigone, 1) dochter van Icarius (z. a.), bij Dionysus, die door haar vader gastvrij ontvangen werd, moeder van Staphylus. Ter herinnering aan haar dood vierde men jaarlijks het feest Aiora of Eora, waarbij men poppen aan boomen hing en ze zoo liet heen en weer schommelen.--2) dochter van Aegisthus en Clytaemnestra, door Orestes te gelijk met haar moeder gedood. V. a. hing zij zich op, toen zij de vrijspraak van Orestes vernam, of werd zij zijne slavin, of nam Artemis haar tot priesteres.

Erineüs, Erineos, eene der vier steden van Doris.

Erinna, Erinna, beroemde grieksche lyrische dichteres uit de 4de eeuw, van wier leven niets zekers bekend is. Er zijn nog een paar epigrammen van haar over.

Erin(n)yes, Erin(n)yes, wraakgodinnen, die bij ieder vergrijp tegen de heilige plichten tegenover bloedverwanten, gastvrienden, smeekelingen, enz., uit hunne woning in den Erebus naar de aarde oprijzen en den misdadiger met haar verschrikkelijk gezang vervolgen en tot waanzin drijven, zoodat hij nergens rust kan vinden. Zelfs de dood kan hare vervolgingen niet doen eindigen; heeft de misdadiger zich echter van zijne schuld gereinigd, dan worden zij welwillende godheden, Eumenides, onder welken naam zij sedert de vrijspraak van Orestes op sommige plaatsen vereerd werden.--Homerus spreekt soms slechts van ééne Erinnys, gewoonlijk werden zij echter als drie zusters voorgesteld: Alecto, Tisiphone en Megaera, dochters van Gaea, ontstaan uit het bloed, vergoten bij de verminking van Uranus; in een treurspel van Aeschylus vormen zij het koor en zijn zij dus in grooter aantal aanwezig, zij worden daar voorgesteld als afgrijselijke oude vrouwen in het zwart gekleed en met bloedrooden gordel, de beeldende kunst maakte echter van haar gevleugelde jonkvrouwen met slangen en fakkels in de handen. Men offerde aan de Er. zwarte schapen en plengoffers zonder wijn.--De Rom. noemden deze godinnen Furiae of Dirae deae.

Eriphyle, Eriphyle, z. Amphiaraus en Alcmaeon.

Eris, Eris, godin der tweedracht, zuster van Ares en zijne gezellin in den strijd, maar ook godin van den heilzamen wedijver.--Bij de Romeinen heet zij Discordia en behoort zij in het gevolg van Bellona.

Eristici, Eristikoi, wijsgeeren uit de school van Euclides no. 3 (z. a.).

Eros, Eros, de god der liefde, volgens sommige dichters de oudste der goden, die de stof bezielt met eene neiging tot vereeniging en daardoor eigenlijk voor den schepper der wereld gehouden moet worden. Gewoonlijk wordt hij echter meer beschouwd als de god der liefde tusschen menschen, in die hoedanigheid geeft men hem tot vader Zeus, Ares, Hermes, Hephaestus e. a., tot moeder Artemis, Iris, maar meestal Aphrodite. Hij komt dan ook het meest voor in gezelschap van deze en is het werktuig, waardoor zij den menschen hare macht laat gevoelen; dikwijls volgt hij echter ook zijn eigen luimen en verschoont dan zelfs zijn eigen moeder niet. Dartel en niets ontziende treft hij goden en menschen met zijne pijlen, van welke de scherpe liefde verwekken, de stompe juist voor liefde ongevoelig maken. Ook de liefde en vriendschap tusschen mannen en jongelingen wordt door hem beschermd, daarom is hem bijv. de heilige schaar der Thebanen gewijd, en vereerden de Atheners hem als den god, die door Harmodius en Aristogiton de bevrijding hunner stad bewerkt had. De roos en de duif zijn hem gewijd.--Hij wordt afgebeeld als een schoone knaap, later als een bevallig, meest gevleugeld kind, met boog, pijlen en fakkel. Dikwijls wordt hij vergezeld door de Chariten, Muzen e. dgl., soms ook door met hem gelijksoortige wezens, die men Erotes noemt en waarvan sommige een afzonderlijken naam dragen, als Pothos, Himeros, enz.--De Romeinen geven hem den naam Amor of Cupido.--Zie ook Psyche.

Erotia, Erotia, Erotidia, feest om de vier jaar door de Thespiërs ter eere van Eros als scheppend god gevierd; er bevond zich daar een ruwe steen, die voor het oudste beeld van den god gehouden werd.

Erotianus, Erotianos, grieksch geneeskundige en taalgeleerde ten tijde van Nero, schrijver van een woordenboek op Hippocrates.

Errhephoria = Arrhephoria.

Erucii, een plebejische familie.

Eruli = Heruli.

Erulus = Herilus.

Erycina, Erykine, bijnaam van Aphrodite naar den berg Eryx.

Erymanthus, Erymanthos, berg en rivier in Arcadia. De berg lag in het N., de rivier, die er op ontsprong, stortte zich in den Alpheus. Op den berg behooren de mythen te huis van Heracles en het erymanthische zwijn en van Callisto, welke laatste dichterlijk ook Erymanthis ursa wordt genoemd.

Erysichthon, Erysichthon, 1) zoon van Cecrops, die, van eene reis naar Delus terugkeerend, nog bij het leven van zijn vader stierf.--2) zoon van Triopas, koning in Thessalië, die boomen in een aan Demeter gewijd bosch velde, en door de godin met een onverzadelijken honger gestraft werd, zoodat hij ten slotte zijn eigen handen en voeten opat en van honger stierf.

Erythea, -ia, Erytheia, het land van het avondrood; later dacht men zich dit als een eilandje in de golf van Gades (Cadix), van waar Heracles de runderen van den reus Geryones wegvoerde; in werkelijkheid ligt hier geen eiland van dien naam.

Erythrae, Erythrai, 1) stad in Boeotia, ten O. van Plataeae.--2) belangrijke stad in aziatisch Ionia, waarschijnlijk oorspronkelijk door Cretensers gesticht; later komen hier Ioniërs bij; de stad bleef belangrijk tot in den keizertijd.--3) havenplaats van de ozolische Locriërs, ten Z. van Eupalium.

Erythraeum mare, Erythra thalatta, mare rubrum, thans de Indische Oceaan. In ruimeren zin werd er soms de Arabische en sedert den tocht van Nearchus (z. a.) de Perzische golf bij gerekend.

Erytus, Erytos = Eurytus no. 1.

Eryx, Eryx, zoon van Poseidon of Butes no. 2 en Aphrodite Erycina. Hij werd koning der Elymi en was een geducht vuistvechter. Toen Heracles met de kudde van Geryones op Sicilië kwam, daagde Er. hem tot een tweegevecht uit, waarin hij gedood werd.

Eryx, Eryx, berg en stad op de Westkust van Sicilia hij kaap Drepanum. Op den berg lag een beroemde tempel van Aphrodite Erykine, Venus Erycina. Hier heeft Hamilcar Barcas zich in den eersten punischen oorlog drie jaar lang verschanst (244-241).

Eryximachus, Eryximachos, zoon van Acumenus, atheensch geneesheer van naam, een van de woordvoerders bij het Symposium van Plato.

Esquiliae, de 5de regio van Rome onder de verdeeling van Augustus. Zij omvatte de noordelijke helft van den mons Esquilinus, met het park van Maecenas enz.

Esquilina, eene der vier plaatselijke tribus, waarin Servius Tullius Rome verdeelde. De porta Esquilina voerde naar Tibur en Praeneste.

Esquilinus (mons), een der heuvels, waarop Rome was gebouwd, in het O. der stad.

Essedarii, zwaardvechters, die op de wijze der Britten en Galliërs op strijdwagens streden. Zulk een wagen, esseda of essedum, was tweewielig en van voren open.

Esubii of Sesubii, gallisch volk in het tegenw. Normandië.

Eteobutadae, Eteoboutadai, familie te Athene, waaruit de priesters van Athena gekozen werden, zij stamden af van Butus no. 1.

Eteocles, Eteokles, 1) zoon van Oedipus en Iocaste. Nadat hun vader Thebe verlaten had, kwam hij met zijn broeder Polynices overeen dat zij beurtelings zouden regeeren, maar toen de tijd gekomen was om de regeering aan Polynices over te geven, weigerde hij dit te doen. Polynices ging daarop naar Adrastus, die den zoog. tocht der zeven vorsten ondernam om hem op den troon te herstellen; beide broeders vielen in een tweegevecht.--2) koning van Orchomenus in Boeotië, die den dienst der Charites invoerde.

Eteoclus, Eteoklos, zoon van den argivischen koning Iphis, een van de zeven vorsten, die met Adrastus tegen Thebe optrokken.

Eteocretes, Eteokretes, oudste bewoners van Creta, door de grieksche veroveraars teruggedrongen naar het oostelijk gedeelte van het eiland; hun stad is Praesus.

Etesiai, sc. anemoi, de Grieksche passaatwinden, die in de maanden Juni tot September uit het Noorden of Noordwesten waaien.

Etovissa, Etybesa, stad der Edetanen in het O. van Tarraconensis, nabij de kust.

Etruria, ook wel Hetruria, later Tuscia, bij de Grieken Tyrrhenia, Tyrrenia, Tyrsenia genoemd, thans Toscane, het N.W. landschap van Midden-Italië, een zeer vruchtbare landstreek. Waarschijnlijk was het oudtijds door Umbriërs bewoond, terwijl de Tyrsenoi (Tyrrenoi), Tusci, Etrusci, die hun naam aan het landschap en aan de Tyrrheensche Zee gegeven hebben, van over zee uit het grieksche oosten gekomen, waarschijnlijk in de 9de of 8ste eeuw v. Chr. zich aan de Westkust hebben neergezet, en het land langzamerhand veroverend, de oorspronkelijke bevolking onderdrukt hebben. V.a. zijn ze uit het Noorden gekomen. Zij zijn van niet-indogermaanschen stam, en hun taal is nog niet ontcijferd. Zij noemen zich zelf Rasenna, Zij hebben zich reeds vroeg zeer ontvankelijk getoond voor de grieksche beschaving, en Etruria was in de 7-5de eeuw het beste afzetgebied voor de produkten van grieksche kunst en kunstnijverheid. In de etrurische graven van Caere, Volci en andere steden heeft men duizenden grieksche vazen, soms van hooge kunstwaarde, gevonden. Hun eigen kunst, nabootsing deels van grieksche, deels van phoenicische waren, steekt bij de grieksche zeer af. Slechts hun metalen spiegels en het zwarte aardewerk (bucchero nero), na de onderwerping onder Rome verdrongen door het roode arretijnsche werk (vasa Arretina), en hun tempel- en huizenbouw verdient genoemd te worden. De Etruscers waren in de 7de en 6de eeuw het machtigste en het meest ontwikkelde volk van Italië. Als zeevaarders en zeeschuimers beheerschten zij de naar hen genoemde zee, en hielden de Grieken er uit (zie Alalia en Caere). Ze veroverden een gedeelte van de Po-vlakte, waar Felsina, het latere Bononia (thans Bologna) hunne hoofdstad was, onderwierpen Latium (de drie laatste koningen van Rome zijn waarschijnlijk etruscische vorsten) en vestigden zich zelfs een tijdlang in Campania, waar ze Capua gesticht en een stedenbond gevormd hebben. Het land zelf is verdeeld in vele staten, die slechts los met elkaar verbonden zijn, en elkaar nu en dan onderling beoorlogen. De voornaamste steden zijn: Arretium, Caere (= Agylla), Clusium, Cortona, Faesulae, Perusia, Populonia, Rusellae, Tarquinii, Veii, Vetulonia, Volaterrae, Vulci en Volsinii. Falerii, dat in Zuid-Etrurië ligt, behoort er niet toe, want de inwoners, de Falisci, zijn van latijnschen stam. De met sterke muren omgeven steden der Etruscers beheerschen en onderdrukken het uitgestrekte grondgebied, dat er om heen ligt. Het bestuur is aristocratisch ingericht, terwijl aan het hoofd van elken stadstaat een priesterlijke koning staat met den titel Lucumo of Lar, welke waardigheid erfelijk schijnt te zijn. De Etruscen waren krijgshaftig, maar toen ze door handel, scheepvaart en industrie rijk waren geworden, verslapten zij. De Grieksche schrijvers hebben vele verhalen omtrent hun weelde en weelderigheid ons overgeleverd. In de 5de eeuw gaat hun macht langzamerhand achteruit. In 474/3 leden zij bij een aanval van de zeezijde op het campaansche Cumae een gevoelige nederlaag door de Syracusanen onder Hiero, die Cumae te hulp gekomen waren. In het laatst van de 5de eeuw moeten ze hun heerschappij over de Po-vlakte afstaan aan de Kelten, en ongeveer in denzelfden tijd (396) wordt Veii door de Romeinen vernietigd. In de 4de eeuw neemt nu de macht van Etrurië sterk af, totdat het, in ongeveer 280, geheel van Rome afhankelijk wordt. De bevolking, die zoo lang door de regeerende aristocratie onder het juk schijnt gehouden te zijn, leverde onder rom. bestuur sterke democratische elementen; vandaar dat Sulla en later Octavianus er verscheidene soldatenkoloniën heenzonden.

Euadne, Euadne, 1) dochter van Poseidon en Pitane, bij Apollo moeder van Iamus.--2) dochter van Iphis, gemalin van Capaneus, die zich te gelijk met het lijk van haar echtgenoot liet verbranden.

Euagoras, Euagoras, een van de Teucriden, eene familie die vroeger te Salamis op Cyprus geregeerd had, maar later door phoenicische tyrannen vervangen was. Daar de toen regeerende tyran hem wegens zijne afkomst en nog meer wegens zijne buitengewone begaafdheid wantrouwde en uit den weg trachtte te ruimen, ging hij naar Cilicië, van waar hij in 410 met eene zeer kleine legermacht terugkeerde, zijn vaderland bevrijdde en koning werd. Hij bracht zijn rijk en het geheele eiland tot een hoogen trap van welvaart en streefde er vooral naar, betrekkingen met grieksche staten aan te knoopen en grieksche beschaving in te voeren. In Conon, die na den slag bij Aegospotami bij hem een toevlucht gevonden had, vond hij een voortreffelijk helper; hij ondersteunde hem van zijn kant krachtig bij zijne pogingen om de overmacht der Lacedaemoniërs te breken. Uit dankbaarheid hielpen de Atheners hem met schepen, toen hij door de Perzen werd aangevallen, zoodat hij, ook gesteund door een verbond met Aegypte, aanvankelijk aanzienlijke voordeelen behaalde, en ofschoon Artaxerxes na den vrede van Antalcidas met meer geluk den oorlog tegen hem voerde, verkreeg hij toch na langen strijd in 380 een eervollen vrede. In 374/3 werd hij door een sluipmoordenaar gedood.--2) zoon van Nicocles, kleinzoon van den vorigen (368-351), werd na eene korte regeering door Pnytagoras van den troon gestooten, kwam met perzische hulp terug, doch kon zich op den duur niet staande houden. Hij werd toen satraap eener provincie in Klein-Azië, doch moest wegens knevelarij vluchten en werd eindelijk op Cyprus vermoord (351).

Euander, Euandros, 1) zoon van Hermes en Themis, Carmenta of Nicostrate, of van Echemus en Timandra, kwam 60 jaar voor den trojaanschen oorlog met eene volkplanting uit Pallantium in Arcadië naar Latium, en stichtte op de plaats, waar later Rome stond, eene stad, die hij Pallantium of Palatium noemde en waarnaar de Palatinus genoemd is. Hij leerde den bewoners van die streken schrijven, muziek en andere kunsten, en voerde den dienst van verscheiden grieksche goden in; ook hielp hij Heracles in zijn strijd tegen de omwonende volken en gaf hij Aeneas hulptroepen onder bevel van zijn zoon Pallas. Hij werd te Rome als inheemsch heros vereerd.--2) leerling van Lacydes en diens opvolger als hoofd der academische school (sinds 215).

Euangelus, Euangelos, 1) schrijver van een werk over krijgskunde.--2) dichter der nieuwe attische comedie.

Euarchus, Euarchos, 1) van Chalcis, voerde eene kolonie naar Catana (± 725).--2) tyran van Astacus in Acarnanië bij het begin van den peloponnesischen oorlog.

Euboea, Euboia, thans Negroponte, eiland, door den Euripus van Hellas gescheiden. Hoewel het in de volle lengte door een woest kalksteengebergte wordt doorsneden, had het, vooral aan de Westkust en in het Noorden zeer vruchtbare vlakten. In het N. woonden Ellopes en Perrhaebi, in het midden Curetes en Abantes, die vroeg door de Ioniërs onderworpen zijn, in het Z. Dryopes. Het midden, waar Chalcis en Eretria lagen, is het belangrijkste. Sedert de perzische oorlogen kwam Euboea onder atheenschen invloed. Na den afval van 446 werd het geheel door Athene onderworpen. In 411 viel het af, maar is later toch meest op de hand van Athene. Na den slag bij Chaeronea hoort het onder Macedonia. In 194 wordt het onafhankelijk, in 146 wordt het bij het rom. rijk ingelijfd, en hoort soms tot de provincie Achaia, meestal echter bij Macedonia.

Eubulides, Euboulides, 1) van Miletus, wijsgeer uit de school van Euclides no. 3. Hij wordt ook genoemd als de leermeester van Demosthenes, dien hij geholpen zou hebben zijn spraakgebrek te overwinnen.--2) beroemd atheensch beeldhouwer uit het midden van de 2de eeuw.

Eubulus, Euboulos, 1) een van de beroemdste dichters der attische comedie uit het overgangstijdperk; hij leefde omstreeks het midden der 4de eeuw en schreef 104 stukken. Hij parodiëerde gaarne oudere treurspeldichters, vooral Euripides.--2) atheensch redenaar en demagoog (sedert 354), in hoog aanzien bij het volk; hij trachtte vooral de financiën van den staat te versterken, die hij waarschijnlijk tot het jaar 339 beheerd heeft, en was dus een voorstander van den vrede tot elken prijs en een hevig tegenstander van Demosthenes; door zijn invloed werd Aeschines (z. a.) vrijgesproken, toen Demosthenes hem van verraderlijke handelingen had aangeklaagd. Van hem is de wet, dat alle beschikbare staatsgelden voor het theorikon besteed moesten worden, en dat ieder met den dood gestraft zou worden, die hierin eene verandering voorstelde; eerst kort voor den slag bij Chaeronea werd deze wet ingetrokken. Hij stierf in 330.--3) van Alexandria, een philosoof uit de school der Sceptici, z. Pyrrho.

Euclides, Eukleides, 1) van Zancle, stichter van Himera.--2) eerste archont te Athene in 403, het jaar van de amnestie, de wederinvoering der wetten van Solon en de invoering van het ionische alphabet.--3) van Megara, kwam dikwijls des avonds in vrouwenkleederen naar Athene om Socrates te bezoeken, omdat de Atheners in dien tijd den Megarensers op doodstraf het verblijf in hun stad verboden hadden. Na den dood van Socrates vonden verscheidene van zijne leerlingen, die zich te Athene niet veilig achtten, o.a. Plato, bij Eucl. eene schuilplaats. Hij verbond de eenheidsleer der Eleaten met stellingen van Socrates en werd de stichter der megarische school, die leerde, dat alleen het goede, hoewel onder zeer verschillende namen, bestond. De verdediging van deze leer vereischte vele dialectische spitsvondigheden, waarin vooral zijne navolgers Eubulides no. 1 en Diodorus no. 1 uitmuntten en waarom de wijsgeeren van zijne richting dikwijls eristikoi of dialektikoi genoemd worden. Z. ook Stilpo.--4) beroemd wiskundige te Alexandrië omstreeks 300, schrijver van verscheiden werken over meetkunde, sterrenkunde en muziek. Zijn hoofdwerk, Stoicheia, wordt nog tegenwoordig soms als leerboek der meetkunde gebruikt.

Eucrates, Eukrates, atheensch demagoog, uit den eersten tijd na den val van Pericles.

Euctemon, Euktemon, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, eerste archont 408/7.--2) astronoom en geograaf uit de 2de helft der 5de eeuw.

Eudamidas, Eudamidas, aanvoerder van een spartaansch leger, dat in 382 gezonden werd om Olynthus te belegeren, bij welke onderneming hij sneuvelde.

Eudemus, Eudemos, 1) van Parus, logograaf in de zesde of vijfde eeuw.--2) van Rhodus, een der beste leerlingen van Aristoteles, zette als geneesheer vooral de wis- en natuurkundige navorschingen van zijn meester voort. V. s. is hij de schrijver der Ethika Eudemeia, naar voordrachten van Aristoteles opgesteld.

Eudocia, Eudokia, z. Athenais no. 2.

Eudorus, Eudoros, van Alexandrië, schrijver van verschillende werken over de leer van Plato, Aristoteles en Pythagoras; hij was een tijdgenoot van Augustus.

Eudoxia, eene Frankin, door den minister Eutropius aan den nietsbeteekenenden keizer Arcadius tot gemalin gegeven. Van 399 tot 405 na C. voerde zij voor den keizer de teugels van het bewind, en maakte zich door strengheid gehaat.

Eudoxus, Eudoxos, 1) van Cnidus, bestudeerde eenigen tijd in Aegypte astronomie, was een verdienstelijk geneesheer, maar vooral beroemd als wis-, sterren- en aardrijkskundige. Hij had te Cnidus een observatorium en was de eerste, die de bolvormige gedaante der aarde bewees. Omstreeks 370 voerde hij in zijne vaderstad verscheiden veranderingen in de staatsregeling in. Ofschoon hij een leerling van Plato was, verwierp hij vele van diens physische en ethische leerstellingen.--2) van Cyzicus, omstreeks 120, schrijver van een werk bevattende zijne waarnemingen op reizen naar Indië, Hispanië en Africa. Van zijne aanteekeningen heeft Posidonius gebruik gemaakt.

Euenus, Euenos, 1) z. Idas.--2) koning van Lyrnessus, vader van Briseis.--3) naam van twee elegische dichters, van welke één leermeester van Socrates genoemd wordt. De sophist, die op eenige plaatsen bij Plato vermeld wordt, is waarschijnlijk dezelfde persoon als een van deze beide dichters.

Euenus, Euenos, vroeger Lycormas geheeten, een woeste bergstroom in Aetolia. Ook eene rivier in Mysia.

Eueteria, Eueteria, bijnaam van Demeter te Corinthe.

Eugammon, Eugammon, van Cyrene, een van de cyclici, dichtte omstreeks 570 eene Telegonie, een vervolg op de Odyssee tot den dood van Odysseus.

Euganei, bergvolk op de Raetische Alpen, voornamelijk naar de zijde van Italië.

Euhemerus, Euemeros, van Messana, leefde aan het hof van Cassander (311-297), en was de schrijver van de hiera anagraphe, naar den vorm eene samenhangende geschiedenis van den mythischen tijd (hij vertelt o.a. van een fabelachtig eiland Panchaea, z. a.), maar eigenlijk meer eene verdediging van de stelling, dat alle goden en heroën oorspronkelijk menschen geweest waren, wien men wegens hunne uitmuntende eigenschappen na hun dood goddelijke eer was gaan bewijzen, en wel het eerst op de plaatsen waar zij begraven waren. Deze leer, naar hem Euhemerismus genoemd, vond vele aanhangers, maar ook ernstige bestrijders; Ennius vertaalde het werk van Euh. in het Latijn, en de kerkvaders beroepen zich dikwijls erop.

Euius, Euios, bijnaam van Dionysus, naar den kreet der Bacchanten: euoi.

Eukleia, feest te Corinthe ter eere van Artemis gevierd, die daar en te Thebe den bijnaam Eukleia had.

Eulaeus, Eulaios, rivier in Susiane, vereenigt zich met den Choaspes en valt met dezen in den Tigris.

Eumaeus, Eumaios, zoon van koning Ctesius van het eiland Syria, die als kind door zijn voedster ontvoerd en aan Laërtes verkocht werd. Hij werd zwijnenhoeder bij dezen en later bij Odysseus. Toen zijn heer onbekend in zijn vaderland terugkeerde, ontving Eum. hem vriendelijk; Odysseus maakte zich dan ook het eerst aan hem bekend en bediende zich van zijne hulp in den strijd tegen de vrijers van Penelope.

Eumelus, Eumelos, 1) z. Agron.--2) zoon van Admetus en Alcestis, aanvoerder der Thessaliërs in den trojaanschen oorlog.--3) van Corinthe, een Bacchiade, in het midden der 8ste of v. a. der 7de eeuw.

Eumenes, Eumenes, 1) van Cardia, geb. 362, geheimschrijver van Philippus en later van Alexander d. G., die hem hoog schatte en hem dikwijls tegen den haat en de afgunst der macedonische edelen moest beschermen. Toen hij na den dood van Alex. zag, dat zijne pogingen om de verschillende veldheeren tot overeenstemming te brengen vruchteloos waren, sloot hij zich bij Perdiccas aan en bleef hij met trouw, moed en bekwaamheid voor de rechten van het koninklijke huis strijden. Bij de verdeeling van het rijk kreeg hij Cappadocië en omliggende landen, en terwijl Perdiccas in Aegypte oorlog voerde, verdedigde hij Azië met goed gevolg tegen Antipater en Craterus. Na den dood van Perdiccas werd hij door Antigonus beoorloogd, tegen wien hij zich met een betrekkelijk geringe macht vier jaar staande hield, totdat hij in 316 door het verraad der Macedoniërs, die onder hem dienden, in de handen van zijn vijand viel, die hem liet dooden. Zijn dagboek over de tochten van Alex. (Ephemerides Alexandrou) wordt door oude schrijvers hoog geprezen.--2) Eum. I, regeerde als opvolger van zijn oom Philetaerus over Pergamus (263-241), vergrootte zijn rijk ten koste van Syrië, overwon Antiochus Soter in een slag bij Sardes en was een beschermer van kunsten en wetenschappen.--3) Eum. II, koning van Pergamus (197-159), langen tijd een getrouw vriend der Rom., ondersteunde hen tegen Nabis en Antiochus d. G., en werd wederkeerig door hen beschermd in zijne oorlogen tegen Prusias van Bithynië en Pharnaces van Pontus; bovendien werd zijn gebied met het grootste deel van het door Antiochus afgestane land vergroot en werd hij eenige malen te Rome met groote eer ontvangen. Door dit alles geraakte hij echter in een toestand van afhankelijkheid, waaruit hij zich gaarne bevrijd zoude hebben, daarom knoopte hij met Perseus van Macedonië onderhandelingen aan, terwijl deze met Rome in oorlog was, wat door de Rom. zoo kwalijk genomen werd, dat zij hem op alle wijzen in verlegenheid brachten, en zelfs zijn broeder Attalus tegen hem trachtten op te zetten. Hij was een beschermer van kunsten en wetenschappen, verbond geleerden en dichters aan zijn hof, en breidde de door zijn vader gestichte bibliotheek uit. Hij is ook de stichter van het groote altaar te Pergamum, waarvan het beeldwerk nu te Berlijn is (z. Pergamum).

Eumenides, Eumenides, z. Erinnyes.

Eumenius, Eumenios, latijnsch rhetor en panegyricus in Gallia in de 3de eeuw en het begin der 4de eeuw n. C. Van hem, hoewel niet onder zijn naam, zijn 7 lofredenen en ééne suasoria bewaard gebleven. Hij is een tijdlang magister memoriae van Maximianus geweest, maar later weder rhetor geworden in zijn vaderstad Augustodunum (Autun).

Eumolpidae, Eumolpidai, atheensche familie, waarin de waardigheid van hierophant (z. Eleusinia) erfelijk was. Zij spraken ook recht in processen wegens schending der mysteriën. Hun stamvader was Eumolpus.

Eumolpus, Eumolpos, zoon van Poseidon en Chione, ook zoon van Musaeus genoemd, een Thraciër, priester van Demeter en dichter. Hij vestigde zich te Eleusis, voerde er de mysteriën van Demeter en Dionysus in en vierde ze het eerst met de dochters van Celeüs. Als bondgenoot der Eleusiniërs sneuvelde hij in den oorlog, dien zij tegen Erechtheus (z. a.) voerden. Verscheiden liederen, die op de mysteriën betrekking hebben (teletai), ook de uitvinding van wijnbouw en boomkweekerij worden hem toegeschreven.--Gewoonlijk neemt men aan, dat er drie of vier personen van dien naam geweest zijn, en dat de mysteriën niet door denzelfden Eumolpus zijn ingevoerd, die tegen Erechtheus sneuvelde.

Eunapius, Eunapios, van Sardes, grieksch rhetor op het einde der 4de eeuw na C., vijand van het Christendom, schreef 23 levensbeschrijvingen van wijsgeeren uit zijn tijd. Van zijn kroniek die van 270 tot 404 na C. liep, zijn eenige vrij aanzienlijke fragmenten over.

Euneus, Euneos, ook Euneus of Euneos, zoon van Iason en Hypsipyle, koning van Lemnus, stond in handelsbetrekking met de Grieken voor Troje.

Eunomia, Eunomia, eene van de Horae.

Eunomus, Eunomos, koning van Sparta, vader van Lycurgus, werd bij een opstand gedood.

Eunus, Eunous, van geboorte een Syriër, slaaf te Enna op Sicilia, aanvoerder van den grooten slavenopstand, die het eiland van 141 tot 132 teisterde en eerst door den consul P. Rupilius werd onderdrukt. Eunus werd op de vlucht in eene spelonk ontdekt en gevat, doch stierf vóór zijne terechtstelling.

Eupalium, Eupalion, stad bij de ozolische Locriërs, met de haven Erythrae.

Eupatridai, 1) zij die behooren tot de eerste van de drie phylen, waarin Theseus het volk van Attica verdeelde.--2) alg. menschen van adellijke geboorte, ook vertaling van het lat. patriciï.

Euphemus, Euphemos, 1) zoon van Poseidon en Europa, onderstuurman der Argonauten. Hij kreeg van Triton een kluit aarde, die, volgens de voorspelling van Medea, aan zijne nakomelingen in het vierde geslacht de heerschappij over Libye zoude bezorgen. De kluit werd echter bij Thera verloren, en nu werd de voorspelling eerst in het zeventiende geslacht vervuld, toen zijn afstammeling Battus van Thera naar Libye kwam en Cyrene stichtte.--2) zoon van Troezenus, aanvoerder der Ciconen en bondgenoot der Trojanen.

Euphorbus, Euphorbos, een van de dapperste Trojanen, de eerste die aan Patroclus een wond toebracht, later door Menelaus gedood. Pythagoras beweerde, dat hij vroeger als Euphorbus op aarde geleefd had.

Euphorion, Euphorion, 1) zoon van Achilles, bij Helena verwekt, toen zij op de eilanden der zaligen leefden. Daar hij de liefde van Zeus niet beantwoordde, werd hij door den bliksem gedood.--2) vader van Aeschylus.--3) zoon van Aeschylus, bracht na den dood van zijn vader eenige van diens stukken ten tooneele, en behaalde viermaal den prijs; eenmaal ook met eene tetralogie van hemzelf tegen Sophocles en Euripides.--4) van Chalcis op Euboea, geb. 276, schrijver van vele geleerde werken en van gedichten in den alexandrijnschen trant; hij stierf als bibliothecaris van Antiochus d. Gr. Vooral bij de Rom. werd zijne poëzie hoog geschat. Cicero drijft den spot met hem en zijn Romeinsche navolgers.

Euphranor, Euphranor, van Corinthe, beroemd beeldhouwer en schilder omstreeks 380. Vooral zijne schilderijen in den zuilengang van Zeus eleutherios aan de agora te Athene worden hoog geprezen.

Euphrates, Euphrates, belangrijke rivier, die met twee hoofdtakken in Armenia ontspringt, door den Taurus heenbreekt en, met den Tigris vereenigd, zich in de Perzische golf ontlast. De Perzische golf is eerst door den tocht van Nearchus (no. 2) bekend geworden; de vroegere schrijvers laten dus den Euphraat en den Tigris in de Roode Zee, d. w. z. den Indischen Oceaan uitmonden. In Babylonia werd uit den Euphraat veel water afgeleid door zijkanalen.

Euphratensis = Augustophratensis.

Euphron, Euphron, 1) van Sicyon, maakte van de onrustige tijden van den spartaansch-thebaanschen oorlog gebruik om zich met behulp van de arme burgers van het oppergezag meester te maken. Hij onderdrukte zijne tegenpartij, doch werd weder verdreven, vluchtte naar Thebe en werd daar vermoord (± 365).--2) dichter der nieuwe attische comedie omstreeks 280, van wiens werken slechts weinige fragmenten bewaard zijn.

Euphronius, Euphronios, een van de beroemdste attische vazenschilders uit ± 500. Hij schildert in den streng roodfigurigen stijl.

Euphrosyne, Euphrosyne, eene van de Charites.

Eupithes, Eupeithes, 1) vader van Antinoüs, die, om den dood van zijn zoon te wreken, het volk van Ithaca tegen Odysseus opruide. Het kwam tot een gevecht, waarbij hij door Laërtes gedood werd.

Euploia, bijnaam van Aphrodite.

Eupolis, Eupolis, van Athene, een van de beste blijspeldichters der oude attische comedie. Hij trad reeds op zijn zeventiende jaar als dichter op en schreef 20 stukken, van welke 7 den eersten prijs behaalden, en waarin de ouden dezelfde eigenschappen roemen als in die van zijn tijdgenoot Aristophanes. Hij stierf nog voor het einde van den peloponnesischen oorlog. Van zijne werken zijn alleen fragmenten bewaard gebleven.

Eupompus, Eupompos, van Sicyon, leefde kort na den peloponnesischen oorlog; hij was de stichter eener schilderschool, die zich vooral op juistheid van teekening en groote nauwkeurigheid in de details toelegde.

Euripides, Euripides, zoon van den Athener Mnesarchides, op den dag van den slag bij Salamis op dat eiland geb., de derde der groote attische treurspeldichters. Zijne ouders waren, naar men beweerde, van zeer geringen stand; dit wordt echter tegenwoordig tegengesproken; zijne moeder, Clito, Kleito, was zelfs van adel; hij genoot dan ook eene zeer goede opvoeding. In zijne jeugd legde hij zich op de gymnastiek en schilderkunst toe, later werd hij een leerling van Anaxagoras, een toehoorder van Prodicus en Protagoras en een vriend van Socrates. Zijne werken toonen den invloed van zijne philosophische studiën: zij munten uit door groote kennis en juiste schildering van karakters en hartstochten en bevatten vele treffende tooneelen; daarentegen missen zij den verheven eenvoud van de stukken van Aeschylus en Sophocles; zij zijn niet meer ontleend aan de algemeen bekende mythen, maar geven dikwijls een oorspronkelijke, soms zeer romantische, bewerking van een of andere bizonderheid daaruit, zoodat meestal een proloog de toeschouwers moet inlichten over den inhoud van het stuk en de betrekkingen tusschen de handelende personen. Zijn helden toonen in hun denken en handelen meer de eigenschappen van gewone menschen; ook wordt de handeling telkens afgebroken door wijsgeerige bespiegelingen, terwijl ook de koorgezangen niet meer met het stuk zelf samenhangen, maar geheel als bijzaak behandeld zijn; de ontknooping is dikwijls niet op eene natuurlijke wijze te vinden, zoodat de tusschenkomst van een god--deus ex machina--noodig wordt. Op godsdienstig gebied verkondigt hij soms stellingen, die met het volksgeloof in strijd zijn; op lateren leeftijd schijnt hij echter tot de algemeen gangbare meeningen daaromtrent teruggekeerd te zijn, of ingezien te hebben, dat het nutteloos was den strijd er tegen voort te zetten. Om al deze redenen, ook naar aanleiding van allerlei nieuwigheden in metriek en muziek, die hij op het tooneel bracht, werd hij door Aristophanes en andere blijspeldichters meedoogenloos gehekeld als de vertegenwoordiger van alles, wat zij in den geest van hun tijd afkeuren; over het geheel kon hij zich niet beroemen grooten bijval gevonden te hebben: slechts vijfmaal verkreeg bij den eersten prijs (het eerst in 441), terwijl hij 92 (v. a. 98) stukken geschreven heeft, waarvan het eerste reeds in 465 is opgevoerd. Na zijn dood vonden zij echter de grootste bewondering en vielen juist zijne eigenaardigheden, die hem van de andere groote treurspeldichters onderscheiden, in den smaak van het publiek.--Ook zijn huiselijk leven gaf hem weinig stof tot tevredenheid: zoowel in zijn eerste als zijn tweede huwelijk was hij ongelukkig; zijne eerste vrouw verstiet hij wegens ontrouw, zijne tweede vrouw verliet hem. Met staatszaken bemoeide hij zich niet; toch schijnt hij weinig ingenomen te zijn geweest met de richting, die men te Athene na den dood van Pericles had ingeslagen, en dikwijls liet hij zijne ontevredenheid door een van de personen zijner stukken uitspreken. Op het einde van zijn leven gaf hij gehoor aan eene uitnoodiging van koning Archelaus van Macedonië, aan wiens hof hij groote eer genoot; in 406 of 405 stierf hij er.--Van zijne werken bestaan nog 18 treurspelen en 1 satyrdrama. De meest bekende hiervan zijn: Alcestis (opgevoerd 438), Medeia (431), Hippolytus (428), Iphigeneia en Taurois, Ion, Phoinissai, Iphigeneia he en Aulidi en het satyrdrama Kyklops.--Ook een neef van den grooten dichter, die denzelfden naam droeg, trad als treurspeldichter op, naar het schijnt met weinig geluk. Zijn zoon, die ook Euripides heette, heeft enkele stukken van zijn vader na diens dood doen opvoeren.

Euripus, Euripos, zeeëngte met eb en vloed, in het bijzonder de zeeëngte bij Chalcis tusschen Euboea en het vasteland. Dat gedeelte van de zeestraat, dat ten N. van Chalcis is, heet Euboeische zee.

Eurome of -mus, Eurome, Euromos, stadje in Caria, tusschen Mylasa en Heraclea Latmi.

Europa, Europe, 1) dochter van Tityus, moeder van Euphemus.--2) dochter van Phoenix en Perimede of van Agenor en Telephassa. Toen zij eens aan het strand der zee wandelde, kwam Zeus tot haar in de gedaante van een schoonen stier; het meisje streelde hem en waagde het eindelijk zich op zijn rug te zetten, waarop hij in zee sprong en met haar naar Creta zwom. Hier legde hij zijne aangenomen gedaante af en bracht haar naar den berg Dicte. Zij werd bij hem moeder van Minos, Rhadamanthys en Sarpedon en huwde later met Asterion (z. a.). Op Creta genoot zij onder den naam Hellotis goddelijke eer.--3) Oceanide.

Europa, Europe, het werelddeel. Oorspronkelijk is de naam beperkt tot Griekenland, behalve de Peloponnesus, en tot Macedonië; bij Herodotus omvat het behalve het tegenwoordig Europa, ook het N. van Azië; later is de Tanaïs (Don) en de Palus Maeotis de oostelijke grens; bij sommigen echter de Phasis, bij anderen de Caucasische landengte tusschen de Zwarte zee en de Caspische zee.

Europus, Europos, 1) stad aan den Axius (Vardar) in het maced. landschap Emathia.--2) stad in Caria = Idrias (Stratonicea).--3) stad in Syria.--4) zie Rhagae.

Eurotas, Eurotas, hoofdriv. van Laconica, waaraan Sparta lag. In zijn bovenloop stroomt de Eurotas onder den grond door. De oevers waren dicht bezet met riet en biezen, waaruit de spartaansche jongens zich hun legerstede bereidden.

Eurus, Euros, oorspronkelijk de Oostenwind, later de Zuidoostenwind, zie Windstreken.

Euryale, Euryale, 1) eene van de Gorgonen.--2) dochter van Minos, moeder van Orion.--3) koningin der Amazonen, die Aeetes tegen de Argonauten te hulp kwam.

Euryalus, Euryalos, 1) zoon van Mecisteus, een der Epigonen, Argonaut en makker van Diomedes voor Troje.--2) een van de tochtgenooten van Aeneas, beroemd door zijne vriendschap voor zijn makker Nisus, z.a.

Euryanax, Euryanax, zoon van Dorieus, een van de aanvoerders der Spartanen bij Plataeae.

Eurybates, Eurybates, 1) heraut van Agamemnon.--2) heraut van Odysseus.

Eurybatus, Eurybatos, 1) van Ephesus, werd door Croesus naar de Peloponnesus gezonden om troepen te werven, maar liep tot Cyrus over en verried hem het plan van Croesus. Zijn naam werd spreekwoordelijk voor een verrader gebruikt.--2) Lacedaemoniër, de eerste overwinnaar in den worstelstrijd te Olympia (708).--3) bevelhebber der corcyraeische vloot in den slag tegen de Corinthiërs bij Sybota (432).

Eurybiades, Eurybiades, Spartaan, opperbevelhebber der grieksche vloot in den oorlog tegen Xerxes. Hoewel hij weinig uitrichtte, kenden de Spartanen hem na den slag bij Salamis den prijs der dapperheid toe.

Euryclea, Eurykleia, dochter van Ops, slavin van Laërtes, voedster van Odysseus, de eerste die hem bij zijne terugkomst herkende.

Eurydice, Eurydike, 1) Dryade, gehuwd met Orpheus (z. a.). Voor Aristaeus, die haar met zijne liefde vervolgde, vluchtend, trapte zij bij ongeluk op een vergiftige slang, die haar een doodelijke wond toebracht.--2) of Aganippe, dochter van Lacedaemon, bij Acrisius moeder van Danaë.--3) dochter van Adrastus, bij Ilus moeder van Laomedon.--4) of Henioche, gemalin van Creon no. 2, hing zich op bij het vernemen van den zelfmoord van haar zoon Haemon.--5) gemalin van Lycurgus, moeder van Archemorus.--6) dochter van Clymenus, gemalin van Nestor.--7) z. Arrhidaeus.

Euryganea, Euryganeia, z. Oedipus.

Eurylochus, Eurylochos, tochtgenoot van Odysseus, die door zijne voorzichtigheid aan de tooverkunsten van Circe ontsnapte. Op het eiland Thrinacia gaf hij den raad de runderen van den zonnegod te dooden, daarvoor werd hij door Zeus met den bliksem getroffen.

Eurymachus, Eurymachos, 1) een van de minnaars van Hippodamea, door Oenomaüs gedood.--2) een van de minnaars van Penelope, door Odysseus gedood.--3) aanzienlijk Thebaan, werd bij de overrompeling van Plataeae in het begin van den peloponnesischen oorlog gedood.

Eurymedon, Eurymedon, 1) koning der Giganten.--2) wagenmenner van Agamemnon, te gelijk met zijn heer door Aegisthus gedood.--3) atheensch veldheer, ging in 427 en 425 naar Corcyra om de democratische partij te ondersteunen, en werd in 425 en wederom in 415 met eene vloot naar Sicilië gezonden; in 413 sneuvelde hij voor Syracuse.

Eurymedon, Eurymedon, riv. in Pamphylia, waarbij de Athener Cimon in 466 de Perzen te land en ter zee versloeg.

Eurynome, Eurynome, 1) Oceanide, bij Zeus moeder der Chariten.--2) huishoudster bij Odysseus.--3) moeder van Adrastus.--4) moeder van Agenor.--5) bijnaam van Artemis in Arcadië.

Euryphron, Euryphron, van Cnidus, beroemd geneesheer, oudere tijdgenoot van Hippocrates.

Eurypon, Eurypon, kleinzoon van Procles, derde koning van Sparta uit het geslacht der Procliden, die naar hem dikwijls Eurypontiden (Eurypontidai) genoemd worden.

Eurypylus, Eurypylos, 1) zoon van Euaemon, koning in Thessalië, een der voornaamste helden voor Troje. Bij het verdeelen van den buit na de inneming der stad viel hem eene kist ten deel, waarin een beeld van Dionysus was, door Hephaestus gemaakt en aan Dardanus geschonken, maar toen hij de kist opende, werd hij plotseling waanzinnig. Het delphische orakel beval, dat hij, om genezing te vinden, de kist ergens moest wijden waar ongewone offers gebracht werden; deze plaats vond hij te Aroë in Achaia, waar men aan Artemis jaarlijks twee menschen offerde. Na de komst van Eur. werden de menschenoffers afgeschaft, en de dienst van Dionysus-Aesymnetes ingesteld.--2) zoon van Poseidon en Celaeno, ging van Thessalië naar Libye, en regeerde in de omstreken van Cyrene.--3) zoon van Poseidon en Astypalaea, koning van Cos.--4) zoon van Telephus en Astyoche, bondgenoot der Trojanen, werd na vele dappere daden door Neoptolemus gedood.--5) zoon van Thestius, werd met zijne broeders door hun neef Meleager op de calydonische jacht gedood, wegens eene beleediging, aan Atalante aangedaan.

Eurysaces, Eurysakes, zoon van Aiax no. 2 en Tecmessa, werd met zijn vader te Athene als heros vereerd.

Eurysthenes, Eurysthenes, zoon van Aristodemus no. 1, regeerde met zijn broeder Procles over Lacedaemon, hij was de stamvader van het koninklijke geslacht der Eurystheniden Eurysthenidai.

Eurystheus, Eurystheus, zoon van Sthenelus en Nicippe, koning van Mycenae, z. Heracles en Heracliden.

Eurytion, Eurytion, 1) Centaur, die naar de hand van de dochter van Dexamenus, koning van Olenus, dong, en door Heracles, die haar eveneens beminde, gedood werd. Hij wordt ook genoemd als degene, die Hippodamea wilde schaken, en aanleiding gaf tot den strijd tusschen Centauren en Lapithen.--2) zoon of kleinzoon van Actor, een van de Argonauten, z. Peleus.--3) zoon van Ares en Erythia, bewaker der kudden van Geryones.--5) zoon van Lycaon, bekwaam boogschutter, tochtgenoot van Aeneas.

Eurytis, Iole, dochter van Eurytus.

Eurytus, Eurytos, 1) of Erytus, zoon van Hennes en Antianira, Argonaut.--2) zoon van Melaneus, koning van Oechalia. Hij had zijne dochter Iole beloofd aan hem, die zijne zonen in het schieten met den boog zou overtreffen. Toen Heracles den prijs echter gewonnen had, hield hij zijn woord niet, daarom doodde Heracles hem en zijne zonen.--3) een van de Molioniden.--4) = Eurytion no. 2.--5) een van de Giganten, bij de gigantomachie door Dionysus verslagen.

Eusebia of -bea, Eusebeia = Caesarea ad Argaeum.

Eusebius, Eusebios, van 313 tot 340 n. C. bisschop van Caesarea in Palestina, niet te verwarren met zijn naam- en tijdgenoot, den bisschop van Emesa in Phoenice. Eusebius van Caesarea, waar hij tusschen 260 en 264 geboren was, kan de vader der kerkgeschiedenis worden genoemd. Onder zijne werken zijn beroemd de ekklesiastike historia en het zoogenaamde Chronicon Eusebii, eene latijnsche omgewerkte vertaling zijner pantodape historia, eene synchronistische geschiedenis tot 324 n. C., door Hieronymus (331-420), een der kerkvaders, bewerkt en voortgezet tot 378.

Eustathius, Eustathios, Cappadociër, wijsgeer der nieuw-platonische school, leerling van Iamblichus, in 358 n. C. gezant van keizer Constantius bij den perzischen koning Sapores.

Euterpe, Euterpe, Muze der lyrische poëzie, afgebeeld met de dubbele fluit in de handen.

Euthycrates, Euthykrates, Olynthiër, die zich liet omkoopen om zijne vaderstad aan Philippus van Macedonië te verraden (348).

Euthydemus, Euthydemos, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog met Nicias eenigen tijd aanvoerder der Atheners voor Syracuse.--2) van Chius, leerde als sophist te Thurii en Athene; naar hem is een van de werken van Plato genoemd.--3) broeder van Lysias.--4) zoon van Diocles, leerling van Socrates.

Euthymus, Euthymos, beroemd vuistvechter van Locri in Italië ten tijde van de perzische oorlogen; men verhaalde, dat hij zonder te sterven van de aarde verdwenen was.

Euthynai, rekening en verantwoording, die ieder atheensch overheidspersoon binnen een bepaalden tijd na zijn aftreden bij de logisten moest afleggen; bij deze gelegenheid konde ieder burger klachten tegen den afgetredene inbrengen over de wijze, waarop hij zijn ambt had waargenomen. Bevonden de logisten, dat hij zich aan misbruik van macht, verraad, verduistering of dgl. had schuldig gemaakt, dan brachten zij hem na voorloopig onderzoek voor den rechtbank der heliasten, ook in het tegenovergestelde geval werden zij voor de rechtbank gebracht om van alle verdere verantwoordelijkheid ontslagen te woorden (episemainesthai).

Euthynoi, te Athene 10 personen, een uit elke phyle, die den logisten ter zijde stonden bij het nazien van de euthynai.

Eutropius, 1) geheimschrijver van keizer Valens en schrijver van een Breviarium of beknopt overzicht der geschiedenis van het rom. rijk van de stichting van Rome tot op den dood van keizer Jovianus 369 n. C. Het laatste gedeelte is het belangrijkste, omdat de schrijver daar zijn eigen tijd beschrijft. In 380 is het door Paeanius in het Grieksch vertaald. Het is zeer spoedig een schoolboek geworden en in de M. E. geregeld als zoodanig gebruikt.--2) gesnedene, gunsteling van keizer Arcadius, die zich in de plaats van den minister Rufinus wist te dringen (395 n. C.) en de belangen van het rijk aan zijne hartstochten opofferde. In 399 viel hij zelf in ongenade bij de keizerin Eudoxia. Hij werd verbannen, doch weder door Arcadius teruggeroepen, maar te Chalcedon door zijne vijanden vermoord.

Eventus, Bonus Eventus, god van het gedijen der veldvruchten, over het algemeen een god die eene begonnen onderneming tot een goed einde leidt. Zijn beeld stond op het Capitolium, zijn tempel op den Campus Martius.

Evictio, eisch tot ontruiming van een eigendom, dat buiten weten van den eigenaar in vreemde handen is.

Evocati zijn soldaten, die uit den dienst ontslagen en dikwijls met landerijen begiftigd werden onder voorwaarde, dat zij, opgeroepen wordende (nominatim evocare), zich op nieuw onder de vanen van hun vorigen veldheer zouden scharen. Zij kwamen dan weder in dienst met den rang van centurio. Ook een corps uitgelezen jongelui uit den ridderstand, die door keizer Galba voor eigen bewaking waren aangeworven.

Exangelos, op het grieksche tooneel een bode, die eene gebeurtenis mededeelt, welke binnenshuis heeft plaats gehad.

Exaireseos dike = aphaireseos dike.

Exampaeus, Exampaios, zijtakje van den Hypanis (Bug), dat het water van den Hypanis bitter of zout maakte. In werkelijkheid is het zoutgehalte van het water van den Hypanis een gevolg van het indringen van het zeewater in den mond der rivier.--Ook een plaats ten O. van den Hypanis, ook Hirai hodoi geheeten.

Excubiae, wachtposten bij dag; (vigiliae, bij nacht). Onder de keizers de wacht bij het paleis.

Execias, Exekias, beroemd Attisch schilder van zwart-figurige vazen uit het midden van de 6de eeuw.

Exedra, exedra, receptie- en conversatiezaal in aanzienlijke huizen, dikwijls met een halfrond uitgebouwd. Ook in de gymnasia der Grieken en de badhuizen der Romeinen vond men dikwijls dergelijke zalen. De grieksche wijsgeeren gaven er somtijds hunne lessen; de hoorders plaatsten zich langs den kant van het halfrond, de spreker in het midden.

Exiteria, offer, door de leden van den raad bij het nederleggen hunner betrekking gebracht. Z. eisiteria.

Exodium, exodion, kluchtig tooneelstukje, bij de Rom. na ernstige stukken opgevoerd; gewoonlijk werd daarvoor eene fabula Atellana gebruikt. Zie ook Mimus.

Exomis, exomis, grieksche tunica, hetzij geheel zonder mouwen, hetzij alleen met een linkermouw. Misschien bleef hierdoor ook een gedeelte van de borst onbedekt.

Exomossia, 1) beëedigde opgave van redenen, waarom men een ambt of eene liturgie niet kan op zich nemen.--2) beëedigde verklaring dat men niets weet van eene zaak, waarin men als getuige is opgeroepen.

Exostra, exostra, 1) eene machine, op het tooneel gebruikt tot hetzelfde doel als het ekkyklema, v.s. een soort balcon aan het huis of paleis, dat zich op den achtergrond bevond.--2) een brug, die uit een belegeringstoren naar buiten geschoven werd om op den muur der belegerde stad te komen.

Exoules dike, aanklacht tegen iemand, die een ander met geweld uit zijne bezittingen verdrijft, of hem verhindert iets in bezit te nemen, dat hem bij rechterlijk vonnis is toegewezen. Werd de aangeklaagde veroordeeld, dan moest hij den staat eene boete betalen, gelijk aan dat wat hij den aanklager schuldig was.

Extispicium. Bij het offeren van eenig dier was het voor de divinatio van groot belang, hoe de ingewanden lagen en er uitzagen. Vooral de lever speelde hierbij een belangrijke rol. De lever had eene pars familiaris, waaruit de offeraar de toekomst opmaakte voor zich en zijn volk, en eene pars hostilis. Na het eerste onderzoek werden de ingewanden in een pot gekookt en ook onder het koken nauwlettend gadegeslagen. Deze kunst verstonden de rom. priesters in het algemeen ook wel, doch in zeer ernstige gevallen worden extispices of haruspices ontboden uit Etruria, waar de leer der ingewandzienerij tot den hoogsten trap was opgevoerd, evenals de bliksemleer. Keizer Claudius stelde een collegie van romeinsche haruspices in, dat echter nooit tot aanzien kwam.

F.

F, zie fasti (dies).

Fabaria, zie Burchana.

Fabariae (Kalendae), z. Carna.

Fabaris = Farfar (Farfarus).

Fabianus Fornix, een boog over de Sacra via te Rome, op de plaats waar die op het Forum uitkwam, opgericht door Q. Fabius Maximus Allobrogicus (Fabii no. 20), en hersteld door zijn kleinzoon (Fabii no. 22).

Fabianus Papyrius, rom. wijsgeer ten tijde van Augustus en Tiberius, een man van groote welsprekendheid en reinen levenswandel. Zijne geschriften over wijsbegeerte en natuurlijke historie zijn verloren.

Fabii, eene der oudste patricische gentes te Rome, misschien van sabijnschen oorsprong. 1) Q. Fabius Vibulanus, consul in 485 en 482, een warm voorvechter der aristocratie. Onder zijn eerste consulaat had de veroordeeling van Sp. Cassius Viscellinus plaats. Hij streed in 485 tegen de Aequers en Volscers en maakte zich gehaat door aan de soldaten niets van den buit te gunnen, doch alles te laten verkoopen. In 480 sneuvelde hij in den strijd tegen Veii.--2) K. Fabius Vibulanus, broeder van no. 1, consul in 484, 481 en 479, de eerste maal met grooten tegenstand der plebs door toedoen der patriciërs verkozen, was eerst voortdurend in strijd met de volkstribunen, die eene lex agraria wilden doordrijven. In zijn derde consulaat echter deed hij zelf, maar vergeefs, den voorslag, dat de senaat verdere pogingen in dien geest zou voorkomen door uit eigen beweging veroverden grond onder de plebejers te verdeelen. Zie echter Agrariae (leges) en Tribuni plebis. Op zijn voorstel trok in 479--volgens het niet al te betrouwbare geschiedverhaal--de geheele gens Fabia, uitgezonderd een nog te jonge knaap, 306 man sterk, met hare cliënten naar het riviertje de Cremera, om de grenzen tegen de Vejers te beschermen. In 477 vonden zij, in eene hinderlaag gelokt, allen den dood.--3) M. Fabius Vibulanus, broeder van no. 1 en 2, was consul in 483 en 480, zoodat het consulaat zeven jaren achtereen in de gens Fabia was. Hij voerde evenals zijne broeders oorlog tegen de naburige volken en sneuvelde bij de Cremera.--4) Q. Fabius Vibulanus, zoon van no. 3, de eenige overgeblevene van het geslacht, consul in 467, 465 en 459, streed tegen Aequers en Volscen, en bewerkte de uitzending eener rom. kolonie naar Antium (467). In 462 verzette hij zich als praefectus urbi ten sterkste tegen het voorstel van den tribuun Terentilius de legibus scribendis. In 450 was hij een der tienmannen.--5) M. Fabius Vibulanus, zoon van no. 4, consul in 442, consulairtribuun in 433, bewerkte de uitzending eener kolonie naar Ardea (442), streed bij herhaling tegen Aequers en Vejenten en werd pontifex maximus. Hij kwam vermoedelijk om bij den inval der Galliërs in 390, daar hij Rome niet wilde verlaten.--6) Num. Fabius Vibulanus, ook een zoon van no. 4, consul in 421, consulairtribuun in 415 en 407, streed als consul tegen de Aequers.--7) Q. Fabius Vibulanus, evenals de beide vorigen een zoon van no. 4, was consul in 523 en consulairtribuun in 416 en 414.--8) Num. Fabius Ambustus, zoon van no. 5, veroverde als consulairtribuun in 406 Anxur. Hij was één der drie gebroeders Fabii, die in 391 naar Clusium tot de Galliërs werden gezonden. In 390 was hij weder consulairtribuun. Zie no. 10.--9) K. Fabius Ambustus, broeder van no. 8, was consulairtribuun in 404, 401, 395 en 390. Ook hij behoorde tot het gezantschap naar Clusium (zie no. 8 en 10).--10) Q. Fabius Ambustus, broeder van no. 8 en 9, behoorde ook tot het gezantschap naar Clusium, en werd in 390 met zijne broeders tot consulairtribuun gekozen. Na den aftocht der Galliërs werd hij ter verantwoording geroepen wegens zijne schennis van het volkenrecht. De dood, misschien zelfmoord, deed hem een vonnis ontgaan. Het verhaal omtrent deze drie broeders is op allerlei wijzen opgesmukt. In het oorspronkelijke verhaal treden slechts twee Fabii op (no. 8 en 9), waarvan men niet zeker weet, of het broers zijn. No. 10 is tamelijk legendarisch.--11) M. Fabius Ambustus, zoon van no. 8, consul in 360, 356 en 354, overwon achtereenvolgens de Hernicers (360), de Faliscers en Tarquiniërs (356) en de Tiburtijnen (354). In 351 was hij dictator.--12) M. Fabius Ambustus, zoon van no. 9, consulairtribuun in 381 en 369, ondersteunde de plannen van zijn schoonzoon, den volkstribuun C. Licinius Stolo. Vermoedelijk echter was hij het, die in 355 als interrex de verkiezing van twee patricische consuls, hoewel tegen de lex Licinia Sextia geschied, voor geldig verklaarde. Hier is alles onzeker. Z. ook Liciniae Sextiae (leges) no. 1.--13) C. Fabius Ambustus streed als consul in 358 ongelukkig tegen de Tarquiniërs, die 307 rom. krijgsgevangenen ombrachten.--14) Q. Fabius Maximus Rullianus, zoon van no. 11, leverde als magister equitum in 325 tegen het bevel van zijn dictator L. Papirius Cursor een schitterenden slag tegen de Samnieten, doch ontging de straf voor zijne ongehoorzaamheid slechts door de eenparige voorbede van senaat en volk. Zijn ambt moest hij echter nederleggen. Dit verhaal is niet geheel betrouwbaar. In 322 was hij consul, in 315 dictator, in 310 en 308 weder consul, in 304 censor, in 301 andermaal dictator, in 297 en 295 nogmaals consul. Hij was een van Rome's grootste veldheeren, schoon niet altijd overwinnaar. O.a. werd hij in 315 als dictator door de Samnieten bij Lautulae verslagen. In 310 ontzette hij het door de Etruscers belegerde Sutrium, door in Noord-Etrurië in te vallen. In 308 streed hij tegen de Samnieten. In 297 versloeg hij, volgens een ongeloofwaardig bericht, met P. Decius Mus hen bij den berg Tifernus, in 295 versloegen Fabius en Decius (z. Decii no. 2) de verbonden Samnieten, Galliërs en Etruriërs bij Sentinum. Onder zijne tijdgenooten komen ook nog Ambusti voor: Q. Fabius Ambustus als dictator comit. habend. causa in 321, C. Fabius Ambustus als mag. eq. in 315.--15) Q. Fabius Maximus, bijgenaamd Gurges (= vraat, slokop) om zijne losbandigheid in zijne jeugd, zoon van no. 14 (waarschijnlijk is het verhaal omtrent zijn losbandigheid verzonnen om den naam Gurges te kunnen verklaren). Op rijperen leeftijd begon hij evenwel een ander gedrag te leiden. Als consul werd hij in 292 door de Samnieten verslagen, maar overwon daarna met hulp van zijn vader den samnietischen veldheer Pontius (z. a.), in 276 versloeg hij wederom als consul de Samnieten, Lucaners en Bruttiërs; in zijn derde consulaat, 265, dempte hij een slavenopstand te Volsinii, doch sneuvelde daarbij.--16) Q. Fabius Maximus Verrucosus (wegens eene wrat, verruca, aan de lip aldus genoemd), consul in 233, 228, 215, 214 en 209, censor in 230, de bekende dictator in 217 na de nederlaag en den dood van C. Flaminius bij het Trasumeensche meer. (Eigenlijk was hij pro dictatore zie het artikel dictator.) In 233 zegepraalde hij over de Liguriërs; in 219 was hij aan het hoofd van het gezantschap, dat na de inname van Saguntum naar Carthago werd gezonden, waarbij hij, volgens het bekende verhaal, den Carthagers de keuze liet tusschen oorlog en vrede, waarop zij tot den oorlog besloten. Als dictator volgde hij de taktiek, een slag in het open veld te vermijden, en liever Hannibal af te matten, daar hij de overtuiging koesterde, dat diens strijdkrachten en hulpmiddelen op vijandelijken bodem op den duur uitgeput moesten raken. Spoedig echter begon dit stelsel bij het rom. volk afkeuring te vinden, daar Hannibal zooveel mogelijk het platte land verwoestte en de dorpen en hoeven in brand stak. Door eene lex Metilia werd toen de magister equitum M. Minucius Rufus ook met dictatoriale macht bekleed. Deze waagde een veldslag, en zou geheel verslagen zijn, zoo niet Fabius ware toegeschoten en hem gered had, waarop Minucius zich vrijwillig weder onder Fabius' bevelen stelde. Naar deze wijze van oorlogvoeren heeft Fabius den bijnaam van Cunctator gekregen; om zijn zacht karakter werd hij ook Ovicula genoemd. Ook later voerde hij herhaaldelijk legers aan, hetzij als consul, hetzij als proconsul, onder het commando van zijn zoon. Bij vele geschiedschrijvers ook bij Livius, die hem legaat noemt, vinden wij het verhaal hoe de vader den zoon, als hoogere in rang, eer moet bewijzen. Het verhaal is vereeuwigd in het oud Amsterdamsche stadhuis (het Paleis op den Dam). In 209 veroverde hij Tarentum. Hij was een heftig tegenstander van Scipio's plan, om den oorlog naar Afrika over te brengen. Fabius stierf in 203. Cicero roemt hem als redenaar.--17) Q. Fabius Maximus, zoon van no. 16 (z. a.), consul in 213, stierf nog vóór zijn vader.--18) Q. Fabius Maximus Aemilianus, zoon van L. Aemilius Paullus en broeder van P. Cornelius Scipio Aemilianus, in 180 door een der Fabii Maximi geadopteerd, was een vriend van den geschiedschrijver Polybius. In 145 en 144 voerde hij als consul en proconsul oorlog in Lusitania tegen Viriathus.--19) Q. Fabius Maximus Servilianus, ook wel onder zijn oorspronkelijken naam Cn. Servilius Caepio voorkomende, door adoptie een broeder van no. 18, streed ook als proconsul in 141 en 140 tegen Viriathus en sloot met dezen een verdrag, dat echter door zijn broeder Q. Servilius Caepio verbroken werd. Hij heeft annales geschreven.--20) Q. Fabius Maximus Allobrogicus, zoon van no. 18, leidde als jongeling een losbandig leven. Onder zijn oom P. Cornelius Scipio Aemilianus diende hij als quaestor in den numantijnschen oorlog. In 121 behaalde hij een groote overwinning op de Allobrogen in Gallia. Uit den buit richtte hij te Rome een triumfboog, den fornix Fabianus, op. Cicero prijst hem als redenaar.--21) Q. Fabius Maximus Eburnus, consul in 116, werd later verbannen, omdat hij zijn zoon met den dood gestraft had.--22) Q. Fabius Maximus kleinzoon van no. 20, diende in Hispania als legaat onder Caesar (46), en werd in 45 consul. Hij stierf nog in ditzelfde jaar. Tot suffectus werd toen gekozen voor den laatsten dag van het jaar C. Caninius Rebilus (Caninii no. 2), met wiens waakzaamheid Cicero den spot drijft.--23) Paulus Fabius Maximus, een bloedverwant van Ovidius en bevriend met Augustus, vergezelde dezen op zijne reis naar Posthumus Agrippa, doch werd toen verdacht aan Livia geheimen verklapt te hebben. Kort daarna stierf hij.--24) C. Fabius Pictor, de eerste beoefenaar der schilderkunst onder de aanzienlijke Rom., beschilderde in 302 (v. a. in 304) de wanden van den tempel van Salus, door C. Junius Bubulcus Brutus (Junii no. 3) gewijd. Zijn talent vond echter zoo weinig bijval, dat hij geene navolgers heeft gevonden.--25) Q. Fabius Pictor, kleinzoon van no. 24, omstreeks 220, schreef in het Grieksch zeer belangrijke annalen, van de komst van Aeneas in Italia tot op zijn eigen tijd. Er bestond ook een Latijnsche vertaling van.--26) Ser. Fabius Pictor, redenaar en geschiedkenner, was een tijdgenoot van Cato maior en schreef een werk de iure pontificio.--27) Verder komen onder de consuls, censoren, dictators nog de namen voor: Fabius Buteo, Fabius Dorso, Fabius Licinus, Fabius Labeo, ook Fabius Pictor. Iets bijzonders is van hen hier niet te vermelden. Ook wordt nog een Q. Fabius Sanga, een vriend van Cicero, vermeld alsmede zekere Q. Fabius Virgilianus, in 51 legaat in Cilicia, later aanhanger van Pompeius.--28) Fabius Rusticus, een vriend van Seneca, door Tacitus als redenaar geprezen, schreef eene geschiedenis van Nero, die verloren is gegaan.--29) C. Fabius Valens, bewerkte als legatus legionis samen met A. Caecina Alienus, dat Vitellius (Jan. 69 n. C.) tot keizer werd uitgeroepen. Aan het hoofd van een legercorps versloeg hij met Caecina de Othoniani bij Bedriacum. Later beheerde hij met Caecina de staatszaken voor Vitellius. In den oorlog tegen Vespasianus werd hij gevangen genomen en gedood.

Fabrateria vetus, volscische stad in Latium. Ten Zuiden hiervan is na de verwoesting van Fregellae in 124 Fabrateria nova als rom. colonie gesticht.

Fabricii, hernicisch geslacht uit Aletrium. 1) C. Fabricius Luscinus verhuisde omstreeks 300 naar Rome. Als consul streed hij in 282 zegevierend tegen de Samnieten, Lucaniërs en Bruttiërs. Daarna werd hij als gezant naar Tarentum afgevaardigd, doch daar wederrechtelijk gevangen gehouden. In 280 streed hij onder den consul P. Valerius Laevinus in den slag bij Heraclea tegen Pyrrhus. In 279 was Fabricius als legaat in den slag bij Asculum (Ausculum). Daarna werd hij als gezant tot Pyrrhus gezonden, met wien hij tot overeenstemming schijnt gekomen te zijn; de vrede kwam echter niet tot stand, (zie Claudii no. 5). In 278 was hij opnieuw consul. Hij ontving toen van 's konings lijfarts een aanbod om den koning te vergiftigen, doch in plaats van dit aan te nemen, gaf hij er den koning bericht van. In 275 was hij censor en ging met gestrengheid alle noodelooze weelde tegen. Hij stierf arm; de staat gaf aan zijne dochters een bruidschat.--2) L. Fabricius bouwde in 62 den pons Fabricius van Rome naar de insula Tiberina.--3) Q. Fabricius, volkstribuun in 57, deed een wetsvoorstel tot terugroeping van Cicero, doch Clodius verhinderde de aanneming er van.--4) A. Fabricius Veiento, z. Veiento (A. Fabricius).

Fabula (palliata), z. Palliata.

Fabula (praetexta), zie Praetexta (fabula).

Fabula (togata), zie Togata no. 2.

Fadii, plebejisch geslacht. 1) M. Fadius Gallus, een zeer geleerd man en vriend van Cicero. Hij heeft een lofrede geschreven op Cato Uticensis (45).--2) T. Fadius Gallus, volkstribuun in 57, deed vruchtelooze pogingen om Cicero te doen terugroepen. Onder Cicero's consulaat, 63, was hij quaestor te Rome geweest.

Faenius Rufus (L.), praefectus annonae sedert 55 n. C., werd na den dood van Burrus met Tigellinus praefectus praetorio (62). Hij was een onbaatzuchtig man. In 65 nam hij deel aan de samenzwering van Piso, en hoewel hij zijn medeplichtigen verried, werd hij toch omgebracht.

Faesulae, ta Phaisyla, thans Fiesole, stad in het N. van Etruria, nabij den Arnus (Arno). Hier hadden Catillina's benden hun kamp opgeslagen. Onder Sulla werd er eene kolonie van gemaakt.

Fagutal, een van de bergen van het Septimontium, zie Roma.

Falacrinum, stad in het sabijnsche land, geboorteplaats van Vespasianus.

Falarica = Phalarica.

Falces. Onder dezen naam verstaat men alle soorten van zeisen, sikkels en snoeimessen. Falx supina is een groot gekromd mes, aan de buitenzijde scherp (en dus als het ware achteroverliggend), waarmede eene soort van zwaardvechters vochten, Thraces genoemd. Ensis falcatus of ook hamatus is een kort zwaard, aan de punt sikkel- of eenigszins haakvormig gekromd. Falces murales of asseres falcati waren lange stelen of balken met sikkelvormige haken om de door den stormram gebeukte muren te doen afbrokkelen. In den zeestrijd gebruikte men gelijksoortige falces navales om het tuig der vijandelijke schepen door te snijden. Currus falcati, zeisenwagens, zijn door Grieken en Rom. nooit gebezigd.

Falcidia (lex) testamentaria van den volkstribuun C. Falcidius, 40. Deze wet bepaalde dat de legaten bij testament nooit meer dan 3/4 van het vermogen mochten bedragen.

Falerii, Phalerion, stad in het Z.O. van Etruria, wier inwoners, de Falisci, waarschijnlijk verwant zijn met de Latijnen. Na den val van Veii beginnen de oorlogen met Rome. Later sloten zij zich bij Rome aan, tot ze in 293, toen het te laat was, tegen Rome partij kozen. In 241, na den vrede met Carthago, stond de stad op, en werd in 6 dagen ingenomen en verwoest. De bewoners werden gedwongen, de hoogte te verlaten en in de vlakte eene nieuwe nederzetting te stichten, Aequum Faliscum, terwijl in de oude stad slechts de tempels bleven staan. Iets verder af ligt Falerii Novi, dat later een colonie wordt, en in den keizertijd gebloeid heeft. Als stichter van Falerii werd Halesus (Falesus) aangenomen (z. a.).

Falernus (ager), in het N. van Campania tusschen den mons Massicus en de rivier Volturnus, zie ook Campania. De falernische wijn was beroemd; hij was hooggeel van kleur, en moest noch te oud, noch te jong zijn; op 15 jaar was hij het best.

Falisci, zie Falerii.

Falsum. Valschheid en vervalsching waren volgens het oudste rom. recht slechts in enkele gevallen strafrechterlijk vervolgbaar, b.v. valsch getuigenis; zij konden evenwel tot een civiele rechtsvordering aanleiding geven. Sulla's lex Cornelia de falso stelde de aquae et ignis interdictio op testament- en muntvervalsching. Later, vooral onder de keizers, werden er veel meer valsche handelingen onder strafwetten gebracht.

Fama, eene godin, die losse en onzekere geruchten onder de menschen verspreidt, personificatie van het loopend gerucht, waarvan geen zegsman aan te wijzen is. Zij heeft vleugels, duizend oogen en duizend monden, en heeft op hare afbeeldingen een spreektrompet voor den mond.

Fannia (lex) sumptuaria van den consul C. Fannius Strabo, 161. Deze wet bepaalde de sommen, die op gewone dagen en op feestdagen voor een gastmaal mochten worden besteed.

Fannii, plebejisch geslacht. 1) C. Fannius, volkstribuun 187, werkte mede tot de veroordeeling van L. Corn. Scipio Asiaticus.--2) C. Fannius Strabo, zoon van no. 1, consul in 161, was de ontwerper der lex Fannia sumptuaria. Ook werden tijdens zijn consulaat de grieksche philosophen en rhetoren uit Rome verbannen.--3) C. Fannius, zoon van no. 2, was in 146 een der eersten, die de muren van Carthago beklom; hij was volkstribuun in 142, consul in 122 door de hulp van C. Gracchus, behoorde nochtans tot diens tegenstanders. Hij was een schoonzoon van C. Laelius Sapiens. Hij was voorstander der stoicijnsche wijsbegeerte en schreef annales, waarin hij vooral zijn eigen tijd behandelde; verder stond hij bekend als redenaar.--4) M. Fannius was in 80 praetor in het proces van Sex. Roscius Amerinus.--5) L. Fannius, aanhanger van Sertorius, had de hand in het verbond tusschen dezen en Mithradates.--6) C. Fannius, aanklager van P. Clodius Pulcher in 61, tijdens het tweede driemanschap op de hand van Sex. Pompeius, later aan de zijde van Antonius.--7) C. Fannius, in 59 als volkstribuun ernstig tegenstander van Caesar's lex agraria.--8) Fannius Caepio, wegens samenzwering tegen Augustus ter dood gebracht (22).--9) Fannius, tafelschuimer en pruldichter, bediller van Horatius.--10) C. Fannius, ten tijde van Traianus, schreef een werk over de terechtstellingen onder Nero.--11) Fannia, eene vrouw te Minturnae, die Marius op zijne vlucht herbergde.--12) Fannia, de dochter van P. Clodius Thrasea Paetus en Arria minor, en de tweede vrouw van Helvidius Priseus (z. Helvidii no. 3). Zij deelde tweemaal de ballingschap van haar man. Onder Domitianus werd zij verbannen, en haar goederen verbeurd verklaard. Na diens dood keerde zij naar Rome terug.

Fanum (van fari), een door een formulier gewijde en met muren omgeven plaats, heiligdom, tempel.

Fanum Fortunae, aanzienlijke stad aan den Metaurus in Umbria in den ager Gallicus, met een beroemden Fortuna-tempel.

Farfar (Farfarus), zijtakje van den Tiber, in den ager Sabinus.

Fasces, bundel roeden van olmen- of berkentakken, met een lederen riem omsnoerd. In den bundel was ook de steel van een bijl gebonden, doch zoo, dat het staal naar buiten stak. Dit zijn de fasces et secures, die de lictoren der magistratus cum imperio droegen. Binnen Rome echter lieten de consuls en praetoren de bijlen uit de bundels weg. Bij strafoefeningen dienden de roeden tot geeseling, de bijl tot onthoofding der veroordeelden. De lictoren droegen de bundels over den linkerschouder. Ontmoette de overheidspersoon iemand van hoogeren rang (bv. een praetor een consul of wel eene vestaalsche maagd), dan namen de lictoren van den eersten hunne roeden van den schouder en lieten ze zakken als teeken van eerbied (fasces submittere).

Fascinus, -num, z. Baskania.

Fasti, 1) f. dies, rechtsdagen, waarop de praetor de woorden do, dico, addico, mocht uitspreken (zie praetor). In den rom. kalender waren zij aangeduid met de letter F. Op een dies nefastus (N) mocht dit niet. Een dies nefastus principio (NP) was vóór den middag N., na den middag F. Zie ook Nefasti dies.--2) de romeinsche kalender, d. w. z. de opteekening der dies fasti, nefasti, intercisi, comitiales, met vermelding der op iederen dag vallende feesten, spelen en offers, waarbij nog aanteekeningen gevoegd waren omtrent geschiedkundige gebeurtenissen, en omtrent den op- en ondergang van verschillende sterrenbeelden. Deze kalender werd opgemaakt door de pontifices; een gedeelte daarvan, de dies fasti, is voor het eerst door Cn. Flavius (zie Flavii no. 2) in 304 uitgegeven. Een dichterlijke bewerking heeft Ovidius gegeven in zijn Fasti, die de eerste 6 maanden van het jaar behandelen. Verder verdienen vermeld te worden de fasti Praenestini van M. Verrius Flaccus (zie Verrius).--Een aanwijzing van de voornaamste romeinsche vaste feest- en gedenkdagen ten tijde van Augustus vindt men achter in dit werk.--3) de lijsten van jaarlijks wisselende ambtenaren (fasti consulares, praetorii), van de priesters (fasti sacerdotales, fasti fratrum arvalium), en van de in ieder jaar gevierde triumfen (fasti triumphales). Van hetgeen nog uit de oudheid over is, zijn wel het meest bekend de zoogenaamde Fasti Capitolini, een chronologische lijst van de consuls, censoren, dictatoren en magistri equitum, die in 34 aan den buitenmuur van de regia werd aangebracht. Later (in 12) werd een relaas van zegetochten (fasti triumphales of beter acta triumphorum (zie acta)) op afzonderlijke pijlers hieraan toegevoegd.

Fatui, Fatuae, misvormde en soms onnoozele menschen, die in de huishouding der rom. grooten als huisnarren gebruikt werden. Dwergen, nani, nanae, waren tot dit doel ook zeer in trek.

Fatum, de uitdrukkelijk uitgesproken en onherroepelijke wil der goden ten opzichte van den mensch, dus zijn geheel levenslot, gelukkig of ongelukkig, in het bijzonder de dood. Het meervoud beteekent de afzonderlijke beschikkingen van het noodlot betreffende een persoon of zaak; ook = Parcae. Vgl. moira.

Fatuus, naam van Faunus als orakelgevend god. De heiligdommen, waar zijne orakels (droomorakels) gegeven werden, waren gewoonlijk in boschrijke streken.--Volgens een verhaal zou hij zich eens door Numa hebben laten dronken maken, en toen gedwongen zijn hem de geheimen der godenwereld te openbaren.

Fauna, zie Faunus en Bona Dea.

Faunus, zoon van Picus, een oud-italisch veld- en boschgod, beschermer van landbouw en veeteelt, en dus den menschen welgezind, hoewel hij er vermaak in vindt hen in stille bosschen of in hun slaap (Incubus) te plagen en te verschrikken. Als orakelgevend god wordt hij Fatuus genoemd.--V. s. was hij een koning van Latium geweest, en door Heracles gedood, toen hij dezen aan Mercurius wilde offeren, zooals hij met vreemdelingen placht te doen.--Zijn voornaamste feest zijn de Lupercalia (z. a.); een ander landelijk feest zijn de Faunalia, die den 5den December werden gevierd; het was een dag van vroolijkheid, waarop zelfs slaven en vee vrijheid genoten; men offerde bokken, wijn, melk en wierook. F. had een tempel op de Insula Tiberina, z. Domitii no. 2. Zijn dienst werd in den keizertijd verdrongen door dien van Silvanus.--Nevens hem staat Fauna (Fatua), eene godin, die dezelfde eigenschappen heeft als hij, en zijne vrouw of dochter genoemd wordt. Faunus werd reeds vroeg voor denzelfden gehouden en eveneens afgebeeld als Pan, en onder den invloed van deze meening sprak men ook van Fauni, soms kinderen van hem en Fauna genoemd, en ongeveer gelijk aan de grieksche satyrs.

Fausta, 1) dochter van L. Cornelius Sulla. Zij is driemaal gehuwd geweest, de tweede maal met T. Annius Milo.--2) de gemalin van Constantijn den Gr., die door hem in 326 n. C. gedood werd.

Faustina, naam der gemalin van Antoninus Pius en van hare dochter, de gemalin van Marcus Aurelius. Beiden waren vrouwen van een losbandig karakter. Ter eere van de eerste Faustina wijdde Antoninus Pius in 141 een tempel aan de Via Sacra te Rome, die na zijn dood ook aan hem werd gewijd. Een deel van den tempel bestaat nog.

Faustulus, de herder, die de kinderen Romulus (z. a.) en Remus vond, en aan zijn vrouw Acca Larentia (z. a.) bracht.

Faventia, thans Faënza, stad in Gallia Cisalpina, aan de via Aemilia gelegen.

Favonius (M.), bewonderaar en naäper van Cato van Utica, tegenstander van het eerste driemanschap, vooral van Pompeius toen deze machtig was, hoewel hij na diens vlucht toch zijne zijde koos. Na Pompeius' dood schonk Caesar aan Favonius vergiffenis; doch deze sloot zich later bij Caesars moordenaars aan, werd in den slag bij Philippi (42) gevangen genomen en op last van Octavianus omgebracht.

Favonius, de Westenwind, later de Noordwestenwind. Met het waaien van dezen zachten wind begint in Italië de lente (1ste helft van Februari). In Zwitserland Föhn geheeten. Zie Windstreken.

Favorinus, Phaborinos, rhetor onder keizer Hadrianus, uit Arelate in Gallië, leerling van Dio Chrysostomus en bevriend met Plutarchus en Fronto, schrijver van verschillende grieksche werken over allerlei onderwerpen.

Febris, koortsafwerende godin, die te Rome drie tempels had, waar genees- en toovermiddelen tegen de ziekte te verkrijgen waren.

Februus, oud-italisch god der lijkoffers, die aangeroepen werd om de Larvae of spoken van de menschen af te houden. Naar hem was de maand Februarius genoemd, waarin men na de Lupercalia geen vroolijk feest vierde en niets van belang begon. V. a. was die maand genoemd naar de februa, zie Lupercalia.

Feciales = Fetiales.

Felix, agnomen van L. Cornelius Sulla (Cornelii no. 52).--Felix (Antonius), zie Antonius Felix.

Felsina, oude naam van Bononia (Bologna), toen de Etruscers nog in het Po-dal woonden.

Fenestella (C.), ten tijde van Augustus en Tiberius, geschiedkenner en annalist.

Fenni, de Finnen. Ze worden door Tacitus geschilderd als een wild volk, dat uitsluitend van de jacht leeft, en slechts hutten kent van rijshout.

Fennius Rufus, zie Faenius Rufus.

Fenus (van den stam fe- = phyo, evenals tokoi van tikto). De rentevoet was oudtijds zeer hoog, wat in verband stond met het gevaar, uitgeleende geldsommen te verliezen. Bij de Grieken is ons niets bekend van wettelijke regeling dezer zaak; bij de Rom. vindt men de eerste bepaling aangaande rente in de wetten der twaalf tafelen. Deze wetten stelden een fenus unciarium als wettig maximum vast. Waarschijnlijk beteekent dit, dat de rente 1 uncia van de as = 1/12 (= 8 1/3 %) bedroeg voor het jaar van 10 maanden, zoodat de rente per 12 maanden 10 % is. Doch hetzij de wet niet streng genoeg was, hetzij men ze wist te ontduiken, men hield zich er niet aan, althans in 357 achtten de volkstribunen M. Duillius en L. Maenius (Menenius) het noodig, nogmaals het fenus unciarium door eene wet vast te stellen, en de plebs nam de lex Duillia Maenia (Menenia) gretig aan. Tien jaar later werd de wettelijke rente met de helft verminderd, fenus semiunciarium. Het doel schijnt te zijn geweest, door lagen rentevoet de menschen af te schrikken, geld tegen rente uit te leenen; althans de lex Genucia ne fenerare liceret, van den volkstribuun L. Genucius, in 342, verbood dit geheel en al. Maar men kon het schulden maken niet voorkomen, het handelsverkeer werd door de wet bemoeilijkt, zij was niet te handhaven, en de woeker herleefde, in weerwil van nog verschillende wetten. Sulla hernieuwde de wet van 357, zie Corneliae (leges) van L. Cornelius Sulla, 88, no. 6. Het handelsverkeer met Griekenland en het Oosten bracht eene nieuwe renteberekening in zwang, n.l. met maandelijksche centesimae. De usura centesima was 1 % 's maands, usurae semisses 1/2 %, trientes 1/3 %, quadrantes 1/4 %, sextantes 1/6 %, unciae 1/12 %. Interest op interest heette anatocismus, anatokismos. Bankinstellingen waren den Rom. niet onbekend; in 352 werd tijdelijk eene staatsbank opgericht onder beheer van quinqueviri mensarii.

Feralia of parentalia, een feest te Rome ter eere der afgestorvenen, wier geesten, naar men geloofde, in die dagen hunne oude woonplaatsen mochten bezoeken. Het feest begon 13 Februari en duurde negen dagen. Men bracht offers aan de schimmen van bloedverwanten en versierde de graven. Zie ook Caristia.

Ferentarii, lichte, ongeregelde troepen, die met werpschichten en steenen gewapend waren en op de vleugels dienst deden en den strijd openden.

Ferentina, godin van het latijnsche verbond, dat zijne vergaderingen placht te houden bij een aan haar gewijd bosch aan den voet van den Albaanschen berg.

Ferentinum, stad der Hernici, in Latium, een tijdlang in de macht der Volscen.

Ferentum, Ferentium, Ferentinum, stad in Zuid-Etrurië, geboorteplaats van keizer Otho.

Feretrius, bijnaam van Jupiter, wien de spolia opima gewijd werden. Zijn tempel was door Romulus gebouwd en door Augustus vernieuwd.

Feriae werden vooral die godsdienstige feesten genoemd, die meer dan één dag duurden. Feriae statae (stativae) waren feesten, die jaarlijks op vaste dagen terugkeerden, conceptivae die, waarvan de dagen ieder jaar door de pontifices worden vastgesteld en afgekondigd (indicere). Dit zijn de landbouwfeesten, waarvan de viering van den stand van het gewas afhankelijk is, o.a. de Sementivae, en de Ambarvalia. Feriae imperativae zijn feesten, die ten gevolge van buitengewone gebeurtenissen (overwinningen of prodigia) door den senaat worden uitgeschreven, b.v. de supplicationes.

Feriae Latinae, groote feesten op den Albaanschen berg ter eere van Jupiter Latiaris. De viering behoorde plaats te vinden onder voorzitterschap der consuls, zoodra mogelijk na de aanvaarding van hun ambt. Waren zij verhinderd, dan werd er meestal een dictator voor aangewezen. Rome was in die dagen bijna verlaten (zie ook praefectus urbi).

Feronia, italische godin, vooral vereerd aan den voet van den berg Soracte, waar haar de eerstelingen der veldvruchten geofferd werden en druk bezochte markten gehouden werden. Zij was eene godin der vrijheid, en slaven, die zich in haar tempel te Anxur (Tarracina) het hoofdhaar lieten afscheren, werden vrij. Ook een bron bij Anxur was haar gewijd.--V. s. is zij dezelfde als Persephone.

Feroniae lucus, heilig woud met drukke marktplaats bij de etruscische stad Capena aan den voet van den berg Soracte. Ook bij Anxur in Latium lag een bosch aan Feronia gewijd.

Fescennium, oude stad der Falisci, in Zuid-Etrurië, juiste ligging onbekend; hiernaar hebben de versus Fescennini, boertige, niet altijd kiesche bruiloftsliederen, hun naam.

Festi (dies) waren dagen, die aan eene godheid gewijd en dus feestdagen waren. Gewone dagen waren dies profesti. Van een dies intercisus of naar een oudere schrijfwijze endotercisus, in den rom. kalender door EN aangeduid, was het middelste gedeelte feestdag.

Festuca, roedje, stokje, zie manumissio.

Festus. 1) Porcius Festus, procurator van Judaea, opvolger van Antonius Felix, 59-61 na C.--2) Sex. Pompeius Festus, taalkundige waarschijnlijk uit de 3de eeuw n. C., schreef een werk in 20 boeken de significatione verborum, ontleend aan een ouder en nog uitgebreider woordenboek van Verrius Flaccus. Van het werk van Festus zijn slechts groote brokstukken over; van het geheel bezitten wij een uittreksel, door zekeren monnik Paulus Diaconus onder de regeering van Karel den Gr. vervaardigd.--3) Rufus Festus, z. Rufus no. 3.--4) Rufus Festus Avienus, z. Avienus.

Fetiales, priestercollegie te Rome, welks taak het was, bij oorlogsverklaringen, vredesverdragen en verbonden de voorgeschreven godsdienstige plechtigheden te vervullen. Zoolang het rom. gebied nog klein was, werden zij ook als herauten uitgezonden, om van de naburen herstel van grieven te vorderen (clarigatio) of den oorlog te verklaren, waartoe zij naar de grenzen gingen en een werpspies in het vijandelijke land slingerden. Toen het Rom. gebied hiertoe te groot werd, werd de vijandelijke grond voorgesteld door eene mand met aarde, bij den tempel van Bellona geplaatst (zie columna bellica). De woordvoerder der fetiales werd pater patratus genoemd. Zij waren als gezanten onschendbaar, en droegen, wanneer zij eene zending vervulden, takken van heilig loof (verbena) of heilige kruiden (sagmina), op het Capitool geplukt.

Fibrenus, riviertje in Latium, bij Arpinum. Juist daar, waar het in den Liris uitstroomt, lag het ouderlijk huis van Cicero.

Fibula, perone, porpe, gesp, nestel. Terwijl in het Myceensche tijdperk de kleederdracht meer overeenstemt met de tegenwoordige, vindt men reeds in het Homerische tijdperk en verder gedurende de geheele oudheid een wijze van kleeding, die van de onze geheel afwijkt; de meeste kleeren worden eenvoudig omgeslagen om het lichaam, en dan op één of beide schouders of op de borst met een gesp of nestel, het best te vergelijken met onze veiligheidsspeld, vastgestoken. Alleen bij de toga is de fibula niet in gebruik. Ook als ceintuurgesp en als haarnaald komt de fibula voor.

Ficana, stadje in Latium aan de via Ostiensis, door Ancus Marcius verwoest.

Ficul(n)ea, latijnsch stadje, verwoest door Tarquinius Priscus.

Ficus Ruminalis, zie Rumina.

Fidenae, Phidenai, stad in Latium, 8 kilometer ten Noorden van Rome, op een rots aan den Tiber, tegenover de Cremera-beek gelegen. De stad hoorde oorspronkelijk tot het bondgenootschap van Alba (de populi Albenses), maar sloot zich meestal bij Veii aan, tot ze in 426 (door den dictator Mam. Aemilius Mamercinus) veroverd en vernietigd werd.

Fidentia, rom. kol. in Gallia Cispadana aan de via Aemilia, tusschen Parma en Placentia.

Fides, godin der goede trouw, afgebeeld als eene ernstige vrouw, in het wit gekleed, gekroond met olijf- en laurierbladeren, met een korf met vruchten of korenaren in de hand. Zij had verscheiden tempels te Rome; in den oudsten, die bij het Capitolium lag en volgens de sage door Numa gewijd was, werd zij als F. publica populi Romani vereerd. In werkelijkheid is de tempel eerst gebouwd in 254 of 250, maar de dienst was ouder. Haar wezen was verwant met Dius Fidius (z. a.). Het zinnebeeld der trouw waren twee in elkaar gelegde handen.

Fidius, z. Dius Fidius.

Fiducia is eene zaak van vertrouwen, een nevencontract bij de vrijwillige overgaaf van iets, waarbij de ontvanger beloofde, het ontvangene terug te zullen geven. Zoo verkoopt een vader, die zijn zoon wil emancipeeren, dezen driemaal aan een pater fiduciarius, onder belofte, dat deze hem telkens weder zal vrijlaten. Ook gebeurde het wel, dat een erflater zijne nalatenschap geheel of ten deele door een schijnkoop aan een ander verkocht, onder belofte, dat de emptor fiduciarius over de erfenis volgens den wensch des erflaters zou beschikken. Dit middel werd te baat genomen om zekere gedeelten eener erfenis te doen uitkeeren aan personen, die naar de wet geen of slechts een beperkt erfrecht hadden, b.v. vreemdelingen en vrouwen. Het nakomen van zulk eene belofte was wel een heilige plicht, doch het strenge oude recht gaf geene dwangmiddelen aan. Ook bij het geven van onderpand kwam fiducia te pas, n.l. dat de pandnemer bij aflossing der schuld het pand zou teruggeven. Hier echter was, bij weigering, eene actio fiduciae mogelijk. Als rechtsterm komt fiducia ook wel in de beteekenis van pand voor.

Figulus, familienaam in de gens Marcia, z. Marcii no. 12 en 13.

Figulus (P. Nigidius), zie Nigidius.

Fimbria, familienaam in de gens Flavia, z. Flavii no. 3-5.

Firmicus Maternus (Julius), schreef eerst als Neo-Platonicus een werk over astrologie (matheseos libri) in 337 n. C. verschenen. Later ging hij tot het Christendom over en schreef een werk de errore profanarum religionum, dat aan de keizers Constantius en Constans was opgedragen, en waarin hij hen aanspoorde de heidenen te vervolgen.

Firmum, zeestad en lat. kolonie (sedert 264) in Picenum.

Firmus (Claudius), papyrusfabrikant in Alexandrië, maakte oproer onder de regeering van keizer Aurelianus (273 n. C.); het oproer werd echter spoedig gedempt en Firmus gedood.

Fiscus, eigenlijk een uit biezen of teenen gevlochten mand tot verschillend gebruik. Het schijnt, dat de Rom. geldmanden gebruikten in plaats van geldkisten; althans wij vinden fisci ook gebezigd tot verzending van geld, evengoed als tot bewaring er van. Vandaar beteekent fiscus ook wel de schatkist van den staat = aerarium. Onder de keizers krijgt fiscus, in tegenstelling van aerarium, de beteekenis van private kas des keizers, waarin ten laatste de meeste belastingen gestort werden. Eindelijk neemt het woord ook de beteekenis aan van opbrengsten aan den fiscus, dus van belasting.

Flaccus, familienaam in de gentes Fulvia (z. Fulvii no. 4-9) en Valeria (z. Valerii no. 19, 20, 22-25, 41). Ook de dichter Horatius droeg dezen naam.

Flagellum, flagrum. Een flagellum was een geeselwerktuig, bestaande uit touwen met knoopen er in, die aan een steel bevestigd waren; een flagrum had kettingen met ijzeren knoppen er aan. Flagellum caedit, secat, scindit; flagrum pinsit, rumpit.

Flamen. De flamines te Rome waren 15 in getal, priesters van even zooveel godheden. Er waren drie flamines maiores, priesters van Jupiter, Mars en Quirinus, flamen Dialis, Martialis, Quirinalis. De overige waren minores, zooals de fl. Volcanalis, Carmentalis, Floralis, Pomonalis, enz. De voornaamste was de fl. Dialis, die de toga praetexta, de sella curulis en een lictor had en ook zitting had in den senaat. In zijn openbaar en huiselijk leven was hij aan een groot aantal dikwerf lastige voorschriften gebonden. Hij mocht geen leger onder de wapenen zien, geen knoop of ongebroken ring hebben, daar dit zinnebeelden van slavernij waren. Elke dag was voor hem een feestdag; hij mocht dus geen menschen aan den arbeid zien, en wanneer hij over de straat ging, liepen praeclamitatores voor hem uit en riepen den menschen toe, hun werk te staken tot de priester voorbij was. Zijne vrouw, flaminica Dialis, was priesteres van Juno. Zijn huwelijk moest per confarreationem gesloten zijn; echtscheiding was hem verboden; stierf zijne vrouw, dan moest hij zijne waardigheid nederleggen. Sedert den dood van L. Cornelius Merula in 87 (Cornelii no. 44) is dit ambt 75 jaar lang onbezet gebleven. Na Caesars dood werd een flamen Caesaris gekozen; de vergode keizers kregen ook ieder hun flamen. De naam werd door de ouden afgeleid van filum, draad, omdat de flamines nooit zich geheel blootshoofds aan het volk mochten vertoonen, en derhalve, wanneer zij niet de priestermuts (apex, albogalerus) droegen, zich een wollen draad om het hoofd wonden. Tegenwoordig leidt men het woord af van flare = aanblazen van het offervuur. De keus was in de hand van den pontifex maximus; de voorgedragene werd comitiis calatis aangenomen en gewijd. Weigering baatte niet veel. De benoeming was voor het leven, doch zoo men tegen de voorschriften zondigde, moest men het ambt nederleggen.

Flaminia (lex) van den volkstribuun C. Flaminius in 232, ter verdeeling van gronden in Picenum en Gallia onder arme rom. burgers. Zie Agrariae leges.

Flaminia (via), van Rome naar Ariminum (Rimini) (z. Flaminii no. 1 en 2).

Flaminica, echtgenoote van een flamen.

Flaminii, plebejisch geslacht. 1) C. Flaminius, volkstribuun in 232, dreef onder hevigen tegenstand van den senaat zijn akkerwet door (zie lex Flaminia). Als praetor van Sicilia (227) maakte hij zich daar zeer bemind. In 223 was hij consul en versloeg de insubrische Galliërs aan den Addua (Adda), en bracht den oorlog ten einde, zonder zich aan het senaatsbesluit, dat hem terugriep, te storen. In 220 was hij censor, legde de via Flaminia aan (zie echter no. 2) en bouwde in den campus Martius te Rome den circus Flaminius. In 217 was hij andermaal consul, doch verliet Rome om het bevel tegen Hannibal op zich te nemen, alvorens aan al de voorgeschreven vormen en plechtigheden te hebben voldaan. Bij het meer Trasimenus door Hannibal in eene bergengte gelokt en ingesloten, sneuvelde hij met het grootste deel van zijn leger.--2) C. Flaminius, zoon van no. 1, streed in Hispania (210) onder P. Cornelius Scipio (den lateren Africanus maior), en later als praetor in 193. In 187 was hij consul. V. s. was hij de aanlegger van de via Flaminia.--3) C. Flaminius was in 67 aedilis curulis, in 66 index quaestionis inter sicarios.--4) C. Flaminius, een van de deelnemers aan de samenzwering van Catilina. Bij hem hield Catilina zich na zijn vlucht uit Rome eenigen tijd op in agro Arretino.

Flamininus, familienaam in de gens Quinctia, z. Quinctii no. 8 en 9.

Flammeum,--eigenlijk een adjectief, waarbij het subst. velum moet gedacht worden--bruidssluier, rood of hooggeel van kleur en van groote afmetingen, zoodat hij tot op de voeten hing. Aldus gesluierd, werd de bruid naar de woning van den bruidegom geleid, waar deze haar van het flammeum ontdeed. Schertsend bij dichters: flammea conterere, bruidssluiers verslijten = hertrouwen. Ook de flaminica droeg, als ze in functie was, een flammeum.

Flavia (lex), z. Flavii no. 6 en Agrariae leges.

Flavii, een plebejisch geslacht, afkomstig uit Etruria. Echter komen onder dezen naam ook familiën voor uit andere streken van Italia. 1) M. Flavius, volkstribuun in 327 en 323, stelde in 323 voor, de bevolking van Tusculum voor haar ontrouw voorbeeldig te straffen. Tusculum had zich namelijk bij de Samnieten aangesloten. Door smeekbeden bij het volk slaagden de Tusculaners er in, het onweder af te wenden.--2) Cn. Flavius, zoon van een vrijgelatene, scriba of klerk bij den aedilis App. Claudius Caecus, werd door hem in den senaat opgenomen en wist zich voor het jaar 304 tot aedilis curulis te doen verkiezen. In deze hoedanigheid maakte hij een rechtskalender openbaar, waarin zoowel de rechtsdagen (dies fasti) waren aangewezen, als ook een aantal vormen en formules (legis actiones), die men in acht moest nemen bij het aanbrengen en behandelen van verschillende zaken. Deze verzameling, die door hem op houten borden (alba) op het forum werd openbaar gemaakt, draagt den naam van ius Flavianum.--3) C. Flavius Fimbria, een homo novus, consul in 104. Hij werd later wegens afpersingen aangeklaagd, maar vrijgesproken.--4) C. Flavius Fimbria, aanhanger van Marius en Cinna, zoon van no. 3, liet in 86 in Asia, als legaat van den consul L. Valerius Flaccus, dezen vermoorden om zelf het bevel te kunnen voeren. Vervolgens voerde hij niet zonder geluk en beleid den oorlog tegen Mithradates, totdat in 85 Sulla in Asia kwam. Na vergeefsche pogingen om Sulla uit den weg te ruimen door zijn eigen troepen verlaten, liet hij zich door een slaaf dooden (84).--5) Flavius Fimbria, broeder van no. 4, streed onder den consul C. Norbanus in 83 tegen Sulla. Hij stierf door sluipmoord.--6) In Cicero's tijd komen nog een aantal Flavii voor, als L. Fl., rom. ridder, getuige tegen Verres,--L. Fl., praetor in 59, een vriend van Cicero, in 60 als volkstribuun voorsteller eener lex agraria ten gunste van Pompeius' veteranen, welke wet echter niet tot stand kwam,--C. Fl., een vriend van Cicero's schoonzoon Piso,--C. Fl., een vriend van Brutus, bij Philippi gesneuveld.--7) Flavius Scaevinus, senator tijdens keizer Nero, nam aan de samenzwering van Piso deel (65).--8) Uit de gens Flavia waren ook de drie achtereenvolgende keizers Vespasianus, Titus en Domitianus; de laatste wordt dichterlijk Flavius ultimus geheeten.--9) Flavius Clemens, z. Vespasianus aan het slot.--10) Flavius Sabinus, z. Sabinus no. 3.

Flavius Josephus, Iosephos, in 37 na C. uit een joodsch priestergeslacht te Jerusalem geboren. Hij genoot eene geleerde opvoeding, ging vervolgens naar Rome, waar hij de gunst verwierf van Nero's gemalin Poppaea Sabina; na zijn terugkeer brak weldra de opstand zijner landgenooten uit, waarbij hij zich aansloot. Hij organiseerde den opstand in Galilaea, maar werd na de inname van de vesting Iotapata gevangen genomen. Later door Vespasianus in vrijheid gesteld, woonde hij het beleg van Jerusalem door Titus bij, en wijdde zijne verdere dagen te Rome aan de wetenschap. Hij heeft o. a. eene geschiedenis van den joodschen oorlog geschreven, en eene joodsche geschiedenis van de schepping tot 66 na C. Van belang is ook zijn geschrift contra Apionem (z. Apion) of: Peri tes ton Ioudaion archaiotetos, waarin hij de aanvallen van verschillende schrijvers tegen het Jodendom tracht te weerleggen, en de oude en hooge beschaving van het oude volk tracht te bewijzen.

Flavus, broeder van den vorst der Cheruscen Arminius, diende in het rom. leger.

Flevo lacus, het meer Flevo, waaruit later de Zuiderzee is ontstaan. Door dit meer liep de noordelijke Rijnarm, die zich door het Flevum ostium (het Vlie) in zee stortte.

Flora, godin der bloemen en der lente, wier dienst door Titus Tatius ingevoerd was, had een tempel bij den Circus Maximus. Men hield haar voor dezelfde als Chloris.

Floralia, Flora-feesten van 28 April tot 1 Mei. Zij komen het eerst voor in 238, bij de inwijding van den tempel van Flora. Sedert 173 worden zij jaarlijks gevierd, z. Ludi. Alles werd op dit feest met bloemen versierd, terwijl men zich aan dartele, uitgelaten vroolijkheid overgaf. De vrouwen droegen op die dagen bonte kleeren.

Florentia, thans Florence, ital. Firenza, stad en rom. kolonie in Etruria, aan den Arnus (Arno).

Florus, schrijver van een Epitome rerum Romanarum, een beknopt overzicht der rom. geschiedenis van den koningstijd tot Augustus. Hij leefde ten tijde van Hadrianus en is dus waarschijnlijk identisch met P. Annius Florus, een dichter, die met keizer Hadrianus bevriend was. In dat geval is de naam Julius Florus van het beste handschrift verschreven voor Publius, en Anneus (Annaeus) van de andere voor Annius.--Onder de vrienden van den dichter Horatius komt een Julius Florus voor, die Tiberius tweemaal op zijne krijgstochten vergezelde. Quinctilianus spreekt van een beroemd redenaar Julius Florus uit Gallia, terwijl in den gallischen opstand tijdens de regeering van Tiberius een derde Julius Florus als een der heftigste opstandelingen wordt genoemd bij de Treviren (21 n. C.). Toen de opstandelingen verslagen waren, maakte hij zich van kant.

Focus, hestia, de haardstede, eenvoudig bestaande uit eene ijzeren plaat of een steenen vloertje, waarop het vuur brandde, was eene heilige plaats. De vluchteling, die zich daar nederzette, was onschendbaar. Als de algemeene focus der stad Rome gold de tempel van Vesta, Hestia.

Foedus, z. Civitates foederatae.

Foedus ferire, icere. Deze uitdrukkingen komen hier vandaan, dat bij het bezweren van een verdrag, de woordvoerder der fetiales (z. a.), de pater patratus, met een steenen hamer een big doodsloeg, met de bede, dat het rom. volk, zoo het willens en wetens valschelijk tegen het verdrag handelde, door Jupiter evenzoo mocht getroffen worden.

Foenus = Fenus.

Fonteii, plebejisch geslacht uit Tusculum. 1) Ti. Fonteius (Crassus) was in 212, toen P. en Cn. Cornelius Scipio in Hispania sneuvelden, legaat van den eerstgenoemden en voerde met L. Marcius Septimus (Marcii no. 17) het bevel over het leger tot aan de komst van P. Scipio (Africanus maior).--2) Fonteius werd in 91 als legaat met den proconsul Servilius door eene bende uit Asculum vermoord. Dit was het signaal voor het uitbreken van den bondgenootenoorlog.--3) M. Fonteius, zoon van no. 2, was legaat in Hispania, en later propraetor in Gallia Narbonensis geweest, toen hij door M. Plaetorius van afpersingen werd beschuldigd (69). Cicero verdedigde hem, waarschijnlijk tevergeefs.--4) P. Fonteius adopteerde P. Clodius Pulcher, opdat deze volkstribuun zou kunnen worden.--5) C. Fonteius Capito herstelde te Brundisium met Maecenas de verstandhouding tusschen Octavianus en Antonius (37). De dichter Horatius maakte de reis daartoe mede.--6) C. Fonteius Capito, consul 12 na C., vervolgens (23/24) proconsul in Asia.--7) Fonteius Agrippa, onder Vespasianus proconsul in Asia (68 n. C.), vervolgens in Moesia (69), sneuvelde tegen de Sarmaten.

Forceps, tang of Forfex, schaar. In de krijgskunst verstond men hieronder eene slagorde in den vorm eener V, die men aan den cuneus of wigvormige slagorde van den vijand tegenoverstelde. In den slag bij Cannae voerde Hannibal deze manoeuvre uit tegen den cuneus der Romeinen, maar hij misleidde den vijand door in den beginne zijn centrum te laten vooruitrukken, en eerst in de hitte van den strijd zijn flanken zoodanig te laten zwenken, dat de forfex tot stand kwam.

Fordicidia, feest op 15 April gevierd. Op het Capitolium en in iedere curia werd eene drachtige koe, vacca forda, aan Tellus geofferd. Het ongeboren kalf werd tot asch verbrand, die door de Vestaalsche maagden bewaard werd om bij de Palilia tot reinigingsmiddel te dienen.

Forentum, liefelijk gelegen stadje aan den berg Vultur, op de grens van Apulia en Lucania, ten Z. van Venusia.

Forfex, z. forceps.

Formiae, Phormiai, stad in het land der Aurunci in zuidelijk Latium aan de via Appia en aan zee gelegen, in 188 door het plebiscitum Valerium met het volledig burgerrecht begiftigd. De omstreken leverden uitstekenden wijn en waren zeer gezocht voor buitenplaatsen. Ook Cicero had er eene, zijn Formianum.

Formio, kustriviertje t. Z. van Tergeste (Triest), ten tijde van Varro de oostelijke grens van Italië. Augustus heeft Istria bij Italië gevoegd, en de grens verschoven tot aan de Arsia.

Formula, ingevoerd door de lex Aebutia van ± 200 en de leges Juliae van Augustus, ter vervanging der oude legis actiones. De praetor gaf aan den iudex een formulier, eene soort van instructie, waarin hij aanwees, wat recht was en hoe de rechter uitspraak moest doen, zoowel voor het geval, dat deze den klager in het gelijk, als dat hij hem in het ongelijk stelde. Het definitief vaststellen van de formula noemde men litis contestatio (z. a.), een naam ontleend aan het oude legis actio-proces. De gevallen, waarvoor de praetor eene formula gaf, stonden in diens edict vermeld. Voor de in iure cessio en de processen der XViri en Centumviri bleven de vormen van het legis actio-proces bestaan.

Fornacalia, een feest, dat oudtijds te Rome gevierd werd door hen, die gezamenlijk een oven (fornax) hadden voor het roosteren van de spelt, farris torrendi feriae, hetgeen aan het stampen (pinsere) voorafging; ook later, toen ieder een molen had, bleef het feest bestaan en sprak men van een dea Fornax. Het feest werd in de afzonderlijke curiae op verschillende dagen in Februari gevierd. Zij, die op dit feest verzuimd hadden te offeren, of niet wisten tot welke curia zij behoorden, konden dit verzuim herstellen op de Quirinalia, 17 Februari, welke dag hierom feriae stultorum heette.

Fornix, z. Arcus no. 2.

Fornix Fabianus = Fabianus Fornix.

Fortuna, ook Fors Fortuna, godin van het toeval, dat zoowel gelukkig als ongelukkig zijn kan. Haar dienst was, naar men zeide, door Servius Tullius ingesteld, die haar twee tempels gewijd had. Zij was oudtijds vooral een landelijke godheid, en werd overigens het meest door vrouwen vereerd, tegelijk met Mater Matuta en Pudicitia. Daar het lot van den mensch voor een groot deel van het toeval afhangt, werd zij later zeer algemeen vereerd, en had zij een groot aantal bijnamen, naar de personen die, de plaatsen waar en de omstandigheden waaronder zij om hare gunst baden, of naar de eigenschappen, die men haar toekende: Publica, Privata, Patricia, Equestris, Virilis, Muliebris, Primigenia (z. a.), Redux, Blanda, Dubia, Brevis, enz.--Later hield men haar voor dezelfde als Tyche en werden haar ook dezelfde attributen gegeven.

Fortunatae insulae, hai makaron nesoi, de plaatsen, waar volgens grieksche opvatting de zielen der afgestorvenen, vooral der helden en groote mannen, verblijf hielden, later geïdentificeerd met de Canarische eilanden ten W. van Afrika.

Forum, agora. Het forum bij uitnemendheid te Rome was het forum Romanum, aan den voet van den Capitolijnschen berg gelegen en zich uitstrekkende in Z. O. richting. Dit forum was het middelpunt van het verkeer; dáár werden de rechtszaken behandeld, dáár waren de wisselkantoren, dáár kon men op gezette tijden van den dag elkander spreken. Tijdens den bloei der stad was dit forum omgeven met groote gebouwen, als: het Vulcanal, den tempel der Concordia, de curia Hostilia, de regia, waar de pontifex maximus woonde, den tempel van Vesta, enz. Men vond er de rostra, de columna rostrata, den gulden mijlpaal, milliarium aureum, standbeelden. Ten N. hiervan lag het comitium, de plaats, waar oudtijds de curiaatcomitiën werden gehouden (z. a.). Daar het plein op den duur voor het handelsverkeer te klein werd, kwamen er van lieverlede andere marktpleinen (fora venalia) bij: forum boaaium, suarium, piscarium, (h)olitorium (groenmarkt). Bovendien legde Caesar ten N. van het forum Romanum een nieuw plein aan, het f. Iulium of Caesaris, met een tempel van Venus Genetrix en een beeld van Caesars paard. In aansluiting hieraan werden door sommige keizers nog andere fora aangelegd, als: het forum Augusti, het f. Vespasiani met den Vredestempel, het f. Nervae, en vooral het prachtige f. Traiani, met het paard van Traianus, de grootsche basilica Ulpia er aan grenzende en daarachter de Traianuszuil en de tempel van Traianus.--In de rom. legerplaatsen had men ook een forum naast (later vóór) de veldheerstent, bij de tenten der legaten.--In de provinciën, en ook in Italia, hadden enkele plaatsen, die in het bijzonder als marktplaatsen waren aangelegd (zie hieromtrent vicus no. 3) den naam forum, o. a. Forum Appii, aan de via Appia in de pontijnsche moerassen (Pomptinae paludes), Forum Clodii, in Liguria, aan de kust, ten N. W. van Luca, Forum Iulii (Fréjus) op de kust van Narbonensis, Forum Hadriani op het eiland der Batavieren.

Fosi, germaansch volkje, verwant met de Cheruscers.

Fossa, elke gracht of kanaal. Fossa Corbulonis, door Corbulo op het eiland der Batavieren aangelegd ter verbinding van Rijn en Maas waarschijnlijk de Vliet van Leiden naar Delft; Fossa Drusiana, waarschijnlijk de Vecht, die bij Fectio (Vechten onder Bunnik) van den (Krommen) Rijn afboog, en in den Flevo lacus, de latere Zuiderzee uitmondde. Fossa Mariana, eigenlijk een nieuwe Rhônemond, door Marius gegraven, ten O. der oude monden, die verzand waren.

Framea, de lange, dunne lans, met smalle, scherpe ijzeren punt, der Germanen. Ze gebruikten die zoowel om te werpen als om te stooten.

Franci, het bekende germaansche volkenverbond der Franken, voor het eerst vermeld omstreeks 240 na C. Het ontstond aan den Beneden-Rijn en op onze grenzen uit de Sygambren, Bructeren, Chamaven, Chasuariërs of Chattuariërs, Amsivariërs; hierin zijn later de Batavieren opgegaan. In de 5de eeuw worden ze onderscheiden in de Salische Franken (zie Salii), en de Ripuarische Franken (zie Ripuarii).

Fregellae, volscische stad in Latium aan den Liris, door de Samnieten ± 330 verwoest, waarop de Romeinen in 328 op eenigen afstand bij den overgang van den Liris een latijnsche colonie Fregellae stichtten, hetgeen een van de oorzaken was van het uitbreken van den tweeden samnietischen oorlog. Na den Caudijnschen vrede verwoest, wordt het later weer opgebouwd, en een machtige stad, die Rome trouw terzijde staat, tot de stad in 125 opstond en door den Praetor L. Opimius verwoest werd.

Fregenae, etruscische zeestad, op de grens van Latium, sedert 245 rom. kolonie.

Frentani, Phrentanoi, samnietisch volk aan de Adriatische zee. Hun gebied grensde aan Apulia.

Frento, grensriv. tusschen het land der Frentani en Apulia.

Fretum Gaditanum, straat van Gibraltar.

Fretum Siculum, straat van Messina.

Frigidarium, de zaal voor koude baden in een rom. badhuis. Zie balneum.

Friniates, zie Briniates.

Frisiavones of kleine Friezen, de tegenwoordige Westfriezen; ze behoorden tot het romeinsche rijk, en dienden in de rom. legers.

Frisii, het bekende volk der Friezen, sedert Drusus schatplichtige bondgenooten der Rom. In 28 n. C. stonden zij op, wegens de afpersingen van den primipilus Olennius, die de schatting van ossenhuiden moest invorderen. Zij versloegen den stadhouder van Germania inferior, L. Apronius, doch werden in 47 door Cn. Domitius Corbulo onderworpen. Later namen zij deel aan den bataafschen opstand onder Civilis.

Frontinus (Sex. Iulius), consul in 75, 98 en 100 na C., 76-77 proconsul in Britannia, waar hij de Silures onderwierp. In 97 onder Nerva was hij curator aquarum, eene aanzienlijke betrekking. Wij bezitten twee geschriften van hem: Strategematon libri III (een vierde boek, dat er bij gevoegd is, is niet van hem) en de aquis urbis Romae.

Fronto (M. Cornelius), uit Cirta in Africa, beroemd redenaar en advocaat onder Hadrianus en Antoninus Pius, leermeester van Marcus Aurelius en L. Verus. De brieven en vertoogen, die nog van hem overig zijn en die in 1815 door den kardinaal Angelo Mai te Milaan ontdekt zijn, hebben door hunne droogheid en gebrek aan smaak 's mans roem niet verhoogd.

Frumentariae (leges), zie annona.

Frusino, hernicische stad in Latium, een tijd lang in het bezit der Volscen; na den opstand van 306 is het een praefectura (z.a.); het lag aan de via Latina.

Fucentia (Alba), zie Alba Fucentia.

Fucinus lacus, een vrij groot meer zonder zichtbare uitwatering, in het gebied der Marsen, een vergaderbak van bergriviertjes. Daar het door zijne overstroomingen dikwijls groote schade aanrichtte, liet keizer Claudius een afwateringskanaal (emissarius) door de bergen boren. Dit werk gelukte niet, en spoedig raakte het kanaal weder verstopt. In 1855-1875 heeft de italiaansche bankier prins Torlonia een dieperen afvoertunnel doen boren, zoodat thans de bodem van het meer grootendeels is drooggelegd en in bouwland herschapen.

Fucus, blanketsel, was in de oudheid zeer in gebruik. De wenkbrauwen werden zwart geverfd, met eene zwavelverbinding van antimonium, de wangen rood met menie of met het sap eener zekere korstmosplant, de huid werd wit gemaakt met cerussa of loodwit, psimythos, terwijl de aderen aan de slapen blauw werden gekleurd.

Fufia (lex) de auspiciis, zie servare de caelo.

Fufia (lex) de religione. Toen P. Clodius Pulcher in 61 van heiligschennis beschuldigd was, omdat hij in vrouwenkleederen de aan mannen ontzegde sacra der Bona Dea had bijgewoond, en toen de consuls hadden voorgesteld, de rechters door den praetor te doen kiezen, stelde Clodius' vriend, de volkstribuun Q. Fufius Calenus, voor, de rechters op een andere wijze te doen aanwijzen, in de hoop dat er dan meer gelegenheid tot omkooping zou zijn, hetgeen gelukt is.

Fufia (lex) iudiciaria, van denzelfden, doch als praetor, 59. Deze wet bepaalde o.a., dat de drie decuriën van rechters (zie lex Aurelia iudiciaria) in afzonderlijke bussen zouden stemmen. Ook stelde zij vast, hoeveel helpers iemand mocht medenemen, die in eenige provincie een onderzoek naar gepleegde afpersingen ging instellen.

Fufidii, plebejisch geslacht, waarvan bij Cicero e. a. enkele leden vermeld worden.

Fufii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Cales. 1) Q. Fufius Calenus, tegenstander van Tib. Sempronius Gracchus.--2) Q. Fufius Calenus (zie de beide leges Fufiae) bewerkte de vrijspraak van Clodius. Later bewees hij diensten aan Caesar, en was in Gallia en Hispania diens legaat. In 47 was hij consul. Na Caesars dood sloot hij zich bij Antonius aan. Hij stierf in 40.--3) Fufius Geminus, in 34 stadhouder van Pannonia onder Augustus.--4) Q. Fufius Geminus, gunsteling van Livia, op bevel van Tiberius omgebracht (30 of 31 n. C.).

Fulcinii, plebejisch geslacht. C. Fulcinius, rom. gezant, werd in 438 door de Fidenaten omgebracht. Onder keizer Tiberius komt een zekere Fulcinius Trio als delator voor; o.a. klaagde hij in 16 n. C. Libo (Scribonii no. 9), in 20 Piso (Calpurnii no. 7) aan; als vriend van Seianus was zijn positie na diens val geschokt, en toen hem een proces dreigde, benam hij zich het leven (35 n. C.).

Fulgur condere, zie bidental.

Fullo, voller, die kleederen wiesch en opmaakte. De stoffen werden in groote kuipen met water, loog en urine gewasschen, waarbij het stampen vervangen werd door treden met de bloote voeten. Dan werden zij ingewreven met vollersaarde, creta fullonica, vervolgens gedroogd, gezwaveld, gekaard, geborsteld en geperst.

Fulvia (rogatio), de civitate sociis Italicis danda, wetsvoorstel van M. Fulvius Flaccus (125), om het burgerrecht aan de italiaansche bondgenooten te geven. Het werd niet aangenomen.

Fulvii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Tusculum. 1) M. Fulvius Paetinus, consul 299, versloeg de Umbriërs en veroverde Nequinum (z. Narnia)--2) Cn. Fulvius Maximus Centumalus, versloeg in 298 als consul de Samnieten bij Bovianum, en streed later als propraetor tegen de Etruscers.--3) Cn. Fulvius Centumalus, overwon als consul in 229 met een groote vloot de Illyriërs onder koningin Teuta. Zijn zoon, die den zelfden naam draagt, sneuvelde in den tweeden punischen oorlog te Herdonia tegen Hannibal (210).--4) Q. Fulvius Flaccus, consul in 237, 224, 212, en 209, streed in zijne eerste twee consulaten tegen de Galliërs en Liguriërs, in zijn derde tegen den Carthager Hanno. In 211 veroverde hij met Appius Claudius Pulcher (zie Claudii no. 8). Capua. Hij was pontifex maximus en in 210 dictator.--5) Cn. Fulvius Flaccus, broeder van no. 4, werd als praetor door Hannibal te Herdonia in Apulië verslagen (212) en in het volgend jaar veroordeeld tot ballingschap; hij ging naar Tarquinii.--6) Q. Fulvius Flaccus, zoon van no. 4, in 182 praetor, in 181 propraetor van Hispania Tarraconensis, beoorloogde de Celtiberiërs. In 179 was hij consul en behaalde hij een overwinning op de Liguriërs. Later sloeg hij in een vlaag van krankzinnigheid de hand aan zichzelf. Hij was pontifex maximus en in 174 censor. Een neef van hem, ook Q. Fulvius Flaccus geheeten, was consul suffectus in 180, en bracht 7000 Apuani (z. a.) naar Samnium over.--7) M. Fulvius Flaccus, door Cicero een middelmatig redenaar genoemd, consul in 125, aanhanger van C. Gracchus, kwam met zijne beide zoons in 121 met Gracchus om. Van hem is de rogatio Fulvia de civitate sociis Italicis danda, die echter niet in stemming kwam (125).--8) Ser. Fulvius Flaccus, consul in 135, versloeg de Illyriërs. Hij behoorde onder de redenaars.--9) C. Fulvius Flaccus, consul in 134, streed tegen de opgestane slaven in Sicilia, doch bracht den oorlog niet ten einde.--10) Ser. Fulvius Paetinus Nobilior, consul in 225, versloeg met zijn ambtgenoot M. Aemilius Paullus de Carthagers ter zee op hunne eigen kust bij het Hermaeische voorgebergte, promunturium Mercurii 254, zij verloren echter daarna hun vloot in een storm.--11) M. Fulvius Nobilior, streed als praetor in 193 en volgende jaren in Hispania en overwon als consul in 189 de Aetoliërs. In 179 was hij censor. Hij heeft fasti geschreven. Hij was een vriend en beschermer van Q. Ennius, die hem in zijne annales verheerlijkt heeft.--12) M. Fulvius Nobilior, zoon van no. 11, consul in 159.--13) Q. Fulvius Nobilior, ook een zoon van no. 11, consul in 153, verschafte aan Ennius het rom. burgerrecht in 184, toen hij triumvir coloniae deducendae was. Hij was de eerste, die het consulaat op den 1sten Januari aanvaardde.--14) Fulvia, dochter van M. Fulvius Bambalio, was eerst gehuwd met P. Clodius Pulcher, later met C. Curio en ten derden male met M. Antonius. Zij was eene hevige vijandin van Cicero. Zij haalde in 41 haar zwager L. Antonius over, oorlog met Octavianus te beginnen, bellum Perusinum, (zie Antonii no. 4 en 6).--15) Fulvia, minnares van Q. Curius, zie Curii no. 2.

Fundanii, plebejisch geslacht. 1) C. Fundanius Fundulus klaagde als volkstribuun in 249 den consul P. Claudius Pulcher (Claudii no. 7) aan, die tegen de auspicia met de Carthagers bij Drepana ter zee had gestreden en verslagen was, en in 246 als aedilis plebis diens zuster, omdat ze het volk hevig beleedigd had. In 243 streed hij als consul tegen Hamilcar Barcas, en weigerde hem na den slag een wapenstilstand voor het begraven der lijken.--2) C. Fundanius, eerst aanhanger van Pompeius, ging tot de partij van Caesar over.--3) M. Fundanius, in 66 door Cicero verdedigd.

Fundi, municipium in Latium aan de via Appia, met cyclopische muren. In 188 kreeg het, met Formiae en Arpinum volledig burgerrecht. De omtrek, ager Caecubus (z. a.), was beroemd om zijn voortreffelijken wijn. Nabij Fundi lag een diep meer, lacus Fundanus genoemd.

Furca, gaffel of gavel, groote tweetandige vork, als hooivorken, enz.--Als strafwerktuig voor slaven is de furca een houten blok in den vorm eener <, dat om den hals werd gelegd, terwijl de armen aan de beide einden van den vork werden vastgebonden. Slaven, die gekruisigd of gehangen moesten worden, werden zóó ter strafplaats geleid; vandaar is furcifer als scheldwoord = galgebrok.

Furia (lex) testamentaria, uit de eerste helft der 2de eeuw, dat niemand een grooter legaat dan van 1000 as mocht aanvaarden, op straffe van het meerdere vierdubbel te moeten teruggeven. Uitgezonderd zijn de naaste bloedverwanten.

Furia Atilia (lex) van de consuls L. Furius Philus en Sex. Atilius Serranus in 136, dat de consul C. Hostilius Mancinus, die den vernederenden vrede met de Numantijnen had gesloten, aan de vijanden zou worden uitgeleverd.

Furia Caninia (lex) de manumissionibus, onder Augustus, beperkte de overdreven vrijlatingen van slaven bij testament.

Furiae, z. Erinnyes.

Furii, patricisch geslacht, uit Tusculum. 1) P. Furius Philus, overwon als consul in 223 de Galliërs. Hij was in 214 censor, doch stierf gedurende zijn ambt, waarop zijn ambtgenoot de censuur nederlegde.--2) L. Furius Philus, consul 136. Zie lex Furia Atilia.--3) Sp. Furius Medullinus Fusus, consul 481, streed gelukkig tegen de Aequers.--4) Sp. Fur. Medullinus Fusus, consul 464, streed tegen de Aequers met afwisselend geluk.--5) Agrippa Fur. Medullinus Fusus, consul 446, versloeg de Volscers.--6) L. Fur. Medullinus, consul 413 en 409 en zevenmaal consulairtribuun, overwon de Volscers.--7) L. Fur. Medullinus, leverde als legaat van M. Furius Camillus tegen diens wil slag aan de Volscen en werd door Camillus nog van den ondergang gered. In 381 waren beiden ambtgenooten als consulairtribuun.--8) Sp. Fur. Medullinus, consulairtribuun in 378, verwoestte het volscische land.--9) M. Furius Camillus, in 403 censor, daarna bij herhaling consulairtribuun, in 396 dictator, behaalde grooten roem in den strijd tegen de Faliscers en vooral in 396 door de verovering van Veii. Van verduistering van buit beschuldigd, ging hij in 391 in ballingschap. Toen echter Rome door de Galliërs was ingenomen, riepen de belegerden op het Capitool zijne hulp in, en benoemden hem, schoon afwezig, tot dictator. Den aftrekkenden Galliërs bracht hij, volgens het latere verhaal, eene gevoelige nederlaag toe, waarvoor hij den naam van pater patriae ontving. Hij hield de verhuizing van het volk naar Veii tegen, liet Rome met spoed herbouwen en legde zijn ambt toen neder. Later was hij nog bij herhaling consulairtribuun en nog driemaal dictator. Hij versloeg de Volscers, Aequers, Etruscers en in 367 nogmaals de Galliërs. In 365 stierf hij aan de pest, 82 jaar oud. Veel van deze verhalen omtrent Camillus worden door sommige geleerden voor verdicht gehouden. Aan Camillus wordt een verandering in het krijgswezen toegeschreven, zie Acies.--10) Sp. Furius Camillus, zoon van no. 9, was in 365 de tweede praetor.--11) L. Furius Camillus, ook een zoon van no. 9, was in 350 dictator, en weigerde toen hardnekkig, een plebejer tot consul te laten kiezen, waarop hij zelf tot consul voor 349 gekozen werd, met App. Claudius Crassinus (Claudii no. 4).--12) L. Furius Camillus en C. Maenius, consuls in 338, genoten de zeldzame eer, dat hun triumftocht over de onderworpen Latijnen door ruiterstandbeelden op het forum vereeuwigd werd.--13) Een nazaat van deze Furii Camilli is: M. Furius Camillus, consul 8 n. C., versloeg als proconsul van Africa (17 n. C.) de Numidiërs, die onder leiding van Tacfarinas opgestaan waren, en verwierf de insignia triumphalia.--14) Furius Camillus Scribonianus, of L. Arruntius Camillus Scribonianus, consul 32 n. C., liet zich als legatus Illyrici bij het begin van de regeering van keizer Claudius door zijn troepen tot keizer uitroepen, maar werd reeds binnen vijf dagen vermoord. In zijn val werd o.a. Caecina Paetus meegesleept.--15) Verder vindt men onder de Furii nog de Aculeones,--de Bibaculi, waaronder een zekere M. Fur. Bib., een dichter ten tijde van Caesar, dien Horatius in zijn verzen bespotte; hij was te Cremona geboren, hij was, evenals Catullus, een tegenstander van Caesar, en ook van Augustus; beiden heeft hij in zijn epigrammen bespot,--de Purpureones, waaronder L. Fur. Purpureo, die in 200 als praetor de Galliërs overwon en in 196 consul was,--de Pacili, die ook nog een paar consuls hebben opgeleverd, en de Crassipedes. Een dezer laatsten is na den dood van C. Piso Frugi een tijd lang met diens weduwe Tullia, Cicero's dochter, verloofd geweest.--16) A. Furius Antias, uit Antium, vriend van Q. Lutatius Catulus (consul in 102), dichtte Annales.

Furnii, plebejisch geslacht. 1) C. Furnius, volkstribuun in 50, een vriend van Cicero, aanhanger van Caesar en later van Antonius, vergezelde dezen in den parthischen oorlog en was in 35 stadhouder van Asia. Hij verzoende zich later met Octavianus en was in 29 consul. Hij had naam als redenaar.--2) C. Furnius, zoon van no. 1, onderwierp in dienst van Augustus de Cantabriërs (25-23).

Furrina, romeinsche godin, wier beteekenis reeds aan de ouden onbekend was. Haar feest, de Furrinalia, werd den 25en Juli gevierd.

Fustuarium, zware lijfstraf in het rom. leger. Wanneer door den krijgsraad deze straf over een soldaat was uitgesproken, raakte zijn centurio hem met een stok aan, waarop de andere soldaten met knuppels en steenen zoo op den schuldige aanvielen, dat deze er meestal onder bezweek.

G.

Gabali, Gabaleis, volksstam in Gallia Aquitanica, in de bergstreek, waar de Oltis (Lot) en de Elaver (Allier) ontspringen. Zij waren aan de Arverners onderhoorig.

Gabii, Gabioi, oude en eenmaal machtige stad van Latium, volkplanting van Alba Longa. Zij werd volgens de overlevering door Tarquinius Superbus op verraderlijke wijze veroverd. Later heeft Rome met Gabii een verbond gesloten, waarbij de burgers onder de cives Romani werden opgenomen, maar Gabii zijn eigen gemeentebestuur behield. In Cicero's tijd was het stadje geheel vervallen. De steengroeven van Gabii leverden de bouwstof (tufsteen, bij de Rom. soms tophus, tgw. peperino geheeten) tot den herbouw van Rome na den grooten brand onder keizer Nero.

Gabinia (lex) tabellaria van den volkstribuun A. Gabinius (139), waarbij voor verkiezingen in de comitiën de geheime stemming door middel van tabellae of tesserae werd ingevoerd. Zie Tabellariae (leges).

Gabiniae (leges) van A. Gabinius, volkstribuun in 67: 1) de uno imperatore etc., om aan Pompeius het opperbevel op te dragen tegen de zeeroovers;--2) de versura, misschien uit den tijd van zijn consulaat (58), een verbod om te Rome aan civitates in de provinciën geld te leenen. Deze wet is een doode letter gebleven. Men denke slechts aan de woekerrente, die M. Brutus (Junii no. 9) te Salamis op Cyprus wist te bedingen.

Gabinii, plebejisch geslacht. De belangrijkste leden hiervan zijn: 1) A. Gabinius, volkstribuun in 139, de voorsteller der eerste lex tabellaria.--2) A. Gabinius, aanhanger van Pompeius, en als volkstribuun in 67 voorsteller der wet, om aan P. het opperbevel op te dragen tegen de zeeroovers. In 66 was hij diens legaat in den mithradatischen oorlog. In 58 was hij consul, in 57 ging hij als proconsul naar Syria, dat hij schandelijk bestuurde, terwijl hij in strijd met een senaatsbesluit Ptolemaeus Auletes op den troon van Aegypte herstelde. Te Rome teruggekeerd, werd hij van verschillende zijden aangeklaagd, maar met behulp van Pompeius ontkwam hij aan eene veroordeeling wegens hoogverraad, doch niet wegens afpersingen. Na Pompeius' dood kreeg hij van Caesar verlof uit zijne ballingschap terug te keeren; hij diende Caesar vervolgens in Illyricum en stierf, terwijl hij te Salonae door de Pompeiani belegerd werd (47), Cicero, tot wiens verbanning hij had medegewerkt, was een verbitterd vijand van hem, hoewel hij hem éénmaal verdedigd heeft.

Gabinus cinctus, een bijzondere wijze om de toga op te schorten, zonder van een gordel gebruik te maken. Hierbij werd de slip van de toga, die anders over den linker schouder naar achteren werd geslagen, strak om het middel getrokken, zoodat daardoor een gordel werd gevormd, waardoor de plooien der toga omhoog konden worden gehaald en dus opgeschort. Bij deze dracht bleven ook de armen vrij. Men gebruikte ze bij bijzondere godsdienstige handelingen; waarschijnlijk is ze uit Gabii overgenomen in den tijd, toen die stad nauw met Rome verbonden was. Een oorlogskleed, waarvoor het vaak gehouden wordt, is het nooit geweest.

Gabreta silva, Gabreta hyle, in Germania, thans het Bohemerwoud.

Gadara, ta Gadara, groote sterke stad in Palaestina ten Z. O. van het meer Gennesareth.

Gadera of Gades, ta Gadeira, oude volkplanting der Carthagers in Baetica, thans Cadix. De Puniërs noemden het Gadir. In 206 sloot het zich bij Rome aan, en werd het civitas foederata. Door Caesar werd Gades met het burgerrecht begiftigd; het werd nu een municipium onder den naam Augusta Iulia urbs Gaditana.

Gadrosia, Gadrosia = Gedrosia.

Gaea, Ge, Gaia, Ge de Aarde als godin. Zij is de oudste der goden, daar zij onmiddellijk uit den Chaos ontstaan is, en heeft een zeer talrijk kroost. Terstond na hare geboorte bracht zij Uranus, Pontus en de bergen voort, daarna werd zij bij Uranus moeder van de Titanen, Cyclopen en Hecatonchiren, bij Pontus van Nereus, Thaumas, Phorcys, Ceto en Eurybia, uit het bloed van Uranus' (z. a.) wonden bracht zij de Erinyen en Giganten ter wereld, terwijl ook de autochthonen als hare kinderen beschouwd worden. Zij is de godin die alle leven doet ontstaan, de menschen voedt en hen in hunne jeugd doet opgroeien (Kourotrophos), maar die ook alles wat geleefd heeft weder in haar schoot opneemt. Ook is zij eene orakelgevende godin en had zij het eerst het orakel van Delphi bezeten. Later werden hare eigenschappen grootendeels overgebracht op Rhea Cybele, Demeter, Hestia, e.a.--Bij de rom. werd eveneens Tellus als godin vereerd.

Gaesati, Gaisatai, keltische huursoldaten, die in 222 door den consul M. Claudius Marcellus bij Clastidium (ten Z. van den Padus of Po) verslagen werden. Zij droegen hun naam vermoedelijk naar eene soort werpspies, gaesum, waarvan de Rom. zich ook wel bediend hebben. Het waren Kelten van over de Alpen, die door de Galliërs uit de Po-vlakte, vooral door de Bojers en Insubriërs, in dienst werden genomen.

Gaesum, gaison, zie Gaesati.

Gaesus of Gaeson, Gaison, rivier in Ionia, die bij kaap Mycale in zee valt.

Gaetuli, Gaitouloi, halfwilde inwoners van Gaetulia, een uitgestrekt binnenland van Afrika, ten Z. van Numidia en Mauretania.

Gaius, beroemd rom. jurist, uit den tijd van Hadrianus en de Antonijnen, schrijver der bekende Institutionum libri IV, uitgegeven in 161 n. C. en in 1816 door Niebuhr in de bibliotheek te Verona ontdekt. Andere werken van hem zijn verloren gegaan.

Gaius Caesar, zie Caligula.

Galaesus, Galaisos, riviertje bij Tarentum. De schapen, die in de weiden aan zijne oevers graasden, waren bekend om de fijnheid en witheid hunner wol.

Galanthis = Galinthias.

Galatae, Galatai, zie Celtae.

Galatea, Galateia, dochter van Nereus en Doris, z. Acis.

Galatia, Galatia, ook Gallograecia geheeten, Galatia he Hellenis (onder Galatia alleen kan ook Gallia worden verstaan), landschap in het binnenland van Asia minor. Omstreeks 278 had Nicomedes I van Bithynia, om zich tegen Pergamus en Syria staande te houden, drie kleine rondzwervende gallische stammen in dienst genomen: de Tolistoboii, de Tectosages en de Trocmi. Toen Nicomedes hen niet meer noodig had, trokken zij een tijd lang al plunderend in Azië rond, tot het ± 235 aan de naburen gelukte, hen in het naar hen genoemde Galatia bijeen te drijven en daartoe te beperken. Tot Galatia behoorde destijds nog een gedeelte van N.W.-Phrygia, van den mons Dindymus af, dat den Galaten echter in 180 door de Rom. werd afgenomen. De hoofdsteden waren: Pessinus, Ancyra (thans Angora) en Tavia. Zie Deiotarus. In 25 werden Isauria en Lycaonia met Galatia tot ééne rom. provincie Galatia vereenigd. Wanneer de apostel Paulus zijn brief richt tais ekklesiais tes Galatias, dan zijn daarmede de gemeenten in dat deel van Lycaonia bedoeld, dat in zijn tijd bij Galatia hoorde, n.m. Antiochia Pisidiae of ad Pisidas (z. Antiochia no. 3), Iconium, Lystra en Derbe, waar hij het Evangelie verkondigd had (46/47 n. C.). In het eigenlijke Galatia vond men geen of weinig Joden, bij wie Paulus steeds het eerst aanklopte, en eerst heel laat Christelijke gemeenten. Deze meening wordt echter niet algemeen gedeeld.

Galba, familienaam in de gens Sulpicia (Sulpicii no. 9, 11-17).

Galba (Ser. Sulpicius), rom. keizer van Juni 68 tot Januari 69 na C. Hij was van aanzienlijke geboorte en achtereenvolgens veldheer en stadhouder aan den Rijn, in Africa, in Hispania. Toen de voornaamste generaals besloten hadden aan Nero's gruwelen een eind te maken, werd Galba tot keizer uitgeroepen. Door strengheid en door aan de soldaten het gewone geschenk bij zijne troonsbeklimming te onthouden, wekte hij verbittering. Salvius Otho maakte hij tot zijn vijand, door C. Calpurnius Piso Licinianus (Calpurnii no. 13) als troonopvolger aan te nemen. Galba's troepen werden door die van Otho verslagen en hijzelf in een soldatenoproer vermoord (15 Jan.).

Galea, helm. De rom. galea was van leder vervaardigd en voorzien van stormbanden (bucculae) met metalen schubben. De centuriones droegen er een vederbos (crista) op van roode of zwarte pluimen.

Galenus (Claudius), Galenos, geb. 129 n. C. te Pergamus, studeerde in zijne vaderstad, te Smyrna, Corinthe en Alexandrië in de geneeskunde, en werd een van de beroemdste geneesheeren der oudheid. Sedert 162 leefde hij bijna voortdurend te Rome als lijfarts van Marcus Aurelius, Lucius Verus en Commodus. Hij stierf omstreeks 200, en liet een buitengewoon groot aantal (ongeveer 250) grootere en kleinere geschriften na, waarvan vele nog bewaard gebleven zijn. Deze werken, die voornamelijk de geneeskunde met hare hulpwetenschappen in alle onderdeelen behandelen, hadden nog in de 16de eeuw groot gezag; van vele bestaan latijnsche, arabische en hebreeuwsche vertalingen. Zijne werken op wijsgeerig en grammatisch gebied, waarvan het meeste verloren gegaan is, bevatten vele wetenswaardige bizonderheden over de geschiedenis van die wetenschappen.

Galepsus, Galepsos, stad op de chalcidische landtong Sithonia.

Galerius, voluit C. Galerius Valerius Maximianus, uit Illyria, schoonzoon van Diocletianus en door dezen 1 Maart 293 tot Caesar of kroonprins aangenomen. Na den afstand van Diocletianus volgde hij dezen in de waardigheid van Augustus op over de oostelijke helft van het rijk (305 na C.). Hij stierf in 311 na C., na eerst een tolerantie-edikt voor de Christenen te hebben uitgevaardigd.

Galerius Trachalus, consul in 68 na C., een uitstekend redenaar. Men zeide, dat hij de steller was der redevoeringen, die keizer Otho uitsprak.

Galerus, muts van bont of vilt, ook wel valsche haartooi van vrouwen. Zie ook albogalerus.

Galesus = Galaesus.

Galilaea, Galilaia, het noordelijke gedeelte van Palaestina, ten W. van den Jordaan en het meer Gennesareth. Dit gewest, dat door de Israëlieten meer in naam dan in werkelijkheid veroverd werd, en waar de kanaänietische stammen niet werden uitgeroeid, kreeg den naam Gelil-hag-gojim, distrikt der heidenen, welke naam tot Galilaea verbasterd is. Steden: Capharnaum, Magdala, Tiberias en Taricheae aan het meer van Gennesareth, verder Sepphoris (Diocaesarea), Bethlehem, Nazareth, Megiddo. Galilaioi noemt keizer Julianus de Christenen.

Galinthias, Galinthias, dochter van Proetus, vriendin van Alcmene. Toen Ilithyia op bevel van Hera de geboorte van Heracles belette, kwam Gal. met uitgelaten vreugde verhalen, dat Alcmene reeds een zoon ter wereld gebracht had, zoodat Ilithyia misleid werd en haar tegenstand opgaf. Tot straf werd Gal. in een wezel veranderd, doch door de Thebanen werden haar te gelijk met Heracles offers gebracht.

Gallaecia, vroeger Callaecia, thans de spaansche provincie Galicia, in het N.W. van Hispania, met eene ruwe bevolking. De Gallaeci, Kallaikoi, stonden bij de Romeinen in slechten reuk. De stad Brigantium, thans Coruña, had een grooten vuurtoren.

Galli, z. Rhea (Cybele).

Gallia, Galatia of Keltike, het land der Galliërs. 1) Gallia Cisalpina, dat gedeelte van N. Italia, dat gedeeltelijk door keltische of gallische stammen bewoond werd, die omstreeks 400 door de vruchtbaarheid en het klimaat van Italië waren aangelokt om over de Alpen te trekken en zich in de vlakte van den Po neer te zetten. Het werd onderscheiden in G. Transpadana en G. Cispadana. Na eene worsteling van een halve eeuw (240-191) moesten de cisalpijnsche Galliërs, waaronder de Bojers, Insubriërs en Cenomanen de voornaamste stammen waren, zich aan Rome onderwerpen. In 89 kreeg Cispadana, omdat het in den bondgenootenoorlog trouw gebleven was, het rom. burgerrecht door de lex Pompeia van den consul Cn. Pompeius Strabo en werden de steden dus municipia. In 49 viel door eene lex Iulia van C. Julius Caesar hetzelfde aan Transpadana te beurt. Niettemin bleef Cisalpina tot in 43 provincie en had men dus het vreemde verschijnsel van eene provincie, bevolkt met rom. burgers. Augustus voegde Cisalpina met Liguria, het land der Veneters, Histria en de italiaansche Alpenhellingen bij Italia en vormde er de 8ste, 9de, 10de en 11de regio uit.--2) Gallia Transalpina, tusschen de Alpen, den Rijn, den Oceaan en de Pyrenaeën. Het Z.O. gedeelte, ten N. van den sinus Gallicus, werd reeds in 122 tot provincie gemaakt onder den naam Gallia Narbonensis, naar de hoofdstad Narbo Martius, thans Narbonne, de eerste rom. kolonie buiten Italië. Dit gedeelte wordt ook wel kortweg Gallia provincia geheeten, waaruit de naam Provence is ontstaan. Het overige gedeelte van Transalpina, door Caesar onderworpen, werd onderscheiden in: Aquitania in het Z.W., Gallia propria, ook wel Gallia Celtica geheeten en Belgica. Onder Augustus werd eene nieuwe indeeling in 4 provinciën tot stand gebracht: 1 Narbonensis, 2 Aquitania (z.a.), dat aanmerkelijk werd uitgebreid, 3 Lugdunensis, naar de hoofdstad Lugdunum, thans Lyon, 4 Belgica, dat ook naar het Z.O. werd vergroot, met Durocortorum, thans Rheims, tot hoofdplaats. Verder werd, na de terugroeping van Germanicus in 17 n. Chr., eene strook lands op den linker Rijnoever van een eind boven Argentoratum (Straatsburg) tot aan zee als militaire grens van Gallia gescheiden en tot twee provinciën gevormd: Germania superior, met Mogontiacum (Mainz), en Germ. inferior, met Colonia Agrippina (Keulen) tot hoofdstad. De naam Germania werd gegeven, omdat deze strook bijna geheel met germaansche stammen bevolkt was, die in verschillende tijdperken over den Rijn waren gestoken en zich in Gallia hadden genesteld. Na Constantijn vindt men eene geheel andere verdeeling in 17 provinciën.--Het aantal volkjes en stammen in Gallia was zeer groot; tot de hoofdvolken behoorden de Volcae, de Arverni, de Aedui, de Sequani, de Helvetii, de Bituriges, de Aulerci.--3) Gallia braccata is een bijnaam voor G. Narbonensis, omdat de inwoners daar lange broeken droegen, welke dracht den Rom. vreemd was.--4) Gallia comata = Transalpina, omdat de bewoners de haren lang droegen.--5) Gallia togata = Cisalpina, sedert de inwoners als rom. burgers de toga mochten dragen.

Gallienus (P. Licinius Egnatius), rom. keizer 260-268 na C. In 253 was hij door zijn vader Valerianus tot Caesar benoemd, en toen V. door de Perzen was gevangen genomen, volgde Gallienus hem op, zonder zich verder veel om zijns vaders lot te bekommeren. Hoewel het hem aan bekwaamheden niet ontbrak, regeerde hij slecht en gaf hij zich aan allerlei onmatigheid over. Van verschillende zijden drongen de barbaren over de grenzen, alom stonden tegenkeizers op (het zoogenaamde tijdperk der 30 tyrannen), en eindelijk viel Gallienus zelf door sluipmoord.

Gallinaria, eil. bij de ligurische kust, rijk aan hoenders. Gallinaria silva, een bosch op de kust van Campania, aan de grens van Latium, tijdens de burgeroorlogen en in den keizertijd berucht om zijne onveiligheid.

Gallio, naam van twee rhetoren, ten tijde van Nero. De oudste, L. Iunius Gallio, was een vriend van Ovidius en van Seneca rhetor, en adopteerde den broeder van den wijsgeer Seneca. Deze broeder, die nu Iunius Annaeus Gallio heette, werd onder Nero ter dood gebracht.

Gallograecia = Galatia.

Gallonii, plebejisch geslacht. 1) P. Gallonius, een befaamde lekkerbek te Rome, tijdgenoot van Laelius, ± 140.--2) C. Gallonius, aanhanger van Pompeius en door dezen in 49 tot praefectus van Gades (Cadix) benoemd.

Gallus, Gallos, rivier in Galatia, zijtak van den Sangarius.

Gallus, familienaam in een aantal gentes, o.a. bij de Aquillii, Asinii, Caninii, Sulpicii (Sulpicii no. 10). Er komen onder dezen naam twee stadhouders van Aegypte voor: Aelius Gallus (zie Aelii) en C. Cornelius Gallus (zie Cornelii no. 59). Het was deze laatste, die zich om het leven bracht, toen hij door Augustus tot ballingschap was veroordeeld.

Gallus (C. Vibius Trebonianus), rom. keizer 251-253 na C., vroeger generaal van keizer Decius en medeplichtig aan diens vermoording, kocht van de Gothen op smadelijke wijze den vrede. Onder zijn bewind werd het rijk geteisterd door invallen van Perzen en Gothen, door oproeren en pest. Hij nam zijn zoon C. Vibius Afinius Gallus Veldumnianus Volusianus als Caesar tot mederegent aan, doch beiden sneuvelden op een tocht tegen Aemilianus, opgestaan veldheer in Pannonia.

Gallus (Constantius), oudere broeder van keizer Julianus, Caesar van 351-354 n. C., toen keizer Constantius II hem liet ombrengen.

Gamala, vesting in Palaestina aan het meer Gennesareth.

Gambrium, Gambreion, stad in Aeolis, aan den Caïcus.

Gamelion, Gamelion, 7de maand van het Attische jaar (Jan.-Febr.), z. Annus.

Gandarae, Gandaridae, Gandarai, Gandaridai, twee indische volksstammen in het Indusgebied. De Gandarae wonen in de landstreek Gandaritis in de vallei van den Cophen, de Gandaridae in Pendschab, tusschen de rivieren Acesines en Hydraotes.

Gangra, hoofdstad van Paphlagonia; later Germanopolis genoemd.

Ganus, Ganos, sterkte in Thracia aan de Propontis, door koning Seuthes aan de 10000 Grieken overgegeven.

Ganymedes, Ganymedes, ook Catamitus, zoon van Tros en Callirrhoë, de schoonste aller stervelingen, die door de goden in den hemel werd opgenomen om schenker van Zeus te zijn; tot vergoeding kreeg zijn vader van Zeus een span goddelijke paarden. Volgens latere verhalen werd hij door Zeus bemind en door diens arend of door hemzelf onder de gedaante van een arend ontvoerd. Hij werd als Waterman onder de sterren opgenomen.

Garamantes, Garamantes, zachtaardige volksstam in de oase Phazania, thans Fezzan, in Libya (Afrika). Hunne bloeiende hoofdstad heette Garama. Zij leefden van landbouw, veeteelt en handel. Garamantis dichterlijk = afrikaansch.

Gargaphia, Gargaphia, dal en bron ten N.O. van Plataeae.

Garganus mons, Garganon oros, thans monte Gargano, boschrijk, in zee vooruitspringend gebergte op de kust van Apulia.

Gargara of -rus of -rum, ta Gargara, to Gargaron, de zuidelijke top van den berg Ida in Troas, met de stad Gargara, aan de Adramyttische golf gelegen, aan den voet.

Gargarenses, Gargareis, mythisch volk aan den Caucasus, alleen uit mannen bestaande. Ten einde kinderen ter wereld te brengen, leefden de Amazonen een paar maanden 's jaars met hen, zonden dan de jongens naar de vaders en behielden de meisjes.

Gargettus, Gargettos, demus in Attica ten N. van den Hymettus, geboorteplaats van Epicurus, die hierom wel Gargettius wordt genoemd.

Garites, Gates, volk in het O. van Aquitania, in het tegenwoordige dép. Gers.

Garsauritis, landstreek van Cappodocia (z.a.).

Garum, eene marinadesaus, uit het bloed en de ingewanden van zekeren zeevisch bereid. O. a. gebruikte men ze bij oesters.

Garumna, Garounas, rivier in zuidelijk Gallia, thans de Garonne.

Garumni, volksstam aan de Garumna.

Gauda, numidische prins, die in het rom. leger tegen Jugurtha diende, en later waarschijnlijk het rijk Numidia kreeg.

Gaudus = Gaulus.

Gaugamela, Gaugamela, vlek in Assyria. Tusschen deze plaats en Arbela had de derde en beslissende slag plaats tusschen Alexander d. Gr. en Darius Codomannus (331).

Gaulus, Gaulos, thans Gozzo, eilandje bij Melite (Malta), aldus geheeten naar zijn ronden vorm.

Gaurus (mons), ook Gaurani montes, vulkanisch gebergte in Campania, ten N. van Cumae, met uitgebrande, in meren herschapen kraters, waaronder het Avernus-meer. Bij dezen berg behaalden de Rom. in 343, in den zoogenaamden eersten samnietischen oorlog eene groote overwinning op de Samnieten. Deze geheele oorlog is echter verzonnen. Zie Cornelii no. 5. Langs de hellingen werd een heerlijke wijn geteeld.

Gauzanitis, Gauzanitis, landstreek in N.O. Mesopotamia, aan den Chaboras.

Gaza, Gaza, zuidelijke grensvesting in het land der Philistijnen, eene der vijf steden van dit volk, en een der sleutels van Palaestina. Zie ook Cadytis. Alexander de Gr. belegerde de stad vijf maanden lang. In 96, in het tijdperk der Maccabaeën, werd zij door Alexander Jannaeus een jaar lang belegerd en na de inneming verwoest. Zij werd herbouwd, in 66 n. C. door de Joden verwoest, doch later opnieuw opgebouwd.--Ook in Sogdiane lag eene stad, met name Gaza.

Gazaca of Gaza, Gazaka, hoofdstad van Media Atropatene.

Ge, Ge = Gaea.

Gebenna = Cebenna.

Gedrosia, Gedrosia, het zuidoostelijkst gewest van het perzische rijk, aan de zeezijde. Op zijn tocht door Gedrosia verloor Alexander, vooral door gebrek aan water, een groot gedeelte van zijn leger.

Geganii, patricisch geslacht te Rome, waarschijnlijk afkomstig uit Alba Longa. In de eerste helft der republiek komen eenige hooge overheidspersonen uit deze gens voor, met den familienaam Macerinus.

Geisericus, Gezerichos, Gizerichos, Geiserik, koning der Vandalen, en stichter van het Vandaalsche rijk in N.-Afrika in 429 n. C. Zie Vandali.

Geison is de vooruitspringende daklijst aan den dorischen tempel. Aan den voorkant en de achterzijde vindt men een horizontaal en twee opstaande geisa, die samen het bekende gevelveld vormen, dat bij rijk versierde tempels met beeldwerk gevuld was. Door het sterk vooruitspringen van de daklijsten was dit beeldwerk voor den regen beschut. Aan de lange zijden heeft men een overhangend geison, als voortzetting van het schuins afloopende dak.

Gela, Gela, bloeiende, machtige stad op de Zuidkust van Sicilia, rhodisch-cretensische kolonie, in 689 gesticht aan een riviertje van gelijken naam. De omstreken, campi Geloi, brachten veel koren voort, vooral tarwe, vandaar wordt Gela pyrophoros genoemd. Het werd spoedig overschaduwd door zijne eigene volkplanting Agrigentum, in 581 gesticht. Nadat de tyran Gelo omstreeks 485 de helft der bevolking naar Syracusae had overgebracht, kwijnde Gela; van 466 af was het zelfstandig. In 405 werd het door de Carthagers verwoest. Timoleon bracht er nieuwe bewoners uit Ceos; in 280 werd de stad voor de tweede maal en nu voor goed vernietigd door Phintias, tyran van Agrigentum.

Gelanor, Gelanor, zoon van Sthenelus, was koning van Argos toen Danaüs in het land kwam, die evenals G. van Inachus afstamde en op dien grond aanspraak op de regeering maakte. Terwijl het volk vergaderd was om in deze zaak een besluit te nemen, kwam een wolf de kudde van G. aanvallen en verscheurde den stier, waarop het volk, hierin een voorteeken ziende, ten gunste van Danaüs besliste.

Gelduba, sterkte in het land der Ubiërs of Agrippinensers, tusschen Vetera en Novaesium, thans Gelb.

Geleontes, zij die tot de eerste der vier oude attische phylen behoorden.

Gellias, Gellias, v.a. Tellias, Tellias, rijk inwoner van Agrigentum, bekend om zijne geestigheid en mildheid. Toen zijne vaderstad in 405 door de Carthagers werd ingenomen, stak hij den tempel van Pallas in brand om hem voor ontwijding te behoeden, en kwam zelf daarbij om.

Gellii, een geslacht, uit Samnium afkomstig. 1) Gellius Statius, veldheer der Samnieten, in 305 door de Romeinen gevangen genomen.--2) Gellius Egnatius, zie Egnatii no. 1.--3) L. Gellius Poplicola, consul in 72, niet zonder talent als redenaar, overwon eerst in den slavenoorlog den aanvoerder Crixus, doch werd vervolgens met zijn ambtgenoot Cn. Cornelius Lentulus Clodianus (Cornelii no. 49) door Spartacus verslagen. In 70 trad hij met denzelfden Lentulus als censor zeer streng op. Er werden toen 64 senatoren van de lijst geschrapt. In 67 was hij legaat van Pompeius in den zeerooversoorlog. Cicero stond bij hem in hooge achting. Een broeder van hem, ook Gellius Poplicola geheeten, was een hevig tegenstander van Cicero en een vriend van P. Clodius.--4) L. Gellius Poplicola, zoon van no. 3, werd beschuldigd zijn vader naar het leven te hebben gestaan, doch vrijgesproken. Later komt hij onder de vijanden van Brutus en Cassius en onder de aanhangers van Antonius voor. Hij was in 36 consul.--5) Cn. Gellius, annalist omstreeks 130.--6) Aulus Gellius, rom. taalgeleerde, geb. omstreeks 130 n. C., een man van veelzijdige studie en ontwikkeling. Zijne Noctes Atticae, een werk, gedurende zijn verblijf te Athene in de winternachten begonnen, bevatten veel wetenswaardigs op allerlei gebied.

Gelo, Gelon, van Gela, zoon van Dinomenes, bevelhebber der ruiterij onder Hippocrates, regeerde sedert diens dood (491) over zijne vaderstad. Toen de aristocraten van Syracuse, door het volk verdreven, zijne hulp inriepen, bracht hij hen terug en maakte hij zich van de regeering over die stad meester (485), terwijl hij Gela aan zijn broeder overliet. Hij verplaatste inwoners van Camarina, Gela en Megara naar Syracuse, breidde zijne heerschappij binnen korten tijd over bijna geheel Sicilië uit, en kreeg zulk een groote macht, dat hij in den perzischen oorlog op het opperbevel over de Grieken aanspraak maakte. Hijzelf werd echter in dienzelfden tijd door de Carthagers aangevallen, doch behaalde met zijn bondgenoot Theron van Agrigentum in 480 bij de Himera een schitterende overwinning op het carthaagsche leger onder Hamilcar. Hij stierf in 478 na eene gematigde, gelukkige en vreedzame regeering, en werd na zijn dood als heros vereerd.

Geloni, Gelonoi, scythische of sarmatische volksstam tusschen Don en Wolga, getatoueerd en daarom door Vergilius picti genoemd.

Gemelli colles, bergketen in het binnenland van W. Sicilia.

Geminii, geslacht uit Tusculum afkomstig.

Gemoniae (scalae) of Gradus gemitorii, een natuurlijke of in de rots uitgehouwen trap, die naar den Tiber leidde. Hierheen werden de lijken gebracht van hen die in de gevangenis terecht gesteld waren, waarna ze later met haken in den Tiber werden gesleept.

Genabum, later Aureliani civitas, z. a.

Genauni, raetische volksstam in het dal van den Beneden-Inn, die gewoon waren alle mannelijke krijgsgevangenen, jong en oud, om te brengen. Drusus overwon hen (15 en 14).

Genava of Geneva, thans Genève, stad der Allobrogen, gelegen aan het punt, waar de Rhodanus (Rhône) uit den lacus Lemannus stroomt.

Genesia, gedenkdag van een gestorvene, samenvallend met diens verjaardag; verjaardag van een sterfgeval, de afgestorvene werd dan door zijne bloedverwanten herdacht. Ook een algemeene gedenkdag der dooden, te Athene de 5de Boëdromion. Z. Nekysia.

Genetrix, bijnaam van Venus te Rome, als stammoeder van de gens Iulia.

Genii, goddelijke wezens, die den mensch gedurende zijn geheel leven begeleiden, beschermen en van het kwade terughouden. Ieder mensch had zijn Genius, die grooteren invloed op zijn leven uitoefende dan de andere goden, wier werkkring zooveel uitgebreider is. Men offerde hem op verjaardagen en over het algemeen bij gewichtige gebeurtenissen wijn, wierook en bloemen, en meende hem te dienen door het leven vroolijk te genieten (Genio indulgere) en te beleedigen door het tegenovergestelde (Genium defraudare). Aan booze Genii of aan Genii, die den mensch zoowel ten kwade als ten goede leiden, schijnt men niet algemeen geloofd te hebben. Zij werden gewoonlijk voorgesteld als schoone jongelingen met vleugels. De Genii der vrouwen heeten Iunones.--Ook aan volken, geslachten, steden en plaatsen kende men soms een Genius toe; laatstgenoemde werden dikwijls afgebeeld als slangen, die van een altaar vruchten eten. Vgl. Daemon.

Gennesara, limne Gennesaritis, het meer Gennesareth of Kinnereth of meer van Tiberias, in Galilaea. Het wordt door den Jordaan gevormd.

Gens, to genos, in den rom. staat geslacht, op gemeenschappelijke afstamming berustende. De leden van eene gens waren gentiles, en het recht, dat men aan dit lidmaatschap ontleende, heette ius gentilicium of gentilitatis. Oorspronkelijk werden alleen de patriciërs geacht tot een geslacht te behooren; deze geslachten waren reeds sinds Tarquinius Priscus onderscheiden in gentes maiores en g. minores (de later in het patriciaat opgenomene). Later had men ook plebejische gentes, en zelfs meermalen in dezelfde gens plebejische en patricische takken of familiae.

Gentius, Gentios, Genthios, koning der Illyriërs, een woest vorst, aan dronkenschap verslaafd. Door zijne zeerooverijen en zijn verbond met Perseus van Macedonia wikkelde hij zich in een oorlog met Rome, die met zijne eigene gevangenneming en die zijner familie en den ondergang van zijn rijk eindigde, in 168.

Genua, Genoua, thans nog Genua, voorname stad aan de ligurische golf (sinus Ligusticus), vóór den tweeden punischen oorlog door de Romeinen bezet, in 205 door de Carthagers verwoest, later rom. municipium.

Genuciae (leges), van den volkstribuun L. Genucius, 342, 1) dat beide consuls plebejers zouden mogen zijn; 2) ne foeneraere liceret, een verbod, om geld tegen rente uit te leenen (z. Fenus); 3) een lex de magistratibus: ne quis eundem magistratum intra decem annos caperet, neu duos magistratus uno anno gereret.

Genucii, patricisch geslacht met plebejische takken, waarvan verschillende leden als volkstribunen en krijgstribunen en consuls voorkomen. De volkstribunen T. of P. Genucius in 476 en Cn. Genucius in 473 waren warme voorvechters eener akkerwet; de laatste werd trots zijne onschendbaarheid door sluipmoord omgebracht. In 445 komen de Genucii voor als tegenstanders der wetsvoorstellen van Canuleius. De verhalen omtrent deze personen zijn geheel verzonnen. De familiën dezer gens zijn voornamelijk: de Augurini, de Aventinenses en de Clepsinae.

Genusus, rivier in Illyria, ten Z. van Dyrrachium.

Geomoroi, zij die tot de tweede van de drie phylen behoorden, waarin Attica door Theseus verdeeld werd. In lateren tijd worden in vele staten met dien naam adellijke grondbezitters aangeduid.

Gepidae, volk van gothischen stam, dat, toen de andere Gothen naar de Zwarte Zee trokken, aan de Weichsel achter bleef. Het maakte in 450 na Chr. deel uit van Attila's scharen, vestigde zich in 454 in Dacië en werd in 565 door de Longobarden onder Alboïn vernietigd.

Geraestus, Geraistos, kaap en stad op de Zuidpunt van Euboea, met een Poseidontempel. Geraesticus portus echter was niet op Euboea, maar de haven der aziatisch-ionische stad Teos.

Geranea, Geraneia, kraanvogelberg, bergketen op de corinthische landengte. Over dit gebergte liep de scironische weg, een vrij gevaarlijk pad van Megaris naar Corinthus, naar den roover Sciro genoemd, die de reizigers uitplunderde en in zee wierp, totdat Theseus hem met gelijke munt betaalde.

Gerastus, Gerastos = Geraestus.

Gerenia, Gerenia, oude stad van Messenia, waar Nestor werd opgevoed, die hiernaar Gerenios genoemd werd. Zie ook Enope.

Gereonium (Gerunium), stad in het land der Frentani, ten zuiden van Larinum. Ligging onzeker. Voor de muren van G. heeft Hannibal den winter van 217/216 doorgebracht.

Gergis, Gergithus, Gergis, Gergithos, stad der Teucri in Troas, na den ondergang van Troje gebouwd. Het lag waarschijnlijk ten O. van Ilium, v. a. echter ten Z. daarvan. Een tweede Gergis of Gergithium vond men in het gebied van Lampsacus.

Gergovia, sterke vesting der Arverni, in het tegenw. Auvergne, waarvoor Caesar het hoofd stiet. Het lag in de nabijheid van hunne hoofdstad Augustonemetum (Clermont).

Germalus = Cermalus.

Germani, Germanoi, bewoners van Germania, niet te verwarren met Germanii.

Germania, Germania, het land tusschen den Rijn en de Weichsel of Vistula, en tusschen den Donau en de Noord- en Oostzee, ook wel magna, barbara, transrhenana bijgenaamd in tegenstelling der rom. provinciën Germ. superior en inferior op den linkeroever van den Rijn. Deze laatste provincies behoorden oorspronkelijk tot de tres Galliae, en waren dus ingedeeld bij Belgica, maar werden na de terugroeping van Germanicus (17 n. C.) daarvan afgescheiden. Zie Gallia. Ofschoon de rom. legioenen onder Caesar, Drusus, Tiberius, Varus, Germanicus in Germania trachtten door te dringen, gelukte het niet er vasten voet te houden. De naam Germani, Germanoi, was door de Galliërs aan de overrijnsche volken gegeven.

Germanicus Caesar was de zoon van Drusus en Antonia minor en een broeder van den lateren keizer Claudius. Keizer Tiberius was zijn oom van vaderszijde en nam hem tot zoon aan. Hij werd in 15 geboren. Nog bij het leven van Augustus maakte hij onder Tiberius de veldtochten mede tegen de opgestane Pannoniërs en Dalmatiërs en tegen de Germanen. Bij den dood van Augustus had hij het opperbevel over de rom. legioenen aan den Rijn, dempte een soldatenoproer en streed nu eens meer, dan eens minder gelukkig tegen de Chatten en Marsen. In 15 en 16 na C. drong Germanicus bij herhaling in Germania door, versloeg Arminius en begroef in het Teutoburgerwoud het gebeente van Varus' legioenen. In 17 riep Tiberius hem terug en zond hem naar het O., waar hij in 19 stierf, volgens gerucht aan vergif, hem vanwege den syrischen stadhouder Cn. Piso toegediend. Germanicus werd om zijne edele hoedanigheden diep betreurd en Tiberius zag zich genoodzaakt, Piso aan de algemeene verbittering op te offeren, zie hieromtrent Calpurnii no. 7. Bij zijne gemalin Agrippina had Germanicus negen kinderen, waaronder den lateren keizer Caligula en Agrippina, de moeder van Nero. Germanicus was ook redenaar en dichter. De naam Germanicus was hem bij senaatsbesluit gegeven. Zie ook Iulii onder e.

Germanii, Germanioi, perzische volksstam. Zie Carmania.

Germanopolis, zie Gangra.

Gerousia, raad der ouden in aristocratische staten. Te Sparta bestond die raad uit 28 leden en de beide koningen; de leden moesten ouder dan 60 jaar zijn en bekleedden hun ambt levenslang. De raad sprak recht over sommige zware misdaden, en besliste omtrent wetten en besluiten, of zij aan de goedkeuring van het volk zouden onderworpen worden. Oorspronkelijk de hoogste macht in den staat, werd de raad echter in latere tijden door de ephoren overvleugeld.

Gerrha, Gerra, stad der Gerrhaei, Gerraioi, op de N.O. kust van Arabia aan de Perzische golf. De Gerrhaeërs waren een handelsvolk, uit Chaldaea afkomstig.

Geryon, -ones, Geryon, -yones, -yoneus, zoon van Chrysaor en Calirrhoë, een monster met drie hoofden of drie lichamen, die over het eil. Erythea in het verre Westen regeerde. Hij hield daar groote kudden, die om hare schoonheid beroemd waren, en die Heracles op last van Eurystheus roofde, nadat hij den reus Eurytion en den tweekoppigen hond Orthrus, die ze bewaakten, gedood had. G. snelde hem na, maar werd eveneens verslagen.

Gesoriacus portus, later Bononia, thans Boulogne aan het Kanaal, stad der Morinen in Gallia Belgica, het gewone punt van overvaart naar Britannia.

Geta (P. Septimius Antoninus) volgde in 211 na C. met zijn broeder Caracalla hun vader Septimius Severus als keizer op, doch werd reeds in 212 in de armen zijner moeder door Caracalla vermoord.

Getae, Getai, een thracisch volk, dat met de Daci verwant is, en ten O. van hen woonde. Door de grieksche schrijvers worden de Daci ook gewoonlijk Getae genoemd. Volgens Strabo onthielden zij zich van dierlijk voedsel. Latere schrijvers verwarren hen met de Gothen, die nadat de Romeinen het land verlaten hadden, een tijdlang in Dacië gewoond hebben (zie Gothi en Dacia).

Gigantes, Gigantes, zonen van Gaea, geweldige reuzen met lange haren en baard en draken in plaats van voeten. Nauwelijks geboren, begonnen zij een strijd tegen de olympische goden; zij vereenigden zich op de phlegraeische vlakte, stapelden bergen op elkander en trachtten, door brandende boomstammen naar den Olympus te werpen, de goden van daar te verjagen. Zeus, die door een orakel wist dat deze vijanden niet door goden alleen konden overwonnen worden, riep Heracles te hulp en nu werden alle Giganten gedood of werden eilanden en vuurspuwende bergen op hen geworpen.--V. s. had ook Dionysus tot de nederlaag der Giganten medegewerkt, door met zijne Satyrs op de kampplaats te verschijnen, allen op ezels rijdende, die zoo vreeselijk begonnen te balken, dat de vijanden de vlucht namen.--Bij Homerus zijn de Giganten een aan de goden verwant volk, dat wegens zijne boosheid door Zeus verdelgd werd.

Gigonus, Gigonos, kaap en stad op Chalcidice aan de Thermaeïsche golf.

Giligammae, Giligammai, volksstam op de kust van Libye, in Marmarica en Cyrenaïca.

Gisco, Giskon, naam van eenige carthaagsche veldheeren. Een was de zoon van Hamilcar, die in 480 bij de Himera op Sicilia sneuvelde tegen Gelo van Syracusae. Een andere Gisco, zoon van Hanno, streed in 340 tegen Timoleon. Een derde, bevelhebber van Lilybaeum in 241, werd na den eersten punischen oorlog door de muitende huurtroepen gevangen genomen en ter dood gemarteld.

Glabrio, familienaam in de gens Acilia.

Gladiatores, zwaardvechters, in den regel krijgsgevangenen, die in zwaardvechtersscholen door vecht- of schermmeesters geoefend werden en dan door hunne eigenaars verhuurd werden om bij lijkstaties, feesten, openbare spelen ten genoegen der toeschouwers op leven en dood met elkander te vechten. Het gebruik om gladiatoren te laten vechten is van Etruscischen oorsprong, en het eerst in Rome ingevoerd in 264, als lijkspelen; als openbare spelen voor het eerst in 105, zie Ludi aan het einde. De Rom. waren tuk op bloedige spelen en deze waren een krachtig middel voor eerzuchtigen om zich de gunst van den grooten hoop te verwerven. Uit een opvoedkundig oogpunt werden deze spelen aanbevolen, om een krijgshaftigen zin op te wekken en in den strijd de gevoelszenuwen te stalen. In de oefenscholen gaf men voorzichtigheidshalve den zwaardvechters slechts houten wapenen ten gebruike, terwijl deze verblijven als gevangenissen waren ingericht, met de noodige voorzorgen tegen ontvluchting. Er waren verschillende soorten van zwaardvechters, op verschillende wijze gewapend, ten einde aan de spelen de noodige verscheidenheid bij te zetten. Hierbij eene afbeelding van de gladiatorenkazerne te Pompeii. Oorspronkelijk was het een zuilengang geweest, die bij het aangrenzende theater hoorde; later, waarschijnlijk in den tijd van Nero, werd het gebouw voor het aangegeven doel geschikt gemaakt, door de zuilengangen met kleine slaapkamers, twee rijen boven elkaar, te omgeven. Het middenterrein diende voor oefeningen. Een van de cellen diende als gevangenis.

Glaesariae insulae, ook wel Electrides insulae geheeten = Barnsteen-eilanden, de voor onze en de duitsche kust liggende Noordzee-eilanden, waarvan het meest bekende was Burchana (Borkum).

Glaesum (glas), het germaansche woord voor barnsteen (sucinum, elektron), dat deels op de Noordzee-eilanden aanspoelde (zie vorig artikel), deels aan de kusten der Oostzee gewonnen werd, in het land der Aestii.

Glanis = Clanis.

Glauce, Glauke, 1) eene van de Nereïden.--2) = Creusa no. 4.--3) haven bij het voorgebergte Mycale.

Glaucia, familienaam in de gens Servilia.

Glaucias, Glaukias, 1) beroemd geneesheer, schreef commentaren op Hippocrates.--2) van Aegina, beroemd beeldhouwer omstreeks 500.

Glaucus, Glaukos, 1) Pontios, een visscher van Anthedon, die eens na het proeven van tooverkruiden zich gedrongen gevoelde in zee te springen en onder de zeegoden werd opgenomen.--V. a. had hij tot de Argonauten behoord, en was hij bij een gevecht tegen de Tyrrheniërs in zee gevallen en in een zeegod veranderd; hij wordt ook bouwmeester of stuurman van de Argo genoemd. Hij is vooral de god van schippers en visschers, wien hij in gevaren gaarne hulp verleent, en werd aan de kusten vereerd als een orakelgevend god; zelfs Apollo zou hij in de kunst van voorspellen onderwezen hebben. Hij wordt gewoonlijk voorgesteld als een grijsaard, wiens lichaam in een vischstaart eindigt.--2) zoon van Sisyphus en Merope, koning van Corinthe of van Potniae. Hij versmaadde de macht van Aphrodite, die zich wreekte door zijne paarden razend te maken, toen hij aan de lijkfeesten van Pelias deel nam, zoodat zij hem van den wagen afwierpen en verscheurden. Hij gold na zijn dood voor een daemon (Taraxippos), die bij de isthmische spelen de paarden schuw maakte.--3) achterkleinzoon van den vorigen, zoon van Hippolochus, als aanvoerder der Lyciërs een van de dapperste bondgenooten der Trojanen, gastvriend van Diomedes.--4) zoon van Minos en Pasiphaë, viel als kind bij het spelen in een vat met honig, zoodat niemand wist waar hij gebleven was. Polyidus, een waarzegger uit Corinthe of Argos, werd door Minos gedwongen te openbaren waar het kind te vinden was, en toen hij niet voldoen kon aan den tweeden eisch van den koning, dat hij den doode het leven zou teruggeven, werd hij met het lijk in een gewelf opgesloten. Plotseling naderde eene slang, Polyidus doodde haar, waarop een tweede slang aankwam met een kruid in den bek, waardoor zij de eerste slang deed herleven. Polyidus legde nu het kruid ook op den dooden knaap met hetzelfde gevolg. Eindelijk werd hij nog door Minos gedwongen, Glaucus de kunst van waarzeggen te leeren, maar vóór zijn vertrek bewerkte hij dat Gl. die kunst weder vergat. Zooals hij voorspeld had, sneuvelde Gl. later voor Troje.--5) van Chius, beroemd beeldhouwer uit de 7de eeuw, uitvinder van het soldeeren en van verscheiden verbeteringen in het bewerken van metaal.

Gnathia = Egnatia.

Gnidus = Cnidus.

Gnomische poëzie, gedichtjes, die in korten en bondigen vorm een zedelijk beginsel, eene uit de ondervinding geputte les en dgl. verkondigen. Zulke uitspraken (gnomai) komen bij alle dichters voor, maar werden door sommige grieksche dichters als een afzonderlijke dichtsoort behandeld; de voornaamste dichters zijn Solon, Phocylides en Theognis; de Rom. hielden zich weinig er mede bezig.

Gnossus, Gnosus = Cnosus.

Gnostici, gnostikoi worden de schrijvers genoemd, die in de 1ste en 2de eeuw de waarheid der christelijke leerstellingen, behalve door het gezag der openbaring, ook door wijsgeerige bewijsgronden trachtten te betoogen. De kerk heeft een harden strijd moeten voeren met deze afwijking van de christelijke leer. De geschriften der Gn. zijn grootendeels te loor gegaan; alleen vindt men vele citaten bij de kerkvaders.

Gobryas, Gobryas, 1) een van de zeven Perzen, die den valschen Smerdis onttroonden, later schoonzoon van Darius Hystaspis, maakte den veldtocht tegen de Scythen mede. Hij was de vader van Mardonius.--2) veldheer van Artaxerxes Mnemon.

Golgi, Golgoi, stad in het binnenland van Cyprus, ten O. van Idalium, sicyonische kolonie.

Gomphi, Gomphoi, vesting in Thessalia op de grens van Epirus, ten Z.W. van Tricca, door Caesar verwoest, later herbouwd.

Gon(n)us of -i, Gon(n)os, -oi, stad der Perrhaebiërs aan den ingang van het dal Tempe, nabij den Peneus, in Thessalia. Het was eene belangrijke vesting.

Gordianus, naam van drie rom. keizers, vader, zoon en kleinzoon. 1) en 2) M. Antonius Gordianus Africanus, vader en zoon. In 235 na C. was keizer Alexander Severus gedood in een opstand onder den ruwen krijgsman Maximinus, die zich van het gezag meester maakte. Tegen hem riep het leger in 238 in Africa den ouden, tachtigjarigen Gordianus als keizer uit, een rijk, beschaafd man, verwant met de Antonijnen, en niet alleen als proconsul in Africa, maar ook in Italia en te Rome algemeen geacht. Hij nam zijn zoon tot mederegent aan; doch deze sneuvelde reeds na twee maanden in een slag tegen den stadhouder van Numidia, waarop ook de vader zich het leven benam.--3) M. Antonius Gordianus Pius Felix was van moederszijde een kleinzoon van no. 1. Na den dood van zijn oom en zijn grootvader, waren door den senaat M. Clodius Pupienus Maximus en D. Caelius Calvinus Balbinus tot keizers uitgeroepen, terwijl de jonge Gordianus, 13 jaren oud, op verlangen des volks den titel van Caesar kreeg. In dezen tijd beginnen de invallen der Gothen met de verwoesting van de stad Istrus in Maesia Inferior. Nog in het zelfde jaar 238 werden Pupienus en Balbinus door de praetorianen omgebracht en Gordianus tot Augustus uitgeroepen. Door de wijze raadgevingen van zijn minister Timesitheus, die ook zijn schoonvader werd, regeerde hij 6 jaren niet zonder geluk, tot hij in het begin van 244 op een veldtocht tegen Sapores van Perzië aan den Euphraat dicht bij Circesium door zijn praefectus praetorio, M. Julius Philippus, vermoord werd, die daarop tot Augustus werd uitgeroepen.

Gordium, Gordieum, Gordion, Gordieion, oude hoofdstad der phrygische koningen, ten tijde van Augustus in Iuliopolis verdoopt, aan den Sangarius. Zie Gordius.

Gordius, -ias, Gordios, Gordias, een phrygisch landbouwer, op wiens ploeg zich eens een arend zette, wat verklaard werd als een teeken dat hij eenmaal de koninklijke waardigheid zou verkrijgen. Toen kort daarna de Phrygiërs bij binnenlandsche onlusten het orakel om raad vroegen, werd hun bevolen hem tot koning te kiezen, dien zij zouden ontmoeten, terwijl hij op een wagen naar den tempel van Zeus reed. G. was de eerste, die aan deze voorwaarde voldeed, hij werd tot koning uitgeroepen en werd de stamvader van een nieuw vorstenhuis. Hij bouwde de stad Gordium, die residentiestad bleef, en wijdde daar den wagen, waarop hij gezeten was toen hij tot koning werd uitgeroepen, en waaraan de kunstig gelegde gordiaansche knoop was, die volgens een orakel door een toekomstig beheerscher der wereld zou losgemaakt worden, en dien Alexander de G. doorhakte.

Gordyaei, Gordyaioi, krijgshaftige bevolking van Gordyene. De oude naam leeft nog voort in Koerden. Gordyaei montes, geb. van Gordyene, in het Z. van Armenia.

Gordyene = Corduene.

Gordys, Gordys, zoon van Triptolemus, die zijn vaderland verliet en zich in het naar hem genoemde landschap Gordyene nederzette.

Gorgias, Gorgias, 1) van Leontini, kwam reeds tamelijk bejaard (hij was ± 483 geboren) in 427 als gezant naar Athene, en trok daar zeer de aandacht door zijne kunstige en sierlijke redevoeringen. Kort daarna deed hij een reis door Griekenland, en verwierf overal door zijne openbare redevoeringen (epideixeis) en door zijn onderwijs in de redekunst, roem en geld. Hij stierf te Larissa in Thessalië, geruimen tijd na Socrates, misschien eerst 375. Hij was een der eerste sophisten en hield zich ook met wijsbegeerte bezig; in zijn werk peri tou me ontos e peri physeos komt hij tot het besluit dat niets in werkelijkheid bestaat, dat men, al bestond er iets, het toch niet zou kunnen leeren kennen, en dat men, al ware ook dit zoo, zijne kennis toch niet aan anderen zou kunnen mededeelen. De welsprekendheid kan dus volgens hem niet dienen tot het verkondigen van een waarheid, die niet bestaat of althans niet te vinden is, maar is het werktuig om persoonlijke meeningen, juist of onjuist, ingang te doen vinden. Hij is de schepper van de Grieksche woordkunst, en van de verschillende redefiguren (Gorgieia schemata); er zijn nog twee redevoeringen van hem over, Helenes enkomion en Palamedes, die lang voor onecht zijn gehouden.--2) atheensch rhetor, gedurende eenigen tijd leermeester van Cicero's zoon, schrijver van een werk over rhetorische figuren, waarvan een latijnsch uittreksel van Rutilius Lupus bestaat.

Gorgidas, Gorgidas, Thebaan, boeotarch in 378. Rondom hem en zijn vriend Epaminondas vereenigden zich onder de oligarchische regeering een aantal jongelieden, die na het herstel der democratie in den oorlog tegen Sparta uitmuntten, en uit welke Pelopidas later de zoog. heilige schare vormde.

Gorgobina, stad der Bojers, ergens tusschen den Liger (Loire) en den Elaver (Allier), naar welke streek dit volk met Caesars goedvinden verhuisd was.

Gorgones, Gorgous, Gorgones, drie dochters van Phorcys en Ceto, wier namen zijn Stheno, Euryale en Medusa (z. a.). Zij wonen nabij de Hesperiden en worden voorgesteld als vreeselijke wezens met slangen in plaats van haar op het hoofd, een gordel van slangen, groote slagtanden, vleugels en koperen klauwen; wie haar aanzag werd versteend. Later werden zij echter als schoone jonkvrouwen afgebeeld, vooral Medusa. Bij Homerus komt slechts ééne Gorgo voor, wier schrikverwekkend hoofd op de Aegis staat.

Gorgopis, Gorgopis, meertje bij Corinthus.

Gortyn of -tyna, Gortyn, -tyna, eene der hoofdsteden van Creta, in het Z. van het eiland. In 1884 is hier een belangrijk opschrift ontdekt, dat een gedeelte bevat van het stadrecht van Gortyn uit ± 400, voor de geschiedenis van het grieksche recht van het hoogste belang.

Gortynia, Gortynia, stad in het macedonische gewest Emathia.

Gothi, Gothones, Gotthoi, Skythai, een van de Oost-Germaansche volkeren; zij woonden in de eerste eeuw na Chr. aan den rechter oever van de Beneden-Weichsel (Vistula), maar waren daarheen gekomen uit Scandinavië (Gothland); ze werden--in tegenstelling met de meeste Germanen--door koningen geregeerd. Tusschen 150 en 230 na Chr. zijn ze in vele afdeelingen langzamerhand naar de Noordkust van de Zwarte Zee verhuisd, en hebben door die verhuizing waarschijnlijk de aanleiding gegeven tot den Markomannenoorlog (166-180), daar de stammen die daaraan hebben deelgenomen, door de Gothen voor zich uitgedreven zijn. In de 2de helft der 3de eeuw splitsen ze zich in Oost-Gothen (Austrogoti, Ostrogothi) of Grutungi, en in West-Gothen (Visigothi) of Tervingi. Een 3de gedeelte van den stam, de latere Gepiden, was aan de Weichsel achter gebleven. Sedert ongeveer 257 zijn Oost- en West-Gothen meester van Dacië, en blijven daar wonen tot ongeveer 376.

De eigenlijke Gothentochten, eerst te land, later ter zee, beginnen in 238, en duren tot 269, toen keizer Claudius Gothicus hen bij Naissus (Nisch) versloeg. Omstreeks 376 na C. dwongen de Hunnen de Oostgothen, zich met hen te vereenigen; doch de Westgothen vroegen aan keizer Valens eene woonplaats in het rom. rijk, en trokken, 200000 strijdbare mannen sterk, met hunne gezinnen den Donau over, om zich in Moesia en Thracia te vestigen, waarheen nog eene schaar Oostgothen hen volgde. De hebzucht en het bedrog der rom. ambtenaren was oorzaak van een oorlog, waarin Valens (z. a.) omkwam. De Gothen plunderden en verwoestten nu het Balkan-schiereiland, totdat in 382 keizer Theodosius de Groote hen tot onderwerping dwong. Onder de regeering van Arcadius begonnen de geschillen en plunderingen opnieuw; zie Alaricus. Alariks opvolger Ataulf voerde de Westgothen naar Gallia, waar in 415 Wallia een westgothisch rijk stichtte met Tolosa (Toulouse) tot hoofdstad.--Toen in 453 met Attila's dood het Hunnenrijk uiteenspatte, trokken ook de Oostgothen over den Donau en bleven zich in de Donaugewesten ophouden, tot zij in 495 onder hunnen koning Theodorik Italië veroverden. Als oudste overblijfsel van germaansche taal bezitten wij nog eene gothische bijbelvertaling van bisschop Ulfilas uit de vierde eeuw. De Gothen behoorden als Christenen tot de Arianen.

Gothini = Cotini.

Gracchus, familienaam in de gens Sempronia (Sempronii no. 7-13).

Gradivus, bijnaam van Mars, als god die in den strijd vooraan gaat. Hij had een tempel voor de Porta Capena te Rome.

Graeae, Graiai, drie dochters van Phorcys en Ceto, die alleen den weg naar de Gorgonen, hare zusters, kenden; hare namen zijn Dino, Pephredo en Enyo. Zij hebben een schoon, blozend gelaat, maar grijze haren, en met elkander slechts één oog en één tand. Soms worden zij als zwanen voorgesteld. Zij wonen aan den westelijken rand der aarde, waar noch zon, noch maan schijnt. Z. Perseus.

Graecia. De oude Grieken noemden hun land Hellas (z. a.), de Rom. gaven er als provincie den naam Achaia aan. Den algemeenen naam Graeci (Graïci) ontleenden de Rom. aan de Graï, een volksstam uit Boeotia, (uit het gebied van Tanagra en Oropus), die samen met kolonisten uit Chalcis, Eretria en Cyme (aan de O.-kust van Euboea), Cumae in Campania gesticht hebben. Graïci is ook de naam van een griekschen stam in Epirus. V. a. hebben de Rom. de naam Graeci aan dezen stam ontleend.

Graecia magna, he megale Hellas, naam voor Beneden-Italië, wegens het groote aantal grieksche volkplantingen aldaar, die nagenoeg de geheele kust in bezit genomen hadden. Onderlinge veeten ondermijnden de macht dezer staatjes, die bovendien aan den eenen kant door Syracusae, aan den anderen door de lucanische Samnieten werden bedreigd. Op het laatste oogenblik verbonden de grieksche steden zich nog onder hegemonie der stad Thurii, doch de slag bij Laüs in 390 leverde het land in handen der Samnieten, en, voor zoover de grootere steden nog vrij bleven, werd hun gebied toch beperkt tot den bodem der stad. In 272 was geheel Zuid-Italië aan de Rom. onderworpen.

Graecostasis, een eenigszins verhoogd, open terras, locus substructus, aan de Z. zijde van het Comitium, grenzende aan het Forum, tegenover de Curia Hortilia. De gezanten van Grieken en andere volken wachtten er het oogenblik af, dat de rom. senaat hun audiëntie zou verleenen.

Graecus, Graikos, zoon van Thessalus, koning van Phthia, aan wien de Grieken hun naam (Graeci) ontleenen.

Graii, dichterlijk = Graeci. Zie echter ook Graecia.

Graioceli, volksstam in Gallia Transalpina, aan de Grajische Alpen, nabij den M. Cénis.

Grammateus, schrijver, klerk. De schrijvers der magistraten, deels door hen zelf gekozen, deels hun door het volk toegevoegd, waren meestal lieden van geringen stand, soms zelfs staatsslaven. Dit was echter niet het geval met den gr. tes boules, die door den raad verkozen werd, den gr. kata prytaneian, die voor iedere prytanie door het lot werd aangewezen, en den gr. tes poleos, die door het volk werd verkozen.--Bij het achaeïsch en aetolisch verbond behoorden de grammates tot de hooggeplaatste ambtenaars.

Gramme, linea alba, een met krijt besmeerd touw, dat over de renbaan gespannen was, totdat alle paarden in eene rij ervoor stonden; als de wedren begon, werd het touw snel weggetrokken. De inrichting diende om te beletten dat een paard vroeger afging dan de andere.

Grampius mons, beter Graupius mons, gebergte in Britannia Barbara, waar Agricola zijne laatste, zoo schitterende overwinning behaalde, alvorens keizer Domitianus hem terugriep. Dit is het eenige gebergte in Britannia waarvan de naam bij een rom. schrijver vermeld wordt. Aardrijkskundigen uit de 18de eeuw hebben ten onrechte op een gedeelte der Highlands dezen naam overgebracht (Grampian mountains), die in het land zelf niet gehoord wordt.

Granicus, Granikos, rivier in Mysia, uitstroomende in de Propontis (zee v. Marmara). Aan deze rivier behaalde Alexander d. Gr. zijne eerste overwinning op de Perzen, in 334, en L. Licinius Lucullus in 73 de zege op Mithradates.

Granii, een plebejisch geslacht. 1) Granius Flaccus, oudheidkundige ten tijde van Caesar of Augustus, schreef de indigitamentis en de iure Papiriano.--2) M. Granius Marcellus, proconsul van Bithynia, werd in 15 n. C. door zijn quaestor Caepio Crispinus aangeklaagd wegens majesteitsschennis, maar vrijgesproken. Of hij ook vrijgesproken is van afpersing, waarvan hij ook aangeklaagd was, staat niet vast.--3) Granius Licinianus, romeinsch geschiedschrijver, waarschijnlijk uit den tijd der Antonijnen, van wiens annales eenige fragmenten over zijn.

Graphe, schriftelijke aanklacht, in het bizonder, in tegenstelling met dike, aanklacht wegens een vergrijp tegen de maatschappelijke orde of tegen den staat. Ieder burger, die in het volle bezit zijner rechten was, niet alleen de betrokken persoon, konde als aanklager optreden, hij werd echter, indien niet een vijfde van de rechters voor veroordeeling stemde, met 1000 drachmen beboet, en verloor het recht iemand wegens eene soortgelijke zaak aan te klagen (z. ook Anakrisis). Op eene veroordeeling volgde geldboete, atimie of doodstraf.--Vgl. dike.

Gratiae, z. Charis.

Gratianopolis, vroeger Cularo, thans Grenoble, stad der Allobrogen in Gallia Transalpina.

Gratianus (Fl.), geb. te Sirmium in 359 n. C., oudste zoon van keizer Valentianus I, sedert 367 mederegent en in 375 opvolger zijns vaders in het W. des rijks, terwijl zijns vaders broeder Valens het O. bestuurde (364-378 n. C.). Gratianus was een veelbelovend jongeling, om zijne zachtheid en reinheid van zeden algemeen bemind. Ausonius, de dichter der Mosella, was zijn leermeester geweest. Afwisselend hield Gratianus zich in Italia en Gallia op, waar hij dan meestal in de civitas Trevirorum (Trier) verblijf hield. Hij was een ijverig Christen, en hij onttrok aan den ouden godsdienst en de priesters daarvan den steun van den staat. Hij stond sterk onder den invloed der geestelijkheid, vooral van bisschop Ambrosius van Milaan. Hij had te kampen met de Lentienses, een afdeeling der Alemannen, die hij in 378 bij Argentovaria (Argentaria, ten Z. van Straatsburg) versloeg. In 383 brak in Britannia een opstand in het leger onder Maximus uit en toen deze laatste in Gallië geland was, werd Gratianus door zijn troepen bij Parijs verlaten en op de vlucht te Lyon vermoord.

Gratidii, plebejisch geslacht uit Arpinum. 1) M. Gratidius, een bekwaam redenaar en een man van fijne beschaving, sneuvelde in den oorlog van M. Antonius (den redenaar) tegen de cilicische zeeroovers, in 102. Zijne zuster Gratidia was Cicero's grootmoeder.--2) M. Gratidius was onder Q. Cicero legaat in Asia, 61-59.--3) M. Marius Gratidianus, zoon van no. 1 en door zekeren Marius (niet den bekenden) als zoon aangenomen, werd door Sulla vogelvrij verklaard en door Catilina vermoord.

Gration, Gration, een van de Giganten, door Artemis gedood.

Gratius (Grattius), afkomstig uit Falerii en daarom Faliscus bijgenaamd, rom. dichter, tijdgenoot en vriend van Ovidius. Van hem is nog een leergedicht over de jacht, getiteld Cynegetica, grootendeels bewaard gebleven.

Graupius mons, zie Grampius mons.

Graviscae, oude stad in Etruria, tot het gebied van Tarquinii behoorende, sedert 181 rom. kolonie, bekend door goeden wijn, doch ook door haar vochtig en koortsig klimaat (gravis aër), tengevolge van de verpestende uitwasemingen der Maremmen.

Gregorius, Gregorios, 1) uit Neocaesarea, bijgenaamd Thaumatourgos, geb. omstreeks 213 n. C., was een leerling van Origenes, en werd door zijn invloed tot het Christendom bekeerd; hij heeft als bisschop zeer veel gedaan voor de uitbreiding van het Christendom in Pontus. Van hem zijn nog verscheidene geschriften over.--2) van Nazianzus, bijgenaamd ho Theologos, studeerde te gelijk met Basilius, die daar zijn vriend werd, en met Julianus te Athene, ongeveer 354 n. C. Hij heeft vele geschriften van theologischen inhoud, maar ook gedichten en brieven nagelaten. Bij hem komt sterk tot uiting de innige vermenging van Christendom en het beste deel der antieke beschaving. Voor de geschiedenis van belang zijn zijne Invectivae in Julianum. Hij is gestorven omstreeks 390.--3) van Nyssa, broeder van Basilius, bisschop van Nyssa. Ook van hem zijn vele geschriften over.

Groma, een woord uit de taal der augurs, misschien verbasterd uit het grieksche gnomon. 1) een werktuig om den grond op te meten, Gromatici zijn landmeters. De voornaamste schrijvers over landmeetkunde, agrimensores of gromatici, zijn: Frontinus, Balbus, Hyginus (misschien twee verschillende schrijvers), en Siculus Flaccus.--2) het punt, vanwaar men bij het afbakenen eener ruimte voor eene legerplaats, eene stad, enz. de opmetingen begon.

Grudii, een volk in Belgium, ergens aan den Scaldis (Schelde), misschien bij het tegenwoordige dorp Groede in Staats-Vlaanderen.

Grumentum, aanzienlijke stad in het hart van Lucania aan de via Popilia.

Gruthungi (Greuthungi), naam der Oost-Gothen tijdens hun verblijf in Dacië (± 257-± 376 n. C.).

Gryllus, Gryllos, 1) vader van Xenophon.--2) zoon van Xenophon, sneuvelde in den slag bij Mantinea; de Atheners beweerden, dat hij het was, die Epaminondas doodelijk gewond had.

Gryneus, bijnaam van Apollo, naar de aeolische stad Grynia, waar hij een tempel had.

Grynia, Grynium, Gryneia, Gryneion, oude havenstad in aziatisch Aeolis, met een tempel en een orakel van Apollo Gryneus.

Gryps, Gryphus, Gryps, griffioen, een fabelachtig dier met het lichaam van een leeuw, den kop en de vleugels van een arend. Zij bewaken het goud van het verre Oosten of Noorden en voeren om dat goud een eeuwigen strijd tegen de Arimaspen (z. a.).

Gugerni of Guberni, germaansch volk aan den linkeroever van den Rijn tusschen Keulen en het eiland der Batavieren. Ze dienden veel in de romeinsche legers, vooral onder den naam Traianenses (naar Colonia Traiana, Xanten). Men neemt veelal aan, dat ze afstammen van de door Tiberius naar den linkeroever van den Rijn verplaatste Sygambren (z. a.).

Gulussa, Golosses, tweede zoon van den numidischen vorst Masinissa, broeder van Micipsa en vader van Massiva.

Gymnetes, eigenlijk lichtgewapenden, in Argos een gedeelte van de onderworpen oude inwoners, die ongeveer in denzelfden toestand waren als de heloten in Sparta en als lichtgewapenden dienden.

Gynaikeion, z. Gynaeceum.

Gynaikonomoi, Gynaikokosmoi, ambtenaars, door Demetrius Phalereus aangesteld, om te zorgen voor de handhaving van de wetten op de weelde. Deze wetten bevatten bepalingen over feestmaaltijden, de inrichting van woningen, den opschik van vrouwen, e. dgl.

Gustatio, het gebruiken van eenige spijs tusschen de eigenlijke maaltijden in; zie verder Coena.

Guttones = Gothi.

Gyara (plur.) of Gyarus, Gyaros, een arm eiland uit de groep der Cycladen, ten Z. van Andrus gelegen, onder de rom. keizers als verbanningsoord gebruikt.

Gyas, Gyes, een van de Centimani.

Gygaeus lacus, Gygaia limne, meertje in Lydia ten N. van Sardes, aan de overzijde van den Hermus, later Coloë, Koloe, geheeten. Aan de oevers van dit meer waren de graven der oude lydische koningen.

Gyges, Gyges, gunsteling van den lydischen koning Candaules. Door de hulp van diens gemalin, en volgens een verhaal onder bescherming van een tooverring, die hem onzichtbaar maakte, doodde hij Candaules, en maakte hij zich omstreeks 685 van de regeering meester. Hij was de stamvader van het geslacht der Mermnaden. Hij breidde zijn rijk uit en trachtte vriendschappelijke betrekkingen met Griekenland aan te knoopen, hoewel hij later de aziatische Grieken aan zich zocht te onderwerpen. Hoewel hij zich in het begin van zijne regeering genoodzaakt had gezien den koning van Assyrië te huldigen, hielp hij Psammetichus zich van het assyrische rijk onafhankelijk te maken. Waarschijnlijk sneuvelde hij in een oorlog tegen de Cimmeriërs.

Gylippus, Gylippos, spartaansch veldheer, werd in 414 met een leger en eene vloot naar Sicilië gezonden, om de Syracusanen tegen de Atheners te ondersteunen. Vooral zijn beleid veroorzaakte de vernietiging der atheensche legermacht, hij verzette zich echter tegen het ter dood brengen van Nicias en Demosthenes. Later maakte hij zich schuldig aan diefstal van buitgemaakte goederen en moest hij uit Sparta vluchten.

Gymnasiarchia, Gymnasiarchia, eene liturgie, die de verplichting medebracht om hen, die zich voor den fakkelwedloop oefenden, te onderhouden en waarschijnlijk ook gedurende den tijd van oefening te bezoldigen. Er waren te Athene tien gymnasiarchen, één uit iedere phyle.--In den keizerstijd was de gymnasiarch iemand die toezicht hield op de gymnasia en de daar gehouden oefeningen.

Gymnasium, Gymnasion, plaats voor oefeningen in de gymnastiek. Een gymnasium vond men in elke grieksche stad, en groote steden hadden er gewoonlijk meer dan één. Oorspronkelijk waarschijnlijk zeer eenvoudige inrichtingen in de open lucht, trokken de gymnasia, bij de groote belangstelling die de Grieken voor de gymnastiek gevoelden, een groot aantal bezoekers, die er kwamen hetzij om zich te oefenen, hetzij om naar de oefeningen van anderen te zien. Zoo werd het gymnasium een middelpunt van het publiek leven, en werd het ook door velen bezocht, die alleen tijdverdrijf of gezellig verkeer wenschten, en zoo was dit ook de plaats, waar wijsgeeren, rhetoren, enz., zich bij voorkeur ophielden, daar zij wisten hier altijd talrijke toehoorders te vinden. Bij den aanleg van een gymnasium moest dus met dit drukke bezoek rekening gehouden worden, en dientengevolge werd een groot deel van de ruimte bestemd voor doeleinden, die niet onmiddellijk met gymnastische oefeningen in verband staan. Op vorenstaande schets, waarvan het donkergetinte de overblijfsels van het gymnasium te Ephesus voorstelt, waaruit men door beschrijvingen der ouden zich gemakkelijk eene voorstelling van het geheel kan maken, is C het Ephebeum, een groote zaal, bestemd voor de oefeningen der jongelieden, R R R waarschijnlijk speelzalen, en wel de langwerpige ruimte het sphaeristerium, ingericht voor het balspel, T T oefenplaatsen in de open lucht, rondom met verhoogde voetpaden voor de toeschouwers, W de renbaan met een groot aantal verhoogde zitplaatsen voor de toeschouwers, X X X, A en S open zuilengangen met plaatsen voor openbare voordrachten (exedrae), B een overdekte zuilengang, V V V beplante wandelplaatsen; de overige vertrekken zijn kleed-, bad- en stookkamers, bewaarplaatsen, enz. De door zuilen ingesloten ruimte A A A A (peristylium) heeft een omtrek van twee stadiën.

Gymnesiae insulae = Baleares.

Gymnopaediae, Gymnopaidiai, een groot feest, gedurende verscheiden dagen in de maand Juli te Sparta met muziek, dans en gymnastiek gevierd. De oorspronkelijk godsdienstige beteekenis van dit feest raakte reeds vroeg op den achtergrond; sedert den slag bij Thyrea (omstreeks 540) herdacht men op die dagen de 300 in dien slag gesneuvelde Spartanen. Het waren de eenige dagen, waarop de burgers vreemdelingen ontvingen, die gewoonlijk in groote menigte kwamen toestroomen.

Gymnosophistae, Gymnosophistai, eene secte van indische wijsgeeren, die naakt in de bosschen leefden; wanneer zij oud of ziekelijk werden, lieten zij zich levend verbranden.

Gynaeceum, Gynaikeion, Gynaikonitis, het gedeelte van het huis, dat meer bizonder door de vrouwen bewoond werd, en waar vreemde mannen niet werden toegelaten; het lag gewoonlijk in het achterste gedeelte van het huis of op een bovenverdieping. In het eerste geval lagen de verschillende vertrekken, evenals in het mannenverblijf, rondom eene aule. Zie Oikia.

Gyndes, Gyndes, een zijtak van den Tigris, die boven Ctesiphon in den Tigris valt. Cyrus leidde, volgens het naieve verhaal, op zijn tocht naar Babylon het water van den Gyndes in 360 kanalen af.

Gyrtone, Gyrton, -one, oude stad in het thessalische landschap Pelasgiotis, aan den Peneus. De bewoners heetten oudtijds Phlegyae, Phlegyai.

Gytheum of -ium, Gytheion, -ion, aan de Laconische golf, belangrijke zeestad en oorlogshaven der Spartanen. In 455 werd hier de spartaansche vloot door den Athener Tolmidas vernield, en in 371 werden de vruchtbare en wijnrijke omstreken door Epaminondas verwoest.

H.

Hades, Haides, Aides, Aidoneus, Plouton, Pluto, Dis, zoon van Cronus en Rhea, kreeg na de overwinning op de Titanen bij de verdeeling der heerschappij de onderwereld voor zijn deel, waar hij als een onderaardsche Zeus (Zeus katachthonios) met Persephone heerscht. In de oudste tijden stelde men zich voor dat hijzelf met zijne beroemde zwarte paarden (klytopolos) de schimmen der afgestorvenen van de aarde kwam halen, later werd Hermes de geleider der zielen (psychopompos), terwijl Hades ze in zijn rijk opneemt en goed opgesloten houdt, opdat zij niet uit hun somber verblijf ontsnappen. Als onderaardsch god is hij de schenker van den rijkdom, die hetzij als metaal, hetzij in den vorm van gewassen uit de aarde voortkomt, vandaar de naam Pluto, dien hij in het dagelijksch leven en in de mysteriën draagt. Zijn helm maakte den drager onzichtbaar. Er zijn van H. weinige mythen, ook neemt hij in den eeredienst geen belangrijke plaats in, vandaar dat hij ook door de kunst zelden afgebeeld werd; men stelde zich hem voor gelijkend op Zeus en Poseidon, maar met donkere trekken en over het voorhoofd hangende haren, hij draagt den sleutel der onderwereld en wordt door Cerberus vergezeld. De cipres en narcis waren hem gewijd, men offerde hem zwarte schapen, terwijl men het hoofd afwendde; als men tot hem bad, sloeg men met de handen op den grond.

Hadranum = Adranum.

Hadria = Adria.

Hadrianopolis, Adrianou polis, thans Adrianopel, bloeiende stad in Thracia aan den Hebrus (Maritza), door keizer Hadrianus gesticht, en beroemd om hare wapenfabrieken. Ook in Phrygia en in Cyrenaïca vond men steden van dezen naam.

Hadrianus (P. Aelius), in 76 na C. te Italica in Spanje geboren, was na zijns vaders dood onder opzicht van Traianus opgevoed. Tijdens de troonsbeklimming van Traianus diende Hadrianus in Moesia. Zelf was hij een bloedverwant van den keizer en huwde eene bloedverwante van dezen. Hij vergezelde hem op zijne krijgstochten in Dacia en Pannonia en maakte zich bij Traianus zóó onmisbaar, dat deze besloot hem tot zijn opvolger te bestemmen. Volgens het gewone verhaal overleed Traianus echter, voordat de noodige schikkingen gemaakt waren, zonder een testament na te laten, doch wist de keizerin Plotina te bewerken, dat Hadrianus als opvolger werd erkend (117). V. a. heeft Traianus hem nog op zijn doodsbed geadopteerd. Hadrianus begon met drie provinciën in het O., Armenia, Assyria en Mesopotamia, die over den Euphraat lagen, prijs te geven, en dezen stroom als grensrivier aan te nemen. Hij zocht geen oorlog, maar streefde er naar, in vrede te regeeren, de schatkist te stijven, de belastingen te verminderen, en een goed regent te zijn. Hij doorreisde, grootendeels te voet, zijn gebied van het eene einde tot het andere. In 122 n. C. legde hij in Britannia ter bescherming tegen de invallen der Caledoniërs het Vallum Hadriani aan (z. a.). Onbekrompen bevorderde hij wetenschap en kunst, stelde bezoldigde onderwijzers aan, en legde veel ten koste aan openbare werken en prachtige gebouwen. Zoo stichtte hij te Rome den grooten tempel van Roma en Venus, het Athenaeum (z. a.), het Mausoleum Hadriani (thans, uitgebreid, de Engelsburg) over den Tiber; hij stichtte bij Tibur (Tivoli) eene villa, die eene afspiegeling van zijn geheele rijk moest worden en waar niet slechts kunstvoorwerpen werden aangebracht, maar ook natuurtooneelen uit de provinciën werden nagebootst; in het onmetelijke park vond men bouwwerken uit allerlei landen. Athene, zijne lievelingsstad, had veel verfraaiingen aan hem te danken, evenals ook nog andere steden in meerdere of mindere mate. Hij stichtte ook nieuwe steden, en liet Jerusalem herbouwen, waarheen hij eene rom. kolonie zond en waaraan hij den naam gaf van Aelia Capitolina. Toen hij echter op de plaats, waar Salomo's tempel had gestaan, een tempel voor Jupiter Capitolinus liet bouwen (130 n. C.), brak een vreeselijke opstand los, die eerst na een driejarigen oorlog (132-134) door 's keizers veldheer Julius Severus werd bedwongen en die aan bijna 600000 Joden het leven kostte. Ondanks zijne goede eigenschappen kan men Hadrianus toch menige zwakheid tegenover gunstelingen, en, waar zijne ijdelheid gekrenkt werd, meer dan ééne daad van willekeur en wreedheid ten laste leggen. Geene kinderen hebbende, nam hij L. Ceionius Commodus (die na zijn adoptie L. Aelius Caesar heette) tot zoon en opvolger aan en na diens dood T. Aurelius Fulvus Boionius Arrius Antoninus, die na zijn adoptie Imp. T. Aelius Caesar Antoninus heette en hem als Antoninus (Pius) opvolgde. Hadrianus stierf te Baiae in 138.

Hadrumetum = Adrumetum.

Haedi, twee sterren uit het sterrebeeld van den Voerman (Auriga), wier op- en ondergang storm en regen aankondigden.

Haedilia, heuvel bij het landgoed van Horatius.

Haedui = Aedui.

Haemodes = Emodi montes.

Haemon, Haimon, 1) zoon van Pelasgus, naar wien Haemonia, het latere Thessalië, heette.--2) zoon van Lycaon, stichter van Haemonia in Arcadië.--3) zoon van Creon, z. Antigone. V. s. werd hij door de sphinx gedood.

Haemonia, Haimonia, mythische en dichterlijke naam voor Thessalia (zie Haemon). Haemonius = thessalisch; Haemonia puppis = de Argo, het schip der Argonauten; Haemonius iuvenis = Iason; Haemonius heros = Achilles; Haemoniae artes = tooverkunsten.

Haemonides, priester van Apollo en Diana, die onder Turnus streed en door Aeneas gedood werd. Van zijne prachtige wapenrusting werd een zegeteeken ter eere van Mars opgericht.

Haemus, Haimos, zoon van Boreas, koning van Thracië, die zich en zijne gemalin Rhodope in zijn overmoed Zeus en Hera noemde. Daarom werden zij in bergen veranderd, die hunne namen behouden hebben.

Haemus, Haimos, thans Balkan, gebergte tusschen Moesia en Thracia. Een der passen, de westelijke, droeg den naam van porta Traiani.

Hageladas = Ageladas.

Halae, naam van twee demen in Attica. De eene, Halai Araphenides, met een tempel van Artemis, lag aan de Oostkust; de andere, Halai Aixonides, lag in het Z.

Halcyone = Alcyone.

Halcyonium mare = Alcyonium mare.

Hales, Haleis, gen. -entos, riv. in Lucania, die bij Velia in zee stroomt; ook een riviertje op het eiland Cos. Eene derde, Hales, bekend om haar ijskoud water, liep langs Colophon, in Ionia, in de Icarische zee uit.

Halesa, Alaisa, rivier en handelsstad, later rom. municipium op de N. kust van Sicilia.

Halesus, Halaesus, bloedverwant van Agamemnon, die naar Italië kwam en een dapper bondgenoot van Turnus werd in den strijd tegen Aeneas; hij werd door Pallas gedood. V. s. was hij de stichter van Falerii.

Halex, gen. -ecis, Halex, riv. in het land der Bruttii, grens tusschen het gebied van Rhegium en dat van Locri Epizephyrii.

Halia, z. Ekklesia.

Haliacmon, Haliakmon, rivier in Macedonia, die eerst naar het Z. en dan naar het N.O. stroomt en zich in de Thermaeische golf ontlast.

Haliartus, Haliartos, oude stad in Boeotia aan den zuidelijken rand van een meertje, dat bij hoogen waterstand met het Copaïsche meer ineenvloeide. Xerxes verwoestte de stad, die herbouwd werd, en voor welker muren Lysander in 394 sneuvelde. In den oorlog tegen Perseus verwoestten de Rom. haar andermaal (171). Sedert dien tijd is het met haar bloei voor goed gedaan.

Halias, gen. -ados, Halias, zuidelijke punt van Argolis, met eene visschersbevolking. Halies en een stadje Halice, Halike, ten Z. van Hermione.

Halicarnassus, Halikarnassos, beroemde stad in Caria, oorspronkelijk lid der aziatisch-dorische hexapolis; het dialekt is echter deels dorisch, deels ionisch; de moederstad Troezen was ionisch, vóór de oude bevolking door de Doriërs verdrongen werd; geboorteplaats der geschiedschrijvers Herodotus en Dionysius. Onder de latere perzische koningen werd het in plaats van Mylasa de residentie der satrapen van Caria. Hier was één van de zeven wonderen der wereld, n.l. het praalgraf van Mausolus (zie Mausoleum). De stad kreeg een gevoeligen knak door de verwoesting door Alexander den Gr.

Halicyae, Halikyai, Al., rom. municipium op Sicilia, ten O. van Lilybaeum, tusschen Selinus en Segesta.

Halirrhothius, Halirrothios, zoon van Poseidon en Euryte, vervolgde Alcippe, de dochter van Ares en Agraulus, met zijne liefde en werd daarom door Ares gedood. Poseidon klaagde Ares bij de rechtbank der twaalf goden aan, die op den Areopagus eene zitting hielden en den aangeklaagde vrij spraken.

Halitherses, Halitherses, zoon van Mastor, waarzegger op Ithaca, die Telemachus tegen de vrijers van Penelope steunde.

Halizones, Halizones, volk in Bithynië, bondgenooten der Trojanen. In hun land waren de bijen tam en leefden in gemeenschap met de menschen.

Halmydessus = Salmydessus.

Halmyris, Halmyris limne, zoutmeer ten Z. der Donaumonden.

Haloa, Haloa, feest ter eere van Dionysus, Demeter en Persephone, op denzelfden tijd als de kleine Dionysia te Athene en Eleusis gevierd.

Halonesus, Halonesos, ook met -nn geschreven, eilandje in de Aegaeische zee tusschen Peparethus en Scirus, om welks bezit een heete strijd ontstond tusschen de Atheners en Philippus van Macedonia.

Halteres, halteres, springstokken en springgewichten, halters, die men hij het springen en andere gymnastische oefeningen in de handen hield.

Haluntium = Aluntium.

Halus, Halos, stad in Phthiotis, tot het gebied van Achilles behoorende.

Halycus, Halykos, rivier op Sicilia, die op de zuidkust bij Heraclea Minoa in zee valt.

Halys, Halys, thans Kisil-Irmak = roode rivier, de grootste stroom van Asia minor, die op den Antitaurus ontspringt, achtereenvolgens naar het Z.W., N.W., N. en N.O. stroomt en ten laatste in den Pontus Euxinus valt. Deze rivier is geschiedkundig bekend als de grens tusschen de rijken van Croesus en van Cyrus; later vormde hij met den mons Taurus een tijd lang de grens van Asia minor.

Hamadryades, Hamadryades = Dryades.

Hamaxitus, Hamaxitos, stadje aan de Z.W.-kust van Troas, waarvan de inwoners door Lysimachus gedwongen werden, naar Alexandria Troas te verhuizen. In den omtrek werden zoutgroeven gevonden.

Hamaxobii, Hamaxobioi, nomadisch volk nabij de Palus Maeotis (zee van Azow).

Hamilcar, Amilkas, naam van verschillende carthaagsche veldheeren. 1) zoon van Mago en vader van Gisgo. Hij sneuvelde in 480 aan de Himera bij de zware nederlaag, die Gelo van Syracusae den Carthagers toebracht.--2) Ham., die in 309 bij het beleg van Syracusae sneuvelde, terwijl Agathocles de Carthagers in hun eigen gebied bestookte.--3) veldheer op Sicilia in den eersten punischen oorlog, door de Rom. in Afrika (258) krijgsgevangen gemaakt. Later strijdt hij weer tegen de Numidiërs en Mauretaniërs, die opgestaan waren.--4) Hamilcar, bijgenaamd Barcas = bliksem, de vader van Hannibal. In 247 naar Sicilia gezonden, hield hij zich zes jaar tegen de Rom. staande, terwijl zijne vloot bij herhaling op de italiaansche kusten stroopte. Na den vrede dempte hij met Hanno den opstand der carthaagsche huurtroepen in Africa (241-238) en stak kort daarna naar Hispania over, waarheen hij zijn negenjarigen zoon Hannibal medenam. In acht jaar tijds (237-229) onderwierp hij het grootste gedeelte des lands aan Carthago, totdat hij in den winter van 229/8 in een gevecht tegen de Vettonen sneuvelde. Hij liet drie zoons na: Hannibal, Hasdrubal en Mago.--5) carthaagsche generaal, die in 218 op Melite (Malta) door de Rom. gevangen werd genomen.--6) carth. veldheer, die in 200 in Gallia Cisalpina het bevel voerde en den oorlog, ook na den vrede, op eigen hand voortzette, totdat hij in 197 sneuvelde.

Hamippoi, bij de Boeotiërs een troep voetknechten, waarvan iedere man aan een ruiter toegevoegd was, met dezen in en uit het gevecht ging, en naast hem te voet streed. In de eerste helft der vierde eeuw werd ook bij het atheensche leger zulk een corps ingevoerd.

Hammon = Ammon.

Hannibal, Annibas, naam van verschillende carthaagsche veldheeren. 1) zoon van Gisco, stierf in 406 op Sicilia aan de pest.--2) veldheer in den eersten punischen oorlog, die Agrigentum zeven maanden tegen de Rom. verdedigde (261), en later als vlootvoogd bij Mylae in 260 door den consul Duillius verslagen werd.--3) een zoon van Hamilcar no. 3, die in 250 het ingesloten Lilybaeum te hulp kwam, en later in den oorlog met de carthaagsche huurtroepen omkwam.--4) oudste zoon van Hamilcar Barcas, in 237, negen jaar oud, met zijn vader naar Hispania gegaan, nadat deze hem den Rom. eeuwigen haat had laten zweren. Eerst diende Hannibal onder zijn vader, na diens dood (229/8) onder zijn zwager Hasdrubal; toen deze in 221 was vermoord, werd Hannibal door het leger tot aanvoerder uitgeroepen. De carthaagsche senaat bekrachtigde deze keus, ofschoon niet zonder heftige tegenkanting der partij van Hanno. Hannibal, die het veldheerstalent van zijn vader met het staatsmansbeleid van zijn zwager vereenigde, onderwierp spoedig geheel Hispania, en volvoerde toen, door het met Rome verbonden Saguntum te belegeren, zijn plan om Rome tot eene oorlogsverklaring te drijven. Ten einde den vijand op diens eigen bodem aan te tasten, trok H. met een groot leger, en een aantal olifanten, langs onbekende en dikwerf ongebaande wegen over de Alpen en kwam na ontzaggelijke verliezen met nog geen 30000 man in Italië (herfst van 218). Bijna onmiddellijk hierop versloeg hij aan den Ticinus den consul P. Cornelius Scipio (Cornelii no. 11), bij de Trebia den anderen consul Tib. Sempronius Longus (Sempronii no. 14), en in 217 bij het Trasimeensche meer den consul C. Flaminius. Tegenover den dictator Q. Fabius Maximus, die den slag ontweek, richtte H. niet veel uit, doch des te verschrikkelijker was de nederlaag der Rom. bij Cannae, in 216, onder de consuls L. Aemilius Paullus en C. Terentius Varro. Nu ging Zuid-Italië en ook Capua voor de Romeinen verloren. Toch kwam H. niet verder, daar hij niet voldoende door Carthago gesteund werd, en de Romeinen juist nu alle krachten inspanden. Eindelijk ontbood hij in 208 zijn broeder Hasdrubal uit Spanje, die echter in 207 door de beide consuls C. Claudius Nero en M. Livius Salinator bij den Metaurus verslagen werd en sneuvelde. Meer en meer moest Hannibal zuidwaarts trekken, totdat hij in 203 geroepen werd om Carthago zelf te verdedigen tegen P. Cornelius Scipio. De slag bij Zama (202) viel ten voordeele der Rom. uit. Nog eenige jaren bestuurde H. na den vrede Carthago, zoodat het weer tot bloei kwam, maar werd in 195 (v. a. 196), genoodzaakt te vluchten, en begaf zich toen tot koning Antiochus van Syria, dien hij tot een oorlog met Rome overhaalde, zie Antiochus no. 5. H. ried den koning te vergeefs aan, de Romeinen in hun eigen land aan te vallen. Toen ook Antiochus het onderspit had gedolven, week H. naar Bithynia tot koning Prusias (190). Ook hier vervolgden hem de Rom. met onverzoenlijken haat, en uit vrees, dat Prusias voor hun herhaalden aandrang zou zwichten en hem in hunne handen zou leveren, maakte H. in 183 door vergif een einde aan zijn leven.

Hanno, Annon, carthaagsche naam. 1) Hanno de zeevaarder, die tusschen 466 en 450 een ontdekkingstocht langs de Westkust van Afrika deed, waarvan de beschrijving, in het Grieksch vertaald, onder den titel periplous nog bestaat.--2) veldheer in den strijd tegen Agathocles van Syracusae, sneuvelde in 310.--2a) veldheer op Sicilia in het begin van den eersten punischen oorlog, die te Messana voor de Rom. moest wijken en daarom te Carthago ter dood werd gebracht. Een andere Hanno werd in 262 bij Agrigentum verslagen, toen hij met een groot leger tot ontzet van die stad was opgedaagd.--3) Hanno de Groote, stadhouder van Libya, kon in 241 den opstand der huurtroepen niet onderdrukken, en zag toen Hamilcar Barcas boven zich gesteld. Hierom vatte hij een doodelijke haat op tegen het geslacht der Barcini. Tegen Hamilcar en Hannibal was Hanno het hoofd der vredespartij. Na den slag bij Zama was Hanno onder de gezanten, die te Rome om vrede kwamen verzoeken.--4) Bovendien komen onder de generaals van Hannibal nog Hanno's voor, en ook een op Sicilia in 211.

Harii, germaansche stam, tot de Lugii, de latere Vandalen, behoorend, aan den bovenloop van de Viadua (Oder).

Harma, Harma, vlek in Boeotia ten N.W. van Tanagra.

Harmatus, Harmatous, kaap en stad in aziatisch Aeolis, aan de Zuidkust van Troas, tegenover Methymna.

Harmodius, Harmodios en Aristogiton, twee jonge Atheners, verbitterd door eene beleediging, welke Hipparchus de zuster van Harmodius had aangedaan, vormden het plan de Pisistratiden te vermoorden. Het gelukte hun op de Panathenaea in 514 Hipparchus te dooden, maar Harmodius werd op de plaats zelve door de lijfwacht afgemaakt, en Aristogiton werd gevat en door Hippias ter dood gebracht, nadat hij op de pijnbank de vrienden van den tyran als deelgenooten van de samenzwering had aangegeven. Zij werden, hoewel ten onrechte, als martelaars voor de vrijheid beschouwd; henzelf werd bijna goddelijke eer bewezen, terwijl hunne afstammelingen verscheiden voorrechten genoten.

Harmonia, Harmonia, dochter van Ares en Aphrodite. Toen zij met Cadmus trouwde, kwamen alle goden op hare bruiloft, en kreeg zij o.a. geschenken van Aphrodite een kleed en een halssnoer, die later vele ongelukken te weeg brachten. Z. Amphiaraus en Alcmaeon.

Harmostai, 1) twintig magistraten te Sparta, belast met het toezicht over de perioeci.--2) bevelhebbers der bezettingen, die de Spartanen na den peloponnesischen oorlog naar de afhankelijke staten zonden, om tot steun voor de oligarchische partijen te dienen, z. dekarchiai.

Harmozea, Harmozeia, stad en omstreken in Carmania aan de invaart der perzische golf.

Harpagium, -gea, Harpagion, ta Harpageia, stadje in Mysia aan den Propontis, vanwaar Ganymedes door den adelaar van Zeus werd weggevoerd.

Harpago als belegeringswerktuig is een lange houten staak of steel, aan welks uiteinde verscheidene ijzeren haken zaten en waarmede men de tinnen of de borstwering van den stadsmuur trachtte los te rukken. In een scheepsgevecht is het een enterhaak, manus ferrea.

Harpagus, Harpagos, 1) z. Cyrus. Wegens zijne ongehoorzaamheid liet Astyages zijn zoon dooden en hem bij een feestmaal het vleesch van het kind voorzetten.--2) veldheer van Darius Hystaspis.

Harpalus, Harpalos, 1) Macedoniër, leefde langen tijd aan het hof van Philippus, werd om onbekende redenen verbannen, doch door Alexander d. G. teruggeroepen en tot schatmeester aangesteld. In die hoedanigheid volgde hij Alex. naar Azië, doch moest in 332 wegens een of ander vergrijp vluchten; hij keerde echter terug, toen de koning hem volledige vergiffenis geschonken had. Te Babylon, waar hij het beheer over onmetelijke schatten had, gaf hij zich gedurende Alex.'s tocht naar Indië aan buitensporige weelde over, zoodat hij bij diens terugkomst het raadzaam achtte te vluchten; met 5000 talenten en 6000 huurlingen ging hij naar Athene, om zijn geld en zijne troepen voor een oorlog tegen Alex. aan te bieden. De Atheners wezen hem eerst af, later ontvingen zij hem echter (z. Demosthenes), maar toen Antipater hem opeischte, nam hij de vlucht naar Taenarum en van daar naar Creta, waar hij vermoord werd.--2) grieksch sterrenkundige, die reeds vóór Meton pogingen deed den griekschen kalender te regelen.

Harpalyce, Harpalyke, dochter van den thracischen koning Harpalycus, die door haar vader van jongs af als man werd opgevoed; zij muntte uit in alle kunsten van den oorlog en was zoo vlug, dat zij de snelste paarden kon inhalen en zelfs over water loopen kon. Na den dood van haar vader leefde zij met eenige makkers in de wouden van roof, totdat zij door herders omsingeld, gevangen genomen en gedood werd. Bij het verdeelen van den buit, dien men bij haar vond, ontstond zulk een twist tusschen de herders, dat verscheidene van hen gedood werden; daarom meende men dat de goden vertoornd waren over den dood van Harp., men beschouwde haar als een goddelijk wezen en trachtte door offers en feesten haar schim te verzoenen.

Harpasus, Harpasos, riv. in Caria, die langs de stad Harpasa stroomde en zich in den Maeander stortte. Eene andere rivier van denzelfden naam, ook Acampsis geheeten, liep op de oostelijke grens van Armenia in den Pontus Euxinus uit.

Harpocrates, Harpokrates, een aegyptisch god, die met den vinger op den mond wordt afgebeeld en daarom voor den god der stilzwijgendheid gehouden wordt. Hij schijnt dezelfde te zijn als Horos.

Harpocration (Valerius), Harpokration, grieksch taalkundige van Mendes, wiens leeftijd onbekend is, schrijver van een Lexikon ton deka rhetoron, een taal-, oudheid- en geschiedkundig woordenboek op de werken der attische redenaars.

Harpyiae, Harpuiai, godinnen van den stormwind, Aëllo en Ocypete, dochters van Thaumas en Electra; men stelde zich voor dat menschen, die spoorloos verdwenen waren, door haar waren weggeroofd. Later komen zij in grooter aantal voor (Celaeno, Thyella, e. a.) als kwelgeesten, die bijv. den blinden Phineus zijne spijzen ontrooven of ze door hare aanraking verontreinigen, totdat Zetes en Calaïs haar verjagen en vervolgen tot de Strophadische eilanden, waar zij beloven Phineus niet meer lastig te zullen vallen. V. a. werden zij bij die gelegenheid gedood. Zij worden afgebeeld half als vrouw, half als roofvogel, soms met uitgehongerd gelaat en met klauwen aan handen en voeten.

Harudes of Charudes, Charoudes, germ. volk in het leger van Ariovistus (58). Hun eigenlijke woonplaats is op de Chersonesus Cimbrica (Jutland), waar ze naast de Cimbren wonen.

Haruspices. In kritieke gevallen werden door den rom. senaat haruspices uit Etruria ontboden, waar de leer der divinatio het meest tot een volledig stelsel ontwikkeld was. Hunne taak was het dan, uit de ingewanden der offerdieren uit te vorschen, of de goden al dan niet gunstig gezind waren. Zie extispicium. In gewone gevallen deden de rom. priesters zelf hunne waarnemingen. Deze haruspices behoorden tot den Etruscischen adel. Van hen te onderscheiden zijn de particuliere haruspices, die zich sinds de 2de eeuw te Rome vestigden en voor geld waren te raadplegen of als mercennarii in dienst traden van ambtenaren. Hun gezag werd door den senaat niet erkend.

Hasdrubal, Asdroubas, carthaagsche naam. 1) zoon van Hanno, in den eersten punischen oorlog met ruim 30000 man en 130 olifanten naar Sicilia overgestoken (251), doch in 250 bij Panormus (Palermo) door L. Caecilius Metellus (Caecilii no. 2) verslagen.--2) schoonzoon van Hamilcar Barcas, dien hij in 228 als carthaagsch opperbevelhebber in Hispania opvolgde. Hij stichtte Carthago nova (thans Carthagena), en sloot met de Rom. een verdrag, waarbij de Iberus als grensrivier tusschen beide staten werd aangewezen en tevens de onzijdigheid van Saguntum werd erkend. In 221 werd hij uit persoonlijke wraakzucht door een Hispaniër vermoord.--3) zoon van Hamilcar Barcas en broeder van Hannibal. Toen Hannibal naar Italië trok, nam Hasdrubal het bevel in Hispania op zich (218) en handhaafde zich met roem tegen de gebroeders P. en Cn. Cornelius Scipio, die in 211 sneuvelden. In 211 echter verscheen een jongere Scipio, de latere Africanus maior, in Hispania; Carthago nova ging voor Hasdrubal verloren; zie verder Cornelii no. 13. Op de roepstem zijns broeders trok hij in 208 naar Italia, waar hij echter door de beide consuls M. Livius Salinator (Livii no. 7) en Claudius Nero (Claudii no. 22), die zich ongemerkt vereenigd hadden, werd aangevallen bij Sena Gallica aan den Metaurus. Hasdrubal sneuvelde (207). Het afgehouwen hoofd werd over den wal van Hannibals legerplaats geworpen, om hem aldus bericht te geven van zijns broeders dood.--4) zoon van Gisco, onderbevelhebber van no. 3, die tot 206 in Hispania streed, vervolgens in Africa oorlog voerde, eerst tegen Masinissa, daarna tegen de Rom. Hij was niet gelukkig in den oorlog; men weet aan hem de nederlaag van Hannibal bij Zama en hij moest door vergif een einde aan zijn leven maken. Door zijne dochter Sophonisbe aan koning Syphax ten huwelijk te geven, haalde hij dezen tot een bondgenootschap met Carthago over.--5) behalve de reeds genoemde komen er in den tweeden punischen oorlog nog meer Hasdrubals voor, o. a. in 215 op Sardinia.--6) veldheer in 151 tegen Masinissa en in den derden punischen oorlog tegen de Rom. Hij zegevierde over den rom. consul M'. Manilius, doch moest later voor Scipio de wijk nemen naar den burg. Hijzelf gaf zich ten laatste over en werd als gevangene naar Italia gevoerd, waar hij stierf. Zijne vrouw en kinderen stortten zich in de vlammen.--7) Zie Clitomachus no. 2.

Hasta, lans. Hasta pura, lansschacht zonder punt (cuspis), een eereteeken voor soldaten wegens betoonden moed. Bij verkooping van buit werd eene hasta in den grond gestoken; evenzoo had de praetor eene hasta naast zich staan bij gerechtelijke verkoopingen; vanhier de uitdrukkingen sub hasta venire, bona hastae subicere en dgl. Ook het gerechtshof der centumviri had eene hasta in den grond geplant.

Hasta = Asta.

Hastati, oorspronkelijk soldaten, die met eene lans gewapend waren. Toen echter het rom. voetvolk voor het grootste gedeelte gewapend werd met de kortere, doch zwaardere werpspeer, die den naam van pilum droeg, (sedert den tijd van Camillus, zie acies) ging de naam hastati over op de jongere manschap; uit de soldaten van rijperen leeftijd werden de principes gevormd en uit de oudgedienden de pilani of triarii. De hastati en principes droegen, behalve zwaard en schild, ook het pilum, terwijl de pilani in plaats daarvan de hasta kregen. Zie centuria.

Hatra, zie Atrae.

Hatria, zie Adria.

Hattuarii (Attuarii), zie Chasuarii.

Hebe, Hebe, dochter van Zeus en Hera, godin der jeugd. Toen Heracles onder de goden was opgenomen, kreeg hij haar tot gemalin en werd zij in hare betrekking als schenkster der goden door Ganymedes vervangen. Zij werd op vele plaatsen vereerd, meestal in vereeniging met Hera of Heracles; soms wordt zij Ganymeda of Dia genoemd.

Hebraei = Iudaei.

Hebron, Hebron, oude stad in Palaestina, ongeveer ten Z. van Jerusalem.

Hebrus, Hebros, thans Maritza, voorname rivier van Thracia, met breede zijstroomen en een uitgebreid stroomgebied. Hij ontspringt op den mons Rhodope (Despoto-dagh) en den Scomius en valt met twee armen bij Aenus in zee. Aan den Hebrus werd Orpheus door de thracische Bacchanten vermoord.

Hebudae = Ebudae.

Hecabe, Hekabe, dochter van Dymas of Cisseus of Sangarius, tweede vrouw van Priamus, moeder van Hector, Paris (z. Aesacus), Cassandra en vele andere kinderen, die zij allen tengevolge van den trojaanschen oorlog zag omkomen of in slavernij wegvoeren. Zij zelve werd als slavin aan Odysseus gegeven. Den dood van haar zoon Polydorus wreekte zij door de zonen van Polymnestor te dooden en hemzelf de oogen uit te krabben. Het voorgebergte Cynossema werd als haar graf beschouwd, en ter verklaring van dien naam verhaalde men, dat zij na hare wraakneming op Polymnestor in een hond veranderd en in zee gesprongen was, of dat de Grieken, daar zij hen met scheldwoorden placht te overladen, haar den naam van teef gegeven hadden, of dat zij haar om diezelfde reden gesteenigd, maar onder den steenhoop inplaats van haar lijk dat van een hond gevonden hadden.

Hecaërgus, -ge, Hekaergos, -erge, vèrtreffende, bijnaam van Apollo en Artemis.

Hecamede, Hekamede, van Tenedus, dochter van Arsinoüs; toen Achilles het eiland veroverde, werd zij aan Nestor tot slavin gegeven.

Hecataeus, Hekataios, 1) van Miletus, zoon van Hegesander, de eerste geschiedschrijver genoemd, daar hij de eerste was, die verder ging dan eene omschrijving in proza van mythen en legenden, en in zijne werken, Periodos ges en Geneelogiai, de resultaten van zijne onderzoekingsreizen in verre landen neerlegde. Herodotus heeft geregeld van zijn werk gebruik gemaakt, maar hem ook dikwijls bestreden. Bij den opstand van de Ioniërs tegen de Perzen trad hij als een der leiders op, maar zijn wijze raadgevingen werden niet opgevolgd.--2) van Abdera, geschiedschrijver, die geruimen tijd bij Ptolemaeus in Alexandrië gewoond heeft. Hij was een leerling van Pyrrho; hij heeft geschreven over de poëzie van Homerus en Hesiodus, en verder een romantische geschiedenis van Aegypte, en een werk over de Hyperboraei. Hij schrijft in denzelfden geest als zijn jongere tijdgenoot Euhemerus. Excepten uit zijne werken vinden we bij Diodorus Siculus. Op zijn naam is ook nog een joodsch werk over de Joden overgeleverd dat van veel later tijd is.--3) tyran van Cardia ten tijde van Alexander d. G.

Hecate, Hekate, dochter van Zeus en Hera of Demeter of Pheraea, de dochter van Aeolus, of van Perses en Asteria. Zij was de eenige van het geslacht der Titanen, die aan Zeus trouw bleef, daarom schonk hij haar na zijne overwinning macht in den hemel, op aarde en op zee. In haar drievoudig gebied werkt zij heilrijk, en geeft zij haren vereerders wijsheid en geluk. Maar tevens is zij ook godin der onderwereld en als zoodanig wordt zij het meest vereerd en heeft zij ook aandeel aan de mysteriën; zij was het die de schaking van Persephone had gezien, aan Demeter bericht er van gegeven had en haar bij het zoeken naar hare dochter had geholpen. Zij is vooral de godin der spoken, die zij des nachts uit de onderwereld doet opstijgen om de menschen te kwellen en angstig te maken; zij zelve zwerft 's nachts, door de schimmen der afgestorvenen en door zwarte honden begeleid, over de graven en beschermt de tooverheksen bij hare bezweringen en bij het bereiden van hare toovermiddelen.--Hec. was waarschijnlijk oorspronkelijk de godin der nieuwe maan, daarom wordt zij soms geïdentificeerd met Artemis, die zelve ook Hecate genoemd wordt.--Zij had slechts weinige tempels, maar talrijke beelden (hekataia, hekatesia) en altaren op marktpleinen, voor de poorten en de deuren der huizen; vooral op driesprongen plaatste men beelden van haar met drie hoofden of drie lichamen (Enodia, Trioditis, Trivia, Trikephalos, Trimorphos, Triceps, Triformis). Men offerde haar honden, zwarte lammeren en honig en op den laatsten dag der maand plaatste men bij hare beelden allerlei spijzen, die door arme lieden werden weggehaald. Zij wordt beschreven als eene vreeselijke gestalte met slangen inplaats van haren en voeten, een paarde-, een honde- en een leeuwekop, enz.; afgebeeld wordt zij echter soms onder eene eenvoudige menschelijke gedaante, meestal met drie hoofden of drie lichamen; hare attributen zijn honden, slangen, touwen, sleutels, fakkels, dolken, appels, enz.--Bij de Romeinen werd zij vooral in den keizertijd vereerd. Diocletianus stichtte te Antiochië een heiligdom voor haar, waarin men met 365 trappen afdaalde.

Hecato, Hekaton, van Rhodus, stoicijnsch wijsgeer in de 2de eeuw, leerling van Panaetius, stond bij zijne tijdgenooten en bij lateren in hoog aanzien. Van zijne talrijke werken is weinig bewaard gebleven.

Hecatombaeon, Hekatombaion, 1ste maand van het Attische jaar (midden Juli-midden Augustus), z. Annus.

Hecatompylus, Hekatompylos, hoofdstad van Parthyaea of Parthyene, later residentiestad der parthische koningen, totdat zij hun residentie naar Ctesiphon overbrachten.

Hecatonnesi, Hekatonnesoi, de 100 eil., eene eilandengroep aan de Adramyttische golf, tusschen Lesbus en de aziatische kust.

Hector, Hektor, oudste zoon van Priamus en Hecabe, echtgenoot van Andromache, vader van Astyanax, een man die aan teedere liefde voor vrouw en kind, voor ouders en medeburgers, buitengewonen heldenmoed paarde, waarvan hij, als leider der verdediging van Troje tegen de Grieken, onder bescherming van Apollo schitterende bewijzen gaf. Gedurende den tijd dat Achilles uit wrok tegen Agamemnon zich van den strijd onthoudt, brengt H. de Grieken geducht in het nauw, zelfs dringt hij tot hunne schepen door en begint hij die in brand te steken. Wel gelukte het Patroclus in de wapenrusting van Achilles de Trojanen op de vlucht te jagen, maar hijzelf werd door H. gedood. Toen H. kort daarna door Achilles (z. a.) verslagen was, beschermden Apollo en Aphrodite zijn lijk tegen de smadelijke behandeling van zijn vijand, totdat het op bevel van Zeus zelf aan Priamus teruggegeven en plechtig begraven werd.

Hecuba = Hecabe.

Hegelochus, Hegelochos, 1) een tooneelspeler, die eens bij de opvoering van een treurspel de woorden galen' horo uitsprak als galen horo, wat groot gelach verwekte en niet spoedig vergeten werd.--2) bevelhebber der vloot van Alexander d. G. gedurende de eerste jaren van zijne veldtochten, onderwierp Tenedus, Chius e. a. eilanden.

Hegemon, Hegemon, 1) van Thasus, dichter van de oude attische comedie, ook bekend door zijne parodieën op de gedichten van Homerus.--2) atheensch staatsman ten tijde van Demosthenes, behoorde tot de macedonische partij.

Hegemone, Hegemone, 1) bijnaam te Sparta en in Arcadië aan Artemis gegeven.--2) eene van de Charites.

Hegemonia, in het algemeen leiding, voorzitterschap, in het bizonder de eerste rang onder staten, die gemeenschappelijke belangen te verdedigen hebben. De staat, die de hegemonie had, leidde de beraadslagingen over die belangen, voerde in den oorlog de verbonden troepen aan, bepaalde hoeveel iedere staat aan geld en manschappen moest bijdragen, enz.

Hegesias, Hegesias, 1) cyrenaeisch wijsgeer, leefde in de 3de eeuw te Alexandrië. In zijn werk, Apokarteron, leert hij dat genot het doel van het leven is, dat de mensch echter niet hopen kan dit doel ooit te bereiken, en dat het dus beter is te sterven dan het leven te verdragen. Vele van zijne leerlingen (Hegesiakoi) pleegden inderdaad zelfmoord, vandaar dat hij den bijnaam Peisithanatos kreeg.--2) redenaar en sophist van Magnesia, omstreeks 300, wordt, hoewel hij tal van navolgers had, wegens zijn gezwollen en gemaakten stijl door de ouden streng gelaakt. Hij is de schepper van den Aziatischen stijl (Asianismus). Als geschiedschrijver wordt hem gebrek aan waarheidsliefde verweten.

Hegesilochus, Hegesilochos, 1) leider eener oligarchische partij op Rhodus, die in 356 met de hulp van Mausolus van Carië de democratie omverwierp en de regeering in handen nam; hij maakte zich berucht door zijne losbandigheid. Na den dood van Mausolus werd de democratie hersteld.--2) rhodisch staatsman, in 171 voorstander van een bondgenootschap met de Rom. tegen Macedonië.

Hegesinus, Hegesinous, van Pergamus, leerling van Euander en zijn opvolger als hoofd der academische school, leeraar van Carneades.

Hegesippus, Hegesippos, 1) atheensch redenaar, vriend en partijgenoot van Demosthenes; van hem is waarschijnlijk de redevoering peri Halonnesou, die onder de werken van Demosthenes tot ons gekomen is.--2) oudste schrijver over kerkgeschiedenis, tijdens Marcus Aurelius. Zijn werk, 5 boeken Hypomnemata, is verloren, maar wordt vaak geciteerd door Eusebius.--3) of Egesippus, naam, waaronder in de ME. de latijnsche vertaling van Flavius Josephus (z.a.) geciteerd wordt, die uit de 4de eeuw n. C. dateert, en aan Ambrosius wordt toegeschreven.

Hegesistratus, Hegesistratos, 1) zoon van Pisistratus, regeerde na het verdrijven der Mytilenaeërs over Sigeum.--2) Samiër, zoon van Aristagoras, kwam uit naam der Samiërs de hulp der grieksche vloot inroepen en bewoog Leotychides naar Samus te zeilen, wat aanleiding gaf tot den beroemden slag bij Mycale (479).

Hekatoncheires = Centimani.

Hektemoroi, waren oudtijds in Attica boeren, die gepachten grond bebouwden, en vijf zesden van de opbrengst aan den grondeigenaar moesten afstaan. Bij niet-vervulling van deze verplichting werden zij met hun zoons diens lijfeigenen.

Helena, Helene, 1) dochter van Zeus of Tyndareos en Leda, beroemd door hare weergalooze schoonheid. Reeds op zeer jongen leeftijd werd zij door Theseus geschaakt en naar Aphidnae gebracht, maar spoedig door hare broeders, de Dioscuren, bevrijd. Later dongen zooveel jongelingen naar hare hand, dat Tyndareos haar aan niemand durfde geven, uit vrees dat onder de mededingers een geweldige strijd zoude ontstaan; op raad van Odysseus nam hij eindelijk allen den eed af, dat zij den uitverkorene niet zouden bestrijden, maar integendeel tegen aanvallen en beleedigingen zouden verdedigen. Helena koos nu Menelaus tot echtgenoot en kreeg bij hem eene dochter, Hermione. In zijne afwezigheid liet zij zich schaken door Paris, den zoon van Priamus, en nam zij vele schatten naar Troje mede. Dit was de aanleiding tot den trojaanschen oorlog, waaraan de meeste grieksche vorsten, gedeeltelijk door hun eed gebonden, deel namen. Wegens hare schoonheid wordt zij ook te Troje, in weerwil van de rampen van den oorlog, algemeen geëerd en bewonderd; niettemin had zij berouw over haar misstap en verlangde zij naar haar vaderland terug. Na den dood van Paris huwde zij met Deïphobus, een anderen zoon van Priamus, dien zij v. s. bij de inneming van de stad aan de Grieken in handen leverde. Toen Menelaus haar terugvond, wilde hij haar eerst dooden, maar hare schoonheid redde haar, hij nam haar mede naar Sparta, waar zij nog lang met hem in vrede en geluk leefde, en na haar dood in hetzelfde graf met hem bijgezet werd.--V. a. was zij met Paris in Aegypte gekomen, waar Proteus haar en de geroofde schatten terughield en na den oorlog aan Menelaus teruggaf. Een schijngestalte vergezelde Paris naar Troje, daar de oorlog volgens beschikking van het noodlot gevoerd moest worden.--V. a. was zij na den dood van Menelaus door hare stiefzonen verjaagd en naar Rhodus gevlucht, waar zij, als oorzaak van den grooten oorlog, aan een boom werd opgehangen; na haar dood werd zij daar vereerd als Helena Dendritis.--Nog werd verhaald dat zij in het leven teruggeroepen werd en naar het eiland Leuce verplaatst, waar zij met Achilles huwde en hem een zoon Euphorion baarde.--2) dochter van Paris en Helena.--3) dochter van Aegisthus en Clytaemnestra.--4) (Flavia Iulia), moeder van Constantijn d. G., Christin.--5) dochter van Constantijn d. G., gemalin van keizer Julianus.

Helena, Helene, vroeger Cranaë, rotseilandje bij de Zuidspits van Attica. Zie ook Illiberis.

Helenus, Helenos, zoon van Priamus en Hecabe, beroemd waarzegger. Hij werd door de Grieken gevangen genomen of liep tot hen over, en openbaarde hun op welke wijze Troje genomen kon worden. Na het eindigen van den oorlog ging hij met Neoptolemus naar Epirus; toen deze gestorven was, huwde hij Andromache en kreeg hij een deel van het rijk, waarin hij een vesting bouwde, geheel naar het model van Troje. Hij liet de regeering aan Molossus, den zoon van Neoptolemus en Andromache, na.--V. a. vluchtte hij, toen Neoptolemus Hermione tot vrouw nam, met Andromache en Molossus naar Molossië.

Helepolis, helepolis, een door Demetrius Poliorcetes uitgevonden belegeringswerktuig; het was een verplaatsbare toren met negen of minder verdiepingen, beneden van een stormram voorzien en op de hoogere verdiepingen ingericht tot het werpen van lichtere projectielen. Iedere verdieping had van buiten een galerij met borstweringen voorzien en het geheel was met ijzer beslagen.

Helia = Velia.

Heliadae, Heliadai, zeven zonen van Helius en Rhode. Zij hadden van hun vader vernomen dat de godin Athena de plaats, waar men haar het eerst zou offeren, tot haar woonplaats zou kiezen, daarom haastten zij zich haar een offer te brengen, doch vergaten het te verbranden, zoodat zij hun doel niet bereikten. Zij waren zeer bekwaam in sterrenkunde en scheepvaart en boven allen muntte Tenages uit, waarom zijne broeders hem uit afgunst doodden en, toen hun misdaad ontdekt werd, naar verschillende landen vluchtten. Zij werden als heroën vereerd door de Rhodiërs, die ook Heliaden genoemd worden, en tot aandenken aan hen de gewoonte behielden het offer niet te verbranden.

Heliades, Heliades, zusters van Phaëton, die zijn dood onophoudelijk beweenden. Hare tranen veranderden in barnsteen, en zijzelve werden in boomen veranderd, waaruit een vocht vloeit, dat, wanneer het gestold is, tot barnsteen wordt.

Heliaia, de rechtbank der gezworenen (heliastai) te Athene. Jaarlijks werden door het lot 6000 burgers boven de 30 jaar, die in het bezit hunner burgerrechten waren, 600 uit elke phyle, als heliasten aangewezen, die in 10 sectiën van 500 verdeeld werden, terwijl 1000 als plaatsvervangers overbleven. Voor ieder proces wordt een zeker aantal rechters bepaald, men vindt rechtbanken vermeld van 200, 300, 400, soms van 1000 of 1500 leden, zeer zelden kwamen alle 6000 bij elkander. Voor het bijwonen der zittingen werden de rechters sedert Pericles betaald, z. Dikastikon.

Helice, Helike, oude hoofdstad van Achaia, met een beroemden Poseidon-tempel. Bij eene vreeselijke aardbeving in 373 werd de stad door de zee verzwolgen. In hare plaats werd Aegium hoofdstad van den achaeischen bond.

Helicon, Helikon, berg in het Z. van Boeotia, aan de Muzen geheiligd, rijk aan bosch, dat door grasrijke weiden wordt afgewisseld, met vruchtbaren bodem en vele bronnen. Onder de bronnen zijn beroemd: Aganippe en Hippocrene, de paardebron, door den hoefslag van Pegasus te voorschijn geroepen. Heliconiades = de Muzen.

Heliodorus, Heliodoros, 1) ho periegetes, omstreeks 150, Athener, die de acropolis in 15 boeken beschreef, een werk, dat bijna geheel verloren gegaan is.--2) rhetor te Rome, vriend van Horatius.--3) Syriër, rhetor te Rome en secretaris van Hadrianus, later praefect van Aegypte.--4) schrijver van een werk over metriek.--5) van Emesa, v. s. bisschop van Tricca, schreef omstreeks 400 na C. een griekschen roman Aithiopika, bevattende de liefdesavonturen van een Thessaliër Theagenes en eene aethiopische prinses Chariclea.

Heliogabalus of Elagabalus, Heliogabalos. De eigenlijke naam was Varius Avitus Bassianus. Hij was verwant met de Severi op de volgende wijze:

L. Septimius Iulia, Iulia Maesa Severus, geh. met | | rom. keizer Sept. zusters | 193-211 Severus | \ / \ | / \----------\ /----------/ \----------\ /----------/ V V Caracalla, Geta, Soaemis, Mammaea, 211-217. 211-212. geh. m. geh. m. Varius Gessius Marcellus. Marcianus | | Heliogabalus | Alex. Severus.

Verwantschap van Heliogabalus met de Severi.

Heliogabalus was priester van den zonnetempel te Emesa in Syria. Door zijne groote gelijkenis op (M. Aurelius Antoninus) Caracalla, kwam Iulia Maesa op het denkbeeld, den schoonen, doch onbeteekenenden knaap, die slechts 14 jaar oud was, voor een zoon van Caracalla te doen doorgaan. Zóó werd hij onder den naam M. Aurelius Antoninus tot keizer uitgeroepen (218-222). Hij beging als keizer allerlei laffe dwaasheden, stelde o. a. een senaat voor vrouwen in, onder wiens bestuur de modes zouden geregeld worden, en gaf zich onbeteugeld aan uitspattingen en wellust over, terwijl hij zich overigens geheel door zijne moeder Soaemis liet beheerschen. Hij had zijn neef, den edelen Alex. Severus, tot mederegent aangenomen (221); toen hij echter dezen naar het leven stond, werd hijzelf met zijne moeder door de soldaten omgebracht.

Heliopolis, Heliou polis, stad in Coelesyria tusschen den Libanon en den Antilibanon, ook Baälbek = Baälsstad genoemd, eene prachtige stad, de hoofdzetel van den Baälsdienst. Antoninus Pius liet hier een schoonen tempel voor Jupiter bouwen.--2) stad in Aegypte, aan het begin der Nijldelta, hoofdzetel van den aegyptischen zonnedienst. De stad leed veel door den veldtocht van Cambyses. In den griekschen tijd is de stad vervallen.

Helius, Helios, Sol, zoon van Hyperion en Thea of Euryphaëssa, broeder van Selene en Eos, de zonnegod. Iederen morgen komt hij in het uiterste Oosten uit den Oceaan op en voert zijn schitterenden wagen, bespannen met vier paarden, die zoo vurig zijn, dat zelfs Zeus ze niet kan besturen, langs den hemel, om 's avonds in het Westen weder in den Oceaan neder te dalen, van waar hij v. s. des nachts in een gouden boot slapend naar het O. terugkeert. Hij is, daar hij met zijne stralen overal doordringt, alziend (panderkes) en dus alwetend, daarom werd hij bij plechtige verzekeringen en eeden als getuige aangeroepen. Op het eiland Thrinacia weidden zijne dochters, Phaethusa en Lampetie, voor hem 7 kudden runderen en 7 kudden schapen, elke van 50 stuks, een getal dat nooit grooter of kleiner werd, en op vele plaatsen, waar hij vereerd werd, vond men aan hem gewijde kudden. Zijne kinderen waren o.a. Aeetes, Circe en Phaëthon.--Hel. werd vrij algemeen in Griekenland vereerd, vooral op Rhodus, waar zijn 100 voet hoog beeld stond, de zoogenaamde colossus van Rhodus, het werk van Chares. Men offerde hem witte paarden, verder rammen, stieren en geiten; de haan en de arend waren hem gewijd. Op zijne afbeeldingen draagt hij een stralenkrans en een wijden mantel en heeft hij een wereldbol in de hand, soms staat hij op zijn wagen. Vgl. Apollo.

Helium ostium, de zuidelijke mond van den Rijn, de oude Maasmond, die toen veel breeder was dan tegenwoordig.

Hellanicus, Hellanikos, van Mytilene, jongere tijdgenoot van Herodotus, logograaf, wiens vrij talrijke werken verloren gegaan zijn. Hoewel hij veel gereisd en veel gestudeerd had, wordt hem door sommige oude schrijvers gemis aan oordeel en onnauwkeurigheid verweten.

Hellanodikai, een commissie van burgers uit Elis, belast met de regeling van en het toezicht op de olympische spelen, zij fungeerden tevens als kamprechters. Aanvankelijk was dit aan één persoon opgedragen, later vindt men 2, nog later 9, 10 of 12 rechters vermeld.

Hellas, Hellas. In Homerus' tijd was Hellas alleen de naam eener stad in het zuid-thessalische landschap Phthiotis of Phthia, het gebied van Achilles. In het historische tijdperk is Hellas = Graecia, n. l. 1) Midden-Griekenland, thans Livadia,--2) de Peloponnesus,--3) de door ligging en beschaving tot Griekenland behoorende eilanden. Epirus en Thessalia, samen ook wel Noord-Griekenland genoemd, werden door de oude Grieken niet tot Hellas gerekend. Daar de Grieken hun land niet als één geheel beschouwden, maar als een complex van verschillende staatjes en volken, hadden zij voor Hellas geene bepaald aangegeven aardrijkskundige grens, en daar ook buiten Hellas Grieken woonden, is de uitdrukking he pasa Hellas niet altijd juist te bepalen, en meermalen = al wat Grieksch is. In engeren zin is Hellas alleen Midden-Griekenland, met de landschappen Attica, Megaris, Boeotia, Locris, Doris, Phocis, Aetolia en Acarnania. Als rom. provincie heette Griekenland Achaia.

Helle, Helle, dochter van Athamas (z. a.) en Nephele. Door hare moeder van den dood gered, vluchtte zij met haar broeder Phrixus uit hun vaderland en verdronk in de zee, die naar haar Hellespont genoemd wordt.

Hellen, Hellen, zoon van Deucalion en Pyrrha, of van Zeus en Dorippe, vader van Dorus, Aeolus en Xuthus, stamvader der Hellenen.

Hellenes, Hellenes. Vóór Homerus bestaat er geen gemeenschappelijke volksnaam voor de bevolking van Griekenland. In verschillende streken komen verschillende stammen voor: Abantes, Curetes, Caucones, Leleges, Epei, Dryopes, Danaï, Dolopes, Myrmidones, welke laatsten bij Homerus ook Hellenen worden genoemd naar hunne stad Hellas. Mettertijd verdwijnen deze stammen door samensmelting, verhuizing, enz., en komen twee andere namen, Pelasgi en Hellenes, er voor in de plaats. Beide stammen kwamen uit Thessalia, de Pelasgen het eerst. De Hellenen drongen de Pelasgen weder op den achtergrond en de naam Hellenen werd de algemeene volksnaam.--Als gemeenschappelijke naam der Grieken bezigt Homerus wel den naam Achaei, waarschijnlijk waren deze in zijn tijd de voornaamste stam. De grieksche schrijvers evenwel splitsen de Hellenen weder in vier stammen: Aeoles, Achaei, Iones, Dores. Het is hier de plaats niet, over de afkomst en onderlinge verhouding dezer stammen gissingen te maken. De Ioniërs en Doriërs werden allengs de hoofdstammen.

Hellenismus, de algemeen gebruikelijke naam voor de Grieksche beschaving na Alexander den Groote. De oostersche volkeren hebben de Grieksche beschaving overgenomen en vervormd, en wederom invloed uitgeoefend op de eigenlijk Grieksche beschaving. Hellenistisch wordt de kunst, de poëzie, de geschiedbeschrijving, de philosophie en de godsdienst zoowel van de Grieken als van de oostersche volkeren.

Hellenotamiai een college van 10 door de volksvergadering gekozen atheensche ambtenaars, die de bijdragen der bondgenooten moesten innen en de bondskas beheerden. Deze bijdragen beliepen in den peloponnesischen oorlog ongeveer 1300 talenten; de kas werd aanvankelijk op Delus, sedert 454 op voorstel van Pericles te Athene bewaard. Zie Pericles.

Hellespontus, Hellespontos, zee van Helle, die volgens de mythe daar zou verdronken zijn, thans de straat der Dardanellen. Ook het aziatische kustland langs de zeeëngte en zelfs nog verder oostwaarts wordt somtijds Hellespontus genoemd. In den lateren keizerstijd was dit ook de naam der rom. provincie, die uit Troas en een deel van Mysia gevormd was en Cyzicus tot hoofdstad had.--Hellespontias, een van den Hellespont komende wind.

Helli, Helloi = Selli.

Hellomenum, Hellomenon, havenstad aan de O.-zijde van het eiland Leucas.

Hellopia, Hellopia = Ellopia.

Hellotia, Hellotia, 1) feest te Corinthe ter eere van Athena, die hier den bijnaam Hellotis had.--2) feest op Creta ter eere van Europa, die hier onder den naam Hellotis goddelijke eer genoot.

Helmantica = Salmantica.

Helorus of -um, Heloros, -on, stad aan de Oostkust van Sicilia ten Z.Z.W. van Syracusae, aan den mond van de rivier Helorus.

Helos, Helos, stadje aan de Laconische golf, te midden van moerassen gelegen; vandaar de naam. De ouden leidden, op den klank af, den naam Heloten van deze stad af. Ook eene lage streek in Elis aan den Alpheus droeg dezen naam.

Helotes, Heilotes, Heilotai, de afstammelingen der vroegere bewoners van Lacedaemon, die door de dorische veroveraars van vrijheid en goederen beroofd waren en als staatsslaven aan particulieren ten gebruike gegeven werden, voor wie zij als lijfeigenen het land bebouwden. Van de opbrengst van het land hadden zij een bij de wet bepaalde hoeveelheid aan hunne heeren af te staan, het overige was voor hen, zoodat zij onder gunstige omstandigheden eenig vermogen konden verwerven. Het was den heeren niet geoorloofd hen te dooden of buitenslands te verkoopen, ook mochten zij niet zonder toestemming van den staat vrijgelaten worden. Daarentegen kregen zij somtijds van staatswege de vrijheid voor dapperheid, in den oorlog betoond, waarin zij als lichtgewapenden, zeer zelden als hoplieten, later ook als matrozen dienden. Z. Neodamodeis. Het burgerrecht kregen zij hoogst zelden. Z. echter Mothakes. In 464 stonden zij na eene groote aardbeving op en trokken zij zich in de vesting Ithome terug, vanwaar zij 10 jaar lang een oorlog voerden, die eindigde met hun vrijen aftocht uit de Peloponnesus. Hun groot aantal boezemde den Spartanen voortdurend vrees voor dergelijke voorvallen in, die zich in strenge, soms gewelddadige maatregelen uitte. Z. krypteia.

Helvaeones of Helvecones, germaansche stam tot de Lugii, de latere Vandalen, behoorend, tusschen Viadua (Oder) en Vistula (Weichsel).

Helvetii, Helouetioi, een machtig keltisch volk tusschen den mons Iura (Jurageb.), den Rhodanus (Rhône) en den Rhenus (Rijn), verdeeld in vier pagi of kantons, waarvan twee, de pagus Tigurinus en de p. Verbigenus nader bekend zijn. Z. ook Toygeni. De Helvetiërs sloten zich aan bij de Cimbren; de Tiguriners brachten in 107 onder Divico den rom. consul L. Cassius Longinus (Cassii no. 3) eene beslissende nederlaag toe; Cassius sneuvelde en zijn leger moest onder het juk doorgaan. Een ander gedeelte der Helvetiërs keerde na de nederlaag der Cimbren in 101 weder naar hun land terug. In 58, bij Caesars komst in Gallia, ondernamen de Helvetiërs weder een groote volksverhuizing, doch werden door Caesar met ontzaggelijk verlies teruggeslagen; van de 263000 menschen bleven slechts 110000 over. Sedert dien tijd begon men den ager Helvetiorum met rom. sterkten te bezetten. Na den dood van keizer Otho, toen de Helvetiërs Vitellius niet wilden erkennen, werden zij als wilde dieren opgejaagd en vervolgd. De ager Helvetiorum behoorde tot Belgica, en strekte zich oorspronkelijk tot aan de Bodensee uit. Sedert de indeeling van het rijk door Diocletianus behoorde het oostelijke gedeelte en de geheele Bodensee tot Raetia.

Helvidii, rom. geslacht, uit Samnium afkomstig. 1) P. Helvidius Rufus, bij Cicero vermeld, een vriend van Cluentius.--2) Helvidius Priscus dempte met veel beleid in 51 na C. de onlusten in Cappadocia; v. s. is dit dezelfde als no. 3.--3) C. Helvidius Priscus, schoonzoon van Thrasea Paetus, was een man van republikeinsche gezindheid en een beoefenaar van wetenschap en wijsbegeerte, vooral van die der Stoicijnen. Onder Nero bekleedde hij de quaestuur, de praetuur en het volkstribunaat, doch werd om zijn staatkundige gevoelens verbannen. Hij werd door Galba teruggeroepen; Vespasianus verbande hem nog eens, en liet hem later, omdat hij niet ophield zich tegen den keizer vijandig te betoonen, ter dood brengen.--4) Helvidius Priscus, zoon van no. 3, stierf onder Domitianus in den kerker, wegens een spotdicht op den keizer.

Helvii, plebejisch geslacht. Een uit dit geslacht, C. Helvius Cinna, werd bij Caesars begrafenis bij vergissing vermoord door het volk, dat het op L. Cornelius Cinna (zie Cornelii no. 40) had gemunt. Ook een dichter van dezen naam wordt genoemd als maker van een gedicht Smyrna, vriend van Catullus. Waarschijnlijk is het dezelfde. De moeder van Cicero was eene Helvia, evenals de moeder van Seneca (den zoon).

Helvii, gallisch volk tusschen den mons Cebenna en den Rhodanus. Hoofdstad: Alba Augusta.

Hemeroscopium, Hemeroskopeion, zie Dianium.

Hemesa = Emesa.

Hendeka, een college van 10 magistraten met een schrijver, die te zorgen hadden voor het toezicht op en de bewaking van gevangenen, voor het voltrekken van doodvonnissen, enz. Zij die op heeterdaad betrapt waren bij eene misdaad, waarop dood- of gevangenisstraf stond, werden voor de elfmannen gebracht, die in geval van bekentenis konden vonnissen, en anders de zaak voor eene rechtbank brachten, waarbij zij de instructie leidden.

Heneti, Enetoi, volksstam aan den Parthenius in Paphlagonia, bondgenooten van Priamus, koning van Troje. Dit volk verdween; de ouden meenden het teruggevonden te hebben in de Veneti, in Gallia Cisalpina. Zie Veneti.

Heniochi, Heniochoi, zeerooversvolk op de N.O. kust van den Pontus Euxinus, aan den Caucasus, ten N. van Dioscurias.

Heniochos, z. Auriga.

Henna = Enna.

Hephaestia, Hephaistia, stad op Lemnus, aan den N.O. kant.

Hephaestion, Hephaistion, 1) zoon van Amyntor, boezemvriend van Alexander d. Gr. en officier in zijn leger; hij stierf te Ecbatana en werd door Alex. met buitensporig rouwbetoon betreurd en als een heros vereerd.--2) grammaticus te Alexandrië, schrijver van een zeer uitgebreid werk over metriek waarvan een door hemzelf bewerkt uittreksel bewaard gebleven is; hij leefde omstreeks 150 na C.

Hephaestus, Hephaistos, Vulcanus, zoon van Zeus en Hera, god van het vuur. Daar hij kreupel en leelijk was, wierp Hera hem kort na zijne geboorte van den Olympus, hij viel in zee, waar hij 9 jaar door Thetis en Eurynome verzorgd werd. Daarna keerde hij naar den Olympus terug, maar toen hij eens bij een twist tusschen zijne ouders te ijverig voor zijne moeder partij trok, greep Zeus hem bij een been en wierp hem weder uit den hemel. Het duurde een geheelen dag eer hij bijna levenloos op Lemnus neerkwam, waar hij vriendelijk opgenomen en verpleegd werd. Later werd hij onder de olympische goden opgenomen en werd hem Charis, Aglaia of Aphrodite tot echtgenoote gegeven, maar daarmede verliest hij zijne beteekenis als god eener natuurkracht en wordt hij de kunstvaardige werkman (Klytotechnes, Klytoergos), die door de kracht van het vuur metalen bearbeidt en de merkwaardigste kunstwerken ten dienste van goden en helden vervaardigt. Zijne werkplaats wordt oorspronkelijk op den Olympus, later onder verschillende vuurspuwende bergen gedacht, vooral op Lemnus en Sicilië. Als kunstenaar staat hij in nauwe betrekking tot Athena, te Athene werd voor hen beiden een feest gevierd, de Chalkeia. De voornaamste plaats van zijn eeredienst, die overigens niet algemeen was, was Lemnus, waar de Cabiri als zijne helpers beschouwd werden. Afbeeldingen zijn zeldzaam, gewoonlijk wordt hij voorgesteld als een krachtig man, in werkmanskleederen en met een hamer in de hand.

Heptanomis, Heptanomis, het land der zeven nomoi of distrikten, grieksche naam voor Midden-Aegypte, hoofdstad Memphis.

Hera, Hera, Juno, oudste dochter van Cronus en Rhea, opgevoed door Oceanus en Tethys, zuster en gemalin van Zeus, met wien zij 300 jaar heimelijk gehuwd was, voordat hij de heerschappij over de goden verwierf en haar openlijk als zijne gemalin deed erkennen. Als zoodanig wordt zij door goden en menschen zeer hoog geëerd, ook Zeus zelf bewijst haar eerbied en laat haar soms over donder, bliksem en storm beschikken. Maar haar trotsch en onbuigzaam karakter maakt het dikwijls noodig, dat hij ook haar zijn oppermacht laat gevoelen, en aan den anderen kant geven zijn talrijke liefdesavonturen en de onverzoenlijke haat, waarmede zij de door hem beminde vrouwen en hare kinderen vervolgt, dikwijls aanleiding tot de hevigste twisten, zelfs smeedde zij eens met Poseidon en Athena eene samenzwering tegen haar gemaal, die slechts door de tusschenkomst van Aegaeon hunne plannen kon verijdelen. Met geweld vermag zij echter niets tegen hem, en wanneer het haar al eens gelukte door list haar wil tegen den zijnen door te drijven, moet zij daarvoor meestal boeten; zoo werd zij eens, toen zij Heracles op zee bijna had doen omkomen, door Zeus met gouden boeien aan den aether opgehangen met een zwaar aambeeld aan iederen voet. Haar huwelijk met Zeus is ook de grondslag van de vereering, die zij bij de menschen geniet, en treedt bij hare feesten en plechtigheden steeds op den voorgrond; daarom is zij ook de godin van het huwelijk (Gamelia, Zygia, Teleia) en der geboorten (Eileithuia). Haar dienst is door geheel Griekenland verbreid, Samus is geheel aan haar gewijd, hare lievelingssteden zijn Argos (Argeia), Mycenae en Sparta; daarom evenzeer als uit toorn wegens het oordeel van Paris, ondersteunt zij de Grieken krachtig in hun oorlog tegen de Trojanen. De koekoek, de pauw, de kraai en de granaatappel waren haar gewijd. Op hare afbeeldingen wordt zij voorgesteld met eene volle krachtige gestalte, waardige en ernstige gelaatstrekken, groote oogen (boopis) en zware lokken, zij zit soms op een troon, draagt een ruim en lang gewaad, kroon of sluier, en heeft in de hand een schepter, granaatappel, offerschaal e. dgl.

Heraclea, Herakleia, naam van een aantal steden, waaronder de voornaamste zijn: 1) Heraclea in Acarnania, aan de Ambracische golf.--2) H. in het elische gewest Pisatis.--3) H. in Lucania, aan de Tarentijnsche golf, geboorteplaats van den schilder Zeuxis, thans Policoro. Hier behaalde Pyrrhus in 280 zijn eerste overwinning op de Rom.--4) H. in Syria, aan de kust, ten N. van Laodicea no. 1.--5) H. in Thracia, aan de Propontis, nabij de invaart van den Hellespont, ten O. van Pactye.--6) Heraclea Perinthus, meer oostwaarts dan het vorige, aan de Noordkust der Propontis gelegen, vroeger Perinthus geheeten, eene zeer aanzienlijke stad.--7) Heraclea Pontica, op de bithynische kust aan den Pontus Euxinus gelegen, belangrijke handelsstad, doch welker bloei in den grooten mithradatischen oorlog geknakt werd. De wijsgeer Heraclides (no. 5) was hier geboren.--8) Heraclea Chersonesi, thans Sebastopol, in de Chersonesus Taurica (Krim).--9) Heraclea Latmi, aan den voet van den berg Latmus aan de latmische golf, bij Miletus.--10) Her. Sintice, in het macedonische gewest Sintice, aan den Strymon.--11) Her. Lyncestis, in het maced. landschap Lyncestis, aan de via Egnatia.--12) Her. Trachinia, in Trachis, even ten W. van de Thermopylae, zie Trachis.--13) Her. Caccabaria, ten O. van Massilia (Marseille). Tgw. Cavalaire.--14) Her. Minoa, op de Zuidkust van Sicilia, ten W. van Agrigentum, misschien door cretensische kolonisten Minoa genoemd naar Minos, overigens kolonie van Selinus, ± 500 door Spartanen veroverd en Heraclea geheeten. Omstreeks 460 werd het carthaagsch; in 133 zonden de Rom. er een kolonie heen.

Heracleopolis, Herakleous polis, naam van twee aegyptische steden. Her. maior lag in Midden-Aegypte tusschen het meer Arsinoë en den Nijl; Her. minor lag in de Nijldelta aan den pelusischen mond en is later door de lagune Menzaleh verzwolgen.

Heracleoticum ostium of Canobicum ostium, Herakleotikon, Kanobikon stoma, meest westelijke Nijlmonding.

Heracles, Herakles, Hercules, zoon van Zeus en Alcmene, de gemalin van Amphitryo. Op den dag, die voor zijne geboorte bestemd was liet Zeus zich in de vergadering der goden het woord ontvallen, dat heden een man zou geboren worden, die over alle mannen van zijn geslacht (de Persiden) zoude heerschen. Hera, die den zoon van Alcmene reeds vóór zijne geboorte haatte, liet dit woord met een eed bevestigen, en bewerkte toen als godin der geboorte dat op dien dag niet Heracles, maar Eurystheus, de zoon van Sthenelus, geboren werd (z. Galinthias). Tegelijk met Her. werd ook Iphicles, de zoon van Amphitryo, geboren, en reeds toen zij nog in de de wieg lagen, zond Hera twee monsterachtige slangen om de kinderen te dooden, Her. greep ze echter en drukte ze dood. Hij werd verder door de beste leermeesters opgevoed, o.a. door Linus, den toonkunstenaar, die hem eens voor zijn weinige vorderingen in de muziek berispte en daarvoor een slag met de luit kreeg, zoodat hij op de plaats dood bleef. Verschrikt door zijne woeste kracht, zond Amphitryo hem als herder naar den Cithaeron, waar hij tot zijn achttiende jaar bleef, en waar hij zich verdienstelijk maakte door het dooden van een leeuw, die het gebied van Thespiae onveilig maakte. De huid van dezen (of van den nemeïschen) leeuw diende hem in het vervolg tot kleeding. Naar Thebae teruggekeerd, bevrijdde hij de Thebanen van de schatting, die zij aan Erginus (z. a.) hadden te betalen; uit dankbaarheid gaf koning Creon hem zijne dochter Megara tot vrouw. Kort daarna eischte Eurystheus dat hij zich, volgens het bij hunne geboorte door Zeus bezworen woord, onder zijne bevelen zoude stellen, een eisch, die Her. zoo woedend maakte, dat hij tot waanzin verviel, zijn eigen drie kinderen en twee van Iphicles doodde, en voor zijn geheele omgeving gevaarlijk werd; tot bezinning gekomen, vroeg hij vol berouw het orakel van Delphi, door welk middel hij zijn schuld zou kunnen verzoenen; het antwoord luidde, dat hij Eurystheus moest gehoorzamen, dat deze hem twaalf werken zoude opdragen, en dat hij door de vervulling van die taak de onsterfelijkheid deelachtig zou worden. Bij deze gelegenheid werd hij door het orakel voor het eerst Heracles genoemd, terwijl hij tot dien tijd den naam Alcides of Alcaeus gedragen had. Het eerste werk, dat Eurystheus hem opdroeg, was het dooden van den nemeïschen leeuw. Daar dit monster, een voortbrengsel van Typhon en Echidna, niet met wapenen gedood of gewond konde worden, dreef hij het met knotsslagen in zijn hol, greep het daar met beide handen aan en verstikte het. Toen hij het gedoode dier naar Mycenae bracht, boezemde dit bewijs van zijne wonderbare kracht Eurystheus zulk een schrik in, dat hij hem gebood voortaan niet meer in zijne nabijheid te komen, maar buiten de poort te blijven, waar Copreus hem nieuwe bevelen zoude brengen.--Vervolgens moest hij de hydra dooden, die in de moerassen van Lerna bij Argos huisde en den geheelen omtrek onveilig maakte. Dit was een reusachtige slang, door Typhon en Echidna voortgebracht, met 7, 9, 50 of 100 koppen, waarvan één onsterfelijk was. Door vurige pijlen joeg hij het monster op, en terwijl het trachtte zich om zijn lichaam te slingeren, hieuw hij de koppen af; maar voor elken afgeslagen kop verschenen twee nieuwe; bovendien werd hij voortdurend in de voeten gebeten door een grooten kreeft, die door Hera naar de kampplaats gezonden was. Met groote moeite gelukte het hem den kreeft te vertrappen, vervolgens schroeide hij met gloeiende boomstammen de wonden dicht, die hij aan de hydra toebracht, zoodat geen nieuwe koppen konden aangroeien, eindelijk begroef hij den onsterfelijken kop onder een zwaar rotsblok. In het vergiftige bloed der hydra doopte hij zijne pijlen.--Zijne derde onderneming was tegen het wilde zwijn, dat de landen rondom den berg Erymanthus verwoestte. Op zijn tocht daarheen nam hij zijn intrek bij den Centaur Pholus, die hem gastvrij ontving en ter eere van hem een vat wijn opende, waaruit zulk een zoete geur opsteeg, dat alle andere Centauren er door aangelokt werden. Toen zij hem het vat wilden ontnemen, ontstond een woedend gevecht, de Centauren werden gedood of verjaagd, en zelfs Pholus en Chiron kregen in de verwarring tegen den wil van Her. doodelijke wonden. Het zwijn wist hij uit het woud naar een dik besneeuwd veld te jagen, waar hij het zoolang vervolgde, tot het uitgeput nederzonk. Daarop nam hij het op zijne schouders en droeg het levend naar Mycenae.--Daarna eischte Eurystheus dat hij de hinde van Cerynea, een berg tusschen Arcadië en Achaia, levend vangen zoude. Hij vervolgde dit dier, dat aan Artemis gewijd was, gouden horens en koperen pooten had, een jaar lang, eer het hem gelukte het met een pijlschot in een poot te treffen en zich er van meester te maken.--Vervolgens werd hij uitgezonden tegen de stymphalische vogels, die zich in menigte bij de stad Stymphalus hadden nedergezet, ijzeren klauwen, snavels en vleugels hadden, en hunne vederen evenals pijlen afschoten. Met een koperen ratel joeg hij ze op, daarna doodde hij sommige en verjoeg hij de overige, die naar het eiland Aretias vluchtten, waar de Argonauten ze later vonden.--Ten zesde haalde hij voor Admete, de dochter van Eurystheus, den gordel van Hippolyte (z. a.), de koningin der Amazonen. V. s. zou hij op den tocht daarheen het rijk van Amycus veroverd en aan Lycus, koning van Mysië, die hem gastvrij ontving, gegeven hebben. Op de terugreis landde hij op de kust van Troje en doodde er een zeemonster, waardoor hij Hesione het leven redde (z. Laomedon).--Zijn zevende werk was het reinigen van de stallen van Augias (z. a.).--Daarna haalde hij den stier van Creta (z. Minos) en bracht hij hem levend naar Mycenae. Daar werd het dier weder losgelaten en nu liep het in Attica rond, tot Theseus het in de vlakte van Marathon ving en doodde.--Vervolgens ging hij naar Thracië, vanwaar hij de paarden van Diomedes (z. a. no. 1) medebracht; bij deze gelegenheid zoude hij Abdera gesticht hebben.--Het rooven van de runderen van Geryones (z. a.), zijn tiende werk, was een van de moeielijkste en gevaarlijkste. In voortdurenden strijd met allerlei onbekende en woeste volken, trok hij door Europa en Libye naar het meest westelijke punt der aarde, waar hij, ter herinnering aan dien verren tocht, de zuilen van Heracles oprichtte. Toen hem hier de zonnestralen te hevig kwelden, durfde hij zelfs tegen Helius zijn boog spannen, eene vermetelheid, die de god zoo weinig kwalijk nam, dat hij hem zijn gouden vaartuig leende, om naar Erythea over te varen, waar hij zijne taak te vervullen had. Met zijn buit trok hij nu door Hispanië, Gallië, Italië en Sicilië naar Griekenland terug. Ook op deze reis moest hij zich en zijne runderen meer dan eens tegen vijandelijke aanvallen verdedigen (z. Cacus, Eryx, Alcyoneus), allerlei moeielijkheden werden hem door Hera in den weg gelegd, toch kwam hij eindelijk behouden te Mycenae aan. V. s. waren hem oorspronkelijk door het orakel slechts tien werken opgelegd, zoodat nu zijne dienstbaarheid ten einde zoude zijn, maar Eurystheus verklaarde zich niet voldaan met de uitvoering van het tweede en zevende werk. Want de slang van Lerna had hij niet kunnen dooden zonder de hulp van zijn wagenmenner Iolaus (z. a.), en Augias had hij niet kunnen dwingen hem het beloofde loon te betalen. Daarom droeg hij hem nog twee nieuwe werken op, en wel vooreerst drie gouden appelen uit den tuin der Hesperiden (z.a.) te halen. Waar die tuin was, wist niemand hem te zeggen, zoodat hij lang op goed geluk ronddwaalde, totdat hij Nereus met geweld dwong hem het geheim te openbaren, dat hij in het verste Westen zoude vinden wat hij zocht. De tocht daarheen was weder rijk aan gevaarlijke ontmoetingen (z. Antaeus, Busiris, Emathion), eindelijk kwam hij aan den Caucasus, waar hij den gier van Prometheus (z. a.) doodde en van dezen den raad ontving de appelen niet zelf te halen, maar Atlas te verzoeken het voor hem te doen. Atlas voldeed aan dit verzoek, terwijl Her. inmiddels het hemelgewelf voor hem droeg, maar nu wilde hij ook zelf de appelen aan Eurystheus brengen en zijn last intusschen op de schouders van zijn plaatsvervanger laten rusten. Her. verklaarde zich bereid dien wensch in te willigen, wanneer hij slechts even een kussen op zijn schouder mocht leggen. Atlas liet zich misleiden en nam den hemel voor een oogenblik weder op, waarna Her. zich van de appelen meester maakte en hem liet staan.--Als laatste en moeielijkste werk werd hem opgedragen den hond Cerberus (z.a.) uit de onderwereld te halen. Nadat hij zich in de eleusinische mysteriën had laten inwijden, daalde hij bij Taenarum in de onderwereld af, waar hij een algemeenen schrik verspreidde en van Hades verlof kreeg zijne taak te vervullen.--Nu was hij van zijne dienstbaarheid bevrijd, hij gaat naar Thebae, geeft zijne vrouw aan zijn vriend Iolaus, en gaat daarop naar Eurytus (no. 2) om de hand van diens dochter Iole te verwerven. Toevallig werden omstreeks dienzelfden tijd paarden of runderen van Eurytus gestolen, en deze zendt zijn zoon Iphitus uit om bij Her., dien hij van den diefstal verdenkt, een onderzoek in te stellen; hierover vertoornd, neemt Her. Iphitus mede naar den burcht van Tiryns, waar hij hem van boven naar beneden werpt. Tot straf voor deze misdaad laat hij zich op bevel van het delphische orakel voor drie jaar als slaaf verkoopen, en komt hij in handen van Omphale, koningin van Lydië. In haar dienst bevrijdde hij haar land van roovers, ook nam hij in dien tijd deel aan de calydonische jacht en aan den tocht der Argonauten, die hem echter in Mysië achterlieten, omdat hij niet tijdig aan boord kwam. Op zijn terugtocht naar Lydië ontmoette hij de Cercopen (z. a.). Bij Omphale teruggekeerd, verviel hij door zijne liefde voor haar tot zulk een verwijfdheid, dat hij haar zijn leeuwenhuid en knots afstond en zelf haar spinnewiel ter hand nam.--Na het verstrijken van den tijd zijner slavernij trok hij met 18 schepen naar Troje en vervolgens naar Elis, om zich op Laomedon (z. a.) en Augias (z. a.) te wreken; daarop ging hij naar Pylus en doodde Neleus met al zijne zonen, behalve Nestor, die toevallig afwezig was; Neleus had namelijk geweigerd hem na den moord van Iphitus te reinigen. Zelfs Hades, die aan de zijde der Pyliërs streed, werd door den held zwaar gewond. Van hier trok hij naar Sparta en doodde hij Hippocoön (z. a.) en zijne twaalf zonen; de regeering gaf hij aan Tyndareos terug, op voorwaarde dat zij eens op zijne eigene nakomelingen zou overgaan. Te Calydon aangekomen, vatte hij liefde op voor Deïanira, de schoone dochter van koning Oeneus, die echter ook bemind werd door Achelous (z. a.); toen deze gedwongen was van zijne aanspraken afstand te doen, huwde Her. met Deïanira en bleef hij geruimen tijd bij zijn schoonvader wonen, totdat hij eens bij ongeluk aan een jongen bloedverwant van dezen een doodelijken slag gaf, waarna hij besloot zich te verwijderen. Op zijne reis naar Trachis trok hij over de rivier Euenus, die hij doorwaadde, maar om Deïanira er over te brengen, had hij de hulp van den Centaur Nessus noodig; deze nam haar op zijn rug, maar toen hij haar midden op den overtocht geweld wilde aandoen, doorschoot Her. hem met een van zijne vergiftigde pijlen. Te Trachis werd hij gastvrij ontvangen door koning Ceyx, voor wien hij de Dryopen onderwierp. Gedurende zijn verblijf aldaar ondernam hij op bevel van Apollo den strijd tegen Cycnus (no. 3), en ondersteunde hij Aegimius (z. a.) in zijn oorlog tegen de Lapithen, bij welke gelegenheid hij Amyntor (z. a.) doodde. Eindelijk begaf hij zich weder naar Oechalia om zich op Eurytus te wreken, hij nam den burcht in, doodde hem en zijne zonen, en voerde rijken buit mede, waaronder ook de schoone Iole. Toen Deianira dit vernam, herinnerde zij zich dat Nessus haar bij zijn dood een zalf gegeven had, die haar, naar hij beweerde, de liefde van haar gemaal zou doen herwinnen, indien hij haar soms mocht willen ontrouw worden. Vreezende dat Iole haar mededingster zoude worden, bestreek zij een prachtgewaad met die zalf, en zond het aan Her. om het te dragen bij het offer, dat hij aan Zeus wilde brengen. Her. had echter nauwelijks dit kleed aangetrokken, of hij werd door de hevigste pijnen overvallen, zoodat hij in waanzin den brenger er van in zee werpt; de zalf was namelijk niets anders dan het gestolde bloed van Nessus, gevloeid uit de wond, die Her. zelf hem had toegebracht met een zijner pijlen, en dus vergiftigd met het bloed van de slang van Lerna. Toen hij vernam wat er gebeurd was en inzag dat zijn einde nabij was, liet hij zich op den top van het Oetagebergte brengen, en besteeg daar den brandstapel. Terwijl de vlam opstijgt, daalt Athena onder donder en bliksem met een vierspan van den hemel en voert den held naar den Olympus, waar zij met Apollo hem in den kring der goden leidt, Hera zich met hem verzoent en Hebe hem tot gemalin gegeven wordt.--Her., oorspronkelijk de heros der Doriërs in Thessalië, werd in den loop der tijden de voornaamste held van geheel Griekenland; men neemt aan dat, tengevolge daarvan, een aantal verhalen van groote daden, aanvankelijk aan anderen toegeschreven, zich aan zijn naam hebben vastgeknoopt, en dat ook buitenlandsche, vooral oostersche, legenden met zijne geschiedenis verbonden zijn. Latere navorschers hebben getracht dit te bewijzen en hebben zijne daden zelfs over 24 verschillende personen verdeeld. Men vereerde hem algemeen in Griekenland, hetzij als heros, in navolging van hen, die zijn hemelvaart hadden bijgewoond, hetzij als god, naar het voorbeeld van den Athener Diomus, in zijne hoedanigheden als roemrijk overwinnaar in al zijne ondernemingen (Kallinikos, Victor), als verdelger van monsters en weldoener der menschheid (Alexikakos, Soter, Pacifer), als waarzeggend god (Mantis), als beschermer van gymnasia en wedstrijden, de oefenscholen van mannelijke kracht (Enagonios), enz. Te Athene, Thebe e. e. werden te zijner eere bizondere feesten (Herakleia) gevierd. De beeldende kunst stelde hem soms als kind of jongeling voor, maar meestal als een krachtig gebouwd man, met korten hals en breede borst, betrekkelijk klein hoofd, zwaar kort haar, gewapend met boog, knots en leeuwenhuid.

Heracleum, Herakleion, 1) zuidelijkste kaap van Italia, ook Herculis promunturium geheeten, thans Spartivento.--2) kaap in Pontus, ten O. van Amisus.--3) stad in Macedonia, nabij de thessalische grenzen en het dal Tempe.--4) stadje in het noord-syrische gewest Cyrrhestica, waar P. Ventidius in 38 de Parthen versloeg.--5) stad in de Nijldelta, waarnaar de canobische Nijlmond ook de heracleotische wordt genoemd.--6) = Herculaneum.--7) haven van Cnosus.

Heraclidae, Herakleidai, zonen en afstammelingen van Heracles. De kinderen, die bij den dood van den held in de Peloponnesus achterbleven, werden reeds spoedig door Eurystheus vervolgd en genoodzaakt in Attica een toevluchtsoord te zoeken. Theseus of Demophon nam hen welwillend op, en toen Eurystheus met geweld hunne uitlevering wilde afdwingen, werd zijn leger verslagen en hij door Hyllus, den oudsten zoon van Heracles, gedood. Steunende op een orakel, dat hun geluk op hunne onderneming beloofde, indien zij de derde vrucht afwachtten, beproefden Hyllus en zijne afstammelingen nog meermalen de regeering over de Peloponnesus te verwerven, totdat Temenus, Cresphontes en Aristodemus, achterkleinzonen van Hyllus, er in slaagden, het schiereiland te veroveren, dat zij onder elkander verdeelden: Temenus kreeg Argos, Cresphontes Messenië, en de zonen van Aristodemus (z. a.) Lacedaemon. Dit verhaal van de terugkomst der Heracliden strekt om de rechten der Doriërs, die de Peloponnesus veroverd en de oude bevolking onderworpen hadden, te steunen op de vroeger door Heracles verworven aanspraken.--Ook de koningen van Macedonië noemden zich Heracliden en beweerden van Temenus af te stammen.--In Lydië regeerde gedurende meer dan vijf eeuwen een dynastie van Heracliden, waarvan Candaules de laatste was; de stamvader van deze dynastie zou door Heracles bij eene slavin van Jardanus verwekt zijn.

Heraclides, Herakleides, 1) bevelhebber der ruiterij onder den jongen Dionysius; later verbannen, nam hij deel aan de onderneming van Dio, doch spoedig verwekte hij onrust en werd hij op last van Dio gedood.--2) beroemd geneesheer, vader van Hippocrates.--3) van Tarentum, zeer geleerd geneesheer in de eerste eeuw, men zegt dat hij in zijne talrijke werken niets schreef, wat hij niet zelf onderzocht had.--4) van Erythrae, een geneesheer die over de werken van Hippocrates schreef. Hij leefde ten tijde van Strabo.--5) Her. Ponticus, een rijk en aanzienlijk man van Heraclea Pontica, woonde te Athene de lessen van Plato en Speusippus bij, en hielp zijne vaderstad zich van den tyran Clearchus te bevrijden. Hij stierf aan eene beroerte. Bij voorkeur beoefende hij de sterrenkunde, en hij zoude reeds de beweging van de aarde om haar as gevonden hebben. Overigens getuigden zijne talrijke wijsgeerige, taal- en geschiedkundige werken van groote geleerdheid, maar weinig oordeel.--6) van Cyme, ouder tijdgenoot van Alexander d. G., schrijver van een perzische geschiedenis.--7) z. Heraclitus no. 3.

Heraclitus, Herakleitos, 1) van Ephesus, omstreeks 500. Hij leefde geheel en al voor de studie en sloeg zoowel het verzoek van zijne medeburgers af om aan het staatsbestuur deel te nemen, als eene uitnoodiging om aan het hof van Darius Hystaspis te komen. De resultaten zijner studie heeft hij neergelegd in een werk (peri physeos), dat hem bij de ouden den naam skoteinos bezorgde; de taal er van is moeielijk te verstaan, en de daarin ontwikkelde stellingen moeielijk te begrijpen. De grondstof van het heelal, tevens de alwetende en albesturende goddelijke geest, is volgens Her. het vuur, waaruit langs den weg naar beneden (hodos kato) alles ontstaat, en waarin zich langs den weg naar boven (hodos ano) alles oplost. Maar de stof beweegt zich in ieder voorwerp langs beide wegen te gelijk, of eigenlijk zijn de twee wegen slechts een (hodos ano kato mie), daarom kan men evenmin zeggen dat iets is als dat het niet is; zoowel het eene als het andere is waar, ontstaan en vergaan zijn in alles ten nauwste verbonden, alles is in onophoudelijke beweging en verandering (panta rhei). De stoffelijke voorwerpen ontstaan door tweespalt in den boezem der godheid, de geheele wereld is to hen diapheromenon auton hauto, maar onder den invloed van liefde en vrede gaat zij van tijd tot tijd weder in de godheid op, om daarna zich evenals te voren er van af te scheiden. Verscheiden fragmenten van dit werk zijn bewaard gebleven. De leer van Her. is later de grondslag geworden van het stelsel der Stoicijnen.--2) van Tyrus, leerling van Philo van Larisa, academisch wijsgeer.--3) ook Heraclides genoemd, schrijver van Allegoriai Homerikai, waarin de mythen van Homerus in den geest der stoicijnsche wijsbegeerte verklaard worden. Hij leefde waarschijnlijk onder de eerste rom. keizers.

Heraea, Heraia, feesten ter eere van Hera, op verschillende plaatsen in Griekenland gevierd, vooral op Samus, Mycenae, Corinthe, en zijne koloniën, en met bizonderen luister te Argos.

Heraea, Heraia, 1) stad in Arcadia aan den Alpheus.--2) zie Hybla.

Heraei montes, Heraia ore, bergketen op Sicilia, loopt van het midden naar de Z.O. punt.

Heraeum, Heraion, 1) de westelijkste punt der Corinthische landengte.--2) stad aan de Propontis (zee van Marmara), ten W. van Perinthus.--3) Her. promunturium, z. Iunonis promunturium.

Herbessus, Herbessos, ook Erb. 1) stad der Siculi ergens bij Syracusae.--2) stadje in het gebied van Agrigentum, op Sicilia.

Herbita, Herbita, stad in het hart van Sicilia, ongeveer N.waarts van Enna.

Herculaneum of -num, Herakleion, oude oscische, later tyrrheensche, vervolgens grieksche stad in Campania, aan den voet van den Vesuvius aan zee gelegen, sedert 88 rom. kolonie. In 63 na C. werd het door eene aardbeving zwaar geteisterd en zestien jaar later bij de uitbarsting van den Vesuvius onder een lavastroom bedolven. Bij het graven van een put in 1721 werd het ontdekt; doch eene opgraving op groote schaal als te Pompeii is niet mogelijk, omdat op den heuvel, die zich boven H. gevormd heeft, nu Resina ligt. Toch heeft men een schat van kostbare voorwerpen aan het licht gebracht; in belangrijkheid en omvang kon de stad zich echter met Pompeii niet meten, daar ze hoogstens 2500 à 3000 inwoners kan geteld hebben.

Hercules = Heracles. De sagen betreffende Heracles verbreidden zich reeds vroeg over Sicilië en Zuid-Italië, en kwamen zoo ook naar Rome, waar zijn dienst van uit Tibur is ingevoerd. Oorspronkelijk was die dienst bij de Ara Maxima een sacrum gentilicium van de Pinarii en Potitii (zie Pinarii); App. Claudius heeft ze tot staatsgodsdienst gemaakt, en sedert dien tijd offert de praetor urbanus jaarlijks Graeco ritu. Hercules werd bij de Ara Maxima vooral door de kooplieden vereerd, die hem de decuma, het tiende van de winst beloofden; de opbrengst werd gebruikt voor een volksmaaltijd, hetgeen ook een grieksch gebruik is. Bij Hercules zwoeren de mannen: me hercule. Men zocht daarom overeenkomst tusschen hem en inheemsche godheden, Semo Sancus, Dius Fidius, enz., later werd hij meer de beschermende genius der stad Rome (Custos, Defensor, Salutaris), ook had hij een tempel met de Muzen gemeen. Ook offerde men bij voorkeur aan hem na gelukkig te boven gekomen gevaren; zie verder Cacus.

Herculis (fretum), ook fretum Herculeum, fretum Gaditanum, thans straat van Gibraltar. Zie Columnae Herculis.

Herculis Monoeci portus, massilische kolonie op de ligurische kust, thans Monaco, met een tempel van Hercules Monoecus, Monoikos.

Herculis portus, zie Cosa.

Herculis promunturium = Heracleum no. 1, thans kaap Spartivento.

Herculis silva, in Germania, ten O. van den Visurgis (Weser), misschien het Süntelgebergte.

Hercynia silva, Herkynia hyle, Herkynios drymos, algemeene naam voor het boschrijke gebergte, dat zich, volgens Caesar 60 dagreizen lang en 9 breed, van den Rijn tot aan de Carpathen uitstrekte (Taunus, Spessart, Rhön, Thüringer- en Frankenwald met de noordelijke vertakkingen naar den Harz, Fichtel, Ertsgeb., Sudeten, Reuzengeb.). In lateren tijd, toen de verschillende gedeelten afzonderlijk genoemd werden, bleef de naam Herc. silva nog in gebruik voor het oostelijke gedeelte van het Reuzengebergte, een enkele maal ook voor de streken aan den Rijn.

Herdonia, Herdonia, stadje in Apulia ten Z. van Arpi, dat zich in 216 bij Hannibal aansloot. Het werd in 212 en 210 te vergeefs door de Romeinen belegerd; ten slotte sloopte Hannibal de stad en voerde de inwoners over naar Metapontum.

Herdonii. Turnus Herdonius uit Aricia werd op last van Tarquinius Superbus ter dood gebracht wegens opruiing der Latijnen tegen den koning.--Appius Herdonius, een Sabijn, overrompelde in 460 met behulp van eene schaar cliënten en vluchtelingen het Capitool, doch moest weder zwichten en boette zijn aanslag met den dood.

Hereditas, heredes. Om volgens het strenge rom. recht eene erfenis te kunnen aanvaarden, moest men het commercium hebben. Bij dit erfrecht komen een aantal uitdrukkingen voor, die hier eene korte verklaring mogen vinden. Heredes sui zijn de erfgenamen, die bij het overlijden in de manus of in de potestas van den afgestorvene stonden, dus zijne echtgenoote en zijne kinderen (en somtijds kleinkinderen), voor zoover deze niet door emancipatie of huwelijk of adoptie uit zijne potestas waren geraakt. De vestaalsche maagden, als sui iuris zijnde, konden nooit heredes sui zijn. De heredes sui waren de wettige erfgenamen in den eersten graad. Ontbraken deze, dan kwamen in de tweede plaats de agnaten van den overledene, d.w.z. zij, die vroeger met hem onder dezelfde patria potestas hadden gestaan, zijne moeder, broeders, zusters. Ontbraken ook deze, dan kwamen in de derde plaats de gentiles in aanmerking. Cognaten waren dus uitgesloten, evenals geëmancipeerde kinderen; doch het praetorische recht (z. a.) kwam hier aan de billijkheid te gemoet door hunne rechten toch te erkennen, en, voor zoover het dan ook geen eigendomsrecht kon geven, hun toch het bezitrecht, bonorum possessio, toe te kennen. Overigens traden de wettige erfgenamen slechts op voor zoover niet door wettige testamentaire bepalingen anders was beschikt.--Hereditatis cretio heet de uitdrukkelijke verklaring, dat men de erfenis aanvaardt.--Pro herede gestio wordt gebezigd, wanneer men eenvoudig als erfgenaam handelend optreedt.--Heres ex asse is de universeele erfgenaam; ex semisse, de erfgenaam voor de helft; ex triente, die voor een derde, enz.--De erfgenaam, die eene erfenis aanvaardde (hereditatem adire), moest zoowel het passief, als het actief van den boedel overnemen, ook de sacra, iets wat lastig kon wezen. Vandaar wordt de uitdrukking heriditas sine sacris spreekwoordelijk gebezigd voor een buitenkansje.--Vrouwen hadden slechts een beperkt erfrecht, zie lex Voconia.--Onder de keizers verdween het agnatenrecht meer en meer, om plaats te maken voor dat der cognaten.

Heredium, rom. vlaktemaat = 2 iugera = ongeveer 1/2 hectare.

Herennia (lex) van den volkstribuun C. Herennius in 60, om door de tribuutcomitiën den bekenden P. Clodius tot de plebs te doen overgaan. Het plebisciet ging niet door; Clodius werd eerst in 59 plebejer door adoptie.

Herennii, samnietisch geslacht, dat ook in Campania vertakkingen had en ook te Rome leden telde. Sommigen worden vermeld als groote kooplieden. Onder de juristen, van wie uittreksels in de Pandecten zijn opgenomen, behoort Herennius Modestinus, uit de eerste helft der derde eeuw na C., een leerling van Ulpianus.--Zekere Herennius Senecio, ten tijde van keizer Domitianus, werd door dezen ter dood veroordeeld, omdat hij het leven van Helvidius Priscus op vrijmoedige wijze beschreven had.--Herennius Philo, zie Philo no. 8.

Herillus, Herillos, van Carthago, leerling van Zeno, maakte een onderscheid tusschen het levensdoel (telos) van den wijze, nl. kennis, en dat van de groote menigte, hetwelk hij hypotelis noemde, en dat in rijkdom en dgl. bestaat.

Herilus, zoon van Feronia, koning van Praeneste, die van zijne moeder drie lichamen gekregen had en door Euander gedood werd.

Hermae, Hermai, vierhoekige zuilen met een kop, v. s. zoo genoemd omdat de Pelasgen Hermes zonder handen en voeten afbeeldden. Te Athene stonden op verschillende plaatsen in het midden van de stad en voor de huizen zulke hermen; binnenshuis vond men ze veelal als versiering aangebracht; in Italië werden zij vooral als grenspalen gebruikt. De kop stelde gewoonlijk Hermes voor, een dergelijke zuil met een kop van Athena, Heracles e. a. noemde men Hermathena, Hermeracles, enz.

Hermaeum promunturium, Hermaia akra, naam van eenige kapen. 1) N.O. punt van het carthaagsche gebied, door de Rom. Mercurii prom. geheeten, thans kaap Bon.--2) N.O. punt van het eiland Lemnus.--3) kaap aan de europeesche zijde van den thracischen Bosporus (straat v. Constantinopel), waar Darius een brug sloeg.--4) Hermaios lophos, heuvel op Ithaca, het eiland van Ulysses.

Hermagoras, Hermagoras, 1) grieksch rhetor uit de 2de eeuw, die door zijne stelselmatige behandeling der redekunst groot aanzien verwierf. Zijne leerlingen noemden zich Hermagorei.--2) grieksch rhetor onder Augustus en Tiberius, leerling van Theodorus van Gadara.

Hermaphroditus, Hermaphroditos, zoon van Hermes en Aphrodite. Als knaap baadde hij zich eens in een bron, en bekoorde door zijn schoonheid de bronnimf Salmacis zoozeer, dat zij hem om zijne liefde smeekte. Toen zij geen gehoor vond, bad zij dat hunne lichamen altijd tot één verbonden mochten worden, hare bede werd verhoord, en uit hunne vereeniging ontstond een tweeslachtig wezen half man, half vrouw.

Hermarchus, Hermarchos, van Mytilene, leerling van Epicurus en diens opvolger als hoofd der school.

Hermeas, Hermeias, vriend van Aristoteles, had eenigen tijd de regeering over Atarneus, die hem in 345 door de Perzen ontnomen werd.

Hermes, Hermes, Hermeias, Mercurius, zoon van Zeus en Maia, geboren op den berg Cyllene (Kyllenios), een god van alles, waarbij behendigheid, gevatheid en list te pas komen, en beschermer van allen, die in deze eigenschappen uitmunten. Reeds op den dag zijner geboorte stal hij 50 runderen van Apollo, en wist hij ze zoo behendig weg te leiden en te verbergen, dat Apollo ze nauwelijks vinden kon en de tusschenkomst van Zeus moest inroepen om ze terug te krijgen. Hij liet ze hem echter behouden in ruil voor de lier, die Hermes gemaakt had van de schaal eener schildpad, die hij op zijn eersten tocht had gevonden. Wegens zijne schranderheid maakte Zeus hem heraut der goden en zendt hij hem in menig geval uit om zijn wil ten uitvoer te brengen (Diaktoros); in deze hoedanigheid geleidt hij ook de schimmen der afgestorvenen naar de onderwereld (Psychopompos, Psychagogos). Voor de menschen is hij een welwillend en zegenend god (Eriounios, Akaketa), gids bij moeielijke en gevaarlijke ondernemingen (Hegemonios), vooral voor herauten en gezanten, god van den koophandel, waarbij men door verstand en overleg winst behaalt, om dezelfde reden trouwens ook van diefstal en bedrog; ieder onverwacht voordeel, bijv. als men op weg iets vindt, is een geschenk van hem (hermaion). Vele dingen, die het leven veraangenamen, hebben de menschen hem te danken (Charidotes), hij geeft rijkdom (Ploutodotes), vooral van vee (Nomios), en welbespraaktheid (Logios, Facundus), hij is de uitvinder van de lier, veldfluit, letters, getallen, maten, gewichten, gymnastiek (Enagonios), enz. Eindelijk zorgt hij, evenals Apollo, voor de veiligheid op straten en wegen (Enodios); van geen god vond men zooveel beelden op den openbaren weg als van hem (z. Hermae).--Zijn eeredienst heeft zich van Arcadië uit reeds vroeg over geheel Griekenland verbreid. Men offerde hem den 4den van elke maand zwijnen, lammeren, rammen, honig, wierook, enz. Hij wordt afgebeeld als een schoon en welgemaakt jong man met verstandige en vriendelijke gelaatstrekken; als bode van Zeus heeft hij soms vleugels aan de voeten (Alipes) en aan zijn breedgeranden reishoed (petasos), in de hand heeft hij den caduceus, een tooverstaf, die hem door Apollo geschonken was en waarvan men later een herautsstaf maakte (Caducifer), of een geldbeurs, schildpad, harp, zwaard, enz.

Hermesianax, Hermesianax, van Colophon, elegisch dichter ten tijde van Alexander d. G. Van een zijner werken is een moeilijk verstaanbaar fragment bewaard gebleven.

Herminii, een geslacht, waarschijnlijk van etruscische afkomst. 1) T. Herminius Aquilinus, was met Horatius Cocles een der verdedigers van de Tiberbrug tegen de benden van Porsena (508). In 506 was hij consul. Hij sneuvelde in 496 bij het meer Regillus.--2) Lar Herminius, consul in 448.

Herminius mons, Herminion oros, gebergte in Lusitania (Portugal), thans Sierra de la Estrella, tusschen den Durius (Duero) en den Tagus (Taag).

Hermi(n)ones, algemeene naam voor de volksstammen van Midden-Germania, als: Cheruscers, Chatten, Hermunduren, Marcomannen, Quaden.

Hermione, Hermione, dochter van Menelaus en Helena, was vóór den trojaanschen oorlog door haar vader, of gedurende dien oorlog door haar grootvader, aan Orestes verloofd; toen Menelaus echter terugkwam, huwde hij haar aan Neoptolemus uit, volgens eene belofte, die hij dezen voor Troje gedaan had. Daardoor ontstond een twist tusschen Orestes en Neoptolemus, waarbij deze door Orestes, of op diens aandrijven door de Delphiërs, gedood werd. Bij Orestes werd zij daarna moeder van Tisamenus.

Hermione, Hermione, stad der Dryopes aan de Z. O. kust van Argolis.

Hermippus, Hermippos, 1) dichter der oude comedie, die in zijne stukken vooral Pericles, Aspasia en Hyperbolus aanviel. Ook parodieën en iamben van hem worden vermeld.--2) van Smyrna, leerling van Callimachus no. 3, beschreef de levens van de zeven wijzen en latere wijsgeeren.--3) van Berytus, grammaticus ten tijde van Traianus en Hadrianus.

Hermocopidae, Hermokopidai, personen, beschuldigd van het verminken der Hermen te Athene. Z. Alcibiades.

Hermocrates, Hermokrates, staatsman en veldheer te Syracuse, leidde onder groote tegenwerking van de democratische partij de verdediging van de stad tegen de Atheners (414). Later onderscheidde hij zich als aanvoerder van de sicilische vloot, die de Spartanen in den peloponnesischen oorlog ondersteunde. In 410 werd hij als aristocraat verbannen; daarop wist hij door ondernemingen tegen de Carthagers de gunst van het volk te winnen en eene omwenteling te bewerken. Hij werd echter niet teruggeroepen, en toen hij nu beproefde met geweld terug te keeren, werd hij in een gevecht gedood (407). Hij was de schoonvader van den ouden Dionysius, wiens vader eveneens Herm. heette.

Hermodorus, Hermodoros, 1) van Ephesus, door zijne medeburgers verbannen, hielp te Rome, naar men verhaalde, de tienmannen bij het samenstellen der twaalf tafelen.--2) van Salamis, bouwmeester te Rome omstreeks 140.

Hermogenes, Hermogenes, 1) Tigellius Herm., toonkunstenaar ten tijde van Augustus, naar het schijnt een vijand van Horatius.--2) van Tarsus, trad reeds op zijn 15de jaar (omstreeks 170 na C.) als rhetor te Rome op en werd algemeen bewonderd, na 10 jaar verloor hij zijne geestvermogens; hij stierf op hoogen leeftijd. Van zijne geschriften over de redekunst, die bij lateren veel gezag hadden, zijn eenige bewaard gebleven.

Hermolaus, Hermolaos, page van Alexander d. G., aanhanger van Callisthenes no. 1. Door Alex. beleedigd, smeedde hij een aanslag tegen diens leven, die echter ontdekt werd, waarna hij met zijne medeplichtigen gesteenigd werd.

Hermon, Hermon, gebergte aan de N.-grens van Palaestina, een zuidwestelijke uitlooper van den Antilibanon.

Hermopolis, Hermou polis, naam van twee aegyptische steden: 1) H. maior, in Midden-Aegypte, aan den Nijl, waar de tol geheven werd van de uit Thebaïs afkomende schepen.--2) H. minor, in de Delta aan den Canobischen Nijlarm.

Hermotimus, Hermotimos, van Clazomenae, had het vermogen met zijn geest in verre landen rond te zwerven, terwijl zijn lichaam in diepen slaap achterbleef. Bij zulk eene gelegenheid werd zijn lichaam door zijne vijanden verbrand, zoodat de ziel niet er in terug kon keeren. Zijne stadgenooten richtten hem een tempel op.

Hermunduri, Hermoundouroi, suevische volksstam in Midden-Germania, waarvan de naam nog voortleeft in den naam Thuringen. In den tijd van Tacitus waren ze met de Romeinen bevriend. Tot aan den raetischen limes wonende (ten Westen van de Marcomannen), mochten ze vrij de grens passeeren, en in Augusta Vindelicorum (Augsburg) handeldrijven. Sedert den Marcomannenoorlog worden ze niet meer genoemd, en verdwijnen zij onder den algemeenen naam Suevi.

Hermus, Hermos, rivier, die op den mons Dindymus in Phrygia ontspringt, in allerlei bochten door de phrygische vlakte en vervolgens door Lydia loopt en zich ten laatste ten N. van Smyrna in de Hermaeische golf stort. Een zijriviertje hiervan is de Pactolus.

Hernici, Hernikoi, klein sabijnsch volk met de hoofdstad Anagnia, dat zich in 486 bij de Latijnen aansloot en sedert dezen tijd tot Latium werd gerekend. V. a. dateert dit verbond eerst uit de 4de eeuw. Zij traden toen tevens tot het rom.-latijnsche verbond toe. Toen dit verbond uiteenspatte, werden de Hernici na herhaalde oorlogen eindelijk in 306 geheel tot onderwerping gebracht. Zie Anagnia.

Hero, Hero, z. Leander.

Hero, Heron, van Alexandrië, uit de 2de helft der 2de eeuw, beroemd wiskundige, de grootste natuurkundige der oudheid, leerling van Ctesibius; van zijne werken zijn sommige bewaard gebleven, andere alleen in een arabische vertaling.

Herodes, Herodes, bijgenaamd de Groote, een Idumaeër van geboorte, werd in 37 door M. Antonius tot koning van Judaea aangesteld. Om zijne macht te bevestigen, huwde hij eene afstammeling der Makkabaeën, Mariamne, die om hare schoonheid bekend was. Met rom. hulp weerde hij de Syriërs af, nam Jerusalem in, dat hij verfraaide, en waar hij den tempel liet afbreken en veel schooner en grooter herbouwen, maar bleef toch bij de Joden als Edomiet en overweldiger gehaat. Hij beging ongehoorde wreedheden, zooals den bethlehemschen kindermoord, de uitroeiing der Makkabaeën; ook zijne vrouw en twee zijner zonen liet hij ombrengen. Hij stierf in het jaar na Christus' geboorte (v. a. echter 4 v. C.) en liet drie zoons na, die ieder van Augustus een stuk van huns vaders gebied kregen. De oudste, Archelaus, werd ethnarch van Judaea, Samaria en Idumaea; doch reeds 6 na C. werd hij door den keizer afgezet en verbannen, en zijn land onder een procurator bij de provincie Syria ingedeeld. De tweede zoon, Herodes Antipas, kreeg Galilaea en Peraea als tetrarch, en werd in 39 na C. door Caligula verbannen. Hij was het, die Johannes den Dooper aan de wraak zijner gemalin opofferde. Om zijn slimheid wordt hij door Jezus de vos genoemd (Lucas 13, 32). De derde, Philippus, werd tetrarch van de overjordaansche gewesten Trachonitis, Auranitis, Batanaea, Graulonitis en Ituraea, en bleef dit tot aan zijn dood, 34 na C.

Herodes Agrippa I, kleinzoon van Herodes den Gr., was te Rome opgevoed en behoorde tot de vrienden van Caligula. In 38 n. C. werd hij door dezen over een gedeelte van Palaestina aangesteld. Keizer Claudius voegde er in 41 het overige bij. Agrippa stierf in 44 te Caesarea, door zijne onderdanen zeer betreurd.--Zijn zoon, Herodes Agrippa II, werd later tetrarch van een gedeelte van Palaestina. De Joden verdreven hem; hij nam deel aan het beleg van Jerusalem door Titus, en hield zich vervolgens te Rome op, waar hij in 100 stierf.

Herodes Atticus (Tib. Claudius). Zie Atticus Herodes.

Herodianus, Herodianos, 1) Aelius Her., van Alexandrië, zoon van Apollonius Dyscolus, kwam onder M. Aurelius naar Rome en werd rom. burger. Van zijne talrijke werken over grieksche taalstudie, die langen tijd zeer groot gezag hadden, is slechts een enkel weinig belangrijk fragment over; bizonder uitvoerig behandelde hij de prosodie, de accentenleer, enz.--2) grieksch geschiedschrijver in de 3de eeuw na C., die een niet onbelangrijke geschiedenis van zijn tijd, van den dood van M. Aurelius tot het begin der regeering van Gordianus III, heeft nagelaten. Hij leefde meestal te Rome in ondergeschikte betrekkingen.

Herodicus, Herodikos, 1) van Selymbria, leerling van Hippocrates, omstreeks 420, schreef als geneeskundige over gezondheidsleer en heilgymnastiek.--2) van Leontini, broeder van Gorgias.--3) Babyloniër, grammaticus van de pergameensche school, leerling van Crates.

Herodorus, Herodoros, van Heraclea, logograaf omstreeks 400, verzamelde de mythen betreffende Heracles, de Argonauten, e.a.

Herodotus, Herodotos, 1) geb. omstreeks 484 te Halicarnassus, zoon van Lyxes, werd reeds vroeg door den tyran Lygdamis genoodzaakt zijn vaderstad te verlaten; hij begaf zich naar Samus, van waar hij eerst terugkeerde om bij het verdrijven van den tyran behulpzaam te zijn; hij was echter bij zijne medeburgers niet bemind, en ging na eenigen tijd te Athene verblijf gehouden te hebben, waar hij veel met Pericles en Sophocles omging, zich in 444 te Thurii vestigen, dat toen juist door de Atheners op de plaats van het oude Sybaris gesticht was; hier stierf hij omstreeks 424. De door Her. nagelaten geschiedenis in 9 boeken, waaraan de alexandrijnsche geleerden de namen der Muzen gegeven hebben, munt zoozeer uit boven de werken zijner voorgangers op dit gebied, dat men hem niet zonder reden den vader der geschiedenis genoemd heeft. Hij is de eerste, die zich niet tevreden stelt met het bijeenzoeken en te boek stellen der overlevering, maar ook de geloofwaardigheid er van onderzoekt en kritiek uitoefent, wanneer hem dit althans niet onmogelijk wordt gemaakt door zijne onbekendheid met de talen van de volken, die hij bezocht, of door zijn blind geloof aan de mededeelingen van priesters, door wie hij zich bij voorkeur laat inlichten. Hij onderscheidt zich vooral daardoor van de logografen, dat hij zich van het begin af schijnt voorgesteld te hebben een omvangrijk werk te schrijven, waarin wel bij gelegenheid het wetenswaardige uit de geschiedenis van vele landen en volken wordt ingevlochten, maar dat ten slotte toch één hoofdonderwerp heeft: den eeuwenouden strijd tusschen Grieken en barbaren, die in de perzische oorlogen tot eene beslissing komt. Naar dit plan loopt zijn verhaal geregeld voort van de troonsbestijging van Gyges tot de inneming van Sestus na den slag bij Mycale, en, hoe talrijke en soms omvangrijke episoden en uitweidingen ook den draad er van schijnen af te breken, altijd keert hij weder tot zijn onderwerp terug en overal blijft hij belangrijk en onderhoudend. Als bronnen voor zijn werk heeft hij ongetwijfeld oudere epische dichters en logografen geraadpleegd, voornamelijk echter bevat zijn werk dat, wat hij op zijne verre reizen zelf gezien en vernomen heeft, want Her. heeft bijna alle in zijn tijd voor Grieken toegankelijke landen bezocht: Klein-Azië, het O. tot Babylon, de kusten der Zwarte zee, Aegypte, Griekenland, Beneden-Italië en vele eilanden, overal nasporingen gedaan, gedenkteekenen van oude tijden onderzocht, enz. Aan zijn werk arbeidde hij met lange tusschenpoozen gedurende zijn geheele leven, waarschijnlijk heeft hij er niet de laatste hand aan gelegd en is het niet bij zijn leven uitgegeven; wel hield hij nu en dan, bij feestelijke vergaderingen, te Olympia, Athene, Thebe en Corinthe, onder grooten bijval voorlezingen van enkele gedeelten. Hoewel in eene dorische stad geboren, schreef Her., in navolging van epici en logografen, in het ionisch dialect, dat trouwens te Halicarnassus ook gesproken werd; zijn eenvoudige, verhalende stijl weerspiegelt als het ware zijn waarheidsliefde en onpartijdigheid, die soms in twijfel getrokken zijn, maar bij ieder nieuw onderzoek meer boven bedenking verheven blijken.--2) van Thebe, overwinnaar in de isthmische spelen.--3) beeldhouwer, tijdgenoot van Praxiteles.--4) van Tarsus, leermeester van Sextus Empiricus.--5) beroemd geneesheer, die ten tijde van Hadrianus te Rome leefde.

Heroöpolis, Heroon polis, stad in Aegypte aan het kanaal van Traianus (zie Augustamnica), eene voorname stapelplaats voor den karavaanhandel en de zetel van den Typhondienst. Naar deze stad droeg de N.W. inham der Arabische golf den naam van sinus Heroöpoliticus.

Herophilus, Herophilos, van Chalcedon, beroemd geneesheer te Alexandrië ten tijde van en na Alexander d. G., groot ontleedkundige, de grondlegger der empirische school, die door eenige van zijne zeer talrijke leerlingen gesticht werd.

Heros, Heros, was de naam, dien de Grieken gaven aan personen uit oude tijden, die door hun moed, deugd en verstand als grondleggers en verbreiders der beschaving beschouwd kunnen worden en wier groote daden tot zegen der menschheid hadden gestrekt. Zij worden kinderen der goden (diogeneis) genoemd, maar zijn evenals de menschen sterfelijk, hoewel zij door hunne buitengewone eigenschappen ver boven gewone menschen verheven zijn. Van lateren oorsprong is het geloof, dat zij na hun dood niet naar de onderwereld afdalen, maar als halfgoden op de eilanden der gelukzaligen een beter leven blijven leiden. Daarbij kwam dan de voorstelling, dat zij belang bleven stellen in dat, waaraan zij hun leven gewijd hadden, en dat zij door hun voorspraak bij de goden trachtten te bewerken, dat hun werk ook na hun dood vruchten bleef dragen. Daarom was het raadzaam, zich van hunne welwillendheid te verzekeren, en daarom genoten zeer vele heroën op bepaalde plaatsen of van wege bepaalde personen goddelijke eer; zoo vereerde bijna iedere stad haar stichter als heros; zelden gebeurde het echter dat de vereering van een heros algemeen werd. Men bouwde hun ter eere tempels en altaren; de offers, die men hun bracht, verschilden echter veel van de offers voor de goden en waren in hoofdzaak niets anders dan doodenoffers. Het woord wordt ook als eerenaam gebruikt voor personen, die in een of ander opzicht uitmunten.

Herostratus, Herostratos, van Ephesus, stak den tempel van Artemis te Ephesus in brand, ten einde zijn naam onsterfelijk te maken. Hij werd met den dood gestraft, maar het besluit der ionische steden, dat zijn naam niet genoemd zou mogen worden, bleef natuurlijk zonder gevolg. Denzelfden nacht, waarin Her. zijne misdaad pleegde, werd Alexander d. G. geboren.

Herse, Herse, dochter van Cecrops, bij Hermes moeder van Cephalus, z. Agraulus.

Hersilia, gemalin van Romulus, na haar dood onder den naam Hora Quirini als godin vereerd.

Heruli of Eruli, Herouloi, of Er., een germaansche nomadenstam. Zij waren uitmuntende krijgslieden en leverden huurtroepen, nu eens aan andere Germanen, dan weder aan de Rom. Zoo vindt men ze bij de Gothen in de derde eeuw na C.; ze woonden toen, en ook in de vierde eeuw aan de Zuidkust van de Maeotis, in het N. van de Krim, waar vroeger Scythen gewoond hadden, en later in Italië, waar hun aanvoerder Odoacer in 476 het westrom. rijk vernietigde.

Hesiodus, Hesiodos, geb. te Ascra, waarheen zijn vader uit het aeolische Cyme verhuisd was, werd door zijn broeder Perses met behulp van omgekochte rechters van zijn erfdeel beroofd, waarom hij zijn vaderland verliet en zich waarschijnlijk te Naupactus vestigde; v.s. werd hij vermoord en werd zijn lichaam naar Orchomenus in Boeotië overgebracht. Door zijne Erga kai Hemerai, een werk, waarvan het begin tegen zijn broeder gericht is, en dat verder lessen bevat over landbouw, scheepvaart, enz., werd hij de schepper van het didactische epos. Onder de andere werken, die te recht of ten onrechte aan Hes. worden toegeschreven, is het voornaamste de Theogonia, eene eerste poging om eenigen samenhang te brengen in de verwarde verhalen omtrent de familiebetrekkingen der goden. Hes. leefde in de 8ste eeuw.

Hesione, Hesione, z. Laomedon en Telamon.

Hesperia, Hesperia, het avondland, het Westland, bij de Grieken een naam voor Italia, bij de Rom. voor Hispania. Ter onderscheiding wordt dit laatste ook wel Hesperia ultima geheeten.

Hesperides, Hesperides, 3, 4 of 7 dochters van Nyx en Erebus of van Atlas en Hesperis, bewaakten met behulp van den draak Ladon in een tuin in het verre Westen de gouden appelen, die Gaea aan Hera als bruiloftsgeschenk gegeven had. De drie appelen, die Heracles op bevel van Eurystheus gehaald had, werden door Athena bij de Hesp. teruggebracht.

Hesperides of Hesperis, stad in Cyrenaïca, zie Berenice no. 2.

Hesperidum insulae aan de kust van Afrika, buiten de straat van Gibraltar. Sommige schrijvers bedoelen hiermede de Fortunatorum insulae (de Canarische eilanden), anderen de Kaap-Verdische eilanden.

Hesperium promunturium, Hesperion keras, voorgebergte aan de Westkust van Afrika, tgw. kaap Verde, zie Hesperidum insulae.

Hesperus, Hesperos, Vesper, zoon van Astraeus of Cephalus en Eos, of van Atlas, werd, toen hij op den berg Atlas astronomische waarnemingen deed, van de aarde weggenomen en als avondster aan den hemel geplaatst. Hij was de vader van Hesperis en dus de grootvader der Hesperiden.

Hestia, Hestia, Histie, Vesta, dochter van Cronus en Rhea, godin van den huiselijken haard. Poseidon en Apollo hadden om hare hand gedongen, maar zij had gezworen eeuwig maagd te blijven, en had daarvoor van Zeus de gunst verworven, dat zij aan ieder offer aandeel zou hebben, in ieder huis als beschermende godin vereerd zou worden. De haard, het middelpunt van het huiselijk leven, en volgens oud gebruik het altaar der familie, was haar heiligdom, waar de huisvader haar bij iedere gewichtige gebeurtenis offers bracht. Voor zoo heilig werd deze plaats gehouden, dat smeekelingen en vervolgden daar een veilige wijkplaats vonden, en dat men zwoer bij Zeus, de gastvrije tafel en den huiselijken haard; vandaar dat smeekelingen en de heiligheid van den eed onder bescherming van Zeus en Hestia stonden. De staat, als een groot huisgezin beschouwd, had ook zijn gemeenschappelijken haard in het prytaneum waar ter eere der godin (Prytanitis) een eeuwig vuur onderhouden werd; bij het uitzenden van volkplantingen wordt van dit vuur medegegeven, om daarmede het vuur op haar altaar in de nieuwe stad te ontsteken.--Eigen tempels had zij weinig, maar in vele tempels van andere goden had zij een afzonderlijk altaar, bovendien werden haar bij het begin en het einde van ieder bizonder plechtig offermaal plengoffers gebracht. Men offerde haar eerstelingen der vruchten, jonge koeien, enz. Zij wordt afgebeeld met ernstige en waardige gelaatstrekken, in een eenvoudig sluitend kleed.

Hestiaea, Hestiaia, later Oreüs, z. a.

Hestiaeotis, Hestiaiotis, 1) het gebied der euboeïsche stad Hestiaea.--2) landschap in het N.W. van Thessalia.

Hesychius, Hesychios, van Alexandrië, schrijver van een belangrijk grieksch woordenboek, leefde waarschijnlijk op het einde der 6de eeuw n. C.

Hetairai, eigl. vriendinnen, in het bizonder publieke vrouwen. Door haar vrijeren omgang met mannen bereikten zij dikwijls een trap van geestbeschaving, waarop andere vrouwen zich op verre na niet plaatsen konden; te Athene wisten zij dikwijls ook de voortreffelijkste mannen te boeien. In sommige steden, bijv. te Corinthe, waren zij als hierodouloi, aan den tempel van Aphrodite verbonden, en kwam de opbrengst van haar bedrijf ten bate van dien tempel. Aphrodite zelve had te Athene, Ephesus, enz., den bijnaam van Hetaira.

Hetairiai, politieke clubs, te Athene en ook wel in andere democratische staten vereenigingen van oligarchen, waarvan de leden elkander onderling beschermden tegen onderdrukking van de regeerende partij en in processen en bij verkiezingen bijstonden, en die, wanneer de kans schoon scheen, ook medewerkten tot omverwerping der democratie. In aristocratisch geregeerde staten bestonden waarschijnlijk ook dergelijke clubs van vijanden der bestaande staatsinrichting.

Hetairoi, naam van de zware ruiterij in het macedonische leger. Zij stonden op den rechtervleugel, en bij de veldslagen van Alexander d. G. beginnen zij in den regel het gevecht.

Hetruria = Etruria.

Hiarbas of Iarbas, Iarbas, 1) zoon van Jupiter Ammon en eene garamantische (= libysche) nymf, koning der Gaetuliërs, van wien Dido een stuk land kocht tot den bouw van Carthago, en die vruchteloos naar hare hand dong.--2) koning van Numidia. In den burgeroorlog van Marius en Sulla koos hij de partij van Marius, doch werd door Pompeius tot de overgave genoodzaakt en ter dood gebracht (81).

Hibernia, ook Iuverna, Iverna, Ivernia, Iërna genoemd, Iouernia, Ierne, thans Ierland. De Romeinen kenden het bij name, doch hebben er nimmer vasten voet trachten te krijgen.

Hiberus, zie Iberus.

Hicetas, Hiketas, 1) tyran van Leontini, door de Syracusanen te hulp geroepen tegen den jongen Dionysius; toen men echter merkte dat hij zich van de stad trachtte meester te maken, vroeg men de Corinthiërs om hulp; hij werd door Timoleon tweemaal verslagen, eindelijk gevangen genomen en ter dood gebracht (339).--2) tyran van Syracuse, opvolger van Agathocles, na eene regeering van negen jaar verdreven (278).--3) van Syracuse, pythagoreïsch wijsgeer, leerde v.s. het eerst de beweging der aarde om hare as.

Hiëmpsal, Iampsas, 1) zoon van den numidischen koning Micipsa en neef van Jugurtha. Terstond na zijns vaders dood (118) geraakte hij met Jugurtha in twist en werd door dezen uit den weg geruimd, in 116.--2) numidische prins, door Hiarbas verdreven, maar door Pompeius hersteld.

Hiera, Hiera, 1) een der Liparische eilanden, ook Thermessa genaamd, ten N. van Sicilia.--2) een der Aegatische eilanden, ten W. van Sicilia.--3) eilandje in de zee tusschen Thera en Therasia, door een uitbarsting ontstaan, in 197 of in 66.

Hierapolis, Hierapolis, stad in Phrygia nabij de grenzen van Caria, niet ver van den Maeander, met een tempel van Cybele. Ook eene stad in Syria, W.-waarts van den Euphraat, vroeger Bambyce geheeten, zetel van den eeredienst der godin Atargatis (Derceto, z. a.).

Hierapytna, Hierapytna, grieksche stad aan de Z.-kust van Creta, in 140 gesticht in het gebied der Eteocretes.

Hiericus, Hierichous, Jericho = palmstad, sterke stad van Palaestina, ten N.O. van Jerusalem. In den omtrek groeide de beroemde balsemstruik, uit welks bast door insnijdingen de balsem werd verkregen. De weg van Jericho naar Jerusalem liep door eene wildernis, die om haar onveiligheid berucht was.

Hiero, Hieron, 1) oudste broeder van Gelo, regeerde tijdens diens leven over Gela en volgde hem, hoewel hij volgens G.'s testament gedurende de minderjarigheid van diens zoon het regentschap zou bekleeden, als tyran van Syracuse op (478). In het begin had hij met veel tegenstand, zelfs van den kant van zijn broeder Polyzelus, te kampen, en kwam het zelfs tot een oorlog met Agrigentum; de twisten werden echter door het verstandig gedrag van H. weldra bijgelegd en hij wist zich in de regeering te handhaven. Hij onderwierp Naxus en Catana, versloeg als bondgenoot der Cumaeërs de Etruriërs ter zee (474), en verjoeg den wreeden tyran Thrasydaeus uit Agrigentum (473). Hij wordt hoog geroemd als beschermer van kunsten en letteren, Aeschylus, Simonides, Bacchylides leefden langen tijd aan zijn hof. Hij stierf in 467 in de door hem gestichte stad Aetna.--2) Syracusaan van koninklijke afkomst, dapper en bekwaam legeraanvoerder, werd in 270, toen te Syracusae een democratische opstand uitbrak, door het leger tot veldheer gekozen, kwam door de hulp der aristocratische partij in de stad, dempte den opstand, wist zich van de muitende huurtroepen te ontslaan en een nieuw leger te vormen, waarmede hij de Mamertijnen bij Mylae versloeg. Daarop werd hij tot koning uitgeroepen (264) en poogde hij de macht van Syracusae te herstellen; inderdaad bereikte de stad door zijne wijze regeering zekere mate van welvaart, maar in de oorlogen tusschen de Romeinen en Carthagers kon hij niet onzijdig blijven. Aanvankelijk koos hij de partij der Carthagers, maar reeds na een jaar ging hij na de overwinning van App. Claudius tot de Rom. over, verplichtte zich schatting te betalen, stond een deel van zijn gebied af en regeerde over het overige onder romeinsche bescherming; hij bleef de getrouwe bondgenoot der Romeinen tot zijn dood (215).--3) beroemd vazenfabrikant in Athene, uit het begin van de 5de eeuw.

Hierocles, Hierokles, beroemd rhetor van Alabanda, wiens voordrachten Cicero hoorde.

Hierodouloi, andres (gynaikes, parthenoi) hieroi (-rai), tempeldienaars van minderen rang, die bij het brengen van offers, den priester bijstonden, den tempel onderhielden, enz. Z. ook Hetairai.

Hierokeryx, z. Eleusinia.

Hieromenia, heilige maand, schorsing van alle openbare bezigheden wegens een godsdienstig feest. In weerwil van den naam duurde de hieromenia, gewoonlijk slechts eenige dagen, een maand alleen bij de groote nationale feesten; in het laatste geval was er ook een algemeene schorsing van vijandelijkheden (ekecheiria) mede verbonden.

Hieromnemones, z. Amphictyones.

Hieron oros, Mons Sacer, berg in Thracië, aan de Propontis, dicht bij de Chersonesus Thracica. Hierop lag een versterking.

Hieronica (lex) frumentaria, de door Hiero II van Syracusae vastgestelde verordening voor de verpachting der korentienden, enz., die door de Rom. was in stand gehouden.

Hieronymus, Hieronymos, 1) treurspel- en dithyrambendichter, tijdgenoot van Aristophanes, die hem om zijn hoogdravenden stijl bespot.--2) van Rhodus, peripatetisch wijsgeer, leerling van Aristoteles, schrijver van verscheiden philosophische en geschiedkundige werken.--3) van Cardia, diende onder Alexander d. G., werd na diens dood in de oorlogen tusschen zijne opvolgers door Antigonus gevangen genomen, en bekleedde sedert onder dezen en onder zijn opvolgers tot in hoogen ouderdom burgerlijke en militaire betrekkingen. Hij schreef eene belangrijke geschiedenis van zijn tijd.--4) van Syracuse, kleinzoon en opvolger van Hiero (no. 2), koos in den tweeden punischen oorlog de zijde der Carthagers. Wegens zijne wreedheid en verkwisting gehaat, werd hij na 13 maanden geregeerd te hebben vermoord.--5) van Stridon, de kerkvader (348-420 n. C.), leefde sedert 386 in een klooster te Bethlehem, vertaalde den bijbel en de kroniek van Eusebius (z.a.), en schreef een werk De viris illustribus, dat uitsluitend Christenen behandelt.

Hierophantes, de voornaamste priester bij de eleusinische mysteriën; de waardigheid was erfelijk in het geslacht der Eumolpiden.

Hierosolyma (plur.), ta Hierosolyma, Jerusalem, hebr. Jerûsjalajim, vroeger Jebus, door David op de Jebusieten veroverd en tot hoofdstad verheven. Na Salomo bleef J. de hoofdstad van het rijk van Juda tot aan de verovering en verwoesting door Nebukadnezar (586). Na den terugkeer der Joden uit de babylonische ballingschap (537) werd de stad herbouwd. In 70 na C. werd zij door Titus geheel verwoest. In 130 legde Hadrianus er eene rom. kolonie aan, Aelia Capitolina. De stad van David bepaalde zich tot den heuvel Sion (burg) en den berg Moryah, waarop Salomo zijn tempel bouwde. Omstreeks 700 werd de heuvel Ophel met het Kaasmakersdal of Tyropoëon binnen den muur getrokken, benevens de N.-waarts van Sion gelegen stadswijk Acra. Herodes Agrippa ommuurde ook de zoogenaamde nieuwe stad, Bezetha. Ten N. en O. lag het dal van Josaphat met de beek Kedron, en aan de overzijde de Olijfberg (mons Oliveti).

Hilaira, Hilaeira, eene van de dochters van Leucippus, z. Apharetidae.

Hilarotragoedia, z. Rhinthon.

Hilleviones, naam, dien de ouden aan de bewoners van Scandia of Scandinavië gaven. Het zijn Germanen. Zie Scandia.

Himation, z. Pallium.

Himella, beek in het sabijnsche land, in den Avens uitloopende.

Himera, Himera, naam van eene stad op de N.-Kust van Sicilia en van twee rivieren, waarvan de eene noordwaarts stroomt en bij de gelijknamige stad in zee valt, en de andere, zuidwaarts stroomende, de grensscheiding vormde tusschen het gebied van Gela en dat van Agrigentum. Dat zij denzelfden naam dragen, komt hiervandaan, dat men oudtijds in de dwaling verkeerde, dat beide rivieren uit dezelfde bron ontsprongen.--De stad Himera was eene volkplanting van Zancle (Messina). In het begin der vijfde eeuw heerschte in H. zekere Terillus. Door Thero, tyran van Agrigentum verdreven, wendde hij zich om hulp tot de Carthagers, die een leger onder Hamilcar zonden. Toen had in 480 de verschrikkelijke slag aan de Himera plaats, waarin Hamilcar sneuvelde en Thero, met Gelo van Syracusae vereenigd, het carthaagsche leger vernietigde. Later gelukte het den Himeraeërs, met behulp van Hiero van Syracusae, zich van Agrigentum vrij te maken. In 409 evenwel landde een carthaagsch leger van 100.000 man onder Hamilcars kleinzonen Hannibal en Himilco op Sicilia. Selinus viel, vervolgens Himera, daarna Agrigentum. Op de plek, waar Hamilcar gesneuveld was, werden 3000 gevangenen als zoenoffer geslacht. Himera werd met den grond gelijk gemaakt en aan de overzijde der rivier eene nieuwe stad Thermae, ta Therma, gesticht. De badplaats zelf heet gewoonlijk Thermai hai Himeraiai, de inwoners Thermitai, Thermitani. Te Himera was de lierdichter Stesichorus (± 600) geboren; Thermae was de geboortestad van den tyran Agathocles.

Himerius, Himerios, van Prusa (315-386 n. C.), Grieksch rhetor en sophist, deed verscheiden reizen en vestigde zich te Athene, vanwaar Iulianus hem naar Antiochië liet komen en hem tot zijn secretaris aanstelde. 24 redevoeringen van hem zijn bewaard gebleven.

Himilco, Himilkon, naam van een carthaagsch zeevaarder, die (± 550) een tocht langs de Westkust van Europa, tot aan de tineilanden (Cassiterides insulae) ondernam. Hij wordt als bron vermeld bij Avienus (z.a.). Ook werd deze naam door verschillende carthaagsche veldheeren in de sicilische en punische oorlogen gedragen.

Hipparchos, bevelhebber der ruiterij. Te Athene was de ruiterij over de beide vleugels van het leger verdeeld, en waren er dus twee hipparchen, die jaarlijks bij stemming verkozen werden; bovendien was er een hipparch voor Lemnus. In het achaeisch en aetolisch verbond waren zij na de strategen de voornaamste ambtenaars.

Hipparchus, Hipparchos, 1) zoon van Pisistratus, had onder de regeering van zijn broeder Hippias veel invloed, dien hij vooral ten gunste van dichters en letterkundigen aanwendde; hij werd in 514 vermoord (z. Harmodius).--2) dichter der nieuwe attische comedie.--3) van Nicaea in Bithynië, werkte 160-120 te Rhodus en Alexandrië, maar ook in zijn vaderstad als wis- en sterrenkundige, en verwierf zeer grooten roem door de nauwkeurigheid zijner waarnemingen en berekeningen en door zijne ongeloofelijke werkzaamheid. Hij is de eerste Griek, die de trigonometrie beoefend heeft. Van zijne geschriften is er nog één op sterrenkundig gebied over. Zijne aardrijkskundige werken (pros Eratosthenen) worden vaak door Strabo geciteerd.

Hipparinus, Hipparinos, 1) vader van Dio.--2) zoon van den ouden Dionysius, na Dio's dood tyran van Syracuse (353-350).

Hipparis, Hipparis, rivier die door het moeras van Camarina, op de Z.kust van Sicilia, stroomde.

Hippemolgi, Hippemolgoi, een scythische nomadenstam in het N., wier voedsel hoofdzakelijk uit paardenmelk bestond.

Hippes, atheensche burgers uit de tweede der vier door Solon ingestelde phylen, met een eigendom, dat 300-500 medimnen of metreten kon opleveren; zij waren verplicht een strijdros te onderhouden en voornamelijk deze klasse leverde ruiters voor het leger; daar de ruiterij ten tijde van Solon echter niet meer dan 100, en nooit meer dan 1200 man sterk was, dienden de meeste burgers ook uit deze klasse als hoplieten. Ook de spartaansche hippes, eene koninklijke lijfwacht van 300 man, streden te voet, eerst in den peloponnesischen oorlog werd een werkelijk ruitercorps opgericht. Bij de Grieksche wijze van oorlogvoeren, was de beteekenis der ruiterij gering. Antieke ruiterij is niet in staat een charge uit te voeren. De ruiterij rijdt dus op den vijand in, en, dichtbij gekomen, tracht ieder ruiter afzonderlijk den vijand schade toe te brengen. Daar echter de stijgbeugel nog niet uitgevonden was, was de ruiter niet in staat, met zijn lans krachtige stooten toe te brengen; de lans werd dus meestal gebruikt om te werpen.

Hippias, Hippias, 1) zoon en opvolger van Pisistratus (528). Hij regeerde verstandig en gematigd, verminderde de belastingen, en begunstigde dichtkunst en letterkundige studiën. Na den dood van Hipparchus begon hij, niet gerust over de toekomst, strenger te regeeren en maakte hij zich soms aan gewelddadige handelingen schuldig. Inderdaad kregen kort daarna, terwijl hij bezig was Munychia te versterken, de Spartanen van het delphische orakel het bevel, Athene te bevrijden (z. Alcmaeonidae). Een eersten aanval sloeg H. met behulp van thessalische ruiterij af, maar toen bij een tweeden tocht zijne kinderen in handen vielen van Cleomenes I, die het spartaansche leger aanvoerde, zag hij zich genoodzaakt Attica te verlaten (510). Hij begaf zich naar Sigeum. Hij gaf echter de hoop niet op eens terug te keeren, en knoopte daartoe betrekkingen aan met de Lacedaemoniërs en later met Darius Hystaspis; hij volgde de Perzen naar Attica en stierf in of kort na den slag bij Marathon.--2) van Elis, tijdgenoot van Socrates, sophist van zeer uitgebreide kennis, die te Athene en in andere grieksche steden openbare voordrachten hield, waarin hij de geldigheid van conventie en geschreven recht betwistte, en aandrong op zoo sterk mogelijke ontwikkeling van ieders individualiteit. In de twee werken van Plato, die zijn naam dragen, wordt hij als ijdel en oppervlakkig ten toon gesteld.

Hippius, Hippia, Hippios, Hippia, bijnaam van Poseidon, Athena, Hera e. a. goden en godinnen.

Hippo, Hippon, 1) Hippo Regius, basilikos, thans Bona, op de numidische kust aan de golf van Hippo, later rom. kolonie, met ijzermijnen in den omtrek. In 430 n. C. werd de stad door de Vandalen verwoest.--2) Hippo Diarrhytus, diarrytos, in dat gedeelte van het carthaagsche gebied, dat Zeugitana heette.--3) stad der Carpetani in Tarraconensis, ten O. van Toletum.--4) Hippo of Hipponium, als rom. kolonie Vibo Valentia geheeten, z.a.

Hippocentauri, Hippokentauroi, z. Centauri.

Hippocles, Hippokles, zoon van Menippus, atheensch strateeg, trachtte in 412 te vergeefs de peloponnesische schepen te nemen, die van Sicilië terug kwamen. Een van de tien mannen, die tusschen de afzetting van de 30 en het herstel der democratie te Athene de regeering in handen hadden, draagt denzelfden naam; of het dezelfde persoon is, is onzeker.

Hippocoon, Hippokoon, 1) zoon van Oebalus en Batea, verdreef met de hulp zijner 12 zonen zijn broeder Tyndareos en maakte zich meester van de regeering over Sparta; hij werd met zijne zonen door Heracles gedood.--2) Thraciër, vergezelde Rhesus naar Troje.--3) tochtgenoot van Aeneas, bekwaam boogschutter.

Hippocrates, Hippokrates, 1) vader van Pisistratus.--2) Alcmaeonide, grootvader van Pericles.--3) broeder en opvolger van Cleander als tyran van Gela. Door de inwoners van Zancle, zijne bondgenooten, tegen de Samiërs te hulp geroepen, breidde hij, steunend op zijn talrijk huurleger, zijne macht door schandelijk verraad uit, onderwierp ook Naxus, Callipolis en Leontini, noodzaakte de Syracusanen door zijne overwinning bij de rivier Helorus (492) hem Camarina af te staan, en sneuvelde bij een aanslag op Hybla (491).--4) zoon van Ariphron, atheensch strateeg, sneuvelde in den slag bij Delium (424).--5) van Chius, schrijver van het oudste leerboek der meetkunde. Hij leefde in de 2de helft van de 5de eeuw.--6) van Cos, de beroemde grieksche geneesheer, geb. 460. Hij behoorde tot het geslacht der Asclepiaden en ontving het eerste onderwijs in de geneeskunde van zijn vader Heraclides en van andere artsen in zijn vaderland; ook de sophisten Prodicus en Gorgias worden zijne leermeesters genoemd, door sommigen ook Democritus. Van zijn leven is weinig bekend; in zijn jeugd deed hij groote reizen, tijdens de pest in den peloponnesischen oorlog hield hij zich te Athene op, hij stierf in zeer hoogen ouderdom te Larisa in Thessalië. Door nauwkeurige waarnemingen en grondig onderzoek verhief hij de geneeskunde tot wetenschap, zijne werken werden dan ook door Grieken, Romeinen en Arabieren ijverig bestudeerd en dikwijls van commentaren voorzien. Vele daarvan werden echter reeds door de ouden voor onecht gehouden, van de 72, die nu nog zijn naam dragen, worden gewoonlijk slechts 6 als echt beschouwd; het meest bekende draagt den naam Aphorismoi.--Ook zijne beide zonen, Thessalus en Draco, zijn schoonzoon, Polybus, en zijne twee naar hem genoemde kleinzonen waren artsen van naam en schrijvers van geneeskundige werken.

Hippocrene, Hippou krene, Hippokrene, Fons Caballinus, bron op den Helicon, ontstaan door den hoefslag van Pegasus, waarvan het water ieder, die er van dronk, in dichterlijke geestvervoering bracht.

Hippodamea, Hippodameia, 1) dochter van Oenomaüs (z.a.), koning van Elis, en Asterope. Bij Pelops werd zij moeder van Atreus, Thyestes en nog 4 of 11 zonen en 2 dochters. Zij spoorde hare zonen aan tot den moord van Chrysippus, zoon van Pelops en Axioche, en werd daarom door haar gemaal verstooten; zij stierf in Argolis.--2) echtgenoote van Pirithous; op hun bruiloft ontstond de strijd tusschen de Centauren en Lapithen.--3) = Briseis.--4) echtgenoote van Amyntor, moeder van Phoenix.--5) dochter van Anchises, gemalin van Alcathous.

Hippodamus, Hippodamos, van Miletus, beroemd bouwmeester ten tijde van Pericles, de eerste die in Griekenland regelmatig gebouwde straten aanlegde. Hij werd vooral beroemd door zijn werk aan den Piraeus, te Thurii en te Rhodus. Ook wordt hij genoemd als de schrijver van een ontwerp eener ideale staatsinrichting.

Hippodromus, hippodromos, renbaan voor paarden en wagens. De bovenstaande teekening stelt zulk een baan voor: een driehoekige ruimte K, waarin de toebereidselen voor den wedloop gemaakt worden en waar een altaar voor Poseidon Hippius staat, wordt aan eene zijde afgesloten door een zuilengalerij D, aan de twee andere zijden door eenigszins gebogen lijnen (abcd), gevormd door de stallen (oikemata) voor de paarden en wagens; alle deelnemers plaatsten zich in een rij voor een touw (kalodion, hysplex), dat van den top van den driehoek, het uitgangspunt (aphesis), naar de beide zijden van de baan gespannen was; op een gegeven teeken (een metalen arend verhief zich in de lucht) werd dit touw weggetrokken en de wedloop begon; de baan was in twee deelen verdeeld door een lagen aarden wal (choma) van F naar G, aan welks verste einde een altaar van Taraxippus F stond; hier moesten de rijders keeren en langs den anderen kant van den wal terugrijden tot het einddoel G. De baan werd ingesloten door zitplaatsen voor de toeschouwers AEB, die men liefst tegen een heuvel plaatste; waar geen heuvel was, maakte men eene kunstmatige verhooging; bij E was een uitgang.

Hippolochus, Hippolochos, 1) zoon van Bellerophon, koning van Lycië, vader van Glaucus.--2) zoon van Antimachus, Trojaan, door Menelaus gedood.

Hippolyte, Hippolyte, koningin der Amazonen; zij bezat een kostbaren gordel, haar door Ares geschonken, dien Heracles voor Admete, de dochter van Eurystheus, halen moest. Hipp. ontving den held goed en was bereid den gordel te geven, maar Hera spoorde haar en haar volk tot tegenstand aan; in den strijd, die hierdoor ontstond, viel Hipp. V. a. werd zij, niet Antiope (z. a.), door Theseus mede naar Athene genomen.

Hippolytus, Hippolytos, 1) een van de Giganten.--2) zoon van Theseus en Hippolyte of Antiope. Zijne stiefmoeder Phaedra beminde hem, en daar hij haar geen wederliefde schonk, belasterde zij hem bij Theseus alsof hij haar tot ontrouw had willen verleiden. In overijling bad Theseus, dat Poseidon zijn zoon zou straffen, en deze liet, toen Hipp. langs het strand reed, een monster uit zee opkomen, waardoor de paarden schuw werden, op hol gingen, en hun meester voortsleepten tot hij stierf. Artemis openbaarde echter zijne onschuld aan Theseus, liet hem door Asclepius in het leven terugroepen, en bracht hem naar haar heilig woud bij Aricia, waar hij onder den naam Virbius vereerd werd.--3) Christelijk schrijver uit de eerste helft der derde eeuw, leerling van Irenaeus, v. s. wegens kerkelijke twisten (hij was tegelijk met Callistus bisschop van Rome) uit Rome verbannen en bij de Christenvervolging van keizer Decius als martelaar gestorven. In dat deel van zijne werken, dat bewaard gebleven is, vindt men vele bizonderheden over wijsbegeerte, godsdienst en bijgeloof der ouden.

Hippomedon, Hippomedon, een van de zeven vorsten, die met Adrastus tegen Thebe optrokken; bij de belegering van die stad sneuvelde hij.

Hippomenes, Hippomenes, zoon van Megareus, echtgenoot van Atalante (z. a.).

Hipponax, Hipponax, van Ephesus, iambograaf omstreeks 540; van zijn leven is alleen bekend dat hij om politieke redenen naar Clazomenae vluchtte, zie ook Bupalus.

Hipponicus, Hipponikos, naam van verscheiden leden van een adellijk atheensch geslacht. Hiertoe behooren: 1) iemand die zich verrijkte door gebruik te maken van een vertrouwelijke mededeeling betreffende de seisachtheia van Solon; men houdt dit verhaal en de persoon zelve tegenwoordig voor verzonnen.--2) zijn kleinzoon, bijgenaamd Ammon, behield de schatten, die hem toevertrouwd waren door een Eretriënser, die na de verovering van zijn vaderstad naar Perzië medegevoerd werd (490). Ook dit verhaal is verzonnen.--3) zoon van Callias no. 1 en Elpinice (z. Cimon no. 2), sneuvelde in den slag bij Delium (424). De vrouw van Pericles was vroeger met hem gehuwd geweest, zijne dochter Hipparete werd de vrouw van Alcibiades.--4) zoon van Callias no. 2, schoonzoon van Alcibiades.

Hipponium, zie Hippo no. 4.

Hipponous, Hipponoos, z. Bellerophon.

Hippophagi, Hippophagoi, 1) scythisch volk in Persis.--2) volk in aziatisch Sarmatia, de tegenwoordige Kalmukken.

Hippotes, Hippotes, vader van Arne of van Aeolus no. 2 (z. a.).

Hippothoon, Hippothoon, zoon van Poseidon en Alope (z. a.). Na den dood van zijn grootvader Cercyon gaf Theseus hem de regeering over Eleusis.

Hippothoontis, Hippothontis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Hippothous, Hippothoos, 1) vader van Aepytus no. 2.--2) zoon van Priamus.--3) van Larisa, bondgenoot der Trojanen, door Ajax no. 2 gedood.

Hippotoxotai, een politiemacht van bereden boogschutters te Athene; men gebruikte hiervoor staatsslaven. In het begin van den peloponnesischen oorlog was hun aantal 200.

Hirpini, Hirpinoi, volk in het Z. van Samnium. Hoofdstad: Aeculanum.

Hirrus (C. Lucceius of C. Lucilius), z. Lucilii no. 4.

Hirtia (lex) van A. Hirtius (46). Zij sloot de aanhangers van Pompeius van alle ambten uit.

Hirtius (A.), uit een plebejisch geslacht, diende onder Caesar in Gallia, en vergezelde hem later naar Aegypte. Als praetor stelde Hirtius in 46 de hierboven vermelde wet voor. In 45 ging hij met Caesar naar Hispania. Overigens was hij meer schrijver dan krijgsman en bracht hij bij voorkeur zijn tijd door op zijn landgoed bij Praeneste. In 43 was hij consul met C. Vibius Pansa. Hoewel Hirtius na Caesars dood tot Antonius had overgeheld, gevoelde hij zich spoedig door diens aanmatigingen afgestooten, waartoe misschien de vertrouwde omgang met Cicero bijdroeg. Met Pansa en den jeugdigen Octavianus trok hij tegen Antonius op, doch sneuvelde in den slag hij Mutina (Modena), terwijl Pansa daags daarna aan zijne wonden bezweek. Het achtste boek der Commentarii de bello Gallico is van Hirtius afkomstig; waarschijnlijk heeft hij ook het bellum Alexandrinum geschreven.

Hirtuleius (L.), onderbevelhebber van Q. Sertorius in Hispania, die den rom. veldheeren in de jaren 79-76 verschillende nederlagen toebracht, doch in 75 sneuvelde.

Hispalis, Hispalis, thans Sevilla, aanzienlijke koopstad der Turdetani in Baetica, aan den Baetis (Guadalquivir). Caesar maakte er eene rom. kolonie van, Iulia Romula of Romulensis. Hispalis was door Phoeniciërs gesticht. De Baetis was tot hier voor zeeschepen bevaarbaar.

Hispania, Hispania, door de Grieken Iberia genoemd, tegenw. Spanje en Portugal, was tot in de derde eeuw den Rom. bijna onbekend. Na den eersten punischen oorlog zochten de Carthagers zich in H. schadeloos te stellen voor het verlies der italiaansche eilanden. In den tweeden oorlog ging ook H. voor hen verloren. De Romeinen verdeelden het land, voor zoover hunne heerschappij zich binnenwaarts uitstrekte, in twee provinciën: H. citerior en H. ulterior of Baetica, naar den Baetis (Guadalquivir). Oorspronkelijk strekte het eerste zich slechts uit langs de kust, maar langzamerhand werd ook het binnenland veroverd. In 180-178 werden de Celtiberiërs door Tib. Sempronius Gracchus, den vader der beide Gracchen, onderworpen en hun land, een groot gedeelte van het binnenland bij H. Citerior gevoegd. In 138 werd Lusitania, een landstreek in het Z.W., onderworpen, en aan Baetica toegevoegd. De volledige onderwerping van het geheele schiereiland had eerst in 19 plaats, toen Agrippa de Cantabriërs en Asturiërs onderwierp. Nu werd H. in 3 provincies verdeeld: Citerior, Ulterior Baetica en Ulterior Lusitania, waaronder ook Gallaecia en Asturia hoorden. Nog vóór den dood van Augustus werden Gallaecia en Asturia bij H. Citerior gevoegd, dat voortaan gewoonlijk Tarraconensis heet, naar de hoofdstad Tarraco; de andere twee provincies heeten nu Baetica en Lusitania. De bevolking bestond uit keltische en iberische stammen; de Iberiërs waren donker van tint. Vooral in Baetica troffen de Romeinen reeds een ver gevorderden trap van beschaving aan; vandaar dat geen andere provincie in gelijke mate als Hispania rom. zeden en gewoonten overnam. Seneca, Lucanus, Martialis, Quintilianus, Traianus, Hadrianus waren uit Hispania geboortig. Alleen stond de bevolking ook reeds toen bekend om hare luiheid en morsigheid. De bodem was in het Z. uiterst vruchtbaar en leverde ook verschillende metalen en edelgesteenten op. In het tijdperk der volksverhuizing werd Hispania afwisselend overstroomd door Vandalen, Sueven, Alanen en Westgothen.

Hispellum, voornaamste stad in Umbria, thans Spello.

Hister, zie Danuvius.

Histiaea, Histiaeotis = Hestiaea, Hestiaeotis.

Histiaeus, Histiaios, tyran van Miletus onder perzische opperheerschappij. Toen Darius Hystaspis in het land der Scythen ingevallen was, verzette Hist. zich tegen het plan om de brug over den Ister af te breken, waarvan de ondergang van het perzische leger het onvermijdelijk gevolg zou geweest zijn. Daarvoor werd hij met land in Thracië begiftigd, later begon Darius hem echter te wantrouwen en riep hij hem, naar het heette uit vriendschap, tot zich naar Susa. Later werd hij naar de kust gezonden, om den opstand van Aristagoras (z. a.) te dempen, waartoe hij hem heimelijk zelf had aangemoedigd; daar hij echter zag dat de satraap Artaphernes hem niet vertrouwde, vluchtte hij. Hij werd door de Chiërs gevangen genomen, maar weder vrijgelaten, en daar de Milesiërs weigerden hem te ontvangen, ging hij naar Byzantium, leefde daar eenigen tijd als zeeroover en werd eindelijk door Harpagus gevangen genomen en te Sardes door Artaphernes ter dood gebracht (498).

Historiae Augustae scriptores = Scriptores historiae Augustae.

Histria, Istria, schiereiland in het N. der Adriatische zee, door de ruwe Istri bewoond en in 177 onderworpen. Ten tijde van Varro, die een aardrijkskundig werk geschreven heeft, behoorde het westelijk gedeelte tot aan de Formio, bij Italië; Augustus heeft het gewest geheel bij Italië ingelijfd. Steden: Tergeste (Triest) en Pola.

Homeridae, Homeridai, familie of genootschap op Chius, van Homerus afstammend of naar hem genoemd; zij hadden zich tot taak gesteld de gedichten van Homerus ongeschonden te bewaren en de kennis er van algemeen te maken. In lateren tijd werden ook rhapsoden zoo genoemd, en over het algemeen zij, die zich met de gedichten van Homerus bezig hielden.

Homerus, Homeros, is volgens de overlevering de dichter van de Ilias en Odyssee, de twee beroemde heldendichten, die van den grootsten invloed waren op de beschaving der Grieken, gedurende hun volksbestaan den grondslag van alle verdere studiën vormden, en nog tot heden als modellen van epische poëzie beschouwd worden. Hij zou een zoon van Maeon, arm en blind geweest zijn; van zijn leeftijd wisten de ouden reeds niets, zoodat sommigen beweerden dat hij in de 12de eeuw, anderen dat hij later, sommigen zelfs dat hij niet vóór de 7de eeuw geleefd zou hebben; zeven steden beroemden zich de vaderstad van Hom. geweest te zijn, hoewel men erkende dat in dien strijd Smyrna en Chius de beste aanspraken konden doen gelden. De meest gezaghebbende meening was, dat de gedichten van Homerus in het midden der 9de eeuw in Ionië ontstaan waren.--Hoe dit zij, deze gedichten leefden gedurende vele eeuwen, waarin de schrijfkunst slechts weinig in gebruik was, in den mond van het volk, en hadden hunne verbreiding voornamelijk te danken aan de rhapsoden (z. a.) die bij feestelijke gelegenheden gedeelten er van voordroegen. Het ligt voor de hand dat sommige gedeelten meer in den smaak vielen dan andere, en dus meer gehoord werden, dat sommige, te lang voor eene voordracht, bekort moesten worden, dat andere, wat hun omvang betreft juist voor de voordracht geschikt, van een passend begin of slot moesten worden voorzien, kortom, onder deze omstandigheden waren de gedichten lang niet in al hunne deelen even algemeen bekend, en stonden zij op velerlei wijze aan vervalsching en verminking bloot, totdat, naar men meent onder Pisistratus en zijne zonen, de verspreide deelen door deskundigen verzameld en tot één geheel verwerkt werden. Deze maatregel bevorderde de studie der gedichten van Hom. zeer, in den bloeitijd van Athene was dan ook de kennis er van zeer algemeen, en personen, die de geheele Ilias en Odyssee van buiten konden opzeggen, waren niet zoo zeldzaam als men zou denken. Toen later te Alexandria de studie der taal- en letterkunde een hooge vlucht nam, kozen de beste alexandrijnsche geleerden, o. a. Zenodotus en Aristarchus, de werken van Hom. ter behandeling, trachtten met veel moeite den tekst te verbeteren, of schreven geleerde verklaringen er bij. Reeds onder hen werd door sommigen, die daarom chorizontes genoemd werden, de meening verdedigd, dat de Odyssee niet in denzelfden tijd ontstaan kon zijn als de Ilias, dat tusschen beide gedichten misschien wel eene tusschenruimte van 100 jaar lag, en dat zij dus niet van denzelfden dichter konden zijn. Nieuwere geleerden beweren echter, dat ook de afzonderlijke deelen van elk der beide werken te veel van elkander verschillen, om ze aan denzelfden maker toe te schrijven, dat bovendien zulke groote werken in een tijd, waarin de schrijfkunst zoo weinig algemeen was, niet hadden kunnen ontstaan, of ten minste weder spoedig hadden moeten vergeten zijn, en dat men dus moet aannemen, dat zoowel Ilias als Odyssee vóór Pisistratus niet anders bestaan hebben dan als afzonderlijke liederen, waarin eerst toen eenige samenhang gebracht zou zijn. Deze meening vindt bij sommigen zooveel bijval, dat men zelfs getracht heeft die oorspronkelijke liederen aan te wijzen, anderen verwerpen haar geheel, terwijl nog anderen toegeven dat beide gedichten uit de vereeniging van zulke kleinere liederen bestaan, maar aannemen dat die vereeniging veel vroeger, waarschijnlijk omstreeks het midden der 9de eeuw, tot stand gebracht zou zijn door iemand die Homerus heette, of misschien juist door dat werk den naam Homerus (samenvoeger) gekregen heeft. Tegenwoordig is de meest algemeene meening, dat elk van beide gedichten in hoofdzaak van denzelfden dichter is, doch dat daaraan op verschillende tijden, deels door hemzelven, deels door anderen, grootere en kleinere stukken zijn toegevoegd.--Behalve Ilias en Odyssee zijn nog eenige kleinere gedichten bewaard gebleven, die werken van Homerus heeten te zijn; deze zijn echter alle van lateren tijd en van zeer ongelijke waarde.

Homerus latinus, z. Silii no. 7.

Homoioi, gelijken. De wet van Epitadeus (z. a.) had tengevolge dat, in strijd met de instellingen van Lycurgus, het grondbezit te Sparta zich weldra in weinige handen bevond, terwijl de meerderheid der burgers tot armoede verviel. Deze ongelijkheid van vermogen bracht ook ongelijkheid in burgerlijke rechten mede, en nu noemden zich de rijke grondeigenaars homoioi, in tegenstelling van de armere burgers, hypomeiones.

Homole, Homole, berg, aan Pan gewijd, in Thessalia, nabij het dal Tempe.--Homole of Homolium, Homolion, stad in het N. van het thessalische landschap Magnesia.

Homona, Homonadenses, Homonades of Omana, Omanades, stad en roofzuchtig bergvolk in Pisidia, in het Taurusgebergte.

Honorius (Flavius), zoon van keizer Theodosius den Gr., die bij de deeling des rijks het Westen kreeg, terwijl aan zijn ouderen broeder Arcadius het Oosten werd toegewezen, 395 na C. Honorius was een nietsbeteekenende knaap. Zijn minister en voogd Stilicho, een voortreffelijk veldheer, wist wel de invallen van germaansche volkeren af te weren, maar deed niets tot ontwikkeling van den jongen vorst, hoewel deze zijne dochter had gehuwd. In 408 liet H., aan valsche inblazingen gehoor gevende, zijn schoonvader ombrengen en nu drongen de barbaren van alle zijden het rijk binnen en namen de eene provincie na de andere weg. De Westgothen onder Alarik veroverden zelfs Rome. Zie Alaricus. Eindelijk zag H. zich genoodzaakt, zijn veldheer Constantius tot mederegent aan te nemen en hem zijne zuster Placidia, weduwe van den westgothischen koning Athaulf, tot vrouw te geven. H. stierf zes jaar later, in 423.

Hopletes, burgers die tot de tweede der vier oude attische phylen behoorden.

Hoplitai, zwaargewapende infanteristen, het voornaamste deel van een grieksch leger. Zij droegen een harnas, helm en beenplaten van metaal, en waren gewapend met een kort zwaard, een langwerpig schild (aspis), en een werpspies van ongeveer 8 voet. De taak der zwaargewapenden was in gesloten gelederen op den vijand aan te rukken en diens slagorde te verbreken. Zij kregen, wanneer zij in dienst waren, betaling voor soldij en onderhoud voor zichzelven en een bediende; deze betaling was echter in verschillende tijden en omstandigheden hooger of lager.

Horae Quirini, zie Hersilia.

Horae, Horai, dochters van Zeus en Themis, godinnen der orde in de natuur en der afwisselende jaargetijden, verder ook van maatschappelijke orde, wet en recht. Zij zijn dienaressen van Zeus en zijn belast met het openen en sluiten van de poorten des hemels. Gewoonlijk worden drie Horen genoemd: Eunomia, Dice en Irene, te Athene vereerde men slechts twee: Thallo en Carpo, later nam men vier aan in overeenstemming met het aantal jaargetijden. Tempels hadden zij te Athene, Corinthe e. a. plaatsen.--Zij worden afgebeeld als schoone jonge vrouwen, luchtig gekleed en met bloemen en vruchten versierd.

Horatiae Valeriae (leges) van de consuls M. Horatius Barbatus en L. Valerius Poplicola Potitus, 449: 1) ut, quod tributim plebs iussisset, populum teneret;--2) dat de volkstribunen, de plebejische aedilen en de iudices decemviri sacrosancti zouden zijn;--3) dat geen nieuw overheidsambt zonder provocatio in het leven zou worden geroepen, op straffe des doods. Dit zijn geen eigenlijke wetten (leges) geweest, maar de voorwaarden, waarop de eendracht tusschen patres en plebs hersteld werd. Bovendien is de eerste wet, evenals de lex Publilia Philonis van 339 v. s. een anticipatie van de lex Hortensia van 287. Aan het bestaan van de derde wet wordt door sommige geleerden getwijfeld. Zie Valeriae leges de provocatione. Met iudices decemviri, in de 2de wet genoemd, worden volgens de gewone opvatting de decemviri stlitibus iudicandis bedoeld; z. echter aldaar.

Horatii, een patricisch geslacht. 1) De drie gebroeders, die, volgens het verhaal, onder de regeering van Tullus Hostilius den oorlog met Alba Longa beslechtten door een strijd met de drie Curiatii, en waarvan de eenig overgeblevene zijne zuster zou hebben neergestooten, omdat zij haren bruidegom, een der gesneuvelde Curiatii, beweende. V. s. is dit hoog poëtische verhaal aan een fabula praetexta van Ennius ontleend.--2) M. Horatius Pulvillus, een der consuls uit het eerste jaar der rom. republiek; hij wijdde den tempel van Jupiter Capitolinus.--3) P. Horatius Cocles (de éénoogige) verdedigde de houten paalbrug over den Tiber tegen de aandringende soldaten van Porsena, totdat zijne medeburgers de brug achter hem hadden afgebroken. Toen sprong hij in de rivier en kwam behouden in de stad terug, in weerwil eener hagelbui van pijlen. Zijne medeburgers richtten voor hem een standbeeld op en schonken hem zooveel land, als hij in een dag kon omploegen.--4) C. Horatius Pulvillus, consul in 477, sloeg de aanvallen der Volscen en Etruscers af, die Rome bijna hadden vermeesterd. In 457 was hij andermaal consul en overwon toen de Aequers.--5) M. Horatius Barbatus, consul in 449, herstelde met zijn ambtgenoot L. Valerius Poplicola wat de tienmannen bedorven hadden, verzoende de beide standen te Rome, bracht de beroemde leges Horatiae Valeriae (z.a.) tot stand, en behaalde eene groote overwinning op de Sabijnen.--6) Niet tot deze gens behoorde de beroemde dichter Q. Horatius Flaccus, de zoon van een vrijgelatene, geboren te Venusia in het jaar 65. Zijn vader zorgde met den meesten ijver voor zijne opvoeding en ging te Rome wonen, om zijn zoon de beste meesters te kunnen geven. Op zijn negentiende jaar ging H. te Athene zijne studiën voltooien. In 44 was hij krijgstribuun in het leger van Brutus en deelde in de nederlaag bij Philippi. In dezen burgeroorlog verloor hij zijn vaderlijk erfgoed, zoodat hij als scriba zijn brood moest verdienen. Doch de dichters Varius en Vergilius bevalen hem bij Maecenas aan, die hem bij zich ontbood (38), en hem wel eerst na 9 maanden opnieuw tot zich riep, maar hem toen ook in den kring zijner vrienden opnam, waarvan hij spoedig een onmisbaar lid werd. Van Maecenas kreeg hij (33) een klein landgoed, het Sabinum bij Tibur, ten geschenke, dat zijn geliefkoosd verblijf werd. Hij stierf, kort na Maecenas, in het jaar 8, ongehuwd. Horatius bracht als lierdichter het eerst grieksche maten van de oude Grieksche dichters op latijnschen bodem over. Zijne levensrichting was over het algemeen de epicureïsche; gaarne genoot hij het goede; toch kon hij ook sober en eenvoudig leven en zich naar de omstandigheden schikken als de beste stoicijn. In het staatkundige was de slag hij Philippi het graf zijner idealen geweest, in Octavianus zag hij voortaan den man, die den lang gehoopten vrede aan de wereld zou schenken. Wij bezitten van hem: Carmina of Odae (4 boeken), Epodon liber (z. Epodus no. 3), het Carmen saeculare, Satirae (2 boeken), Epistulae (2 boeken), waarvan de beroemdste de Epistula ad Pisones of Ars poetica.

Horta, eene Romeinsche godin wier tempel steeds open staat. Overigens is van haar niets bekend.

Horta, Hortanum, stad in Etruria, waar de Nar in den Tiber stroomt.

Hortator of pausarius, de man, die op het schip de maat aangaf bij het roeien, hetzij met een hamer, hetzij met de stem, soms ook met de fluit.

Hortensia (lex) van 287 van den dictator Q. Hortensius, ut eo iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. Hiermede werden de plebiscita voor goed gelijk gesteld met leges, en de voorafgaande goedkeuring der tribunicische rogationes door den senaat afgeschaft. Eene andere lex Hortensia verklaarde de nundinae of marktdagen tot dies fasti.

Hortensii, een plebejisch geslacht. 1) L. Hortensius, volkstribuun in 422, een warm ijveraar voor de belangen der plebs.--2) Q. Hortensius, in 287 tot dictator gekozen om eene secessio plebis te bezweren, de auctor der lex Hortensia de plebiscitis.--3) Q. Hortensius Hortalus, (geb. 114), een van Rome's grootste redenaars, de evenknie van Cicero, en een handig en geslepen verdediger, niet altijd keurig in de keus zijner middelen. In 69 bekleedde hij het consulaat. In den burgeroorlog had hij onder Sulla gediend en verder bleef hij de aristocratische partij toegedaan. Hij stierf in 50. Hij was zeer vermogend en had zijn huis weelderig en met fijnen smaak ingericht; zijne keuken, wijnkelder en vischvijvers waren beroemd en zijne overdreven zorg daarvoor maakte hem wel eens tot een mikpunt van spotternij. Wij hebben geen enkel geschrift van hem; hij dichtte ook, doch zijne verzen konden den toets van zedelijkheid niet doorstaan. Ook schreef hij annales. Hij was een vertegenwoordiger van den asiatischen stijl (Asianismus), z. Hegesias no. 2.--4) Hortensia, dochter van no. 3, wordt genoemd als een voorbeeld van vrouwelijke welsprekendheid. Zij heeft in 42 de rechten der gehuwde vrouwen, die door een zware belasting getroffen werden, met succes ten overstaan van de triumviri verdedigd.

Horus, Horos, een aegyptisch god, zoon van Isis en Osiris, waarschijnlijk de god der opgaande zon, door de Grieken voor denzelfden gehouden als Apollo. Meer bekend bij Grieken en Rom. was echter een jongere Horus, een zwakke zoon van Osiris en in diens ouderdom geboren, naar men meent de god der ondergaande zon of winterzon. Onder den naam Harpocrates (z. a.) wordt hij vooral vereerd als god van het zwijgen.

Hospitium. Tusschen aanzienlijke familiën in verschillende steden en gewesten bestonden vaak banden van gastvriendschap. Bij het sluiten van zulk een band (foedus) werden de namen van beide familiën op eene zoogenaamde tessera hospitalis geschreven, eene soort van liniaal, zóó dat aan weerszijden een naam stond. Zulk eene tessera wordt dan doorgebroken en elke familie ontving eene helft. Op vertoon daarvan had men niet slechts aanspraak op herberging, maar ook, zoo noodig, op hulp en bescherming. De band ging op de erfgenamen over en werd als heilig beschouwd. De rom. grooten hadden zulke hospitia de geheele wereld door. Niet slechts echter bijzondere personen sloten zulke banden van gastvriendschap, zij komen ook voor tusschen staten, in welk geval van weerszijden vorstelijke personen en gezanten op staatskosten werden gehuisvest en onthaald. Dit heet hospitium publicum. Ook bestonden er hospitia tusschen tal van civitates in den vreemde en aanzienlijke familiën te Rome, waarmede dan tevens aan deze familie het patronaat werd opgedragen, d. w. z. de taak om de vreemde civitas in rechten als anderszins te vertegenwoordigen, hare burgers te Rome te beschermen en hare belangen voor te staan, ongeveer zooals in onze nieuwere maatschappij de consuls doen.

Hostilia, nu nog Ostiglia geheeten, stadje aan den Padus (Po), met een druk veer over de rivier, aan den weg van Bononia (Bologna) naar Mantua en Verona.

Hostilia curia, zie Curia.

Hostilianus (Gaius Valens), Caesar onder zijn vader Decius, 249 n. C., na diens dood (251) keizer, sterft weldra aan de pest.

Hostilii, een oud, patricisch geslacht, waarvan enkele leden in den tweeden en derden punischen oorlog en de oorlogen tegen Perseus en Antiochus III voorkomen. C. Hostilius Mancinus, consul in 137, werd door de Numantijners tot den vrede gedwongen, dien de rom. senaat evenwel verwierp. Mancinus werd toen uitgeleverd (z. Furia Atilia (lex)), doch de N. weigerden dit offer te aanvaarden. Later werd M. uit den senaat gestooten.

Hostis was oudtijds = peregrinus, terwijl in het oude fetiaalrecht perduellis voor vijand werd gebruikt. Later beteekende hostis een buitenlandschen vijand, perduellis een binnenlandschen, terwijl diens handeling, hoogverraad, door perduellio wordt uitgedrukt. Wanneer een onderworpen vijand opstaat, is hij een rebellis; wanneer burgers oproer maken, is het eene seditio.

Hostis iudicatio is een senaatsbesluit, waarbij van bepaalde personen verklaard werd, dat zij zich door hun daden tot vijanden van den staat gemaakt hadden, en dat zij dientengevolge van burgerrecht vervallen, vogelvrij en, zoo ze ambtenaren waren, ambteloos geworden waren. Dit besluit was vaak een toevoeging aan het senatus consultum ultimum (z. a.), en werd door de senaatspartij gebruikt als middel om woelingen te onderdrukken; het eerst is het toegepast tegen Ti., daarna tegen C. Gracchus, in 100 tegen Saturninus en Glaucia. De aan de senaatsregeering vijandige partij heeft altijd terecht de bevoegdheid der magistraten ontkend, om aan deze onwettige verklaring van den senaat gehoor te geven; vele van de consuls, die er zich door hadden laten bewegen om gevangenen terecht te stellen, zijn later met eenigen tijd van ballingschap gestraft, zooals o. a. Cicero wegens het dooden der Catilinarii in 63 (z. Clodiae (leges) no. 5).

Hybreos graphe, aanklacht wegens mishandeling. Het proces werd voor de heliasten (z. Heliaia) gevoerd en de straf werd naar omstandigheden door de rechters bepaald.

Hylles, een van de drie dorische phylae (z. a.), naar Hyllus genoemd.

Hunni, Hounnoi, aziatisch volk, dat oorspronkelijk in Mongolië woonde, en ± 375 n. C. over den Rha (Wolga) drong, de Alanen en Oostgothen onderwierp, andere volken voor zich uit dreef en vooral onder Attila, den "geesel Gods" (zie Attila) het romeinsche rijk teisterde. Na Attila's dood (453) viel het groote Hunnenrijk uiteen en ± 500 was de naam van Hunnen weder verdwenen. Omtrent een vroeger optreden van de Hunnen zie men Bactria.

Hypaithros heette de ruimte in het midden van een tempel, wanneer zij, zooals bij groote gebouwen soms het geval was, niet van een dak voorzien was. Men verkeert omtrent deze quaestie nog geheel in het duister; behalve het Pantheon te Rome zijn ons dergelijke tempels niet bekend. Z. verder onder Templum.

Hypaspistes, 1) schildknaap, een slaaf, die op marsch voor zijn heer schild, helm, enz. droeg.--2) in het macedonische leger lichtgewapende infanteristen, meer voor aanval dan voor verdediging bestemd, van een korte lans en een lang zwaard voorzien. Uit hen werd de koninklijke lijfwacht (agema) gekozen.

Hypekooi, op Creta = perioikoi.

Hypogrammateus = grammateus (z. a.) tes poleos, ook gr. tou demou of gr. tes boules kai tou demou genoemd.

Hypomeiones, z. Homoioi.

Hyacinthus, Hyakinthos, 1) zoon van Amyclas en Diomede, een buitengewoon schoon jongeling, die door Apollo en Zephyrus bemind werd. Toen Apollo eens met hem aan de oevers van den Eurotas met den discus speelde, dreef Zephyrus uit jaloerschheid de werpschijf van Apollo naar het hoofd van Hyac., zoodat deze doodelijk gewond werd. Apollo veranderde hem in de bloem, die zijn naam draagt. Te zijner eere vierden de Spartanen jaarlijks te Amyclae een groot feest, de Hyacinthia, dat drie dagen duurde; de eerste dag was een treurdag, waarop men aan Hyac. in stilte offers bracht, de beide volgende dagen hield men feestelijke optochten en wedspelen.--2) Lacedaemoniër, die ten tijde van Aegeus te Athene woonde. Toen Minos Athene met oorlog bedreigde (z. Aegeus), kregen de Atheners van het orakel den raad de kinderen van een vreemdeling te offeren; zij kozen daarvoor de dochters van Hyac. Niettemin werden zij door Minos overwonnen.

Hyades, Hyades, Suculae, sterrenbeeld aan den kop van den Stier, dat bij het begin van den regentijd opgaat (pluviae, tristes). Zij worden dochters van Atlas en Aethra of Pleione, of van Oceanus of van Melisseus genoemd, en waren de voedsters van Dionysus (nysaeische nimfen) of van Zeus (dodonaeïsche nimfen) geweest en ter belooning onder de sterren geplaatst. V. a. hadden zij zich dood getreurd om het verlies van hun broeder Hyas, die op de jacht omgekomen was.

Hyaea, Hyaia, vlek in het gebied der ozolische Locriërs.

Hyampea, Hyampeia, een van de toppen van den Parnassus = Lycoreus.

Hyampolis, Hyampolis, stad in Phocis bij Elatea, door Hyanten gesticht. De stad werd eerst verwoest door Xerxes, later door Philippus van Macedonia.

Hyantes, Hyantes, oude bewoners van Boeotia, door de Cadmeërs naar Phocis verdreven, waar zij Hyampolis stichtten. Een groot gedeelte vestigde zich in Aetolia. Hyantius, Hyanteus bij dichters = boeotisch, hyantis = aetolisch.

Hyarotes, Hyarotes = Hydraotes.

Hybla, Hybla, naam van drie steden op Sicilia, H. maior, he meizon of megale, v. s. ook Hybla Geleatis (Gereatis), Hybla he Geleatis, he Gereatis geheeten, lag aan den Aetna; H. minor, he mikra of Hybla ta Megara, ook wel Megara Hyblaea, v.s. ook Hybla Geleatis geheeten, lag ten N. van Syracusae, en werd Megara genoemd naar dorische kolonisten uit Megaris. De inwoners heetten Megares Hyblaioi. In den tweeden punischen oorlog werd het door de Rom. verwoest. Het derde, H. Heraea, Heraia of he elatton, lag aan den weg van Syracusae naar Gela. Uit een der drie Hybla's kwam de beroemde honig, Hyblaeum mel.

Hyccara, (plur.), ta Hykkara, stad der Sicani op de N.kust van Sicilia, in 415 door de Atheners veroverd en geplunderd en toen aan Segesta afgestaan.

Hydaspes, Hydaspes, zijtak van den Acesines, waarbij Alexander de Gr. zijne overwinning op koning Porus behaalde. Vergilius noemt hem minder juist Medus Hydaspes, daar het perzische rijk zich niet tot aan dezen stroom uitstrekte. Horatius noemt hem fabulosus = alleen bekend van hooren zeggen, n.l. bij de Rom.

Hydraotes, Hydraotes, een zijtak van den Acesines, evenals de Hydaspes.

Hydrea, Hydrea, thans Hydra, eilandje bij Argolis. De bevolking is van dryopischen stam.

Hydrochous, Hydrochoos = Aquarius.

Hydrophoria, Hydrophoria, reinigings- en verzoeningsfeest ter eere van Apollo of de onderaardsche goden of ter herinnering aan de slachtoffers van den zondvloed van Deucalion, op vele plaatsen van Griekenland in het voorjaar gevierd.

Hydruntum of Hydrus, Hydrous, thans Otranto, stad op de kust van Calabria, met eene uitstekende haven.

Hygiea, Hygieia, dochter van Asclepius, godin der gezondheid. Zij wordt gewoonlijk gemeenschappelijk met haar vader vereerd, maar staat ook in nauwe betrekking tot Athena, die ook den bijnaam Hygiea heeft. Op hare afbeeldingen heeft zij een slang in de hand, die zij uit een schaal laat drinken.

Hyginus (C. Iulius), een vrijgelatene van Augustus, geboortig uit Hispania, opzichter der palatijnsche bibliotheek. Hij was een vlijtig beoefenaar van taal- en oudheidkunde. Men veronderstelt, dat hetgeen wij op naam van Hyginus bezitten, een fabularum liber en een poëticon astronomicon niet van dezen Hyginus afkomstig is. Onder Traianus, v.a. ± 300, komt nog een Hyginus gromaticus voor (z. Groma).

Hylas, Hylas, zoon van Theodamas en Menodice, lieveling van Heracles, met wien hij deelnam aan den tocht der Argonauten. Toen Hylas in Mysië aan land gegaan was om water te scheppen, werd hij door bronnimfen geroofd, Heracles ging hem zoeken en bleef zoo lang uit, dat de Argonauten zonder hem vertrokken.--Ter eere van Hylas vierden de inwoners van Prusias een feest, waarbij geofferd werd bij de bron, waarin hij verdwenen was, en men in de bergen het zoeken van Heracles nabootste.

Hyle, Hyle, oud boeotisch stadje, aan het Hylische meertje.

Hylias, Hylias, grensrivier tusschen het gebied van Croton en dat van Sybaris in het land der Bruttii.

Hylice, Hylike (sc. limne), meer. Zie Hyle.

Hyllus, Hyllos, zoon van Heracles en Deïanira, de stamvader der Heracliden (z.a.), die in de Peloponnesus regeerden. Na een eersten inval in de Peloponnesus ging hij naar Thessalië, waar Aegimius hem een derde gedeelte van zijn land afstond, bij een tweeden inval werd hij door Echemus gedood.

Hyllus, Hyllos, zijtak van den Hermus, in aziatisch Ionia.

Hymen, Hymenaeus, Hymen, Hymenaios, zoon van Apollo en Calliope of Urania of van Dionysus en Aphrodite, bevrijdde eens een aantal jonge meisjes, die door zeeroovers gevangen genomen waren; daarom gedachten deze hem, toen zij trouwden, in het bruiloftslied, en sedert dien tijd wordt hij als een god van het huwelijk beschouwd, die in het bruiloftslied wordt aangeroepen. Hij komt voor in gezelschap van Aphrodite en Eros, zijne afbeeldingen gelijken op die van Eros, ofschoon hij grooter en ernstiger voorgesteld wordt; gewoonlijk is hij met rozen bekranst en draagt hij een fakkel en sluier in de hand.

Hymettus, Hymettos, berg in Attica ten O. van Athenae, voor een gedeelte met geurigen thym begroeid en hierom bekend door zijn voortreffelijken honig. De berg is ook bekend om zijn marmergroeven.

Hypacyris, Hypakyris, ook wel -caris, rivier in europeesch Sarmatia, onzeker welke.

Hypaepa, ta Hypaipa, stadje in Lydia aan de Z. helling van den Tmolus. Het was bekend om zijne schoone vrouwen.

Hypanis, Hypanis, naam van twee rivieren in Sarmatia, die van tegenovergestelde zijden in den Pontus Euxinus (Zwarte zee) stroomen. De eene heet thans de Bug, de andere, die op den Caucasus ontspringt, de Kuban. Ook = Hyphasis.

Hypata, Hypata of ta Hypata, bergstadje in het gebied der Aenianen tusschen Thessalia en Hellas. In de nabijheid was de vergaderplaats der heksen en toovenaars, de grieksche Blocksberg. De Hypataeërs hadden den naam, bekwame toovenaars te zijn.

Hypatia, Hypatia, de begaafde dochter van Theon (no. 3), beoefende evenals haar vader wis- en sterrenkunde en ook wijsbegeerte; zij werd bij een opstand van de Christenen in 415 n. C. gedood.

Hyperbolus, Hyperbolos, atheensch demagoog van geringe afkomst, die na den dood van Cleon als medestander van Alcibiades optrad en veel invloed verwierf. Door de blijspeldichters wordt hij voortdurend bitter bespot. In 417 werd hij door het ostracisme (z. a.) verbannen, hij vestigde zich op Samus, waar hij in 411 door de oligarchische partij vermoord werd.

Hyperborei, Hyperboreioi, een fabelachtig volk, meer noordelijk wonende dan de Noordewind (Boreas), en over wie deze dus nooit zijn kouden adem liet gaan. In hun land ging de zon slechts éénmaal 's jaars op en onder; hun land was een heerlijk land, waar alles spoedig rijpte, hun leven was een leven van geluk, zonder ooit eenigen twist of tweedracht. Zij konden 1000 jaar oud worden, doch meestal stortten zij zich vóór dien tijd, des levens zat, in zee. Zij waren aan den dienst van Apollo gewijd. Hyperboreus dichterlijk = noordsch.

Hyperborei montes, een gebergte in het gebied of naar den kant der Hyperborei, misschien eene duistere voorstelling van de Carpathen of van het Oeralgebergte.

Hyperenor, Hyperenor, een van de Sparten, zie Cadmus.

Hyperides, Hypereides, -rides, zoon van Glaucippus, een van de tien attische redenaars, leerling van Plato en Isocrates, in de politiek aanhanger van Demosthenes, hoewel hij zich in de zaak van Harpalus (z.a.) tegen hem keerde en zelfs als zijn beschuldiger optrad. Evenals Dem. en om dezelfde redenen werd hij door Alexander na de verovering van Thebe opgeëischt, maar niet uitgeleverd; ook aan den lamischen oorlog nam hij deel, en na den ongelukkigen afloop er van vluchtte hij naar Aegina, waar hij gevat en op bevel van Antipater ter dood gebracht werd (322). Van zijne redevoeringen zijn er in de vorige eeuw zes in Egypte teruggevonden.

Hyperion, Hyperion, een van de Titanen, vader van Helius, Selene en Eos. Ook Helius wordt dikwijls Hyperion genoemd.

Hyperm(n)estra, Hyperm(n)estra, zie Danaüs.

Hyphasis, Hyphasis, een zijtak van den Acesines.

Hypocaustum, vertrek, waarvan de vloer verwarmd werd door buizen of kanalen met heete lucht; vooral bij badkamers en in badhuizen werd deze wijze van verwarming toegepast.

Hyporchema, hyporchema, vroolijk lied ter eere van Apollo, met mimiek en dans voorgedragen.

Hypothebae, Hypothebai, oude stad in Boeotia, waaronder men of Potniae of wel de benedenstad van Thebae, rondom de Cadmea of burcht verstond.

Hypotheca, hypotheke, onderpand voor geleend geld, dat in het bezit van den schuldenaar blijft, en wanneer hij zijne schuld niet betaalt, ter voldoening van den schuldeischer verkocht wordt.

Hypsipyle, -pylea, Hypsipyle, -pyleia, dochter van Thoas, koningin van Lemnus toen de Argonauten op dat eiland landden. Zij bleven er een jaar, en Hyps. werd bij Iason moeder van twee zonen, Thoas en Euneus. Kort te voren hadden de vrouwen van Lemnus alle mannen in één nacht gedood, daar deze ontrouw geworden waren en thracische meisjes op het eiland gehaald hadden. Later ontdekte men echter, dat Hyps. haar vader gered had, zij moest vluchten, werd door zeeroovers gevangen genomen en aan Lycurgus, koning van Nemea, verkocht. Wegens den dood van Opheltes (z. a.) werd zij in de gevangenis geworpen, doch door hare beide zonen bevrijd.

Hypsus, rivier in het W. van Sicilië, die aan de Z.-kust, dicht hij Selinus uitmondt.

Hyrcania, Hyrkania, smalle, onvruchtbare landstreek en perzische provincie ten Z. en Z.O. der Caspische zee, ten Z. door bergketenen begrensd, waar tal van wilde, verscheurende dieren werden aangetroffen. De Hyrcaniërs hadden evenals andere volken van Iran de gewoonte, de lijken door honden te laten verslinden. De rijken hielden tot dit doel zelfs honden van edel ras.

Hyrcanum mare, z. Caspium mare.

Hyrcanus, zoon van den joodschen koning Alexander Jannaeus, uit het geslacht der Maccabaeën, leefde in hevigen strijd met zijn broeder Aristobulus. Deze laatste riep in 64 de tusschenkomst van Pompeius in, doch werd, daar hij dezen trachtte te misleiden, door P. gevangen genomen. Hyrcanus werd nu als leenvorst met den titel van hoogepriester-ethnarch, archiereus kai ethnarches, op den troon geplaatst, in welke waardigheid hij door Caesar in 47 bevestigd werd. In 37 liet Antonius hem onthoofden.

Hyrgis, Hyrgis, thans de Donetz, zijtak van den Tanaïs (Don) in Sarmatia.

Hyria, Hyria, 1) meer in Aetolia, ten W. van het meer Trichonis.--2) stad in Boeotia, nabij den Euripus, vlak bij Aulis, en tot het gebied van Tanagra behoorend.--3) stad in Italia aan den weg van Tarentum naar Brundisium, ook Uria geheeten.

Hyrmine, Hyrmine, ook Horminae, stad in het N. van Elis, nabij de kust.

Hyrtacides, zoon van Hyrtacus = Nisus no. 2.

Hysiae, Hysiai, 1) stad in het Z. van Argolis, bij de landstreek Thyreatis of Cynuria. Zij werd in den peloponnesischen oorlog door de Spartanen verwoest.--2) vlek in Boeotia, niet ver van het slagveld van Plataeae.

Hystaspes, Hystaspes, aanzienlijke Pers, vader van Darius I. Op zijne reizen naar Indië maakte hij kennis met de leer der Brahmanen, die hij later aan de Magiërs mededeelde. Dit verhaal heeft misschien betrekking op een anderen Hystaspes, die de leer van Zarathustra (Zoroaster, z.a.) ingevoerd heeft.

I.

Iacchus, Iakchos, naam van Dionysus in de eleusinische mysteriën; hij had een tempel te Athene, en bij den feestelijken optocht naar Eleusis ter gelegenheid van de mysteriën werd zijn beeld voor den stoet uitgedragen.

Iacetani, volksstam in Hispania tusschen de Pyrenaeën en den mond van den Iberus (Ebro). Z. ook Lacetani.

Iadera, Iadera, stad op de kust van Illyricum, in Liburnia.

Ialmenus, Ialmenos, zoon van Ares en Astyoche, regeerde nevens zijn broeder Ascalaphus in Orchomenus en streed voor Troje. V.s. was hij na den trojaanschen oorlog koning van het eiland Aretias.

Ialysus, Ialysos of Ialysos, eene der drie oudste steden van het eiland Rhodus. Het lag in het Noorden, dicht bij het latere Rhodus. Lindus en Camirus waren de beide andere steden. Volgens de overlevering waren zij gesticht door Ialysus, Lindus en Camirus, drie broeders. Zie verder Rhodus.

Iambe, Iambe, dochter van Pan en Echo, dienstmaagd van Celeüs. Door hare vroolijkheid wist zij het eerst de over het verlies harer dochter treurende Demeter tot lachen te bewegen; tot belooning werd zij de eerste priesteres van die godin en ter herinnering hieraan werden de feesten van Demeter met scherts en spotternij gevierd.

Iambische poëzie, een dichtsoort, voornamelijk gebruikt voor spot- en hekeldichten (carmen maledicum). Zij heeft waarschijnlijk haar oorsprong te danken aan het plagen en schertsen bij de feesten van Demeter (z. Iambe) en werd door Archilochus tot een bepaalden kunstvorm ontwikkeld. Van de epische poëzie, die tot dien tijd alleen beoefend was, onderscheidt zij zich door eenvoudiger taal en vluggere versmaat, daar in iederen voet de arsis tweemaal zoo lang is als de thesis.--Na Archilochus waren de meest bekende iambografen Simonides, Hipponax, Solon, en onder de Romeinen Catullus, Horatius, Martialis.

Iamblichus, Iamblichos, 1) van Babylon, grieksch romanschrijver in de 2de eeuw na C. Van zijn groote roman Babyloniaka is nog een uittreksel over.--2) van Chalcis in Coelesyria, neo-platonisch wijsgeer onder Constantijn d. G., leerling van Porphyrius. In zijne werken tracht hij de stelsels van Plato en Pythagoras te vereenigen, hij verdedigt alle godsdienstige begrippen, zoowel van Grieken en Romeinen als van verscheiden oostersche volken, tegen het Christendom en leert dat waarzeggerij en tooverij noodzakelijk zijn om de betrekking tusschen goden en menschen in stand te houden. Hijzelf werd door zijne leerlingen voor een heilig wonderdoener gehouden. Hij heeft vooral invloed gehad op keizer Julianus.

Iamnia, Iamneia, aanzienlijke stad in het Z.W. van Palaestina, niet ver van de zee.

Iamus, Iamos, zoon van Apollo en Euadne. Hij werd door Aepytus opgevoed, en toen hij volwassen was, ging hij op bevel van Apollo naar Olympia, waar hij als waarzegger beroemd werd, en de stamvader werd der Iamiden (Iamidai), een geslacht van priesters en waarzeggers te Olympia.

Iana, echtgenoote van Janus, oud-italische maangodin, waarschijnlijk dezelfde als Diana.

Ianiculus (mons), een der bergen van Rome, aan de overzijde van den Tiber. Op den top lag eene versterking, arx, waar bij volksvergaderingen eene roode vaan opgesteld en door eene wacht bewaakt werd. Deze gewoonte dagteekende uit den tijd, toen men nog op zijne hoede moest zijn tegen een onverwachten overval der naburige volken. Werd de vlag weggenomen, dan moest de vergadering uiteengaan.

Ianus, de god van deuren en poorten; vandaar heet hij Clusius (Clusivius), sluiter, en Patulcius, opener. Daar iedere deur, om zoo te zeggen, naar binnen en naar buiten ziet, wordt Janus afgebeeld met twee gezichten (Janus Geminus, Biceps, Bifrons); zoo komt hij het eerst op de munten voor, en wel op den ouden koperen as, terwijl men voor de kleinere stukken koppen van grieksche goden nam. Verder is Janus de god van alle begin, en de eerste maand des jaars (Januarius), en de eerste dag van elke maand (Kalendae) is aan hem gewijd; ook het eerste uur van den dag; vandaar heet hij Pater Matutinus. Hij waakt ook over het begin van het leven van ieder mensch, en heet als zoodanig Consevius. Zijn priester is de rex sacrorum, die hem o.a. op den 9 Jan. (Agonium) een ram offert in de regia. Een tempel had Janus oorspronkelijk niet, slechts een doorgang (Janus Geminus) aan den N.O.hoek van het forum was hem gewijd, ook Janus Quirinus geheeten, omdat hij toegang geeft tot de staatsmarkt, het forum Romanum. Deze doorgang moest steeds openstaan, tenzij er nergens oorlog was. Volgens de sage heeft Numa dezen Janus gesticht en ééns gesloten; in historischen tijd is hij viermaal gesloten geweest, ééns in 235, na het einde van de oorlogen op Sardinië en in Ligurië, en drie maal tijdens Augustus. Na den zeeslag bij Mylae (260) heeft C. Duilius, de overwinnaar in dien slag, Janus een tempel gewijd vóór de Porta Carmentalis, aan het forum holitorium. Zijne beelden hebben gewoonlijk een sleutel in de linkerhand, in de andere een staf zooals de portiers; bij deuren en poorten plaatste men gewoonlijk een borstbeeld van hem met twee aangezichten, die naar binnen en naar buiten gericht waren. Deze aangezichten waren meestal gelijk, soms echter was het eene jong, het andere oud, of het eene mannelijk, het andere vrouwelijk.

Iapetus, Iapetos, zoon van Uranus en Gaea, een van de Titanen, die deel nam aan den oorlog tegen Zeus en daarom in den Tartarus is opgesloten. Hij was de vader van Atlas, Menoetius, Prometheus en Epimetheus. V. a. een van de Giganten, zoon van Tartarus en Gaea.

Iapis = Iapyx no. 2.

Iapodes of Iapydes, Iapodes, illyrisch-keltisch bergvolk in Illyricum, op de grenzen van Liburnia en Histria. Hun land werd Iapydia genoemd. Zij tatouëerden zich. Onder Augustus werden zij voor goed onderworpen.

Iapygia, Iapygia, oude naam voor de Z.O. punt van Italia, thans Terra d'Otranto. Bij dichters = Calabria of ook wel Apulia.

Iapygium promunturium, Iapygia akra, ook wel prom. Sallentinum, Z.O. kaap van Italia, thans Capo di Leuca.

Iapyx, Iapyx, 1) zoon van Lycaon of van Daedalus, voerde eene kolonie van Cretensers naar Iapygië, dat naar hem genoemd is.--2) geneesheer van Aeneas.--3) de Noordwestenwind, die gunstig is voor hen, die van Brundisium naar Griekenland varen; bij de Romeinen heet hij gewoonlijk Favonius. Zie Windstreken.

Iarbas, zie Hiarbas.

Iardanus of -us, Iardanes, -os, naam van twee riviertjes, het eene op Creta nabij de stad Cydonia, het andere in Elis ten N. van Phea.

Iardanis, Iardanis, Omphale, dochter van den lydischen koning Iardanus.

Iasides, Iasides, zoon of afstammeling van Iasus of Iasion, bijv. Amphion, Palinurus, e. a.

Iasion, Iasius, Iasion, Iasios, zoon van Zeus of Corythus en Electra, geliefde van Demeter, die hem een zoon baarde, Plutus. Hij werd door Zeus uit minnenijd met den bliksem gedood. Met zijn broeder Dardanus werd hij op Samothrace in de mysteriën ingewijd, die hij ook op Sicilië ingevoerd zoude hebben.

Iasis, Atalante, dochter van Iasus.

Iaso, Iaso, dochter van Asclepius, godin der geneeskunde.

Iason, Iason, 1) zoon van Aeson, koning van Iolcus. Toen deze door zijn broeder Pelias van de regeering beroofd was, liet hij Iason naar Chiron brengen, die hem opvoedde. Op zijn twintigste jaar kwam Ias. naar Iolcus terug en eischte dat Pelias de regeering aan Aeson zou teruggeven; deze beloofde aan dien eisch te zullen voldoen, wanneer Ias. voor hem het gouden vlies (z. Phrixus) uit Aea wilde halen; hij gaf voor dat hem dit werk door een orakel was opgedragen, maar dat hij zich te oud gevoelde om het ten uitvoer te brengen. V. a. had Ias. bij zijne eerste ontmoeting met Pelias toevallig een schoen verloren, en had deze hem de onderneming opgedragen om hem te verwijderen, daar een orakel hem gewaarschuwd had voor iemand met één schoen. Ias. ondernam nu aan het hoofd der Argonauten (z. a.) den hem opgedragen tocht. Toen hij in Aea aangekomen was en aan koning Aeetes zijn verlangen had kenbaar gemaakt, verklaarde deze zich bereid de gouden vacht te geven, indien hij twee vuurspuwende stieren met metalen hoeven voor den ploeg spande, daarmede een stuk gronds omploegde, in de voren draketanden zaaide en de daaruit opgekomen mannen doodde; verder moest hij nog een reusachtigen draak dooden, die de vacht bewaakte en nooit sliep. Door de toovermiddelen van Medea (z. a.) was Ias. in staat deze moeilijke taak te vervullen, en toen Aeetes uitvluchten zocht, roofde hij met hare hulp de vacht en vluchtte hij met zijne reisgezellen en met Medea. Aeetes vervolgde hen, doch te vergeefs (z. Apsyrtus en Alcinous). Te Iolcus teruggekeerd, vonden zij dat Aeson en zijn geheel geslacht door Pelias vermoord waren; door een list van Medea werd Pelias (z. a.) gedood en Ias. gaf de regeering vrijwillig of gedwongen aan Acastus over. Hij trok daarop met zijne echtgenoote naar Corinthe, vatte liefde op voor Creusa (no. 4) en huwde haar; toen zij door de wraak van Medea gedood was, bracht ook hij zich om het leven. V. a. had hij zich eens op de landengte van Corinthe onder de Argo te slapen gelegd, en was hij door het instorten van het oude schip gedood.--2) tyran van Pherae, kwam omstreeks 378 aan de regeering en maakte zich in weinige jaren van de heerschappij over een groot deel van Thessalië meester. Hij was de bondgenoot van de Thebanen tegen de Spartanen, ofschoon hij na den slag bij Leuctra beide partijen tot matiging aanspoorde. Terwijl hij, naar men algemeen geloofde, met groote plannen omging, nl. om geheel Griekenland onder zijne heerschappij te brengen en den oorlog tegen Perzië te hervatten, werd hij in 370 vermoord.

Iasus, Iasos of Iassos, stad op de kust van Caria, met veel vischvangst, aan den sinus Iassicus. In de nabijheid stond onder den blooten hemel een standbeeld van Hestia, dat zelfs bij regen nimmer nat werd. De stad was gesticht door Argiven, later bevolkt door Milesiërs.

Iaxartes, Iaxartes, rivier in aziatisch Scythia, thans Syr-Daria, uitloopende in het Aral-meer; in de oudheid nam men echter aan, dat ze evenals de Oxus in de Caspische zee mondde; wel kende men een Oxia palus van hooren zeggen, maar dat de Oxus en Iaxartes hierin uitliepen, wist men niet. Z. ook Oxus. De Oxeiane limne, door Ptolemaeus vermeld, is niet het Aral-meer, maar de lacus Oaxus, een bronmeer in het Pamir-gebergte, waarschijnlijk het Victoriameer.

Iazyges, Iazyges, machtig sarmatisch volk aan de palus Maeotis (zee van Azow). Later trokken zij westwaarts en vestigden zich tusschen de Tisia (Theiss) en den Danubius. In de 4de eeuw na Chr. komen ze steeds als bondgenooten van de Quaden voor.

Iberia, Iberia, 1) grieksche naam voor Hispania.--2) landschap ten Z. van den Caucasus en ten O. van Colchis, thans Georgië, waarmede de Rom. onder Pompeius kennis maakten. Dit zeer vruchtbare gewest was geheel door bergen ingesloten en slechts door enkele passen toegankelijk. De bevolking was niet oorlogzuchtig, woonde in goed gebouwde huizen en was in kasten verdeeld.

Iberus, Iber, rivier in Hispania, thans Ebro, een tijd lang grensscheiding tusschen rom. en carthaagsch Hispania.

Ibycus, Ibykos, van Rhegium, grieksch lierdichter, die eenigen tijd aan het hof van Polycrates op Samus leefde en overigens een zwervend leven leidde. Op eene reis naar Corinthe werd hij door struikroovers gedood, terwijl een zwerm kraanvogels over zijn hoofd heenvloog, die hij aanriep om zijn dood te wreken. Toen nu kort daarna weder een zwerm van dezelfde vogels gedurende een feest over den schouwburg van Corinthe vloog, riep een der moordenaars onwillekeurig uit: "de kraanvogels van Ibycus!" waardoor de schuldigen ontdekt en gestraft werden. Vandaar het spreekwoord: hoi Ibykou geranoi. Zijne gedichten behandelden voor een deel mythische onderwerpen, beroemder echter waren bij de ouden zijne minnedichten.

Icaria of Icarus, Ikaria, Ikaros, vroeger Doliche geheeten, eiland in de Aegaeïsche zee, ten W. van Samus, volgens de mythe genoemd naar Icarus, wiens lijk hier aan land spoelde. De omliggende zee werd Icarium mare geheeten.

Icaris, Icariotis, Penelope, dochter van Icarius no. 2.

Icarius, Ikarios, 1) ook Icarus of Icarion, atheensch landbouwer, die van Dionysus den wijnbouw leerde. Toen hij eenige herders wijn had laten proeven en zij daardoor bedwelmd geworden waren, doodden zij hem, in de meening, dat hij hen vergiftigd had. Zijne dochter Erigone (z. a.) zocht hem langen tijd, geholpen door haar trouwen hond Maera; toen zij zijn lijk vond, hing zij zich aan een boom op. De goden plaatsten Ic. als Bootes of Arcturus, Erigone als de Maagd, Maera als Procyon (Icarius canis) aan den sterrenhemel. Vgl. Entoria.--2) zoon van Oebalus, werd met zijn broeder Tyndareos door hun halfbroeder Hippocoon uit Lacedaemon verdreven, maar later door Heracles teruggebracht. Hij had de hand zijner dochter Penelope beloofd aan dengene, die in den wedloop de overwinning zoude behalen. Odysseus was de overwinnaar en voerde haar als zijne gade mede naar zijn rijk, hoewel Ic. hem smeekte in Lacedaemon te blijven.

Icarus, Ikaros, 1) zoon van Daedalus (z. a.).--2) koning van Carië, z. Thestor.

Iccius, een vriend van Horatius, die in 24 aan den krijgstocht van Aelius Gallus tegen de Arabieren deelnam en later op Sicilia leefde, waar hij misschien de landgoederen van Agrippa beheerde. Hij was een beoefenaar der wijsbegeerte.

Icelus, Eikelos, z. Morpheus.

Iceni of Simeni, Simenoi, machtig volk in Britannia, in het tegenw. Norfolk en Suffolk, het volk van koningin Boadicca (z. a.).

Ichnae, Ichnai, 1) stad in het macedonische landschap Bottiaea, dicht bij den Axius (Vardar).--2) stad in de thessalische landstreek Phthiotis.--3) stad in het N. van Mesopotamia, ten N. van Nicephorium, waar Crassus eene overwinning op de Parthen behaalde.

Ichthyophagi, Ichthyophagoi, naam van onderscheidene van vischvangst levende volksstammen aan de kusten der Indische zee en hare inhammen en op de Westkust van Afrika.

Icilia (lex) sacrata, van den volkstribuun Sp. Icilius in 492 of 471, dat alwie een volkstribuun, die tot het volk sprak, zou belemmeren of in de rede vallen, door een concilium plebis tot elke straf kon veroordeeld worden.

Iciliae (leges) van den volkstribuun L. Icilius, 1) dat de secessio bij de dwingelandij der tienmannen niemand tot vergrijp zou worden aangerekend (449).--2) dat de mons Aventinus, die nog ager publicus was, aan de patricische erfpachters ontnomen en onder de plebejers verdeeld zou worden (456). Zie Icilii.

Icilii, plebejisch geslacht, dat tusschen 493 en 408 verscheidene volkstribunen heeft opgeleverd en bij de secessiones in 494 en 449 eene belangrijke rol speelde. O. a. is Sp. Icilius (v. a. Acilius) één van de 4 volkstribunen geweest, die ten gevolge van de lex Publilia Voleronis voor het eerst tributim in 471 zijn gekozen. De berichten omtrent de secessiones van 494 en 449 zijn tamelijk waardeloos, en dus ook de namen der daarbij optredende personen. Zie ook onder Duilii no. 1. Volgens sommigen is het feit dat Sp. Icilius in 471 tribunus plebis was, het eenige historisch betrouwbare bericht omtrent deze familie en de op hun naam staande wetten.

Iconium, Ikonion, volkrijke en welvarende hoofdstad van Lycaonia in Asia minor.

Ictinus, Iktinos, beroemd bouwmeester te Athene ten tijde van Pericles. Tot zijne belangrijkste werken behooren het Parthenon en de tempel van Demeter en Persephone te Eleusis.

Icus, Ikos, een van de noordelijke Cycladen, in de nabijheid van Peparethus.

Ida, Ide, dochter van Melisseus, een van de beide nimfen, die Zeus opvoedden.

Ida, Ide, Ide, boschrijk gebergte in Troas en het achterliggende Phrygia. Het was ook rijk aan bronnen. Idaea mater = Cybele, die hier vereerd werd; Idaeus puer = Ganymedes. Ook op Creta was een Ida-gebergte, met de grot, waarin Zeus was groot gebracht.

Idaea mater, Idaia, bijnaam van Rhea Cybele, naar den berg Ida, den hoofdzetel van haar eeredienst.

Idaei Dactyli = Dactyli Idaei.

Idaeus, Idaios, 1) zoon van Dardanus en Chryse, die met zijn vader in Phrygië kwam, en op den berg Ida den dienst van Rhea Cybele instelde.--2) trojaansch heraut.--3) zoon van Dares.

Idalia, Idalia, bijnaam van Aphrodite, naar den berg Idalium, waar zij een beroemden tempel had.

Idalium, Idalion oros, phoenicische stad in het binnenland van Cyprus, met een Aphrodite-tempel.

Idas, Idas, een van de Apharetiden (z. a.), ontvoerde Marpessa, de dochter van Euenus, koning van Aetolië, op een gevleugelden wagen, die hem door Poseidon geschonken was. Euenus vervolgde hem, vergezeld door Apollo, die eveneens het meisje begeerde, maar daar hij hem niet konde inhalen, stortte hij zich in de rivier Lycormas, die sedert dien tijd Euenus heet. Door Apollo in Messene gevonden, waagde Idas een gevecht met den god, maar Zeus scheidde hen en besliste dat Marpessa moest kiezen. Daar zij vreesde dat Apollo haar niet trouw zoude blijven, gaf zij aan Idas de voorkeur.

Idistavisus, vlakte aan den Visurgis (Weser), nabij de Porta Westphalica, waar Germanicus op de Cheruscers de nederlaag van Varus wreekte (16 n. C.).

Idmon, Idmon, een waarzegger, die de Argonauten vergezelde, ofschoon hij wist, dat hij onderweg zou omkomen. Hij stierf in Bithynië aan eene ziekte of aan den beet van een slang of een wild zwijn. De stad Heraclea was, naar het heette, rondom zijn graf gebouwd.

Idomene, Eidomene, stad in het macedonische gewest Mygdonia, aan den Axius (Vardar).

Idomeneus, Idomeneus, zoon van Deucalion no. 2, koning van Creta. Als een van hen, die naar de hand van Helena (z. a.) gedongen hadden, trok hij later mede tegen Troje op, waar hij zich door dapperheid onderscheidde. Op de terugreis door een geweldigen storm overvallen, deed hij de gelofte, dat hij aan Poseidon zou offeren wat hem in zijn vaderland het eerst zoude ontmoeten, en hij volbracht die gelofte, ofschoon zijn eigen zoon het slachtoffer er van werd. Toen ten gevolge hiervan door den toorn der goden een pest op Creta uitbrak, werd Id. verjaagd; hij ging naar de kust van Calabrië, vanwaar hij later naar Colophon ging of naar Creta terugkeerde. Zijn graf meende men te Cnosus te vinden, waar hij met Meriones als heros vereerd werd.

Idothea, Eidothea, dochter van Proteus.

Idrias, Idrias, stad en landstreek in Carìa, zie Stratonicea.

Idubeda, gebergte in Hispania, ten Z. van en ongeveer evenwijdig met den Iberus (Ebro), een deel van het tegenw. Cantabrisch gebergte.

Idumaea, Idymaia, Edôm, het land ten Z. van Palaestina.

Idus, de 15de dag der maanden Maart, Mei, Juli en October, in de overige maanden de 13de. Oorspronkelijk vielen de Idus samen met de volle maan, daarom zijn zij in het bijzonder gewijd aan Jupiter. Zie verder annus.

Idylle, eidyllion, een klein gedicht, bevattende schetsen uit het dagelijksch leven van herders en andere op het land levende personen van lageren stand.

Ientaculum, een licht ontbijt 's morgens vroeg voor degenen, die niet konden wachten tot het prandium, dat later in den voormiddag werd genomen en het karakter van een lunch droeg.

Iërne = Hibernia.

Ietae, Ietai, stad en berg op Sicilia, ten Z.W. van Panormus (Palermo).

Igilium, eilandje nabij de kust van Etruria, tegenover den mons Argentarius.

Ignominia, het verlies van goeden naam, eene oneer of openbare vernedering, welke men zich op den hals haalde door verkeerde handelingen of eene minder voegzame leefwijze, die wel niet onder het bereik der strafwetten vielen, maar toch van den kant der censoren eene openlijke berisping of terugzetting ten gevolge konden hebben. Zie ook infamia.

Iguvium, Igouion, aanzienlijk municipium in het hart van Umbria, aan de Z.W. helling van den Apenninus met een beroemden tempel van Jupiter, thans Eugubbio (Gubbio). Onder de puinhoopen van den tempel werden in de 15de eeuw na C. door een boer zeven koperen platen met opschriften in het Umbrisch gevonden, die meer dan duizend umbrische woorden bevatten en onder den naam van tabulae Eugubinae nog op het raadhuis te Eugubbio (Gubbio) bewaard worden.

Ilaira = Hilaira.

Ile, troep, schaar, in het bizonder afdeeling ruiterij. De macedonische lichte ruiterij (sarissophoroi) bestond uit 8 ilai van 128 man, de zware uit 15 van 200 man, waarbij nog eene zestiende kwam als koninklijke eerewacht (agema, ile basilike).

Ilercavones, Ilergavonenses, volk in Hispania aan den mond van den Iberus (Ebro). Hoofdstad: Dertosa (Tortosa).

Ilerda, thans Lerida, hoofdstad der Ilergetes in Hispania. Caesar versloeg hier Afranius en Petreius, legaten van Pompeius, in 49.

Ilergetes, aanzienlijk volk in Hispania tusschen den Iberus (Ebro) en de Pyrenaeën, met de steden Ilerda (Lerida) en Osca (Huesca).

Ilia = Rea Sylvia.

Iliades, Iliades, 1) Ganymedes, zoon van Ilus.--2) Romulus of Remus, zoon van Ilia.--3) soms algemeen voor Trojaan.

Ilienses, 1) inwoners van Ilium.--2) volksstam op Sardinia.

Ilion, -um, Ilion, Ilios = Troia.

Ilione, Ilione, dochter van Priamus en Hecabe, gehuwd met Polymestor. Zie Polydorus no. 2.

Ilipa, stad aan den Baetis (Guadalquivir) in Baetica, ten N. van Hispalis (Sevilla).

Ilis(s)us, Ilis(s)os, riv. in Attica, die op den Hymettus ontspringt en langs Athenae stroomt.

Ilithyia, Eileithuia, Eleutho, dochter van Zeus en Hera, godin die de vrouwen bij het baren helpt. Soms wordt van meer dan eene Il. gesproken; Hera en Artemis worden ook dikwijls Il. genoemd. Zij komt overeen met de rom. Juno Lucina.

Ilium, -on, Ilion, Ilios = Troia.

Illiberis, Illiberis, 1) stad in Baetica, nabij de bronnen van den Singulis (Xenil), thans Elvira.--2) stad in Gallia tusschen Narbo Martius en de grens van Hispania, eerst aanzienlijk, later vervallen, door Constantijn den Gr. herbouwd en naar zijne moeder Helena genoemd, thans Elne.

Illiturgis, Ilourgeia, belangrijke bergstad der Turduli, geheel in het Oosten van Baetica, aan den Baetis (Guadalquivir), in 210 door Scipio (Africanus) veroverd en verwoest, later herbouwd als Forum Iulium.

Illurgavonenses = Ilercavones.

Illustres, titel der hoogste klasse van ambtenaren onder Constantijn den Gr. Hiertoe behoorden de praefecti der vier praefecturae, waarin het rijk verdeeld was, en de zeven hoogste hofbeambten: de quaestor sacri palatii, minister van justitie en wetgeving, de magister officiorum of hofmaarschalk, de comes sacrarum largitionum, minister van financiën, de comes rerum privatarum, administrateur van 's keizers bijzonder vermogen, de praepositus sacri cubiculi of opperkamerheer, de beide comites domesticorum (equitum en peditum) of bevelhebbers der lijfwacht.

Illyricum, Illyris, to Illyrikon, Illyris. Het bergland tusschen Epirus en Histria, langs de Oostkust der Adriatische zee werd bij de Grieken Illyris of Illyria, bij de Rom. Illyricum genoemd. Het zuidelijke gedeelte tot aan den Drilon heette Illyris Graeca, met de steden Dyrrhachium (Epidamnus) en Apollonia, en hoorde in den romeinschen tijd tot Macedonia; het noordelijke heette Illyris Barbara of Romana. Van dit laatste werd wederom het Z.O.deel Dalmatia, het N.W. Liburnia genoemd. De rom. provincie Illyricum omvatte het tegenw. Dalmatië met Bosnië en Herzegowina. In het jaar 8 na C. kreeg de geheele provincie den naam Dalmatia (z. a.). Onder Diocletianus werd het geheele rom. rijk in vier praefecturen verdeeld; de praefectura Illyrici strekte zich toen uit van den Donau tot over geheel Griekenland; het oude rom. Illyricum behoorde er echter niet meer toe, zoodat de residentie Sirmium juist aan een uithoek lag, terwijl ten O. de mons Rhodope (Despotodagh) de grens vormde.

Ilus, Ilos, 1) zoon van Dardanus en Batea, volgde zijn vader in de regeering over Dardania op; daar hij kinderloos stierf, was zijn broeder Erichthonius zijn opvolger.--2) zoon van Tros en Callirrhoë, behaalde eens in Phrygië bij een wedstrijd in het worstelen de overwinning, en kreeg als prijs 50 jongelingen en 50 meisjes benevens een koe, met de opdracht van het orakel, om eene stad te stichten waar de koe zich zou nederleggen. Dientengevolge bouwde hij op een heuvel de stad Ilium, en toen hij Zeus om een teeken bad, dat hij het orakel goed begrepen had, vond hij den volgenden morgen voor zijn tent het Palladium.--V. s. had hij Tantalus en Pelops uit Paphlagonië verdreven.--3) zoon van Mermerus van Ephyre, bij wien Odysseus een middel ging halen om zijne pijlen te vergiftigen, wat hem echter geweigerd werd.--4) = Ascanius (z. a.). Zie ook Iulus.

Ilva, z. Aethalia.

Ilvates, ligurisch volk, dat aan de Noordzijde van den Apenninus ten N.O. van Genua woonde.

Imachara, stad in het binnenland van Sicilia ten N.O. van Henna.

Imagines, zie ius imaginum.

Imaus, Imaon oros, zie Emodi montes.

Imbrasia, Imbrasia, bijnaam van Hera, naar haar tempel aan de rivier Imbrasus; ook bijnaam van Artemis.

Imbrasus, Imbrasos, 1) rivier op het eiland Samus.--2) riviertje op Euboea, bij Taminae uitmondend.

Imbrus, -os, Imbros, eiland in het noordelijk gedeelte van de Aegaeïsche zee, bergachtig en boschrijk, een zetel van den dienst der Cabiren. Miltiades (z. a.) veroverde van uit de Chersonesus het eiland, dat voortaan in het bezit bleef van Athene.

Immaradus, Immarados, zoon van Eumolpus, sneuvelde met zijn vader in den oorlog tegen Erechtheus.

Imperator. Wanneer een veldheer eene luisterrijke overwinning had behaald, begroetten zijne soldaten hem met den titel imperator. Zijne lictoren doorvlochten alsdan hunne bijlbundels met lauriertakken, terwijl hij in een omlauwerden brief (litterae laureatae) den senaat bericht van zijne overwinning zond en achter zijn naam den imperatorstitel voegde. Wanneer hij dan in Italia teruggekeerd was, bleef hij met zijn leger buiten Rome gekampeerd, en verzocht den senaat een zegetocht binnen Rome te mogen houden. Kwam hij evenwel vóór dien tijd binnen de stad, dan verspeelde hij zijne aanspraken en zijn titel. Niet altijd werd de triumftocht toegestaan. In dit geval gebeurde het somtijds, dat de imperator een zegetocht op den albaanschen berg hield, ook wel eens, dat hij tegen den wil van den senaat onder de bescherming van één of meer volkstribunen zijn feestelijken intocht in de stad hield. In 143 werd den consul App. Claudius Pulcher (Claudii no. 12) de eer eener zegepraal geweigerd en een der volkstribunen dreigde hem van zijn wagen af te rukken, zoo hij toch den triumftocht ondernam. Toen sprong zijne dochter Claudia, eene Vestaalsche maagd, op den zegewagen, sloeg haar arm om haar vader heen, en niemand waagde verder eenig verzet. Zie verder triumphus. Augustus en de volgende keizers kregen het imperatorschap voor hun leven, dus als blijvenden titel, waarmede het veldheerschap over al de legers van het rijk gepaard ging. Zij voeren den titel vóór hun naam.

Imperium, was een bestanddeel van de macht van overheidspersonen, die geroepen konden worden om een leger aan te voeren of recht te spreken. Verder was daaraan verbonden het ius cum populo agendi, d.w.z. het recht om de comitia bijeen te roepen, het ius cum patribus agendi, het recht om den senaat bijeen te roepen, en het ius coërcitionis, het recht van bestraffing. Dit recht hadden de consuls, de praetoren, de dictator, de magister equitum, de interrex. Ook behoorde het bij de tijdelijk ingestelde ambten der decemviri legibus scribundis en der tribuni militum consulari potestate. Het imperium werd na de aanvaarding van het ambt verleend door eene lex curiata, die den wettig gekozen ambtenaar niet mocht geweigerd worden.

Impluvium, zie compluvium en atrium.

Inachides, Inachides, Epaphus, kleinzoon van Inachus. Soms in het algemeen voor een argivisch man, bijv. Perseus.

Inachis, Inachis, Io, dochter van Inachus, ook Isis, wanneer zij met Io vereenzelvigd wordt. Soms in het algemeen voor eene argivische of grieksche vrouw.

Inachus, Inachos, 1) zoon van Oceanus en Tethys, die na den watervloed van Deucalion de vlakte van Argos bewoonbaar maakte door al het water te vereenigen tot eene rivier, die vandaar zijn naam draagt. Hij vestigde het argivische rijk, waarvan hij de eerste koning was. Toen Poseidon en Hera over het bezit van Argos twistten, besliste hij ten gunste van Hera; door den toorn van Poseidon is Argos arm aan water. De dochter van Inachus was Io (Inachia iuvenca).--2) rivier van Argolis, die, voor zij de kust bereiken kan, in het zand verloopt. Zij is in den zomer droog.

Inarime = Aenaria.

Inaros, Inaros, lybisch koning, die onder Artaxerxes I een grooten opstand van Aegypte tegen de Perzen verwekte, waarbij hij door de Atheners ondersteund werd (459-454). Wel werd een perzische vloot op den Nijl vernietigd, Memphis ingenomen en nog andere voordeelen behaald, doch toen de atheensche vloot door Megabyzus vernietigd was (454), kon In. zich niet lang meer staande houden, hij gaf zich over, en werd vijf jaar later gekruisigd.

Inauguratio, zie Augures.

Incensus werd de burger genoemd, die zich bij den census verzuimde aan te geven, ten einde den krijgsdienst te ontduiken. Het was volkomen logisch dat men hem als slaaf verkocht en wellicht in den oudsten tijd ter dood bracht, daar hij zichzelf het burgerrecht niet waardig had gekeurd.

Incubatio = enkoimesis.

Incubus, z. Faunus.

India, India. Dit land was den Grieken weinig meer dan bij naam bekend, totdat Alexander de Gr. tot aan den Hyphasis, een der takken van den Indus, doordrong. Seleucus Nicator, de stichter van het Seleucidenrijk, kwam in India tot aan den Ganges en sloot met den indischen vorst Sandracotta een verbond. Toen evenwel onder zijne opvolgers Ariana weder verloren ging, werden de betrekkingen met India weder verbroken. Omtrent grootte en vorm hadden de ouden zeer onvolledige begrippen. Bij naam echter kenden en onderscheidden zij eenige gedeelten, als India intra en extra of trans Gangem, entos kai ektos tou Gangou, waaronder zij Voor- en Achter-Indië verstonden, de Aurea Chersonesus (Malakka), het eiland Taprobane (Ceylon), dat zij zich reusachtig groot voorstelden, de insula Agathodaemonis (Sumatra), Jaba (Java), enz.

Indibilis, vorst der Ilergeten in Hispania Tarraconensis. In den tweeden punischen oorlog wist Scipio (Africanus) hem door eene edelmoedige behandeling voor de rom. belangen te winnen. Indibilis betoonde zich evenwel trouweloos, doch werd door Scipio weder in genade aangenomen. Na diens vertrek viel hij opnieuw af, en sneuvelde toen.

Indicetae of Indigetes, Indiketai, volk in den N.O. uithoek van Tarraconensis. Hoofdstad: Emporium of Emporiae.

Indigetes dii = Dii indigetes.

Indigitamenta zijn gebedsformulieren, die door de pontifices in hun archief bewaard werden, en waarin steeds meerdere godheden aangeroepen werden, of ook wel ééne godheid onder meerdere namen, uit vrees de goddelijke hulp, die men inriep, anders niet deelachtig te zullen worden. Hierdoor werd het aantal goden van den oudsten Romeinschen eeredienst door splitsing van de eigenschappen tot in het oneindige vermeerderd. Zoo was Terminus (z. a.) oorspronkelijk een bijnaam van Jupiter. Vooral bij geboorte en huwelijk, in de eerste levensjaren van het kind en bij den landbouw werden dergelijke goden aangeroepen; bij het zaaien o.a. 12 verschillende goden. Bovendien drukte men zich met opzet, om geen godheid uit te sluiten, erg algemeen uit, en voegde aan de formule nog toe: sive deus sive dea, of sive mas sive femina, of ook wel sive quo alio numine fas est nominare.

Induciomarus, 1) een aanvoerder der Treviri in Gallia ten tijde van Caesar, door diens legaat Labienus verslagen en gedood (54).--2) een hoofd bij het gezantschap der Allobroges te Rome onder Cicero's consulaat (63).

Indus, Indos, 1) rivier, die door Cabalia of Cibyratis stroomt en tegenover het eiland Rhodus in zee valt.--2) rivier, thans nog Indus geheeten, ook Sindh, ten W. van Voor-Indië, eens de grens van het groote rijk der Perzen. Een zijtak is de Acesines, die wederom den Hydaspes, den Hydraotes, den Zadadrus en den Hyphasis opneemt. Tot aan den Hyphasis drong Alexander d. Gr. door. De genoemde bijrivieren vormen den Pendsjâb, het land der vijf stroomen.

Inessa of Inesa, oude naam der stad Aetna, aan den voet van den berg Aetna (z. a.).

Infamia, sterker dan ignominia, eerloosverklaring, waarmede het verlies van enkele rechten gepaard ging als: ius suffragii, ius honorum, de bevoegdheid om in rechten op te treden of getuigenis af te leggen. De infamie kon een gevolg zijn van eene veroordeeling; zij kon ook ex edicto praetoris toegepast worden wegens onteerende handelingen of het uitoefenen van een verachtelijk bedrijf.

Infelix arbor. Sommige boomen werden bij de Romeinen infelices arbores geheeten, zooals bijv. de oleaster of wilde olijf. Daar zulke boomen aan de onderaardsche goden gewijd waren, werden zij ook wel gebezigd, om er misdadigers aan op te hangen of te kruisigen.

Inferum, s. Tyrrhenum mare, de Tyrrheensche of Toscaansche zee, ten W. van Italië.

Infula, stemma, een breede, meestal wollen haarband of doek, die om het hoofd gewonden en door een vitta (lint) vastgehouden werd, zoodat de einden aan weerszijden afhingen. Zij was een zinnebeeld van onschendbaarheid, en werd o. a. door de vestaalsche maagden en later ook door de keizers gedragen.

Ingaevones, gemeenschappelijke naam der germaansche volken, die langs de kusten der Noordzee woonden; tot hen behoorden de Cimbren en Teutonen, de Chauken en de Friezen.

Ingauni, Ingaunoi, volk op de ligurische kust, met de stad Album Ingaunum, ten Z.W. van Genua. Tgw. Albenga.

Ingenuus, de eerste van de zoogenaamde dertig tyrannen (zie triginta tyranni no. 2), die zich na de gevangenneming van keizer Valerianus, in Pannonië tot Augustus liet uitroepen. Keizer Gallienus trok van Gallië uit hem tegemoet, en versloeg hem in 258 n. C. bij Mursa in Pannonië.

Iniuria, eerroof en persoonlijke beleediging. De wetten der XII tafelen vermeldden twee soorten: lichamelijke beleediging (o.a. membrum ruptum, os fractum) en spotliederen (occentatio), v. s. ook het uitspreken van betooveringsformulieren (malum carmen incantare). Het ius praetorium breidde echter het begrip iniuria aanmerkelijk uit en stond ook voor andere gevallen eene actio iniuriarum toe.

Ino, Ino, dochter van Cadmus en Harmonia, echtgenoote van Athamas (z.a.). Na haar dood werd zij door Poseidon onder de godheden der zee opgenomen, en onder den naam Leucothea op vele zeeplaatsen vereerd. Op Rhodus droeg zij den naam Italia, en verhaalde men, dat zij bij Poseidon moeder geworden was van zes zonen en eene dochter.--V.a. was zij door de Nereïden naar de monden van den Tiber gebracht, en toen Juno haar ook daar vervolgde, naar Rome gevlucht, waar Carmentis haar gastvrij opnam. Op raad van deze nam zij een inheemschen naam aan, en sedert wordt zij als Matuta (z. a.) vereerd.

Inous, Inoos, Melicertes, zoon van Ino.

Inquilinus, 1) de huurder van een huis, tegenover colonus, de pachter van een stuk land. In den lateren keizertijd worden beide uitdrukkingen dooréén-gebruikt voor den colonus.--2) de inwoner van een municipium, die naar Rome verhuist. Zoo noemde Catilina Cicero, die uit Arpinum stamde, hetgeen de verontwaardiging van den senaat opwekte.

Inscriptio als rechtsterm, het opmaken van het procesverbaal eener aanklacht en de onderteekening daarvan door den aanklager. Zie subscriptio.

Instaurativi (ludi), z. Ludi.

Instita, geplooide strook of aanzetsel, onder aan het romeinsch vrouwengewaad, waardoor dit laatste slepend werd. Vermoedelijk kon de instita aan- en afgehaakt worden.

Institutiones, z. Gaius.

Insubres, Insoubroi, machtige gallische stam in Gallia Transpadana, waarmede de Romeinen lang oorlog hebben moeten voeren. Hunne hoofdstad was Mediolanium (Milaan).

Insula, groot alleenstaand huis of wel een blok huizen, aan alle zijden door straten ingesloten. Daar de huurwoningen te Rome in groote blokken werden gebouwd, kreeg insula allengs de gewijzigde beteekenis van huurwoning, in tegenoverstelling van domus als eigen huis. De slaaf of vrijgelatene, wien het opzicht over het blok en het ophalen der huur was opgedragen, werd insularius genoemd. Een enkele maal wordt dit woord ook gebezigd voor den huurder eener woning.

Insula Allobrogum, de vlakte tusschen de Isara (Isère) en den Rhodanus (Rhône).

Intemilii, volk op de ligurische kust met de stad Album Intemilium, aan den voet der Alpes maritimae (Zee-Alpen).

Interamna, 1) stad in het Z. van Umbria, thans Terni, aan de rivier den Nar en aan de via Flaminia gelegen, lat. kolonie, geboorteplaats van keizer Tacitus. De inwoners werden Interamnates Nahartes genoemd. Niet ver boven de stad de beroemde watervallen (zie Avens).--2) stad in Latium aan den Liris, sedert 312 lat. kolonie.

Interamnia Praetuttiorum, stad in het land der Praetuttii in Picenum.

Intercatia, stad der Vaccaei in Hispania, ten N. van den Durius (Douro).

Intercessio, tusschenkomst of verzet van een overheidspersoon te Rome tegenover een ambtgenoot of tegenover lagere overheden en der volkstribunen tegenover alle andere magistraten (den dictator uitgezonderd). Zie appellatio. Hierbij deed zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat de praetoren, hoewel ondergeschikt aan de consuls, toch, omdat zij onder gelijke auspiciën werden gekozen, collegae van de consuls waren. Al waren zij nu ook collegae minores, toch konden zij dus de comitiën, door consuls gehouden, storen. Als rechtsterm wordt intercessio gebruikt, wanneer de eene burger ten behoeve van den ander tusschen dezen en het gerecht treedt, bijv. door zich borg te stellen.

Intercidona, zie Deverra.

Intercisi (dies), zie Festi (dies).

Interdictum, een procesvorm, waarbij de praetor een tusschenuitspraak deed, hetzij in den vorm van een bevel (decretum) of van een verbod (interdictum). De naam interdictum is echter voor beide gevallen de heerschende geworden. Het diende dikwijls tot tijdelijke bevestiging van een bestaande toestand, bijv. tot aanwijzing, wie in het bezit der betwiste zaak zou blijven, totdat de rechter het vonnis had uitgesproken. Dikwijls ook diende het tot inleiding van een proces, waarbij dan de praetor voor beide partijen een interdict uitvaardigde, bijv. een verbod den rechtmatigen bezitter overlast aan te doen. Hieruit ontstond dan eene actie, waarbij de eene partij de andere beschuldigde tegen het bevel des praetors te hebben gehandeld, en die dan door dezen naar een iudex of naar recuperatores werd verwezen. Er zijn verschillende gevallen van interdicta.

Internum mare, he eso of entos thalatta, door de Rom. ook dikwijls nostrum mare genoemd, de tegenw. Middellandsche zee.

Interpres, algemeene naam voor tusschenpersonen, onderhandelaars, tolken, ook voor makelaars in stemmen bij verkiezingen.

Interrex, mesobasileus. Wanneer de koning te Rome gestorven was en geen opvolger terstond de regeering overnam, nam de senaat het bestuur op zich en wees door het lot uit zijn midden een interrex voor den tijd van vijf dagen aan, waarop dan een tweede, derde enz., volgden, ieder voor vijf dagen. Elke interrex benoemde zelf zijn opvolger. Ook onder de republiek kwam dit meermalen voor. Wanneer b.v. beide consuls gesneuveld waren of als vitio creati hun ambt hadden moeten neerleggen, dan keerden de auspiciën, zooals de term luidt, tot de patres (d. w. z. de patricische leden van den senaat) terug, en moesten er zoolang interreges optreden, totdat er een nieuwe consulsverkiezing had plaats gehad. Daar de comitiën eenigen tijd te voren moesten worden aangekondigd, konden de eerste interreges deze nooit houden. Deze waardigheid is nimmer anders dan door patriciërs bekleed.

Intestabilis is hij, die wegens infamia niet waardig is als getuige in rechten op te treden en ook geen ander als getuige kan oproepen. In ruimeren zin is een homo intestabilis een gemeen, eerloos mensch.

Inui castrum, vervallen zeestadje bij Ardea in Latium.

Inuus, bijnaam van Faunus.

Io, Io, dochter van Inachus, priesteres van Hera te Argos. Zeus beminde haar, en om haar aan de jaloersche vervolgingen van Hera te onttrekken, veranderde hij haar in een koe. Hera wist echter te verkrijgen dat die koe aan haar werd afgestaan en liet haar bewaken door Argus Panoptes (z. a.); toen deze door Hermes gedood was, kwelde zij haar door een horzel, die haar voortdurend stak en razend maakte. Om aan deze pijniging te ontkomen, zwierf Io lang door de meest verwijderde landen der aarde, totdat zij in Aegypte hare vroegere gedaante terug kreeg en moeder werd van Epaphus.

Iobates, Iobates, koning van Lycië, z. Bellerophon.

Iocaste, Iokaste, moeder en later echtgenoot van Oedipus (z. a.). Toen zij vernam dat zij met haar zoon gehuwd was, hing zij zich op.

Iol, zie Caesarea no. 6.

Iolaus, Iolaos, zoon van Iphicles, wagenmenner en vriend van Heracles. Hij was den held behulpzaam bij het bestrijden van de slang van Lerna, door een naburig woud in brand te steken en de gloeiende boomstammen aan te geven, waarmede de wonden van het monster dichtgeschroeid moesten worden. Bij de eerste olympische spelen behaalde hij de overwinning. Later trok hij met veertig zonen van Heracles naar Sardinië, waar hij een volkplanting stichtte en bij de woeste inwoners meer beschaafde zeden invoerde; van deze onderneming teruggekeerd, vond hij zijn vriend nog juist tijdig genoeg om den brandstapel voor hem op te richten, ook was hij de eerste die hem een offer bracht.--Toen de Heracliden door Eurystheus vervolgd werden, kwam hij uit de onderwereld terug om hen te helpen, v. s. was hij het die Eurystheus doodde of gevangen nam.

Iolcus, Iolkos, Iolkos, oude stad in het thessalische gewest Pelasgiotis, aan de Pagasaeïsche golf, de plaats van vertrek der Argonauten.

Iole, Iole, dochter van Eurytus, koning van Oechalia, door Heracles (z. a.) bemind; na zijn dood werd zij volgens zijn bevel de vrouw van Hyllus.

Ion, Ion, 1) de stamvader der Ioniërs, zoon van Xuthus en Creusa, huwde met Helice, de dochter van den koning van Aegialus, volgde zijn schoonvader in de regeering op, en noemde het volk Ioniërs. Door de Atheners in hun oorlog tegen de Eleusiniërs te hulp geroepen, wordt hij hun aanvoerder en na de overwinning hun koning; zijne zonen waren Hoples, Geleon, Aegicores en Argades, naar wie de vier ionische phylae genoemd zijn.--V. a. zoon van Apollo en Creusa, door zijne moeder te vondeling gelegd, en door Hermes naar Delphi gebracht, waar hij opgroeit en dienaar van den tempel wordt. Volgens een orakel nam Xuthus, die Creusa tot vrouw gekregen had, maar kinderloos gebleven was, hem tot zoon aan; Creusa, die vermoedt dat hij een onechte zoon van Xuthus is, wil hem vergiftigen, maar Apollo redt hem door een wonder en laat door de Pythia de verhouding tusschen moeder en zoon openbaren.--2) van Chius, tijdgenoot van Pericles, leefde in zijn jeugd geruimen tijd te Athene. Hij was de schrijver van verscheiden treurspelen en andere gedichten, tevens wijsgeer en geschiedschrijver, een man van smaak en fijne beschaving, zooals hij in zijn dagelijkschen omgang zoowel als in zijne werken toonde. Er zijn nog fragmenten van zijn werken over.--3) rhapsode van Ephesus, naar wien een van Plato's werken genoemd is.

Iones, Iones, een van de vier hoofdstammen der Grieken, die Attica, vele eilanden in de Aegaeïsche zee en een groot deel der Westkust van Kl. Azië bevolkt hebben. De ionische stam staat bovenaan, wat zeevaart en handel betreft. Zie ook Ionia en Achaia.

Ionia, Ionia, 1) oude naam voor het landschap Achaia in de Peloponnesus, voordat de Achaeërs de Ioniërs van daar verdreven hadden.--2) kustland met de voorliggende eilanden in Klein-Azië. Volgens de overlevering dagteekent de eerste ionische nederzetting aldaar, op de lydische kust, van ± 1044, toen onder aanvoering van Codrus' zonen Neleus en Androclus eene groote schaar naar Lydia overstak. Hier vormde zich allengs het ionisch stedenverbond: Phocaea, Clazomenae, Erythrae, Teos, Lebedus, Colophon, Ephesus, Priene, Myus, Miletus en de eilanden Samus en Chius. Ook de aeolische stad Smyrna voegde zich, vrijwillig of gedwongen, hierbij. Op kaap Mycale stond het Panionium, het gemeenschappelijk heiligdom van Poseidon, den ionischen stamgod. Croesus dwong de ionisch-aziatische Grieken de opperheerschappij van Lydia te erkennen; met Lydia kwamen zij in 545 onder Perzië. In 500 stonden zij vruchteloos tegen koning Darius I op, doch de perzische oorlogen maakten hen vrij, totdat de vrede van Antalcidas in 387 hen opnieuw aan Perzië prijs gaf. Verder deelden zij de lotgevallen van Klein-Azië. Ionia was het vaderland van de dichters Homerus, Mimnermus, Anacreon, van de schilders Zeuxis, Apelles, Parrhasius, van de wijsgeeren Thales, Anaximander, Anaxagoras, Xenophanes, van de geschiedschrijvers Hecataeus, Dionysius Milesius, e. a.

Ionium mare, Ionios pontos, de zee ten W. van Griekenland en Epirus. Het spreekt van zelf dat de uitgebreidheid eener open zee niet binnen grenzen te bepalen is. Sommigen breiden de ionische zee dan ook uit tot Sicilia; zelfs wordt de Adriatische zee wel Ionios mychos genoemd.

Iophon, Iophon, zoon van Sophocles en Nicostrate, treurspeldichter. Hoewel zijne werken soms flauw en langdradig genoemd worden, schijnen zij toch aanleiding gegeven te hebben tot het vermoeden, dat zijn vader hem er bij hielp. Het verhaal dat hij zijn vader op hoogen leeftijd voor de phratrie geroepen zou hebben, om hem wegens zwakte van geestvermogens het beheer van zijne bezittingen te doen ontnemen, en dat deze het onware van die bewering zou hebben aangetoond door den rechters zijn laatste werk, den Oedipus op Colonus, voor te lezen, is waarschijnlijk niets dan een verzinsel.

Joppe, Ioppe, thans Jaffa, oude havenstad op de kust van Judaea in Palaestina.

Jordanes, Iordanes, hoofdrivier van Palaestina, de Jordaan, ontspringt op den Hermon, vormt in zijn bovenloop het meer Merôm en verderop het meer Gennesareth, waaruit hij met een sterk verval naar de doode Zee (lacus Asphaltites) stroomt.

Ios, Ios, een der cycladische eilanden, ten Z. van Naxus, met eene stad van denzelfden naam, thans Nio. Men beweerde, dat er het graf van Homerus te zien was. Het eiland werd door Ioniërs bewoond.

Josephus (Flavius), zie Flavius Josephus.

Iovianus (Flavius Claudius), uit Moesia, werd, na den dood van Julianus in 363 na C., door de troepen tot keizer uitgeroepen, doch stierf binnen acht maanden, op zijn terugtocht naar Constantinopel.

Iphianassa, Iphianassa, 1) dochter van Agamemnon, waarschijnlijk dezelfde als Iphigenia.--2) dochter van Proetus.

Iphias, Euadne, dochter van Iphis.

Iphicles, -clus, Iphikles, Iphiklos, 1) zoon van Amphitryo en Alcmene, halfbroeder van Heracles en zijn metgezel bij verscheiden ondernemingen, ook nam hij deel aan de calydonische jacht. In den oorlog tegen Erginus gedroeg hij zich zoo dapper, dat Creon hem zijne jongste dochter tot vrouw gaf. Hij sneuvelde in den strijd tegen de Molioniden (z. Augias) of tegen Hippocoön (z. a.).--2) zoon van Thestius, een van de Argonauten, nam ook deel aan de calydonische jacht, en werd na afloop daarvan door Meleager gedood.--3) zoon van Phylacus of Cephalus, Argonaut, beroemd door zijne snelheid in het loopen, z. Melampus.

Iphicrates, Iphikrates, atheensch veldheer van geringe afkomst, werd op twintigjarigen leeftijd (393) aanvoerder der huurtroepen in den corinthischen oorlog. Eene nederlaag, die hem door de Spartanen toegebracht werd, leerde hem inzien, hoe weinig bruikbaar deze troepen tegen een geregeld grieksch leger waren, en van dien tijd besteedde hij de grootste moeite om ze behoorlijk te organiseeren, aan krijgstucht te gewennen, geregeld te laten oefenen, enz.; ook gaf hij hun wapenen, die meer overeenkwamen met de bestemming van dit krijgsvolk, o. a. het kleine, ronde schild (pelte, vanwaar de naam peltasten). Algemeen was de verwondering in Griekenland, toen Iph. met deze peltasten eene spartaansche afdeeling (mora) hoplieten geheel vernietigde (390). Wegens zijn verzet tegen de aanmatiging der Argiven werd hij uit de Peloponnesus teruggeroepen, daarop ging hij naar Thracië, waar hij den oorlog tegen de Spartanen voortzette; de vrede van Antalcidas ontnam hem echter de voordeelen, die hij hier behaald had. In de volgende jaren ondernam hij verscheiden tochten naar Thracië, hij herstelde Seuthes in de regeering en beoorloogde Cotys, later sloot hij echter een verbond met dezen en trouwde hij met diens dochter. Hij stond aan het hoofd van een grieksch huurleger, dat de Perzen zou helpen bij de herovering van Aegypte (374), maar ten gevolge van een twist met Pharnabazus keerde hij onverrichter zake terug. Daarna werd hij met eene vloot naar Corcyra gezonden, dat door de Spartanen belegerd werd, en ofschoon deze reeds teruggeslagen waren, toen hij aankwam, behaalde hij toch bij deze gelegenheid eenige voordeelen. Het bevel over deze vloot was oorspronkelijk aan Timotheüs opgedragen, en de ergernis der voornamen over diens afzetting gaf zich lucht in eene aanklacht tegen Iph., waartegen deze zich echter met glans verdedigde. Als bevelhebber in den thebaanschen oorlog, in Thracië en Macedonië, richtte hij niet veel uit, en de voordeelen, die hij door zijne politiek behaalde, waren niet duurzaam. Ten slotte werd hem in den bondgenootenoorlog met Chares en Timotheüs het opperbevel gegeven (356), en toen hij op aanklacht van Chares (z. a.) beboet was, verliet hij Athene. Hij schijnt in 353 in Thracië gestorven te zijn.

Iphidamas, Iphidamas, 1) zoon van Busiris, werd met zijn vader door Heracles gedood.--2) zoon van Antenor.

Iphigenia, Iphigeneia, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra, of van Theseus en Helena, door Clytaemnestra als kind aangenomen. Toen de Grieken op weg naar Troje in de haven van Aulis werden teruggehouden door een windstilte, die Artemis uit toorn tegen Agamemnon of Menelaus gezonden had, verklaarde Calchas, dat Iph. aan Artemis geofferd moest worden. Onder voorwendsel dat zij met Achilles zoude trouwen, werd zij in het leger gehaald, maar toen zij reeds op het altaar lag, stelde Artemis eene hinde in haar plaats en ontvoerde haar naar Tauris. Daar deed zij vele jaren dienst als priesteres bij de menschenoffers aan Artemis (z. a.) Tauropolos, totdat Orestes er landde, zijne zuster herkende, en haar met het beeld der godin naar Griekenland ontvoerde. Te Brauron en te Megara meende men haar graf te vinden en werden haar offers gebracht.--V. a. was zij niet gestorven, maar onder den naam Hecate tot godin verheven, of werd zij na haar dood naar het eiland Leuce verplaatst, waar zij als Orsilochia met Achilles huwde. Artemis zelve draagt op sommige plaatsen den bijnaam Iph.

Iphimedea, Iphimedeia, -mede, dochter van Triops, echtgenoote van Aloeus, bij Poseidon moeder van de Aloaden.

Iphinoë, Iphinoe, eene van de Proetiden.

Iphis, Iphis, 1) koning van Argos, zoon van Alector, vader van Eteoclus en Euadne. Toen zijne beide kinderen dood waren, gaf hij de regeering over aan Sthenelus, den zoon van Capaneus.--2) zoon van Sthenelus, verloor het leven bij den tocht der Argonauten in een gevecht tegen Aeetes.--3) z. Anaxarete.--4) dochter van Ligdus en Telethusa. Daar haar vader voor hare geboorte gezegd had, dat hij zijn kind zou moeten dooden, indien het eene dochter was, daar hij geen geld had om een meisje op te voeden, gaf haar moeder voor, dat zij van een jongen bevallen was. Iphis werd nu als jongeling opgevoed, en toen zij volwassen was en haar vader wilde dat zij zoude trouwen, veranderde Isis haar in een man, zoodat het bedrog niet ontdekt werd.

Iphitus, Iphitos, 1) zoon van Eurytus, Argonaut, door Heracles (z. a.) verraderlijk gedood.--2) zoon van Naubolus, koning van Phocis.--3) koning van Elis, herstelde met Lycurgus de olympische spelen.

Ipsus, Ipsos, Ipsos, stadje in Phrygia, ten N. van Synnada, waar Antigonus in 301 in den slag tegen Seleucus en Lysimachus sneuvelde.

Ira, Eira, bergvesting in het N. van Messenia, die in den tweeden messenischen oorlog elf jaar (679-668) door Aristomenes tegen de Spartanen werd verdedigd.

Irassa, Irasa, Irassa, vruchtbare streek en stad in Cyrenaïca.

Iris, Iris, dochter van Thaumas en Electra, die met de snelheid van den wind (Podenemos, Aellopous) de bevelen der goden, vooral die van Hera, aan de menschen overbrengt. V. s. was zij bij Zephyrus moeder van Eros. Bij latere dichters is zij de personificatie van den regenboog. Op hare afbeeldingen heeft zij de gestalte van eene vlugge jonkvrouw en draagt zij een schitterend kleed, gouden vleugels aan de schouders en een staf in de hand; soms wordt zij afgebeeld met een kan, waarmede zij aan de wolken water toevoert.

Iris, Iris, rivier in Pontus, die langs Comana en Amasea stroomt en zich na een bochtigen loop ten O. van Amisus in den Pontus Euxinus (Zwarte zee) stort.

Irus, Iros, 1) zoon van Actor, vader van Eurytion. Toen deze door Peleus gedood was, wilde Irus het als zoenoffer aangeboden vee niet aannemen, daar hij van geen verzoening wilde weten. Peleus liet het daarop in vrijheid rondloopen, het werd door een wolf verscheurd, die in een steen veranderd werd en lang op de grens van Locris en Phocis staan bleef.--2) onbeschaamd bedelaar op Ithaca, door Odysseus bij zijne terugkomst weggejaagd. Spreekwoord: Iro pauperior.

Is, Is, rivier en stad in Mesopotamia, aan den Euphraat. In den omtrek werd asphalt gevonden, waarmede de muren van Babylon waren opgemetseld.

Isaeus, Isaios, 1) van Chalcis, een van de tien attische redenaars, leerling van Lysias en Isocrates, leermeester van Demosthenes; zijn onderwijs in de welsprekendheid wordt hoog geroemd. Van de talrijke redevoeringen, die hij als pleitbezorger voor anderen schreef, zijn elf bewaard gebleven, die alle over erfeniskwesties handelen.--2) sophist, die onder Traianus reeds op hoogen leeftijd uit Assyrië naar Rome kwam.

Isagoras, Isagoras, atheensch aristocraat, na de verdrijving der Pisistratiden tegenstander van Clisthenes, dien hij door de hulp van Cleomenes I voor korten tijd verdreef. Daarna werd hij tot eersten archont gekozen (508) en begon hij de staatsinstellingen in aristocratischen geest te hervormen. Weldra werd hij echter op zijne beurt verjaagd, en de pogingen van Cleomenes om hem met geweld terug te brengen mislukten.

Isara, naam van twee rivieren in Gallia Transalpina, 1) een zijtak van den Rhodanus (Rhône), thans de Isère.--2) een bijstroom der Sequana (Seine), thans de Oise geheeten.

Isauria, Isauria, in het Z. van Lycaonia, op de grenzen van Pisidia en Cilicia. Het land was bergachtig en werd door een woest rooversvolk bewoond. Wel behaalde P. Servilius Vatia (Isauricus) in 76 eene groote overwinning op hen, en vernietigde Pompeius hunne roofschepen en lijfde hun gebied in (65), doch geheel ten onder gebracht werden zij niet. Zie Galatia aan het slot. Sedert de 3de eeuw na C. ondernemen ze, verbonden met de bewoners van westelijk Cilicië, die nu ook Isauri heeten, geregeld groote strooptochten.

Ischolaus, Ischolaos, spartaansch veldheer, sneuvelde bij den eersten tocht van Epaminondas tegen Sparta in een gevecht tegen Arcadiërs (370).

Ischys, Ischys, Arcadiër, zoon van Elatus, z. Coronis no. 1.

Isionda, Isionda, Isinda, oude stad in het Z.W. van Pisidia.

Isis, Isis, aegyptische hemelgodin, moeder der opgaande zon (Horus) en gemalin der middagzon (Osiris). Zij was een van de weinige godheden, die in geheel Aegypte vereerd werden, vandaar dat, toen men eene verklaring poogde te vinden van de geheimzinnige mythen, die op hare verhouding tot de zon betrekking hebben, die mythen op zeer verschillende wijzen uitgelegd werden, waarbij aan het wezen van Isis tal van beteekenissen werden toegeschreven, die haar oorspronkelijk geheel vreemd waren. Zoo werd zij godin van het Nijldal, maangodin, godin van leven en vruchtbaarheid, helpster bij geboorten, godin van ziekte en gezondheid, koningin der onderwereld, waarvan zij de sleutels bewaart en waar zij recht spreekt over de dooden, godin van zee en stormen, wetgeefster, beschermster van het huwelijk en den staat, enz. Door de Grieken werd zij daarom vereenzelvigd met Demeter, Persephone, Hecate, Hera, Artemis, Io en vele andere godinnen, en haar voor een groot deel geheime, dikwijls met onzedelijkheid gepaarde, eeredienst vond bij hen vrij algemeen ingang. Ook bij de Rom. werd de dienst van Isis tegen het einde der republiek ingevoerd en, hoewel herhaaldelijk verboden, was hij in den keizertijd door het geheele rijk verbreid. Een offerplechtigheid ter eere van Isis is op blz. 338 voorgesteld.--Latere wijsgeeren zagen in Isis, wegens haar uitgebreiden werkkring, de personificatie der grondstof van het heelal of de alles beheerschende godheid.--Hare afbeeldingen gelijken op die van Hera, hare attributen zijn slangen, korenaren, lotus, de halve maan, het sistrum, e. a.

Ismarus, Ismaros, berg en stad in het gebied der Ciconen op de thracische kust. Bij dichters Ismarius = thracisch.

Ismene, Ismene, dochter van Oedipus en Iocaste. Zij bleef haar vader in zijn ongelukken getrouw en kwam hem in zijne verbanning inlichten omtrent thebaansche toestanden. Hoewel zij haar zuster Antigone (z. a.) had afgeraden tegen het bevel van Creon te handelen, was zij bereid de gevolgen van hare daad mede te dragen.

Ismenias, Ismenias, 1) rijk Thebaan, hoofd van de partij, die Sparta vijandig gezind was, geen democraat, zooals sommige schrijvers melden. In den corinthischen oorlog, waartoe hij, van Perzië uit met geld ondersteund, door zijn politiek aanleiding gegeven had, onderscheidde hij zich als veldheer. In 383 was hij polemarch, toen echter de Spartanen, door zijn ambtgenoot Leontiades geholpen, de Cadmea bezet hadden, werd hij gevangen genomen en als onruststoker ter dood veroordeeld.--2) zoon van den vorigen, vluchtte bij den dood van zijn vader naar Athene en bleef er tot 379. Hij werd met Pelopidas te Pherae gevangen gehouden (368) en vergezelde hem bij zijn gezantschap naar Perzië.

Ismenus, Ismenos, riviertje in Boeotia, dat door Thebae stroomt, het water der bron Dirce opneemt en in het meer Hylice valt. Hierna heeten de Thebaansche vrouwen bij Ovidius: Ismenides.

Isocrates, Isokrates, een van de tien attische redenaars. Hij was de zoon van een rijk Athener, geb. 436, en genoot het onderwijs van de beroemdste sophisten van zijn tijd en ook van Socrates. Zijn vader verloor in den peloponnesischen oorlog zijn vermogen, hijzelf verwierf zich echter grooten rijkdom, vooral door zijn onderwijs in de welsprekendheid, dat zeer gezocht was; v.s. had hij 100 leerlingen, die hem ieder 1000 drachmen betaalden; voor eene redevoering zou hij eens van Nicocles 20 talenten gekregen hebben. Zijn aanzien was groot, niet alleen bij zijne leerlingen, maar ook in wijderen kring, zelfs met vreemde vorsten (Philippus, Euagoras, Nicocles) stond hij in betrekking. Zelf trad hij uit bedeesdheid en wegens zijn zwakke stem nooit in het openbaar als redenaar op, hij schreef echter voor anderen pleitredenen, totdat hij in 388, na een kort verblijf op Chius, te gelijk met het openen zijner school, zich in een nieuwe richting ging bewegen als schrijver van verhandelingen, die den vorm van redevoeringen (feestredenen, leerredenen) behouden hebben, ofschoon zij niet bestemd zijn om voorgedragen, maar om gelezen te worden (logoi epideiktikoi kai symbouleutikoi). De voornaamste hiervan zijn: Panegyrikos (380), Plataïkos (373), Archidamos (365), Symmachikos e peri eirenes (357), Areopagitikos (354), Philippos (346), Panathenaïkos (342-339). Zijn taal is zuiver en eenvoudig, zijne perioden kunstig samengesteld; ook worden zijne werken, waarvan 21 bewaard gebleven zijn, als modellen van welsprekendheid geroemd, terwijl zij tevens getuigen van zijne vaderlandsliefde en vele juiste beschouwingen bevatten over de verwarde toestanden van zijn tijd. Over de waarde zijner kunst, die hij voor het praktische leven zeer hoog schat en waaraan hij, in tegenstelling met andere rhetoren, ook een zedelijke beteekenis toekende, is hij soms in polemiek met Plato. Uit verdriet over den afloop van den slag bij Chaeronea maakte hij, 98 jaar oud, een einde aan zijn leven.

Isoteles. Een metoikos, die zich op een of andere wijze jegens den staat verdienstelijk had gemaakt, werd beloond met de isoteleia. Daardoor werd hij, wat zijn geldelijke verplichtingen tegenover den staat betreft, en soms ook in andere opzichten, met de burgers gelijkgesteld.

Issa, Issa, eilandje op de dalmatische kust, thans Lissa. De inwoners waren flinke zeelieden; hunne booten werden lembi Issaei genoemd.

Issedones, Issedones, groot scythisch volk in Azië, aan de grenzen van Serica (China).

Issus, Issos, Issoi, stad in het O. van Cilicia, aan de Issische golf, waarbij Alexander de Gr. in 333 zijne tweede groote overwinning op de Perzen behaalde.

Istaevones = Istuaevones.

Ister, Istros, leerling van Callimachus, schrijver eener Atthis, en van vele andere werken. Er zijn alleen fragmenten over.

Ister, Istros, zie Danuvius.

Isthmia, Isthmia, de isthmische spelen, na de olympische en de pythische het voornaamste feest der Grieken. Zij werden om de twee jaar onder voorzitterschap der Corinthiërs, en na de verwoesting van Corinthe onder dat der Sicyoniërs, op de landengte van Corinthus ter eere van Poseidon Isthmius gehouden, en bestonden uit de gewone wedstrijden in loopen, vechten, rijden, enz., waarbij later voordrachten van gedichten of muziek kwamen. De overwinnaar kreeg een palmtak en een krans van eppe. De isthmische spelen werden tot laat in den rom. keizertijd gevierd en druk bezocht, daarom werden hier dikwijls afkondigingen van algemeen belang gedaan; hier werden de Grieken door T. Quinctius Flamininus en later door Nero vrij en autonoom verklaard.

Isthmius, Isthmios, bijnaam van Poseidon als den god, wien de isthmische spelen gewijd zijn.

Isthmus, Isthmos, landengte, bij uitnemendheid die van Corinthus. Op deze landengte stond de tempel van den isthmischen Poseidon en werden te zijner eer de isthmische spelen, ta Isthmia, gevierd. Dwars over de landengte, tusschen de Saronische golf en de Corinthische, liep eene soort van overtoom of rolbaan, diolkos (z. a.). Op deze wijze werd de gevaarlijke omvaart van kaap Malea vermeden.

Istria = Histria.

Istropolis, Istropolis, Istros, stad op de kust van Moesia, ten Z. der Donaumonden, kolonie van Miletus.

Istrus, Istros = Istropolis. Zie ook Danuvius.

Istuaevones, oude naam voor één der onderafdeelingen der Germanen, de Rijn-Germanen, waarvan de Sicambri den voornaamsten stam vormden.

Italia, Italia. Voordat Augustus de Alpenlanden onder Rome's heerschappij bracht, begon Italia in het N. eerst aan den voet der Alpen, en zelfs kon het noordelijk gedeelte, het dal van den Po en zijne bijrivieren, geschiedkundig eerst tot Italia gerekend worden, sedert Augustus het in zijne verdeeling van Italia in elf regiones opnam. Wel had Gallia Cispadana in 89, Transpadana in 49 het rom. burgerrecht gekregen, doch niettemin bleef Gallia Cisalpina nog provincie. Ethnografisch behoorde het ook niet tot Italia, daar het geheel door ligurische en gallische stammen was bezet. Zie Gallia Cisalpina.--Het eigenlijke oude Italia begon eerst dáár, waar het land zich op eenmaal versmalt, en waar zich de Rubico, vóór Sulla de Aesis, in de Adriatische, de Macra in de Tyrrheensche zee stort. De naam Italia wordt afgeleid van een oud umbrisch woord vitlu, rund (vitulus), en wordt oorspronkelijk alleen gebezigd van de uiterste Zuidpunt, de streek van het Sila-gebergte, dan van het heele Zuiden tot aan de rivieren de Laüs en de Siris (in Lucania), en ten slotte door de siciliaansche Grieken, de Sikeliotai, op geheel eigenlijk Italia toegepast. In den oudsten tijd komen verschillende deelen onder verschillende namen voor, die ook wel, vooral bij dichters, voor het geheel worden gebezigd, als: Ausonia of Opica, oorspronkelijk de Z.W. kust, Daunia en Iapygia aan de Z.O. kust, Oenotria, het wijnland, Tyrrhenia of Etruria, Saturnia of Latium, terwijl de Grieken het ook Hesperia, het avond- of Westland noemden. Onder de oudste bewoners worden de Umbri in Midden-Italia vermeld, die ook Etruria bewoonden, doch door de Etrusei in Umbria werden teruggedrongen. De Ausones, Aurunci of Osci woonden in Apulia, Campania (waaruit zij door Samnieten verdrongen werden) en in een deel van Latium. De Aborigines waren de stamvaders der Latijnen. Dan had men den sabellischen stam, waartoe de Sabini, Peligni, Marsi, Marrucini, Frentani, Hernici en anderen behoorden en die zich onder den algemeenen naam van Saunitae of Samnites over Samnium, Campania en Lucania uitbreidden. De kustbewoners van Apulia en Calabria waren misschien van illyrischen, de Bruttii van siculischen oorsprong. De kusten der zuidelijke helft (Beneden-Italië, Italia inferior, Magna Graecia) waren met grieksche, meest achaeïsche en dorische, koloniën bezet. In één woord, Italia vertoonde het bontste mengelmoes van verschillende bevolkingen en stammen, die elkander den bodem betwistten. Midden-Italia omvatte de landschappen Etruria, Umbria, Picenum, Samnium, Latium, Campania; Beneden-Italia bevatte Lucania, Bruttii, Apulia, Calabria. De namen der XI regiones, waarin Augustus Italia verdeelde, zijn de volgende: 1o. Latium et Campania, 2o. Apulia et Calabria, 3o. Lucania et Bruttii, 4o. Samnium, 5o. Picenum, 6o. Umbria, 7o. Etruria, 8o. Aemilia, 9o. Liguria, 10o. Venetia, 11o. Transpadana.

Italica, 1) rom. municipium in Baetica aan den Baetis (Guadalquivir), nabij Hispalis (Sevilla), door Scipio (Africanus maior) gesticht.--2) zie Corfinium.

Italicum bellum, zie Marsicum bellum.

Italus, Italos, aloud koning der Oenotriërs of der Siculi, zoon van Telegonus en Penelope. Hij was gehuwd met Electra, dochter van Latinus, en werd de vader van Remus of Romus.

Itanus, Itanos, stad op de Oostkust van Creta, met purperververijen.

Ithaca, Ithake, thans Thiaki, een der tegenw. Ionische eilanden, het kleine, maar beroemde eiland van Ulysses, tusschen Cephallenia en het vasteland gelegen. Tegenwoordig meenen echter vele geleerden het Homerische Ithaca in Leucas teruggevonden te hebben.

Ithome, Ithome, berg in het midden van Messenia, slechts van ééne zijde toegankelijk, waarvan de Messeniërs in hun eersten oorlog tegen Sparta (743-724) eene bergvesting maakten, die zij 10 jaar lang verdedigden. Aan den voet van den berg legde Epaminondas in 369 de stad Messene aan, waarvan Ithome de citadel werd. Ithome en de acropolis van Corinthus werden de beide horens, kerata, van de Peloponnesus genoemd.

Itius portus, to Ition, havenstad der Morini in Gallia, van waar Caesar naar Britannia overstak, thans Calais of Wissant; v. a. identisch met Gesoriacus portus (Boulogne s. m.).

Iton of Itonus, Iton, Itonos, oude stad in het midden van het thessalische landschap Phthiotis, met een beroemden tempel van Athena.

Ituraea, Itouraia, bergl. ten N.O. van Palaestina, tusschen Batanaea of Basan en de woestijn gelegen, ten O. van Bostra. De Ituraei waren woeste roovers, en beroemde boogschutters. Augustus voegde Ituraea aan het gebied van Herodes den Gr. toe; keizer Claudius deelde het bij Syria in.

Ityca, Ityke = Utica.

Itylus, Itylos, zoon van Zethus en Aedon (z. a.), die door zijne moeder bij vergissing gedood werd.

Itys, Itys, zoon van Tereus en Procne (z. a.), die door zijne moeder en tante gedood werd.

Iuba, Iobas, koning van Numidia, zoon van Hiëmpsal II, welke laatste een zoon was van Gauda. Indertijd had Hiëmpsal de party van Sulla gekozen, was daarop door de mariaansche partij verdreven, doch door Pompeius in zijn rijk hersteld. In 63/62, nog tijdens het leven van zijn vader, haalde Juba zich de vijandschap van Caesar op den hals; toen dus de burgeroorlog uitbrak, koos hij partij tegen Caesar; hij versloeg Caesars legaat C. Curio met diens geheele leger, doch de nederlaag der pompejaansche partij bij Thapsus in 46 noodzaakte hem tot de vlucht, en toen nu ook de zijnen hem begonnen in den steek te laten, bracht hij in wanhoop zichzelf om het leven. Zijn zoon Juba, nog een kind, werd door Caesar naar Rome gebracht en ontving daar eene zorgvuldige rom. opvoeding, zoodat hij later als geleerde grooten naam had. Hij schreef vooral over geschiedenis en aardrijkskunde. Augustus gaf hem in 25 het westelijk gedeelte van zijn vaderlijk rijk, het latere Mauretania Caesariensis, en bovendien het eigenlijke Mauretania (M. Tingitana) tot koninkrijk. Juba was gehuwd met Cleopatra Selene (zie Cleopatra no. 11). Hij overleed in 23 n. C., en werd opgevolgd door zijn zoon Ptolemaeus. Hij vestigde zijn residentie te Iol, dat hij verdoopte in Caesarea (z. a. no. 6).

Iudaea, Ioudaia, het Z. gedeelte van Palaestina, ten W. door de zee, ten O. door den Jordaan begrensd. In later tijd werd onder dezen naam ook wel geheel Palaestina als rom. provincie verstaan. Zie verder Palaestina.

Iudex. In civiele processen was het regel, dat de twistende partijen voor den praetor verschenen. De praetor nam kennis van de zaak, onderzocht of er eene actie in zat, d.w.z. of een der op zijn album vermelde gevallen van rechtsvordering op het geval van toepassing was; hij besliste echter zelf niet, of de eischende partij gelijk had (zie echter iudicium extra ordinem). Hij stelde alleen het ius vast, d. i. hij omschreef, wat recht was in geval de klager in zijn recht bleek te zijn, en wat er geschieden moest ingeval dit niet bleek. De vaststelling van den procesdag, de oproeping der getuigen geschiedden door den praetor, doch de beslissing, de uitspraak, het iudicium, werd door hem opgedragen òf aan een enkelen rechter, iudex, arbiter, òf in sommige gevallen aan een college van drie of vijf rechters, iudices recuperatores. Zulk een iudex kreeg van den praetor eene bepaalde instructie, waarin hem voor elk geval de uitspraak was voorgeschreven; hij had dus alleen te onderzoeken, of de eischer zijn recht bewijzen kon. De pleidooien en het getuigenverhoor hadden dus voor den rechter plaats. Wanneer iemand door den praetor werd opgeroepen, om als alleenstaand rechter op te treden, nam hij een consilium amicorum mede, ten einde hem als adviseurs ter zijde te staan. Het gewoonterecht eischte dit. Doch zijne uitspraak was de beslissende sententia iudicis, die geen hooger beroep toeliet.

De iudices bij de quaestiones perpetuae speelden eene andere rol. Deze quaestiones waren processen in strafzaken, waarbij de straf eens en voor goed door eene wet was vastgesteld. Het kwam er dus slechts op aan, of de schuld van den beklaagde bewezen kon worden of niet. Hier vormden derhalve de iudices een hof van gezworenen, waar meerderheid van stemmen gold. De wet bepaalde het aantal gezworenen, alsmede hoeveel er door aanklager en aangeklaagde mochten gewraakt worden (reiectio iudicum).

Jaarlijks werd door den praetor urbanus eene lijst opgemaakt van hen, die voor het rechtersambt in aanmerking kwamen (album iudicum). Eerst bestond de lijst alleen uit leden van den senatorenstand; de lex Sempronia van C. Gracchus (123) bracht hierin verandering door de senatoren uit te sluiten en het rechtersalbum samen te stellen uit hen, die den riddercensus hadden (zie equites). Sulla's lex Cornelia iudiciaria (81) gaf het rechtersambt aan den senaat terug. Ten gevolge van de reorganisatie van het strafrecht door Sulla ingevoerd, waren er voortaan 8 quaestiones, waarbij de meeste strafdelicten waren ingedeeld; daar er slechts zes praetoren beschikbaar waren, en sommige quaestiones, vooral die inter sicarios, gewoonlijk gesplitst moesten worden, wezen de praetoren voor elk van de overige een iudex quaestionis (z. a.) aan. De lex Aurelia van L. Aurelius Cotta (70) verdeelde de iudicia tusschen den senaat, den ridderstand en de tribuni aerarii, zoodat bij elke quaestio perpetua het gerechtshof uit drie afdeelingen of decuriae bestond. Caesars lex Iulia sloot de aeraartribunen wederom uit; M. Antonius voerde wederom eene derde decurie zonder census in, voornamelijk uit centuriones en veterani samengesteld; Augustus nam vier decuriën aan; de leden der vierde decurie werden ducenarii geheeten naar hun census van slechts 200000 sestertiën. Uit de rechterslijsten werd door den praetor, wien het aanging, voor iedere zaak het voorgeschreven aantal rechters door loting aangewezen, sortitio iudicum. Ingeval de wet bepaalde, dat in plaats der gewraakte rechters andere zouden geloot worden, heette dit subsortitio. Een arbiter behoefde niet uit het album iudicum te worden gekozen. Dikwijls gaven de twistende partijen zelf aan den praetor op, wien zij liefst als arbiter wenschten aangewezen te zien.

Iudex pedaneus, chamaidikastes. In het keizerstijdperk kwam de rechtspraak meer en meer in hand der overheden, en werd het iudicium extra ordinem de heerschende vorm. Soms evenwel werd in civiele zaken een onderzoek opgedragen aan een hulp- of onderrechter, die pedaneus wordt genoemd.

Iudex quaestionis. Daar er voor de quaestiones perpetuae niet zooveel praetoren beschikbaar waren als het getal quaestiones bedroeg, moesten wel enkele praetoren twee rubrieken van misdaden voor hunne rekening nemen. Zij konden zich dan wel met de instructie van twee quaestiones belasten, maar niet altijd bij beide als voorzitter van het gerechtshof optreden. In dit geval belastten zij een iudex met het voorzitterschap, die dan iudex quaestionis was. Dit was sedert Sulla geregeld een oud-aediel.

Iudicio (in), in iure. Bij civiele gedingen moeten streng gescheiden worden de handelingen in iure en in iudicio. In iure is al datgene, wat voor den praetor plaats vindt; in ius ambulare, ire, venire = tot den praetor gaan. In iudicio is alles, wat voor den rechter geschiedt.

Iudicium domesticum. De rom. vader was rechter over zijn gezin en kon krachtens zijn ius vitae et necis zware misdaden zijner kinderen, ja, zijner vrouw, zelfs met den dood straffen. Wanneer hij echter als huisrechter optrad, moest hij evengoed als elke alleen uitspraak doende rechter (zie iudex) zich eenige buren en bloedverwanten als consilium toevoegen.

Iudicium extra ordinem. Aldus wordt een iudicium geheeten, wanneer dezelfde overheid de zaak in iure en in iudicio behandelt, b.v. wanneer de praetor zelf uitspraak doet (zie iudex). Er konden zich gevallen voordoen, die niet naar een iudex konden verwezen worden, omdat zij naar het strenge rom. recht niet vervolgbaar waren, b.v. van een pupil, die nog te jong was om als rechtspersoon te kunnen optreden, tegen zijn voogd, en waarin toch eene tusschenkomst van hoogerhand wenschelijk was. Doch de uitspraak van eene overheid was geen vonnis, geene sententia iudicis, maar slechts een decretum, dat herroepen kon worden door dengene, die het had uitgevaardigd en dat ook niet verbindend was voor diens opvolger. Onder de republiek was het iudicium extra ordinem zeldzaam; onder de keizers werd het de heerschende vorm, en kon men zelfs van eene overheid op eene hoogere en in het hoogste ressort op den keizer zelven appelleeren, iets wat onder de republiek onbekend was.

Iudicium privatum. Dit komt, wat den aard betreft, overeen met hetgeen bij ons een civiel rechtsgeding heet, met dien verstande, dat bij de Rom. minder strafzaken waren dan bij ons, en dus vele zaken, die bij ons tot strafvervolging zouden leiden, bij hen slechts tot een civiel proces aanleiding gaven. Zie verder het begin van het artikel iudex.

Iudicium publicum. De strafrechtpleging was in Rome oorspronkelijk in handen van de ambtenaren (zie coercitio), maar ging voor zoover het burgers betrof door de verschillende leges de provocatione over op de volksvergadering. Bij res capitales werd nu de zaak geïnstrueerd door een quaestor, en bij veroordeeling en appel op het volk werden dan de comitia centuriata door een magistratus cum imperio bijeengeroepen, die dan het vonnis bekrachtigden of vernietigden (zie Contio). Bij boetezaken werden de opgelegde boeten bij overschrijding der provocatie-grens door de tribuni en aediles plebis voor het concilium plebis, door de magistratus populi voor de comitia tributa gerechtvaardigd. Daar echter het volk niet tegenover alle personen en in alle zaken een onpartijdig rechter was en het bijeenroepen der comitiën dikwerf op groote bezwaren stuitte, riep de volkstribuun L. Calpurnius Piso in 149 voor processen over afpersingen in de provinciën (repetundae) de eerste zoogenaamde quaestio perpetua in het leven. Bij zulk eene quaestio was de straf door de wet aangewezen; het proces werd nu gevoerd voor een hof van gezworen rechters, die nu alleen over schuld of onschuld uitspraak hadden te doen en die voor elke zaak in het door de wet bepaalde getal door het lot werden aangewezen (zie iudex). Allengs werd het aantal quaestiones perpetuae uitgebreid, evenals het aantal praetoren. Ieder burger kon thans als klager optreden. De praetor, wien de quaestio aanging, instrueerde de zaak en was in den regel voorzitter van het hof; zoo niet, dan werd hij als zoodanig vervangen door een iudex quaestionis (z. a.). Met de invoering der quaestiones perpetuae ging echter niet noodzakelijk de opheffing van het iudicium populi gepaard; de overheidspersonen, die het ius agendi cum populo hadden, konden altijd nog eene wet tot veroordeeling van dezen of genen voorstellen, doch uit den aard der zaak werd deze vorm van strafgeding zeldzamer.

Iugarius vicus, straat in Rome, die aan den zuidelijken voet van het Capitool van de porta Carmentalis naar het forum liep.

Iugerum, rom. vlaktemaat, 240 voet lang en 120 voet breed = omstreeks 1/4 hectare.

Iugum, zygos. Bij de ouden liep een tweespan van paarden of andere trekdieren onder een juk of dwarshout, dat op den nek der dieren lag en met riemen aan het tuig werd bevestigd, terwijl het uiteinde van den disselboom op dit juk rustte en er met een zwaren riem aan vastgebonden was. Soms was dit juk golvend om het beter aan den nek der dieren te doen sluiten, somtijds ook recht. Bij een vierspan liepen alleen de beide middelste onder het juk.--Het juk, waaronder nu en dan overwonnen legers moesten doorgaan, bestond uit twee speren, die in den grond waren gestoken en waaraan eene derde horizontaal was vastgebonden.

Iugurtha. Masinissa, koning van Numidia, had, voorzoover bekend is, drie zoons: Micipsa, Gulussa en Mastanabal. Micipsa volgde zijn vader op en regeerde van 148 tot 118. Hij had twee zoons, Hiëmpsal en Adherbal, bovendien had hij een onechten zoon van Mastanabal, Jugurtha, tot zoon aangenomen en tot medeërfgenaam van zijn rijk benoemd. Aan het hoofd der numidische hulptroepen diende Jugurtha onder P. Cornelius Scipio in 134 voor Numantia, waar hij grooten lof verwierf om zijn moed en zijn beleid. Na Micipsa's dood ontstond er spoedig twist tusschen de prinsen; Jugurtha, die naar de alleenheerschappij streefde, ruimde zijne beide neven uit den weg, terwijl hij door omkooping op groote schaal den rom. senaat de oogen deed sluiten voor hetgeen er in Numidia gebeurde. Doch eindelijk, toen het rom. volk over de omkoopbaarheid van den senaat oproerig begon te worden, werd aan Jugurtha de oorlog verklaard. De eerste veldheer, die tegen hem werd afgezonden, de consul L. Calpurnius Bestia (111), bezweek zelf voor het numidisch goud; daarop kwam in 110 de consul Sp. Postumius Albinus (Postumii no. 14), die al spoedig het bevel aan zijn broeder Aulus overliet, om te Rome de comitiën te houden. Door list wist Jugurtha zijn tegenstander te verschalken; het rom. leger moest zich overgeven en onder het juk doorgaan. Q. Caecilius Metellus (Caecilii no. 13), consul in 109, bestreed Jugurtha gedeeltelijk met diens eigen wapens en noodzaakte hem, naar zijn schoonvader Bocchus, koning van Mauretania, te vluchten. Beiden leden in 107 eene gevoelige nederlaag door C. Marius, die Metellus in het opperbevel was opgevolgd. Bocchus, voor zijn eigen troon bevreesd, leverde zijn schoonzoon uit aan L. Sulla, die als quaestor in Marius' leger diende (105). Jugurtha moest den zegetocht van Marius opluisteren, waarna men hem zes dagen lang in den kerker met den hongerdood liet worstelen en toen worgde.

Iulia (lex) van den consul L. Iulius Caesar (90), waarbij aan de italiaansche bondgenooten, die bij den algemeenen opstand aan Rome trouw gebleven waren, en evenzoo aan de Latijnen het burgerrecht werd toegekend.

Iuliae (leges) van C. Iulius Caesar.--1) lex de publicanis (door Caesar in het leven geroepen in zijn eerste consulaat, in 59), dat aan de belastingpachters in Asia het derde deel der pachtsommen zou worden terugbetaald wegens de verliezen, die zij in den mithradatischen oorlog hadden geleden.--2) lex agraria, zoogenaamd lex Campana, zie onder Agrariae (leges). Deze wet, evenals de vorige, van het jaar 59, werd door Caesar doorgedreven, niet zonder hevigen tegenstand van den senaat en van Caesars ambtgenoot M. Calpurnius Bibulus.--3) lex de repetundis (59), eene uitvoerige wet van meer dan 100 artikelen. O.a. beval zij, dat de verschuldigde gelden ook op hen zouden verhaald worden, die van den veroordeelde geld hadden ontvangen. Deze wet diende tot grondslag voor alle latere verordeningen op dit punt.--4) tot bekrachtiging der schikkingen, door Pompeius in Asia gemaakt (59).--5) lex de exsulibus, van het jaar 49 gedurende Caesars eerste dictatuur comitiorum habendorum causa. Door deze wet werden zij, die in de laatste jaren van misdrijven waren aangeklaagd en volgens rom. gewoonte vóór de uitspraak van het vonnis in ballingschap waren gegaan, in hun vroegeren staat hersteld (restitutio in integrum). Het was dus eene amnestie, waarvan echter T. Annius Milo met name was uitgesloten. Het bestaan van deze wet wordt met recht betwist; wel werden eenige personen, vooral eenigen, die volgens de lex Pompeia de ambitu veroordeeld waren, teruggeroepen, maar een bepaalde wet de reditu damnatorum is niet aan te nemen. Wel heeft M. Antonius na Caesar's dood uit de acta Caesaris eene lex Julia de exulibus, die natuurlijk apocryph was, gepubliceerd.--6) lex de pecuniis mutuis s. de aere alieno. In den burgeroorlog hadden velen geleden en was het crediet geschokt. Hierom beval de wet de benoeming van arbitri, die de geleden verliezen zouden taxeeren, waarna dan in verhouding daarvan een gedeelte der schulden zou worden geroyeerd. Ook deze wet dagteekent van het jaar 49. Hiermede ging, om het oppotten van geld te voorkomen, een bepaling gepaard, waarbij o.a. verboden werd, meer dan 15000 denarii aan contant geld te bezitten. Een aanvulling hiervan was de lex Julia de modo credendi et possidendi intra Italiam van 47, waarbij de kapitalisten verplicht werden een gedeelte van hun vermogen in grondbezit aan te leggen, en de schulden op het grondbezit drukkend, tot een bepaald bedrag beperkt werden.--7) lex de civitate Transpadanis danda, evenzeer van 49.--8) lex iudiciaria, tot opheffing der derde, uit tribuni aerarii bestaande decurie rechters (zie iudex). Deze wet is van het jaar 46, toen Caesar, na de pompejaansche partij overal verslagen te hebben, te Rome was teruggekeerd. Hij was in dit jaar ten derden male consul.--9) leges de vi et de maiestate, waardoor zij, die voor deze misdaden veroordeeld werden, niet slechts met aquae et ignis interdictio, maar bovendien met geheele of gedeeltelijke verbeurdverklaring van hun vermogen werden gestraft. Ook van 46.--10) lex de collegiis (46), tot opheffing der collegia, die niet van oudsher en wettig bestonden. Er hadden zich te Rome verschillende politieke clubs gevormd, die vooral bij verkiezingen ijverig in de weer waren. Tegen deze vereenigingen was Caesars wet gericht. V. s. zijn deze bepalingen bij edict vastgesteld.--11) lex de sacerdotiis (46), waarbij enkele priestercollegiën uitgebreid werden en o. a. bekrachtigd werd, wat toch reeds gebeurde, dat ook afwezigen tot priesters konden gekozen worden.--12) lex sumptuaria (46), waarbij o.a. het gebruik van draagstoelen, edelgesteenten, enz., beperkt werd, en op de markt wachters aangesteld werden, om wat boven het verbod gekocht werd, in beslag te nemen, ja zelfs in sommige gevallen aan lictoren en soldaten werd gelast, in de huizen binnen te gaan en wat buiten de perken der wet was, van tafel weg te nemen.--13) lex de provinciis (46), dat geen stadhouder in een praetorische provincie langer dan één, in eene consulaire langer dan twee jaar zou blijven.--14) lex de liberis legationibus (46), onzeker van welken inhoud. Door Cicero's lex Tullia was dit gezantschap-titulair tot den duur van één jaar beperkt. Caesar schijnt het weder te hebben uitgebreid. Deze wet is waarschijnlijk een onderdeel van de lex de provinciis.--15) lex municipalis (45), eene wet op het bestuur, de inrichting, het politiewezen, enz., der rom. municipiën.

Iuliae (leges) van C. Iulius Caesar Octavianus, 18. 1) lex sumptuaria, ter beperking vooral van de buitensporige uitgaven voor maaltijden en huiselijke feesten.--2) lex de adulteriis et de pudicitia, met strenge strafbepalingen.--3) leges de ambitu, de annona (tegen korenwoeker), de peculatu, enz., lex de iudiciis privatis van 17.--4) lex de maritandis ordinibus, zie lex Iulia et Papia Poppaea.

Iulia et Papia Poppaea (lex) de maritandis ordinibus, eigenlijk de lex Iulia van Octavianus (18), gewijzigd en uitgebreid in 9 na C. door de consuls M. Papius Mutilus en Q. Poppaeus Secundus. Zij had tot doel de bevordering der huwelijken, door aan het hebben van wettige kinderen voorrechten te verbinden. Zie ius liberorum.

Iulia Papiria (lex) de multarum aestimatione van de consuls L. Iulius Iulus en C. Papirius Crassus (430), verving de veeboete door een boete in geld. Ze bepaalde de waarde van een schaap op 10, van een os op 100 asses librales, zoodat de multa suprema (zie lex Aternia Tarpeia) voortaan bedroeg 3020 a. l. Bovendien werd bepaald, dat de boete de helft van het vermogen van den burger niet mocht overtreffen.

Iulia Plautia (lex), dat van gestolen goed geene usucapio geldig was. Van deze wet is niets zekers bekend; misschien zijn het bepalingen ontleend aan twee leges de vi, de lex Julia en de lex Plautia.

Iulia Titia (lex) de dando tutore bepaalde, dat in de provinciën door den stadhouder de voogd zou benoemd worden voor het geval, waarin te Rome de lex Atilia (z. a.) voorzag.

Iuliani. 1) Salvius Iulianus, beroemd jurist te Rome, in Africa geboren, stelde onder keizer Hadrianus op diens last het edictum perpetuum op. In de Pandecten komt zijn naam meermalen voor.--2) P. Salvius Iulianus, zoon van no. 1, een voortreffelijk en algemeen bemind generaal van Antoninus Pius, werd op last van Commodus ter dood gebracht.--3) M. Didius Severus Iulianus, had onder Antoninus Pius en diens opvolger hooge ambten bekleed, had in Belgica met succes tegen de Chauken en Chatten gestreden; was daarna stadhouder geweest van Dalmatia, van Germania Inferior (± 181 n. C.) en van Bithynia en Pontus. Toen na den dood van Pertinax de praetorianen den keizerstroon aan den meestbiedende verkochten, werd Didius Iulianus keizer voor de som van ongeveer 300 millioen sestertiën. Na eene regeering van 66 dagen werd hij door den senaat afgezet en door de soldaten vermoord (193 na C.). Zijn opvolger was Septimius Severus.

Iulianus (Flavius Claudius), neef van Constantijn den Gr., zoon van diens broeder Julius Constantius, geboren in 332 n. C., om zijn afval van het Christendom gewoonlijk Apostata genoemd, was te Constantinopel, te Nicomedea en te Athene in de letteren en wijsbegeerte onderwezen en gevoelde reeds vroeg een afkeer van het Christendom, waarin hij was opgevoed. Toen na den dood van Constantijn den Gr. diens drie zoons, Constantinus, Constantius en Constans de heerschappij verdeelden, lieten zij hunne bloedverwanten ombrengen; slechts twee neven, Gallus en Iulianus bleven gespaard (338). Een tijdlang werd Iulianus met zijn broeder Gallus naar een eenzaam landgoed, Macellum bij Caesarea in Cappadocië, verbannen. In 351 werd Gallus door keizer Constantius tot Caesar benoemd, en sedert dien tijd genoot Iulianus meer vrijheid; in 352 is hij onder den invloed zijner neoplatonische leermeesters heimelijk tot het Heidendom overgegaan. Constantius liet in 354 Gallus ombrengen en zond in 355 Iulianus met den titel van Caesar naar Gallia om de invallen der Germanen tegen te gaan. Daar voerde Iul. gelukkig oorlog, o.a. versloeg hij in 357 de Alemannen bij Argentoratum (Straatsburg), doch moest alle voorzichtigheid in acht blijven nemen om niet Constantius' argwaan op te wekken. In 360 echter wierp hij het masker af, zijn leger riep hem tot keizer uit, Constantius rukte wel tegen hem op, doch stierf op marsch (Nov. 361), en Iulianus werd algemeen als keizer erkend. Hij kwam er nu openlijk voor uit, dat hij een aanhanger was van den ouden godsdienst, begunstigde de heidenen, en zette de Christenen achteraf. Vooral zijn edikt, waarbij hij de christelijke rhetoren en sophisten verbood, de heidensche boeken bij hun onderwijs te gebruiken, zette kwaad bloed. Zijn plan was, een heidensche kerk te stichten, naar het model van de Christelijke, maar zijn theologie ontleende hij aan de leer der Neo-platonici, terwijl zijn moraal die der Neo-cynici was. Zijne plannen vonden zeer weinig instemming. In 363 trok hij uit op een veldtocht tegen de Perzen, en drong door tot onder de muren van Ctesiphon, maar moest toen langs een anderen weg terugkeeren. Bij een plotselingen overval snelde hij, uithoofde der hitte ongeharnast ten strijde en werd door een lanssteek doodelijk gewond. Zoo stierf hij (Juni 363) slechts 31 jaar oud, volgens zijne vijanden met de woorden: tandem vicisti Galilaee! Met zijn dood viel ook deze laatste poging om het Heidendom te herstellen. Er zijn nog een aantal brieven en vele zeer belangrijke geschriften van Iulianus overig. Hij schreef Grieksch, en beschouwde Griekenland als zijn tweede vaderland.

Iulii, een oud patricisch geslacht, dat onder Tullus Hostilius van Alba Longa naar Rome verhuisde en waarvan twee familiën naam verworven hebben, eerst de Iuli en later de Caesares. Zij leidden, althans in lateren tijd, hun oorsprong af van Aeneas' zoon Ascanius of Iulus. 1) C. Iulius Iulus, consul in 489.--2) C. Iulius Iulus, consul in 447, legde met veel takt de geschillen bij tusschen de beide standen.--3) Onder de krijgstribunen met consulaire macht komen nog eenige Iulii Iuli voor; in 352 is een C. Iulius Iulus dictator, in 473 komt een consul voor met den ongewonen voornaam Vopiscus, wiens kleinzoon in 393 censor was. Verder komen een enkele maal de familienamen Libo en Mento voor.--4) L. Iulius Caesar, consul in 90 bij het uitbreken van den bondgenootenoorlog, bezorgde door zijn lex de civitate het rom. burgerrecht aan de trouw gebleven socii in Italia. In den oorlog was hij niet gelukkig, zie Egnatii no. 2. In 89 was hij censor. In 87 werd hij als aristocraat door de mariaansche partij omgebracht.--5) C. Iulius Caesar Strabo Vopiscus, broeder van no. 4, wordt als redenaar en dichter geprezen. Hij heeft o.a. tragedies geschreven, maar niets van zijn werken is bewaard gebleven. Ook hij kwam in 87 om, daar een vriend zijn schuilplaats verried.--6) L. Iulius Caesar, consul in 64, stemde in 63 voor den dood van P. Cornelius Lentulis Sura, zijn zwager, omdat deze tot de samenzwering van Catilina behoorde. In 52 diende hij onder C. Iulius Caesar in Gallia. Na diens dood behoorde hij tot de hevige tegenstanders van zijn neef M. Antonius, die hem daarop vogelvrij verklaarde, doch later ongemoeid liet, op voorbede van Iulia (no. 7).--7) Iulia, zuster van no. 6 en moeder van M. Antonius, den drieman.--8) L. Iulius Caesar, zoon van no. 6, behoorde tot de aanhangers van Pompeius, en streed ook nog in Africa tegen Caesar, die hem echter, toen hij na Cato's dood Utica aan Caesar had overgegeven, genade schonk. Kort hierna overleed hij.--9) C. Iulius Caesar, grootvader van no. 11. Hij stierf plotseling, terwijl hij bezig was zich te kleeden.--10) C. Iulius Caesar, zoon van no. 9 en vader van no. 11, stierf ook plotseling, in 85.--11) C. Iulius Caesar, zoon van no. 10, geb. 13 Juli 100, de bekende veldheer en dictator, de grootste man zijner eeuw. Zijne moeder was eene Aurelia. Zijne verwantschap met C. Marius, die met Iulia, Caesars tante, gehuwd was, en met Cinna, wiens dochter Cornelia hij zelf had gehuwd, maakten hem bij Sulla verdacht, vooral toen hij weigerde, zijne vrouw te verstooten (82). Caesar achtte het derhalve geraden, zich uit Rome te verwijderen en zich in het sabijnsche land eenigen tijd schuil te houden. Toen Sulla's toorn eenigszins bedaard was, stak Caesar naar Asia over, waar hij onder den praetor M. Minucius Thermus zijn eersten veldtocht medemaakte (80). In 78 keerde Caesar naar Rome terug, op het bericht van Sulla's dood. In 77 klaagde hij den gewetenloozen Cn. Cornelius Dolabella (Cornelii no. 36) van afpersingen aan, en hoewel de rechters (weder uit den senaat gekozen) Dolabella vrijspraken, bereikte Caesar toch in zooverre zijn doel dat hij de opmerkzaamheid op zich vestigde en de hoop der volkspartij deed herleven. Doch de aristocratie was nog te machtig, en voorzichtigheidshalve verliet C. andermaal Rome en ging naar Rhodus, waar hij de lessen van den rhetor Molo in de welsprekendheid bijwoonde. Na zijn terugkeer wendde hij alle krachten aan, om de gunst van het volk deelachtig te worden door minzaamheid, dienstvaardigheid en mildheid. Nog als knaap was hij door toedoen van Marius reeds tot flamen Dialis gekozen, welke verkiezing Sulla echter in 82 ongeldig verklaarde; achtereenvolgens werd hij nu in 73 pontifex, in 68 quaestor, in 65 aedilis curulis, in 63 pontifex maximus, in 62 praetor urbanus. Men verdacht er Caesar, evenals Crassus van, deel te hebben gehad aan de Catilinarische samenzwering. Als aediel had hij schitterende spelen gegeven en prachtige bouwwerken laten oprichten, maar ook de door Sulla omvergeworpen zegeteekenen van Marius en Cinna hersteld; als voorzitter van de quaestio de sicariis veroordeelde hij in 64 twee vroegere aanhangers van Sulla, die een aantal vogelvrijverklaarden hadden omgebracht. In 61 was hij propraetor in Lusitania en Baetica, van waar hij met roem en rijken buit terugkeerde. In 60 sloot hij het geheim verbond, het zoogenaamde eerste driemanschap, met Pompeius en Crassus, en bekleedde in 59 het consulaat (zie Iuliae (leges)). Om den band hechter te maken, gaf hij zijne dochter Iulia aan Pompeius tot vrouw. Door de lex Vatinia van den volkstribuun P. Vatinius werden aan Caesar Gallia Cisalpina en Illyricum als provinciën toegewezen, waarbij de senaat nog Gallia Transalpina voegde. Tevens werden hem 4 legioenen toegewezen. Negen jaar bracht Caesar in Gallia door (58-49). Wel was hem het stadhouderschap slechts voor 5 jaar opgedragen, maar de lex Trebonia van den volkstribuun C. Trebonius in 55 had het met 5 jaar verlengd (het triumviraat was reeds in April 56 te Luca hernieuwd). In die negen jaar onderwierp hij geheel Gallia en Belgica en breidde in overeenstemming daarmede zijn leger uit. De commentarii de bello Gallico leeren ons, hoe meesterlijk hij van alle oneenigheden der Galliërs wist partij te trekken om zegevierend voorwaarts te dringen. Iulia echter stierf in 54 en Crassus in 53, en hiermede was de band tusschen Caesar en Pompeius verbroken. Pompeius begon Caesars wassende macht bedenkelijk te achten en toen de senaat aan C. beval, zijn leger af te danken en zijn ambt neder te leggen, terwijl Pompeius weigerde hetzelfde te doen, trok C. den 10den Januari 49 de Rubico over, het begin van den burgeroorlog, en veroverde binnen 2 maanden geheel Italia, terwijl Pompeius en de zijnen naar het Oosten gingen. Daarop begaf C. zich naar Hispania, waar hij de onderbevelhebbers van Pompeius, C. Afranius en M. Petreius bij Ilerda versloeg; vervolgens, na eerst het consulaat aanvaard te hebben, ijlde hij in het begin van 48 naar Epirus en Thessalia, leed wel bij Dyrrachium eene nederlaag, doch behaalde bij Pharsalus op het sterke, door Pompeius bijeengebrachte leger eene volkomene overwinning (6 Juni 48). Pompeius vluchtte naar Aegypte, doch werd vermoord nog voor hij te Alexandrië aan land stapte. Caesar regelde nu in Aegypte de troonsopvolging ten gunste der schoone Cleopatra, en had toen nog een oorlog door te staan met haar broeder Ptolemaeus XII, die in den Nijl verdronk (bellum Alexandrinum, zie Cleopatra no. 10). Na vervolgens in Azië Pharnaces van Pontus en Deiotarus van Galatia voor hunne aanhankelijkheid aan Pompeius gestraft te hebben, kwam C. in 47 te Rome terug, doch stak weldra naar Africa over, waar hij de pompejaansche partij vernietigde (slag bij Thapsus 46) en het oostelijk gedeelte van Numidia, tot aan de Ampsaga, inlijfde. In 46 hield hij te Rome een vierdubbelen triomftocht over Gallia, Aegypte, Pontus en Africa. In dit jaar valt ook de regeling van den rom. kalender met behulp van den sterrenkundige Sosigenes. Nog eenmaal moest hij te velde trekken tegen Pompeius' zonen, die in Hispania een leger op de been hadden gebracht (slag bij Munda, 45). Hij werd met eerbewijzen overladen, en onder verschillende titels bezat hij eene onbeperkte macht. In 49 was hij dictator, in 48 was hij consul, in 46 dictator en consul tegelijk, in 45 was hij tot dictator voor zijn leven en consul voor tien jaar benoemd, met den titel van imperator; als praefectus morum bezat hij censorische macht; de keuze der overheden werd hem overgelaten; hij mocht zijne beeltenis op de munt laten slaan, enz. Doch bij de aristocratische partij bleef een geheime wrok bestaan, en deels uit persoonlijke eerzucht, deels uit ijdelen waan, dat met Caesars dood de oude republiek zou herleven en de aanzienlijke familiën weder in het bezit harer vroegere macht zouden komen, vereenigden zich een zestigtal samenzweerders en overvielen C. den 15den Maart 44 in den senaat, waar hij, door 23 dolksteken doorboord, voor het standbeeld van Pompeius nederviel. Zijne begrafenis gaf tot hevige tooneelen aanleiding, vooral toen zijne testamentaire beschikkingen ten gunste van het volk bekend werden.--Behalve de eerste 7 boeken de bello Gallico hebben wij van hem nog 3 boeken de bello civili. Zijne redevoeringen en brieven, door de ouden bewonderd, zijn verloren gegaan, evenals zijne taalkundige werken. Als veldheer, staatsman, redenaar, kortom op welk gebied hij zich bewoog, overal muntte hij uit. Hij had een vriendelijk en openhartig karakter, een grenzenlooze eerzucht en ijzeren volharding.--12) Iulia, zuster van no. 11, gehuwd met M. Attius Balbus. Eene dochter uit dit huwelijk, Attia, huwde C. Octavius, en werd moeder van Augustus.--13) Iulia, dochter van no. 11 en van Cornelia (Cornelii no. 42), in 59 gehuwd met Pompeius, eene verstandige vrouw, die, zoolang zij leefde, eene breuk tusschen haar vader en haar man wist te voorkomen. Het was eene eenigszins vreemde verhouding, dat haar man zes jaar ouder dan haar vader was. Zij stierf in 54 bij eene bevalling.--14) C. Octavius, later C. Iulius Caesar Octavianus genoemd en in de geschiedenis onder den titel van Augustus bekend, was de zoon van C. Octavius (zie hierboven no. 12) en door zijn oudoom Caesar tot zoon aangenomen. Hij was in 63 geboren en verloor reeds in 59 zijn vader, waarna zijne moeder Attia met L. Marcius Philippus hertrouwde. Terwijl hij zich te Apollonia met zijne letterkundige studiën bezig hield, ontving hij het bericht van Caesars dood. Hij spoedde zich naar Italia, en was zoo voorzichtig, zich van Brundisium uit door een paar rom. legioenen, die hij daar aantrof, naar Rome te doen vergezellen. Over de gebeurtenissen, die toen volgden, zie men Antonii no. 4 en 6, Pompeii no. 13.--Na den slag bij Actium in 31 en den daarop volgenden dood van Antonius en Cleopatra regelde Octavianus de zaken in het Oosten en keerde als alleenheerscher te Rome terug. Hier werd hij met eerbewijzen overladen; hij legde echter 13 Jan. 27 de onbeperkte macht, die hij sinds Nov. 43 als triumvir bezat (zie Tresviri no. 9), vrijwillig neder, en gaf aan senaat en volk de republikeinsche vrijheid terug. Drie dagen later verleende de senaat hem den titel Augustus, en gaf hem tevens het grootste deel der pas afgestane macht terug. Van dezen dag dateert het Romeinsche keizerrijk of principaat. Augustus wilde slechts de eerste der burgers, princeps civium zijn. Hij behield het consulaat, dat hij tot 23 geregeld bekleedde, verder de tribunicia potestas, die hem in 36 voor onbepaalden tijd, in 30 levenslang was verleend. Hierdoor had de princeps de bevoegdheid van het tribunaat, was onschendbaar en kon alle rechten van het ambt uitoefenen zonder beperking van tijd of plaats. Verder verleende de senaat hem het imperium proconsulare over alle provincies, waar legers stonden, die hij door legati pro praetore liet besturen, en het oppertoezicht over de andere provinciën, die onder het beheer van den senaat bleven. Verder had hij het recht een lijfwacht te hebben, de cohortes praetoriae. Hij deelde zijn macht met den senaat, die nu o. a. ook voor zijne leden hooggerechtshof werd. Voor Rome brak nu een tijd van rust en vrede aan, dubbel welkom na het eindelooze bloedvergieten der laatste 18 jaren. Onder zijne voornaamste regeeringsdaden behooren de verdeeling van Italië in 11 en van Rome in 14 regiones, de oprichting van cohortes vigilum en cohortes praetoriae, de verdeeling der provinciën in keizerlijke en senatorische (zie hierboven), de aanstelling van een praefectus urbi en twee praefecti praetorio. De oorlogen, die hij nu voerde, hadden geene nieuwe veroveringen ten doel, maar òf behoud van het bestaande òf meer volledige onderwerping der volken in het rom. gebied. Zoo brachten zijne stiefzoons Drusus en Tiberius de Alpenvolken ten onder tot aan den Donau, om de grenzen van het rijk te bevestigen; vervolgens trachtten zij de rom. heerschappij tussen Rijn en Elbe op vaste grondslagen te vestigen, welk plan later door de nederlaag van Varus in duigen viel; Agrippa onderwierp de Cantabriërs en Asturiërs in Hispania. Zelf trok Augustus in 20 naar het Oosten en ontving van den parthischen koning de op Crassus en Antonius veroverde veldteekenen terug. Hij stierf te Nola in 14 na C. Zijne weduwe Livia hield zijn dood geheim, totdat Tiberius de noodige maatregelen had kunnen treffen, om zich in het bezit der heerschappij te stellen.--15) Voor de min of meer verwarde familiebetrekkingen van het huis van Augustus mogen de volgende opgaven dienen.

Augustus is driemaal gehuwd geweest: 1) met Claudia, dochter van den beruchten P. Clodius Pulcher, uit welk huwelijk geene kinderen waren;--2) met Scribonia, zuster van L. Scribonius Libo, in 40, een huwelijk uit staatkunde gesloten, dat in 39 weder ontbonden werd, juist op den dag harer bevalling van eene dochter Iulia;--3) met Livia Drusilla, wier vader Livius Drusus in den slag bij Philippi was gesneuveld. Zij was gehuwd met Tib. Claudius Nero en had twee zoons, in de geschiedenis bekend als Tiberius en Drusus. Augustus overreedde haar man, haar aan hem af te staan en nam toen Tiberius en Drusus als zoons aan.

a) Augustus en Scribonia.

Iulia, driemaal gehuwd, 1) met M. Claudius Marcellus, jong gestorven (zie Claudii no. 37),--2) met M. Vipsanius Agrippa, gest. 12,--3) met den lateren keizer Tiberius.

Wegens haar ergerlijken levenswandel werd zij in 2 door haar vader naar het eiland Pandataria en later naar Rhegium verbannen, waar zij in 14 na C. stierf.

Kinderen uit Iulia's tweede huwelijk.

* C. Caesar, † 4 na C., gehuwd met Drusus' dochter Livilla. * L. Caesar, † 2 na C. * Agrippa Postumus, 14 na C., na Augustus' dood door Tiberius uit den weg geruimd. * Iulia, om haar zedeloos gedrag in 9 na C. verbannen, † 28 na C. * Agrippina, gehuwd met Germanicus.

De verbanning der beide Iulia's (de dochter naar het eiland Trimerus (Trimetus) was eene deportatio.

b) Livia en Tib. Claudius Nero.

* Tiberius (keizer), geh. met Vipsania Agrippina, van wie hij tegen zijn zin moest scheiden, daar Augustus hem Iulia opdrong. * Drusus (zie Claudii, no. 26) geh. met Antonia minor, dochter v. den drieman M. Antonius (Antonii no. 11).

c. Tiberius en Vipsania Agrippina.

Drusus Caesar, gehuwd met Drusus' dochter Livilla, weduwe van C. Caesar. In overeenstemming met haar minnaar Seianus, praefectus praetorio onder Tiberius, ruimde zij haren echtgenoot uit den weg (23 n. C.). Zij werd met Seianus ter dood gebracht (31).

* Germanicus, gest. 4 jaar oud. * Tiberius, door keizer Caligula omgebracht. * Iulia, geh. met Nero, den zoon v. Germanicus, later met C. Rubellius Blandus (Rubellii no. 1), Op aanstoken v. Messalina werd zij omgebracht.

d) Drusus en Antonia minor.

* Germanicus (z. a.), geh. met Agrippina dochter van Iulia (zie boven). * Claudius (keizer), (zie onder). * Livilla, geh. 1) met C. Caesar,--2) met Drusus Caesar, (zie boven).

e) Germanicus en Agrippina

verloren van hunne 9 kinderen drie door den dood en lieten 6 kinderen na, n.l.: 3 dochters, Agrippina, Drusilla en Livilla, 3 zoons, Nero, Drusus en C. Caesar.

Van de zoons werden Nero en Drusus op last van Tiberius ter dood gebracht; C. Caesar is de latere keizer Caligula. Nero was gehuwd met Iulia, de kleindochter van Tiberius (zie boven). Agrippina (z. a.) is de moeder van keizer Nero geweest. Drusilla, eigenlijk Iulia Drusilla, werd de bijzit van haren broeder Caligula (zie Drusilla no. 2). De jongste zuster, Iulia Livilla, werd onder Claudius op aansporing van Messalina omgebracht.

f) Kinderen van keizer Claudius.

1) Uit zijn huwelijk met Plautia Urgulanilla werd een zoon Drusus geboren, die als knaap stikte doordat eene peer hem in de keel schoot. Eene dochter Claudia, na de echtscheiding geboren, erkende hij niet als de zijne.--2) Uit het huwelijk met Aelia Petina had hij eene dochter Antonia, die tweemaal gehuwd is.--3) Bij Valeria Messalina had hij eene dochter Octavia, gehuwd met keizer Nero, en een zoon, eerst Germanicus, doch vervolgens Britannicus geheeten, die door Nero vergiftigd is (55).--4) Van zijne vierde vrouw, Agrippina, de dochter van Germanicus, kreeg hijzelf geene kinderen. Haar zoon uit een vroeger huwelijk, de latere keizer Nero, werd echter door Claudius als zoon aangenomen.

N.B. De afstammelingen van Tiberius en Drusus, de aangenomen zonen van Augustus, voerden, voor zoover zij van het mannelijk geslacht waren, allen den familienaam Caesar. De vrouwelijke leden moeten allen ook Iulia geheeten hebben, zooals van sommige vermeld wordt.

Iulius Tutor, aanvoerder van de Galliërs in den bataafschen opstand, zie Civilis.

Iuliobona, zie Caletes.

Iulis, Ioulis, hoofdstad op het eiland Ceos.

Iulus, Ioulos = Ascanius, zoon van Aeneas. Hij had twee zoons, waarvan de oudste ook Iulus, de jongste Silvius heette.

Iunia (lex), de peregrinis van den volkstribuun M. Iunius Pennus, 126. Door deze wet werd aan de peregrini het verblijf te Rome ontzegd. Eene wet van gelijke strekking was de lex Papia, in 65. Beide wetten worden door Cicero sterk veroordeeld.

Iunia Licinia (lex) van de consuls D. Iunius Silanus en L. Licinius Murena, 62. Zij verbood, wetten heimelijk in het aerarium te brengen, hetgeen vermoedelijk beteekent, dat de nieuwe wetten voortaan onder getuigen in het archief moesten worden gedeponeerd.

Iunia Norbana (lex), onder keizer Tiberius, 19 na C. Deze wet bepaalde, dat slaven, die modis minus iustis waren vrijgelaten (dus niet per vindictam, per censum of per testamentum), niet het burgerrecht zouden erlangen, maar een rechtstoestand zouden hebben in den trant der vroegere latijnsche koloniën. Zulke vrijgelatenen worden Latini Iuniani geheeten. Zie ius Latii.

Iunii, een oud patricisch geslacht, dat, evenals de Iulii, van trojaanschen bloede heette te zijn. Het eerst wordt genoemd--1) M. Iunius, gehuwd met Tarquinia, eene zuster van Tarquinius Superbus. Hij werd met zijn oudsten zoon door den koning omgebracht.--2) L. Iunius Brutus (= de stompzinnige), zoon van no. 1. Hij ontsnapte den dood door zich als half onwijs voor te doen. Hij begeleidde de zonen van Tarquinius op een reis naar Delphi, en was de éénige, die de orakelspreuk begreep, die de god hun op hun vraag meegegeven had: wie het eerst te Rome zijn moeder kuste, zou te Rome regeeren; hij nu kuste den grond, en werd zóó doende later de eerste consul van Rome. Toen de verbittering des volks tegen Tarquinius Superbus en diens zonen door de onteering van Lucretia tot eene uitbarsting was gekomen, bewoog Brutus het leger tot den afval en werd een van de eerste consuls. Hem trof het harde lot, dat hij zijne beide zoons ter dood moest veroordeelen wegens samenzwering ten gunste van den verdreven koning. In hetzelfde jaar (509) sneuvelde hij, daar hij en 's konings zoon Aruns in den slag elkander gelijktijdig doorstaken. Er werd een standbeeld voor hem opgericht. Deze Iunii behooren tot het gebied der legende.

Iunii, een plebejisch geslacht, waarvan geene verwantschap met het vorige te ontdekken is. 1) L. Iunius Brutus, een der voorvechters der eerste secessio plebis en in 493 een der eerste volkstribunen. Zie echter tribuni plebis en secessio.--2) Dec. Iunius Brutus Scaeva, consul in 325, streed voorspoedig tegen de Vestini in Samnium. De berichten omtrent dezen veldtocht zijn niet geheel betrouwbaar.--3) C. Iunius Bubulcus Brutus, consul in 317, 313 en 311, in 312 magister equitum van den dictator C. Sulpicius Longus, en in 309 van L. Papirius Cursor, in 302 zelf dictator, streed roemrijk tegen Samnieten en Aequers, wijdde in 302 (v.a. 304) den tempel van Salus (z. Fabii no. 24).--4) D. Iunius Brutus, bijgenaamd Callaïcus, consul 138, overwon de Callaeci (Galliciërs) in Hispania en de Lusitaniërs (in Portugal) (138-137). Hij heeft Olysipo (Lissabon) aan den mond van de Taag versterkt, en Valentia no. 1 gesticht. Hij wordt een vrij goed redenaar genoemd, en was een man van fijne beschaving.--5) D. Iunius Brutus, consul in 77, gehuwd met Catilina's vriendin Sempronia.--6) D. Iunius Brutus, zoon van no. 5, diende onder Caesar in Gallia, waar hij de Veneti versloeg (56) en tegen Vercingetorix streed. In den burgeroorlog was hij admiraal van Caesar en werd door hem tot stadhouder van Gallia Cisalpina benoemd. Toch sloot hij zich bij de samenzweerders aan, vermoedelijk uit oprechte overtuiging. Na Caesars dood had hij met Antonius, die hem zijne provincie betwistte, een oorlog te voeren (bellum Mutinense, zie Antonii no. 4). Toen Octavianus ook de moordenaars van Caesar begon te vervolgen, en het meerendeel van Brutus' troepen afvallig werd, vluchtte hij naar M. Brutus, doch werd onderweg door een vriend, een gallisch opperhoofd, Camillus, gevangen genomen en op last van Antonius omgebracht.--7) M. Iunius Brutus, rechtsgeleerde (± 136), schrijver van een werk de iure civili.--8) M. Iunius Brutus, ook een groot rechtsgeleerde en geleerd man, stelde als volkstribuun in 83 voor, eene sterke rom. kolonie naar Capua te zenden, wat door Cicero zeer wordt afgekeurd. In den burgeroorlog was hij bij de mariaansche partij. Hij verdedigde Mutina tegen Pompeius. Na Sulla's dood sloot hij zich bij den oproerigen consul M. Aemilius Lepidus aan, doch werd op last van Pompeius vermoord, 77.--9) M. Iunius Brutus, ook wel eens Q. Caepio Brutus geheeten, daar hij door Q. Servilius Caepio (Servilii no. 18 z. a.) geadopteerd was, zoon van no. 8 en van Servilia, de beroemde stiefzuster van Cato van Utica (Servilii no. 19), ontving onder de leiding van zijne moeder en van zijn oom eene zorgvuldige opvoeding. Bij het uitbarsten van den burgeroorlog volgde hij eerst de vanen van Pompeius, na den slag bij Pharsalus evenwel werd hij de gunsteling van Caesar, die om der moeder wille den zoon van Servilia genegen was en spoedig Brutus zelven lief kreeg om zijne voortreffelijke eigenschappen. In 45 gaf Caesar hem het stadhouderschap over Gallia Cisalpina, waarvan Brutus zich met onbaatzuchtigheid kweet. Ook Cicero achtte hem hoog, droeg hem zijne geschriften Orator, de finibus bonorum et malorum en de Tusculanae disputationes op en liet hem de hoofdrol vervullen in het werk de claris oratoribus. In 44 droeg Caesar aan Brutus de praetura urbana op, waardoor hij C. Cassius teleurstelde en hevig verbitterde. Door dezen liet Brutus zich medesleepen in de samenzwering tegen zijn weldoener, niet uit persoonlijke eerzucht, maar in den waan dat Caesars dood de wedergeboorte der republiek zou zijn. Na den moord begaf Brutus zich niet terstond naar zijne provincie Macedonia, maar toefde nog in Italia, in de hoop, dat de openbare meening te Rome zich tegen M. Antonius en Octavianus zou keeren. Eerst in Sept. ging Brutus naar Macedonia, dat onderwijl door den senaat aan M. Antonius was toegewezen, die deze provincie weer voor Gallia Cisalpina verruilde (zie Antoniae leges no. 8, en Antonii no. 4 en 5), en aan zijn broeder C. afstond. Ook later verloren Brutus en Cassius een kostbaren tijd met niets doen, en lieten den driemannen den tijd zich te versterken. Bij Philippi in Macedonia had de beslissende slag plaats (herfst van 42). Brutus en Cassius hadden omstreeks 90000 man. In den eersten slag zegevierde Brutus op Octavianus, doch Antonius op Cassius, die zich in wanhoop liet dooden. In den tweeden slag werd ook Brutus verslagen, waarop hij zich zelf in zijn zwaard stortte. Zie ook Cassii no. 8. Zijne echtgenoote Porcia, Cato's dochter, liet zich op het bericht van zijn dood door kolendamp verstikken. De grootste fout van Brutus was zwakheid van karakter. Hij heeft boeken over wijsbegeerte en redekunst geschreven.--10) M. Iunius Gracchanus, vriend van C. Gracchus, aan welke vriendschap hij zijn bijnaam te danken had, schrijver van een boek de potestatibus.--11) M. Iunius Pennus, volkstribuun in 126, de auctor der lex Iunia de peregrinis, tegenstander der Gracchen.--12) L. Iunius Pullus, consul 249, verloor zijn geheele vloot door schipbreuk bij Phintias aan de Zuidkust van Sicilia.--13) M. Iunius Brutus Pera, dictator in 216 na den slag bij Cannae.--14) M. Iunius Silanus ging in 211 met Scipio (later Africanus maior) naar Hispania en behaalde als onderbevelhebber overwinningen op Mago en Hanno. Zijn zoon sneuvelde in 196 in den oorlog tegen de Bojers.--15) D. Iunius Silanus Manlianus, een geboren Manlius Torquatus, had zich als propraetor van Macedonia aan afpersingen schuldig gemaakt. Toen er nu klachten bij den senaat inkwamen, verzocht de vader T. Manlius Torquatus (Manlii no. 12) dat hem het onderzoek zou worden opgedragen. Hij bevond den zoon schuldig en verbande hem uit zijne oogen, waarop Silanus zich ophing (141).--16) M. Junius Silanus, werd als consul in 109 door de Cimbren in Gallia geheel verslagen.--17) D. Iunius Silanus, stiefvader van no. 9, consul in 62, stemde in 63 als consul designatus het eerst voor veroordeeling der 4 Catilinarii. Hij was een goed redenaar. Zie Iunia Licinia (lex).--18) M. Iunius Silanus koos na Caesars dood de partij van Antonius en werd in 25 met Octavianus consul. Hij was een zwager van Lepidus. Hij moet niet verward worden met zijn naamgenoot, die legaat was van Caesar in Gallia.--19) M. Iunius Silanus, onder Caligula stadhouder van Africa en een van 's keizers slachtoffers.--20) L. Iunius Silanus, een man van zeer braaf karakter, werd als afstammeling van Augustus het slachtoffer van Nero's achterdocht (65).--21) Iunius Blaesus, vader en zoon. De eerste was onder Augustus en Tiberius bevelhebber in Pannonia. Tiberius gaf hem den titel van imperator, welk eerbewijs na hem aan geen onderdaan meer ten deel viel. Hij was een oom van Seianus en verloor na diens val zijn invloed. De zoon, die onder zijn vader gediend had, maakte zich in 36 van kant, omdat hij bij Tiberius in ongenade gevallen was. Een kleinzoon, die zich in 69 bij Vitellius had aangesloten, werd door dezen uit wantrouwen uit den weg geruimd.--22) L. Iunius Arulenus Rusticus werd door Domitianus ter dood veroordeeld, omdat hij in geschrifte den lof had verkondigd van Paetus Thrasea en Helvidius Priscus.--23) C. Iunius (familie-naam onbekend), tijdgenoot van Cicero, werd veroordeeld omdat hij als iudex quaestionis zich had laten omkoopen (74).--24) L. Iunius Brutus Damasippus, gewoonlijk verkeerdelijk L. Licinius Damasippus genoemd, z. Licinii no. 19.--25) Q. Iunius Rusticus, z. Rusticus no. 2.

Iuno, koningin van den hemel en de goden (Regina), later zuster en gemalin van Jupiter, als beschermster van den romeinschen staat (Quiritis) met Jupiter en Minerva op het Capitolium vereerd (Capitolina). Bovenal is zij de godin der vrouwen, wien zij in alle levensomstandigheden, in ongehuwden en gehuwden staat, bij het huwelijk zelf en alle daarmede verbonden plechtigheden, bij het baren van kinderen, enz., helpend ter zijde staat; vandaar hare talrijke bijnamen, als: Virginalis, Matronalis, Iugalis, Pronuba, Lucina e. a. Zelfs heeft iedere vrouw hare Juno, evenals ieder man zijn Genius. Hare voornaamste feesten waren de Matronalia op 1 Maart (Calendae feminarum) en de Nonae Caprotinae op 7 Juli (z. Caprotina); de geheele maand Juni was haar gewijd en verder alle Kalendae. Als Juno Moneta had zij een tempel op de arx, waar de munt geslagen werd, die daarnaar benoemd is. Men offerde haar lammeren, witte koeien, enz., de gans werd als een haar geheiligd dier beschouwd. Als koningin des hemels wordt zij vereenzelvigd met de grieksche Hera en dochter van Saturnus en Ops genoemd, ofschoon zij meer macht en een meer uitgebreiden eigen werkkring heeft dan deze.

Iunonis promunturium, to tes Heras akroterion, naam van twee kapen, de eene aan de Zuidpunt van Hispania, thans kaap Trafalgar, de andere aan de westkant der corinthische landengte, ook Heraeum prom. genaamd.

Iupiter, de god van den hemel, de hoogste god der Romeinen, de goede en machtige god (Optimus Maximus), die in den hemel beschikt over licht en duisternis, storm, onweder, regen, enz. (Diespiter, Serenus, Fulgur, later Fulminator, Tonitrualis, Pluvius), en op aarde het lot van individuen en staten beheerscht, in hunne wederzijdsche betrekkingen wetten, recht en goede trouw beschermt, en zijn wil door wonderteekenen (Prodigialis) en orakels openbaart. Voornamelijk is hij de beschermgod van den romeinschen staat (Conservator, Custos), dien hij voor de wereldheerschappij bestemd heeft, en welks legers hij tegenover de vijanden van de vlucht terughoudt (Stator) en tot de overwinning leidt (Victor). Als zoodanig heeft hij met Juno en Minerva zijn tempel op het Capitolium (Capitolinus), waar hij door overheden en particulieren in alle gewichtige omstandigheden aangebeden wordt, waar de consul hem offers bracht als hij ten strijde trok en de uit den oorlog teruggekeerde overwinnaar hem zijn fasces en lauwerkrans aanbood (Triumphalis) of hem de behaalde spolia opima wijdde (Feretrius). Evenzoo was hij in ouden tijd de god van het latijnsch verbond geweest (Latiaris), en werd hij later in het bijzonder de god der romeinsche keizers. Bij het huwelijk per confarreationem (z. a.) werd hij aangeroepen als Jupiter farreus. Ter eere van J. Capitolinus vierde men de Ludi Romani, Capitolini, Magni en Plebei, ter eere van J. Latiaris de Feriae Latinae. Ook de Vinalia (z. a.) worden hem ter eere gevierd. De Idus van elke maand zijn hem gewijd. Ook wordt hij geëerd door twee epulae Iovis op de 1sten van September en November. Zijn bode en zinnebeeld is de arend.--Als hoogste god werd hij vereenzelvigd met Zeus en de zoon van Saturnus en Ops genoemd, en toen Sulla zijn tempel op het Capitolium na den brand liet herbouwen, werd zijn beeld geheel eene navolging van dat van Zeus te Olympia.

Iura (mons), Ioras, Iourassos, Iourasios, thans Jura, tusschen de Sequani en de Helvetii.

Iurisconsulti, ook iure consulti, iurisprudentes genoemd, waren, zooals de naam aanwijst, rom. rechtskundigen. In den oudsten tijd der republiek was het ius civile nauw verwant met het ius sacrum. Alles hing aaneen met vaste vormen en formulieren, die nauwkeurig moesten worden in acht genomen, wilde men zijn proces niet verliezen. Deze vormen waren te vinden in de libri pontificum. en werden voor de plebs zooveel mogelijk geheim gehouden. De iurisconsulti nu gaven inlichtingen aan hunne vrienden en cliënten omtrent de rechtsdagen en hetgeen men had in acht te nemen. Het ius Flavianum (z. a.) maakte aan deze geheimzinnigheid een einde en het geven van adviezen hield op het werk van priesters en enkele bevoorrechten te zijn, terwijl bovendien de invoering der formulae door de lex Aebutia de rechtspraak los maakte van den vroegeren omhaal. De iurisconsulti waren nu aanzienlijke mannen, die wetten en rechtsgeleerde boeken hadden bestudeerd en, hetzij te huis, hetzij op het forum, op bepaalde uren te spreken waren om adviezen te geven (respondere), als men hen kwam raadplegen (consulere), en die ook allerlei documenten opstelden, als testamenten, borgstellingen, contracten, aanklachten, enz. Ook gaven zij uitlegging van wetten. Jongelingen, die als rechtsgeleerden of pleiters wilden opgeleid worden, gingen bij zulke iurisconsulti in de leer en woonden hunne adviezen bij. Pleiten deden deze rechtskundigen niet. Het kon niet anders, of langzamerhand ontstond op deze wijze eene rechtswetenschap en de studie van het recht nam in omvang en diepte toe, naarmate de aequitas meer veld won op het strenge ius (zie ius honorarium). Die aequitas noopte de juristen, meer stelselmatige eenheid in het recht te brengen. Augustus kende aan de responsa prudentium kracht van wet toe bij rechtsvragen, die betwistbaar schenen. Er verrezen nu ook rechtsgeleerde scholen met bepaalde leeraars (professores iuris) en studenten (studiosi), die een leergeld of honorarium betaalden, wat bij de oude iurisconsulti niet het geval was.

Iüs, zie Ios.

Ius. Over de tegenstelling van in iure en in iudicio zie men iudicio (in).

Ius Aelianum, een werk van S. Aelius Paetus, bijgenaamd Catus (± 200), over de wetten der XII tafelen, met eene verklaring van duistere en verouderde woorden en eene bijvoeging der vormen, waaraan men zich te houden had. Z. Aelii no. 1.

Ius civile is het positieve recht, dat de rechtsbetrekkingen tusschen burgers onderling regelt. De volledige uitdrukking was ius civile Romanorum, te onderscheiden van ius Quiritium. Dit laatste sluit het rom. burgerrecht in, terwijl het eerste het specifiek rom. burgerlijk recht omvat.

Ius Flavianum, de door Cn. Flavius in 304 openbaar gemaakte verzameling van formulieren en bijzonderheden, waarvan de stipte inachtneming in rechten gevorderd werd. Zie Flavii no. 2.

Ius gentilicium of gentilitatis, het recht om als lid eener gens erfrechten en voogdijrechten te doen gelden, wanneer een overledene geene heredes sui en geene agnaten had.

Ius gentium, in theorie het bij alle volken geldende internationale recht, ius commune omnium hominum, ius quod apud omnes populos peraeque custoditur, quod apud omnes gentes sanctum est. In de praktijk evenwel is het ius gentium het recht, dat de Rom. in toepassing brachten in het verkeer met vreemde volken, een peregrinenrecht. Het onderscheidde zich van het ius civile vooral in twee opzichten, dat het minder gebonden was aan de wettelijk voorgeschreven vormen, en ook niet aan het gebruik der latijnsche taal. Over de wijzigingen, die hieruit voor het ius civile voortvloeiden, zie men het artikel ius honorarium. Wat wij onder volkenrecht verstaan, wordt in het Latijn beter uitgedrukt door ius belli et pacis.

Ius honorum, verkiesbaarheid tot de onbezoldigde rom. staats- en priesterambten, die als eerbewijzen en geschenken van de zijde des volks werden beschouwd. Gewoonlijk verstaat men onder honores meer uitsluitend de hooge ambten, te beginnen met de quaestuur.

Ius honorarium of praetorium, het praetorenrecht, ontstaan uit de edicta praetorum. Wij zullen hier met een paar voorbeelden ter opheldering volstaan. Volgens de wetten der XII tafelen werd de fur manifestus als slaaf het eigendom van den bestolene, tenzij hij zich vrijkocht. De afkoopsom was echter aan willekeur overgelaten, totdat een praetorisch edict ze op het vierdubbel van het gestolene stelde. Of wel, het ius civile schreef nauwkeurig voor, op welke wijzen de eigendom van verschillende zaken moest overgaan. Voor res mancipi b.v. was eene formeele overdracht, eene mancipatio per aes et libram, voorgeschreven, ten overstaan van libripens en getuigen. Het ius gentium, het rom. peregrinenrecht, was echter niet zoo streng aan vormen gebonden. Wanneer nu een rom. burger door onwetendheid eene res mancipi had gekocht of verkregen, b.v. een paard of een ezel, doch niet onder den wettigen vorm, maar door eenvoudige traditio, dan kon hij strikt genomen hieraan geen recht ontleenen en stond dus achter bij een peregrinus. Om deze onbillijkheid weg te nemen, erkende het praetorische recht op grond der aequitas in sommige gevallen ook onvolledige vormen als geldig. Ook onder het artikel hereditas is een voorbeeld opgenoemd. Zóó werd het strenge ius civile met het mildere ius gentium in overeenstemming gebracht. Het aldus verkregen goed kon dan wel niet als dominium gerekend worden, maar het edict stond toe, het in bonis te hebben, het feitelijk te bezitten, terwijl het dan door verjaring (usus, usucapio) mettertijd eigendom ex iure Quiritium kon worden.

Ius imaginum. Van hen, die een curulisch ambt bekleed hadden, mochten hunne gezinnen en nakomelingen wassen borstbeelden of, beter gezegd, maskers (cerae) laten vervaardigen, die imagines genoemd werden en in het atrium in kasten werden bewaard, terwijl naam en rang onder elke beeltenis op een ivoren of metalen plaatje (titulus) vermeld waren. Op huiselijke feestdagen werden deze imagines te voorschijn gehaald en bekranst. Bij lijkstaatsies werden zij door huurlingen voor het gelaat gedragen, alsof de voorvaderen mede ter begrafenis gingen.

Ius italicum. De italische bodem was vrij van grondlasten en kon in quiritischen eigendom worden bezeten. Onder de keizers werd meermalen aan steden in de provinciën dit recht toegekend, d. w. z. de bodem werd gelijkgesteld met italischen grond, alsof hij in Italia gelegen ware. Natuurlijk moesten de inwoners rom. burgers zijn, daar zij anders bij gebreke van commercium toch niets aan het ius italicum zouden gehad hebben. De stelling mag echter niet omgekeerd worden: als eene provinciestad de civitas heeft, dan volgt hieruit nog niet het ius italicum. Tevens vloeit uit dit recht voort, dat de stad, daar zij niet langer als provinciestad beschouwd wordt, aan het rechtstreeksch bestuur van den stadhouder onttrokken wordt, en de vrijheid eener italische stad verkrijgt. Dit recht werd alleen aan koloniën geschonken; vandaar dat somtijds provinciesteden om het ius coloniae verzochten, in de hoop, later het ius italicum te verwerven.

Ius Latii. De coloniae latinae populi Romani werden als socii Latini beschouwd. Zij hadden met Rome conubium en commercium, en hare inwoners konden onder zekere omstandigheden het rom. burgerrecht erlangen. Ten opzichte van dit laatste onderscheidde men een Latium maius en minus. In de steden, welke het L. minus hadden, werd het rom. burgerrecht verkregen door het bekleeden van een overheidsambt, in die met het L. maius reeds door het lidmaatschap van den stedelijken senaat, den ordo decurionum. Toen in 90 en 89 geheel Italia door de lex Iulia en de lex Plautia Papiria het burgerrecht verkreeg, en in 89 Gallia Cispadana door de lex Pompeia, en Transpadana in 49 door eene andere lex Iulia, verdween het ius Latii in Italië, doch werd vervolgens aan een aantal provinciesteden toegekend als een tusschentoestand tusschen den staat van peregrinus en dien van civis. Zie ook lex Iunia Norbana.

Ius liberorum. De lex Iulia et Papia Poppaea (z.a.), in het jaar 8 na C., schonk, tot aanmoediging van het huwelijk, voorrechten aan ouders van drie of meer wettige kinderen. O.a. ontsloeg zij vrijgeboren vrouwen na den dood harer echtgenooten van voogdij, indien zij vier kinderen hadden. Aan mannen schonk het ius liberorum een voorrang bij het dingen naar een ambt, een zekeren vrijdom van lasten, enz. Meermalen echter komt het voor, dat de keizers het ius liberorum uit gunst verleenen, zelfs aan personen zonder kinderen.

Ius naturae, bij de Rom. synoniem met ius gentium.

Ius Papisianum (Papirianum), eene verzameling wetten, zoogenaamd uit den koningstijd (leges regiae), voornamelijk op den eeredienst betrekking hebbende. Zij draagt haar naam naar zekeren Sextus v. a. Gaius Papisius (Papirius), omtrent wien overigens niets bekend is. Een uittreksel hiervan maakte Granius Flaccus, z. Granii no. 1.

Ius pontificium of sacrum, het sacrale recht, in zaken, die den godsdienst raakten, zooals het was opgeteekend in de libri pontificum. Zie ook iurisconsulti in het begin.

Ius postliminii. Volgens dit recht trad de rom. burger, die door krijgsgevangenschap tijdelijk zijn burgerrecht had verloren, bij zijn terugkeer op rom. bodem onmiddellijk weder in het bezit zijner vroegere rechten.

Ius praetorium = ius honorarium.

Ius Quiritium of Quiritarium. Terwijl het ius civitatis de staatsburgerlijke rechten van den rom. burger omvatte, heeft ius Quiritium meer eene privaatrechtelijke beteekenis, ofschoon men dit niet hebben kan zonder civis te zijn. Onder de keizers, toen door de alleenheerschappij de staatsburgerlijke rechten vrij wel gelijk nul waren geworden, krijgt civitas de beteekenis van burgerrecht als ondeelbaar geheel, en zegt men dus van een peregrinus, die rom. burger wordt, dat hij het ius civitatis krijgt, terwijl dan een Latinus (zie ius Latii), die reeds een deel van het burgerrecht, conubium en commercium, heeft en dus slechts eene aanvulling krijgt, gezegd wordt het ius Quiritium te erlangen.

Ius sacrum, zie ius pontificium.

Iustina, de schoone en verstandige gemalin van keizer Valentinianus I (364-375 na C.). Na zijn dood nam zij als regentes voor hun vierjarig zoontje Valentinianus II, die samen met zijn halfbroeder Gratianus tot Augustus was uitgeroepen, de regeering waar.

Iustinus, 1) de schrijver der Historiae Philippicae (waarschijnlijk uit de derde eeuw n. C.), die behalve een algemeen historisch overzicht, meer in het bijzonder de geschiedenis van Macedonia bevatten. Het werk is een uittreksel van een veel grooter werk onder denzelfden titel geschreven door Trogus Pompeius, ten tijde van Augustus.--2) Justinus Martyr uit Flavia Neapolis in Palaestina, was eerst heiden, maar ging later tot het Christendom over, en onderging den martelaarsdood in 165 n. C. Hij is de schrijver van een apologie in twee deelen en andere werken. Vele werken die hem vroeger toegeschreven werden, zijn niet van hem.

Iustitium, stilstand van rechtszaken en tevens van alle openbare aangelegenheden. In tijden van nood en gevaar en algemeene verslagenheid werd somtijds bij senaatsbesluit zulk een algemeene stilstand van zaken afgekondigd. Onder de keizers komt zulk een iustitium (van ius en sistere) alleen voor bij gewichtige sterfgevallen in de keizerlijke familie.

Iuthungi, een germaansche stam, tot de Sueven behoorend, en verwant met de Alemannen, waarin ze later opgaan. Ze komen voor het eerst in de 3de eeuw n. C. voor; ze woonden ten N. van Vindelicia en Raetia.

Iuturna, oudtijds ook Diuturna geheeten, nimf van eene bron in Latium bij de rivier de Numicus, waarvan het water genezende kracht had en te Rome bij vele offers gebruikt werd. Jupiter beminde haar en schonk haar tot loon voor hare wederliefde de onsterfelijkheid. Bij Janus werd zij moeder van Fontus. Zij was de zuster van Turnus, dien zij in den strijd tegen Aeneas bijstond, totdat Jupiter haar door de Dirae liet verjagen. Te Rome had zij een tempel, en vierde men te harer eer den 11den Januari een feest, de Iuturnalia; bovendien werd zij in tijden van droogte aangeroepen. De aan haar gewijde lacus Iuturnae bij den tempel van Castor en Pollux aan den voet van den Palatinus is bij de opgravingen van 1900-1902 weer te voorschijn gekomen.

Iuvavum, thans Salzburg, aan den Iuvavus (Salzach), eene belangrijke stad in Noricum.

Iuvenalis (D. Iunius), geboren te Aquinum in Latium, genoot eene rhetorische opleiding, doch is vooral bekend als hekeldichter onder de regeering van Traianus. In zijne 16 satiren geeselt hij met bitteren spot en verontwaardiging het zedenbederf van zijn tijd, doch niet zonder zich aan rhetorische overdrijving schuldig te maken. Volgens een verhaal, dat door sommigen betwijfeld wordt, zou hij onder Traianus in Aegypte, waar hij een militaire betrekking bekleedde, op hoogen leeftijd gestorven zijn.

Iuvencus (C. Vettius Aquilius), een Spaansch presbyter, gaf in 329 of 330 n. Chr. in epische versmaat in den trant van Vergilius in 4 boeken een bewerking der Evangeliën uit, waarbij hij vooral Matthaeus volgt.

Iuventii, een geslacht, uit Tusculum afkomstig. 1) M. Iuventius Thalna, in 170 volkstribuun, de eerste uit dit geslacht die het consulaat bekleedde (163), onderwierp Corsica en bleef plotseling dood, op het oogenblik dat hij de dankbetuiging van den senaat ontving.--2) P. Juventius, werd als praetor door Andriscus in Macedonia verslagen, en sneuvelde (149).--3) M. Iuventius Laterensis leed bij zijne candidatuur voor de aediliteit in 55 eene nederlaag, en klaagde hierop zijn gelukkiger mededinger Cn. Plancius aan van het oprichten van onwettige kiesvereenigingen (sodalitia) tot het omkoopen van stemmen. Cicero, schoon met Juventius bevriend, verdedigde Plancius, aan wien hij verplichting had. Na Caesars dood werd Juventius legaat van Lepidus, doch zag zijne troepen tot M. Antonius overloopen, en bracht toen zichzelf om het leven.--4) schrijver van fabulae palliatae (2de eeuw).--5) P. Iuventius Celsus, twee beroemde rechtsgeleerden, vader en zoon, de eerste ten tijde van Vespasianus, de tweede onder Domitianus, Nerva, Traianus en Hadrianus.

Iuvernia, Ivernia = Hibernia (Ierland).

Ixion, Ixion, zoon van Ares of Phlegyas, koning der Lapithen. Hij was gehuwd met de dochter van Deïoneus, en toen deze de gewone bruidsgeschenken van hem vorderde, noodigde Ix. hem bij zich en stortte hij hem in een vuurpoel. Niemand wilde hem van die schuld reinigen, maar Zeus, die hem genegen was, deed het en liet hem tot de tafel der goden toe. Zelfs toen hij Hera met zijne liefde vervolgde, vergaf Zeus hem, en om hem tevreden te stellen, schiep hij een wolk (Nephele) in de gedaante van Hera, die bij Ix. moeder werd van de Centauren. Toen hij zich echter op de gunst van Hera begon te beroemen, wierp Zeus hem in den Tartarus, waar hij aan een vurig rad gebonden werd, dat altijd ronddraait.

Ixionides, Ixionides, Pirithoüs en de Centauren, zonen van Ixion.

Iynx, Iynx, dochter van Peitho of Echo, die door toovermiddelen Zeus had doen ontbranden in liefde voor Io. Daarom veranderde Hera haar in een vogel, die als toovermiddel gebruikt wordt om liefde op te wekken. Men bond hem daartoe op een rad met vier spaken, dat men onder het uitspreken van tooverwoorden ronddraaide. Iason zou dit middel van Aphrodite geleerd en daarmede het hart van Medea gewonnen hebben.

K.

Kakosis goneon, orphanon, etc., slechte behandeling van ouders, familieleden, echtgenooten, pupillen, enz., mishandeling, onthouding van onderstand en dgl. Wie zich hieraan schuldig maakte, konde door eisangelia of apagoge voor den archont gebracht worden; de straf werd naar omstandigheden bepaald, op k. goneon stond atimie.

Kakotechnion dike, aanklacht wegens bedrog of valschheid, vooral in rechtszaken, in het bijzonder knoeierij met getuigen.

Kalendae = Calendae.

Karchedon = Carthago.

Karthago = Carthago.

Katakekaumene (sc. chora), het O. deel van Lydia, aldus genoemd, omdat de bodem van vulkanischen aard was, asphalt en lava bevatte en hierdoor zwart van kleur was, alsof de grond verbrand was.

Kataklesia = katakletos ekklesia, zie ekklesia.

Katalogos, lijst van burgers, die met uitsluiting van anderen een of ander recht of verplichting hebben. In het bizonder de lijst, waarop aangeteekend was in hoever zij tot den krijgsdienst verplicht waren, welke verplichting verschillend was naar verhouding van het vermogen. Het vervullen van den dienstplicht door hen, die op deze lijst stonden, heet ek katalogou strateuein; armere burgers, die er niet op stonden, werden alleen in buitengewone gevallen opgeroepen.

Katalysis tou demou, omverwerping der democratie of de poging daartoe, werd langs den weg der eisangelia voor de rechtbank der thesmotheten gebracht en naar goedvinden der rechters bestraft, waarschijnlijk meestal met den dood.

Katoikoi, z. Cleruchia, aan het slot.

Keadas of kaiadas, afgrond in den Taygetus, ten W. van Sparta, met bijna loodrechte wanden. Ter dood veroordeelden werden hierin geworpen, o. a. Aristomenes, de held van den tweeden messenischen oorlog.

Keres, (ook in het enkelvoud), godinnen van den gewelddadigen dood, vooral op het slagveld, waar zij tot het gevolg van Ares behooren. Zij worden dochters van Nyx, zusters van Morus en Thanatus genoemd. Later kregen zij de beteekenis van straffende en wrekende godinnen en meer algemeen van eene personificatie van al wat het leven vernietigt, ziekte, kommer, enz.

Kerkyra, Kerkyra = Corcyra.

Keryx, heraut, iemand die een koning, ambtenaar of priester bij zijne ambtsverrichtingen ter zijde staat, officiëele bekendmakingen en aankondigingen heeft te doen, enz. De herauten werden als heilig en onschendbaar beschouwd en genoten groot aanzien. In de familie der Kerykes te Athene (z. Ceryx) waren verscheiden priesterlijke waardigheden erfelijk, o. a. die van den keryx of hierokeryx bij de eleusinische mysteriën.

Klarotai, aphamiotai, lijfeigenen op Creta, waren in denzelfden toestand als de spartaansche heloten.

Klerouchia, z. Cleruchia, z. ook apoikia.

Kleter, kletor, in een proces de getuige, die bij de dagvaarding (prosklesis) van den aangeklaagde tegenwoordig geweest is, en bevestigt dat die dagvaarding in den behoorlijken vorm heeft plaats gehad.

Koine, he koine dialektos, gemeen grieksch, de taal, die sedert Alexander algemeen in Griekenland en het Oosten gesproken werd, en waarin ook de meeste boeken van het Nieuwe Testament en de Septuaginta (z. a.) geschreven zijn.

Kolakretai, oorspronkelijk zij, die bij groote offerfeesten van het vleesch der offerdieren een openbaren maaltijd bezorgden, later ambtenaars bij het financiewezen. Clisthenes beperkte hun werkkring, en in 410 zijn zij afgeschaft; in hun plaats traden de apodektai.

Korynephoroi, eigenlijk knotsdragers; te Sicyon lijfeigenen van denzelfden oorsprong en in denzelfden toestand als de spartaansche heloten.

Kosmoi, tien magistraten op Creta, wier bevoegdheden overeenkwamen met die der spartaansche ephoren. Een van hen, de protokosmos, gaf zijn naam aan het jaar.

Koureotis, de derde dag der Apaturia.

Kriou metopon, 1) Z.W.-kaap van Creta.--2) Z. kaap der Chersonesus Taurica (Krim).

Krypteia, soms beschouwd als eene jacht op heloten, die van staatswege aan de spartaansche jongelingen werd opgedragen; inderdaad eene oefening als voorbereiding tot den krijgsdienst, waarbij de jonge burgers het land in alle richtingen doorkruisten, vooral op de bewegingen der heloten acht gaven, en hen bij ieder vergrijp of bij de minste verdachte handeling terstond doodden.

Kyrbeis, z. Axones.

Kyria ekklesia, z. ekklesia.

Kyrios, degene, die over iemand of iets te beschikken heeft, in het bizonder degene, die een ander in rechten of in zijne betrekkingen tot vreemden vertegenwoordigt, zooals de vader of voogd voor onmondige kinderen, de man voor zijne vrouw, enz.

L.

Labarum, de keizerlijke standaard, door Constantijn den Gr. ingevoerd. Hij bestond uit een rijk geborduurd zijden vaandel met het monogram van J. C., hangende aan een stok in den vorm van een kruis.

Labda, Labda, dochter van Amphion, moeder van Cypselus.

Labdacidae, Labdakidai, de zoon en verdere afstammelingen van Labdacus: Laïus, Oedipus, Eteocles en Polynices.

Labdacus, Labdakos, zoon van Polydorus en Nycteis, koning van Thebe. Gedurende zijne minderjarigheid stond hij onder de voogdij van zijn grootvader Nycteus, later onder die van zijn oudoom Lycus.

Labeates, dapper volk in Dalmatia met de hoofdstad Scodra (Scutari).

Labeo, familienaam in de gens Antistia en de gens Fabia (Fabii no. 27).

Laberii, een plebejisch geslacht, waarvan het meest bekende lid Dec. Laberius is (105-43), rom. ridder en beroemd mimendichter. In weerwil van zijn rang dwong Caesar hem in 45 zelf als acteur op te treden en zich te meten met Publilius Syrus, tooneelspeler van beroep. Over deze diepe vernedering wreekte Laberius zich met bijtenden spot in een proloog, die nog bestaat.

Labicum, Labici, Labikon, oude stad van Latium, die zich met de Aequi verbonden had en daarom door de Rom. veroverd werd. Zij lag niet ver van Tusculum aan de via Labicana.

Labiena (lex), zie Attia (lex).

Labieni. 1) T. (Attius) Labienus, volkstribuun in 63 (z. Attia (lex)), klaagde Rabirius (z. a.) aan, en was later Caesars voornaamste legaat in Gallia, waar hij door beleid en onversaagdheid uitmuntte, ging uit eerzucht in 49 tot de partij van Pompeius over. Na den slag bij Pharsalus vluchtte hij naar Africa, en later na de nederlaag van Thapsus naar Hispania, waar hij in 45 bij Munda sneuvelde.--2) Q. (Attius) Labienus, zoon van no. 1, werd door Brutus en Cassius naar den parthischen koning Orodes gezonden om hulp te vragen. Op het bericht dat beiden bij Philippi waren omgekomen (42), bleef hij aan het parthische hof, en viel met Orodes' zoon Pacorus aan het hoofd van een parthisch leger in Syria, drong zelfs tot Caria door, doch werd in 39 door P. Ventidius, legaat van Antonius, verslagen. Door de Parthen verlaten, week hij naar Cilicia, waar hij op last van Ventidius werd omgebracht.--3) Labienus, die tijdens Sulla een werkzaam aandeel nam aan het ombrengen van vogelvrijverklaarden, werd na Caesars dood zelf op de lijst der proscripti gebracht en bezat moed genoeg om niet te vluchten, maar vóór zijne woning den dood af te wachten. Daar van dezen Labienus overigens niets bekend is, vermoedt men, dat de naam in den Griekschen tekst verschreven is.--4) T. Labienus, geschiedschrijver en redenaar, behoorde als republikein tot de hevigste tegenstanders van Augustus, zóó zelfs, dat sommigen hem spottend Rabienus noemden. Toen de senaat de verbranding zijner geschriften had bevolen, trok hij zich dit zóózeer aan, dat hij stierf.

Labotas, Labotas, 1) koning van Sparta, vierde Agide, reg. 995-958; in zijn tijd begonnen de twisten met Argos over Cynuria.--2) spartaansch harmost in het thessalische Heraclea, 409.

Labranda, ta Labranda, Labraunda, vlek in Caria ten N. van de stad Mylasa, met een tempel van Zeus.

Labrum, een groote steenen of metalen kuip tot allerlei gebruik, vooral het koudwaterbekken in de heete badzaal der badhuizen.

Labynetus, Labynetos, 1) koning van Babylon, die den vrede tusschen Cyaxares en Alyattes (z. a.) bewerkte, waarschijnlijk dezelfde als Nebucadnezar.--2) = Belsazar, laatste koning van Babylon, die in 538 door Cyrus van zijn rijk beroofd werd.

Labyrinthus, labyrinthos, gebouw, bestaande uit een ingewikkeld stelsel van vertrekken en gangen, zoodat het moeilijk is zijn weg er in te vinden. De naam is v.s. ontleend aan het gebouw, dat de aegyptische koning Amenehma III aan het meer Moeris bij Arsinoë liet bouwen (Loperohunt = paleis aan den ingang van het meer), v. a. afgeleid van labrys, de dubbele bijl, een heilig symbool, dat men op vele monumenten van Cnosus vindt. Waarschijnlijk was het aegyptische lab. eene vereeniging van 12 paleizen onder één dak voor de 12 nomen of distrikten van Aegypte; het bevatte 3000 kamers, waarvan de helft onder den grond lag en voor vreemden niet toegankelijk was. Op Samus had Polycrates door verscheiden bouwkundigen een lab. laten aanleggen. Ook het grafteeken van koning Porsena van Clusium wordt een lab. genoemd. Het lab. van Creta, door Daedalus aangelegd en tot verblijf voor den Minotaurus dienend, wordt eerst door schrijvers van lateren tijd vermeld, vandaar de meening, dat de verhalen omtrent dit bouwwerk mythisch zijn, en dat de uitgebreide steengroeven van Creta er toe aanleiding gegeven hebben. Anderen meenen, dat het bij Cnosus door Evans opgegraven paleis van Minos aanleiding gegeven heeft tot het ontstaan van de sage.

Lacedaemon, Lakedaimon = Sparta.

Lacerna, ruime mantel, voor aan den hals met een gesp of haak gesloten en vaak van een kap (cucullus) voorzien, dien men bij regen over het hoofd trok.

Lacetani, volk in het N.O. van Hispania Tarraconensis, in een bergachtige streek, misschien dezelfden als de Iacetani.

Lachares, Lachares, atheensch demagoog, kreeg na den slag bij Ipsus als aanhanger van Cassander grooten invloed, en wierp zich na diens dood als tyran op (297). Hij roofde, om aan geld te komen, o.a. de gouden mantel der godin, z. Athenae p. 102. Toen Athene zich aan Demetrius Poliorcetes overgaf, vluchtte hij naar Boeotië en werd hij te Coronea vermoord.

Laches, Laches, Athener, zoon van Melanopus, bevelvoerder van de vloot, die in 427 naar Leontini gezonden werd. In 425 werd hij teruggeroepen en door Cleon aangeklaagd, in den slag bij Delium diende hij als hopliet. Hij was werkzaam bij de onderhandelingen over den vrede van Nicias, en sneuvelde in den slag bij Mantinea (418). Een gesprek van Plato over de dapperheid is naar hem genoemd.

Lachesis, Lachesis, zij die het lot uitdeelt, eene van de Moerae, in lateren tijd afgebeeld met een aardbol, waarop zij 's menschen lot aanwijst.

Laciadae, Lakiadai, demus in Attica, ten W. van Athene.

Lacinia, bijnaam van Juno, naar haar beroemden tempel bij het voorgebergte Lacinium.

Lacinium promunturium, Lakinion akron, kaap in Z. Italia, bij Croton, met een beroemden tempel van Iuno Lacinia; thans kaap Nao.

Lacmon of Lacmus, Lakmon, noordelijkst gedeelte van het Pindusgebergte.

Laconica, Lakonike, Z.O. gewest der Peloponnesus, het land der Spartanen, vóór de dorische verovering door Achaeërs bewoond. De bevolking bestond uit drie klassen: de Spartiatae of Spartani, de afstammelingen der dorische veroveraars, die alleen het volledige burgerrecht bezaten,--de Lacedaemonii of Perioeci, die van de oude achaeïsche bevolking afstamden en vrij waren en in wier handen nijverheid en handel waren,--de Helotes, die servi publici waren. Het bestuur bestond uit twee koningen, één uit het stamhuis der Agiden of Agiaden en één uit dat der Procliden of Eurypontiden, uit den senaat van 28 leden en uit eene volksvergadering zonder recht van discussie. Het hoogste gezag was echter in handen van de 5 ephori, een collegie, dat slechts voor een jaar gekozen werd, doch waaraan zelfs de koningen gehoorzaamden. Beroemd waren de laconische wapenen, schoeisel en mantels. Laconica was de militaire grieksche staat bij uitnemendheid; de zoog. wetten van Lycurgus waren er bij uitstek op aangelegd, soldaten te vormen. Onder de bijzondere eigenaardigheden behooren: de opvoeding der knapen vanwege den staat, de gemeenschappelijke maaltijden of syssitia, de wetten tegen weelde. In Laconica behooren de mythen te huis van Leda en van Castor en Pollux.

Laconicum, z. balneum.

Lactantius Cae(ci)lius Firmianus, uit Africa, leerling van Arnobius, kwam tegen het einde der 3de eeuw na C. als rhetor naar Nicomedea. Later, ± 312, werd hij door Constantijn (den Gr.), toen nog te Trier, tot leeraar van diens zoon Crispus aangesteld. Lactantius werd Christen, toen hij reeds op eenigsins gevorderden leeftijd was; zijn voornaamste werk is de institutiones divinae. Om de klassieke kleur van zijn stijl wordt hij wel eens de Cicero Christianus genoemd. Aan hem wordt ook toegeschreven het kleine, maar belangrijke geschrift: De mortibus persecutorum (einde 313 of begin 314), dat in het eenige H. S. op naam staat van L. Caecilius.

Lacunar of laquear, zoldering, waarvan de balken ruiten vormden, zoogenaamd caissonwerk. Eigenlijk beteekent lacunar slechts de dieper liggende vakken tusschen de balken.

Lacus, elk groot open waterbekken; in de huishouding ook open kuipen om olie, wijn en dgl. in op te vangen en te bewaren. Het woord wordt ook wel gebezigd voor eene ommuurde, van boven opengelaten plek, die met een put slechts den vorm gemeen heeft, zooals de lacus Curtius op het forum te Rome (zie Curtii no. 2).

Lacydes, Lakydes, van Cyrene, opvolger van Arcesilaus als hoofd der platonische school (241-215).

Lade, Lade, eilandje bij Miletus, dat den ingang der haven dekte. Tegenwoordig is het door aanslibbing met den vasten wal verbonden. Toen in 494 de Perzen Lade vermeesterd hadden, kon de stad het niet uithouden.

Ladon, Ladon, de draak, die de appels der Hesperiden bewaakte.

Ladon, Ladon, naam van twee rivieren in de Peloponnesus. De grootste ontspringt in Arcadia en stort zich dicht bij de grens van Elis in den Alpheus; de andere, in Elis, is een zijtak van den Peneus.

Laeëtani, Leetanoi, volk in liet N.O. van Hispania aan de kust, met de hoofdst. Barcino (Barcelona).

Laelaps, Lailaps, de jachthond van Cephalus, z. Cephalus en Amphitryo.

Laelii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Tibur afkomstig. 1) C. Laelius, de boezemvriend van Scipio Africanus maior, vergezelde dezen op zijne veldtochten in Hispania en Africa en nam zelf een werkzaam aandeel aan de inneming van Carthago nova (209), den slag bij Baecula (208), de gevangenneming van Syphax (203). Hij was even goed vlootvoogd als generaal, een man van groote kennis en geleerdheid en groote welsprekendheid en daarbij iemand van een zeer beminnelijk karakter. Scipio liet door hem de berichten der verovering van Carthago nova en van den slag bij Zama naar Rome overbrengen. In 190 was Laelius consul.--2) C. Laelius, zoon van no. 1, de boezemvriend van Scipio Africanus minor, door Cicero als spreker ingevoerd in zijne geschriften de amicitia, de senectute en de republica. Hij vergezelde Scipio in 147 op diens tocht tegen Carthago en had het hoofdaandeel in de verovering der carthaagsche binnenhaven Cothon. Als praetor streed hij in 145 voorspoedig tegen Viriathus in Lusitania. Als consul wilde hij in 140 de zoogenaamde licinisch-sextische akkerwet vernieuwen, maar zag er wegens den tegenstand der aanzienlijken van af, hetgeen hem den bijnaam Sapiens verschafte. Hij deed zijn best om grieksche beschaving te Rome ingang te doen vinden. Hij was een geleerd man, dichter en schrijver, en bovenal uitstekend redenaar.--3) Laelia, twee dochters van no. 2, ook beroemd om hare welsprekendheid.--4) D. Laelius Balbus, volkstribuun in 54, trad in 59 op als aanklager van L. Valerius Flaccus (Valerii no. 25), die door Hortensius en Cicero verdedigd werd. Later koos Laelius de partij van Pompeius en voerde het bevel over diens vloot (48). Later streed hij onder Q. Cornificius in Africa en doodde zich, toen deze gesneuveld was (42).

Laena, chlaina, wollige of harige stof, ook een mantel, die hiervan vervaardigd was en o. a. bij sommige offers door de flamines gedragen werd.

Laenas, familienaam in de gens Popilia.

Laenii, plebejisch geslacht. Een zijner leden, M. Laenius Flaccus, rom. ridder, te Brundisium, nam Cicero, toen hij verbannen was, gastvrij op. Hij was ook een vriend van T. Pomponius Atticus.

Laërtes, Laertes, zoon van Arcisius en Chalcomedusa, vader van Odysseus, wordt genoemd als een van de deelnemers aan de calydonische jacht en den tocht der Argonauten. Hij leefde nog toen zijn zoon na zijne lange omzwervingen terugkwam, en werd door Athena verjongd, zoodat hij kon medestrijden tegen de oproerige bewoners van Ithaca.

Laërtiades, Laertiades, Odysseus, zoon van Laërtes.

Laespodias, Laispodias, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, werkzaam bij de oligarchische omwenteling van 411.

Laestrygones, Laistrygones, mythisch volk van menscheneters, in het verre Westen; later meende men hun woonplaats terug te vinden bij Leontini op Silicië of bij Formiae. Toen Odysseus in hun land kwam, regeerde er Antiphates (z.a.).

Laetorii, plebejisch geslacht, waarvan verschillende leden bij Livius voorkomen.

Laevi, ligurische stam in Gallia Transpadana, aan den Ticinus, met de stad Ticinum (Pavia). V. a. zijn het Kelten.

Laevinus, familienaam in de gens Valeria.

Lagus, Lagos, vader van Ptolemaeus I, naar wien de dynastie der Lagiden genoemd is.

Laïades, Laïades, Oedipus, zoon van Laïus.

Lais, Laïs, 1) corinthische hetaere, de schoonste vrouw van haar tijd; Diogenes en Aristippus behoorden tot hare aanbidders.--2) van Hyccara, dochter van Timandra, leefde als hetaere te Corinthe, waar Apelles en Hyperides haar bezochten. In Thessalië werd zij, naar men verhaalde, vermoord door vrouwen, die haar hare buitengewone schoonheid benijdden.

Laïus, Laios, zoon van Labdacus, koning van Thebe, leefde in zijn jeugd eenigen tijd als balling in de Peloponnesus en kon eerst na den dood van Amphion en Zethus in zijn vaderland terugkeeren. Hij was gehuwd met Iocaste, die hem een zoon baarde, Oedipus; daar een orakel voorspeld had, dat hij door zijn zoon gedood zou worden, en dat deze daarna met Iocaste zou trouwen, gaf hij het kind aan een herder om het op den Cithaeron te dooden. De herder volbracht zijn last echter niet, het kind groeide op, ontmoette vele jaren later zijn vader, geraakte met hem in twist en doodde hem zonder hem te kennen; z. Oedipus.

Laletani = Laeëtani.

Lamachus, Lamachos, zoon van Xenophanes, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, een man van grooten persoonlijken moed, ook in zijn uiterlijk en manieren geheel en al soldaat. In 437 verdreef hij den tyran Timasilaus uit Sinope. Hij was een van de onderteekenaars van den vrede van Nicias, en had met dezen en met Alcibiades het opperbevel bij den tocht naar Sicilië; zijn raad om onmiddellijk Syracusae aan te vallen werd echter niet opgevolgd. Hij sneuvelde in een gevecht tegen de Syracusanen, 414.

Lamia, Lamia, lybische koningin, die door Zeus bemind werd. Uit jaloerschheid beroofde Hera haar van al hare kinderen, en sedert dien tijd rooft zij de kinderen van anderen om ze te dooden. Daarom werd haar naam gebruikt om kinderen bang te maken.--De naam komt ook in het meervoud voor en beteekent dan spookachtige wezens, die kinderen en schoone jongelingen tot zich lokken, hun bloed uitzuigen en hun vleesch opeten.

Lamia, familienaam in de gens Aelia, z. Aelii no. 6.

Lamia, Lamia, thans Zeitoun, stad in het gebied der Maliërs, bekend door den lamischen oorlog (323).

Lamische oorlog heet de oorlog, dien de Grieken na den dood van Alexander voerden om zich van de macedonische heerschappij te ontslaan. De beweging ging van Athene uit, en het leger, dat voor een deel uit huurlingen bestond en waarvoor een aantal grieksche staten manschappen geleverd hadden, werd aangevoerd door Leosthenes, een Athener. In het begin kon Antipater geen voldoend leger tegen hem in het veld brengen, hij verloor een slag bij Heraclea en werd in de vesting Lamia ingesloten. Toen echter Leosthenes gesneuveld was en Antipater groote versterking uit Azië gekregen had, besliste de slag bij Crannon (322) den oorlog ten nadeele van de Grieken. Daar Antipater slechts met iederen staat afzonderlijk in onderhandeling wilde treden, werden de Atheners en Aetoliërs door hunne bondgenooten verlaten; Athene moest macedonische bezetting innemen, de anti-macedonische redenaars uitleveren, eene beperkte democratie invoeren, enz. De Aetoliërs bedongen gunstiger voorwaarden, daar Antipater spoedig wegens den loop der zaken in Azië Griekenland verlaten moest.

Lampadedromia, lampadephoria, lampas, lampados agon, fakkelwedloop, te Athene en elders bij eenige feesten gehouden; de mededingers, die soms te paard zaten, kregen elk een fakkel in de hand, overwinnaar was hij die het eerst het doel bereikte, zonder zijn fakkel te laten uitgaan. Het dragen van de onkosten hiervan behoorde tot de liturgieën.

Lampetia, Lampetie, dochter van Helius en Neaera. Zij bracht aan haar vader het bericht, dat zijne runderen op het eiland Thrinacia door de tochtgenooten van Odysseus geslacht waren.

Lampon, Lampon, waarzegger te Athene, door de blijspeldichters dikwijls als huichelaar bespot, aanvoerder der atheensche kolonie, die Thurii stichtte (444).

Lamponium, Lamponion, aeolische stad in het Z.W. van Troas, ook Lamponia genoemd.

Lamponius (M.), een Lucaniër, een van de aanvoerders der italische bondgenooten in den marsischen oorlog. Later sloot hij zich aan bij den jongen Marius en sneuvelde in 82 bij Porta Collina.

Lampridius (Aelius), rom. geschiedschrijver uit de 3de eeuw na C., een van de scriptores historiae Augustae, de levensbeschrijver der keizers Commodus, Diadumenianus (het zoontje van Opellius Macrinus), Heliogabalus en Alexander Severus.

Lamprus, Lampros, beroemd toonkunstenaar, v. s. leermeester van Sophocles en Socrates.

Lampsacus, Lampsakos, in Troas aan den Hellespont, vroeger Pityussa geheeten, phocensische kolonie, eene der drie steden, waarvan Artaxerxes I de inkomsten aan Themistocles schonk. Hier was de eeredienst gevestigd van Priapus, den god der tuinen, die door Aphrodite te Lampsacus ter wereld was gebracht.

Lamptrae, Lamptrai, twee attische demen, de ééne aan de Z.W. kust van Attica, niet ver ten Z.O. van kaap Zoster, de andere ten N. daarvan.

Lamus, Lamos, zoon van Poseidon, koning der Laestrygonen, mythisch stichter van Formiae (Lami urbs, Laestrygonia).

Lamus, Lamos, riv. en stad in Cilicia.

Lancia, Lankia, sterke vesting der Astures in Tarraconensis.

Langobardi, zie Longobardi.

Lanista, schermmeester, die gladiatores oefende en verhuurde.

Lanuvium, Lanouion, stad in Latium, aan de via Appia en den albaanschen berg, één van de steden van den latijnschen bond, waarmede Rome na den slag bij den lacus Regillus het eeuwig verbond gesloten heeft, geboorteplaats van Antoninus Pius, met een beroemden tempel van Juno Sospita.

Laocoon, Laokoon, zoon van Antenor of broeder van Anchises, priester van Apollo te Troje. Hij zou na het vertrek der Grieken aan Poseidon een dankoffer brengen, toen plotseling twee reusachtige slangen verschenen, die hem met zijne beide zonen doodden. Dit lot was de straf voor eene beleediging, aan Apollo aangedaan, v. s. doordat hij tegen den wil van dien god getrouwd was, of Athena wreekte zich op deze wijze, omdat hij aangeraden had het door de Grieken achtergelaten houten paard te verbranden, en zelfs zijn lans er tegen geworpen had.--De hierbij afgebeelde groep, waarvan het oorspronkelijke zich in het museum van het Vaticaan bevindt, is het werk van drie rhodische beeldhouwers, Agesander, Polydorus en Athenodorus, die waarschijnlijk niet, zooals men vroeger aannam, in de laatste helft der derde, maar in de 2de helft der eerste eeuw v. C. leefden.

Laodamas, Laodamas, 1) zoon van Eteocles, koning van Thebe; in den oorlog der Epigonen doodde hij Aegialeus, den zoon van Adrastus; hij leed echter de nederlaag en sneuvelde of vluchtte met het overschot van zijn leger naar Illyrië.--2) zoon van Antenor, door Aiax no. 2 gedood.--3) zoon van Alcinous.

Laodamia, Laodameia, 1) dochter van Bellerophon, bij Zeus moeder van Sarpedon, door Artemis gedood.--2) dochter van Acastus, gehuwd met Protesilaus. Toen zij den dood van haar echtgenoot vernam, smeekte zij de goden zoo dringend hem slechts voor weinige uren tot haar te laten terugkeeren, dat zij hare bede niet konden weigeren; toen de tijd, die hem was toegestaan, verstreken was, volgde zij hem in den dood.

Laodice, Laodike, 1) eene nimf, bij Phoroneus moeder van Niobe en Apis.--2) dochter van Priamus en Hecabe, gehuwd met Helicaon, zoon van Antenor.--V. a. was zij bij Acamas no. 1, moeder van Munitus, en toen deze aan een slangebeet stierf, stortte zij zich van een rots of werd zij door de aarde verzwolgen.--3) = Electra no. 4.--4) moeder van Seleucus I, die haar naam aan verscheiden steden gaf. Vele vrouwen in het geslacht der Seleuciden droegen dezen naam, o. a. de gemalin van Antiochus II (z. a.).

Laodicea, Laodikeia, naam van verschillende steden, door Seleucus I naar zijne moeder Laodice genoemd. 1) L. ad mare, he epi te thalatte, bloeiende stad op de syrische kust ten Z. van Antiochia, onder de rom. keizers kolonie met het ius italicum.--2) L. ad Libanum, he pros Libano, in het Z. van Coelesyria, wegens de veelvuldig voorkomende schurftziekte Scabiosa bijgenaamd.--3) L. ad Lycum, he pros to Lyko, aanzienlijke handelsstad in Phrygia, dicht bij Colossae, hoofdplaats van een rom. rechtsgebied.--4) L. combusta, he katakekaumene, in Lycaonia.

Laomedon, Laomedon, 1) zoon van Ilus en Eurydice, koning van Troje. Hij omgaf de stad met een muur, en bij dit werk hielpen hem Apollo en Poseidon, hetzij vrijwillig, hetzij tot straf voor verzet tegen Zeus; z. Aeacus. Toen het werk voltooid was, weigerde Laom. echter den goden het bedongen loon te betalen, daarom zond Poseidon een zeemonster dat het land verwoestte. Om den toorn der goden te bevredigen, zou Hesione, de dochter van Laom., aan dit monster geofferd worden, toen juist Heracles, van zijn tocht naar de Amazonen terugkeerend, in Troje aankwam en op zich nam de jonkvrouw te redden, waarvoor Laom. hem de goddelijke paarden van Tros (z. Ganymedes) zoude geven. Toen het monster echter gedood was, weigerde Laom. ook thans zijne belofte te vervullen. Heracles vertrok, maar kwam later met schepen terug, verwoestte de stad, en doodde Laom. met al zijne zonen, behalve Podarces.--2) van Mytilene, door Philippus van Macedonië verbannen, maar na diens dood door Alex. teruggeroepen. Hij vergezelde Alex. als tolk op zijne tochten en had het opzicht over de krijgsgevangenen. Later werd hij satraap van Syrië, van waar hij echter in 320 door Nicanor verjaagd werd.

Laomedontiades, Laomedontiades, Priamus, zoon van Laomedon. Soms worden ook de Trojanen of de Romeinen, als hunne afstammelingen, zoo genoemd.

Lapathus, Lapathos, aanzienlijke stad aan de N.-kust van Cyprus. Een ander Lapathus (gen. -untis) was een vlek aan den Noordkant van het dal Tempe.

Laphystius, Laphystios, bijnaam van Zeus, naar den gelijknamigen berg in Boeotië, waar hem in ouden tijd menschenoffers gebracht werden, z. Athamas.

Laphystius, Laphystios, berg in Boeotia, tusschen Lebadea en Coronea, met een tempel van Zeus Laphystius.

Lapidei campi, zie campi lapidei.

Lapis quadratus = Opus quadratum.

Lapithae, Lapithai, een thessalisch volk, afstammend van Lapithes, zoon van Apollo en Stilbe. Op de bruiloft van hun koning Pirithoüs beproefden de Centauren, die als gasten tegenwoordig waren, de bruid en andere vrouwen te ontvoeren, waardoor een strijd ontstond, die met de volkomen vernietiging der Centauren eindigde. In den oorlog tegen Aegimius werden de Lapithen op hun beurt door Heracles, bondgenoot van Aegimius, verslagen.

Laquear = lacunar.

Lara = Larunda.

Laranda, ta Laranda, aanzienlijke stad in het Z. van Lycaonia, in het Taurusgeb., een isaurisch zeerooversnest.

Lararium, zie Lares.

T. Larcius Flavus, zie Lartii no. 2.

Larentia, zie Acca Larentia.

Larentalia, een lijkofferfeest te Rome op 23 Dec. ter eere van Acca Larentia.

Lares, zijn oorspronkelijk beschermgeesten van de velden, en werden aan de compita (zie compitalia) vereerd; de Larenkapel staat daar, waar meerdere grondstukken aan elkaar grenzen, en heeft zooveel ingangen als er grondstukken zijn; ieder eigenaar offert op een altaar op eigen grond. Naast de Lares compitales vindt men in elk huis een Lar familiaris, die aan den huiselijken haard vereerd wordt, en de beschermgeest is van het huis. Later spreekt men van Lares (domestici). Oudtijds vond men hunne beelden in het atrium, later bewaarde men ze in een afzonderlijke kast, lararium, die bij den ingang van het huis of bij de slaapkamer stond. In den keizertijd worden gewoonlijk twee Lares afgebeeld, als dansende jongelingen, en tusschen hen in de Genius van den huisheer. Hun altaar was de huiselijke haard, waarin men bij iederen maaltijd een deel van de spijzen als offer voor de Lares wierp; bovendien bracht men hun offers op de Kalendae, Nonae en Idus van iedere maand, bij alle familiefeesten, in sommige gezinnen zelfs elken dag.--Maar niet alleen ieder huis en ieder compitum, ook vele andere plaatsen staan onder de hoede der Lares, die met een gemeenschappelijken naam L. publici genoemd worden. Onder deze staan vooraan de L. urbani of praestites, beschermgoden van den geheelen staat, Romulus, Remus, Acca Larentia e. a., verder L. viales, militares, enz.

Largitio, elke uitdeeling of geschenk aan het volk, o.a. spelen, gastmalen, uitdeeling van geld, enz. Over de geregelde uitdeelingen van koren van staatswege beneden den kostenden prijs zie men annona. Over de buitengewone uitdeelingen op kosten der gevers zie men congiarium. Somtijds heeft largitio de slechte beteekenis van omkooping, vooral wanneer zij wordt aangewend tegenover de iudices in een gerechtshof, wat slechts al te dikwijls gebeurde.

Larinum, Larinon, stad der Frentani in Samnium, rom. municipium. De inwoners heeten Frentani Larinates.

Lari(s)sa, Larissa, 1) stad der Pelasgen, in het thessalische landschap Pelasgiotis, aan den Peneus. Hier behoorde het vorstengeslacht der Aleuaden te huis.--2) stad in het thessalische landschap Phthiotis, tegen een berg gebouwd en vandaar kremaste, het hangende, genoemd.--3) naam van den burg der stad Argos.--4) zeestad aan de W.-kust van Troas, in de perzische oorlogen verwoest.--5) stad in aziatisch Aeolis, met den bijnaam Phriconis, Phrikonis of Aigyptia.--6) stad in Lydia, aan den Cayster, ook Ephesia bijgenaamd.--7) stad in Assyria, ten N. van de uitmonding van den Lycus of Zapatas in den Tigris, met muren van 100 voet hoog, ten tijde van Xenophon verlaten, de onlangs opgegraven stad Kalach, ten Z. van Niniveh, tgw. Nimroed; z. Ninus.--Dichterlijk Larissaeus = thessalisch.

Larisus, Larisos, grensriviertje tusschen Achaia en Elis.

Larius lacus, limne he Larios, vischrijk Alpenmeer, door den Addua (Adda) gevormd, thans meer van Como.

Lars Tolumnius, zie Tolumnius no. 2.

Lartii, patricisch geslacht, uit Etruria afkomstig. 1) Sp. Lartius Flavus wordt reeds in 506 als consul genoemd. In 490 komt hij andermaal voor.--2) T. Lartius Flavus, broeder van no. 1, consul in 498, werd door zijn ambtgenoot Q. Cloelius Siculus tot dictator benoemd. Hij was, volgens de traditie de eerste dictator. (V. a. was hij dit reeds in 501). In de verwikkelingen tusschen patriciërs en plebejers was hij steeds voor zachte maatregelen en kwijtschelding der schulden.

Larunda, Lara, bronnimf, die aan Juno de minnarijen van Jupiter en Juturna verried. Tot straf ontnam Jupiter haar de spraak en verwees hij haar naar de onderwereld. Bij Mercurius, die haar daarheen geleid had, werd zij moeder van de Lares Compitales.--Zij schijnt eene oud-italische godin des doods geweest te zijn, dezelfde die op de Feralia als Dea muta of tacita wordt aangeroepen.

Larvae, bij de Romeinen booze geesten van afgestorvenen, die tot straf voor een misdadig leven of wegens een verzuim bij hunne begrafenis in de onderwereld geen rust kunnen vinden, als schrikwekkende spookgestalten of skeletten ronddwalen, levenden door hunne verschijning soms waanzinnig maken, en zelfs de dooden verontrusten; z. Lemures.

Larymna, Larymna, twee plaatsjes, boven- en beneden-L. op de kust der opuntische Locriërs aan de Euboeische golf.

Las, Las, oude zeestad van Laconica, aan de Laconische golf. De naam Lapersai, bijnaam der Dioscuren, wordt door sommigen, waarschijnlijk ten onrechte, hiermede in verband gebracht, en vertaald als verwoesters van de stad Las.

Lasaea, Lasaia, stad aan de Z.-kust van Creta, nabij Gortyn.

Lasio, Lasion, grensvesting van Elis tegen Arcadia, aan den Ladon gelegen.

Lasthenes, Lasthenes, Olynthiër, die zich liet omkoopen om zijne vaderstad aan Philippus van Macedonië te verraden (348).

Lasus, Lasos, van Hermione, beroemd lyrisch dichter, die langen tijd te Athene aan het hof van Hipparchus leefde. Vooral zijne dithyramben werden geprezen, hoewel van hem gezegd wordt dat hij het eerst den tekst ondergeschikt maakte aan de muzikale begeleiding. Hij schreef ook over de theorie van muziek en poëzie, en onderrichtte v. s. Pindarus daarin.

Latericium (opus), z. Opus.

Latiaris, Latialis, bijnaam van Jupiter als beschermgod van het latijnsche stedenverbond.

Latifundium, een landgoed van groote uitgestrektheid. Daar de ager publicus, voor zoover de rom. staat zelf den bodem niet gebruikte, slechts in zeer groote perceelen in erfpacht werd gegeven, kon de kleine man, bij gebrek aan bedrijfskapitaal, zulke stukken niet in bezit nemen. Hierbij kwam, dat de middelstand in Italia verdween. Geld en grondbezit hoopten zich op onder een betrekkelijk gering aantal familiën. Hierdoor ontstonden er landgoederen, zooals men er nog in Oostenrijk-Hongarije en Schotland aantreft, zoo groot als en soms grooter dan eene nederlandsche provincie. Vandaar de spreuk: latifundia perdidere Italiam, het groot grondbezit heeft Italië te gronde gericht.

Latina (via). Deze liep van Rome langs Tusculum over den mons Algidus, verder langs Ferentinum, Fregellae en Casinum naar Campania, waar hij zich even vóór Capua met de via Appia vereenigt. Het is één van de oudste wegen die door de Romeinen zijn aangelegd; hij diende oorspronkelijk om de Latijnsche bondgenooten tegen de aanvallen der Aequi en Volsci te beschermen.

Latini, inwoners van Latium (z. a.).

Latini, inwoners der coloniae Latinae, zie ius Latii en coloniae no. 2.

Latini Iuniani, zie lex Iunia Norbana.

Latinum (nomen), zie Latium.

Latinus, zoon van Faunus en Marica of van Odysseus en Circe, van Telemachus en Circe, van Heracles en eene vrouw der Hyperboreërs, koning van Latium, die Aeneas gastvrij ontving, hem land afstond om eene stad te bouwen, en hem zijne dochter Lavinia ten huwelijk gaf.

Latium, he Latine, landschap van Midden-Italia. Men onderscheidt Latium vetus, het oude gebied der Latijnen, en Latium novum of adiectum, het gebied der Aurunci, Volsci en Hernici. Oud-Latium strekt zich in oude tijden van even benoorden den Tibermond naar het Zuiden uit tot aan Tarracina, en wordt in het Westen begrensd door Zuid-Etrurië, in het N. door den ager Sabinus, en verder in het N.O., O. en Z.O. door de Aequi, Hernici en Volsci. De voornaamste steden van dit gebied waren, behalve Rome en Alba, dat vroeg aan Rome over ging, Tibur, Praeneste, Tusculum, Aricia, Laurentum, Antium, Ardea en Circeii. Deze steden vormden met vele andere kleinere steden een bond, waarvan Rome het hoofd was. Rome had sedert 493 gelijke rechten als de 30 steden van Latium samen, zoodat er een tweeledig isopolitisch verbond bestond met wederkeerig burgerrecht en conubium. Dit was het gevolg van den oorlog, dien Latium na de verdrijving van Tarquinius Superbus met Rome had gevoerd. In 486 voegden zich de Hernicers als derde lid bij den bond. V. s. dateert dit laatste verbond eerst uit de 4de eeuw (zie Hernici). In de 5de eeuw verliezen de Latijnen veel terrein aan de Aequi (z.a.) en de Volsci. Aan de laatsten ging o. a. het geheele Zuiden tijdelijk te loor, z. de artikelen Antium en Circeii. In den loop van de 4de eeuw worden de Volsci, en verder ook de Hernici en Aurunci onderworpen, en nu reikt Latium in het Zuiden tot aan Campania (z.a.). Wat het Latijnsch-Hernicisch verbond betreft: in den gallischen oorlog schijnen de bondgenooten Rome in den steek te hebben gelaten. Het verbond werd wel hernieuwd, doch in 340 barstte de beslissende strijd uit, die in 338 met de nederlaag der Latijnen eindigde. Het latijnsche verbond werd ontbonden, en Rome sloot met elke stad een afzonderlijk verdrag op verschillenden voet, naar gelang van omstandigheden. Eenige steden werden als municipia bij Rome ingelijfd en kregen dus het romeinsche burgerrecht, doch sine suffragio. De overige, o. a. Tibur en Praeneste, werden afhankelijke socii. Rome behandelde hen echter op eenigszins anderen voet dan de bondgenooten in het overige Italia. De socii Latini, ook onder den naam van nomen Latinum bekend, konden in zekere gevallen rom. burgers worden, b.v. door het bekleeden van posten in hunne stad, welk recht ook aan de latijnsche koloniën buiten Latium werd toegekend (zie ius Latii), of wanneer zij naar Rome metterwoon verhuisden, mits met achterlating van een stamhouder in hunne oude woonplaats.

Latmus, Latmos, gebergte in Caria, waar de mythe te huis behoort van Selene en den schoonen slaper Endymion. Aan den voet strekte zich de sinus Latmicus, ho Latmikos kolpos, uit, aan welks ingang Miletus lag, doch die thans door de aanslibbing van den Maeander grootendeels is verdwenen. Latmius venator = Endymion.

Latobrigi, (Latovici), keltisch volk, naburen der Helvetii, met wie zij in 58 den verhuizingstocht ondernamen, die door Caesar belet werd.

Latoides, Letoïdes, Apollo, zoon van Leto.

Latois, Letois, Artemis, dochter van Leto.

Latona = Leto.

Latris, een groot eiland in de Oostzee, waarschijnlijk Seeland.

Latrunculorum (ludus), een rom. spel, dat met schijven op een bord werd gespeeld en eenige overeenkomst moet gehad hebben met een damspel of met ons belegeringsspel.

Laurentum, oud-latijnsche stad, aan zee, reeds in het rom.-carthaagsche handelsverdrag van 509 genoemd, waar de sage den zetel van koning Latinus plaatst, die tijdens Aeneas' komst in Latium heerschte. Niet ver van daar werd toen Lavinium gesticht en genoemd naar Lavinia, dochter van Latinus en echtgenoote van Aeneas. De Antonijnen vereenigden beide plaatsen tot één gemeente Laurentolavinium.

Lauretanus sinus, haven op de etruscische kust tusschen Populonia en Cosa.

Lauriacum, vesting aan den Donau, in Noricum, station van de Donauvloot.

Laurium, Laurion, -reion, berg op de Zuidpunt van Attica, met rijke zilvermijnen, waarvan de opbrengst jaarlijks onder de burgers van Attica werd verdeeld, totdat op voorstel van Themistocles besloten werd ze tot aanbouw van oorlogsschepen te bestemmen.

Lauron, Lauron, zeestad in het O. van Hispania, waarschijnlijk ten Z. van Valencia, ten W. van den Sucro, bekend om de belegering door Q. Sertorius en de vruchtelooze poging van Pompeius om de stad te ontzetten. In de nabijheid kwam ook de jonge Cn. Pompeius om, na den slag bij Munda.

Laus, Laos, grensrivier tusschen Lucania en Bruttii, met eene gelijknamige stad, door de Sybarieten gesticht. In ± 400 viel de stad in handen van de Lucaniërs, en in 389 werden de inwoners van Thurii daar door hen in een grooten veldslag verslagen, zie Graecia Magna.

Laus Pompeii, thans Lodi Vecchio, stad der Boii in Gallia Transalpina, ten Z.O. van Mediolanium (Milaan). Cn. Pompeius Strabo verhief ze in 89 tot een lat. kolonie, vandaar de naam; sedert 49 municipium.

Lausus, zoon van Mezentius, koning van Caere. Vader en zoon kwamen in den strijd tegen Aeneas om.--Een andere Lausus wordt genoemd als zoon van den albaanschen koning Numitor.

Lautulae, vlek in het land der Volsci tusschen Anxur of Tarracina en Fundi. In de nabijheid werd keizer Galba geboren.

Lautumiae, Latomiai, 1) de steengroeven, van Syracusae (z. a.), waarvan de steenen gebruikt waren voor het bouwen van de stad. Hierin werden in den herfst van 413 de krijgsgevangenen van het leger van Nicias neergelaten, op elkaar gedrongen, en aan honger en dorst, en alle onguurheid van het weer blootgesteld. Later maakte Dionysius er een staatsgevangenis van, die in de dagen van Verres nog in gebruik was.--2) De staatsgevangenis te Rome, naar die van Syracusae benoemd, wel te onderscheiden van den Carcer Mamertinus (z. Carcer); ze lag aan de Oostzijde van de Arx; misschien heeft men hier oorspronkelijk ook steenen gebroken voor den bouw der huizen; ook de buurt in de nabijheid heet Lautumiae, tusschen de Arx en het forum piscatorium (macellum).--3) Ook particuliere steengroeven worden wel eens latomiae (lapidariae) genoemd; het latijnsche woord is echter lapicidinae. Daarin te werken komt voor als tuchtstraf voor slaven.

Laverna, oorspronkelijk eene godin, die tot den kring der onderaardsche goden behoort, later beschermgodin der dieven (laverniones); zij had een altaar bij de Porta Lavernalis.

Lavicana (via). Deze liep van Rome langs Labicum en sloot zich verderop aan de via Latina aan.

Lavicum = Labicum.

Lavinia, dochter van Latinus en Amata. Ofschoon zij verloofd was met Turnus, werd zij aan Aeneas tot vrouw gegeven, toen deze in Italië aankwam. Dit was de voornaamste oorzaak van den oorlog tusschen Turnus en Aeneas, die met den dood van eerstgenoemde eindigde.--V. a. was zij de dochter van Anius en had Apollo haar de gave der voorspelling geschonken. Aeneas bewoog haar hem te volgen, zij baarde hem een zoon, Anius, maar stierf kort na hunne aankomst in Italië. De stad Lavinium is naar haar genoemd.

Lavinium, zie Laurentum.

Lavinius, Labinios, zijriviertje van den Padus (Po), even ten W. van den Rhenus (Rhenus no. 2), tgw. Lavino. V.s. had op een eilandje in deze beek de bekende bijeenkomst plaats tusschen Octavianus, Antonius en Lepidus. Zie echter Rhenus no. 2.

Lazae, Lazi, Lazai, Lazoi, roofzieke volksstam in Colchis.

Leaena, Leaina, atheensche hetaere, betrokken in de samenzwering van Harmodius en Aristogiton. Zij werd gevangen genomen en op de pijnbank gelegd, maar weigerde hardnekkig iets te verraden. Te harer gedachtenis richtte men een beeld op, dat eene leeuwin zonder tong voorstelde.

Leager, Leagros, Athener, zoon van Glaucon, ging met Sophanes aan het hoofd van 10000 Atheners naar Thracië, om er op de plaats, waar later Amphipolis stond, eene volkplanting te stichten. Toen zij echter te ver in het binnenland doordrongen, werden zij bij Drabescus door de Thraciërs overvallen en gedood (465).

Leander, Leandros, een jongeling van Abydus, die iederen nacht over den Hellespont zwom, om zijne geliefde Hero te ontmoeten, die priesteres van Aphrodite te Sestus was. Om hem den weg te wijzen, ontstak zij elken avond een licht op den toren van Sestus, maar in een stormachtigen nacht woei dit licht uit en L. vond zijn dood in de golven. Toen Hero den volgenden morgen van den toren zijn lijk zag aanspoelen, wierp zij zich naar beneden.

Learchus, Learchos, zoon van Athamas (z.a.) en Ino, werd door zijn vader gedood.

Lebadea, Lebadeia, thans Livadia, stad in Boeotia nabij de grens van Phocis. In de nabijheid was in eene grot binnen een bosch een orakel van Trophonius.

Lebaea, Lebaia, oude stad ergens in het N. van Macedonia.

Lebecii, Lebekisi, volksstam in Gallia Transpadana, met de hoofdstad Vercellae.

Lebedus, Lebedos, stad in aziatisch-Ionia in de nabijheid van Colophon, eenmaal zeer bloeiend, totdat Lysimachus een gedeelte der inwoners naar Ephesus overbracht.

Leben, Leben, haven van Gortyn op Creta, met een tempel van Asclepius.

Lebethrum, -thra, Leibethron, = Libethra.

Lebinthus, Lebinthos, klein eiland in de Aegaeische zee ten O. der Cycladen.

Lechaeum, Lechaion, haven van Corinthus, aan de Corinthische golf, door een dubbelen muur met de stad verbonden.

Lectio senatus, zie Senatus.

Lectisternium, een feestmaal, aan goden en godinnen aangeboden, wier beelden dan op rustbedden aan tafel werden neergelegd of, wat de godinnen betreft, op stoelen werden neergezet. Een maaltijd, uitsluitend voor godinnen aangericht, heette sellisternium.

Lectum, Lekton, kaap aan de Z.W.-spits van Troas, een uitlooper van het Idageb.

Lecythus, Lekythos, kleine vesting op het chalcidische schiereiland Sithonia, door Brasidas in den peloponnesischen oorlog op de Atheners vermeesterd.

Leda, Leda, dochter van Thestius, gemalin van Tyndareos. Zeus beminde haar om hare buitengewone schoonheid, in de gedaante van een zwaan wist hij zich toegang tot haar te verschaffen, en zij bracht twee eieren ter wereld; uit het eene daarvan kwam Helena, uit het andere de Dioscuren te voorschijn. V.a. baarde zij tegelijk Helena, Clytaemnestra en de Dioscuren, en waren Helena en Polydeuces kinderen van Zeus, de andere twee van Tyndareos, of Helena is de dochter van Zeus en de Dioscuren zijn kinderen van Tyndareos, of omgekeerd.

Ledon, Ledon, plaats in Phocis, aan den Cephisus.

Legatio libera, titulair gezant- of legaatschap. Senatoren, die om persoonlijke redenen eene reis wilden doen, ontvingen dikwijls van den rom. senaat den titel van legatus, die hun al de voordelen en eerbewijzen bezorgde, waarop een werkelijk gezant van den senaat aanspraak had, o.a. vrij vervoer en huisvesting. Om het misbruik, dat hiervan gemaakt werd, deed Cicero als consul in 63 een wetsvoorstel tot opheffing der liberae legationes, doch hij werd door de intercessio van een der volkstribunen in zijn plan verhinderd. Toch slaagde hij er in, den duur er van, die vroeger onbepaald was, tot een jaar te beperken.

Legatus beteekent in de eerste plaats gezant, in de tweede plaats onderbevelhebber. De veldheeren en stadhouders der provinciën kregen 3 of meer legaten mede, mannen van senatorischen rang en door den senaat benoemd, waarbij evenwel uit den aard der zaak op den wensch van den stadhouder of veldheer werd gelet. Zij stonden hem ter zijde in het bestuur der provincie en werden ook dikwijls aan het hoofd van afzonderlijke legerafdeelingen door hem uitgezonden. Moest een der legaten als plaatsvervangend stadhouder optreden (hetgeen in den regel echter den quaestor toekwam), dan was hij legatus pro praetore. Toen met Augustus sommige provinciën (later alle) keizerlijk werden, en dus de keizer de algemeene gouverneur daarvan werd, zond hij naar de provinciën zijne stadhouders met den titel van legati Caesaris of Augusti pro praetore, en wel naar de belangrijke provinciën met den rang van consulares, naar de andere met dien van praetorii. Verder kreeg toen elk legioen een legaat aan het hoofd, met den titel van legatus legionis. Dit was een praetorius.

Legio, legioen, in den beginne de gezamenlijke romeinsche krijgsmacht, 3000 man voetvolk en 300 ruiters. Toen Rome grooter werd en meer troepen te velde zond, werd legio de naam eener bepaalde troepenafdeeling. Tijdens den tweeden punischen oorlog was de gewone sterkte van een legioen 4200 man voetvolk en 300 man ruiterij. Het voetvolk bestond uit vier soorten en was verdeeld in manipuli, die ieder weder uit twee centuriae bestonden. Er waren in een legioen 10 manipels hastati en 10 manipels principes, elk van 120 man, en 10 manipels triarii, elk van 60 man, terwijl aan elke centurie 20 velites waren toegevoegd (zie overigens de artikelen centuria en centurio).

front +==============+ / | centuria | \ / | prior | \ / | 6 × 10 hast. | \ / | 2 × 10 vel. | \ manipulus +==============+ rechtervleugel \ | centuria | / \ | posterior | / \ | 6 × 10 hast. | / \ | 6 × 10 vel. | / +==============+

Opstelling van een legioen.

De drie soorten van wapens waren in den slag in drie liniën opgesteld, op deze wijze:

de 10 manipels hastati | | | | | | | | | | de 10 manipels principes | | | | | | | | | de 10 manipels triarii | | | | | | | | | |

Werd het legioen versterkt, dan geschiedde dit door het aantal hastati en principes in elke centurie te versterken. Scipio had in den slag bij Zama legioenen van 6200 man. In Caesars tijd was het legioen in 10 cohorten verdeeld; zie hierover cohors. De plaatsing dezer cohorten in den slag was deze:

front

+======+ +======+ +======+ +======+ | | | | | | | | 1e linie, +======+ +======+ +======+ +======+

+======+ +======+ +======+ | | | | | | 2e linie, +======+ +======+ +======+

+======+ +======+ +======+ | | | | | | reserve. +======+ +======+ +======+

Opstelling van cohorten.

De ruiterij was verdeeld in alae en elke ala weder in drie turmae; doch allengs verdween

de rom. ruiterij en werd vervangen door ruiterij der bondgenooten. Zie ook castra.

Het getal legioenen was vóór Augustus afhankelijk geweest van de omstandigheden. In den laatsten oorlog had Octavianus er 45, Antonius omstreeks 30 gehad, Augustus bracht dit getal gaandeweg terug op 28. Van deze sneuvelden nog drie in het Teutoburgerwoud onder Varus en werden niet vervangen. Elk legioen had, reeds vóór Augustus, een nummer en dikwijls ook een bijnaam, zooals uit de geschiedenis der burgeroorlogen blijkt. Wij laten hier de nummers en namen volgen, waarbij men in het oog moet houden dat sommige nummers dubbel voorkomen, een gevolg hiervan dat in de burgeroorlogen dubbele cijfers voorkwamen en onder de monarchie de legioenen hunne oude nummers behielden. I Germanica, II Augusta, III Augusta, III Cyrenaïca, III Gallica, IV Macedonica, IV Scythica, V Alaudae, V Macedonica, VI Victrix, VI Ferrata, VII zonder naam, VIII Augusta, IX Hispana, X Fretensis, X Gemina, XI zonder naam, XII Fulminata, XIII Gemina, XIV Gemina Martia Victrix, XV Apollinaris, XVI zonder naam, (XVII, XVIII en XIX vielen met Varus), XX Valeria Victrix, XXI Rapax, XXII Deiotariana, samen 28. Onder Vespasianus waren er 30, onder Septimius Severus 33, onder Diocletianus 175. In dien tijd was echter de getalsterkte veel geringer; in de 4de eeuw bedroeg die slechts 1000 man.

Legis actio, de inleiding tot een proces met de daarbij voorgeschreven formulieren en zinnebeeldige handelingen, waardoor men zijn vermeend recht deed gelden en waaraan men zich streng had te houden. Er waren er vijf: per sacramentum, per iudicis arbitrive postulationem, per condictionem, per manus iniectionem, per pignoris capionem. De geringste afwijking van de aan de wet ontleende of door de bevoegde macht als geldig erkende formule, b.v. wanneer men in plaats van het woord arbor te gebruiken, dat de wet aangaf, van vitis sprak bij een klacht over beschadiging van een wijngaard, deed het proces verliezen. De klager kon dus zijn klaagformule niet zelf opstellen, maar moest ze telkens aan een deskundige (een pontifex) vragen; later zijn de legis actiones in boekvorm uitgegeven, zie Flavii no. 2.

Zie omtrent de vervanging en gedeeltelijke afschaffing van deze oude vormen onder formula.

Leitourgia, letourgia, z. Liturgia.

Leïtus, Leitos, zoon van Alector, een van de Argonauten, aanvoerder der Boeotiërs voor Troje.

Lelantius campus, Lelanton pedion, 1) vlakte in W. Euboea, tusschen Chalcis en Eretria, met ijzer- en kopermijnen en om die reden een twistappel tusschen de beide steden, zie onder Chalcis. De vlakte heet naar de rivier, die er doorstroomt.--2) vlakte aan den mond van den Euenus in Aetolia, door aanslibbing ontstaan.

Leleges, Leleges, een oude, waarschijnlijk aziatische volksstam, verwant met de Cariërs, met wie ze steeds te samen genoemd worden. Ze treden ook in Griekenland op, maar schijnen zich later opgelost te hebben in de Hellenen. Zij waren voortreffelijke zeevaarders en tevens zeeroovers, en waren over Z. en W. Griekenland, en over de eilanden der Aegaeïsche zee verbreid en komen ook op Creta en in Caria voor. In historischen tijd vindt men ze nog in Troas, namelijk in Antandrus, Gargara en Pedasus (aan den Satnioïs gelegen).

Lelex, Lelex, koning van Megara (Lelegeia moenia), Lacedaemon of Leucadia, mythisch stamvader der Leleges.

Lemannus (lacus), Lemanos limne, thans meer van Genève, door den Rhodanus (Rhône) gevormd. In den keizertijd komt het ook voor als lacus Losonnensis, naar de stad Losonna of Lousonna (Lausanne).

Lemnius, Lemnios, bijnaam van Hephaestus naar het hem gewijde eiland Lemnus.

Lemnus, Lemnos, thans Stalimene, vroeger ook Aethalia, vrij groot eiland der Aegaeïsche zee, tusschen Chalcidice en Asia. Toen Hephaestus door Zeus uit den hemel was geworpen, viel hij op Lemnus neder. Als oudste bewoners worden Sintiërs uit Thracia genoemd. Vóór den Argonautentocht hadden de lemnische vrouwen hare mannen vermoord (vandaar Lemnia erga); de Argonauten landden er en verwekten bij de genoemde vrouwen de Minyers, Minyai, die later door de Pelasgen werden verdreven. Naar dit eiland werd Philoctetes gebracht, toen hij door zijne wond het kamp der Grieken vóór Troje verpestte. Onder Darius I werd het aan de Perzen onderworpen, doch later door Miltiades (no. 2) bevrijd. Het wordt dipolis geheeten naar zijne twee steden Myrina en Hephaestia(s). De zoogenaamde lemnische aarde was eene delfstof, die als verfstof en als geneesmiddel werd gebezigd. Bij den uitvoer werd er tot bewijs van echtheid een merk, sigillum, ingedrukt.

Lemonum, stad der Pictavi of Pictones in Gallia Transpadana, ten Z. van den Liger (Loire), thans Poitiers.

Lemovices, stam in Gallia Transpadana in Aquitania, ten N. van de Garumna. De naam leeft nog voort in Limousin. Hoofdstad: Augustoritum (Limoges).

Lemovii, een germaansche stam, alleen bij Tacitus vermeld; zij woonden aan de tegenw. Oostzee, ten Westen van de Rugii.

Lemures, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen. Men geloofde dat zij den 9den, 11den en 13den Mei des nachts de plaatsen bezochten, die zij op aarde bewoond hadden, en vierde op die dagen omstreeks middernacht de Lemuria of Lemuralia, waarbij men door eigenaardige plechtigheden de geesten trachtte te verzoenen en van zich af te houden. Men offerde hen vooral boonen. Zie ook Larvae. Andere dagen, waarop doodenoffers verricht worden, zijn de Parentalia of Feralia (z. a.) en de Carnaria (zie Carna). Ovidius verklaart het ontstaan van het feest uit de begrafenis van Remus, en spreekt daarom ook van Remuria.

Lenaea, Lenaia, eig. Dionysia tapi Lenaio, feest ter eere van Dionysus te Athene bij het Lenaeum in de maand Gamelion (7de maand van het Attische jaar (Jan.-Febr.)) gevierd. Het drinken en offeren van den jongen wijn was hierbij hoofdzaak. Met klimop bekranst hield men een grooten optocht, waarbij men, op wagens gezeten (ex hamaxon), ieder dien men ontmoette plaagde en soms op zeer ruwe wijze bespotte. Tot de feestelijkheden behoorde een openbare maaltijd, waartoe van staatswege het vleesch verschaft werd. Ten slotte werden tooneelvoorstellingen gegeven.

Lenaeus, Lenaios, bijnaam van Dionysus, naar het Lenaeum, zijn oudsten tempel te Athene. Vandaar Lenaeus latex = wijn.

Lentulus, familienaam in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 45-51.

Leo, Leon, 1) zoon van Eurycratidas, 14de koning van Sparta uit het geslacht der Agiden.--2) Spartaan, die eene volkplanting naar Heraclea in Trachinië aanvoerde (426).--3) spartaansch bevelhebber op Chius in de laatste tijden van den peloponnesischen oorlog.--4) bevelhebber der atheensche vloot bij Samus, die zich met Diomedon tegen de instelling van de regeering der 400 verzette (411); hij was een van de 10 strategen, die na het ontslag van Alcibiades aangesteld werden, en werd waarschijnlijk voor den slag bij de Arginusen krijgsgevangen gemaakt; onder de regeering van de 30 werd hij ter dood gebracht.--5) van Byzantium, leerling van Plato; hij was in zijne vaderstad aan de regeering, toen zij door Philippus belegerd werd (340). Door zijn toedoen weigerde men te Byzantium Chares te ontvangen, de hulp van Phocion nam hij echter gaarne aan. Later wist Philippus hem bij zijne medeburgers verdacht te maken, wat hij zich zoozeer aantrok, dat hij zich van het leven beroofde.--Zijn werk over den oorlog tusschen zijn vaderstad en Philippus is verloren gegaan.

Leobotes, Leobotes = Labotas.

Leochares, Leochares, atheensch beeldhouwer, die met Scopas aan het mausoleum van Halicarnassus werkte.

Leocorium, Leokorion, tempel te Athene, gewijd aan de drie dochters van Leos, die zich vrijwillig door haar vader lieten offeren om het land van de pest te bevrijden.

Leocrates, Leokrates, zoon van Stroebus, atheensch veldheer in den slag bij Plataea; na een gewonnen zeeslag en beleg onderwierp hij Aegina aan de Atheners (457).

Leodamas, Leodamas, atheensch redenaar van naam, leerling van Isocrates.

Leon, Leon, vlek ten N. van Syracusae, waar de Atheners in 415 en de Rom. in 214 hun eerste kamp opsloegen.

Leonidas, Leonidas, -des, 1) zoon van Anaxandridas, koning van Sparta, opvolger van zijn broeder Cleomenes I. Met een leger van ruim 6000 man, waaronder 300 Spartanen waren, verdedigde hij den doortocht der Thermopylae tegen het onmetelijke leger van Xerxes. Toen Xerxes, na vier dagen gewacht te hebben, eindelijk een aanval beproefde, werd hij op twee achtereenvolgende dagen met groot verlies teruggeslagen, en zelfs toen hij door het verraad van Ephialtes het leger der Grieken in den rug viel, wilde Leonidas niet terugtrekken; hij zond de ontmoedigde bondgenooten weg, en bleef de verdediging volhouden met zijne 300 Spartanen, 700 Thespiërs, die vrijwillig gebleven waren, en 400 verdachte Thebanen, die hij gedwongen had te blijven. De Thebanen liepen zoo spoedig mogelijk over, de Spartanen en Thespiërs sneuvelden tot den laatsten man (Juli 480). Xerxes liet het lijk van L. onthoofden en kruisigen, bij de Grieken bleef de nagedachtenis aan hem en de zijnen in liederen en gedenkteekenen bewaard.--2) L. II, koning van Sparta, ambtgenoot van Agis III (z.a.).--3) twee grieksche epigrammendichters, van wie gedichten in de grieksche anthologie zijn opgenomen, de eene, uit Tarentum, was een tijdgenoot van koning Pyrrhus van Epirus, de andere, uit Alexandrië, was een tijdgenoot van keizer Nero.--4) leermeester van Cicero's zoon te Athene.--5) van Anthedon, schilder uit de vierde eeuw, leerling van Euphranor.

Leonnatus, Leonnatos, van Pella, diende in de lijfwacht van Philippus van Macedonië. Als veldheer van Alexander onderscheidde hij zich vooral in den indischen veldtocht; bij de bestorming van de hoofdstad der Malli redde hij met Peucestas den koning het leven en werd hij zwaar gewond. Na Alex.'s dood werd hij satraap van Klein-Phrygië, toen hij echter op het gerucht van een opstand der Grieken Antipater te hulp snelde, sneuvelde hij in den slag bij Lamia (322).

Leonteus, Leonteus, 1) zoon van Coronus, vorst van Gyrtone, een van de belegeraars van Troje. Na den oorlog zou hij met zijn vriend Polypoetes Aspendus gesticht hebben.--2) leerling en, evenals zijne echtgenoote Themista, ijverig aanhanger van Epicurus.

Leontiades, Leontiades, 1) aanvoerder der Thebanen in den slag bij de Thermopylae.--2) hoofd der oligarchische partij te Thebe, die als polemarch de Cadmea den Spartanen in handen speelde (382). Toen Thebe door Pelopidas bevrijd werd, werd L. gedood.

Leontini, hoi Leontinoi, stad op Sicilia nabij de Oostkust, kol. van het noordelijker gelegen Naxus, gelegen in eene vruchtbare streek (Leontini campi). Burgertwisten brachten de stad in de afhankelijkheid van Syracusae. Later werd Leontini een bondgenoot van Carthago en werd het als zoodanig door de Rom. in den tweeden punischen oorlog vermeesterd en geplunderd.

Leontis, Leontis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Leontium, Leontion, stad in Achaia, in het binnenland.

Leoprepides, Leoprepides, Simonides van Ceos, zoon van Leoprepes.

Leosthenes, Leosthenes, Athener, aanvoerder der Grieken in den lamischen oorlog, overwon Antipater hij Heraclea en sneuvelde bij het beleg van Lamia.

Leotrophides, Leotrophides, lyrisch dichter te Athene, tijdgenoot van Aristophanes.

Leotychides, Leotychides, Leut-, 1) uit het geslacht der Eurypontiden, ondersteunde Cleomenes I (z. a.) bij zijne kuiperijen tegen Demaratus, en werd, nadat deze afgezet was, koning van Sparta (491). Hij was de aanvoerder der grieksche vloot in den zeeslag bij Mycale, maar later van verraad in een oorlog tegen de Aleuaden beschuldigd, vluchtte hij naar Tegea (469), waar hij stierf.--2) zoon van Agis I of, naar men beweerde, van Alcibiades; wegens dezen twijfel aan zijne echte geboorte werd hij van de regeering over Sparta uitgesloten (398).

Lepidus, familienaam in de gens Aemilia, z. Aemilii no. 1-5.

Lepontii, Lepontioi, Alpenvolk in het Z. van Raetia, waarnaar een gedeelte der Alpen nog de lepontische heet. Zij zijn met de andere Alpenvolken in 15 onderworpen.

Lepreum, Lepreon, oude stad in het elische gewest Triphylia.

Leptines, Leptines, 1) broeder van den ouden Dionysius, aanvoerder der vloot in den oorlog tegen de Carthagers. In 390 werd hij verbannen, later werd hij echter op de meest eervolle wijze teruggeroepen; hij sneuvelde in den slag bij Cronium (383).--2) tyran van Apollonia en Engyum op Sicilië, werd door Timoleon gedwongen de regeering neder te leggen en ging naar Corinthe.--3) een aanzienlijk Athener, wiens voorstel tot intrekking van alle vrijstellingen van belastingen en liturgieën door Demosthenes met gunstig gevolg bestreden werd.

Leptis, Leptis, naam van twee steden. L. magna lag op de lybische kust tusschen de beide Syrten en was eene aanzienlijke koopstad. Het was eene phoenicische kolonie. Later werd het rom. kolonie. Keizer Septimius Severus was er geboren. L. minor, ook door Phoeniciërs gesticht, lag in Byzacium, in de provincie Africa. Vroeger was het aan de Carthagers cijnsbaar, de schatting bedroeg een talent daags.

Lerna, Lerne, moeras en meer ten Z. van Argos, waar Heracles de lernaeïsche slang doodde.

Lerus, Leros, klein eiland bij de carische kust, met een tempel van Artemis.

Lesbonax, Lesbonax, 1) grieksch rhetor onder Augustus, van wien drie verdichte redevoeringen (declamationes) bewaard gebleven zijn.--2) grieksch taalkundige van lateren tijd, schrijver van een werkje peri schematon.

Lesbus, Lesbos, eiland op de aeolisch-aziatische kust, met aeolische bevolking, het vaderland van de dichters Alcaeus (± 600), Arion (± 625), Terpander (± 670) en de dichteres Sappho (± 600), van Pittacus, een der zeven wijzen (± 600), van den logograaf Hellanicus (± 450), den wijsgeer Theophrastus (± 310) e.a. Horatius noemt de lesbische lier voor het lierdicht in het algemeen. Libri Lesbiaci heeten bij Cicero de thans verloren gesprekken van den peripatetischen wijsgeer Dicaearchus, die als op Lesbus gevoerd werden voorgesteld. De inwoners van Lesbus hadden den naam, op een hoogen trap van beschaving te staan, waarmede echter sterke weelde en zedeloosheid gepaard ging. Het eiland bracht beroemden wijn voort. Sedert Cyrus behoorde Lesbus tot het perzische rijk, sedert 478 tot den attischen bond. De voornaamste steden zijn: Mytilene en Methymna, verder Antissa, Eresus, Pyrrha en Arisbe.

Lesches, Lesches, van Mytilene, een van de cyclici omstreeks het midden der 7de eeuw, dichter der Ilias mikra.

Lethe, Lethe, rivier in de onderwereld, waaruit de schimmen der afgestorvenen dronken om het verledene te vergeten.

Leto, Leto, Latona, dochter van Coeüs en Phoebe, dus van het geslacht der Titanen, vóór Hera gemalin van Zeus, bij wien zij moeder werd van Artemis en Apollo.--V.a. werd zij door Zeus bemind, toen hij reeds met Hera gehuwd was, daarom wordt zij over de geheele aarde door de jaloersche Hera vervolgd, totdat Zeus het eiland Delus uit de zee laat opkomen, waar zij eindelijk rust vindt, en aan den voet van den berg Cynthus Artemis en Apollo ter wereld bracht.--Zij is eene zachtmoedige, vriendelijke godin in donker gewaad, haar eeredienst is gewoonlijk met die van hare kinderen vereenigd.

Letrini, Letrinoi, vlek in Elis, tusschen de stad Elis en Olympia. Z. Alpheus.

Leuaci, volk in Belgica, onderhoorig aan de Nerviërs, misschien bij het tegenw. Leuven.

Leuca, ta Leuka, stadje aan de Z.O. spits van Calabria, bij het promunturium Iapygium.

Leucadia = Leucas.

Leucae, Leukai, stadje op de aziatische kust, tusschen Smyrna en Phocaea. Hier werd in 131 de consul P. Licinius Crassus Mucianus (Licinii no. 11) door den pergameenschen kroon-pretendent Aristonicus verslagen. Ook een stad in Laconica, ten Z.O. van Helos, door de Spartanen verwoest.

Leucas of Leucadia, Leukas, Leukadia, eiland in de Ionische zee, thans Santa Maura, dicht aan de acarnanische kust. Oorspronkelijk hing het door eene smalle landtong aan Acarnania vast, doch de Leucadiërs groeven deze door. In het Z. stak kaap Leucate in zee uit. Op den top stond een Apollo-tempel. De mythe laat hier Sappho zich in zee storten. Op het jaarlijksche feest van den god werd een misdadiger van boven afgeworpen, doch als hij het er levend afbracht, opgevischt en vrijgelaten. De oude hoofdstad was Nericus, later trad de jongere stad Leucas hiervoor in de plaats, die in de 3de eeuw zelfs als hoofdstad van geheel Acarnania gold. Tegenwoordig houden vele geleerden Leucas voor het Homerische Ithaca.

Leucasia = Leucosia.

Leuce, Leuke akte, 1) vlek en reede in Thracia aan de Propontis (zee v. Marmara).--2) = Achillis insula.--3) voorgebergte in het Z. van Euboea, ten W. van Geraestus.

Leuci, volk in Belgica, ten N. van de Lingones, in het Z. van het latere Lotharingen. Hoofdstad Tullum (Toul).

Leucimma, Leukimme, een der beide zuidkapen van het eiland Corcyra (Corfu).

Leuci montes, Leuka ore, bergketen in het W. van Creta.

Leucippe, Leukippe, 1) Oceanide, behoorde tot het gezelschap van Persephone, toen deze door Hades geroofd werd.--2) eene van de Minyades (z. a.).--3) dochter van Thestor (z. a.).--4) v. s. gemalin van Ilus, moeder van Laomedon.

Leucippides, Leukippides, Phoebe en Hilaira, dochters van Leucippus, z. Apharetidae.

Leucippus, Leukippos, 1) zoon van Oenomaüs, minnaar van de nimf Daphne. Toen hij zich in vrouwenkleederen in haar gezelschap indrong, werd hij door hare gezellinnen gedood.--2) zoon van Perieres, koning van Messenië, vader van Phoebe, Hilaira en Arsinoë.--3) van Abdera, Miletus of Elea, grieksch wijsgeer in de 5de eeuw, grondlegger der atomenleer, die door zijn leerling en vriend Democritus verder ontwikkeld werd. Bizonderheden omtrent zijn leven of leerstellingen zijn niet bekend.

Leuconium, Leukonion, stad in het Z. van Chios.

Leucopetra, Leukopetra, Z.W. kaap van het land der Bruttii, ten Z. van Rhegium.

Leucophrys, Leukophrys, stad in Caria aan den Maeander, nabij Magnesia, met een tempel van Artemis en een meer van steeds borrelend heet, doch drinkbaar water.

Leucosia, Leukosia, eiland in het Z. der golf van Paestum, aan de Westkust van Lucania.

Leucosyri, Leukosyroi, blanke Syriërs, naam dien de Grieken aan de Cappadociërs gaven. In den tijd van het groot-assyrische rijk, vóór de 15de eeuw, vestigden zich een aantal assyrische volkplantingen aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee). Toen nu later de Grieken deze kust bezetten, noemden zij de bevolking Assyrioi, verkort Syrioi of Syroi, en breidden dezen naam uit tot het nog onbekende binnenland. De eigenlijke Syriërs in Syria waren bruinachtig van tint; vandaar tot onderscheiding de naam van blanke Syriërs.

Leucothea, Leukothea = Ino.

Leucothoë, Leukothoe, dochter van den babylonischen koning Orchamus. Apollo, die haar beminde, wist in de gedaante van hare moeder toegang tot haar te krijgen, en toen haar vader dit vernam, liet hij haar levend begraven. Apollo veranderde haar in een wierookplant.

Leuctra, ta Leuktra, 1) stad in Boeotia, in het Z. bij Thespiae. Hier versloeg Epaminondas in 371 de Spartanen.--2) stad aan de W. kust van Laconia tusschen Cardamyle en Thalamae.--3) stad in Arcadia op de laconische grenzen, in het gebied van Megalopolis.

Leuctrum = Leuctra no. 3.

Levaci = Leuaci.

Levana, eene godin, die door de Rom. aangeroepen werd, wanneer de vader zijn pasgeboren kind van den grond opnam, en daarmede te kennen gaf, dat hij het als het zijne erkende.

Lexiarchikon grammateion, z. Demos.

Lexiarchoi, zes beambten te Athene, die toezagen dat geen onbevoegde zich in de volksvergadering indrong, en dat niemand te laat kwam of te vroeg wegging.

Lexovii, Lexobioi, volksstam in Gallia in het tegenw. Normandië. Hoofdstad Noviomagus, thans Lisieux.

Libanius, Libanios, van Antiochië, geb. 314 n. C., studeerde te Athene en hield daarna eenigen tijd te Constantinopel zijn verblijf, waar hij als rhetor werkzaam was en een school stichtte, die zeer veel leerlingen trok. Ten gevolge van de kuiperijen zijner tegenstanders kon hij echter op den duur niet te C. blijven; in 344 vestigde hij zich te Nicomedië, waar hij vijf jaar bleef, daarna wederom te Constantinopel; in 354 keerde hij naar zijne geboortestad terug, waar hij op ongeveer tachtigjarigen leeftijd stierf. Onder Iulianus, die zeer met hem ingenomen was, en dien hij van zijn kant hoog vereerde, was hij quaestorius. Onder zijne talrijke werken, alle in het grieksch geschreven, zijn vele redevoeringen en brieven belangrijk voor de geschiedenis van zijn tijd.

Libanus, Libanos, de Libanon, een hoog, bijna ontoegankelijk gebergte langs de phoenicische kust. De toppen zijn met eeuwige sneeuw bedekt, vandaar de naam = witte berg. Op de hellingen vond men de beroemde cederbosschen, aan den voet groeide de wijnstok, doch door het roekeloos vellen der boomen is het gebergte kaal geworden. Ten O. loopt, ongeveer evenwijdig, de nog hoogere Antilibanus.

Libella, rom. zilveren muntstukje ter waarde van een as. De as was van koper.

Libentina, bijnaam van Venus, als godin van zinnelijk genot.

Liber, oud-italisch god, oorspronkelijk een nevenvorm van Jupiter, evenals Terminus (z. a.), vandaar Jupiter Liber geheeten; hij wordt ook dikwijls Liber Pater genoemd en eene godin Libera staat hem ter zijde. Reeds vroeg, sedert de invoering van den dienst van Demeter in 493 (z. Ceres), is hij met Dionysus geïdentificeerd, en tot een god van de voortbrengende kracht der natuur geworden. Meer in het bijzonder is hij god van den wijnbouw, en in de tijden van den wijnoogst worden te zijner eer allerwege in de steden en op het land vroolijke feesten gevierd. Zijne attributen en zijn eeredienst hebben veel overeenkomst met die van Dionysus, maar bovendien maakten de Romeinen hem naar aanleiding van zijn naam (vgl. Lyaeus) tot een god van burgerlijke en staatkundige vrijheid; zie Liberalia.

Libera, 1) z. Liber.--2) latijnsche naam van Ariadne, de bruid van Dionysus of Liber.

Liberalia, feesten ter eere van den oud-italischen god Liber (z. a.) en zijne echtgenoote Libera. Uit den aard der zaak kenmerkten zich deze feesten, die op het platteland gevierd werden, vooral in streken, waar men wijn teelde, door vroolijke opgewondenheid en door eene groote mate van vrijheid, waartoe ook de naam aanleiding gaf. Te Rome werd op 17 Maart een lentefeest gehouden, dat denzelfden naam droeg en waarop de jongelingen, die aan de kinderschoenen ontwassen waren (op omstreeks 17-jarigen leeftijd) de toga virilis of libera aannamen. Dan werden zij door hun vader en verwanten naar het forum begeleid en aan bekenden en invloedrijke personen voorgesteld en deden zóó hunne intrede in de wereld der volwassenen.

Libertas, de godin der persoonlijke vrijheid; Tib. Sempronius Gracchus (Sempronii no. 7) stichtte voor haar een tempel op den Aventinus (238). Later werd zij ook de godin der republikeinsche vrijheid, de libertas publica populi Romani; aan haar wijdde P. Clodius een heiligdom op de area van Cicero's huis (58).

Libertinus, libertus. Een vrijgelaten slaaf of slavin, libertinus, -na, blijft tegenover den gewezen eigenaar, die nu hun patronus is, een libertus, -ta, evenals pueri tegenover hunne ouders liberi heeten. Deden vrijgelatenen te kort aan den eerbied, dien zij hun patroon verschuldigd waren, dan kon de vrijlating herroepen worden. Zie over de vrijlating zelve manumissio.

Libethra, ta L(e)ibethra, stad in het macedonische gewest Piëria, aan den Olympus. De stad schijnt reeds vroeg door overstrooming verwoest te zijn. De streek was aan de Muzen geheiligd, doch de inwoners golden voor zeer prozaïsch, vandaar het gezegde: amousoteros ton Libethrion.

Libethrides, L(e)ibethrides, de Muzen, zoo genoemd naar den berg Libethrius, waar haar een grot en twee bronnen gewijd waren.

Libethrius mons, L(e)ibethrion oros, berg in Boeotia, een gedeelte van den Helicon, bij Coronea, met een grot en bronnen, aan de Muzen en de libethrische nymfen gewijd.

Libicii = Lebecii.

Libitina, oud-italiaansche godin van tuinen en wijngaarden. Servius Tullius verordende, dat bij ieder sterfgeval in haar tempel een geldstuk neergelegd moest worden, ten einde het aantal gestorvenen te kunnen bepalen. Daaruit ontstond het gebruik, om in dien tempel alle benoodigdheden voor eene begrafenis te huur of te koop aan te bieden, en ook de personen, wier diensten daarbij vereischt werden, kon men er vinden. Vandaar dat zij voor eene godin der begrafenissen gehouden werd en haar naam door dichters gebruikt wordt voor begrafenis of dood.--Later verwarde men haar met Lubentia of Libentina, een bijnaam van Venus, die in haar lucus een aedes had.

Libo, 1) uit Elis, bouwmeester van den tempel van Zeus te Olympia (ongeveer 468-456).--2) rom. familienaam, o. a. in de gens Iulia (z. Julii no. 3), de gens Livia, de gens Marcia, de gens Poetelia, de gens Scribonia (Scribonii no. 1, 3, 7, 9).

Libripens, de man, die bij coëmptio en mancipatio per aes et libram de weegschaal hield.

Liburnae of Liburnicae, sc. naves, scherpgebouwde snelvaarders, waarmede de Liburniërs den zeeroof plachten uit te oefenen. Zij waren uit lichte houtsoorten gebouwd. De Romeinen namen dit model over voor een gedeelte hunner oorlogsvloot.

Liburnia, Libournia, het N.W. gedeelte van Illyricum, het kustland tusschen eigenlijk Dalmatia en Histria, met de hoofdstad Scardona. De bewoners, uitstekende zeelieden, dreven met hunne snelle, lichte schepen een uitgebreiden handel, maar ook zeeroof. Omstreeks 176 zochten zij tegen hunne naburen bescherming bij de Rom., wien hunne vloot zeer te stade kwam.

Libya, Libye, dochter van Epaphus en Memphis, bij Poseidon moeder van Agenor. Het werelddeel Libya is naar haar genoemd.

Libya, Libye, oude naam voor het werelddeel Afrika, voor zoover het aan de oude Grieken bekend was. Zie Africa. In engeren zin het land ten W. van de Nijldelta en ten Z. van Cyrenaïca, waar de stam der Libyes woonde.

Libyci montes, to Libykon oros, het westelijke grensgebergte van Aegypte.

Libycum mare, Libykon pelagos, de zee langs de afrikaansche kust van de Nijldelta tot aan Carthago.

Libyphoenices, Libyphoinikes, de gemengde libysch-phoenicische bevolking op de kust van het carthaagsche gebied.

Libyssa, Libyssa, stad in Bithynia nabij de Propontis (zee v. Marmara), met het grafmonument van Hannibal.

Lichas, Lichas, 1) bode van Heracles, die hem uit naam van Deïanira het vergiftigde kleed bracht, dat met het bloed van Nessus besmeerd was; waanzinnig van pijn, verpletterde Heracles hem tegen een rots.--2) zoon van Arcesilaus, aanzienlijk Spartaan, beroemd door zijne gastvrijheid. Hij werd in den peloponnesischen oorlog dikwijls als gezant gebruikt, en verzette zich tegen de al te groote toegevendheid van de Spartanen tegenover de Perzen.

Licinia (lex) van den praetor P. Licinius Varus (208), dat de ludi Apollinares, in 212 ingesteld, jaarlijks op een vasten dag gevierd zouden worden.

Licinia (lex) tot instelling van het priestercollege der triumviri epulones, van den volkstribuun C. Licinius Lucullus (196) (Licinii no. 21); z. epulones.

Licinia (lex) de sacerdotiis, eigenlijk slechts eene rogatio, daar zij door het volk werd verworpen. De volkstribuun C. Licinius Crassus (145) had voorgesteld, voor de priesters de coöptatio af te schaffen en ze rechtstreeks door het volk te laten verkiezen.

Licinia (lex) de sodaliciis van den consul M. Licinius Crassus (55), waarbij de collegia sodalicia, kiesvereenigingen, die bij de lex Clodia van 58 weer toegelaten waren, werden opgeheven en verboden.

Licinia Cassia (lex) van de consuls P. Licinius Crassus en C. Cassius Longinus (171), dat voor dit jaar, wegens den op handen zijnden oorlog tegen Perseus geene tribuni militum door het volk mochten gekozen worden, maar de consuls en praetoren ze zouden kiezen en aanstellen.

Licinia Mucia (lex) de civibus redigundis van de consuls L. Licinius Crassus (Licinii no. 12) en Q. Mucius Scaevola (95). Deze wet verwees al de te Rome verblijf houdende socii uit Rome. Het schijnt, dat er toen vele Italiërs te Rome aanwezig waren, die den schijn aannamen, rom. burgers te zijn. Cicero noemt het eene lex inutilis et perniciosa. Zij wekte groote verbittering en heeft veel bijgedragen tot de uitbarsting van den bondgenootenoorlog.

Liciniae Sextiae (leges) van de volkstribunen C. Licinius Stolo en L. Sextius (367). 1) de consulatu, dat één der consuls uit de plebs zou gekozen worden. Aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld; vast staat slechts, dat L. Sextius Lateranus in 366 de eerste plebejische consul geweest is. Herhaaldelijk komen nog twee patricische consuls voor, zoo o.a. in 349 (zie Furii no. 11), voor het laatst in 343.--2) agraria, dat niemand meer dan 500 iugera (agri publici) zou bezitten. Zie Agrariae leges.--3) de X viris sacrorum, dat in plaats van IIviri tienmannen, en deze voor de helft uit de plebejers zouden gekozen worden. Ook aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld. Zie Decemviri no. 4.--4) de aere alieno, dat het geleende kapitaal met de genoten rente zou worden verminderd en het restant in drie jaarlijksche termijnen zou worden afbetaald. Sommige geleerden houden ook deze wet voor verzonnen, en wel naar den geest van den Sullaanschen tijd, toen zulke wetsvoorstellen herhaaldelijk opdoken.

Licinii, plebejisch geslacht, waartoe o. a. de familiën Calvus, Crassus, Damasippus, Lucullus, Murena, Nerva, Sacerdos, Varus behoorden. Het was afkomstig uit Etruria, de Murenae echter uit Lanuvium. 1) C. Licinius, een der eerste twee volkstribunen (493). V. a. heetten de twee eerste tribuni: L. Sicinius L. f. Velutus en L. Albinius C. f. Paterculus. Zie echter ook tribuni plebis.--2) P. Licinius Calvus Esquilinus, de eerste plebejische tribunus militum consulari potestate (400).--3) C. Licinius Calvus Stolo, in 376 consulairtribuun en in 368 de eerste plebejische magister equitum.--4) C. Licinius Calvus Stolo, volkstribuun 377-367, verschafte na tienjarigen strijd, met zijn ambtgenoot L. Sextius den plebejers toegang tot het consulaat. Dit verhaal is niet geheel betrouwbaar, zie leges Liciniae Sextiae. In 361 was hij zelf consul. De patriciërs klaagden hem aan, omdat hij in strijd met zijne eigene akkerwet, 1000 iugera staatsdomein in erfpacht bezat en hij werd tot eene zware geldboete veroordeeld. Ook dit verhaal is niet geheel betrouwbaar, zie Agrariae leges.--5) C. Licinius Macer, redenaar en annalist, volkstribuun in 73. In 66, toen Cicero praetor was, van afpersingen aangeklaagd, pleegde hij zelfmoord. Hij heeft annales geschreven.--6) C. Licinius Macer Calvus, zoon van no. 5, als redenaar en elegieëndichter bekend. (82-48). Hij was een vriend van Catullus en een tegenstander van Cicero.--7) P. Licinius Crassus Dives werd reeds jong pontifex maximus (212). In 210 was hij censor, nog voordat hij consul was geweest. In 205 bekleedde hij het consulaat. Hij was zeer ervaren in het ius pontificium.--8) P. Licinius Crassus, consul in 171, werd door Perseus van Macedonia bij Sycurium in Thessalia verslagen.--9) C. Licinius Crassus, broeder van no. 8 en diens legaat in 171, was zelf consul in 168.--10) C. Licinius Crassus, volkstribuun in 145, wiens rogatio de sacerdotiis verworpen werd, nam de gewoonte aan, wanneer hij in het openbaar het woord voerde, zich naar het volk te keeren en niet naar het senaatsgebouw, zooals tot nog toe gebruikelijk was.--11) P. Licinius Crassus Dives Mucianus, een geboren Mucius Scaevola, goed redenaar en jurist en kenner der grieksche taal, vriend van Tib. Gracchus, consul in 131, vond den dood op de vlucht na de nederlaag, hem bij Leucae door den pergameenschen kroonpretendent Aristonicus toegebracht. Hij was pontifex maximus.--12) L. Licinius Crassus, de beste redenaar van zijn tijd. Nog slechts 21 jaar oud, trad hij in 119 als beschuldiger van C. Papirius Carbo op, die hierop zichzelf ombracht (Papirii no. 11). In 95 was hij consul met Q. Mucius Scaevola (zie lex Licinia Mucia). Later was hij propraetor in Gallia Cisalpina. Hij stierf in 91, na nog in het vorige jaar de censuur bekleed te hebben. In Cicero's werk de oratore komt hij als een der hoofdpersonen voor.--12a) L. Licinius Crassus Scipio, aangenomen zoon van no. 12, z. Cornelii no. 24.--13) Licinia, dochter van no. 12, echtgenoote van den jongen Marius, eene zeer welsprekende vrouw. Ook eene oudere zuster bezat de gave der redekunst.--14) P. Licinius Crassus Dives, consul in 97, censor in 89, bracht verscheidene jaren als stadhouder in Hispania door en hield in 93 een triumphus over de Lusitaniërs. In den bondgenootenoorlog werd hij door M. Lamponius verslagen. Door de partij van Marius in 87 vogelvrij verklaard, sloeg hij de hand aan zichzelf.--15) M. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 14, streed in den burgeroorlog onder Sulla en verwierf door het opkoopen van verbeurdverklaarde bezittingen een ontzaggelijk vermogen, dat hij nog langs verschillende wegen zocht te vermeerderen en dat hij tevens aanwendde om door het leenen van geld anderen van zich afhankelijk te maken. Als praetor verloste hij Rome in 71 van den slavenoorlog, waarop hij tegen het volgende jaar met Pompeius tot consul werd verkozen. Beide ambtgenooten waren allesbehalve eensgezind; Pompeius zocht de volksgunst door het herstel der tribunicische macht, Crassus door het volk aan 10000 tafels, op den openbaren weg aangericht, op een feestmaal te onthalen. Caesar trad verzoenend tusschen hen op, en in 60 kwam het zoogenaamde eerste driemanschap tot stand, dat in April 56 te Luca hernieuwd werd. In 55 werden Crassus en Pompeius ten tweeden male consuls; aan Crassus viel Syria als provincie ten deel. Uit hoop op roem trok hij tegen de Parthen te velde (54). Hij trok den Euphraat over, maar werd het volgend jaar in Mesopotamia, ten Z. van Carrhae, verslagen, waarbij zijn jongste zoon sneuvelde. Bij Carrhae andermaal aangevallen, werd hij bij een onderhoud met den parthischen veldheer verraderlijk afgemaakt (53).--16) M. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15, was quaestor van Caesar in Gallia; hij was waarschijnlijk gehuwd met Caecilia Metella, van wie het bekende grafmonument aan de Via Appia is (zie Caecilii no. 27).--17) P. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15, een bekwaam generaal, was onder Caesar legaat in Gallia geweest. Hij sneuvelde in 53 tegen de Parthen. Cicero roemt zijne kundigheden en zijne rechtschapenheid.--18) C. Licinius Mucianus, was onder Nero en Galba stadhouder van Syria, en ijverde voor de verheffing van Vespasianus op den troon. Deze zond hem naar Italia, waar hij met Domitianus het bestuur waarnam tot aan de komst des keizers. Sedert wijdde hij zich aan de wetenschap. Hij heeft o. a. een werk uitgegeven over hetgeen hij in het Oosten gezien had.--19) L. Licinius Damasippus, onjuiste naam voor L. Junius Brutus Damasippus (Junii no. 24). Hij was in 82 praetor, en liet toen op bevel van den jongen Marius, vóór hij Rome ontruimde, de voornaamste overgebleven leden van de optimatenpartij ombrengen. Na den slag bij Porta Collina (1 Nov. 82) liet Sulla hem met de overige krijgsgevangenen afmaken.--20) Licinius Damasippus, bij Cicero vermeld als liefhebber van standbeelden en tuinen. Bij Horatius komt een Damasippus voor, die zijn vermogen heeft doorgebracht en daarna stoicijn is geworden. Dit is waarschijnlijk dezelfde.--21) L. Licinius Lucullus, volkstribuun in 196 en een der eerste IIIviri epulones (zie lex Licinia).--22) L. Licinius Lucullus, consul in 151, overviel verraderlijk in Spanje de Vaccaei, die met de Romeinen verbonden waren; na vele moordtooneelen werd hij genoodzaakt het beleg voor hun hoofdstad Pallantia op te geven en terug te trekken. Het volgende jaar behaalde hij samen met Ser. Sulpicius Galba (z. Sulpicii no. 11) eenige voordeelen op de Lusitaniërs.--23) L. Licinius Lucullus, propraetor op Sicilia in 103, trachtte vruchteloos den slavenopstand aldaar te onderdrukken. Later werd hij wegens bedriegelijke handelingen veroordeeld en verbannen.--24) L. Licinius Lucullus, zoon van no. 23, was Sulla's quaestor in diens veldtocht tegen Mithradates en commandant van de vloot in de Aegaeische zee. Een verzoek van Fimbria (zie Flavii no. 4) den koning in de haven van Pitane in te sluiten, wees hij van de hand, waardoor Mithradates ontsnappen kon. In 76 was hij propraetor in Africa. In 74 was hij consul en kreeg als zoodanig de provincies Asia en en Cilicia, en werd belast met het opperbevel in den nieuwen mithradatischen oorlog, terwijl zijn ambtgenoot M. Aurelius Cotta met Bithynia het opperbevel kreeg over de vloot. In 73 versloeg hij den koning bij Cyzicus, verdreef hem uit de rom. provincie, veroverde vervolgens Pontus, trok hierop (69) tegen Tigranes van Armenia, den schoonzoon en bondgenoot van Mithradates, op en versloeg bij Tigranocerta eene aanzienlijke overmacht. Doch Lucullus had zich vijanden gemaakt onder de societates publicanorum, tegen wier afpersingen hij de Asiaten in bescherming had genomen; daarbij waren er, die de leiding van den oorlog aan Pompeius in handen wilden spelen. Het leger van Lucullus werd opgeruid en de soldaten weigerden eenparig den winterveldtocht in het onherbergzame Armenia voort te zetten. Lucullus moest de gemaakte veroveringen prijs geven en werd teruggeroepen (67). Hij zeide hierop het staatsleven vaarwel. Hij was ontzaggelijk rijk, doch in tegenstelling van zoovele anderen streng eerlijk en niet hebzuchtig. Hij was een der beschermers van den dichter Archias en zelf een kenner der grieksche literatuur. In zijne jongere jaren had hij in het Grieksch den bondgenootenoorlog beschreven. Zijne woning, landhuizen, boek- en kunstverzamelingen, alles was even rijk en prachtig. Hij stierf krankzinnig in 56.--25) M. Licinius Lucullus, broeder van no. 24, doch door M. Terentius Varro tot zoon aangenomen en dus M. Terentius Licinianus Varro, ook wel M. Terentius Varro Lucullus genoemd, was consul in 73 (z. Terentii no. 6 en Cassia Terentia (lex)), en bestuurde vervolgens Macedonia en onderwierp toen de Bessi, een thracische volksstam. Hij was een vriend van Cicero en stond hem in zijn ballingschap bij. Hij had niet de groote talenten van zijn broeder, en leefde op minder vorstelijken voet.--26) M. Licinius Lucullus, zoon van no. 24, opgegroeid onder de voogdij van Cato (minor) en Cicero, sneuvelde bij Philippi als aanhanger van Brutus en Cassius.--27) L. Licinius Murena, praetor in 156 (?), kreeg den naam Murena of Muraena (= makreel) naar de door hem aangelegde vischvijvers. Hij was één van de Xviri, die in 146 Griekenland als provincie Achaia ingericht hebben.--28) P. Licinius Murena, zoon van no. 27, groot oudheidkenner, sneuvelde in den strijd tegen de partij van Marius.--29) L. Licinius Murena, ook een zoon van no. 27, streed in 86 onder Sulla tegen den mithradatischen veldheer Archelaus. In 84 door Sulla als stadhouder in Asia achtergelaten, hervatte hij in 83 op eigen gezag den oorlog tegen Mithradates, doch werd verslagen (82) en daarna door Sulla teruggeroepen. Er werd hem echter een triumftocht toegestaan.--30) L. Licinius Murena streed eerst onder zijn vader (no. 29), daarna onder Lucullus (no. 24) tegen Mithradates. Als propraetor van Gallia (64) betoonde hij zich een eerlijk en rechtvaardig bewindsman. In 63 werd hij tot consul voor het volgende jaar gekozen, doch van ambitus beschuldigd. Cicero, Crassus en Hortensius traden als zijne verdedigers op en hij werd glansrijk vrijgesproken. Hij ondersteunde in 63 de veroordeeling van Catilina's saamgezworenen.--31) C. Licinius Murena, ook een zoon van no. 29, was in 63 legatus pro praetore van Gallia Cisalpina en liet de boden van Catilina gevangen nemen.--32) A. Terentius Varro Murena, een geboren Licinius, roeide in 25 het Alpenvolk der Salassers bijna uit. In hun gebied werd toen Augusta Praetoria (tgw. Aosta) aangelegd. In 23 liet Augustus hem, ofschoon hij een zwager van Maecenas was, wegens samenzwering ter dood brengen.--33) Een andere tak der Licinii waren de Nervae. Een hunner, P. Licinius Nerva, in 104 propraetor van Sicilia, gaf aanleiding tot den tweeden slavenoorlog aldaar.--34) C. Licinius Sacerdos, werd in 142 door den censor Scipio (Africanus minor) van meineed beticht, doch de zaak werd niet verder doorgezet.--35) C. Licinius Sacerdos, de voorganger van C. Verres, had zich als propraetor van Sicilia (74) door eerlijkheid en rechtschapenheid onderscheiden.--36) Nog een tak zijn de Vari. De voornaamste is C. Licinius Varus, consul in 236, die de Corsen onderwierp.--37) A. Licinius Archias, grieksch dichter uit Antiochia in Syria, zeer bevriend met L. Licinius Lucullus, van wien hij den gentielnaam Licinius aannam. Hij had door toedoen van Lucullus het burgerrecht van Heraclea (in Lucania) gekregen, en toen na den marsischen oorlog ook de Heracleoten het rom. burgerrecht erlangden, werd Archias rom. burger. In 62 echter werd hij beschuldigd, dat hij onwettig zich het burgerrecht zou hebben aangematigd. Cicero verdedigde hem.

Licinius (C. Valerius), uit Dacia geboortig, rom. keizer 308-324 n. C. Na den dood van Maximinus II Daia waren hij en zijn zwager Constantinus (later de Groote) de eenige overgebleven keizers. Toen ook tusschen hen de strijd ontbrandde, dolf Licinius het onderspit. Zie Constantinus. Een jaar na zijn afzetting werd Licinius, toen hij hoogverraad wilde plegen, te Thessalonice omgebracht (324).

Licinus, familienaam in de gens Porcia.

Lictores. De magistraten, die het imperium hadden, hadden lictoren in dienst, die de fasces of roedenbundels voor hen uit droegen. Een consul had er 12, een praetor binnen Rome 2, buiten de stad 6. De dictator had er 24, de magister equitum 6. Wanneer er een dictator benoemd was, hadden de consuls, althans binnen Rome, geene lictoren. De lictoren van deze soort vormden 3 decuriae, elk van 24 man. Een andere soort waren de lictores curiati, de 30 boden der 30 curiën. Zij maakten ééne decurie uit. De flamen Dialis en de vestaalsche maagden hadden ook ieder een lictor, die echter evenmin als de curiaatlictoren een roedenbundel droeg. De lictoren van een overheidspersoon gingen één voor één; hij, die het meeste vertrouwen genoot, was de achterste in de rij en dus het dichtst bij den magistraat (lictor proximus). Het was een vast gebruik, dat, wanneer de magistraat in het openbaar met iemand sprak, deze lictor altijd tusschen beiden in bleef staan.

Licus, zijrivier van den Donau in Vindelicia, thans Lech.

Licymnius, Likymnios, zoon van Electryon, ging met zijn zwager Amphitryo naar Thebae en huwde diens zuster Perimede. Hij vergezelde Heracles dikwijls op zijne tochten, en werd door diens zoon Tlepolemus, met opzet of bij ongeluk, gedood.

Lide, Lide, berg in Caria, bij Pedasa.

Ligarii, een geslacht van sabijnsche afkomst, waarvan in de burgeroorlogen drie broeders voorkomen. Een er van is Q. Ligarius, voor wien Cicero eene verdedigingsrede heeft gehouden. Hij was in 50 legaat in Africa geweest en wel legatus pro praetore bij ontstentenis van den stadhouder. Hij had echter de provincie overgedragen aan P. Attius Varus, aanhanger van Pompeius, en had L. Aelius Tubero, die door den senaat tot propraetor van Africa benoemd was, belet aan land te komen. Hij streed ook nog tegen Caesars veldheer C. Scribonius Curio, later tegen Caesar zelf, doch werd gevangen genomen en verbannen. Cicero wist echter in eene fijn doorwrochte rede Caesar tot genade te bewegen. Later vindt men Ligarius onder Caesars moordenaars.

Liger, rivier in Gallia, thans de Loire.

Ligii, Lugii, Lygii, een groote germaansche volksstam tusschen den bovenloop van Viadus (Oder) en Vistula (Weichsel). Uit hen zijn later de Vandalen en Burgundi voortgekomen.

Ligula, een soort eierlepel, grooter dan de cochlear (z. a.); ook als maat het 1/4 deel van een cyathus.

Liguria, Ligystike, het land in Boven-Italië, tusschen den sinus Ligusticus (golf v. Genua) en den Padus (Po). De inwoners, Ligures, Ligyes, waren een krijgshaftig volk; het land was boschrijk en in het Z. doorsneden door den Apenninus. Van omstreeks 240 tot op den tijd van Augustus poogden de Rom. het land te onderwerpen; eerst in 14 werd Liguria tot provincie gemaakt. De Liguriërs waren sterk gebruind.

Lilaea, Lilaia, oude stad in het N.W. van Phocis, nabij de bronnen van den Cephisus.

Lilybaeum, Lilybaion, westelijke kaap van Sicilia, met eene gelijknamige, uiterst sterke stad, in 390 door de Carthagers onder Himilco gesticht, die de inwoners van het nabijgelegen Motye hierheen overbracht, en de stad met een sterke bezetting voorzag. De Romeinen stieten in 250 voor Lilybaeum het hoofd. Onder de rom. heerschappij bleef Lilybaeum de zetel van een der beide quaestoren. De andere hield te Syracusae verblijf. Thans Marsala.

Limes imperii, in het algemeen de grens van het rom. rijk, meer in het bijzonder de Limes Germaniae Superioris en de Limes Raetiae. Deze grensversterking, die door de Flavische keizers begonnen en door latere keizers afgewerkt is, begint bij Rheinbrohl, loopt zuidoostelijk naar den Taunus, buigt dan noordelijk om, zoodat Friedberg en Wetterau ingesloten worden, en bereikt dan naar het Zuiden ombuigend, de Main bij Gross-Krotzenburg, die dan tot Miltenberg de grens vormt; dan loopt de limes in een rechte lijn bijna zuidelijk tot Lorch. Tot zoover reikt de limes Germaniae Superioris. Hier sluit zich bijna onder een rechten hoek de limes Raetiae aan, die in een boog ten Noorden van de Donau zich naar het Oosten richt, en boven Regensburg bij de Donau eindigt. Men heeft in de laatste jaren tal van castella opgegraven, waarvan het voornaamste, de Saalburg benoorden Homburg v. d. H., weer opgebouwd is.

Limnae, Limnai, (= moeras), stad in Messenia, op de grens van Laconia, met een tempel van Artemis Limnatis. Hier greep de aanleiding tot den eersten messenischen oorlog plaats, toen messenische meisjes door spartaansche jongelingen onteerd werden.--Eene wijk in Athene en in Sparta heette ook Limnae.--Ook een ionische stad op de W. kust van de thracische Chersonesus.

Limnaea, Limnaia, welvarend vlek in het N. van Acarnania, met eene haven aan de Ambracische golf.

Limone = Elone.

Limonum, stad der Pictones in Gallia, thans Poitiers.

Limus, een schort met schuine strepen, door den offerdienaar gedragen.

Limyra, ta Limyra, stad in het Z.O. van Lycia, aan de rivier Limyrus.

Lindus, Lindos, stad aan de O.-kust van Rhodus. Zie Ialysus.

Lingones, Lingones, aanzienlijk gallisch volk in Gallia op het tegenw. plateau van Langres, aan de bronnen der Mosa (Maas) en van den Matrona (Marne). Steden: Divio (Dijon), dat door sommigen tot het gebied der Sequani gerekend wordt, en Andematunum (Langres).

Linternum = Liternum.

Linus, Linos, een schoon jongeling, wiens vroege dood in zeer oude klaagliederen (linoi) betreurd werd, waarin dikwijls de uitroep ailinos herhaald werd. Te Argos heette hij de zoon van Apollo en Psamathe; hij was door zijne moeder te vondeling gelegd, bij een herder opgevoed, en toen hij opgegroeid was, door honden verscheurd. Psamathe werd, toen de geboorte van haar kind ontdekt was, door haar vader gedood. Om de schimmen der beide dooden te verzoenen, vierden de Argiven jaarlijks omstreeks de hondsdagen het feest arneis of kynophontis, waarbij lammeren geofferd en honden gedood werden, terwijl vrouwen onder het zingen van het Linuslied een optocht hielden. De Thebanen brachten hem jaarlijks een lijkoffer op den Helicon. Bij hen heette hij de zoon van Hermes en de Muze Urania, en was hij een beroemd zanger, die met Apollo een wedstrijd aanging en door hem gedood werd.--V. a. was hij gedood door zijn leerling Heracles (z. a.).

Lipara, Lipara, het grootste der Aeolische, Vulcanische of Liparische eilanden, ten N. van Sicilia, waartoe het in den keizertijd behoorde.

Lipaxus, Lipaxos, kuststad in het macedonische gewest Crossaea.

Lipomartyriou dike, aanklacht tegen iemand, die, in strijd met eene gedane belofte, niet als getuige verschenen is.

Lipsydrium, Leipsydrion, vesting aan den voet van het gebergte Parnes in Attica, ten Z.W. van Decelea, door de Pisistratiden onder leiding van Clisthenes bezet (± 512); zij werden echter door Hippius gedwongen het Attische land te verlaten.

Liquentia, rivier in het noordelijk gedeelte van het gebied der Veneti, die zich in de Adriatische zee stort.

Liris, Leiris, grensrivier tusschen Latium en Campania, die zich met weinig stroom bij Minturnae in zee stort; vandaar bij Horatius taciturnus amnis. In zijn bovenloop stroomt hij langs Sora en Fregellae, waar hij den Tolerus (Trerus) opneemt.

Lissus, Lissos, 1) rivier op Sicilia, een zijtak van den Terias, bij Leontini.--2) rivier in Thracia, die bij Maronea in zee valt.--3) stad aan de zuid-dalmatische kust, in 385 door Dionysius van Syracusae gesticht, met eene onneembare acropolis.

Litae, Litai, godinnen van berouw en gebed. Zij volgen Ate met langzame schreden, om het door deze bedreven kwaad weder goed te maken.

Litana silva, bergwoud op den Apenninus in Gallia Cispadana, ten Z.O. van Mutina (Modena). Ligging onzeker. Hier sneuvelde de consul L. Postumius Albinus in 216 tegen de Galliërs.

Literatus servus, een geletterde slaaf, zooals de aanzienlijken als secretaris, voorlezer, bibliothecaris, enz., gebruikten; doch ook gebrandmerkte slaaf, wien wegens ontvluchting of diefstal een F (fugitivus, fur) op het voorhoofd was gebrand.

Liternum, Liternon, ook Linternum, stad op de campaansche kust, ten Zuiden van de rivier de Clanius, naar de stad ook wel Liternus of Linternus genoemd. Tusschen de rivier en de stad lag langs de kust de Literna palus. In 196 werd de stad als rom. kolonie aangelegd op het grondgebied van Capua. Scipio Africanus maior is hier in 183 als balling gestorven en begraven.

Litis aestimatio, taxatie door den iudex van het voorwerp, waarover het geding loopt, voor zoover niet op eene bepaalde som was geprocedeerd. Bij een iudicium publicum komt een dergelijke taxatie ook wel voor. Wanneer b.v. iemand wegens afpersingen veroordeeld was, moest het bedrag daarvan nog getaxeerd worden, om hiernaar de schadevergoeding vast te stellen. Dit geschiedde door dezelfde rechters, die het vonnis hadden geveld.

Litis contestatio, plechtige oproeping van getuigen en vaststelling in hunne tegenwoordigheid van het punt, waarover het geding loopt. Hiermede werden de handelingen in iure besloten. Zie ook formula.

Litis denuntiatio, de door keizer M. Aurelius ingevoerde inleiding van een proces door het indienen eener schriftelijke klacht, ter vervanging der vroegere in ius vocatio.

Liturgia, letourgia, leit., eene uitgave ten bate van het algemeen door een enkel persoon gedragen. Te Athene behoorden tot de gewone (enkyklioi) liturgieën: choregie, gymnasiarchie, enz., tot de buitengewone: de triërarchie, proeisphora en architheorie. Van staatswege werd de persoon aangewezen, die met eene liturgie belast werd, uitgesloten waren archonten, erfdochters, minderjarigen, en zij wier vermogen minder dan 3 talenten bedroeg; ook bestonden er bepalingen om te voorkomen, dat hetzelfde vermogen te dikwijls door eene liturgie gedrukt werd, vgl. Antidosis. De liturgieën waren zeer kostbaar, vooral daar men, tenminste in den goeden tijd, uit mildheid of eerzucht of een streven naar de volksgunst, veel meer deed dan eigenlijk vereischt werd; de choregie kostte soms 5000 drachmen, de kosten van de triërarchie stegen soms tot een talent.

Lituus, de korte van boven spiraalvormig gekromde staf der augurs, die vrij van knoesten moest zijn. Ook de kromhoorn, die als blaasinstrument bij de rom. ruiterij diende.

Lityerses, Lityerses, Phrygiër, zoon van Midas, ontving de vreemdelingen gastvrij, doch dwong hen later hem bij den oogst te helpen en een wedstrijd in het maaien met hem aan te gaan; den overwonnenen sneed hij het hoofd af. Heracles doodde hem en wierp zijn lijk in de rivier de Maeander.

Liviae (leges) van den volkstribuun M. Livius Drusus, 122, die echter niet tot uitvoering kwamen, daar zij niet ernstig gemeend waren, doch slechts de strekking hadden, den invloed van C. Gracchus te ondermijnen. Zie hieromtrent verder onder Agrariae (leges).

Liviae (leges) van den volkstribuun M. Livius Drusus in 91: 1) lex iudiciaria, dat 1o. de senaat met 300 leden uit den ridderstand zou aangevuld worden, en dat uit dezen verdubbelden senaat de rechters zouden gekozen worden; 2o. er een onderzoek zou ingesteld worden naar die rechters, die zich hadden laten omkoopen.--2) leges agraria et de coloniis deducendis, in denzelfden trant als die van C. Gracchus. Zie verder onder Agrariae (leges).--3) lex frumentaria, waarbij de prijs van het koren verlaagd werd, overigens niet nader bekend.--4) lex nummaria, dat de zilveren munt voor 1/8 met koper zou vermengd worden.--5) lex de civitate, om aan de italiaansche socii het rom. burgerrecht toe te kennen. De laatstgenoemde wet kwam niet in behandeling; de overige werden door den senaat ongeldig verklaard, omdat ze gezamenlijk in stemming waren gebracht, hetgeen verboden was, zie Caecilia Didia (lex).

Livii, oud plebejisch geslacht, waarin de familie Drusus de voornaamste is. 1) M. Livius Denter, consul in 302, en na de lex Ogulnia (300) een der eerste plebejische pontifices.--2) C. Livius Drusus, broeder van no. 3, een uitstekend redenaar, hield, toen hij blind was geworden, zich bezig met het geven van rechtsgeleerde adviezen.--3) M. Livius Drusus, volkstribuun in 122, broeder van no. 2, was een tegenstander van C. Gracchus (zie leges Liviae). In 112 was hij consul en bestreed met goed gevolg de thracische Scordisci.--4) M. Livius Drusus, volkstribuun in 91, zoon van no. 3, was een goed redenaar en een man van edel karakter en onbesproken zeden. Door te groot zelfvertrouwen gedreven, meende hij, door aan alle partijen iets te geven, ze met elkander te kunnen verzoenen. Aan den senaat wilde hij een deel der rechtspraak teruggeven, aan het volk landerijen en uitdeelingen van koren, aan de bondgenooten het rom. burgerrecht verleenen (zie leges Liviae). Vooral dit laatste wetsvoorstel stiet overal op tegenstand (zie vooral Marcii no. 16), en Livius werd in zijn huis door een dweper vermoord.--5) Livia, zuster van no. 4, was bij M. Porcius Cato de moeder van Cato van Utica. Als weduwe hertrouwde zij met Q. Servilius Caepio (Servilii no. 17). Omtrent haar dochter Servilia z. Servilii no. 19.--6) M. Livius Macatus verdedigde in 214 Tarentum tegen Hannibal en hield zich in den burg staande, totdat Q. Fabius Maximus in 209 de stad heroverde.--7) M. Livius Salinator overwon als consul in 219 met zijn ambtgenoot L. Aemilius Paullus de Illyriërs; beiden werden wegens onregelmatigheden bij het verdeelen van den buit (de peculatu) veroordeeld. In 207 was hij andermaal consul en versloeg toen met zijn ambtgenoot C. Claudius Nero bij den Metaurus in Umbria Hannibals broeder Hasdrubal. In 204 was hij censor, wederom met Nero, bij welke gelegenheid de beide mannen, die elkander sedert vele jaren een diepen haat toedroegen, elkander onder de aerarii brachten. Door eene belasting op het zout te leggen, kreeg Livius in zijne censuur den spotnaam van Salinator.--8) Livia Drusilla, dochter van zekeren Appius Claudius Pulcher, die na zijn adoptie door een zekeren Livius M. Livius Drusus Claudianus heette, en die in den slag bij Philippi gesneuveld was, huwde met Tib. Claudius Nero, die haar echter aan Octavianus op diens aandrang afstond (38). Door hare schoonheid en haar verstand wist zij Octavianus geheel aan zich te boeien, zoodat hij de beide zoons, die Livia van haren eersten man had, Tiberius en Drusus, als de zijne aannam. Door Augustus werd zij bij testament met de namen Julia Augusta in de gens Julia opgenomen. Op haar zoon Tiberius had zij minder invloed, hoewel zij door hare maatregelen na Augustus' dood hem de regeering had verschaft. Zij overleed in 22 na C.--9) Over Livilla, dochter van Drusus en Antonia minor, en Livilla, dochter van Germanicus en Agrippina, zie men Iulii op het einde.--10) T. Livius Patavinus, niet met de gens Livia verwant, maar uit eene aanzienlijke familie te Patavium geboren, schreef eene uitvoerige geschiedenis van Rome van de stichting der stad af tot op den dood van Drusus (9), in 142 boeken. Hij werkte hieraan van 27 tot aan zijn dood. Hiervan bestaan nog I-X (tot 293), XXI-XLV (218-167) en nog zeer enkele fragmenten. Er zijn nog inhoudsopgaven (periochae) van bijna alle boeken over. Hij leefde 59-17 na C.--11) Livius Andronicus, een geboren Griek, uit Tarentum, bij de verovering dezer stad door de Rom. gevangen genomen (272) en te Rome als slaaf verkocht. Hij kwam als zoodanig in het huis van een der Livii en nam daarom als vrijgelatene den naam Livius aan. Hij was de eerste tooneeldichter der Romeinen, ± 240. Ook heeft hij de Odyssee in het Latijn overgebracht, in saturnische versmaat. Op enkele fragmenten na is alles verloren.

Lixus, oud-phoenicische nederzetting op de atlantische kust van Mauretanië.

Lochos, eene afdeeling soldaten in het spartaansche leger van onbepaalde sterkte, die echter in den regel omstreeks 100 man geweest zal zijn. In slagorde stond de lochos gewoonlijk acht man diep, op marsch vormde men dikwijls lochoi orthioi met smal front en groote diepte. De hieros lochos der Thebanen bestond uit 300 man. Toen later groote huurlegers gevormd werden, werd de indeeling in lochoi daarbij overgenomen. Aan het hoofd van den lochos stond een lochagos.

Locri Epizephyrii, Lokroi Epizephyrioi, eene oude stad op de kust van Bruttium, bij kaap Zephyrium, door Ozolische Locriërs gesticht. Zelf meenden zij, en men vindt die meening ook bij de dichters, dat zij afstamden uit Naryx of Narycus (z. a.), een klein plaatsje in het gebied der Opuntische Locriërs, en dat de stad gesticht was door de volgelingen van Aiax, den zoon van Oileus, nadat deze in den storm bij kaap Caphereus was omgekomen. Te Locri leefde in de 7de eeuw de beroemde wetgever Zaleucus. De stad bloeide door handel en vertier tot den tweeden punischen oorlog, toen ging zij achteruit en geraakte allengs in verval.

Locris, Lokris. De Locri, Lokroi, misschien van lelegischen stam, waren door de Phocensers, die als eene wig in hun gebied indrongen, in drie deelen versnipperd en geraakten nooit tot macht of aanzien. Aan de Euboeïsche golf woonden de Locri Opuntii, aldus genaamd naar de stad Opus (gen. -ntis) en de Locri Epicnemidii, naar den berg Cnemis. Deze twee vormden echter één staat, met Opus tot hoofdstad, en werden gezamenlijk ook wel de oostelijke Locriërs (eoioi) of hoi pros Euboian Lokroi genoemd. Aan de Corinthische golf woonden de Locri Ozolae, of westelijke (hesperioi) Locriërs, die meer dan de anderen een roofzieken aard behouden hadden. Tot hun gebied behoorden de steden Amphissa, bekend in den laatsten heiligen oorlog, en Naupactus (Lepanto), vanwaar de Doriërs naar de Peloponnesus waren overgestoken.

Locusta, beruchte giftmengster, die het vergif bereidde, waaraan keizer Claudius en Britannicus stierven. Onder Galba werd zij ter dood gebracht.

Logeion, het tooneel in engeren zin = proskenion.

Logistai, een collegie van 30, later 10 beambten, vroeger bij stemming verkozen, later door het lot aangewezen, die met de euthynoi de rekening en verantwoording der afgetreden overheidspersonen nazagen. Zie Euthynai.

Logographos, in het algemeen een prozaschrijver, meer in het bizonder een schrijver van geschiedenis of van redevoeringen. Vooral geeft men dien naam aan attische redenaars, die voor anderen pleidooien schreven; verder aan de oudste geschiedschrijvers, die het eerst sagen en mythen, welke tot hun tijd alleen in den mond van het volk geleefd hebben, in eenvoudig proza te boek stelden, en dus den eersten stap deden op het gebied der historiographie. De voornaamste zijn: Hecataeus, Acusilaus, Charon, Xanthus, Pherecydes, Hellanicus, Damastes.

Lollii, plebejisch geslacht uit Samnium. 1) M. Lollius Paullinus, consul in 21, werd in 16 door de germaansche volkeren aan den Rijn verslagen. Augustus vertrouwde hem zijn kleinzoon Gaius Caesar toe, toen deze in het jaar 1 naar het O. ging. Hij was een vriend van Horatius, die aan hem Carm. IV. 9 en aan zijne zoons Epist. I. 2 en 18 richtte.--2) Zijne kleindochter Lollia Paullina werd de echtgenoote van keizer Caligula, die haar echter weder verstiet. Later werd zij vermoord door toedoen van Agrippina (49 n. C.).--3) Q. Lollius Urbicus, legaat van keizer Antoninus Pius in Britannia, z. a.

Londinium, thans Londen, reeds in het rom. tijdperk eene aanzienlijke koopstad der Trinobantes.

Longinus, familienaam in de gens Cassia (Cassii no. 2-12).

Longinus, Longinos, Cassius L., geb. te Athene in het begin der 3de eeuw na C., verwierf groot aanzien als letterkundige en wijsgeer en gaf te Athene onderwijs in die vakken. Hij reisde veel, en leerde op een van zijne reizen koningin Zenobia kennen, die hem tot raadsman nam en zich op zijn aandrijven tegen de Rom. verzette; toen dus Zenobia overwonnen was, werd L. op last van Aurelianus ter dood gebracht (272). Van zijne talrijke werken is alleen eene verhandeling peri hypsous bewaard gebleven, en ook deze dateert naar veler meening uit een veel vroegeren tijd.

Longobardi, een dappere germaansche stam aan den linkeroever van de Beneden-Elbe; de naam is nog over in Bardewik bij Lüneburg. Tijdens de volksverhuizing trekt een groot gedeelte van het volk zuidoostelijk naar Donau en Theiss. In 568 n. Chr. vallen ze onder hun koning Alboin Italië binnen, en stichten daar het Longobardische rijk. Naar hen heet een gedeelte van Noord-Italië Lombardije.

Longula, albaansche gemeente, onderhoorig aan Antium, vroeg door de Romeinen verwoest.

Longus, Longos, waarschijnlijk einde van de 2de eeuw n. C., schrijver van een herdersroman (Poimenika ta kata Daphnin kai Chloen), die als de beste der oude romans geprezen wordt en ook meermalen door nieuwere schrijvers nagevolgd is. Over het leven van den schrijver is niets bekend.

Loretanus (portus) = Lauretanus Sinus.

Lorica, thorax, harnas, onverschillig of het slechts uit eene borstplaat bestond, of wel ook den rug bedekte. De harnassen waren dikwijls van lederen riemen vervaardigd, dikwijls ook van strooken metaal, die door middel van scharnieren over elkander konden schuiven. Wie het echter betalen kon, nam liefst een schubbenpantser (lorica squamata). Ook de borstweringen op muren heeten loricae.

Lorium, dorp aan de via Aurelia in Etruria, tusschen Rome en Alsium, sterfplaats van Antoninus Pius, die er ook was groot gebracht.

Loryma, ta Loryma, haven op de Zuidkust van Caria, tegenover Rhodus.

Lotis, nimf, die door Priapus met zijne liefde vervolgd werd; toen zij hem niet meer ontvluchten konde, veranderden de goden haar op hare bede in een lotus.

Lotophagi, Lotophagoi, volksstam in Africa aan de kleine Syrte, een goedaardig volk, dat van den lotusboom leefde. Door hun gebied liep een karavaanweg. Naar hen wordt het eiland Meninx in de kleine Syrte ook Lotophagitis genoemd.

Loxias, Loxias, bijnaam van Apollo, naar de duistere taal, waarin zijne orakels gegeven werden.

Lua, Lua Mater, dochter of vrouw van Saturnus, eene godin te wier eere de Romeinen na den slag buitgemaakte wapenen verbrandden, een offer dat strekte tot verzoening van het vergoten bloed. Het is waarschijnlijk een godheid, die een ongunstigen invloed uitoefent op het gezaaide.

Luca, Louka, thans Lucca, stad aan de grenzen van Liguria en Etruria, sedert 177 rom. kolonie.

Lucania, Leukania, gewest van Zuid-Italia ten Z. van Samnium en Apulia, ten N. van het land der Bruttii. Het bracht veel rundvee voort van de zwaarste en grootste soort, zoodat de Rom. in het eerst aan de olifanten, die Pyrrhus medebracht, den naam van lucanische ossen gaven. De Lucaniërs, die de oude Oenotriërs verdrongen hadden, waren van samnietischen stam. Zie Graecia magna. De kust was bezet met grieksche volkplantingen. Na den tarentijnschen oorlog kwam Lucania onder rom. heerschappij. Sedert den tweeden punischen oorlog is het land vervallen. Later is het nog meer ontvolkt door den slavenoorlog van 73-71.

Lucanus, familienaam in de gens Annaea.

Lucceii, plebejisch geslacht. 1) L. Lucceius geschiedschrijver van den bondgenooten-oorlog en den eersten burgeroorlog, bevriend met Cicero. Hij dong in 61 vergeefs naar het consulaat.--2) C. Lucceius Hirrus, z. Lucilii no. 4.--3) Q. Lucceius, geldwisselaar te Rhegium, getuige in het proces tegen Verres.--4) Lucceius Albinus, onder Nero procurator van Judaea (62-65 n. C.), vervolgens om zijne afpersingen overgeplaatst naar Mauretania, later onder Vitellius ter dood gebracht.

Luceres of Lucerenses, een van de drie oude stamtribus van den rom. staat. Zie Tities.

Luceria, Loukeria, of Nuceria, stad op de apulisch-samnietische grenzen, sedert 321 bondgenoot van Rome, herhaaldelijk door de Samnieten ingenomen en door de Romeinen heroverd, doch in 314 of 315 herbouwd en rom. kolonie.

Lucetius, bijnaam van Jupiter als god van het daglicht.

Lucianus, Loukianos, van Samosata, werd geboren omstreeks 125 n. C. Hij was een zoon van arme ouders en leerde aanvankelijk een handwerk, maar spoedig wijdde hij zich aan de studie der welsprekendheid, trad toen als pleitbezorger op, en reisde door Kl. Azië, Griekenland, Italië en Gallië, waar hij veel roem en geld verwierf door zijne voordrachten, waarvan verscheidene bewaard gebleven zijn. Eindelijk vestigde hij zich te Athene, waar hij zich ijverig bezig hield met de studie der wijsbegeerte, en een aantal werken schreef, die in den vorm van samenspraken in zuivere, eenvoudige taal en beschaafden stijl een duidelijk beeld geven van het leven van zijn veelbewogen tijd in al zijne uitingen. Met geestigen spot en satire hekelt de schrijver het verval der redekunst en literatuur, de ontaarding van beschaving en zeden, het volksgeloof en den ouden eeredienst, maar vooral het van overal indringende bijgeloof, en hen die daarin een middel vinden om de menigte te bedriegen, de gemaaktheid en het vertoon der stoicijnen en cynici--hoewel hij met Demonax bevriend was--terwijl hij daarentegen, hoewel hij persoonlijk tot de leer van Epicurus overhelt, met eerbied spreekt over de oude wijsgeeren van elke richting. Het laatste deel van zijn leven bracht bij in Aegypte door, waar hij een rechterlijk ambt bekleedde.

Lucifer, 1) = Hesperus en Phosphorus.--2) = Daduchus.

Lucifera, 1) bijnaam van eenige godinnen van het licht: Diana, Aurora, e. a.--2) vrouw van den Daduchus.

Lucilii, plebejisch geslacht. 1) C. Lucilius uit Suessa Aurunca, in het Z. van Latium (180-102), een vertrouwd vriend van Scipio Africanus minor en van C. Laelius. Hij was de eerste rom. hekeldichter, voorganger van Horatius, en hekelde zonder aanzien des persoons de gebreken van zijn tijd. Hoewel zijn versbouw stroef was, werd hij toch met graagte gelezen. Er zijn nog fragmenten van zijn werken over.--2) Lucilius Iunior, stoicijn, vriend van Seneca Philosophus, aan wien S. (Annaei no. 2) zijne Epistulae schreef en meerdere werken opdroeg, beoefende met ijver de wetenschappen en de dichtkunst. Hij is waarschijnlijk de schrijver van Aetna, een didactisch gedicht in hexameters.--3) Q. Lucilius Balbus, ook een aanhanger der stoische wijsbegeerte, door Cicero sprekend ingevoerd in zijn geschrift de natura deorum.--4) C. Lucilius Hirrus, ook wel, maar verkeerd C. Lucceius Hirrus genoemd, volkstribuun in 53, wierf in den burgeroorlog troepen voor Pompeius en werd door dezen naar den parthischen koning Orodes gezonden om diens hulp te winnen, maar werd door hem een tijdlang gevangen gehouden. Na Pompeius' dood werd L. door Caesar begenadigd, maar bij de vogelvrijverklaringen van 43 vluchtte hij naar S. Pompeius.

Lucina, bijnaam van Juno en Diana als godinnen, die bij de geboorte behulpzaam zijn.

Lucretii, oorspronkelijk patricisch geslacht, doch later met plebejische takken.--1) Sp. Lucretius Tricipitinus was senator en praefectus urbi onder Tarquinius Superbus. In 509 werd hij na het sneuvelen van Brutus in diens plaats consul, doch stierf kort daarop.--2) Lucretia, dochter van no. 1 en echtgenoote van L. Tarquinius Collatinus, eene vrouw van buitengewone schoonheid, werd door S. Tarquinius in hare woning overvallen en met geweld onteerd. Na het gebeurde aan haren man en aan haar vader te hebben medegedeeld, doorstak zij zich met een dolk. Het gevolg was de verdrijving der koninklijke familie. Het verhaal is dichterlijk en misschien gedeeltelijk aan een Romeinsche praetexta ontleend.--3) Bij Livius komen onder de hooge ambtenaren in de eerste twee eeuwen der republiek verschillende Lucretii Tricipitini voor, ook een C. Lucretius Gallus als rom. vlootvoogd tegen Perseus (171). Later werd hij, wegens afpersingen in grieksche steden, tot een groote geldboete veroordeeld.--4) Q. Lucretius Ofella had eerst tot de partij van Marius behoord, maar sloot zich bij Sulla's komst in Italia bij hem aan, en belegerde in den burgeroorlog in 82 den jongen Marius in Praeneste. Later liet Sulla hem op het forum vermoorden, omdat hij consul wilde worden zonder nog daartoe bevoegd te wezen.--5) Q. Lucretius, aanhanger van Pompeius, bracht zichzelf om, daar hij bij de inneming van Sulmo (49) niet in Caesars handen wilde vallen.--6) Q. Lucretius Vespillo, tijdgenoot van Sulla, redenaar en rechtsgeleerde.--7) Q. Lucretius Vespillo, werd in 43 op de proscriptielijst gezet, maar ontkwam, doordat zijne vrouw hem in zijn eigen huis verborgen hield; later werd door bemiddeling zijner vrienden zijn naam van de lijst geschrapt; in 19 werd hij door Augustus tot consul benoemd.--8) T. Lucretius Carus (98-55), schrijver van een rom. leerdicht de rerum natura in 6 boeken, waarin de leer van Epicurus ontwikkeld en verdedigd wordt. Met groote kunst heeft hij dit onderwerp op dichterlijke wijze weten te behandelen en door fraaie tafereelen en schilderingen afgewisseld.

Lucretilis, schilderachtige berg in het sabijnsche land, op de grenzen van Latium en niet ver van het buitenverblijf van Horatius.

Lucrinus (lacus), Lokrinos kolpos, N.W. inham der golf van Cumae op de kust van Campania, door afdamming in een meer herschapen. Het was beroemd om zijne heerlijke oesters. Augustus liet eene verbinding van het Avernische met het Lucrinische meer tot stand brengen, en in den dam eene doorvaart maken. Thans is er van den dam niets meer te vinden. Daar de naam Lucrinus aan lucrum (winst) deed denken, begonnen de censoren te Rome de publieke verpachting der staatsdomeinen met dien der oesterbanken in het genoemde meer. Voor de badgasten te Baiae leverde het meer een groot genot op.

Lucullus, familienaam in de gens Licinia (Licinii no. 21-26).

Lucumo, vorstentitel in de 12 etruscische bondsteden, etruscisch Lauchme.

Lucus, een heilig woud, doch ook een dikwijls voorkomende naam van steden, evenals bij ons verschillende plaatsnamen op -bosch uitgaan. 1) Lucus Asturum in Tarraconensis, heel in het N. van Asturia, ten N. van Ovetum, het tegenw. Oviedo.--2) Lucus Augusti, in Callaecia, thans Lugo.--3) Lucus Augusti, stad der Vocontii, ten O. van den Rhodanus (Rhône), in Gallia Narbonensis.--4) Lucus Angitiae, aan den Fucinus Lacus, tegenw. Luco. Zie Angitia.

Lucusta = Locusta.

Ludi. De oudste spelen der Romeinen stonden onder leiding van priesters of priesterschappen, zóó de Consualia (z. a.) en de Equirria (z. a.); ook de ludus Troiae (z. a.) behoort hiertoe; ze hangen samen met oude godsdienstige gebruiken. Van geheel anderen aard zijn de door magistraten gegeven veel belangrijker ludi votivi, zoo genoemd, omdat de senaat zich voor het geval van den gunstigen afloop van een oorlog door een gelofte (votum) tot het geven daarvan verplicht had. Zij vormden oorspronkelijk een onderdeel van den triumphus, hetgeen daaruit blijkt, dat ze beginnen met de pompa circensis, een plechtige optocht onder leiding van den consul in triumphaal gewaad, die van het Capitool uitging en eindigde in den circus maximus, waarop dan de wedrennen (z. circus) begonnen. Daar er geregeld oorlogen waren, werden de spelen al spoedig van votivi annui, waarbij het verband met den triumphus verloren ging. Ze werden nu Romani genoemd, terwijl buitengewone volgens gelofte gevierde feesten voortaan magni heeten. Ze begonnen met het epulum Jovis op de Iden van September, dan volgde den 14den Sept. de keuring der paarden (equorum probatio) en van 15-18 Sept. de eigenlijke circusspelen. Sinds 364 werden er tooneelvoorstellingen (ludi scenici) naar Etruscisch voorbeeld aan toegevoegd. Deze vielen op de dagen aan de Iden van September voorafgaande. In den aanvang waren dit pantomimische dansen onder begeleiding van fluitspel; het eerste tooneelstuk, een werk van Livius Andronicus werd in 240 opgevoerd. Eerst in 55 werd het eerste steenen theater door Pompeius gebouwd. Vóór dien tijd werd telkens een houten scena met oploopende zitbanken (spectacula, cavea) opgeslagen. De ludi Romani stonden onder de opperleiding van den consul, maar reeds sinds 366 hadden de aediles curules (z. aediles) de geheele regeling in handen.

Wanneer de ludi plebei het eerst zijn gehouden, weet men niet; v. s. dateeren ze uit den oudsten tijd der republiek. Tot geregelde spelen zijn ze waarschijnlijk geworden in 220, na de stichting van den circus Flaminius, waar de wedrennen, er mede verbonden, plaats hadden. Ook hieraan werden spoedig ludi scenici toegevoegd. Ze vallen in de maand November. Voorzitters zijn de aediles plebis. Verder vindt men ludi Cereales in April, ter eere van Ceres, Liber en Libera, v. s. ontstaan tegelijk met de wijding van den Cerestempel in 493, sinds 202 jaarlijks gevierd; slechts één dag was gewijd aan circusspelen, de andere dagen hadden ludi scenici plaats. Ze staan onder leiding van de aediles plebis. Evenzoo is de regeling bij de ludi Apollinares, ingesteld in 212, die onder leiding staan van den praetor urbanus. De ludi Megalenses (z. Megalesia), als jaarlijksche feesten ingesteld in 191, en de l. Florales, sinds 173, zijn in hoofdzaak l. scenici. Al deze spelen werden uit naam en op kosten van den staat gegeven.

De ambtenaren voegden uit eigen middelen aanzienlijke sommen hierbij, om zoodoende de volksgunst te winnen.

Behalve deze spelen vindt men in later tijd nog spelen ingesteld ter herinnering aan overwinningen, zooals de ludi victoriae Sullanae (ingesteld in 82) en de l. victoriae Caesaris (ing. in 46); dit zijn uitsluitend l. circenses.

In tegenstelling met de ludi staan de munera gladiatoria (z. gladiatores). Ze gaan oorspronkelijk uit van particulieren, gewoonlijk ter vervulling van een plicht van eerbied (munus) jegens een afgestorvene bij diens begrafenis. Zij zijn uit Etrurië ingevoerd en voor het eerst op het forum gegeven in 264. Eerst in 105 hebben de consuls P. Rutilius Rufus (Rutilii no. 2) en C. Mallius Maximus ze als buitengewone ludi van staatswege gegeven. Hetzelfde geldt van de venationes bestiarum (z. venatio) die voor het eerst in 186 voorkomen.

Ludi instaurativi. Dikwijls gebeurde het dat de spelen die van staatswege gegeven werden, wegens een fout in den vorm of een storing gestaakt werden, en dan opnieuw moesten gegeven worden. Deze instauratio is echter alleen van toepassing op de ludi Romani en de l. plebei.

Ludus Troiae, een soort van wapendans te paard, die te Rome in overoude tijden op 19 Maart (Quinquatrus) en 19 October (Armilustrium) door knapen van aanzienlijken stand onder leiding der tribuni celerum (z. a.) werd uitgevoerd. Vroeg in vergetelheid geraakt, werd het spel waarschijnlijk in den tijd van Sulla opnieuw ingesteld, en sedert wordt er nu en dan melding van gemaakt, vooral in den vroegen keizertijd. Vergilius (Aen. V 545-603) laat op bevel van Aeneas Ascanius met andere Trojaansche knapen op Sicilië dit spel als een soort carousselrijden opvoeren ter eere van zijn gestorven grootvader Anchises: "Troiaque nunc, pueri Troianum dicitur agmen" (v. 602).

Met Troje had het spel echter oorspronkelijk niets te maken.

Lugdunum, 1) zeer belangrijke stad van Gallia, aan de vereeniging van den Arar (Saône) met den Rhodanus (Rhône), sedert 43 rom. kol. en als zoodanig later Copia Claudia Augusta geheeten, thans Lyon. Onder de keizers was L. beroemd als residentie- en akademiestad; het had prachtige gebouwen, o. a. het paleis, waarin keizer Claudius geboren werd (10), eene grootsche waterleiding, enz. Bij de nieuwe indeeling van Gallia door Augustus werd Lugdunum hoofdst. van het uitgestrekte Gallia Lugdunensis. Hier had men ook sedert 12 de ara Romae et Augusti, waar vertegenwoordigers der 64 civitates van de 3 Galliae (Aquitania, Lugdunensis, Belgica) jaarlijks voor offers en feesten bijeenkwamen.--2) Lugdunum Convenarum, in Aquitania, hoofdst. der Convenae.--3) Lugdunum Batavorum, welke naam nu eenmaal als latijnsche naam voor Leiden in zwang is gekomen, hoewel het waarschijnlijk v. s. meer westelijk v. a. zuidwestelijk, in de duinen bij den Haag, lag.

Lugii = Ligii.

Luna, noordelijkste stad van Etruria met eene prachtige haven (thans de golf van Spezzia), sedert 177 rom. kolonie. In den omtrek waren beroemde marmergroeven, Lunense marmor, het tegenw. cararisch marmer.

Luna silva, in Germania, het zuidelijke gedeelte van het tegenw. Moravische gebergte, ten N. van Vindobona (Weenen).

Lupercal, de wolfsgrot, eene grot aan de N.W. helling van den Palatinus, aan Faunus gewijd.

Lupercalia, reinigings- en verzoeningsfeest ter eere van Faunus den 15den Februari gevierd. Het feest begon met het offeren van bokken in het Lupercal, een grot aan den voet van den Palatijnschen berg; bij dit offer raakte men twee jongelingen met het bebloede offermes op het voorhoofd aan, waarop een ander onmiddellijk het bloed met in melk gedoopte wol afwischte. Na het offermaal liepen de Luperci, alleen met de huiden der geofferde bokken bekleed, door de geheele stad, en sloegen ieder, die hen ontmoette, met riemen, die uit die huiden gesneden waren; deze riemen heetten februa; gehuwde vrouwen plaatsten zich gaarne op hun weg om zulk een slag te krijgen, in de hoop daardoor haar huwelijk met kinderen gezegend te zien. Om de uitgelatenheid, die hierbij heerschte, eenigszins tegen te gaan, bepaalde Augustus, dat baardelooze jongelingen niet aan den tocht door de stad mochten deelnemen.--De Luperc. werden tot het einde der 5de eeuw gevierd.

Luperci, priesters van Faunus. Zij waren verdeeld in twee collegia van 12 leden, de L. Fabiani en de L. Quintiliani of Quinctiales, waaraan sedert 45 ter eere van Caesar nog de L. Iulii werden toegevoegd.

Lupiae, Loupiai, stad van Calabria, tusschen Brundisium en Hydruntum (Otranto).

Luppia, thans de Lippe, die bij het tegenw. Wesel in den Rijn valt.

Lurius Agrippa (M.) werd door Octavianus tot praefectus van Sardinia aangesteld, doch door Menas (Menodorus), legaat van S. Pompeius, verjaagd (40). Bij Actium kommandeerde hij den rechtervleugel van de vloot van Octavianus.

Luscius Lavinius of Lanuvinus, blijspeldichter, tijdgenoot van Terentius (± 175) en meermalen diens mededinger.

Lusitania, Lousitania, ongeveer het tegenw. koninkrijk Portugal. Hier hield de Lusitaniër Viriathus 10 jaar lang (150-140) een hardnekkigen kamp tegen de Romeinen vol. Na zijn dood werd Lusitania onderworpen (138); zie verder Hispania.

Lustratio, in het algemeen eene zuivering of reiniging, katharmos. Sommige handelingen vorderden, dat men zich, al was het dan ook slechts door besprenkeling, reinigde, b. v. wie in een sterfhuis was geweest, besprenkelde zich bij het heengaan met water uit een vat, dat tot dit doel aan de deur was geplaatst. Soms werden geheele steden, volken, enz., gezuiverd, zooals het geval was, toen Athene na den moord van Cylon en de daarop gevolgde pest door Epimenides van bloedschuld gereinigd werd. Dat bij zulk eene lustratio van zware schuld ook dieren geofferd werden, spreekt van zelf. Vóór de tempels der goden stond ook een vat met wijwater, aqua lustralis. Men besprenkelde zich niet met de handen, maar met een olijf-, laurier-, myrten- of rosmarijntak, dien men in het water doopte.--Eene lustratio liberorum had kort na de geboorte plaats, bij de meisjes op den achtsten, bij de jongens op den negenden dag. Deze handeling, waarmede wij onzen doop eenigszins kunnen vergelijken, gold ook als beveiligingsmiddel tegen betoovering. De dag, waarop zij plaats had, heette dies lustricus. Bij de Romeinen werden ook vloten door offers voor het uitzeilen gereinigd; ook komen reinigingen van legers voor. Bij zware ziekten wendde men ook wel berookingen aan.

Lustrum, in het bijzonder het reinigingsoffer voor het rom. volk, dat telkens na afloop der volkstelling werd gehouden. Hierbij werden een zwijn, een schaap en een stier geofferd en het bloed in een groot bekken opgevangen. Dit offer droeg den naam van suovetaurilia. De censor die de plechtigheid bestuurde, bad daarbij, ut dii immortales res populi Romani meliores amplioresque facerent. De geijkte uitdrukking voor het houden van het lustrum is lustrum condere. Daar de census elke vijf jaar behoorde gehouden te worden, heeft lustrum, de beteekenis van vijfjarig tijdperk gekregen.

Lutatii, plebejisch geslacht. 1) C. Lutatius Catulus, consul 242, versloeg in het begin van 241 de carthaagsche vloot bij de Aegatische eil., en noodzaakte de Carthagers, om vrede te vragen.--2) Q. Lutatius Cerco, broeder van no. 1, nam als consul in 241 Falerii in, en was censor in 236, toen hij stierf. Hij genoot den roem van groote rechtschapenheid.--3) C. Lutatius Catulus, consul 220, werd door de Galliërs in Cisalpina in 219 met C. Servilius (Servilii no. 10) krijgsgevangen gemaakt en 16 jaar in gevangenschap gehouden.--4) Q. Lutatius Catulus, consul 102, versloeg als proconsul met C. Marius in 101 de Cimbren in Gallia Cisalpina. In den burgeroorlog werd hij als aanhanger der optimatenpartij door Marius, die hem haatte, vogelvrij verklaard, waarop hij zich door kolendamp liet stikken (87). Hij bezat in hooge mate de gave der welsprekendheid en daarbij een zeer fraaie stem. Hij schreef memoires, die verloren gegaan zijn.--5) Q. Lutatius Catulus, zoon van no. 4, gold na Sulla's dood als hoofd der aristocratische partij te Rome; hij was echter zeer gematigd en boezemde door zijn rechtschapen en edel karakter vriend en vijand eerbied in. Hij was consul in het jaar van Sulla's dood (78), (z. Plautia of Plotia (lex) de vi), en bedwong toen, met Pompeius vereenigd, den oproerigen consul Lepidus. Later bestreed hij de lex Manilia de imperio Cn. Pompei (66). Aan hem was het toezicht op den bouw van den nieuwen tempel voor Jupiter Capitolinus opgedragen, en aan de wijding daarvan in 69 ontleent hij den bijnaam van Capitolinus. Ook heeft hij het Tabularium gebouwd. Hij was de laatste princeps senatus tijdens de republiek. Hij overleed in 60.

Lutetia (Parisiorum), Loukotokia, -tekia, Louketia, hoofdstad der Parisii, thans Parijs, op een eiland in de Sequana (Seine), eene belangrijke handelsstad. Later residentie van verschillende keizers, o. a. van Iulianus, die hier een paleis liet bouwen.

Lutorius Priscus, rom. ridder, die een lijkzang op Germanicus had gedicht. Bij eene ziekte van Tiberius' zoon Drusus, had hij bij voorbaat ook een lijkzang op dezen vervaardigd, waarvoor hij door den senaat ter dood werd veroordeeld (21 n. C.).

Lyaeus, Lyaios, bevrijder (van zorgen), bijnaam van Dionysus; latex Lyaeus = wijn.

Lybas, Lybas, de schim van Polites, no. 1 of 2, die als plaaggeest de omstreken van Temesa door gruweldaden onveilig maakte, totdat hij door Euthynus verdreven werd.

Lycabettus, Lykabettos, een rotsheuvel dicht bij de muren van Athene, ten N.O. van de stad, links van den weg naar Marathon.

Lycaea, Lykaia, vlek in Arcadia, waarvan de inwoners door Epaminondas werden genoodzaakt, Megalopolis te helpen bevolken. Nabij het plaatsje lag de mons Lycaeus, Lykaion oros.

Lycaeus, Lykaios, bijnaam van Zeus en Pan, naar den hun gewijden berg Lycaeus.

Lycambes, Lykambes, z. Archilochus.

Lycaon, Lykaon, 1) zoon van Pelasgus en Meliboea of Cyllene, koning van Arcadië. Hij en zijne 50 zonen waren berucht wegens hun snoodheid en overmoed. Toen Zeus de aarde bezocht om zich van de boosheid der menschen te overtuigen, noodigden zij hem aan hunne tafel en zetten hem de ingewanden van een knaap voor, dien zij geslacht hadden. Zeus wierp echter de tafel omver en doodde L. met al zijne zonen door den bliksem of veranderde hen in wolven, alleen de jongste, Nyctimus, werd door Gaea gered, vgl. Arcas.--V. s. was het deze gruweldaad, die Zeus bewoog tot het zenden van den grooten vloed van Deucalion.--2) soms = Arcas, kleinzoon van den vorigen.--3) zoon van Priamus en Laothoë, door Achilles gedood.--4) koning van Lycië, vader van Pandarus.

Lycaonia, Lykaonia, landschap in het binnenland van Asia minor, een bijna boomloos gewest, doch door zijn weidegrond geschikt voor schapenteelt. In het N.O. lag het groote zoutmeer Tatta. De inwoners waren ervaren boogschutters. Z. Galatia aan het slot.

Lycaonis, Lykaonis, Lycaonia Arctus, Callisto, dochter van Lycaon.

Lyceum, Lykeion, oudste gymnasium van Athene, even buiten de muren ten O. der stad en nabij den Ilisus, met fraaie wandelingen, waar Aristoteles al wandelende zijne (peripatetische) lessen gaf. Het Lyceum droeg zijn naam naar den nabijgelegen tempel van Apollo Lyceus. Het werd, evenals de Academia, bij het beleg van Athene door Sulla in 86 verwoest.

Lyceus, Lykeios, bijnaam van Apollo, als den god, die de wolven van het vee afhoudt, of als lichtgod; v. s. = Lycius.

Lychnidus, Lychnidos, Lychnis, stad in Illyris barbara nabij de macedonische grenzen, hoofdstad der Dassaretae, aan de via Egnatia gelegen en aan het meer Lychnitis, Lychnitis (meer van Ochrida).

Lycia, Lykia, vruchtbaar landschap op de Zuidkust van Asia minor, waarvan de bewoners bij Homerus als bondgenooten der Trojanen voorkomen. Als bewoners komen nog voor: de Milyers, wier naam nog in het N.O. deel, Milyas, is blijven voortleven, en de Solymers, aan den berg Climax (z. a.) of Solyma (= trap), die als vijanden der Lyciërs voorkomen. De eigenlijke Lyciërs, Lykioi, die in het dal van den Xanthus wonen, noemden zich oudtijds Termilers, Termilai, Termiles. Zij zijn van indo-germaanschen stam, met een eigenaardige beschaving. Beroemd zijn de lycische rotsgraven. De grieksche taal is er vroeg doorgedrongen. Lycia wist zijne vrijheid tegen de Lydiërs te verdedigen, doch moest voor de Perzen bukken. Later maakte het deel uit van het attische zeeverbond. Het was toen eene republiek, uit 23 bondsgemeenten bestaande (Lykion to koinon of to koinon Lykion ethnos). De zetel van het bestuur was Xanthus, aan de gelijknamige rivier. Deze staatsvorm bleef, ook onder macedonische en syrische opperheerschappij bestaan tot in 188, toen de Rom. het gewest aan Rhodus wegschonken. In 167 werd Lycia weder vrij verklaard (z. Rhodus); in 43 na C. werd het met Pamphylia tot ééne romeinsche provincie gemaakt, waarvan Myra de hoofdstad werd. In Lycia behoort het monster Chimaera te huis, welke mythe ontleend is aan den vulkaan Chimaera aan de Oostkust.

Lycides, Lykides, Athener, die voor den slag bij Plataeae tot vrede met de Perzen aanried, en daarom met vrouw en kinderen gesteenigd werd.

Lycis, -cus, Lykis, -kos, atheensch blijspeldichter, tijdgenoot van Aristophanes.

Lycius, Lykios, bijnaam van Apollo, naar zijn orakel te Patara in Lycië (Lyciae sortes).

Lycius, Lykios, Athener, zoon van Myron no. 2, beeldhouwer en bronsgieter uit ± 440.

Lycoleon, Lykoleon, atheensch redenaar, leerling van Isocrates.

Lycomedes, Lykomedes, 1) koning der Dolopers op Scyrus, aan wiens hof Achilles (z.a.) voor den trojaanschen oorlog eenigen tijd leefde. Hij doodde Theseus door hem verraderlijk van een rots in zee te werpen, daarom werd zijn eiland later door de Atheners verwoest.--2) Athener, die in den slag bij Artemisium het eerste perzische schip veroverde.--3) van Mantinea, een rijk, ondernemend en vaderlandslievend man, die na den slag bij Leuctra de vereeniging der Arcadiërs en de stichting van Megalopolis bewerkte. Om Arcadië evenzeer van thebaanschen als van spartaanschen invloed vrij te houden, trachtte hij een bondgenootschap met Athene tot stand te brengen, maar van een reis daarheen terugkeerend, werd hij door arcadische ballingen gedood (366).

Lycomidae, Lykomidai, -medai, z. Lycus no. 4.

Lycon, Lykon, 1) zoon van Hippocoön, door Heracles gedood.--2) Trojaan, door Peneleüs gedood.--3) Athener, een van de aanklagers van Socrates.--4) Achaeër, die in het leger van Cyrus den jongeren diende; op den terugtocht spoorde hij zijne landgenooten tot verzet tegen Xenophon aan, en veroorzaakte hij verdeeldheid in het leger der Grieken.--5) van Troas, leerling van Strato en gedurende 43 jaar (269-226) hoofd der peripatetische school. Om zijne welsprekendheid werd hij Glykon, dulciloquus, genoemd, en stond hij in hooge gunst hij Antigonus, Attalus en Eumenes. Zijne philosophische werken zijn verloren gegaan.

Lycophron, Lykophron, 1) van Cythera, vriend van Aias no. 2, door Hector gedood.--2) zoon van Periander. Hij was bij zijn grootvader Procles opgevoed, en van dezen vernam hij, toen hij naar zijn vaderland zou terugkeeren, dat zijne moeder door Periander vermoord was. Te huis gekomen, gaf hij aan zijn toorn hierover in bittere woorden lucht, zoodat zijn vader hem uit zijn huis joeg, en later, toen hij alle pogingen tot verzoening afsloeg, naar Corcyra liet brengen. Toen Periander echter oud werd, en L. doof bleef voor alle beden om terug te keeren, bood P. hem eindelijk de regeering aan, en beloofde hij zelf op Corcyra te gaan wonen. Dit voorstel nam L. aan, maar voordat het tot uitvoering kwam, werd hij door de Corcyraeërs, die vreesden den dwingeland bij zich te ontvangen, gedood.--3) tyran van Pherae omstreeks het einde van den peloponnesischen oorlog, die onder begunstiging der Lacedaemoniërs naar de heerschappij over geheel Thessalië streefde.--4) zwager en een van de moordenaars van Alexander van Pherae; na diens dood regeerde hij totdat Philippus van Macedonië hem verjoeg.--5) van Chalcis op Euboea, grammaticus en dichter te Alexandrië, waar hij onder Ptolemaeus Philadelphus aan de bibliotheek werkzaam was. Behalve een boek over de comoedie en een aantal treurspelen, schreef hij een nog bewaard gebleven groot iambisch gedicht, Kassandra of Alexandra, waarin hij door deze profetes een groot aantal gebeurtenissen tot den tijd van Alexander d. G. laat voorspellen. Het werk is daardoor voor mythologie en geschiedenis belangrijk, dichterlijke waarde heeft het echter niet, bovendien is het zoo moeilijk te verstaan, dat aan L. deswege, de bijnaam skoteinos gegeven werd.

Lycopolis, 1) Lykon polis, stad aan den Nijl in Thebaïs, waar eens eene aethiopische legerschaar door wolven op de vlucht zou gedreven zijn, thans Syoet, in Opper-Aegypte, ten Z. van Hermopolis magna.--2) Lykou polis, stad in de Delta.

Lycorea, Lykoreia, stad aan den Lycoreus, den naar Delphi toegekeerden top van den Parnassus.

Lycoris, eigenlijk Cytheris geheeten, danseres, minnares van den rom. dichter Cornelius Gallus, later van M. Antonius.

Lycormas, Lykormas, rivier in Aetolia = Euenus.

Lycortas, Lykortas, van Megalopolis, na den dood van Philopoemen (183) strateeg van het achaeisch verbond. Hoe verdienstelijk hij zich ook in deze betrekking maakte, konde hij toch zijn gezag niet handhaven tegen het drijven der partijen, waarvan de val van het verbond het gevolg was.--De geschiedschrijver Polybius was zijn zoon.

Lyctus, Lyktos, eene der oudste steden van Creta, ten Z.O. van Cnossus. Lyctius = cretensisch.

Lycurgus, Lykourgos, 1) zoon van Dryas, koning der thracische Edoniërs, die zich tegen de invoering van den dienst van Dionysus verzette, daarom door Zeus blind gemaakt werd en vroeg stierf.--V. a. werd hij met waanzin gestraft, zoodat hij zijn eigen zoon doodde, en daarna naar een eenzame vlakte werd gebracht, waar hij door paarden verscheurd werd.--2) zoon van Aleüs en Neaera, koning van Arcadië, die Areïthous doodde.--3) zwager van Adrastus, die met de zeven vorsten tegen Thebe optrok. Hij werd na zijn dood door Asclepius in het leven teruggeroepen.--4) zoon van Pheres, koning van Nemea, vader van Opheltes.--5) de beroemde wetgever van Sparta. Hij leefde, naar men aanneemt, in de 9de eeuw, en wordt niet zonder beteekenis de zoon van Eunomus en de vader van Eucosmus genoemd. Hij behoorde tot het geslacht der Procliden en regeerde als voogd over zijn onmondigen neef Charilaus of Leobotas, maar door verschillende partijen verdacht gemaakt, vond hij het raadzaam het land te verlaten. Na 10 jaar op Creta, in Klein-Azië en Aegypte gereisd te hebben, keerde hij naar zijn vaderland terug, waar onder de zwakke regeering van zijn neef de burgertwisten eene gevaarlijke hoogte bereikt hadden. Met goedkeuring van het delphische orakel voerde hij eene geheel nieuwe staatsregeling in, geheel gegrond op de eigenaardigheden van het dorische volkskarakter, en waarvan dan ook de voornaamste trekken in andere dorische staten teruggevonden worden. Hij verdeelde de politieke macht onder de koningen, den raad (gerousia) en de volksvergadering, schreef gelijkheid van grondeigendom, gemeenschappelijke maaltijden (syssitia) voor de burgers, strenge leefregels en eene harde, wezenlijk militaire tucht voor, en trachtte iedere verandering te beletten of te bemoeielijken door een aantal bepalingen, als het weren van vreemdelingen, het verbod om te reizen, de beperking van handel en nijverheid, enz. V. s. was de geheele wetgeving, om gemakkelijker in het geheugen geprent te kunnen worden, in korte verzen (rhetrai) vervat. Toen hij gereed was, liet hij zijne medeburgers zweren niets aan zijne wetten te veranderen, voordat hij van een reis naar het delphische orakel teruggekeerd zou zijn, en toen dit zijn werk had goedgekeurd, eindigde hij in ballingschap zijn leven. De Spartanen vereerden hem eeuwen lang als een god en als den grondlegger hunner grootheid en hunner voortreffelijkheid in den oorlog. De wetgeving van Lyc. bleef in hoofdzaak eeuwen lang in stand, en eerst na den peloponnesischen oorlog wordt de eerste gewichtige verandering er in vermeld. Z. Epitadeus. Het is echter niet aan te nemen dat de geheele maatschappelijke en staatkundige inrichting van Sparta haar ontstaan aan één persoon te danken zoude hebben, en van vele instellingen kan men met zekerheid aantoonen, dat zij van veel lateren tijd zijn dan dien, waarin Lyc. zou geleefd hebben. Door velen wordt betwijfeld, dat er iemand bestaan zou hebben, die met recht de wetgever van Sparta genoemd zou kunnen worden.--6) Athener, aanvoerder der aristocratische partij in de burgertwisten na de wetgeving van Solon.--7) Athener, zoon van Lycophron, geb. 390, trad bij het dreigende gevaar van den kant van Macedonië als een krachtig verdediger der politiek van Demosthenes en Hyperides op; vooral verwierf hij roem door zijn beheer der financiën (338-327) en door zijne bemoeiingen tot versterking der vloot. Ofschoon de eenige redevoering, die van hem overgebleven is, hem niet als een van de eerste redenaars doet kennen, werd hij onder de 10 attische redenaars opgenomen. Hij stierf in 325/4 en werd op staatskosten begraven, nadat hem reeds bij zijn leven menig eerbewijs van het dankbare volk was ten deel gevallen.

Lycus, Lykos, 1) zoon van Poseidon en Celaeno, die door zijn vader een plaats op de eilanden der gelukzaligen verkreeg.--2) zoon van Hyrieus, vluchtte met zijn broeder Nycteus wegens een moord naar Thebe, waar zij gastvrij ontvangen werden. Na den dood van Nycteus regeerde hij als voogd over Labdacus, en toen deze gestorven was, over Laïus. Z. Amphion en Antiope.--3) zoon van den vorigen of van Poseidon, vermoordde gedurende eene afwezigheid van Heracles diens schoonvader Creon, en bedreigde ook Megara en hare kinderen, toen Heracles terugkeerde en hem doodde.--4) zoon van Pandion, vluchtte voor zijn broeder Aegeus naar het land der Termilae, dat naar hem Lycië genoemd werd. Hij was de stamvader der Lycomidae of Lycomedae, een geslacht van priesters bij de eleusinische mysteriën.--5) zoon van Dascylus, koning van Mysië, die de Argonauten en Heracles gastvrij opnam. Heracles veroverde voor hem het land der Bebryces, dat naar hem Heraclea genoemd werd.--6) uit Rhegium, leefde onder Ptolemaeus I en II, schreef een werk over de geschiedenis van Libyë, verder over Sicilië en over Thebe.

Lycus, Lykos, 1) rivier in Assyria, zijtak van den Tigris, ook Zabatas genoemd.--2) rivier in Pontus, zijtak van den Iris.--3) rivier in Phrygia, die tusschen Colossae en Laodicea een eind onder den grond voortstroomt en in den Maeander valt.--4) riviertje in Bithynia, bij Heraclea.

Lydda, ta Lydda, stad in Palaestina, later Diospolis, tusschen Joppe en Jerusalem.

Lydia, Lydia, land in het W. van Asia minor, oudtijds Maeonia geheeten; later heet nog het oostelijk gedeelte, aan den Boven-Hermus, Maeonia. Lydia wordt begrensd ten N. door Mysia, ten O. door Phrygia, ten Z. door Caria, terwijl de kust met grieksche steden bezet is. Het was een zeer oude staat. Van ± 1600 tot ± 1300 heerschte, volgens de latere grieksche overlevering, de dynastie der Atyaden, daarna die der Heracliden tot ± 687, toen met Gyges, de eerste historische persoonlijkheid, de Mermnaden op den troon kwamen. Onder dit huis werden de grieksche steden op de kust onderworpen. De grootste macht en uitgebreidheid bereikte het lydische rijk onder Croesus, doch toen werd het ook in eens door Cyrus ten val gebracht en tot eene perzische provincie gemaakt. Onafhankelijk is het daarna niet meer geweest. De Lydiërs, Lydoi, vroeger Maeones, Meones, vóór de perzische verovering een krijgshaftig volk, werden kunstmatig verwijfd gemaakt. Ze hebben reeds vroeg grieksche zeden en grieksche goden overgenomen en de grieksche taal is spoedig in hun land doorgedrongen. De Grieken meenden, dat de Etruscers van lydische afkomst waren; vandaar bij Vergilius Lydi = Etruscers, Lydius Thybris = de Tiber. In Lydia behooren de mythen te huis van Tantalus en van Midas, den koning met de ezelsooren. De hoofdstad is Sardes.

Lydiadas, Lydiadas, tyran van Megalopolis, een dapper en heerschzuchtig man, legde de alleenheerschappij neder, toen hij zag dat alle tyrannen in de Peloponnesus voor het achaeisch verbond wijken moesten. Later (233) werd hij strateeg van het verbond, maar Aratus verdrong hem. Toen Cleomenes in het gebied van Megalopolis een inval deed (226), verjoeg L. hem aan het hoofd zijner ruiterij, hij waagde zich echter te ver bij het vervolgen der vijanden, werd omsingeld en gedood.

Lydias, Lydias, ook Ludias, Loudias, rivier in Macedonia, die in zijn loop het meer Borborus vormt en zich vroeger in den Haliacmon uitstortte; tegenwoordig hebben deze twee stroomen ieder een eigen monding.

Lygdamis, Lygdamis, 1) hoofd der volkspartij op Naxus, moest voor de aristocratische partij het veld ruimen. Hij hielp Pisistratus bij diens pogingen om naar Athene terug te keeren, deze ondersteunde hem later wederkeerig, en zoo gelukte het hem, zich de alleenheerschappij over Naxus te verschaffen. Na eene regeering van 15 jaar echter werd hij door de Spartanen verjaagd (525).--2) tyran van Halicarnassus, vader van Artemisia (no. 1).

Lygdamus, dichter uit den kring van Messalla, waarschijnlijk een pseudonym, z. Albii.

Lyncestis, Lynkestis, een der westelijke landschappen van Macedonia, met eene illyrische bevolking, die oudtijds eigen vorsten had uit het geslacht der Bacchiaden. De inwoners heetten Lyncestae, Lynkestai.

Lynceus, Lynkeus, 1) zoon van Aegyptus, z. Danaüs.--2) een van de Apharetidae (z.a.); hij had zulk een scherp gezicht, dat hij in het binnenste der aarde kon zien.

Lyncus, Lynkos, koning van Scythië of van Sicilië, die van Triptolemus den akkerbouw leerde. Om zich de eer van de nieuwe uitvinding toe te eigenen, wilde hij Triptolemus dooden, maar Demeter voorkwam hem, en veranderde hem in een los.

Lyra, Lyra, 1) zeer oud muziekinstrument, met 3-9 snaren bespannen, dat men met de vingers van beide handen bespeelde, of met een plectrum in de eene hand en de vingers van de andere. De uitvinding er van wordt aan Hermes toegeschreven.--2) sterrenbeeld, naar men meende de lier van Orpheus.

Lyrische poëzie, omvat in het algemeen alle gedichten, die niet tot de epische of dramatische poëzie behooren, in het bijzonder echter die gedichten, die bestemd waren onder begeleiding van muziek en dans gezongen te worden. Hiertoe behooren de melische en de chorische poëzie, waarvan de eerstgenoemde liederen bevat, die door een enkel persoon onder begeleiding van muziek voorgedragen werden, en waarin de dichter, geheel anders dan in het epos of drama, aan zijne persoonlijke gevoelens en gedachten uiting geeft, terwijl tot de andere hymnen en gezangen behooren, die bij godsdienstige plechtigheden, feesten, enz., door een koor onder het uitvoeren van reidansen werden gezongen. De melische (aeolische) poëzie bloeide in de 7de en 6e eeuw, en werd vooral door dichters van den aeolischen stam (Alcaeus, Sappho) beoefend, de chorische (dorische) was reeds in zeer ouden tijd een deel van den eeredienst en bleef lang in handen der Doriërs, totdat zij in de 7de eeuw door Stesichorus, Arion e. a. tot een hoogen trap van volmaaktheid gebracht werd en sedert overal in Griekenland beoefenaars vond (Ibycus, Simonides, Pindarus, Bacchylides).--De Rom. hebben eerst tegen het einde der republiek op dit gebied iets geleverd, hun eerste lyrische dichter is Catullus, hun voornaamste Horatius.

Lyrnessus, Lyrnessos, stad in Mysia, ten Z.O. van Adramyttium. Hier hadden de Grieken Hippodamia, de dochter van Briseus (Briseis) buit gemaakt. Zie Briseis.

Lysander, Lysandros, 1) Lacedaemoniër, werd in 407 aan het hoofd van de vloot geplaatst. Daar hij zijne macht niet tegen die der Atheners opgewassen achtte, vermeed hij een open gevecht en trachtte hij zich ten eerste in alle staten met de oligarchische partijen in betrekking te stellen. Van de goede gezindheid van Cyrus, die kort te voren als satraap aan de kust gekomen was, maakte hij gebruik om zich ruime middelen voor het onderhoud van zijn vloot te verschaffen. Daar echter na afloop van zijn ambtsjaar de toestand niet merkbaar veranderd was, en hij vreesde dat zijn opvolger Callicratidas, een man van een geheel ander karakter dan hij, zijn werk ongedaan zoude maken, liet hij dezen door zijne vrienden en bondgenooten allerlei moeielijkheden in den weg leggen. Toen Callicratidas in den slag bij de Arginusen het leven verloren had, kreeg L. weder het opperbevel, ofschoon hij volgens de wet niet voor de tweede maal den titel van opperbevelhebber (nauarchos) voeren mocht. Door Cyrus weder ruim met geld ondersteund, zoodat hij na afloop van den oorlog nog 470 talenten naar Sparta medebracht, wist hij de Atheners in den waan te brengen, dat hij het weder niet tot een slag zou laten komen; ondertusschen wachtte hij het gunstige oogenblik af, totdat hij bij Aegospotami bij verrassing de geheele atheensche vloot van 180 schepen konde nemen; 3000 gevangenen werden ter dood gebracht. Alle aziatische en thracische bondgenooten van Athene vielen nu af, overal stelde L. eene regeering van 10 mannen in, waarvoor overal personen gekozen werden, bereid om alles te doen wat hij wilde. Daarop belegerde en nam hij Athene, liet hij de muren afbreken en stelde hij de regeering der 30 in, eindelijk dwong hij ook Samus, den eenigen staat die zich nog verzette, tot overgave. L. was toen de meest gevierde man in Griekenland, zijn roem werd door dichters bezongen, en menige stad richtte voor hem een altaar op als voor een god; hij had zijn doel bereikt, en Sparta tot den eersten staat in Griekenland, zichzelf tot den eersten man in Sparta gemaakt. Maar niet alleen dat zijn geluk veel afgunst verwekte, de middelen, die hij te baat nam om zijne macht te handhaven, maakten hem algemeen gehaat; met dobbelsteenen, zeide hij, bedriegt men kinderen, met eeden mannen. Toen de 30 mannen te Athene door de atheensche ballingen bedreigd werden, en L. hen met zijn leger kwam verdedigen, bewerkte koning Pausanias een vergelijk tusschen de partijen, waarvan het herstel der democratie het gevolg was. Ook in de andere staten moesten de ephoren, ten gevolge van de luide klachten der bevolking, een einde maken aan de regeering der 10 mannen. En toen L. later de verloren macht poogde te herwinnen, terwijl hij Agesilaus, die door zijn toedoen de regeering gekregen had, op zijn veldtocht in Azië vergezelde, trad deze zoo vastberaden tegen hem op, dat L. spoedig naar Europa terugkeerde. Door Pausanias tegengewerkt en door Agesilaus gekrenkt, beraamde hij nu het plan tot eene omwenteling, ten einde het erfelijk koningschap omver te werpen en de regeering voor alle Heracliden, waartoe ook hij behoorde, toegankelijk te maken. Om zich hiervoor steun te verschaffen, deed hij reizen naar de orakels van Delphi, Dodona en Ammon, maar hij vond, naar het schijnt, nergens wat hij wenschte. Zijne plannen kwamen ook niet tot uitvoering, want inmiddels brak de corinthische oorlog uit. L. werd naar Boeotië gezonden om zich bij Haliartus met Pausanias te vereenigen, het plan mislukte, hetzij Pausanias te laat kwam, hetzij L. met overijling te werk ging, en bij een aanval op Haliartus sneuvelde hij (395).--2) ephoor ten tijde van Agis III en begunstiger van diens hervormingsplannen.

Lysanoridas, Lysanoridas, een van de spartaansche harmosten, die in 379 de Cadmea aan de Thebanen overgaven; om zich aan de zware boete te onttrekken, waartoe hij hiervoor veroordeeld werd, ging hij in ballingschap.

Lysias, Lysias, zoon van Cephalus no. 2, geb. ± 445, ging, nadat hij eene voortreffelijke opvoeding genoten had, op den leeftijd van 15 jaar naar de atheensche volkplanting te Thurii. Daar beoefende hij onder leiding van Tisias welsprekendheid en wijsbegeerte, en stond hij, gedeeltelijk ook wegens zijn aanzienlijk vermogen, in hoog aanzien. Ten gevolge van de Athene vijandige stemming, die na den ongelukkigen afloop van de expeditie naar Sicilië in Thurii opkwam, moest hij echter met zijn broeder Polemarchus en 300 anderen, allen erkende aanhangers der democratie, van daar vluchten, en keerde hij in 412 naar Athene terug. Ook daar genoot hij, evenals zijn broeder, aller achting en vermeerderden zij hun vermogen door eene fabriek van schilden, waarin 120 slaven werkten. Door de 30 werden zij echter hiervan beroofd, Polemarchus werd gedood en L. moest naar Megara vluchten, van waar hij, zooveel als zijn verminderd vermogen het toeliet, krachtig medewerkte tot herstel der democratie. Zoodra hij teruggekeerd was, klaagde hij Eratosthenes, een van de 30, aan wegens den moord van Polemarchus, en de redevoering, die hij bij deze gelegenheid hield, verwierf zoo grooten lof, dat hij besloot voortaan zijn beroep te maken van het schrijven van pleitredenen. Zijne tijdgenooten waren zoo ingenomen met zijn werk, dat hij 233 redevoeringen geschreven heeft, waarvan hij alleen de genoemde zelf hield; de nog bestaande, 34 in aantal, die echter waarschijnlijk niet alle echt zijn, munten uit door zuivere taal, duidelijkheid, en vooral door een afwisselenden stijl, die met zeldzame bekwaamheid steeds in overeenstemming gebracht is met het karakter en de omstandigheden der verschillende sprekers. Door de alexandrijnsche geleerden werd hij onder de 10 attische redenaars opgenomen. Hij bereikte den leeftijd van 80 jaar.

Lysicles, Lysikles, 1) atheensch demagoog, na den dood van Pericles met Aspasia gehuwd.--2) atheensch veldheer in den slag bij Chaeronea, op eene aanklacht van Lycurgus (no. 7) ter dood veroordeeld.

Lysicrates, Lysikrates, Athener, die als choreeg in 334 den prijs won; het door hem volgens gewoonte opgerichte gedenkteeken (choregikos tripous, z. Choragus) bestaat nog; zie de afbeelding bij Athenae, blz. 103.

Lysimachea, Lysimacheia, bij de Rom. Lysimachia, vesting door Lysimachus na de verwoesting van Cardia op de thracische Chersonesus gesticht op de plaats, waar de Hellespont in de Propontis overgaat (309). De inwoners van Cardia en Pactye en andere plaatsen in de buurt gelegen, werden hierheen overgebracht. De plaats diende als hoofdstad van zijn nieuw gesticht rijk.

Lysimachus, Lysimachos, van Pella, zoon van Agathocles, geb. omstreeks 355, generaal en later vertrouwd vriend van Alexander d. G., onderscheidde zich vooral bij den indischen veldtocht en werd bij Sangala gewond. Na den dood van Alexander kreeg hij Thracië (323), en had daar zooveel te doen met het bestrijden zijner barbaarsche buren, dat hij zich lang buiten de twisten tusschen de andere veldheeren van Alex. hield. In 316 vereenigde hij zich echter met Ptolemaeus en Seleucus tegen Antigonus, doch deze wist hem nog lang in zijn eigen land bezig te houden. In 309 stichtte hij Lysimachea (z. a.). In 306 nam hij, evenals Antigonus, Ptolemaeus e. a., den titel van koning aan. In 302 begon hij den oorlog in Azië tegen Antigonus, en hoewel hij eerst voor de overmacht van zijn vijand moest wijken, behaalde hij in het volgende jaar met Seleucus de groote overwinning bij Ipsus. Hij verstiet toen zijne eerste gemalin, Amastris (no. 2), en huwde met Arsinoë (no. 7). In 297 begon Demetrius Poliorcetes de vijandelijkheden op nieuw en in 294 moest L. hem als koning van Macedonië erkennen, doch na eene mislukte poging om de Geten te onderwerpen, waarbij hij overwonnen en gevangen genomen, maar weldra weder vrij gelaten werd, verdreef hij hem met de hulp van Ptolemaeus en Seleucus (287), gaf de regeering aan Pyrrhus van Epirus, doch ontnam hem die weder na een jaar. Toen hij nu zijn zoon Agathocles op aandrijven van Arsinoë en van Ptolemaeus Ceraunus had laten vermoorden, vielen vele bloedverwanten en getrouwen van hem af, zijn achterdocht en wreedheid verwekte allerwege ontevredenheid, en weldra was geheel Klein-Azië tegen hem in opstand. Haastig trok hij over den Hellespont om de afvalligen te onderwerpen, maar in de vlakte van Corus, Korou pedion, ontmoette hij Seleucus, tot wien de weduwe van Agathocles gevlucht was; het kwam tot een gevecht, waarin L. overwonnen werd en sneuvelde (281).

Lysimelea palus, Lysimeleia limne, meer bij Syracusae, vroeger Syraco genoemd, waarvan dan de naam der stad zou afgeleid zijn.

Lysippe, Lysippe, eene van de Proetides.

Lysippus, Lysippos, van Sicyon, eerst smidsleerling, later beroemd beeldhouwer, die vooral voor Alexander d. G. en diens omgeving werkte. Alex. wilde zich door geen ander kunstenaar laten afbeelden. De op blz. 81 afgebeelde Ares wordt voor een copie van een werk van hem gehouden. Zijn meest bekende werk is de Apoxyomenus, waarvan het Vaticaansche Museum een voortreffelijke copie bezit. Hij beeldde de menschen niet af zooals ze zijn, maar zooals ze zich voordoen, quales esse videntur.

Lysis, Lysis, 1) Athener, leerling van Socrates; een van de gesprekken van Plato is naar hem genoemd.--2) van Tarentum, pythagoreïsch wijsgeer, ging na het vernietigen van het pythagoreïsch verbond naar Thebe, en werd de leermeester van Epaminondas.

Lysistratus, Lysistratos, 1) arm Athener, betrokken in het proces der Hermocopiden, hij werd ter dood veroordeeld, maar vluchtte.--2) beroemd beeldhouwer, broeder van Lysippus.

Lysius, Lysios = Lyaeus.

Lystra, Lystra, stad in Isauria, ten Z. van Iconium.

Lyttus = Lyctus.

M.

Macae, Makai, naam van twee volksstammen: op de arabische kust der Perzische golf en op de libysche kust tusschen de Syrten.

Macar, Macareus, Makar, Makareus, 1) een van de Heliadae (z. a.), vluchtte na den moord van Tenages naar Lesbus.--2) broeder van Canace (z. a.).--3) een van de tochtgenooten van Odysseus.--4) een van de Lapithen op de bruiloft van Pirithous.

Macareis, Issa, dochter van Macar no. 1, beminde van Apollo.

Macaria, Makaria, dochter van Heracles en Deïanira, vluchtte met hare broeders uit de Peloponnesus naar Attica, en beroofde zich vrijwillig van het leven, toen Eurystheus hen vervolgde, omdat een orakel op die voorwaarde aan de Heracliden de overwinning beloofd had.

Macaria, Makaria, oude naam van zeer vruchtbare eilanden, als Lesbus, Rhodus, Cyprus. Ook elders dragen vruchtbare streken dezen naam, o. a. de vlakte van Messenia, die door de rivier de Pamisus doorstroomd wordt.

Maccabaei, een joodsch geslacht, onder welks leiding de Joden zich ten tijde van Antiochus IV van de syrische heerschappij bevrijdden, en dat gedurende meer dan eene eeuw de regeering in handen had (167-40). De laatste der M. werd door Herodes gedood.

Maccus, een soort van domme Pierrot in de fabulae Atellanae.

Macedonia, Makedonia. De bakermat van het macedonische rijk is te zoeken in het landschap Emathia, ten W. van den Axius (Vardar). Hierdoor vindt men den naam Emathia ook voor Macedonia gebruikt. Hoewel de macedonische koningen de omliggende volken aan hun heerschappij trachtten te onderwerpen, bleef Macedonia toch een onbeteekenende staat tot aan de troonsbeklimming van Philippus II in 360. Deze vergrootte zijn rijk met Paeonia, een deel van Thracia en met het gebied der grieksche volkplantingen langs de kust en op Chalcidice, en maakte van Maced. in de 24 jaren zijner regeering eene machtige zee- en landmogendheid, die den Grieken de hegemonie afdwong. Zijn zoon Alexander de Gr. zette de veroveringen op nog grooter schaal voort. In het tijdperk der diadochen werd Maced. wel tot het europeesche gedeelte van het groote rijk beperkt, doch bleef toch een machtige staat, totdat de oorlog, door Philippus III tegen de Rom. gevoerd (200-197) het in eens van Rome afhankelijk maakte. Onder zijn zoon Perseus (179-168) werd het geheel een buit der Rom., die het voorloopig in vier republieken splitsten (Amphipolis, Thessalonica, Pella, Pelagonia), totdat het in 146 formeel tot rom. provincie werd gemaakt. De eigenlijke Macedones waren Grieken, die echter in hun ontwikkeling teruggebleven waren, daar ze door niet-grieksche, thracische en illyrische, stammen omgeven waren. Ze werden derhalve door de overige Grieken met minachting als barbaren beschouwd.

Macella, kleine vesting in het W. van Sicilia, in het binnenland ten N. van Entella gelegen.

Macellum (van makellon, omheining), overdekte marktplaats voor eetwaren te Rome. Er waren er twee: macellum Liviae op den Esquilijnschen, macellum magnum op den Caelischen berg. Ook in Pompeii heeft men een macellum opgegraven, waarvan de afbeelding op pg. 382 een voorstelling geeft.

Macer, naam van twee rom. dichters. De een, Aemilius Macer, uit Verona, gest. 16, een vriend van Vergilius en Ovidius, vertaalde in latijnsche verzen de dichtwerken van den arts Nicander (2de eeuw) van Colophon. De ander, C. Licinius Macer Calvus (82-48), was lierdichter en een vriend van Catullus. Zie verder Licinii no. 6. Verder maakt Ovidius nog melding van een vriend Macer, vervaardiger van epische gedichten.

Macestus, Makestos, rivier in Mysia, die zich met den Rhyndacus vereenigt.

Machaerus, Machairous, sterke grensvesting van Palaestina, in het Z. van Peraea, ten O. der Doode Zee. Hier heeft Johannes de Dooper gevangen gezeten.

Machanidas, Machanidas, Spartaan, die zich in 210 van de alleenheerschappij meester maakte en wreed regeerde; na drie jaar viel hij in een strijd tegen het achaeïsch verbond (207).

Machaon, Machaon, zoon van Asclepius en Epione, met zijn broeder Podalirius aanvoerder van eenige thessalische volken in den oorlog tegen Troje, waarin hij den dood vond. Zijne beenderen werden door Nestor naar Griekenland medegenomen, en bij Gerenia vond men zijn graf met een heiligdom.--Beide broeders waren vooral beroemd als geneesheeren, en de naam van M. wordt soms spreekwoordelijk voor een bekwaam geneesheer gebruikt.

Machlyes, Machlyes, 1) een libysche stam aan de kleine Syrte, ten Z. van de Tritonzee.--2) een scythische stam aan de palus Maeotis (zee van Azow).

Macistus, Makistos, stad in het elische landschap Triphylia. Ook een gebergte op Euboea.

Macra, Makres, grensriviertje tusschen Liguria en Etruria, valt bij Luna in de Ligurische zee. Oudtijds was het met den Rubico de Noordgrens van het eigenlijk Italië.

Macri campi, vlakte tusschen Parma en Mutina (Modena) in Gallia Cisalpina.

Macrinus (M. Opellius), eerst jurist, later praefectus praetorio onder Caracalla, vernam bij toeval, dat de keizer hem uit den weg wilde ruimen en liet toen heimelijk Caracalla ombrengen (217 n. C.). Het leger keurde de verheffing van Macrinus op den troon goed. Deze nam zijn jeugdig zoontje Diadumenianus tot medekeizer aan. Na eene niet zeer roemrijke regeering van 14 maanden (217-218) werden vader en zoon door de oproerige troepen vermoord.

Macro (Naevius Sertorius), praefectus praetorio onder Tiberius, opvolger van Seianus, bracht in 37 na C. Tiberius om, doch werd met zijne vrouw Ennia door Caligula uit den weg geruimd (38).

Macrobii, Makrobioi, aethiopische volksstam langs den Z. oceaan.

Macrobius (Ambrosius Theodosius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.), van wien nog twee werken aanwezig zijn: Saturnalia convivia, in 7 boeken, en Commentarii in Somnium Scipionis, in 2 boeken.

Macrones, Makrones, machtige stam aan de Z. kust van de Zwarte Zee, in het O. van Pontus, tusschen de Mosynoeci en de Moschi.

Mactorium, Maktorion, stad in het Z. van Sicilia, ten N. van Gela.

Madaura of -rus, Madouros, stad in Numidia, ten Z.O. van Tipasa, geboorteplaats van den schrijver L. Appuleius.

Madena, distrikt van Armenia Minor.

Maduateni, thracische stam aan den Haemus.

Madytus, Madytos, havenstad van de thracische Chersonesus, aan den Hellespontus.

Maeander, Maiandros, rivier in Asia minor, ontspringt in het Z. van Phrygia bij Celaenae, loopt met tallooze kronkelingen door Caria en Ionia en valt tegenover Miletus in zee. De stroomgod is de grootvader van Caeneus, die dan ook Maeandrius iuvenis wordt geheeten.

Maeandrius, Maiandrios, regeerde na den dood van Polycrates (522), wiens geheimschrijver hij geweest was, eenigen tijd over Samus, toen echter na korten tijd Syloson door de Perzen teruggebracht werd (omstreeks 516), vluchtte M. naar Sparta, waar men hem wegens de schatten, die hij had medegebracht, gevaarlijk achtte en hem het verblijf in de stad verbood.

Maecenas, zie Cilnii.

Maecius Tarpa (Sp.), kunstcriticus van grooten naam, wien door Augustus de beoordeeling en keus der op te voeren tooneelstukken werd opgedragen.

Maedi, Maidoi, thracische volksstam aan den Strymon.

Maelii, plebejisch geslacht te Rome. 1) Sp. Maelius, rom. ridder, had in den hongersnood van 440 op groote schaal uitdeelingen van koren onder de onvermogenden gehouden. De patriciërs, naijverig op de genegenheid van het volk, beschuldigden hem van opruiing en eerzuchtige bedoelingen. Op zijne weigering, om voor het gerecht te verschijnen, werd hij door C. Servilius Ahala, mag. equitum van L. Quinctius Cincinnatus, die tot dictator seditionis sedandae causa benoemd was, op het forum doodgestoken (439). Het vermogen van Maelius werd verbeurd verklaard en zijn huis met den grond gelijk gemaakt; de open plek hierdoor ontstaan, kreeg den naam van Aequimaelium. Volgens een oudere lezing van het verhaal stak C. Servilius Ahala als ambteloos burger op straat Sp. Maelius dood, omdat deze naar de alleenheerschappij streefde. Het verhaal, waarvan alleen historisch is de terechtstelling van Maelius en het neerhalen van zijn huis, heeft, door het sanctionneeren van den tyrannenmoord, op de latere geschiedenis (men denke aan de vermoording van Caesar) ingewerkt.--2) Sp. Maelius, volkstribuun in 436, vervolgde den bovengenoemden Servilius Ahala, die den gepleegden moord met ballingschap moest boeten.--3) Q. Maelius, was een der twee volkstribunen, die in 321 in de bergengte van Caudium den vrede met de Samnieten hielpen sluiten en hierom met de beide consuls werden uitgeleverd.

Maelo, vorst der Sygambri, deed in 12 een inval in Gallia, maar werd door Drusus teruggedreven. Zie Claudii no. 26.

Maemacterion, Maimakterion, 5de maand van het Attische jaar (Nov.-Dec.), z. Annus.

Maemactes, Maimaktes, bijnaam van Zeus als god der stormen; te zijner eer werden in de maand Maemacterion de Maemacteria gevierd.

Maenades, Mainades, = Bacchae.

Maenalia, Mainalia, landstreek in Arcadië, ten W. van den berg Maenalus.

Maenalius, Mainalios, bijnaam van Pan, naar het gebergte Maenalus, waar hij zich bij voorkeur ophield.

Maenalus, Mainalon oros, berg en stad in het binnenland van Arcadia, ten ZW. van Mantinea, geliefkoosd verblijf van den god Pan. Bij dichters: Maenalius deus = Pan, Maenalius = arcadisch, Maenalis ursa = Callisto, Maenalii versus = herderszangen.

Maenia (columna), zie columna Maenia.

Maenia (lex), waarschijnlijk ± 287, v.a. van ± 300, ut in incertum comitiorum eventum patres auctores fierent, d.w.z. dat de patricische leden van den senaat (zie patres) vooraf de keuzen van de volksvergadering, hoe die ook mochten uitvallen, moesten bekrachtigen. Hierdoor werd de patrum auctoritas niet afgeschaft, maar tot een formaliteit gemaakt. Zie ook Publiliae (leges) no. 2.

Maenia (Menenia) (lex) agraria van den volkstribuun M. Maenius (Menenius), ging niet door, daar zijne ambtgenooten er tegen waren (410). Daar leges agrariae in werkelijkheid zoo vroeg niet voorkomen, is hoogst waarschijnlijk ook deze wet, evenals de lex Cassia (zie agrariae leges), verzonnen.

Maenia (of Menenia) Duilia (lex), zie Fenus.

Maenianum, balkon aan de voorzijde van een huis, genoemd naar C. Maenius, die als censor in 318 de gebouwen aan het forum van balkons voorzag, om bij openbare feesten meer toeschouwers te kunnen bergen.

Maenii, plebejisch geslacht. In 482 en 410 komen Maenii onder de volkstribunen voor met pogingen om ook de plebs aandeel aan den ager publicus te verschaffen. De eerste historische persoonlijkheid is C. Maenius, die in 338, als consul met L. Furius Camillus (Furii no. 12), voorspoedig streed tegen de opgestane Latijnen, vooral tegen Antium. In 320 was hij dictator; in 314 werd hij weder tot dictator gekozen om eene samenspanning te Capua te onderzoeken. Toen hij echter zijn onderzoek ook tot Rome wilde uitbreiden, verzette zich de adel, waarop hij zijn ambt neerlegde en zich aan een rechterlijk onderzoek onderwierp, dat glansrijk voor hem afliep. Men vertelt, dat ter eere zijner overwinning op de Antiaten de columna Maeniana (z. a.) op het forum is opgericht. Zie ook maenianum. In de eerste helft der 2de eeuw moet er te Rome een gek en verkwister geleefd hebben met name Maenius, over wien Horatius spreekt.

Maeon, Maion, de aanvoerder der 50 Thebanen, die Tydeus een hinderlaag legden en allen door dezen verslagen werden. M. liet hij echter op bevel van een orakel in leven.

Maeonia, Maionia, oude naam van Lydia (z. a.) en dientengevolge ook dichterlijk = Etruria.

Maeonides, Maionides, wordt Homerus soms genoemd als zoon van Maeon of als Lydiër (Maeoniër).

Maeonis, lydische (maeonische) vrouw, bijv. Omphale, Arachne.

Maeotis palus, Maiotis limne, thans zee van Azow. De omwonende scythische stammen werden met den algemeenen naam Maeotae aangeduid.

Maera, Maira, 1) de hond van Erigone, z. Icarius.--2) dochter van Proetus, jachtgezellin van Artemis; zij werd bij Zeus moeder van Locrus en werd daarom door Artemis gedood.--3) dochter van Atlas, gehuwd met Tegeates, den zoon van Lycaon.

Maesesses = Melesses.

Maevius, zie Bavius.

Magaba, berg in Galatia, tusschen Ancyra en den Halys, waar Cn. Manlius Vulso in 189 de Tectosages versloeg.

Magas, Magas, stiefzoon van Ptolemaeus I, werd door dezen tot stadhouder over Cyrene aangesteld, doch maakte zich onafhankelijk (280), en wist zich ook tegen Ptolemaeus II te handhaven. Hij stierf in 258. Zie ook Apama no. 2.

Magdolum, Magdolon, Magdolon, stad in Beneden-Aegypte, ten Z.Z.W. van Pelusium.

Mageddo = Megiddo.

Magetobriga, stad der Sequani in Gallia Transalpina.

Magi, Magoi, een medisch geslacht van priesters, droomuitleggers en orakelduiders, die ook in het staatkundige grooten invloed uitoefenden. Toen de heerschappij van de Mediërs op de Perzen overging, bleven de Magi hunne waardigheden behouden.

Magii, plebejisch geslacht uit Campania.

Magister admissionum, onder de latere keizers de opperkamerheer, die belast was met de toelating en ontvangst ter audiëntie bij den keizer.

Magister equitum, zie dictator.

Magister officiorum, hofmaarschalk van de keizerlijke hofhouding. Deze post behoorde tot de hooge hofambten, door Constantijn den Gr. ingesteld.

Magister populi, oude titel voor den dictator, als aanvoerder van het voetvolk.

Magister scriniorum, hoofd der keizerlijke kanselarij. Zie Scrinium.

Magna Mater, z. Rhea Cybele.

Magnentius (Flavius Magnus), rom. tegenkeizer in het W. des rijks, ontrukte den troon aan Constans, die in 350 na C. vermoord werd, doch werd door Constantius II bij Sirmium in 352 verslagen en benam zichzelf in 353 na C. te Lugdunum (Lyon) het leven.

Magnes, Magnes, een van de attische blijspeldichters vóór Aristophanes, wiens werken dikwijls den eersten prijs behaalden.

Magnesia, Magnesia, 1) oostelijk gedeelte van Thessalia, eene betrekkelijk smalle strook lands; uitloopende in een landtong, die de golf van Pagasae als het ware omarmt. De inwoners heetten Magnetes, Magnetes.--2) stad in Lydia, aan den voet van den berg Sipylus gelegen en daarom Magnesia ad Sipylum genoemd. Hier werd Antiochus III van Syria door L. Cornelius Scipio Asiaticus (Cornelii no. 14) in 190 verslagen.--3) stad in het lydisch-carische grensdistrikt, nabij den Maeander, ten Z.O. van Ephesus, met een beroemden tempel van Artemis. Dit Magnesia was eene der drie steden, waarvan Artaxerxes de inkomsten aan Themistocles toewees.

Magnum promunturium, kaap aan den mond van den Tagus, thans kaap Espichel, ook een kaap in Mauretania Caesariensis, dicht bij Siga.

Magnus portus, 1) haven in Gallaecia, thans baai van Corunha.--2) haven in Mauretania, thans Oran.

Mago, Magon, naam van verschillende carthaagsche staatslieden en veldheeren, waaronder vooral drie merkwaardig zijn: 1) Mago de Groote, ± 550-500, beroemd staatsman, die de grondslagen legde tot Carthago's grootheid en ook als generaal lauweren verwierf.--2) schrijver van een groot werk over den landbouw, dat later op last van den rom. senaat in het Latijn werd vertaald.--3) jongere broeder van Hannibal, die met dezen naar Italia toog en na den slag bij Cannae naar Carthago werd gezonden om het bericht over te brengen en versche troepen te halen. Hij werd echter naar Hispania gezonden ter ondersteuning van zijn broeder Hasdrubal. In 205 stak hij onverwachts van Gades in Spanje, dat hij moest ontruimen, naar Liguria over en veroverde Genua, doch werd in 203 in het gebied der Insubres verslagen, en toen hij in Genua terugkwam, kreeg hij daar het bevel, naar Carthago terug te keeren. V. s. stierf hij onderweg aan zijn wonden of door schipbreuk, v. a. leefde hij in 193 nog.

Magontiacum = Mogontiacum.

Maharbal, veldheer van Hannibal, die hem na den slag bij Cannae trachtte te overreden om rechtstreeks naar Rome op te trekken.

Maia, Maia, Maias, 1) dochter van Atlas en Pleione, de oudste der Pleiaden, bij Zeus moeder van Hermes.--2) italiaansche godin, soms ook Maiesta genoemd. Zij is de gemalin van Vulcanus, maar wordt later dikwijls met de grieksche Maia verward. De maand Mei was naar haar genoemd, en op den 1sten van die maand bracht de priester van Vulcanus haar een offer.

Maiesta = Maia no. 2.

Maiorianus (Flavius Iulianus), een der laatste keizers van het west.-rom. rijk, 457-461 na C. Hij roeide vele misbruiken uit, waardoor hij zich onder de ambtenaren vele vijanden maakte. Toen nu een oorlog tegen den vandaalschen koning Geiserik ongelukkig afliep, werd het leger onder den Sueef Ricimer tot opstand overgehaald en Maiorianus tot afstand gedwongen. Hij stierf weinige dagen later aan eene plotselinge ziekte. Het rijk verloor in hem een edel en doortastend vorst.

Makaron nesoi, ver afgelegen eilanden, waar de heroën, evenals in het Elysium, na driemaal op aarde zonder zonde geleefd te hebben, onder de regeering van Cronus een gelukzalig leven leiden. Zie ook Fortunatae insulae.

Makednoi, dorische stam, eerst tijdens Deucalion in Phthiotis, later aan den Pindus.

Malaca, Malaka, phoenicische kol., later rom. municipium in Hispania Baetica, thans Malaga.

Malchus, Malchos, 1) carthaagsch veldheer, ± 600-550, had eerst op Sicilië en Sardinië groote veroveringen gemaakt, en is daardoor de eigenlijke grondlegger geworden van de macht van Carthago, maar toen hij later op Sardinia eene groote nederlaag geleden had, werd hij uit Carthago verbannen. Hij trok toen tegen Carthago te velde, nam het in, en liet een aantal senatoren ter dood brengen. Later werd hij zelf ter dood veroordeeld, omdat hij naar de monarchie streefde. Het verhaal is eenigszins verward, maar toont in elk geval aan, dat het leger toen nog uit Carthagers bestond, en geen huurleger was.--2) koning der Nabataeërs, bondgenoot van Caesar in den alexandrijnschen oorlog.--3) uit Philadelphia no. 2, geschiedschrijver uit de 5de eeuw n. C., die het werk van Priscus no. 2 (z. a.) tot 480 n. C. voortzette.--4) = Porphyrius (z. a.).

Malea, Malea, 1) kaap aan de Zuidoostkust van het eil. Lesbus.--2) Z.O. punt van de Peloponnesus, thans kaap S. Angelo, die moeielijk was om te varen wegens de stroomingen en riffen.

Maleventum, vroegere naam van Beneventum.

Maliades, Malides, Maliades, Malides, nimfen, die kudden en vruchtboomen beschermen.

Malis, Malis, een klein landschap aan de Malische golf, sinus Maliacus, een N.W. inham der Euboeïsche golf. De inwoners heetten Malienses, Malies.

Malli, Malloi, indisch volk aan den Hydraotes, een der zijrivieren van den Indus.

Mallii, rom. geslacht, dat geene beroemde personen heeft opgeleverd. Bekend is slechts geworden de onbekwame consul Cn. Mallius Maximus, die in 105 met den proc. Q. Servilius Caepio (Servilii no. 15) den slag bij Arausio tegen de Cimbren verloor. Zie ook Manlii no. 15.

Malloea, Malloia, vesting in het thessalische landschap Perrhaebia.

Mallus, Mallos, oude stad van Cilicia nabij den Pyramus.

Maluginensis, familien. in de gens Cornelia.

Mamercinus, familien. in de gens Aemilia.

Mamercus, een oscische voornaam, dien wij alleen nog in de gens Aemilia aantreffen.

Mamertini, zonen van Mamers of Mars, campaansche huurtroepen (zie Campania) in dienst van Agathocles, na diens dood (289) uit Syracusae verdreven, nestelden zich toen in Messana, van waar zij strooptochten deden. Door de Syracusanen in het nauw gebracht, riepen de Mam. Carthagers en Rom. te hulp, hetgeen de aanleiding werd tot den eersten punischen oorlog. Messana komt vervolgens officieel voor onder den naam civitas Mamertinorum. Onder het stadhouderschap van Verres speelde de stad de rol van handlangster.

Mamertinus (Claudius), de schrijver van een dankrede aan keizer Iulianus (gratiarum actio de consulatu suo Iuliano Imp.), gehouden in 362 n. C. Hij was door Iulianus benoemd tot comes sacrarum largitionum, minister van finantiën, en later tot praefectus praetorio Illyrici et Italiae.

Mamilia (lex) van den volkstribuun C. Mamilius Limetanus, tot instelling van een gerechtelijk onderzoek tegen hen, die zich door Jugurtha hadden laten omkoopen (109).

Mamilii, rom. geslacht, uit Tusculum afkomstig. 1) Octavius Mamilius, te Tusculum, schoonzoon van Tarquinius Superbus, verleende hem na diens verdrijving hulp en sneuvelde bij het meer Regillus, evenals zijn zoon.--2) L. Mamilius Tusculanus, dictator van Tusculum, had den Romeinen hulp verleend, toen de Sabijn Herdonius in 460 bij een nachtelijken overval het Capitool vermeesterd had. Hiervoor kreeg L. Mamilius het rom. burgerrecht.--3) Q. Mamilius Vitulus, consul in 262, veroverde Agrigentum op de Puniërs.--4) C. Mamilius Limetanus, zie Mamilia (lex).

Mammaea (Iulia), moeder van keizer Alex. Severus (Severi no. 2), voor wien zij wegens zijne jeugd in den beginne als regentes optrad en met beleid het bewind voerde.

Mamurius Veturius, metaalwerker uit Etruria. Zie ancile.

Mamurra, rom. ridder van geringe afkomst, maar die onder Caesar in Gallia zijn fortuin had gemaakt en vervolgens te Rome door zijne houding en buitensporige levenswijze aanstoot gaf. Hij was uit Formiae, dat hierom door Horatius spottend urbs Mamurrarum wordt genoemd.

Mancinus, familienaam in de gens Hostilia.

Mancipatio, is de plechtige overdracht per aes et libram van eene zaak in tegenwoordigheid van 5 getuigen en een libripens. De kooper nam met een zeker formulier de zaak over en sloeg met een muntstuk (raudusculum) tegen de weegschaal. Zulk een mancipatio werd wettelijk gevorderd bij den verkoop van res mancipi. De geheele vorm was eene nabootsing van een verkoop uit den ouden tijd, toen het geld nog werd afgewogen. Deze handeling per aes et libram had ook plaats bij den huwelijksvorm door coëmptio en bij de emancipatio.

Mancipi (res). Tot de res mancipi behoorden volgens Ulpianus: praedia in Italico solo, tam rustica, qualis est fundus, quam urbana, qualis domus; item iura praediorum rusticorum, velut via, iter, actus, aquaeductus; item servi et quadrupedes, quae collo dorsove domantur, velut boves, muli, equi, asini. Van de genoemde iura of servituten beteekent iter het recht te voet of op een rijdier over eens anders grond te gaan, via, er met een voertuig over te rijden, actus, er vee over te drijven, aquaeductus, er water over te leiden. Zie verder servitus no. 1. Ulpianus voegt er nog bij, dat olifanten en kameelen, quamvis collo dorsove domentur, geene res mancipi zijn, daar zij tot de bestiae behooren. Res mancipi nu konden in rom. eigendom overgaan door in iure cessio, afstand ten overstaan van den praetor, door gerechtelijke toewijzing of adiudicatio of door eene wet, door erfenis en door mancipatio (z. a.). Was er in plaats van de vormelijke mancipatie eene eenvoudige traditio of overgave van hand in hand gebezigd, dan gaf dit geen wettigen rom. eigendomstitel of dominium. Zooals echter bij het artikel ius honorarium is aangewezen, kon de praetor toestaan, res mancipi te bezitten, in bonis habere. Door verjaring, usucapio, d. i. door ongestoord bezit van roerende goederen gedurende één jaar, van onroerende gedurende twee jaren, kon men dan toch het dominium verwerven.

Mancipium, 1) = mancipatio.--2) het voorwerp der mancipatie, vooral slaven, ook lasten trekdieren.--3) de betrekking van afhankelijkheid, waarin vrijen gebracht waren door mancipatie, zooals b.v. de pater fiduciarius verkreeg bij de emancipatio (z. a.) en zooals de pater naturalis nog slechts over zijn zoon behield, wanneer deze na den derden schijnverkoop weder aan hem werd teruggegeven. Of wel, wanneer volgens het oudste schuldrecht iemand in de macht van den schuldeischer was overgegaan. Een vrije, die in mancipio was, was wel servi loco, maar daarom nog geen servus.

Mandane, Mandane, dochter van Astyages, moeder van den ouden Cyrus.

Mandela, sabijnsch dorpje nabij het landgoed van den dichter Horatius.

Mandonius, een Hispaniër, broeder van Indibilis. Hij speelde dezelfde rol van herhaalde onderwerping en afval, tot hij gedood werd (206).

Mandrocles, Mandrokles, van Samus, beroemd bouwmeester, die voor Darius Hystaspis, toen deze tegen de Scythen optrok, een brug over den Bosporus legde; ter gedachtenis hieraan liet hij in den tempel van Hera op Samus een schilderij ophangen, die den tocht van het leger over de brug voorstelde.

Mandropolis, Mandropolis, stad in het Z. van Phrygia.

Mandubii, Mandoubioi, volk in Gallia ten W. van de Lingones. Tot hun gebied behoorde Alesia (Alise-Ste-Reine), waar Vercingetorix door Caesar belegerd werd.

Manduria, Mandyrion, stad der Sallentini in Calabria, aan den weg van Tarentum naar Hydruntum (Otranto). Hier sneuvelde de spartaansche koning Archidamus III in 338 tegen de Lucaniërs en Messapiërs, toen hij Tarentum te hulp kwam. In 209 werd de stad door den consul Q. Fabius Maximus Verrucosus (Fabii no. 16) veroverd.

Maneros, Maneros, zoon van den eersten koning van Aegypte, die jong stierf en, evenals Adonis, Linus e. a. in klaagliederen herdacht werd.

Manes, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen, als goden gedacht (dii Manes). Zij wonen in de onderwereld en komen, behalve op bepaalde tijden, alleen dan op aarde, wanneer de levenden hen vergeten of verzuimen hun de verschuldigde offers te brengen. Deze offers bestonden uit koren, zout, wijn, melk, enz.--Te hunner eer vierde men den 21sten Februari het algemeene doodenfeest Feralia, waarbij de tempels van alle goden, die niet tot de onderwereld in betrekking stonden, gesloten waren.

Manetho, -thos, Manethon, -nethos, aegyptisch priester te Heliopolis, leefde onder Ptolemaeus Philadelphus. Onder zijne talrijke geschied-, natuur- en sterrenkundige werken behoorde ook eene geschiedenis van Aegypte (Aigyptiaka) van de oudste tijden tot Alexander d. G., waaruit o. a. eene volledige chronologische lijst van aegyptische koningen bewaard gebleven is. Zijne overige geschriften zijn alle verloren.

Mania, volgens de Romeinsche geleerden de moeder der Lares; ze heeft echter nooit vereering genoten. Haar naam is waarschijnlijk afgeleid van de maniae, poppen, die op de Compitalia aan de compita en voor de huisdeuren werden opgehangen.

Maniai heetten de Erinyes in sommige deelen van Griekenland, als godinnen, die door hare vervolgingen tot razernij drijven.

Maniliae (leges), van den volkstribuun C. Manilius in 66. 1) de libertinorum suffragiis, dat de vrijgelatenen in de tribus van hunne patroni, en dus in alle tribus zouden mogen stemmen, in plaats van in 4. Deze wet werd door den senaat ongeldig verklaard. Z. Manlia (lex) de libertinorum suffragiis.--2) de imperio Cn. Pompei, dat het voeren van den mithradatischen oorlog aan Pompeius zou worden opgedragen.

Manilianae (leges) venalium vendendorum, geene wetten, maar formulieren voor koop en verkoop, opgesteld door den kundigen jurist M'. Manilius, consul in 149.

Manilii, plebejisch geslacht, waarvan de meest bekende leden zijn: 1) M'. Manilius, consul in 149, ontving het bevel over het leger, dat tegen Carthago werd afgezonden, doch kon niets uitrichten, evenmin als zijn ambtgenoot L. Marcius Censorinus. Hij was met Laelius en Scipio bevriend en een scherpzinnig rechtsgeleerde, die gaarne adviezen gaf en ook rechtsgeleerde boeken schreef. Zie ook leges Manilianae.--2) C. Manilius, volkstribuun in 66 (zie leges Maniliae) is het meest bekend door Cicero's verdediging van het wetsontwerp de imperio Cn. Pompei. In het volgend jaar verdedigde Cicero hem zelf in een proces.--3) Manilius, rom. dichter ten tijde van Augustus, dichter eener Astronomica, die nog over is.--4) L. Manilius, z. Manlii no. 15.

Manimi, een stam der Ligii in O. Germania, tusschen Viadua (Oder) en Vistula (Weichsel).

Manipulus, eene afdeeling van twee centuriën soldaten, zie cohors. Volgens de afleiding der ouden zou de standaard van den manipel (zie vexillum) in den beginne bestaan hebben uit een handvol hooi aan een staak gebonden. De latere vexilla der manipels hebben boven op den stok een uitgestrekte hand.

Manlia (lex) de vicesima manumissionum, tot invoering eener belasting van 5%, door slaven, die vrijgelaten werden, van hunne marktwaarde te betalen. De voorsteller dezer wet, de consul Cn. Manlius Capitolinus Imperiosus (357) (Manlii no. 9), riep hiertoe de tribuutcomitiën bijeen, niet te Rome, maar in zijne legerplaats bij Sutrium. De volkstribunen echter namen maatregelen, dat dit niet ten tweede male gebeuren kon.

Manlia (lex) de libertinorum suffragiis, van een volkstribuun Cn. Manlius in 58. Misschien is dit wel de lex Manilia van 66. Cn. Manlius wordt ook wel C. Manlius of Manilius genoemd.

Manlii, rom. geslacht met patricische en plebejische takken. Voor Manlius vindt men ook wel Mallius geschreven. 1) A. Manlius Vulso, consul in 474, dwong de Vejenten tot het sluiten van een veertigjarig bestand.--2) A. Manlius Vulso Capitolinus, consulairtribuun in 405 en 402, beproefde in het laatste jaar te vergeefs Veji te vermeesteren.--3) L. Manlius Vulso Longus, consul in 256, trok met zijn ambtgenoot M. Atilius Regulus naar Africa. Na eerst de Carthagers bij Ecnomus te hebben verslagen, en Clupea te hebben bezet, keerde Vulso naar Rome terug, terwijl Regulus in Africa bleef. In zijn tweede consulaat (250) belegerde hij met zijn ambtgenoot C. Atilius Regulus tevergeefs de stad Lilybaeum op Sicilia.--4) Cn. Manlius Vulso, consul in 189, overwon de Galatiërs en sloot den vrede met Antiochus III van Syria.--5) A. Manlius Vulso, consul in 178, oorloogde minder gelukkig. De Histri maakten zich van zijn legerkamp aan den mond van den Timavus meester, maar werden daarna verslagen.--6) M. Manlius Capitolinus, consul in 392, redde in 389 het Capitool van eene nachtelijke overrompeling door de Galliërs. Het cognomen Capitolinus heeft hij echter niet om deze daad, zooals men wel eens aanneemt, maar omdat hij op het Capitool (de arx) woonde. In 385, toen de schulden der plebejers weder zeer hoog gestegen waren, offerde Manlius een groot deel van zijn vermogen op om plebejers uit de schuldgevangenschap vrij te koopen. De adel beschuldigde hem van verkeerde bedoelingen, doch de houding van het volk boezemde vrees in, en Manlius werd vrijgesproken. Of hij hierna werkelijk plannen tot oproer heeft voorbereid, is niet duidelijk. In eene volksvergadering te Rome werd hij wederom vrijgesproken, doch in eene tweede buiten Rome in een bosch gehouden, wegens hoogverraad veroordeeld. Hij werd van de tarpejische rots geworpen, zijn huis verwoest en de voornaam Marcus in de gens Manlia afgeschaft (384). Van dit geheele verhaal is alleen historisch het feit van Manlius' veroordeeling wegens het streven naar de koninklijke macht, de verwoesting van zijn huis, waarvan de grond later aan Iuno Moneta gewijd werd, en het afschaffen van den voornaam Marcus in de gens Manlia. Het verhaal van de ondragelijke schulden der plebejers is eerst in den bondgenootenoorlog ontstaan, toen dergelijke toestanden werkelijk bestonden. Zijn broeder A. Manlius Capit. was bij herhaling consulairtribuun.--7) P. Manlius Capitolinus, in 367 te midden der twisten over de licinisch-sextische wetsvoorstellen tot dictator benoemd, toonde zich tegen verwachting jegens deze voorstellen niet vijandig.--8) L. Manlius Capitolinus Imperiosus, aldus bijgenaamd om zijne gestrengheid, dictator in 363 clavi figendi causa, wilde ook eene lichting houden, waarvoor hij niet benoemd was, en ontging met moeite eene veroordeeling.--9) Cn. Manlius Capit. Imper., zoon van no. 8, consul in 359 en 357, censor in 351; z. Manlia (lex) de vicesima manumissionum.--10) T. Manlius Imper. Torquatus, ook een zoon van no. 8, was een uitstekend veldheer, doch een man van een woest en streng karakter. In een tweegevecht met een reusachtigen Galliër in den oorlog van 361 maakte hij diens gouden halsketen buit en werd sedert Torquatus genoemd. Hij was consul in 347, 344 en 340. In zijn derde consulaat behaalde hij door de zelfopoffering van P. Decius Mus eene schitterende overwinning op de Latijnen bij den Vesuvius, doch liet zijn zoon, die tegen zijns vaders bevel met een uittartenden vijand een strijd had aangevangen en hem verslagen had, ter dood brengen. Vandaar de bekende uitdrukking Manliana imperia. Het verhaal omtrent den slag bij de Vesuvius schijnt verzonnen, daarentegen heeft T. Manlius de Latijnen in 340 bij Trifanum, tusschen Sinuessa en Minturnae verslagen.--Het verhaal omtrent het ter dood brengen van zijn zoon wordt door andere schrijvers op naam van den dictator Postumius (431) gezet. Zie Postumii no. 4.--11) T. Manlius Torquatus, consul in 235 en 224, dictator in 208, sloot in 235, na een opstand der Sarden onderdrukt te hebben, den Ianustempel en streed later tegen de Galliërs (224) en de Carthagers (215). Hij was in het laatste jaar praetor, en versloeg de verbonden Carthagers en Sarden. De Carthagers werden uit Sardinië verdreven. Hij verloochende de onbuigzaamheid van karakter, aan zijne familie eigen, niet.--12) T. Manlius Torquatus verstiet zijn zoon D. Iunius Silanus (z. Iunii no. 15) uit zijne oogen wegens afpersingen, in Macedonia gepleegd, waarop de zoon zich ophing. De vader woonde de begrafenis niet bij (141).--13) L. Manlius Torquatus, consul in 65, was een groot vriend van den redenaar Hortensius en een zeer vaderlandslievend man. Hij had Catilina in 65 bijgestaan, toen deze van knevelarij beschuldigd was, doch keerde zich van hem af na de ontdekking der samenzwering.--14) L. Manlius Torquatus, zoon van no. 13, was een vriend van Cicero, die hem in zijn werk de finibus bonorum et malorum sprekend invoert. Hij was meer politiek man dan redenaar. In 62 klaagde hij P. Cornelius Sulla aan (zie Cornelii no. 54). In den burgeroorlog sloot hij zich aan bij de partij van Pompeius, werd door Caesar gevangen genomen, doch weder vrijgelaten, en sneuvelde later in Africa (47).--15) Verder komt er nog eene familie van Manlii Acidini voor. Onder de Manlii, die zonder familienaam (cognomen) voorkomen, behoort ook C. Manlius (of Mallius), die voor Catilina troepen bij Faesulae verzamelde en bij Pistoria sneuvelde (62). Verder L. Manlius (Mallius) v. a. L. Manilius, propraetor van Gallia Narbonensis, die in 78 tegen de Sertoriani te velde getrokken was, maar door den quaestor L. Hirtuleius, onderbevelhebber van Sertorius in Hispania geheel verslagen was; op zijn terugkeer naar de provincie werd de rest van zijn leger door de opgestane Aquitaniërs vernietigd en sneuvelde zijn onderbevelhebber L. Valerius Praeconinus (Valerii no. 25a).

Manteia, Mantike, de kunst van het verklaren der teekens, waardoor de godheid haar wil openbaart. Ook bij de Grieken wordt een onderscheid gemaakt tusschen signa oblativa en impetrativa (zie Auguria). Tot de eerste soort (semata, terata) behooren verschijnselen aan den hemel, het vliegen of roepen van een grooten vogel (oionos) en dgl. Het zijn in den regel alledaagsche verschijnselen, die alleen door den tijd, de plaats of de omstandigheden, waaronder men ze waarneemt, eene bizondere beteekenis verkrijgen, en dus gewoonlijk gemakkelijk te verklaren zijn als voorboden van geluk of ongeluk; lag de verklaring niet zoo voor de hand, dan riep men de hulp van een deskundige (mantis, theopropos, oionopolos) in. Altijd was die hulp noodig bij de andere soort van voorteekenen, waarom men de goden vroeg als een bepaald teeken van goed- of afkeuring van een voorgenomen handeling. De meest gebruikelijke wijze, waarop men zulk een teeken meende te vinden, was door de (bij Homerus nog niet genoemde) beschouwing der ingewanden van een geofferd dier (hieromanteia), waartoe men zich van de tusschenkomst van een hieroskopos bediende. Andere middelen om den wil der goden te vragen, zooals het waarnemen van de lijnen in de hand (cheiromanteia), van de kringen, veroorzaakt door een in het water geworpen voorwerp (hydromanteia), het gebruikmaken van loten (kleromanteia, sortilegium, z. sortes), en dgl. genoten geen algemeen vertrouwen en het geloof hieraan werd door velen min of meer als bijgeloof beschouwd. Zie ook enkoimesis.

Mantinea, Mantineia, eene der oudste steden van Arcadia, nabij de argolische grenzen in eene moerassige streek aan het riviertje Ophis gelegen, waar het des zomers drukkend heet en 's winters streng koud was. Tot aan de perzische oorlogen bestond het uit vijf dorpen, maar korten tijd daarna (464-459) werd de bevolking in de stad bijeengebracht, en werd het bestuur democratisch. In 385 werd Mantinea door de Spartanen verwoest, doch in 370 iets zuidelijker herbouwd. Door deze verwoesting verloor M. de hegemonie over Arcadia. In 362 behaalde Epaminondas, doch ten koste van zijn leven, bij het naburige bosch Pelagos eene schitterende overwinning op de Spartanen. Later behoorde M. tot het achaeïsch verbond. Toen het echter, bij de groote worsteling met Cleomenes III van Sparta, van het verbond afviel (229) werd het door Aratus, den strateeg der Achaeërs, zwaar gestraft. Ter eere van den macedonischen koning Antigonus Doson werd het in Antigonea herdoopt. Keizer Hadrianus, die er een prachtigen tempel voor zijn lieveling Antinoüs liet bouwen, gaf aan de stad haar ouden naam terug.

Mantius, Mantios, zoon van Melampus, vader van Clitus (no. 1) en Polyphides.

Manto, Manto, dochter van Tiresias. Toen Thebe door de Epigonen was ingenomen, werd zij met een deel van den buit aan den delphischen Apollo gebracht. Op bevel van het orakel werd zij naar Colophon gezonden, om er den tempel en het orakel van Apollo Klarios te stichten. Zij huwde daar met een Cretenser, Rhacius, die den tempel op zijne kosten liet bouwen, en werd bij hem moeder van Mopsus.--V. a. was zij ook in Italië gekomen, en had zij bij Tiberis een zoon gekregen, Ocnus, die de naar haar genoemde stad Mantua stichtte. V. a. is echter deze stad naar een andere Manto, dochter van Heracles, genoemd.

Mantua, Mantoua, oude stad op een eil. in den Mincius (Mincio), reeds door de Etruscers bewoond, toen zij nog als Rasennae in het Po-dal woonden. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49 municipium. In het nabijgelegen dorpje Andes was Vergilius geboren.

Mantus, de god der onderwereld bij de Etruriërs, gewoonlijk afgebeeld als een zeer groot gevleugeld wezen met woeste trekken, gewapend met een zwaard of hamer.

Manubiae (van manu habere), in het algemeen buit, in het bijzonder echter dat gedeelte, dat de overwinnende veldheer te zijner beschikking kreeg en dat meestal door hem werd aangewend tot stichting van een tempel, een zuilengang of eenig ander openbaar werk. In ongunstigen zin wordt het woord ook gebezigd van den buit, dien een stadhouder zich door afpersingen verwerft.--In het enkelvoud beteekent manubia in de taal der augurs een bliksemstraal. Zie Auguria no. 2.

Manumissio, vrijlating van slaven. Deze kon op verschillende wijze plaats vinden;--1) vindicta of festuca. De heer bracht zijn slaaf voor den praetor; diens lictor of een ander trad dan als assertor (z. a.) op, raakte het hoofd van den slaaf met een roedje (festuca, vindicta) aan, en zeide: hunc hominem liberum esse aio ex iure Quiritium. Daar nu de eigenaar niet tegensprak, verklaarde de praetor den man voor vrij.--2) censu. De meester liet zijn slaaf bij den census in de burgerlijsten inschrijven.--3) testamento. Door deze drie wijzen van vrijlating werd de slaaf niet alleen vrij man, maar ook burger. Als vierde wijze voegde Constantijn de Gr. er de vrijlating in de kerk (in ecclesia) bij. Een feitelijke toestand van vrijheid, doch zonder burgerrecht, was het gevolg van de manumissio inter amicos, binnenshuis in tegenwoordigheid van een vijftal vrienden als getuigen,--per mensam, doordat de eigenaar den slaaf als een vrij man aan tafel noodigde,--per epistulam of onderhandsche schriftelijke verklaring, zie lex Iunia Norbana. De lex Aelia Sentia (4 na C.) en de lex Furia Caninia beperkten het recht van vrijlating. De libertini werden alleen in de vier tribus urbanae ingeschreven (zie echter lex Manilia).

Manus is eigenlijk de macht van den echtgenoot over zijne vrouw, waardoor zij hem als eene dochter, filiae loco, toebehoort, en waardoor al wat zij bij het huwelijk medebrengt of later verwerft, het zijne wordt. De manus was het gevolg van een huwelijk, dat gesloten was door confarreatio of door coëmptio, van een huwelijk door usus alleen dan, wanneer er verjaring (usucapio) had plaats gehad, doordat de vrouw gedurende een vol jaar geen trinoctium buiten de echtelijke woning doorgebracht had. Terloops zij hier opgemerkt, dat de coëmptio op zich zelve wel manus, maar nog geen huwelijk tot stand brengt; zij moet met het huwelijk gepaard gaan. De beteekenis van manus wordt ook wel uitgebreid tot anderen, die in iemands potestas en vooral, die in iemands mancipium zijn.

Manus iniectio. Wanneer een gedaagde onwillig bevonden werd om met den eischer voor den praetor te verschijnen, dan kon de eischer in tegenwoordigheid van getuigen de hand aan hem slaan en hem met geweld medevoeren. Ook kon zulk eene manus iniectio in sommige andere gevallen plaats grijpen, b. v. wanneer de verliezende partij weigerachtig of onmachtig was aan het vonnis te voldoen, of wanneer men op heeterdaad betrapt werd, b. v. een fur manifestus. De legis actio per manus iniectionem is eene aanvullingsactie waarbij de eischer den praetor vergunning vraagt, om zonder verdere in ius vocatio den onwillige te grijpen.

Maracanda, ta Marakanda, groote hoofdstad van Sogdiana. Thans Samarkand.

Maraces, Marakoi, volksstam in Aetolia.

Marathon, Marathon, vlek op de O.kust van Attica, aan eene vlakte, die de marathonische werd genoemd. Dáár joeg Theseus den marathonischen stier. In de nabijheid, in een niet te breede vallei, behaalde Miltiades in 490 de beroemde overwinning op de Perzen.

Marathus, Marathos, oude bloeiende koopstad in het N. van Phoenice tegenover Aradus.

Marathusa, Marathousa, eilandje op de kust van aziatisch Ionia, nabij Clazomenae.

Marcellus, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 30-38).

Marcellus Empiricus, een Galliër van geboorte, lijfarts van keizer Theodosius den Grooten, schrijver van een nog bestaand werk, medicamentorum liber.

Marcia (aqua), waterleiding te Rome, die om haar heerlijk water geroemd werd. Zij was in 144 aangelegd door den praetor Q. Marcius Rex.

Marcia (lex) de censura, dat niemand ten tweeden male censor zou kunnen worden. Deze wet is aangenomen op verzoek van C. Marcius Rutilus, die in 265 ten tweede male censor was en dit voor het vervolg wilde voorkomen. De voorsteller van de wet is onbekend.

Marcia (lex) de Liguribus deditis. M. Popilius Laenas, consul in 173, had een onrechtvaardigen oorlog begonnen tegen den ligurischen stam der Statielli, die geen aanleiding hadden gegeven. Hij had verscheidene duizenden gedood of als slaven verkocht. De volkstribunen M. Marcius Sermo en Q. Marcius Scylla (172) deden met goedvinden van den senaat een wetsvoorstel om Laenas in staat van beschuldiging te stellen. De wet werd aangenomen, en Popilius ontsnapte alleen aan een veroordeeling door de partijdigheid van den praetor.

Marcia (lex) agraria, van L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104 (zie Marcii no. 15), tot verdeeling van land onder arme burgers. De wet werd niet aangenomen.

Marcia Atinia (lex). De vrede met Philippus van Macedonia was in 197 gesloten. M. Claudius Marcellus (Claudii no. 31) echter, voor het volgende jaar tot consul benoemd en begeerig den oorlog te heropenen, trachtte den senaat voor te spiegelen, dat de vrede van de zijde van Philippus slechts bedrog was. Daarom lieten de volkstribunen Q. Marcius Rex en C. Antinius Labeo den vrede door een plebisciet bekrachtigen.

Marcia Porcia (lex), z. Maria (Marcia) Porcia (lex).

Marciana carmina, een boek met voorspellingen van zekeren beroemden waarzegger Marcius, dat in 213 ontdekt was en waarin de noodlottige afloop van den slag bij Cannae was voorspeld. De voorschriften van het tweede carmen werden door den senaat opgevolgd.

Marciana Silva, vroeger Abnoba mons geheeten, het tegenw. Schwarzwald, in het Z.W. van Germania.

Marcianopolis, Markianopolis, stad in Moesia inferior, even ten Z. van Odessus dicht bij de kust. Traianus had ze naar zijne zuster Marcia aldus genoemd.

Marcianus, Markianos, 1) aardrijkskundige uit Heraclea in Pontus, ± 400 na C., ontwerper van een periplous der bekende wereld, met afstandswijzer.--2) Aelius Marcianus, rom. jurist, wiens werken zijn uitgekomen na 217 n. C. (dood van keizer Caracalla).--3) Felix Capella Marcianus, ± 470 na C. uit Madaura in Africa, schrijver eener soort van encyclopaedie der zeven vrije kunsten, onder den titel Satira of Satiricon.--4) Zie Theodosius no. 3.

Marcii, een geslacht met verschillende takken, als Rex, Rutilus (later Censorinus), Crispus, Figulus, Philippus, Tremulus e. a. De eerste drie zijn patriciërs, de andere plebejers. 1) Numa Marcius volgde koning Numa Pompilius naar Rome en was diens raadsman bij de regeling van den eeredienst.--2) Ancus Marcius, vierde koning van Rome, kleinzoon van no. 1. Zie Ancus Marcius.--3) Cn. Marcius, bijgenaamd Coriolanus naar de verovering van Corioli in het gebied der Volscen. Volgens de overlevering zou hij bij gelegenheid van een hongersnood de plebejers door honger hebben willen dwingen tot afschaffing van het volkstribunaat (491). Dientengevolge verbannen, zocht hij hulp bij de Volscen, bracht aan het hoofd van een volscisch leger Rome tot op het uiterste in het nauw en liet zich slechts door de smeekbeden zijner moeder Veturia en zijner vrouw Volumnia bewegen om af te trekken. Volgens sommigen zou hij niet lang daarna door de Volscen vermoord zijn, volgens anderen op hoogen leeftijd als balling gestorven zijn.--4) Q. Marcius Rex, consul in 118, oorloogde tegen de Stoeni, een Alpenvolk in Liguria. Onder zijn consulaat werd Narbo (Narbonne) in Gallia Transalpina gekoloniseerd als Narbo Martius.--5) Q. Marcius Rex, consul in 68, zwager van P. Clodius. Daar zijn ambtgenoot L. Caecilius Metellus in zijn ambtsjaar stierf en diens benoemde opvolger nog voor de aanvaarding van zijn ambt overleed, liet men Rex verder alleen regeeren. Na afloop van het consulaat werd hij als proconsul naar Cilicië gezonden. Toen hij na zijn terugkeer zich ad urbem bevond, wachtende op den triumphus, werd hij in 63 door den senaat naar Etruria gezonden, om den Catilinariër Manlius te keer te gaan.--6) C. Marcius Rutilus overwon in 357 als consul de Privernaten (in Latium). In 356 was hij de eerste dictator uit de plebs en zegepraalde over de Etruscers. In 352 was hij andermaal consul, met P. Valerius Poplicola. Dit consulaat is merkwaardig doordat er toen, om aan den algemeenen schuldnood te gemoet te komen, eene soort staatsbank werd opgericht (zie quinqueviri mensarii). In 351 was Rutilus de eerste plebejische censor. In 344 en 342 bekleedde hij nogmaals het consulaat.--7) C. Marcius Rutilus, zoon van no. 6, werd als consul in 310 door de Samnieten verslagen en was censor in 294. In 265 was hij wederom censor, wat hem den bijnaam Censorinus verschafte. Hij berispte het volk, dat het ten tweeden male het censorschap aan denzelfden persoon had opgedragen, en verzocht het volk eene wet hiertegen te maken (zie lex Marcia).--8) L. Marcius Censorinus, belegerde als consul in 149 met zijn ambtgenoot M.' Manilius te vergeefs Carthago. Hij wordt als een wetenschappelijk man geroemd.--9) C. Marcius Censorinus, redenaar, koos in den burgeroorlog partij voor Marius. Hij werd echter eerst door Pompeius verslagen bij Sena, en vervolgens bij Praeneste door Sulla, in wiens handen hij viel en die hem ter dood liet brengen (82).--10) L. Marcius Censorinus, aanhanger van Antonius, nam deel aan den mutinensischen oorlog. Later was hij propraetor van Achaia.--11) Q. Marcius Crispus, een dapper krijgsman, met Cicero bevriend, belegerde met L. Staius Murcus op bevel van Caesar Q. Caecilius Bassus (Caecilii no. 28) te Apamea, maar stond in 43 de legioenen, waarover hij in Syria het bevel voerde, aan Cassius af.--12) C. Marcius Figulus was in den oorlog tegen Perseus (169) rom. vlootvoogd. Voor het jaar 162 werd hij tot consul verkozen, doch moest evenals zijn ambtgenoot P. Cornelius Scipio Nasica Corculum (Cornelii no. 20) als vitio creatus, zijn ambt nederleggen. In 156 bekleedde hij werkelijk het consulaat en werd hij door de Dalmatae verslagen.--13) C. Marcius Figulus, consul in 64.--14) Q. Marcius Philippus, consul in 186. Hem en zijn ambtgenoot Sp. Postumius Albinus werd opgedragen een onderzoek in te stellen naar de geheime vereenigingen, tengevolge waarvan de Bacchanaliën bij Senaatsbesluit in geheel Italia verboden werden. In een oorlog tegen de ligurische Apuani werd hij in een bosch in een hinderlaag gelokt en leed hij een zware nederlaag, waarnaar de plek Marcius saltus is genoemd. In 171 werd hij met A. Atilius Serranus (Atilii no. 8) als gezant naar Griekenland en Macedonia gezonden. Hij wist Perseus om den tuin te leiden en tot een wapenstilstand te bewegen, waardoor de Rom., die met hunne toebereidselen voor den oorlog niet gereed waren, tijd wonnen, terwijl Philippus de Grieken op Rome's hand bracht. Openlijk beroemde Philippus zich in den senaat op zijn sluwe handelwijze, en de groote meerderheid juichte hem toe. In 169 was hij andermaal consul en bracht Perseus eenige gevoelige verliezen toe. Het einde van den oorlog moest hij echter in 168 aan den nieuwen consul L. Aemilius Paullus overlaten.--15) L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104, consul in 91, was in het eerst een van de mannen der volkspartij (zie Marcia (lex) agraria); uit den tijd van zijn tribunaat is zijn gezegde, dat er in den staat geen tweeduizend welgestelden waren, wat Cicero een capitalis oratio et ad aequationem bonorum pertinens noemt; later verzoende hij zich met de optimaten en werkte als consul mede om de wetten van M. Livius Drusus te doen opheffen. Later was hij aan de zijde van Sulla en vervolgens een voorstander van Pompeius, die bij hem in hoog aanzien stond. Hij was een zeer kundig man en een uitstekend redenaar, die vooral de gave bezat, onvoorbereid het woord te kunnen voeren.--16) L. Marcius Phillippus, zoon van no. 15, huwde met Attia, de moeder van Octavianus, wiens stiefvader hij dus werd. Hij was zoowel met Caesar als met Cicero bevriend en koos in den burgeroorlog niet openlijk partij.--17) L. Marcius Septimus, rom. ridder, redde in 212, toen P. en Cn. Cornelius Scipio in Hispania sneuvelden, het rom. leger van den ondergang. Hij hield met T. Fonteius Crassus het bevel tot aan de komst van P. Scipio (Africanus maior) en streed ook onder hem nog met roem.--18) Q. Marcius Tremulus, consul in 306, streed zegevierend tegen de Samnieten en de Hernicers.--19) Marcius Macer, veldheer van keizer Otho.--20) Q. Marcius Turbo Fronto Publicius Severus, onder Hadrianus stadhouder van Judaea, van Mauretania en later bevelhebber der lijfwacht.--21) Marcius, waarzegger ten tijde van den tweeden punischen oorlog, z. Marciana carmina.

Marcodurum, vlek der Ubii, ten W. van Colonia Agrippina (Keulen), thans Duren.

Marcomanni = grensbewoners, een suevische stam, schijnen eerst aan den Moenus (Main) te hebben gewoond. Omstreeks het begin onzer jaartelling veroverden zij onder aanvoering van Maroboduus Boiohaemum (Boheme). Marbod, een man van doorzicht en van groote heerschzucht, die te Rome aan het hof van Augustus was opgevoed, wist bij zijn volk een éénhoofdig bestuur en rom. krijgstucht in te voeren, en bracht een groot volkenverbond tot stand. Zijne heerschzucht bracht hem echter in een oorlog met de Cheruscers onder Arminius, later (18 n. C.) werd hij zelf door zijn eigen volk verdreven en week naar Ravenna uit, waar Tiberius hem liet wonen en waar hij ook gestorven is. Zijn werk bleef echter in stand, en de bond van Marcomannen werd later een van de geduchtste vijanden van het rom. rijk. Vooral tijdens de regeering van Domitianus en van Marcus Aurelius (166-172 en 178-181) werden er bloedige oorlogen gevoerd, totdat Commodus in 181 den vrede kocht. Ook in lateren tijd hadden de Donaulanden van hunne strooptochten te lijden, doch door zware verliezen tegen de Gothen werd hunne macht gebroken en wordt hun naam alleen nog onder de legerscharen van den Hunnenvorst Attila gevonden.

Mardi = Amardi.

Mardonius, Mardonios, zoon van Gobryas, schoonzoon van Darius Hystaspis, werd in 493 door Darius met een leger naar Griekenland gezonden, maar moest onverrichter zake terugkeeren, daar zijn vloot schipbreuk leed en zijn leger in Macedonië teruggeslagen werd. Hij was het, die later Xerxes tot den veldtocht tegen Griekenland dreef, en toen deze na den slag bij Salamis naar Azië terugkeerde, bleef M. op zijn verzoek met een groot leger achter. Nadat hij vergeefs getracht had met Athene onderhandelingen aan te knoopen rukte hij in het voorjaar van 479 van Thessalië uit weder voorwaarts en nam hij Athene in; vervolgens legerde hij zich in Boeotië en leverde hij bij Plataeae den beroemden veldslag, waarin hij na een dappere verdediging sneuvelde.

Marea, Marea, stad in het W. der Nijldelta, ten ZZW. van Alexandria, beroemd door den krachtigen wijn, die in den omtrek werd geteeld, vinum Mareoticum. Zij lag aan een groot meer, Mareotis lacus, dat door Nijlarmen en kanalen werd gevoed en van de zee slechts gescheiden was door de landtong, waarop Alexandria gebouwd was, zoodat deze stad er een reusachtigen binnenhaven aan had.

Mareotis, Mareotis, zie Marea.

Maresa, Maresa, Marissa, sterkte in Z. Palaestina aan den weg van Jerusalem naar Ascalon, dicht bij Eleutheropolis.

Margala (Margana), stad in Triphylia, in Elis. De inwoners heeten Marganes.

Margiana, Margiane, gewest in het O. gedeelte van het Perzische rijk, tusschen Parthyaea en Bactriane, doorsneden door de rivier Margus (Murghâb).

Margites, Margites, personificatie van verwaande domheid, die in grieksche sprookjes voorkomt, de held van een klein komisch epos, dat ten onrechte aan Homerus, door anderen aan Pigres, werd toegeschreven.

Margus, Margos, 1) rivier in Moesia Superior die dicht bij Viminacium in den Hister (Donau) valt, tgw. Morava.--2) z. Margiana.

Maria (lex) de suffragiis ferendis van C. Marius, toen hij in 119 volkstribuun was. Deze wet strekte om, door het vernauwen der bruggetjes in de volksvergadering, te voorkomen, dat personen zich er op plaatsten om de stemmenden lastig te vallen of te controleeren, hoe zij stemden.

Maria (Marcia) Porcia (lex) de triumphis, van de volkstribunen L. Marius (Marcius) en M. Porcius Cato in 62, dat de imperatores, die een zegetocht wenschten te houden, de waarheid der door hen verstrekte opgaven bij den praetor moesten bezweren.

Mariaba, zie Saba.

Mariamme, Mariamme, stad in Coelesyria ten W. van Emesa.

Mariana fossa, zie fossa.

Mariandyni, Mariandynoi, niet-thracische volksstam in het O. van Bithynia, bij Heraclea.

Marica, nimf, echtgenoote van Faunus en moeder van Latinus, of moeder van Faunus; zij had een tempel en heilig bosch bij Minturnae; wat eenmaal in dat bosch gebracht was, mocht er niet weder uitgehaald worden.

Marii, plebejisch geslacht. 1) C. Marius, in 156 in het dorp Cereate bij Arpinum uit ouders, die tot den boerenstand behoorden, geboren, gaf reeds vroeg bewijzen van groote krijgsmanstalenten. In 134 diende hij onder Scipio in den numantijnschen oorlog. In 119 ging hij als volkstribuun door zijne lex de suffragiis de kuiperijen der aanzienlijken bij de verkiezingen te keer. Zijn huwelijk met de adellijke Julia, de tante van Caesar, verschafte hem de praetuur, en in 114 was hij propraetor in Hispania, waar hij door rechtvaardigheid en handhaving van tucht en veiligheid zich de algemeene achting verwierf. In den jugurthijnschen oorlog bewees hij als legaat groote diensten aan Metellus (109 en 108) en werd voor 107 tot consul gekozen, vooral omdat hij tot de volkspartij behoorde en de optimaten door hunne omkoopbaarheid hun eigen aanzien hadden ondermijnd. In 105 bracht hij den oorlog ten einde en voerde Jugurtha gevankelijk mede naar Rome. Hij triumpheerde 1 Jan. 104. Hierna werd hij, daar Italië door de Cimbren en Teutonen bedreigd werd, vier jaar achtereen (104-101) tot consul gekozen. De Teutonen en Ambronen versloeg hij in 102 bij Aquae Sextiae (Aix in Provence), de Cimbren in 101 bij Vercellae. Hierna werd hij ten zesden male consul (100). In dit consulaat verbond hij zich met den woelzieken volkstribuun L. Appuleius Saturninus en den praetor C. Servilius Glaucia en werkte mede om zijn tegenstander Metellus Numidicus te doen verbannen, die de akkerwet van Saturninus weigerde te bezweren. Vervolgens verloochende hij in het oogenblik van gevaar ook Saturninus en Glaucia. Daar hij begreep, slechts in oorlogstijd de man van beteekenis te zijn, vertrok hij vervolgens naar Azië om met Mithradates van Pontus onderhandelingen aan te knoopen. In den bondgenootenoorlog verwierf hij zich nieuwe lauweren (90-89). In 88 barstte de mithradatische oorlog uit, doch tot groote teleurstelling van Marius ontging hem zoowel het opperbevel als het consulaat; beiden werden aan Sulla opgedragen. Dit was Marius te veel; door eene wet van den volkstribuun P. Sulpicius Rufus liet hij zich door het volk met het veldheerschap bekleeden, doch Sulla, die Italië nog niet verlaten had, keerde met zijn leger naar Rome terug, Sulpicius werd gedood, Marius en een aantal anderen werden vogelvrij verklaard. Met zijn zoon zwierf hij als gejaagd wild rond; bij Minturnae werd hij gevangen genomen en ontsnapte ter nauwernood aan den dood. Hij stak naar Africa over, waar hij op de puinhoopen van Carthago rondzwierf. Inmiddels keerden de zaken te Rome; Cinna, hoewel eerst verdreven en als consul afgezet, keerde met Marius terug en beiden werden voor het jaar 86 tot consul verkozen. Doch reeds op den 13den dag van zijn consulaat bezweek Marius, evenwel niet zonder eerst nog zijne wraakzucht op de optimaten te hebben botgevierd. Zijne asch werd later op Sulla's last opgegraven en in het water van den Anio geworpen.--2) C. Marius, aangenomen zoon van no. 1, woest en wreed als zijn vader in diens laatste levensjaren, deelde diens vlucht en kwam met hem terug. In 82 was hij consul. Sulla versloeg hem bij Sacriportus, en Ofella (Lucretii no. 4) belegerde hem in Praeneste. Toen hij de stad niet houden kon en zijne vlucht mislukte, bracht hij zich zelf om.--3) M. Marius Gratidianus, zie Gratidii.--4) M. Marius, een groot vriend van Cicero; hunne villa's te Pompeii lagen dicht bij elkander.--5) C. Amatius, Pseudo-Marius geheeten, een bedrieger, die zich voor een zoon of neef of kleinzoon van no. 1 uitgaf, door Caesar als bedrieger weggejaagd en later door M. Antonius ter dood gebracht werd.--6) Marius Celsus, veldheer onder Galba en Otho.--7) L. Marius Maximus, bekleedde in het begin der derde eeuw na C. vele hooge ambten, hij was o. a. proconsul van Africa en later van Asia, en in 223 voor de tweede maal consul. Hij schreef onder Alexander Severus biografiën van de keizers, van Nerva tot Elagabalus, in den trant van Suetonius. Excerpten hiervan zijn over in het werk der Scriptores historiae Augustae.

Marinus, Marinos, 1) beroemd ontleedkundige aan het einde der eerste eeuw n. C., wiens werken verloren zijn.--2) van Tyrus, een aardrijkskundige in de 2de eeuw na C., de eerste die de ligging van plaatsen naar lengte- en breedtegraden bepaalde. Ptolemaeus heeft van zijne werken dikwijls gebruik gemaakt.

Maris, Marisus, Maris, Marisos, thans Marosj, riv. in Dacia, zijtak der Tisia (Theiss). Herodotus en Strabo meenden, dat het een zijtak was van den Donau.

Marium, Marion, stad op de NW. kust van Cyprus, waarschijnlijk het latere Arsinoe.

Marmarica, Marmarike, thans Barca, landstreek op de Noordkust van Afrika tusschen Aegypte en Cyrenaïca. Hierin ligt het Ammonium. Gewoonlijk wordt Marmarica tot Cyrenaïca gerekend.

Marmessus, Marmyssus, Mermessos = Marpessus no. 1.

Maro, zie Vergilii.

Maroboduus, zie Marcomanni.

Marobudum, Maroboudon, eens de hoofdstad der Marcomanni, thans Budweis.

Maron, Maron, 1) zoon van Euanthes, Oenopion, Silenus of Dionysus, priester van Apollo te Ismarus, waar hij later zelf een heiligdom had.--2) zoon van Orsiphantus, een van de dapperste Spartanen, die in den slag bij de Thermopylae sneuvelde.

Maronea, Maroneia, ionische volkplanting in het gebied der Cicones op de thracische kust, beroemd om zijn heerlijken wijn. De stad wordt ook Orthagorea genoemd.

Marpessa, Marpessa, gemalin van Idas (z. a.), moeder van Cleopatra no. 2.

Marpessa, -sus, Marpesos, -ssos, 1) dorp in het gebied van Gergis in Troas, geboorteplaats van ééne der Sibyllen.--2) berg op Parus. Marpesia cautes = parisch marmer.

Marrubium of -vium, stad der Marsi aan den lacus Fucinus. Marruvia gens = Marsi.

Marrucini, Marroukinoi, klein, doch dapper volk in Samnium aan de Adriatische zee, ten O. der Vestini. Hoofdstad: Teate.

Marruvium = Marrubium.

Mars, italiaansche god vooral van den oorlog, wien de maand Maart gewijd is, dien men als Mars Silvanus en Averruncus aanriep, te wiens eere het feest der Ambarvalia in Mei door de landlieden met offers en vroolijke optochten gevierd werd, en die ook in het lied der fratres arvales bezongen werd. Bij het houden van het lustrum werd het bekende offer van zwijn, ram en stier, de suovetaurilia, aan hem gebracht, en de romeinsche burgers zijn daarvoor op het Marsveld (campus Martius) als exercitus opgesteld. Wanneer de grieksche godenleer in Italië doordringt, wordt Mars vereenzelvigd met den griekschen Ares, en bij het lectisternium (zie aldaar) van 217 werd het beeld van Venus (Aphrodite) naast het zijne geplaatst. Hij gaat de rom. legers voor in den strijd (Gradivus), zegent hunne wapenen (Quirinus), voert hen tot de overwinning (Victor) en brengt op die wijze ook den vrede terug (Pacifer); als vader van Romulus en Remus is hij als het ware de vader van het rom. volk (Pater, Marspiter), dat hij voortdurend blijft bewaken (Custos, Conservator). Wanneer een leger ten oorlog zou trekken, ging de aanvoerder in den ouden tempel van Mars in de regia en riep daar zijne bescherming in, terwijl hij tegen de heilige lans, het symbool van den god, en tegen de ancilia sloeg. Ook de oefeningen in den wapenhandel, de gladiatorengevechten en ruiterlijke spelen stonden onder zijne bescherming, en de oudtijds daarvoor bestemde plaats was naar hem genoemd (Campus Martius). De wolf, de specht, de stier en het paard waren hem geheiligd. Zijn dienst wordt waargenomen door een eigen priester, den flamen Martialis.--Hij wordt gewoonlijk afgebeeld als een jong strijder met helm en lans, soms op een strijdwagen zittend.

Marsacii, een volksstam aan of bij een der monden van den Rijn, misschien in Zeeland, wonend.

Marsi, Marsoi, 1) samnietisch volk op de grenzen van Latium, rondom het meer Fucinus, in eene streek, geheel door bergen ingesloten. In 304 tot een bondgenootschap met Rome gedwongen, bewaarden zij een diepen haat tegen de Rom., die in den bondgenootenoorlog, in 90, tot uitbarsting kwam. Hunne hoofdstad was Marruvium. Zij bezaten veel kennis van geneeskrachtige kruiden en stonden bekend als goede wondheelers, als slangenbezweerders en ook als toovenaars; vandaar Marsa naenia = tooverspreuk. De mythe laat hen dan ook afstammen van een zoon van Circe.--2) germaansch volk aan de tegenw. Ruhr, bondgenooten der Cherusci tegen Varus. Germanicus dreef hen terug, en sedert verdwijnt hun naam.

Marsicum bellum, aldus genaamd omdat de Marsi er het hoofdvolk van waren, ook wel bellum Italicum of bellum sociorum genoemd. De trotschheid, waarmede Rome na Carthago's val de italische bondgenooten bejegende, had diepen wrok opgewekt, die nog werd aangevuurd, toen de pogingen van M. Livius Drusus en anderen, om hun het burgerrecht te verschaffen, verijdeld werden. Een aantal volken van samnietischen stam, Marsen, Paeligners, Lucaniërs, Campaniërs, vereenigde zich tot een bond, zij maakten Corfinium tot hunne bondshoofdstad onder den naam Italica, en kozen een senaat, twee consuls en 12 praetoren. Twee jaar lang werd er met verbittering gestreden. Slag op slag werd geleverd. De voornaamste aanvoerders der bondgenooten waren Pompaedius Silo, C. Papius Mutilus, Vettius Cato, Pontius Telesinus, Marius Egnatius. Onder de rom. veldheeren onderscheidden zich Cn. Pompeius Strabo (consul in 89) en L. Cornelius Sulla, eerst als praetor, in 88 als consul. Reeds in den winter van 90 waren de Romeinen door den dreigenden afval van Umbria en Etruria genoodzaakt, door de lex Julia van den consul L. Julius Caesar aan de trouwgebleven bondgenooten, die het wenschten, het burgerrecht te geven. In het begin van 89 volgde daarop de lex Plautia Papiria van de volkstribunen M. Plautius Silvanus en C. Papirius Carbo, die het burgerrecht schonk aan alle Italianen ten zuiden van de Po, die zich binnen 60 dagen bij den praetor urbanus opgaven. Verder de lex Pompeia van Cn. Pompeius Strabo, waarbij het ius Latii aan de Transpadani gegeven werd. Deze maatregelen braken het verzet. Toch duurde de strijd ook nog in 88 voort. Midden-Italië was een toonbeeld van verwoesting; honderdduizenden waren omgekomen, Samnium was bijna ontvolkt, vooral Sulla had er op onmenschelijke wijze huis gehouden.

Marsigni, suevische volksstam in het O. van Germania, ten noorden van den Mons Asciburgius (het Reuzengebergte).

Marsus (Domitius), zie Domitii no. 19.

Marsyas, Marsyas, 1) zoon van Olympus, een Phrygiër, die de fluit vond, welke Athena had weggeworpen. Hij waagde het met Apollo, die de cither bespeelde, een wedstrijd aan te gaan, en toen hij de nederlaag leed, werd hij levend gevild. De huid werd in een hol bij Celaenae opgehangen en bewoog zich, naar men zeide, vroolijk, wanneer zij op de fluit hoorde spelen.--V. s. had hij ook tot het gevolg van Dionysus behoord.--2) van Pella, stiefbroeder van Antigonus, met Alexander den G. opgevoed, later veldheer onder Demetrius Poliorcetes, schrijver eener macedonische geschiedenis (Makedonika).--3) van Philippi, zoon van Critophemus, geschiedschrijver van lateren tijd dan de vorige, ofschoon zij dikwijls met elkander verward worden.

Marsyas, Marsyas naam van twee rivieren die beide in den Maeander vallen. De eene ontsprong volgens Xenophon op de markt van Celaenae in Phrygia, de andere stroomde door Caria.

Martialis (M. Valerius), epigrammendichter, te Bilbilis in Hispania geboren ± 40 na C., begaf zich, toen hij 24 jaar oud was, naar Rome en kwam bij Nero en diens opvolgers in gunst, vooral bij Domitianus, die hem het ius trium liberorum schonk en nog andere gunsten verleende. Na Nerva's dood keerde hij naar Bilbilis terug; eene rijke dame, Marcella, schonk hem daar een landgoed, waar hij ± 100 na C. overleed. Zijne 14 boeken met Epigrammata waren bij zijne tijdgenooten zeer in trek. Zie apophoreta. Aan de 14 boeken gaat een liber spectaculorum vooraf, in de handschriften epigrammaton liber geheeten.

Martianus (Aelius), zie Marcianus no. 2.

Martianus (Felix Capella), zie Marcianus no. 3.

Marus, noordelijke zijrivier van den Donau, die tegenover Carnuntum daarin valt, tgw. March.

Maruvium = Marrubium.

Mascas, Maskas, zijtak van den Euphraat, in Mesopotamia.

Masinissa, Mas(s)anasses, koning der Massylii in O. Numidia, zoon van koning Gala, was te Carthago opgevoed en met de grieksche en rom. letterkunde bekend geworden. In het begin van den tweeden punischen oorlog was hij met hart en ziel aan de zijde van Carthago, waartoe zijne verloving met Sophonisbe, dochter van Hasdrubal, den zoon van Gisco, veel bijdroeg. Daarentegen was Syphax, koning der Massaesylii in W. Numidia, met de Rom. verbonden. Masinissa streed onder Hasdrubal, Hamilcars zoon, in Hispania tegen den rom. veldheer Scipio. De Carthagers zochten ook Syphax voor zich te winnen, hetgeen hun ook gelukte door hem de schoone Sophonisbe, Masinissa's verloofde, tot vrouw te geven. Inmiddels had Scipio na zijne overwinning bij Baecula (210) onderhandelingen met M. aangeknoopt, en had deze met de hem eigene schranderheid den staat van zaken doorzien, en begrepen dat de vriendschap van Rome voor hem voordeeliger zou wezen dan de overheersching door Carthago, welks zaken hij ook achteruit zag gaan. Het verlies zijner hartstochtelijk beminde Sophonisbe vervulde hem met bitteren haat jegens Carthago. Ondertusschen was zijn vader gestorven, diens opvolger en neef Capusa door een overweldiger Mezetulus vermoord, en toen M. naar zijn vaderland terugkeerde, had hij met Mezetulus, Syphax en de Carthagers te kampen en moest zich als gejaagd wild in eene grot in het gebergte schuil houden. Evenwel, de kans keerde; hij herwon een gedeelte van zijn erfland, en toen Scipio in 204 in Africa landde, verbond hij zich met hem. Syphax werd tweemaal verslagen en moest zich gevangen geven; in M's handen viel ook Sophonisbe. Om deze voor rom. gevangenschap te behoeden, wilde M. haar tot vrouw nemen, doch toen Scipio haar zonder genade opeischte, liet M. haar den gifbeker drinken. Na den slag bij Zama kreeg M. het grootste gedeelte van Syphax' rijk en regeerde nog ruim eene halve eeuw, tot 149. Daar de grenzen tusschen zijn gebied en dat van Carthago niet nauwkeurig bepaald waren, vond hij gelegenheid de Carthagers bij herhaling met allerlei eischen en strooptochten lastig te vallen, wat door de Rom., niettegenstaande Carthago's billijke klachten, niet werd tegengegaan. Eindelijk greep de verbitterde stad zelve naar de wapenen (149), waardoor de derde punische oorlog ontbrandde.

Masinissa. | -------------------------------------- | | | Micipsa Gulussa Mastanabal | | | ------------------ | | | | | Adherbal Hiëmpsal Massiva Jugurtha | afstammeling: Juba.

Afstammelingen van Masinissa.

Masistius, Masistios, aanvoerder der perzische ruiterij onder Xerxes, sneuvelde kort voor den slag bij Plataeae.

Masias mons, Masion oros, grensgebergte van Armenia en Mesopotamia.

Massaesylii, Massaisylioi, volk in W. Numidia.

Massagetae, Massagetai, ruw en woest nomadenvolk tot de Iraniërs behoorend; in de tijden van Cyrus woonden ze in de steppen tusschen de Caspische zee en het Aralmeer; in de dagen van Alexander den Groote woonden ze ten W. en N.W. van Sogdiane, aan den rechteroever van den Oxus.

Massicus (mons), berg in het N.W. van Campania, die de grens vormt tusschen Campania en Latium, beroemd door zijn heerlijken wijn.

Massilia, Massalia, thans Marseille, eene volkplanting der Phocensers, ongeveer 600 gesticht, reeds vroeg vrijwillig en dus door een foedus aequum met Rome verbonden. Massilia was een belangrijke koopstad, waar letteren en wetenschappen in hooge mate bloeiden, zoodat Cicero ze het gallische Athene noemde. Daarom was M. een geliefkoosd verblijf van rijke rom. ballingen. In den strijd tusschen Caesar en Pompeius koos de stad, die aan beiden verplichting had, in het eerst geen partij. Toen echter de aristocratie de onzijdigheid verbroken had door eene vloot van Pompeius op te nemen, werd M. door Caesar belegerd en na hardnekkige tegenweer en twee zeegevechten ingenomen. Het moest zware oorlogslasten dragen, doch bleef eene civitas libera et foederata en door handel bloeiende.

Massiva, 1) numidische prins, neef van Masinissa.--2) kleinzoon van Masinissa, te Rome door toedoen van Jugurtha vermoord.

Massylii, Massylioi, volk in het O. van Numidia.

Mastanabal, Mastanabas, jongste zoon van Masinissa en vader van Jugurtha.

Mastarna, z. Servius Tullius.

Mastiani, zie Bastetani en Bastuli.

Mastusia, Mastousia akra, 1) berg in Ionia, aan welks helling de stad Smyrna was gebouwd.--2) de zuidelijkste punt van de thracische Chersonesus.

Masurius Sabinus, beroemd jurist onder Tiberius en volgende keizers, overleden onder Nero. Naar hem heet de school van C. Ateius Capito de sabiniaansche.

Matiana, Matiane, Matiene, het N.W. gedeelte van Media, het latere Atropatene (z.a.).

Matieni, plebejisch geslacht.

Matinus, uitspringend gedeelte van den mons Garganus in Apulia, nabij Horatius' geboorteplaats Venusia.

Matisco, stad der Aedui in het O. van Gallia Transalpina, aan den Arar (Saône), thans Mâcon.

Matius, 1) C. Matius, rom. ridder uit den tijd van Caesar en Cicero, die hem beiden oprecht liefhadden en hoogachtten. Hij was een der edelste en oprechtste figuren van zijn tijd en dikwijls de raadsman van Caesar, bij wien hij ook Cicero's voorspraak was.--2) Cn. Matius, dichter van mimi, uit de 1ste eeuw. Er zijn nog fragmenten van over.

Matralia, z. Matuta.

Matrimonium. Een wettig huwelijk kon slechts gesloten worden, wanneer beide partijen het conubium hadden. De oudste vorm voor een rom. huwelijk was de confarreatio, daarna kwam de coëmptio in zwang; van beide huwelijksvormen was de conventio in manum het gevolg. De coëmptio echter op zich zelve constitueerde het huwelijk niet; dit geschiedde door de nuptiae, waarbij men openlijk ten overstaan van familie en bruiloftsgasten elkander tot man en vrouw aannam, wat bij de confarreatio ten overstaan van priesters geschiedde. Nuptiae zonder coëmptio waren dus ook geldig, er volgde geene manus uit. Zulk een huwelijksvorm werd usus genoemd. De manus kon dan wel verworven worden door een onafgebroken samenleving van een jaar. Een echtverbintenis kan verbroken worden door een handeling, overeenstemmende met den vorm, waaronder zij gesloten was, zie divortium. Uit een matrimonium iustum of legitimum volgde de patria potestas over de kinderen.

Matrona, thans Marne, zijtak der Sequana (Seine). Matrona mons, zie Alpes.

Matronalia, feest ter eere van Juno Lacina den 1sten Maart (Calendae feminarum) gevierd, waarbij getrouwde vrouwen in haar tempel op den Esquilinus om huwelijksgeluk baden en haar bloemen wijdden.

Mattiacae (aquae), thans Wiesbaden.

Mattiaci, germaansche volksstam, in het tegenw. Nassau, binnen den limes Germaniae Superioris wonende. In hun gebied hadden de Rom. sterkten aangelegd. De naam van één dezer castella is nog over in Castel tegenover Maintz. De Mattiaci behoorden tot de Catti.

Mattium, thans Maden, hoofdstad der Catten, aan de Adrana (Eder).

Matuta, Mater Matuta, godin van den dageraad en geïdentificeerd met Ino Leucothea. Bij haar feest op 11 Juli, Matralia genoemd, droegen de vrouwen de kinderen van hare zusters, en baden eerst voor deze, en daarna voor haar eigene, daar Ino het kind van hare zuster Semele had opgevoed. In werkelijkheid zal dit wel een overblijfsel zijn uit den tijd, dat men een andere opvatting had omtrent bloedverwantschap.

Matutinus (Pater), z. Ianus.

Mauretania of Mauritania, Mauritania, he Maurousion ge, het tegenw. Fez en Marokko met een stuk van Algerië, tot aan de rivier de Muluccha (z.a.). Het was rijk aan wild en tam gedierte, bosschen en in de oudheid ook aan koren. Het werd bewoond door een krijgshaftige bevolking, de Mauri of Maurusii, die niet zwart van kleur was, niet donkerder van tint dan de bewoners van zuidelijk Europa zijn. Eerst in den jugurthijnschen oorlog kwamen de Rom. met hen in aanraking. Tijdens Caesar heerschten over Mauretania Bocchus (z.a.) en Bogudes. In 25 werd het samen met West-Numidia aan Juba II (z.a.) als koninkrijk geschonken. Onder keizer Claudius werd het (in 42 n. C.) ingelijfd. Het eigenlijke Mauretania, met de hoofdstad Tingis (Tanger) werd M. Tingitana genoemd, het vroegere West-Numidia heette M. Caesariensis naar de hoofdstad Caesarea, vroeger Iol.

Mauri, Maurusii, Mauroi, Maurousioi, bewoners van Mauretania. De naam Mauri is afkomstig van de Romeinen.

Mausoleum, Mausoleion, het prachtige praalgraf, dat bij Halicarnassus voor Mausolus gesticht was door zijne weduwe Artemisia (z. a.). Op een eenigszins langwerpig voetstuk of onderbouw van ± 37 voet hoog verrees een tempel, omgeven door 36 corinthische zuilen. Op deze rustte een pyramidaal dak, van boven afgeknot en gekroond door een marmeren vierspan. Het geheel was rijk met beeldwerk versierd. Het werd door de ouden onder de zeven wonderen der wereld gerangschikt en kostte drie jaren tijds, terwijl de uitstekendste kunstenaars er aan arbeidden.--De Rom. gebruikten den naam mausoleum ook voor andere prachtige grafgebouwen, als: het mausoleum Augusti en het mausoleum Hadriani, welk laatste, schoon ontdaan van zijne versieringen en in een kasteel veranderd, nog te Rome bestaat onder den naam van Engelsburg.

Mausolus, Mausolos, -sollos, vorst van Carië (377-353), ondersteunde Rhodus, Chius, enz., in den bondgenootenoorlog tegen Athene. Naar hem is het Mausoleum (z.a.) genaamd.

Mavors = Mars.

Maxentius (M. Aurelius Valerius), rom. keizer 306-312 na C., zoon van Maximianus. Toen Diocletianus en Maximianus in 305 hunne keizerlijke waardigheid neerlegden, werden Constantius Chlorus en Galerius, die Caesars waren, tot den rang van Augustus verheven en Valerius Severus en Maximinus Daia tot Caesars benoemd. Constantius Chlorus stierf in 306, zijn zoon Constantinus werd Caesar in plaats van Severus, die Augustus werd. Maxentius, over zijne uitsluiting verbitterd, maakte zich te Rome van de regeering meester. Zijn vader kwam hem te hulp, doch daar dezen nu ook weder de lust tot heerschen bekroop en hij evenals de zoon weder den titel van Augustus aannam, ontstond er twist en Maximianus werd door Maxentius verdreven. Maxentius maakte zich spoedig veracht en gehaat, en Constantinus trok tegen hem op en versloeg hem in 312 bij den pons Milvius, ten N. van Rome. Op de vlucht verdronk Maxentius in den Tiber.

Maximianus (M. Aurelius Valerius), bijgenaamd Herculius, een ruw maar bekwaam soldaat, van geringe afkomst, klom door zijne wapenfeiten op en werd door Diocletianus in 285 na C. tot Caesar en in 286 tot Augustus benoemd. Hij streed in Gallia tegen de Bagauden, die hij onderwierp (285), aan den Rijn tegen Franken, Alamannen en Burgundi, en in Afrika. In 305 na C. legde hij, schoon niet vrijwillig, doch onder den drang van Diocletianus, met dezen zijne waardigheid neder. Zie verder Maxentius. Toen Maximianus door zijn zoon verdreven was, nam hij de wijk naar zijn schoonzoon Constantinus; doch toen hij dezen naar het leven stond, liet C. hem in 310 na C. ter dood brengen.

Maximinus (Iulius Verus), een Thraciër van reusachtigen lichaamsbouw en een dapper krijgsman, bij het leger zeer bemind, stond aan het hoofd van den opstand der Rijntroepen tegen Alexander Severus (235 na C.) en werd tot keizer uitgeroepen. Hij vocht flink tegen Germanen, Daciërs en Sarmaten, maar zijn woestheid en wreedheid, waaraan hij nu vrijen teugel vierde, verbitterde volk, senaat en zelfs de troepen. De senaat verklaarde hem in 238 vogelvrij en hij werd met zijn zoon en mederegent L. Julius Verus Maximinus door zijne eigene troepen in zijn legerkamp vóór Aquileia vermoord.

Maximinus (Galerius Valerius), heette oorspronkelijk Daia, maar kreeg zijn lateren naam van zijn oom, keizer Galerius, die hem adopteerde. Hij werd in 305 n. C. door Diocletianus tot Caesar benoemd en kreeg het bestuur over het Oosten. Hij was een nietswaardig vorst, zeer bijgeloovig, en een verbitterd vervolger van de Christenen. Bij de verwarring, door Maxentius teweeggebracht, nam ook hij den titel van Augustus aan, in 310. In 313 werd hij te Adrianopel door Licinius verslagen en stierf te Tarsus in Cilicia.

Maximus, familienaam in een aantal gentes, vooral in de gens Fabia (Fabii no. 14-23) voorkomende. Zie ook gens Valeria (Valerii no. 14 en 16).

Maximus (Magnus Clemens), een Hispaniër, wierp zich in 383 na C. in Britannia als tegenkeizer tegen Gratianus op. Na de vermoording van Gratianus werd hij door Theodosius als keizer in het W. erkend, onder voorwaarde dat de 12-jarige Valentinianus II, het zoontje van Gratianus, Italia en Africa zou behouden. Toen Maximus in 387 deze voorwaarde wilde schenden, zond Theodosius zijn veldheer Arbogastes, een Frank, tegen hem af, die hem versloeg en ter dood bracht (388) en Val. II in de heerschappij herstelde.

Maximus (Petronius), rom. senator, bracht in 455 na C. Valentinianus III om en dwong diens weduwe Eudoxia, hem te huwen. Toen Eudoxia vernam, dat Maximus de moordenaar van V. was, riep zij den vandaalschen koning Geiserik uit Africa te hulp (dit bericht is onjuist). Geiserik kwam, plunderde Rome uit en sleepte duizenden gevangenen, ook Eudoxia met twee dochters, naar zijne hoofdstad Carthago mede. Vóór zijne aankomst in Rome echter was Maximus reeds door het verbitterde volk vermoord.

Maximus Ephesius, nieuw platonisch wijsgeer, die te Ephesus en te Constantinopel leerde. Men zeide dat hij Iulianus van het Christendom afvallig gemaakt had, en op grond hiervan werd hij door den proconsul Festus ter dood veroordeeld.

Maximus Tyrius, een van de voorloopers der nieuw-platonische school, leefde onder de Antonijnen als leeraar der wijsbegeerte en welsprekendheid in Griekenland en te Rome. 41 verhandelingen van hem zijn bewaard gebleven.

Maxyes, Maxyes, een volksstam in Africa aan het Triton-meer; zij beweerden, volgens het verhaal van Herodotus, van de Trojanen af te stammen, verfden zich met menie, en lieten het haar alleen aan de rechterzijde groeien.

Mazaca, ta Mazaka = Caesarea ad Argaeum.

Mazaetullus, zie Mezetulus.

Mazaeus, Mazaios, perzisch veldheer onder Darius Codomannus; hij liet de Macedoniërs ongehinderd over den Euphraat trekken, maar streed dapper bij Arbela; toen de slag echter in het voordeel der Macedoniërs beslist was, trok hij zich naar Babylon terug en gaf hij die stad zonder tegenstand over; daarvoor maakte Alexander hem satraap van Babylonië. Hij stierf kort daarna (328).

Mecone, Mekone, oude naam van Sicyon.

Mecyberna, Mekyberna, havenstad van Olynthus op Chalcidice, ten O. van Olynthus.

Medaura = Madaura.

Medea, Medeia, dochter van Aeetes en Idyia, berucht door hare tooverkunsten. Uit liefde voor Iason (z. a.) gaf zij hem de middelen aan de hand om de gouden vacht meester te worden en daarna vluchtte zij met hem uit haar vaderland en werd zij zijne gemalin. Toen Iason Iolcus belegerde, wist zij in de stad te komen en bewerkte zij op listige wijze den dood van Pelias (z. a.). Daardoor werd Iolcus genomen, Iason moest echter spoedig weder het land verlaten en ging met haar naar Corinthe, waar zij geruimen tijd gelukkig leefden en drie kinderen kregen. Toen Iason haar echter verstiet om met Creusa (no. 4) te huwen, ruimde zij deze door hare toovermiddelen uit den weg en doodde zij hare eigen kinderen om zich op Iason te wreken; daarna vluchtte zij naar Athene, waar zij bij Aegeus een zoon kreeg, dien zij Medus noemde, maar weldra moest zij ook van hier vluchten daar zij Theseus belaagde; zij ging met haar zoon naar Aria, waarvan de bewoners sedert Mediërs genoemd werden. Na haar dood werd zij in het Elysium geplaatst en huwde zij met Achilles.

Medeon, Medeon, naam van verschillende steden. 1) in Acarnania bij de Ambracische golf.--2) op de kust van Phocis, in den heiligen oorlog verwoest.--3) in Boeotia aan het Copaïsche meer.--4) in Dalmatia bij Scodra (Scutari).

Media, Media, hoogst belangrijk en volkrijk land van Azië, in het N.W. van Ariana. Deioces (709) wordt als de stichter van het medische rijk genoemd en van de hoofdstad Ecbatana. De oude hoofdstad was Rhagae. Dit rijk breidde zich ook buiten Media uit, o. a. over het stamverwante Persis. Met Cyrus ging de heerschappij van het medische vorstenhuis in het perzische over (560). Alexander d. G. splitste Media in twee gewesten: Groot-Medië en Atropatene. Bij dichters is dikwijls Medoi, Medi = Perzen, Medi ook wel = Parthen, Medum flumen = Euphraat.

Mediae murus, to Medias teichos. Deze muur, 20 parasangen lang, 100 voet hoog, 20 voet dik, uit gebakken steen opgetrokken en van poorten voorzien, liep van den Euphraat tot den Tigris, van boven Sipphara naar Sittace, en boven het kanalengebied van Babylonia en vormde de scheiding tusschen Mesopotamia en Babylonia, om dit laatste tegen invallen van die zijde te dekken. Volgens de overlevering heeft Semiramis, in werkelijkheid Nebucadnezar den muur gebouwd, om Babylon tegen aanvallen der Meden te beveiligen.

Medimnus, medimnos, grieksche inhoudsmaat voor droge waren = 52.5 L.

Mediolanum, Mediolanion (de lat. uitgang -ium komt slechts voor bij het tegenw. Milaan), naam van verschillende gallische steden. 1) in Gallia Transpadana, thans Milaan, dat in opschriften steeds Mediolanium heet. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49 municipium. In den keizertijd is het zeer belangrijk; in de 4de eeuw n. Chr. is het een der residentiesteden, en woonplaats van den praefectus praetorio Italiae.--2) in Gallia Transalpina bij de Santones, thans Saintes; bij de Eburovices, thans Evreux; bij de Bituriges.--3) ook bij de Ordovices, in Britannia.

Mediomatrici, volksstam in Belgica, aan de Mosella (Moezel). Hoofdstad Divodurum (Metz).

Medion = Medeon no. 1.

Medius Fidius, zie Dius Fidius.

Medma, grieksche kolonie aan de Westkust van het land der Bruttii, aan een gelijknamig riviertje.

Medoacus, Medoakos, rivier in Gallia Transpadana, die langs Patavium (Padua) stroomt en zich in de lagunen der Adriatische zee stort, thans Brenta.

Medobriga, Mundobriga, stad in Lusitania, dicht bij den mons Herminius, ten N. van den Tagus (Taag).

Medocus, Medokos, vorst der Odrysen, vriend van Alcibiades, in 389 door Thrasybulus tot een bondgenootschap met de Atheners overgehaald.

Medon, Medon, 1) zoon van Oileus, vluchtte wegens een moord naar Phylace; voor Troje werd hij door Aeneas gedood.--2) zoon van Codrus, wordt de eerste der atheensche archonten genoemd, waarschijnlijker is het echter dat hij de koninklijke waardigheid van zijn vader erfde, en dat onder zijne regeering het archontaat als een afzonderlijk ambt is ingesteld. Hij was de stamvader der Medontiden, in welk geslacht de waardigheid van archont tot 714 erfelijk bleef.--3) lacedaemonisch beeldhouwer omstreeks 600.

Meduli, volkje in Aquitania, aan den mond der Garumna aan den linker oever, omstreeks het tegenw. Medoc.

Medulli, volkje aan de Alpenhellingen in Gallia Narbonensis, aan de bronnen der Druentia (Durance), ten N. der Caturiges.

Medullia, oude latijnsche stad tusschen den Tiber en den Anio.

Medullinus, familienaam in de gens Furia.

Medus, Medos, rivier in Persis, stroomt langs Persepolis.

Medusa, Medousa, eene van de Gorgonen, de eenige die sterfelijk was, door Perseus (z.a.) onthoofd. Uit haar romp kwamen Chrysaor en het paard Pegasus (Medusaeus equus) te voorschijn, die Poseidon bij haar verwekt had. Haar hoofd werd door Athena op de aegis geplaatst.

Mefitis = Mephitis.

Megabates, Megabates, perzisch veldheer, die op raad van Aristagoras (z.a.) door Darius Hystaspis uitgezonden werd om Naxus te veroveren; om Aristagoras tegen te werken verried hij het plan aan de Naxiërs, zoodat de onderneming mislukte.

Megabazus, Megabazos, 1) veldheer van Darius Hystaspis, die den tocht naar Scythië medemaakte en na den terugkeer van Darius Thracië onderwierp.--2) zoon van Megabates, aanvoerder van de vloot van Xerxes.--3) werd door Artaxerxes I naar Griekenland gezonden om de Spartanen tot een inval in Attica te bewegen, toen de Atheners den opstand van Inaros ondersteunden; hij moest echter onverrichter zake terugkeeren.

Megabyzus, Megabyzos, 1) een van de saamgezworenen tegen den gewaanden Smerdis.--2) zoon van Zopyrus, een van de veldheeren van Xerxes, onder Artaxerxes I satraap van Syrië, overwon Inaros en de met hem verbonden Atheners, en maakte een einde aan den opstand van Aegypte (454). Ontevreden over de handelwijze van den koning tegenover de overwonnenen, stond hij op en, hoewel hij zich spoedig met Artaxerxes verzoende, bleef hij altijd verdacht; hij werd verbannen, ging naar Creta, doch kwam heimelijk naar Susa terug, waar hij eindelijk weder in genade aangenomen werd.

Megacles, Megakles, 1) Alcmaeonide, atheensch archont tijdens den opstand van Cylon, wiens aanhangers hij in strijd met zijne belofte liet dooden.--2) kleinzoon van den vorigen, aanvoerder der gematigde partij in de burgertwisten na Solon's vertrek uit Athene, moest voor Pisistratus vluchten (560), kwam daarna terug, en dwong op zijn beurt Pisistratus tweemaal Athene te verlaten, doch moest eindelijk voor goed voor zijn vijand het veld ruimen (537).--3) kleinzoon van den vorigen, zoon van Clisthenes no. 2, grootvader van Alcibiades, overwinnaar in de pythische spelen, tweemaal door het ostracismus verbannen.--4) kleinzoon van no. 2, oom van Pericles.--5) vriend van Pyrrhus van Epirus, sneuvelde in den slag bij Heraclea.

Megaera, Megaira, eene van de Erinyen.

Megalesia, of ludi Megalenses, feesten, in April gevierd ter eere der magna mater, Cybele. Zij gingen vergezeld van tooneelvoorstellingen, en wedrennen, en duurden zes dagen, gedurende welke men elkander wederkeerig ter maaltijd noodigde. De patricische vrouwen verrichtten daarbij nagenoeg dezelfde plechtigheden als de plebejische bij de kort daarop volgende Cerealia (z.a.). De priesters van Cybele, de Galli, hielden dan optochten door Rome. De Ludi Megalenses zijn ingesteld in 204, en met de inwijding van den tempel der Magna Mater op den Palatinus in 191 annui geworden (z. Ludi).

Megalopolis, Megale polis, Megalopolis, stad in het Z. van Arcadia, in 371 door Epaminondas gesticht als grensvesting tegen Sparta en kunstmatig bevolkt met de inwoners van bijna veertig naburige plaatsen, zoodat het tusschen 60- en 70000 inwoners telde. Later trad de stad tot het achaeïsch verbond toe (zie Lydiadas), doch werd in 226 door Cleomenes van Sparta ingenomen en verwoest. Ofschoon zij binnen weinige jaren herbouwd werd, kwam zij toch niet meer tot bloei, maar verviel meer en meer. Megalopolis was de geboorteplaats van Philopoemen en Polybius.

Megalophanes, Megalophanes, z. Ecdemus.

Megapenthes, Megapenthes, 1) zoon van Proetus, regeerde over Tiryns, maar ruilde zijn rijk met Perseus en werd zoo koning van Argos.--2) zoon van Menelaus, verdreef na den dood van zijn vader zijne stiefmoeder Helena uit Sparta.

Megara, Megara, dochter van Creon no. 3, gehuwd met Heracles en later met Iolaus.

Megara (gen. Megarae en -orum), ta Megara, hoofdstad van het staatje Megaris, op den Isthmus, met de havenstad Nisaea en den burcht Alcathoë. Megara was de geboorteplaats van den dichter Theognis en den wijsgeer Euclides, den leerling van Socrates.--Over Megara op Sicilia, zie Hybla.

Megareus, Megareus, gewoonlijk Menoeceus, zoon van Creon no. 2, benam zich vrijwillig het leven, toen Thebe door de zeven vorsten belegerd werd, dewijl Tiresias voorspeld had, dat slechts door het offer van een der Sparti de Thebanen in den oorlog overwinnaars konden zijn.

Megareïus, Hippomenes, zoon van Megareus.

Megarici, wijsgeeren uit de megarische school, z. Euclides no. 3.

Megaris, Megaris, klein gewest van Griekenland, aan en op den Isthmus, eerst door Ioniërs bevolkt, doch door de Doriërs veroverd. Het staatje lag dikwijls met Athene overhoop en had het dan meestal zwaar te verantwoorden, wanneer de Atheners door afsluiting der grenzen den invoer en het verkeer stremden. Dit was te gemakkelijker, omdat Megaris van Attica door een bergrij gescheiden was, waardoor een pas liep, in de rotsen uitgehouden, terwijl de bergpas, die over den Cithaeron naar Boeotia voerde, niet zonder gevaar was.

Megasthenes, Megasthenes, 1) van Chalcis, stichter van Cumae in Campanië.--2) vriend en raadsman van Seleucus Nicator, door dezen veelal voor zendingen naar het buitenland gebruikt. Zoo kwam hij dikwijls in Indië, waar hij de bouwstoffen verzamelde voor een werk over Indië (Indika), waarvan nog enkele fragmenten bestaan. Aan hem danken wij de berichten over de Indische kasten, over Boeddhisten en Brahmanen.

Meges, Meges, zoon van Phyleus, voor Troje aanvoerder der Epeërs of van de troepen uit Dulichium en de Echinaden.

Megiddo, Mageddo, oude stad in Palestina, in het Z.W. van Galilaea. In de nabijheid ontstond later uit eene rom. legerplaats de stad Legio.

Megista, Megiste, eilandje en havenstad op de kust van Lycia.

Megistias, Megistias, waarzegger uit Acarnanië, behoorde tot het leger van Leonidas en sneuvelde bij de Thermopylae.

Megistus, Megistos = Macestus.

Mela (M. Pomponius), uit Hispania, schrijver van een aardrijkskundig werk de chorographia of de situ orbis in 3 boeken. Hij leefde in den tijd der keizers Caligula en Claudius. Zijn werk is waarschijnlijk eerst na 46 n. Chr. uitgekomen.

Melae of Meles (gen. -ium), vlek in Samnium.

Melaena, Melaina, kaap aan de Noordpunt van den berg Mimas, in Ionia, ook Promonturium Atrum geheeten.

Melampus, Melampous, zoon van Amythaon en Idomene. Toen hij eens als kind in slaap gevallen was, kropen slangen over zijn lichaam en likten zijne ooren; sedert dien tijd verstond hij de taal der vogels en kon hij de toekomst voorspellen. Zijn broeder Bias dong naar de hand van Pero, de dochter van Neleus, die door haar vader beloofd was aan dengene, die hem de runderen van Iphiclus uit Thessalië zoude brengen. Nadat Bias hiertoe vergeefsche pogingen had aangewend, ondernam Mel. het, ze voor hem te halen, maar voorspelde dat hij ze eerst zou krijgen, na een jaar in de gevangenis doorgebracht te hebben. Inderdaad werd hij door Iphiclus gevangen genomen, maar toen hij na eenigen tijd verzocht naar een ander huis verplaatst te worden, omdat hij van houtwormen gehoord had dat de balken van dat, waarin hij zich bevond, geheel doorgeknaagd waren, zoodat het spoedig zoude instorten, en toen deze voorspelling inderdaad bewaarheid werd, erkende Iphiclus zijne voortreffelijkheid als ziener, en nadat Mel. hem de middelen had aan de hand gedaan, waardoor zijn huwelijk met kinderen gezegend zou worden, gaf hij hem de runderen vrijwillig mede. Eenigen tijd woonde Mel. nu in Messene, later genas hij de vrouwen van Argos van waanzin (z. Proetides); tot belooning kreeg hij, evenals Bias, een derde van het rijk, en huwde hij met Iphianassa, de dochter van koning Proetus.--V. s. had Mel. den dienst van Dionysus in Griekenland ingevoerd.

Melanchlaeni, Melanchlainoi, (zwartmantels), nomadenvolk in aziatisch Sarmatia.

Melanchrus, Melanchros, tyran van Mytilene, door Pittacus, Alcaeus en twee broeders van dezen gedood.

Melanippe, Melanippe, 1) dochter van Chiron, die aan Aeolus hare liefde schonk. Toen zij moeder worden zou, vluchtte zij uit vrees voor haar vader; op haar gebed werd zij door Artemis in een paard veranderd.--2) moeder van Aeolus (z. a.) en Boeotus.--3) eene Amazone, zuster van Hippolyte. Heracles nam haar gevangen, en liet haar niet vrij, voordat de koningin hem haar gordel gegeven had.--4) eene van de Meleagrides.

Melanippides, Melanippides, twee dithyrambendichters van Melus, grootvader en kleinzoon; met den laatsten, die op het einde der 5de eeuw leefde, begint het verval van deze dichtsoort.

Melanippus, Melanippos, 1) Thebaan, zoon van Astacus, gedroeg zich dapper bij de verdediging van Thebe tegen de zeven vorsten; hij versloeg Tydeus (z. a.), maar werd door Amphiaraus gedood.--2) een van de zonen van Agrius, die Oeneus van de regeering beroofden, waarvoor hij door Diomedes gedood werd.--3) zoon van Theseus en Periguna, de dochter van Sinis, overwinnaar in de nemeïsche spelen.

Melanthius, Melanthios, 1) geitenhoeder van Odysseus, maakte zich gedurende de afwezigheid van zijn heer aan ontrouw schuldig, en werd hij diens terugkomst op wreede wijze gedood.--2) aanvoerder der atheensche troepen, die aan Aristagoras van Miletus te hulp gezonden werden.--3) atheensch treurspeldichter, zoon van Philocles no. 1, vriend van Cimon.--4) van Rhodus, leerling van Carneades, bekend om zijn aangename wijze van voordragen.--5) schilder van de sicyonische school, leerling van Pamphilus. Hij leefde in de 4de eeuw.

Melantho, Melantho, 1) dochter van Deucalion, bij Poseidon moeder van Delphus.--2) een van de dienstmaagden in het huis van Odysseus, zij werd bij zijn terugkomst wegens haar ontrouw gedood.

Melanthus, Melanthos, zoon van Andropompus, koning van Messene, werd door de Heracliden verdreven en ging naar Attica. Toen Xanthus, de koning der Boeotiërs, een inval in Attica had gedaan, waagde Mel. een tweegevecht met hem, wat de atheensche koning Thymoetes geweigerd had te ondernemen. Gedurende het gevecht verscheen Dionysus achter Xanthus, en toen Mel. hem verweet dat hij niet alleen was, keerde X. zich om, en van dit oogenblik maakte zijn tegenstander gebruik om hem te doorsteken. Mel. werd koning van Attica, en ter herinnering aan de door bedrog behaalde overwinning werd, naar men zegt, het feest der Apaturia ingesteld.

Melas, Melas, naam van verschillende rivieren, die donker van kleur waren. 1) in Thracia, die ten W. der thracische Chersonesus in den sinus Melas, Melas kolpos, valt.--2) in het thessalische landschap Phthiotis, zijtak van den Apidanus.--3) in Malis, stroomde langs Heraclea in de malische golf uit.--4) in Boeotia, tusschen Orchomenus en Aspledon, ontlast zich in het Copaïsche meer.--5) op Sicilia bij Mylae.--6) op de grenzen van Pamphylia en Cilicia.

Melcarth, Melikarthos, phoenicisch zonnegod, door de Grieken met Heracles geïdentificeerd; hij werd vooral te Tyrus vereerd. Zie Melicertes.

Meldae of Meldi, Meldai, -doi, gallisch volk bij de Sequana en den Matrona, met de hoofdstad Iatinum (Meaux).

Meleager, Meleagros, 1) zoon van Oeneus en Althaea, geducht speerwerper, nam deel aan den Argonautentocht en was de aanvoerder van de calydonische jacht. Toen deze jacht was afgeloopen, ontstond over den kop en de huid van het gedoode dier, den prijs der overwinning, een bloedigen strijd tusschen de Aetoliërs en de Cureten; zoolang Mel. medestreed, behielden de Aetoliërs de overhand, maar toen zijne moeder hem vervloekte, omdat hij een van hare broeders in het gevecht verslagen had, trok hij zich terug, en de nood was hoog bij de Aetoliërs gestegen, eer hij zich door de beden zijner gemalin liet bewegen zich weder bij de strijdenden te voegen. Hij redde zijne landgenooten, maar werd zelf door Apollo met een pijl gedood.--V. a. waren op den zevenden dag na zijne geboorte de Moerae in de kamer zijner moeder gekomen en hadden gezegd, dat hij sterven zoude, zoodra een op den haard liggend stuk hout verbrand zoude zijn. Daarop nam Althaea het blok haastig uit het vuur en bewaarde het zorgvuldig. Na afloop van de calydonische jacht vereerde Mel. de schoone Atalante, die het zwijn de eerste wond had toegebracht, met de huid van het dier, maar de broeders van Althaea ontnamen haar die met geweld, waarop Mel. hen doodde. Hierover vertoornd, wierp zijne moeder het stuk hout op het vuur, waarop Mel. spoedig stierf.--2) veldheer van Alexander den Gr., bewerkte dat na diens dood Philippus Arrhidaeus tot koning uitgeroepen werd, door wien hij hoopte nevens Perdiccas de grootste macht in handen te krijgen. Deze doorzag echter zijn plan en liet hem met zijne aanhangers bij eene wapenschouwing dooden.--3) zoon van Ptolemaeus Lagi, regeerde na den dood van Ptolemaus Ceraunus twee maanden over Macedonië; daarna werd hij wegens zijne onbekwaamheid weggejaagd.--4) van Gadara, geestig epigrammendichter, maakte ook eene bloemlezing van oudere epigrammen; hij leefde omstreeks 80.

Meleagrides, Meleagrides, vier zusters van Meleager, waarvan twee aanhoudend den dood van haar broeder beweenden, totdat zij door Artemis in parelhoenders veranderd werden.

Meles, gen. -etis, Meles, kustriviertje bij Smyrna; in eene bij de bron gelegen grot zou Homerus zijne werken hebben gedicht. Vandaar Melesigenes = Homerus, en bij Tibultus Meleteae chartae = de gedichten van H.

Melesses (Maesesses), een afdeeling der Bastetani, in het Z. van Tarraconensis, met de hoofdstad Oringis (Orongis), en met zilvermijnen in zijn gebied.

Melete, Melete, eene van de boeotische Muzen.

Meletus, Meletos, 1) Athener, verdacht van oligarchische gezindheid en betrokken in het Hermocopidenproces.--2) een van de aanklagers van Socrates. V. s. werd hij kort na Socrates ter dood veroordeeld.--3) tragisch dichter, einde van de vijfde eeuw, misschien de vader van no. 2.

Melia, Melia, 1) nimf, dochter van Oceanus, bij Inachus moeder van Phoroneus en Aegialeus of Phegeus.--2) nimf, bij Poseidon moeder van Amycus.--3) dochter van Oceanus, door Apollo geschaakt en bij hem moeder van Ismenius en Tenerus.

Meliades, Meliades, Meliai, nimfen, ontstaan uit de bloeddruppels van den verminkten Uranus; zij worden ook voedsters van Zeus genoemd.

Melibocus mons, het Harz-gebergte.

Meliboea, Meliboia, 1) Oceanide, bij Pelasgus moeder van Lycaon.--2) dochter van Niobe, de eenige die niet door Artemis gedood werd. Zie Chloris no. 2.

Meliboea, Meliboia, zeestad van het thessalische landschap Magnesia, aan den voet van den Ossa gelegen, woonplaats van Philoctetes, Meliboeus dux.

Melicertes, Melikertes, zoon van Athamas (z. a.) en Ino, na zijn dood onder den naam Palaemon onder de godheden der zee opgenomen, door de Romeinen met Portunus geïdentificeerd. Velen meenen dat hij dezelfde is als de phoenicische god Melcarth. V. s. waren de isthmische spelen oorspronkelijk als lijkfeesten voor Mel. ingesteld, maar later door Theseus aan Poseidon gewijd.

Melinno, Melinno, lyrische dichteres uit Locri Epizephyrii, die misschien tegen het einde der eerste eeuw leefde. Van haar bestaat nog een kort gedicht, dat soms aan Erinna wordt toegeschreven.

Melische poëzie, z. Lyrische poëzie.

Melissa, Melissa, eene nimf, die den menschen het gebruik van honig leerde. Soms worden nimfen in het algemeen melissai genoemd, en ook de priesteressen van Demeter en van de ephesische Artemis dragen denzelfden naam.

Melisseus, Melisseus, koning van Creta, vader van Adrastea en Ida, de opvoedsters van Zeus.

Melissus, Melissos, 1) Thebaan, zoon van Telesiades, overwinnaar in de nemeïsche spelen.--2) van Samus, admiraal in den oorlog tegen Athene; Pericles leed eenmaal door hem eene nederlaag (441). Als wijsgeer behoorde hij tot de eleatische school; hij was een leerling van Parmenides, en trachtte in zijne geschriften de eenheid, eeuwigheid, onveranderlijkheid en onbewegelijkheid van het bestaande te bewijzen.--3) C. Mel., van Spoletium, vrijgelatene van Maecenas, schrijver van kluchten (ineptiarum libellus).--4) Aelius Mel., romeinsch grammaticus, schrijver van een werk de loquendi proprietate, leefde in de 2de eeuw na C.

Melita, Melite, thans Malta, eil. tusschen Sicilia en Africa, beroemd door het melitensisch lijnwaad en bekend door de catuli Melitaei of maltezer schoothondjes. Het eil. was eerst phoenicisch, toen carthaagsch, daarna rom.--Ook een eilandje op de dalmatische kust.

Melitaea, Melitaia, -iteia, oude stad in het thessalische gewest Phthiotis; aan den Enipeus.

Melitene, Melitene, stad en landschap in het O. van Cappadocia.

Mellaria, naam van twee steden in Baetica, de ééne ten N. van Corduba, in Baeturia, de andere aan het fretum Gaditanum (straat van Gibraltar).

Melleirenes, aanstaande eirenes, spartaansche jongelingen van 18 tot 20 jaar.

Mellepheboi, aanstaande epheboi, atheensche jongelingen van 15 tot 16 jaar.

Mel(l)on, Mel(l)on, rijk Thebaan, moest vluchten toen de Cadmea door de Spartanen bezet werd (382). Later beijverde hij zich zeer voor de bevrijding van Thebe en was hij tegelijk met Pelopidas boeotarch.

Melodunum, stad in Gallia op een eiland, door de Sequana (Seine) omspoeld, in het gebied der Senones, thans Melun.

Melpomene, Melpomene. Muze van muziek en zang, in het bizonder van het treurspel. Zij wordt afgebeeld met een tragisch masker in de hand en een krans op het hoofd.

Melus, Melos, thans Milo, eiland in de Aegaeische zee, tot de Sporaden gerekend, doch zeer W. en nabij de Cycladen gelegen. Door de ouden werd het rond of appelvormig genoemd, en de naam afgeleid van melon, appel; dezen vorm heeft het schijnbaar, wanneer men van het W. het eiland nadert, in werkelijkheid is het alles behalve rond. Het heeft een diepen inham, waaraan de gelijknamige stad lag. De bevolking was dorisch. In den peloponnesischen oorlog werd het eil. door de Atheners geblokkeerd en uitgehongerd (416), vandaar spreekwoordelijk limos Melios. Na de overgaaf werden de mannen omgebracht, en vrouwen en kinderen als slaven verkocht, en atheensche kolonisten er heen gezonden. De bodem van het eiland was warm door vulkanische werking, doch de opstijgende zwaveldampen waren zeer hinderlijk.

Memmia (lex) van den volkstribuun C. Memmius in 111, dat Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome moest ontboden worden, om te verklaren, wie geld van hem hadden aangenomen.

Memmii, plebejisch geslacht, dat van Aeneas' tochtgenoot Mnestheus beweerde af te stammen. 1) C. Memmius, volkstribuun in 111, zette het volk op tegen de optimaten, die de eer van Rome veil hadden voor het goud van Jugurtha, en bewerkte dat de senaat een leger tegen hem afzond. Toen hij in 100 met den woesten C. Servilius Glaucia naar het consulaat dong, werd hij door dezen en diens medestander Saturninus in de volle volksvergadering om het leven gebracht.--2. C. Memmius, ten onrechte Gemellus genoemd, volkstribuun in 66, praetor in 58 en vervolgens propraetor in Bithynia, werd later wegens omkooping veroordeeld en ging in ballingschap naar Griekenland, waar hij in 47 stierf. Hij was een goed redenaar. Aan hem droeg Lucretius zijn gedicht de rerum natura op. Hij stond in geregelde briefwisseling met Cicero.--3) C. Memmius, stiefzoon van Sulla en volkstribuun in 54, klaagde A. Gabinius en C. Rabirius Postumus aan, die door Cicero werden verdedigd.--4) P. Memmius Regulus steunde Macro bij zijn pogingen om Seianus ten val te brengen. Later was hij proconsul van Achaia, Macedonia en Moesia (sedert 36 n. C.). Caligula dwong hem zijne vrouw Lollia Paullina aan hem af te staan. Hij stierf in 61.

Memnon, Memnon, 1) zoon van Tithonus en Eos, kwam met de Aethiopiërs van het Oosten (z. Aethiopes) Priamus te hulp en verrichtte vele heldendaden, o. a. doodde hij Antilochus; eindelijk werd hij door Achilles verslagen. Om Eos te troosten, gaf Zeus hem de onsterfelijkheid. Uit zijn brandstapel stegen vogels op (Memnonides), die ieder jaar zijn graf bezoeken en daar te zijner eere een wedstrijd houden.--Door eene verwarring tusschen de oostelijke en westelijke Aethiopiërs zijn vele verhalen omtrent M. ontstaan, die moeielijk met elkander zijn overeen te brengen; zijn graf toonde men aan den Hellespont, in Phoenicië en in Aethiopië, en verscheiden kolossale gebouwen werden naar hem genoemd, o. a. de koningsburcht van Susa Memnonia, en vooral een reusachtig beeld bij Thebe in Aegypte, waarvan door een aardbeving het bovenste gedeelte afgebroken was, en dat sedert dien tijd, wanneer het door de opgaande zon beschenen werd, een geluid gaf als een springende snaar. Uit het onderzoek van de nog bestaande overblijfsels van dit beeld is gebleken, dat het den oud-aegyptischen koning Amenophis III (omstreeks 1500) voorstelde.--2) van Rhodus, bekwaam aanvoerder der grieksche huurtroepen van Darius Codomannus. Bij den inval van Alexander den G. stelde hij voor Klein-Azië prijs te geven, met de vloot Alexander van Europa af te snijden, en in Griekenland en Macedonië bewegingen tegen hem in het leven te roepen; zijn raad werd echter niet opgevolgd. Na den slag bij den Granicus verdedigde hij Miletus en Halicarnassus, veroverde hij als bevelhebber der vloot Chius, Lesbus, enz., en stelde hij zich in betrekking met Agis; reeds was hij op het punt naar Europa over te steken, toen hij bij het beleg van Mytilene ziek werd en stierf (334).--3) schrijver van eene geschiedenis van het pontische Heraclea, waarvan enkele fragmenten bestaan. Hij leefde in de tweede eeuw na C.

Memphis, Memphis, oude belangrijke stad van Aegypte, even boven het begin der Nijldelta, 5 uren gaans in omtrek, met prachtige tempels en paleizen. Vooral de god Phtha en de stier Apis werden hier vereerd. In den omtrek vond men een aantal pyramiden.

Men, Men, 1) maangod bij de Phrygiërs.--2) = Menes.

Menae, Menai, bergstad der Siculi, aan den weg van Catana naar Gela, geboorteplaats van Ducetius. In de nabijheid lag de bron Menaïs, waarbij de inwoners zwoeren.

Menaechmus, Menaichmos, 1) van Naupactus, beeldhouwer omstreeks 500.--2) van Sicyon, tijdgenoot van Alexander den G., beeldhouwer en geschiedschrijver.--3) wiskundige, van wiens werken een fragment bewaard is. Van zijn leven is niets bekend.

Menaenum, Menainon, stad der Siculi, ten W. van Syracusae, stichting van Ducetius.

Menalippe = Melanippe.

Menander, Menandros, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, nam deel aan den tocht naar Sicilië en aan den slag bij Aegospotami.--2) zoon van Diopithes, geb. 342, vriend van Theophrastus, Epicurus en Demetrius Phalereus. Hij is de voornaamste dichter der nieuwe attische comedie en schreef, naar men meent, meer dan 100 stukken, waarvan de juiste karakterteekening, de goed gevonden toestanden en de beschaafde toon geroemd worden. Slechts achtmaal werd hem een prijs toegekend, toch waren zijne werken zoo bekend, dat Ptolemaeus Lagi hem trachtte over te halen naar Alexandrië te komen; hij bleef echter te Athene, waar hij, 52 jaar oud, in het bad verongelukte. Van zijne comedies zijn sommige door Terentius e. a. in het Latijn bewerkt. Tal van verzen uit zijne werken worden door lateren geciteerd; ook zijn nog zeer onlangs belangrijke fragmenten van sommige stukken van hem gevonden.--3) van Ephesus, schrijver eener geschiedenis van Phoenicië.--4) leerling van Diogenes no. 2.

Menapii, Menapioi, belgisch volk, dat door de Usipetes en Tencteri van den Rijn tot over de Mosa (Maas) werd gedrongen, te midden van bosschen en moerassen. Het castellum Menapiorum is òf het tegenw. Kessel op den linker Maasoever tusschen Roermond en Venlo, òf, daar de Menapii later meer westelijk wonen, Cassel in het Departement du Nord, dat ook wel voor een Castellum Morinorum aangezien wordt. Verder ligt in hun land Turnacum, tgw. Doornik.

Menas, Menas = Menodorus.

Mende of Mendae, Mende, Mendai, kolonie van Eretria, op het chalcidische schiereiland Pallene, aan de golf van Thermae.

Mendes, gen. -etis, Mendes, stad in de Nijldelta aan den mendesischen rivierarm, zetel van den eeredienst van den God Mendes, die als zinnebeeld der voortbrengende natuurkracht onder de gedaante van een bok werd voorgesteld en door de Grieken met Pan werd vereenzelvigd.

Mendesium ostium, Mendesion stoma, een van de Nijlmonden, ten O. van den Phatnitischen mond gelegen.

Mene, Mene = Selene.

Menecles, Menekles, beroemd rhetor van Alabanda, wiens voordrachten Cicero hoorde.

Meneclidas, Menekleidas, thebaansch volksredenaar, vijand van Epaminondas en Pelopidas, wegens zijn kuiperijen tot geldboete veroordeeld.

Menecrates, Menekrates, 1) wijsgeer der eleatische school, leerling van Xenophanes, schrijver van aardrijkskundige werken.--2) van Syracuse, geneesheer ten tijde van Philippus van Macedonië, die zich door zijne ijdelheid belachelijk maakte.--3) verdienstelijk geneesheer onder Tiberius.--4) vrijgelatene van Pompeius, aanvoerder van de vloot van Sextus Pompeius; in een zeeslag bij Cumae werd zijn schip genomen en hij stortte zich in zee.--5) citharoede, in groot aanzien bij Nero.

Menedemus, Menedemos, 1) veldheer van Alexander d. G.--2) van Eretria, zoon van Clisthenes, leerling van Plato en Stilpo, daarna leeraar der wijsbegeerte te Eretria, en stichter der eretrische school. Hij bekleedde er aanzienlijke staatsambten, maar werd van verraad beschuldigd en vluchtte naar Antigonus Gonatas. Zijne leefwijze was eenvoudig en zijn omgang aangenaam, bij voorkeur hield hij zich bezig met de studie van oude dichters.--3) van Lampsacus, cynisch wijsgeer van de uiterste richting.--4) rhetor te Athene omstreeks 94.--5) Macedoniër; die door zijn gastvriend Iulius Caesar het romeinsche burgerrecht kreeg.

Menelai portus, Menelaios limen, havenstad in het O. van Cyrenaica, in het gebied der Gilligammae, volgens de mythe door Menelaus gesticht. Hier stierf Agesilaus van Sparta in 358 op den terugweg uit Aegypte.

Menelaium, Menelaion, berg in Laconica ten Z.O. van Sparta, bij Therapne, met een heiligdom voor Menelaus.

Menelaus, Menelaos, 1) zoon van Atreus of Plisthenes, broeder van Agamemnon (z. a.), gehuwd met Helena (z. a.), de dochter van Tyndareos, van wien hij de regeering over Sparta erft. Aan den trojaanschen oorlog neemt hij met 60 schepen deel, hij gaat met Odysseus naar Troje om Helena terug te vorderen, maar deze eisch wordt afgewezen. In den oorlog verricht hij onder bescherming van Athena en Hera vele heldendaden, hij overwint Paris in een tweegevecht, ofschoon Aphrodite zijn vijand uit zijne handen redt, strijdt met Hector en Aeneas, verdedigt het lijk van Patroclus en begeeft zich met het houten paard in de stad. Op zijn terugreis wordt hij bij kaap Malea door een storm overvallen, die hem naar Aegypte drijft, en eerst nadat hij 8 jaar rondgezworven had, keerde hij in zijn rijk terug. Hier leefde hij nog lang met Helena in vrede, rijkdom en geluk, eindelijk werd hij met haar naar het Elysium verplaatst. Niettemin werd hun graf bij Therapne getoond, waar te hunner eer een tempel was en spelen gevierd werden.--2) onechte zoon van Amyntas II; daar Phillippus hem niet vertrouwde en zijn leven bedreigde, ging hij bij de Atheners in dienst.--3) broeder van Ptolemaeus Lagi, verdedigde Salamis op Cyprus tegen Demetrius Poliorcetes, doch moest zich na eene langdurige en dappere verdediging overgeven (306).--4) van Marathus, onderwees Ti. Gracchus in de welsprekendheid.--5) beeldhouwer uit den tijd van keizer Tiberius. Van hem is de bekende groep Orestes en Electra, vroeger in Villa Ludovisi, tgw. in het Museo Nazionale te Rome.--6) van Alexandria, beroemd wis- en sterrenkundige, omstreeks 100 n.C. Hij heeft zich vooral bezig gehouden met trigonometrie en sphaerische astronomie.

Menenia (lex) agraria, z. Maenia (Menenia) (lex) agraria.

Menenia of Maenia Duilia (lex), zie Fenus.

Menenia Sestia (lex) van de consuls T. Menenius Lanatus en P. Sestius Capitolinus in 452, eene wet omtrent de multa suprema, zie Aternia Tarpeia (lex); omtrent den inhoud is verder niets zekers bekend.

Menenii, patricisch geslacht, doch met een plebejischen tak. 1) Agrippa Menenius, consul in 503, behaalde eene overwinning op de Sabijnen en wist volgens de overlevering in 494 door zijne toespraak (fabel van de maag en ledematen) de uitgeweken plebejers tot den terugkeer naar Rome te bewegen. Het geheele verhaal omtrent de uitwijking is onhistorisch, zie hieromtrent secessio plebis. Hij stierf arm en werd op staatskosten begraven. Dikwijls wordt hij Menenius Agrippa genoemd, doch Agrippa is hier vóórnaam.--2) T. Menenius Lanatus was consul in 477, in welk jaar de Fabii bij de Cremera werden verslagen. Ook hij zelf streed niet voorspoedig tegen de Etruscers. Na zijn consulaat klaagden twee volkstribunen hem aan wegens gebrek aan voorzorg, en het volk veroordeelde hem tot eene geldboete. Menenius kon dit niet verkroppen en liet zich doodhongeren.--3) T. Menenius Lanatus (ook C. of L.), consul in 452, trok zich, naar men zegt, het veldwinnen der plebejers tegenover de patriciërs zóó sterk aan, dat hij ernstig ziek werd. Het was juist in het jaar, dat de lex Terentilla de legibus scribendis werd uitgevoerd.

Menes, Menes, van Pella, onder Alexander d. G. satraap van Syrië, Phoenicië en Cilicië.

Menes, Men, Menes, eerste koning van Aegypte, stichter van Memphis.

Menesaechmus, Menesaichmos, atheensch redenaar, tegenstander van Demosthenes en Lycurgus.

Menestheus, 1) zoon van Peteos, stiet met de hulp der Tyndariden Theseus van den troon en voerde de Atheners voor Troje aan, waar hij sneuvelde.--2) zoon van Clytius, tochtgenoot van Aeneas.--3) zoon van Iphicrates, atheensch veldheer.

Menesthius, Menesthios, twee strijders in het leger der Grieken voor Troje; de eene was een zoon van Areïthous en Philomedusa, de andere van den riviergod Spercheus en Polydora, zuster van Achilles.

Menestratus, Menestratos, 1) Athener, aangeklaagd van een samenzwering tegen de oligarchische partij (404). Hij noemde zijne medeplichtigen en werd daarom vrijgesproken, doch na de wederinvoering der democratie werd hij met den dood gestraft.--2) beeldhouwer, van wien beroemde standbeelden in den tempel van Artemis te Ephesus stonden.

Menexenus, Menexenos, 1) leerling van Socrates, naar wien een der werken van Plato genoemd is.--2) vriend van Socrates, leerling van den sophist Ctesippus.--3) zoon van Socrates.

Meninx, MEeninx = Lotophagitis, z. Lotophagi.

Menippe, Menippe, en Metioche, dochters van Orion, door Aphrodite met schoonheid begaafd, door Athena in de kunst van weven onderwezen. Toen haar vaderland Aonië door de pest ontvolkt werd, offerden zij zich vrijwillig aan de onderaardsche goden om hen te verzoenen, en doorstaken zij zich de keel met een weverspoel. Persephone en Hades veranderden haar in kometen.

Menippus, Menippos, 1) tyran van Oreüs, werkte in het belang van Philippus van Macedonië tegen de Atheners.--2) veldheer van Philippus III (V) in zijn oorlog tegen de Rom.--3) dienaar van Antiochus d. G., die als gezant te Rome kwam en de Aetoliërs tegen de Rom. ophitste.--4) van Gadara, vroeger slaaf, later cynisch wijsgeer, een befaamd woekeraar, die zich na een belangrijk geldverlies van het leven beroofde (± 270). Zijne eigenaardige hekelschriften, in proza met verzen doormengd, vonden veel bijval en werden door Varro in het Latijn nagevolgd (Satyrae Menippeae, z. Terentii no. 1).--5) van Stratonicea, volgens het oordeel van zijn vriend Cicero de beste aziatische redenaar van zijn tijd.--6) van Pergamus, schrijver van een grieksch werk over aardrijkskunde, onder Augustus.

Menodorus, Menodoros, ook Menas, Menas, genoemd, vrijgelatene van Cn. of diens zoon S. Pompeius en admiraal van den laatste. Hij liep in 38 tot Octavianus over, aan wien hij zijne schepen uitleverde. Octavianus verhief hem tot den ridderstand en stelde hem tot legaat op zijne vloot aan. Inmiddels verhief S. Pompeius een ander vrijgelatene, Menecrates, tot vlootvoogd en zond dezen op Menodorus af. Bij Cumae raakten de beide vloten slaags, het schip van Menecrates werd genomen en deze sprong in zee en verdronk. Later ging Menodorus weder tot Pompeius over en vervolgens opnieuw tot Octavianus.

Menoeceus, 1) Menoikeus, vader van Creon, Iocaste en Hipponome.--2) z. Megareus.

Menoetiades, Menoitiades, Patroclus, zoon van Menoetius no. 2.

Menoetius, Menoitios, 1) zoon van Iapetus en Asia, om zijn overmoed door Zeus met den bliksem gedood en in den Tartarus geworpen.--2) zoon van Actor en Aegina, vader van Patroclus, Argonaut, vriend van Heracles, wien hij v. s. het eerst een offer bracht.--3) weidde de kudden van Hades op het eiland Erythea en verried aan Geryones, dat Heracles zijne runderen geroofd had. Daarom viel Heracles hem aan, toen hij hem in de onderwereld ontmoette; Persephone kwam echter tusschenbeide, zoodat M. er met een wond afkwam.

Menon, Menon, 1) vorst van Pharsalus, in den peloponnesischen oorlog bondgenoot der Atheners.--2) Thessaliër, een van de veldheeren van den jongeren Cyrus. Op den terugtocht na den slag bij Cunaxa, werd hij door Tissaphernes verraderlijk gevangen genomen en gedood. Hij wordt door Xenophon als heerschzuchtig en gewetenloos beschreven. Een der gesprekken van Plato is naar hem genoemd.--3) bevelhebber der thessalische ruiterij in den lamischen oorlog, grootvader van Pyrrhus.--4) geneesheer, leerling van Aristoteles.

Menophanes, Menophanes, veldheer van Mithradates, die in den eersten mithradatischen oorlog Delus plunderde en verwoestte.

Mentes, Mentes, 1) aanvoerder der Ciconen in den trojaanschen oorlog.--2) aanvoerder der Taphiërs, gastvriend van Odysseus. Onder zijne gedaante kwam Athena Telemachus bezoeken.

Mentor, Mentor, 1) van Ithaca, zoon van Alcimus, vertrouwd vriend van Odysseus, die hem bij zijn vertrek naar Troje de zorg voor zijn huis opdroeg. Athene nam dikwijls zijne gedaante aan, wanneer zij als beschermster van het huis van Odysseus optrad.--2) van Rhodus, broeder van Memnon no. 2, bevelhebber der grieksche troepen bij den opstand van Sidon tegen Perzië; door zijn verraad moest de stad zich aan Artaxerxes Ochus overgeven (351). Daarna was hij satraap in Klein-Azië en droeg hij veel bij tot de herovering van Aegypte. Hij stierf kort voor den inval van Alexander d. G.

Menyllus, Menyllos, bevelhebber der macedonische bezetting in Munychia na den lamischen oorlog, vriend van Phocion.

Mephitis of Mefitis, godin, die in Italië vereerd werd op verscheidene plaatsen, waar onzuivere dampen uit den grond opstegen.

Mercurii promunturium = Hermaeum pr.

Mercurius, god van handel en winst, oorspronkelijk misschien in het bijzonder van den graanhandel, in alle opzichten geïdentificeerd met Hermes. Zijn voornaamste feestdag viel op den 15den Mei, die tevens de feestdag was van het koopmansgild, dat tegelijk met de invoering van zijn eeredienst uit Zuid-Italië (in 495) was opgericht.

Merenda, een lichte maaltijd, waarvan de gewone tijd zeer verschillend wordt opgegeven. Misschien aten de boeren vroeger dan de stedelingen en gebruikten zij dit maal tegen den avond; in de stad gebruikte men het dan waarschijnlijk in den voormiddag, en valt het wellicht samen met het prandium.

Meriones, Meriones, vriend en wapenbroeder van Idomeneus (z. a.), uitmuntend als boogschutter en speerwerper.

Mermnadae, Mermnadai, de laatste dynastie der lydische koningen, van Gyges tot Croesus.

Meroë, Meroe, een priesterstaat met gelijknamige hoofdstad in Aethiopia tusschen de beide Nijltakken Astaboras (Atbara) en Astapus (Bahr-el-Azrek of blauwen Nijl). De ouden meenden, dat het rijk op een eiland lag; vandaar vindt men Insula Meroë nog op middeleeuwsche kaarten geteekend. In de eerste eeuw werd de hier heerschende priesterkaste door de onderhoorige negerstammen uitgemoord en ging de stad te gronde.

Merope, Merope, 1) Oceanide, bij Helius of Clymenus moeder van Phaëthon.--2) eene van de Heliades.--3) dochter van Atlas, gemalin van Sisyphus. In het sterrenbeeld der Plejaden is zij de ster, die den minsten glans heeft, omdat zij zich uit schaamte over hare liefde voor een sterveling het gezicht bedekt.--4) gemalin van Polybus, pleegmoeder van Oedipus.--5) dochter van Cypselus, gemalin van Cresphontes. Toen deze door Polyphontes gedood was, werd zij gedwongen den moordenaar te huwen.

Meropis, Meropis, oude naam van het eil. Cos.

Merops, Merops, 1) koning van Cos. Uit verdriet over den plotselingen dood zijner gemalin wilde hij zich van het leven berooven, maar Hera plaatste hem als adelaar onder de sterren.--2) koning van Aethiopië, gehuwd met Clymene no. 3.--3) koning van Percote, beroemd waarzegger, wiens zonen voor Troje door Diomedes gedood werden.

Merula, familienaam in de gens Cornelia.

Mesambria, Mesambrie, 1) stad der Cicones in Thracia, aan de Aegaeïsche zee.--2) = Mesembria.

Mesaulos, gang tusschen het mannen- en het vrouwenverblijf, die in het midden met een deur afgesloten kan worden.

Mesembria, Mesembria, belangrijke koopstad, kolonie van Byzantium en Chalcedon, gesticht na den ionischen opstand, in Thracia, aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee) tusschen Apollonia en Odessus.

Mesogaea, Mesogaia, streek in het binnenland van Attica, vooral ten N. en O. van Athene.

Mesogis, Mesogis = Messogis.

Mesomedes, Mesomedes, vrijgelatene en gunsteling van keizer Hadrianus, dichter van eenige epigrammen en van een hymnus, die met de oude muzieknoten bewaard gebleven is.

Mesopotamia, Mesopotamia, een louter geografische naam, in het Seleucidentijdperk gegeven aan de landstreek tusschen den Euphraat en den Tigris van de armenische grenzen tot aan den medischen muur, dus tot aan Babylonia. Vóór dien tijd werd dit land eenvoudig als een deel van Assyria of van Syria beschouwd, zonder eigen naam. Het noordelijk gedeelte werd door de rivier Chaboras in twee deelen gesplitst, Osroene ten W., Mygdonia ten O.

Mespila, eene groote, doch verlaten stad, zes uren gaans in omtrek; waarschijnlijk de overblijfselen van het voormalige Niniveh, z. Ninus. Uit een bericht bij Xenophon, de eenige plaats, waar de naam Mesp. voorkomt, blijkt, dat de inwoners van die streek in X.'s tijd niets meer wisten van het vroegere assyrische rijk.

Messa, Messa, oude laconische havenstad, op de middelste Zuidspits der Peloponnesus, aan den Westkant gelegen.

Messala of Messalla, familienaam in de gens Valeria (Valerii no. 16, 26-29). Vipstanus Messala, zie Vipstani.

Messalina, 1) Valeria Messalina, gemalin van keizer Claudius, zie Valerii no. 33.--2) Statilia Messalina, derde gemalin van Nero, z. Statilii no. 6.

Messana, Messana, doch gewoonlijk Messene, op Sicilia, thans Messina, allereerst Zancle geheeten, daar de haven door eene sikkelvormige landtong gevormd werd. Het was gesticht door Siciliërs, en werd in de achtste eeuw gekoloniseerd door euboeïsche Chalcidiërs en Cumaeërs. Na de verwoesting van Miletus in 494 door de Perzen, vonden scharen Milesiërs en Samiërs hier een toevluchtsoord. Kort daarop maakte Anaxilaus, tyran van Rhegium, zich van Zancle meester en noemde het Messana, naar de Messeniërs, die hij in de stad opnam. In 396 werd de toenmaals bloeiende stad door de Carthagers verwoest. Dionysius de oude, tyran van Syracusae, liet ze spoedig herbouwen. Na den dood van Agathocles maakten diens huurbenden, de Mamertini, zich van haar meester (vóór 283) en vermoordden grootendeels de mannelijke bevolking. Zie verder Mamertini. Messana bleef eene aanzienlijke stad; de ruime haven kon 600 schepen bevatten.

Messapia, Messapia, oude grieksche naam voor Calabria.

Messapium, Messapion, berg aan de O. kust van Boeotia bij de stad Anthedon.

Messapus, 1) Boeotiër, die naar Italië ging, en naar wien Calabria den naam Messapia heeft.--2) een Latijn, zoon van Neptunus, paardentemmer, onkwetsbaar door vuur of staal.

Messene, Messene, stad, door Epaminondas in 369 aan den voet van den berg Ithome als hoofdstad van het bevrijde Messenia gesticht.

Messenia, Messenia, Z.W. gewest der Peloponnesus, in de oudheid bekend om zijn heerlijk klimaat, daar het in M. reeds zomer was, wanneer het in Laconica nog lente, in Arcadia nog winter was. Door de dichtbegroeide grensgebergten lag het tegen de koude winden beschut. Als oudste bewoners komen Leleges voor, waarbij later Argivi en Aeoles kwamen. In den Z.W. hoek woonden Dryopes. Bij de dorische volksverhuizing werd ook M. een dorische staat, met Stenyclarus tot hoofdstad. In de beide messenische oorlogen echter werd M. door de Spartanen veroverd, en de Messeniërs, die niet uitweken, werden tot Heloten gemaakt. In 464 stonden de Messeniërs op, bij gelegenheid dat Sparta door eene aardbeving zwaar geteisterd was. De strijd duurde jaren lang, tot eindelijk de opstandelingen onder beding van vrijen aftocht de wapens neerlegden. Grootendeels trokken zij naar Naupactus (Lepanto), dat hun door de Atheners werd ingeruimd. Na den peloponnesischen oorlog van daar verdreven, verstrooiden zij zich in verschillende richtingen. In 369 werd Messenia tot aan den Pamisus door Epaminondas vrij gemaakt; de ballingen, door hem uitgenoodigd, bevolkten de nieuwe hoofdstad Messene, en sedert dien tijd bleef het gewest onafhankelijk tot aan de rom. overheersching in 146.

Messenische oorlogen heeten drie oorlogen, waarvan de eerste de onderwerping van Messenië aan Sparta ten gevolge had, de andere twee voortkwamen uit mislukte pogingen der Messeniërs om zich te bevrijden. De eerste mess. oorlog (743-724, v. a. 730-710) ontstond naar aanleiding van geschillen over grenzen, roof van menschen en vee, enz., en begon met een nachtelijken aanval der Spartanen op Amphea, waarvan de meeste inwoners gedood werden. Daar de krijgskans den Messeniërs over het algemeen niet gunstig was, trokken zij zich in het sterke Ithome terug, en onder de leiding van Aristodemus (z. a.) brachten zij van hier uit den Spartanen dikwijls gevoelige slagen toe; na zijn dood werd echter Ithome genomen, vele Messeniërs verlieten het land, de overige kwamen in den toestand van heloten.--Het duurde echter niet lang voordat zij nog eene poging waagden om zich uit dien toestand te bevrijden. Te Andania begon de heldhaftige Aristomenes (z. a.) een opstand, waarbij zich in een oogenblik het geheele messenische volk aansloot, en die eerst na een langdurigen en moeielijken oorlog, den tweeden mess. oorlog (685-668, v. a. 660-643 of 645-630), bedwongen kon worden. Niet alleen werden de Messeniërs nu bijgestaan door Achaeërs, Argiven en Arcadiërs, maar bovendien heerschte onder de Spartanen verdeeldheid en bestond er gevaar voor een algemeenen opstand der perioeken en heloten. Toen zij zich echter onder den invloed der bezielde gedichten van Tyrtaeus (z. a.) weder tot eendrachtige samenwerking verbonden hadden, toen de arcadische koning Aristocrates de zaak der Messeniërs verried, en over het geheel de bondgenooten van dezen den langdurigen oorlog begonnen moede te worden, hadden de zaken weder denzelfden loop als vroeger: de Messeniërs trokken zich terug in de vesting Ira, en toen deze eindelijk ingenomen was, was de oorlog tot hun nadeel beslist. Ook nu verlieten weder velen het land. In hoeverre de gang van zaken in deze beide oorlogen werkelijk geweest is, zooals hier is beschreven, is wegens den aard der bronnen waardoor wij kennis ervan hebben, moeielijk te beoordeelen.--Toen in 464 Sparta door eene verschrikkelijke aardbeving tot den uitersten nood gebracht was, stonden de afstammelingen der oude Messeniërs op en begonnen zij den derden mess. oorlog. In de oude stad Ithome verschanst, boden zij den Spartanen lang weerstand, zelfs de Atheners, die onder Cimon den belegeraars te hulp gekomen waren, konden hen niet tot overgave dwingen. Eindelijk bedongen zij vrijen aftocht uit de Peloponnesus, en gaven de Atheners hun de stad Naupactus tot woonplaats (455).

Messiae (leges), van den volkstribuun C. Messius in 57: 1) tot terugroeping van Cicero;--2) om de cura annonae aan Pompeius op te dragen. Geen van beide wetten kwam echter in behandeling. De eerste werd noodeloos door de lex Cornelia de restituendo Cicerone (z. a.), de andere werd voorkomen door de lex Cornelia Caecilia (z. a.); zie verder Messii no. 1.

Messii, plebejisch geslacht. 1) C. Messius volkstribuun in 57, bevorderde de terugroeping van Cicero uit diens ballingschap en deed eene mislukte poging om Pompeius als praefectus annonae met bijna onbeperkte macht over leger, vloot, schatkist en provinciën te bekleeden. Later sloot hij zich aan bij Caesar.--2) Messius Maximus, vriend van den jongen Plinius.

Messogis, Messogis, grensgebergte tusschen Lydia en Caria.

Mestra, Mestra, dochter van Erysichthon no. 2. Door honger gekweld, verkocht haar vader haar als slavin, zij had echter van Poseidon het vermogen gekregen, zich in allerlei gedaanten te veranderen, en hiervan maakte zij gebruik om telkens tot haar vader terug te keeren en zich opnieuw te laten verkoopen.

Meta, eindpaal in den circus (z. a.).

Metabus, vader van Camilla (z. a.).

Metagenes, Metagenes, 1) dichter der oude comoedie, tijdgenoot van Aristophanes.--2) van Cnosus, uitvinder van den ionischen bouwstijl en medewerker bij den bouw van den tempel van Artemis te Ephesus, waarvan het plan door zijn vader Chersiphron gemaakt was.--3) Athener, onder Pericles bouwmeester van den tempel te Eleusis.

Metagitnion, Metageitnion, 2de maand van het Attische jaar (Aug.-Sept.), z. Annus.

Metanira, Metaneira, gemalin van Celeüs, moeder van Demophoön (z. a.).

Metapa, ta Metapa, stad in Aetolia aan het meer Trichonis.

Metapontum of -tium, Metapontion, meest oostelijke stad in Lucania aan de golf van Tarentum, volgens sommigen door Nestor, volgens anderen door Epeus gesticht. In werkelijkheid is de stad in de 7de eeuw door Achaeërs gesticht. Hier is Pythagoras gestorven; Cicero heeft zijn graf nog gezien. De Lucaniërs verwoestten de stad, die echter herbouwd werd. Door den tarentijnschen oorlog viel zij in handen der Rom., in 212 in die van Hannibal. Toen deze naar het land der Bruttii moest terugtrekken, nam hij de inwoners mede. Sedert kwam de stad in vergetelheid.

Metapontus, Metapontos, koning van Icaria, pleegvader van Aeolus (z. a.) en Boeotus.

Metaurus, Metauros, 1) rivier van Umbria, waarbij Hannibal's broeder Hasdrubal in 207 verslagen werd en sneuvelde.--2) rivier op de W.-kust van het land der Bruttii.

Metellus, familienaam in de gens Caecilia.

Methana, Methana, landtong en stad in Argolis, tusschen Troezen en Epidaurus, tegenover het eiland Aegina.

Methone, Methone, 1) stad op de Z.W.-spits van Messenia, thans Modon.--2) stad in Macedonia, in het landschap Pieria, aan de golf van Therma, bij welker beleg aan Philippus het rechteroog werd uitgeschoten.--3) in ouden tijd eene stad in het thessalische gewest Magnesia, aan de Pagasaeische golf.--4) = Methana.

Methydrium, Methydrion, stad in het hart van Arcadia, op een steile rots.

Methymna, Methymna, tweede stad van Lesbus, op de N.-kust gelegen, om haar wijn beroemd, geboorteplaats van den zanger Arion en den logograaf Hellanicus. Om hare trouw aan Athene werd zij in 406 door de Spartanen voor een gedeelte verwoest.

Metii = Mettii.

Metilia (lex) van den volkstribuun Metilius in 217, waarbij de magister equitum M. Minucius Rufus in macht gelijk werd gesteld met den (pro)dictator Q. Fabius Maximus Verrucosus, over wiens wijze van oorlogvoeren tegen Hannibal men ontevreden was.

Metilii, plebejisch geslacht. M. Metilius, volkstribuun in 217, z. Metilia (lex).

Metioche, Metioche, dochter van Orion, zuster van Menippe (z. a.).

Metionidae, Metionidai, Daedalus, Eupalamus en v. s. ook Sicyon, zonen van Metion, een zoon van Erechtheus, beroofden Pandion van de regeering, doch werden later door diens zonen verdreven.

Metiosedum = Melodunum.

Metis, Metis, dochter van Oceanus en Tethys. Zij bezorgde het braakmiddel, waardoor Cronus gedwongen werd zijne kinderen, die hij verslonden had, uit te braken. Zeus nam haar tot gemalin, maar daar hij door een orakel vernam, dat haar kind hem in wijsheid en macht zoude overtreffen, verslond hij haar, waarna uit zijn hoofd Pallas Athena geboren werd.

Metoikos, iemand, die metterwoon in een vreemden staat gevestigd is. Te Athene was hun aantal te allen tijde groot, in 309 bedroeg het 10000 volwassen mannen. Zij waren verplicht een burger tot patroon (prostates) te nemen, die hen in hunne betrekkingen tot den staat of de burgers, bijv. bij processen, vertegenwoordigde, en een jaarlijksche belasting (metoikion) van 12 drachmen te betalen. Wie deze verplichtingen niet nakwam, stond bloot aan eene graphe aprostasiou of eene apagoge metoikiou. Zij waren verder dienstplichtig, hoewel zij slechts bij uitzondering voor den dienst te velde schijnen opgeroepen te zijn, werden met liturgieën belast, en moesten bij sommige feesten bepaalde diensten doen. Grondeigendom konden zij niet verkrijgen, de handel was echter bijna geheel in hunne handen.--Een metoikos en iedere vreemdeling, die zich de rechten van een burger aanmatigde, konde deswege met de graphe xenias aangeklaagd en na veroordeeling als slaaf verkocht worden. Daarentegen werd dikwijls een met., die zich jegens den staat verdienstelijk had gemaakt, van alle of sommige van bovengenoemde verplichtingen vrijgesteld; z. isoteleis.

Meton, Meton, bouwmeester en sterrenkundige te Athene. Door een cyclus van 19 jaren, waarin 235 maanden of 6940 dagen zouden zijn, trachtte hij de verschillen tusschen het zonnejaar en het maanjaar te vereffenen. Deze tijdrekening zoude beginnen met den 13den Scirophorion 432, het schijnt echter, dat zij nooit algemeen in gebruik geweest is.

Metreta, metretes, amphoreus metretes, grootste grieksche maat voor natte waren, ongeveer = 39,4 L.

Metrodorus, Metrodoros, 1) beroemd rhapsode.--2) van Lampsacus, leerling of aanhanger van Anaxagoras.--3) van Chius, aanhanger van de leer van Democritus en leermeester van Anaxarchus.--4) van Lampsacus, de voornaamste leerling van Epicurus, schrijver van vele wijsgeerige werken, die verloren gegaan zijn. Hij stierf nog vóór Epicurus (277).--5) van Stratonicea, leerling van Carneades, behoorde eerst tot de epicureïsche, later tot de academische school.--6) van Scepsis, academisch wijsgeer, staatsman in dienst van Mithradates Eupator, wiens levensgeschiedenis hij beschreef. Hij had den bijnaam Misoromaios en was beroemd om zijn buitengewoon sterk geheugen.--7) vrijgelatene van Cicero, verdienstelijk geneesheer.--8) grieksch epigrammendichter, schrijver van aardrijks- en sterrenkundige werken, waarschijnlijk onder Constantijn den Gr.

Metronomoi, te Athene 10 door het lot aangewezen beambten, die toezicht hadden op maten en gewichten.

Metroon, te Athene de tempel van Rhea Cybele, waarin het archief (ta demosia grammata) bewaard werd.

Metropolis, Metropolis, naam van verschillende steden. 1) in Acarnania, ten O. der Ambracische golf.--2) in Thessalia, tusschen de rivieren Peneus en Europus.--3) in Lydia, tusschen Smyrna en Ephesus.--4) in Phrygia Maior, tusschen Apamea Cibotus en Synnada.

Mettii of Metii, oud latijnsch geslacht. 1) Mettius (Mettus) Fuffetius, dictator van Alba Longa, nam den voorslag van Tullus Hostilius aan, om den strijd tusschen Alba en Rome te doen beslissen door het bekende gevecht tusschen de Curiatiussen en Horatiussen. Ten gevolge hiervan moest Alba zich onderwerpen. In den strijd tusschen Rome en Veii hield Mettius zich echter op trouwelooze wijze buiten den strijd, waarop Tullus Hostilius hem door paarden vaneen liet scheuren.--2) Mettius Curtius, z. Curtius.--3) M. Mettius werd door Caesar tot Ariovistus gezonden, doch door dezen verraderlijk gevangen gehouden, en kreeg eerst na Ariovistus nederlaag zijne vrijheid terug (58).--4) Mettius Pompusianus, onder keizer Domitianus, had hij zich door waarzeggers laten diets maken, dat hij tot groote dingen was bestemd. Op den wand zijner kamer had hij een wereldkaart laten schilderen en hij bestudeerde ijverig Livius. Uit argwaan hierover liet de keizer hem ter dood brengen.

Metragyrtes, bedelpriester van de Meter ton theon, vgl. agyrtes.

Mettus Fuffetius, z. Mettii.

Metulum, Metoulon, hoofdstad der Iapydes in Liburnia.

Mevania, oude sterke stad in Umbria aan den weg van Rome naar Ancona, beroemd om het schoone rundvee, dat daar werd aangefokt.

Mezentius, koning van Caere. Turnus kwam tot hem om hulp, toen hij door Aeneas overwonnen was, of Mez. vluchtte naar Turnus, toen zijn volk hem om zijn wreedheid verdreven had. Te zamen zetten zij den oorlog voort, en in een gevecht werd Mez. door Aeneas of Ascanius gedood. Hij had van Turnus den wijnoogst van een jaar tot loon voor zijne hulp gevorderd, Aeneas wijdde echter dien oogst aan Jupiter en overwint door de hulp van dezen. Zie ook Vinalia no. 1.

Mezetulus of -tolus, of Mazaetullus, voornaam Numidiër, die zich van de regeering meester maakte, doch door Masinissa weder verdreven werd. Op bevel van dezen keerde hij later weder naar zijne woonsteden terug. Zie ook Masinissa.

Micare, een spel, nog in Italië bekend onder den naam van Morra. Het wordt door twee personen gespeeld. Beide spelers houden de rechterhand gesloten, openen ze plotseling tegelijk onder het opsteken van een of meer vingers en noemen tevens elk een cijfer. Heeft b.v. de een twee, de andere drie vingers omhoog gestoken en een der spelers het getal 5 genoemd, zoo heeft hij gewonnen. Heeft geen van beiden het juiste getal geraden, dan sluit men de hand weder en beproeft het opnieuw. Een man, in wien geen bedrog is, wordt spreekwoordelijk gekarakteriseerd met de woorden: dignus est, quicum in tenebris mices.

Micipsa, Mikipsas, zoon van Masinissa, volgde dezen in 148 als koning van Numidia op, en nam overeenkomstig zijns vaders wil zijne jongere broeders Gulussa en Mastanabal als mederegenten aan. De drie broeders regeerden samen eendrachtig en getrouw aan het bondgenootschap met Rome, hoewel zij in den derden punischen oorlog met het zenden van hulptroepen aan de Rom. eenigszins omzichtig te werk gingen. Toen echter Gulussa en Mastanabal overleden waren, sloot Micipsa zich enger bij Rome aan en zond hun bij herhaling hulpbenden naar Hispania. Hij overleed in 118 en liet de regeering na aan zijne twee zoons Adherbal en Hiëmpsal en zijn neef Jugurtha.

Micon, Mikon, 1) van Aegina, beeldgieter en schilder, tijdgenoot van Polygnotus.--2) van Syracuse, beeldgieter onder Hiero II.

Micythus, Mikythos, 1) z. Anaxilaus.--2) Thebaan, die zich liet omkoopen om te beproeven Epaminondas voor de belangen van Perzië te winnen.

Midas, Midas, zoon van Gordius en Cybele, koning van Phrygië. Toen Dionysus op zijn tochten ook in dat land kwam, verdwaalde Silenus in de tuinen van M. of werd hij gevangen, doordat hij uit een bron dronk, waarvan het water met wijn gemengd was, totdat hij bedwelmd in slaap viel. M. onderhield zich 10 dagen lang met hem en bracht hem daarna bij Dionysus terug. De god, verheugd dat hij zijn getrouwen makker terugzag, stond M. toe een gunst te vragen, en deze wenschte, dat alles in goud zoude veranderen, wat hij aanraakte. Zijn verlangen werd bevredigd, maar daar ook de spijzen, die hij wilde nuttigen, zoodra hij ze aanraakte in goud veranderden, zou hij van honger gestorven zijn, indien Dionysus hem niet op zijn verzoek het middel had gegeven om zich van die noodlottige eigenschap te bevrijden; daartoe baadde hij zich in de rivier Pactolus, die sedert rijk aan goudzand werd. M. was ook scheidsrechter in een muzikalen wedstrijd tusschen Apollo en Pan, en daar hij het fluitspel van Pan boven de tonen van Apollo's lier verkoos, kreeg hij tot straf van Apollo ezelsooren. Om deze te verbergen, vond hij de groote phrygische muts uit, alleen zijn barbier kende het geheim, maar deze had zich onder eede verbonden het aan niemand mede te deelen. Toch konde hij er niet geheel van zwijgen, daarom groef hij een gat in de aarde en fluisterde daarin: koning Midas heeft ezelsooren! Later groeide op die plaats een riet, dat dezelfde woorden fluisterde, telkens wanneer het door den wind bewogen werd. Uit wanhoop hierover bracht M. zich om het leven.

Midea, Midea, stad in het binnenland van Argos, ten O. van Mycenae.

Milanion, Meilanion, z. Atalanta.

Miletis, Byblis, dochter van Miletus. Miletis urbs, Tomi, volkplanting van de stad Miletus.

Miletus, Miletos, Cretenser, zoon van Apollo en Area of Deïone. Om aan den achterdochtigen Minos te ontsnappen, vluchtte hij met Sarpedon naar Caria, waar hij de stad Miletus stichtte.

Miletus, Miletos, eene der aanzienlijkste en schoonste steden van aziatisch Ionia, geboorteplaats van de wijsgeeren Thales, Anaximander en Anaximenes, van de logografen Cadmus en Hecataeus, van Aspasia. Miletus bestond uit een buiten- en een binnenstad, het had vier havens, door eilanden gedekt, van welke laatste Lade het voornaamste was. Het was oorspronkelijk een carische stad, die door de Ioniërs gekoloniseerd werd. Reeds vroeg heeft het door zeehandel gebloeid. Van hier uit zijn in de 7de eeuw 90 koloniën of handelsneerzettingen gesticht, vooral in de Propontis en den Pontus Euxinus; de voornaamste zijn: Abydus, Cyzicus, Sinope, Istrus en Olbia. Miletus was de ziel van den ionischen opstand in 500 en werd tot straf in 494 door de Perzen verwoest. Dit lot trof de stad ten tweede male, toen Alexander d. Gr. het op de Perzen veroverde (334). Beroemd was de milesische wol (vellera Milesia bij Vergilius).--Ook op de N-kust van Creta lag in ouden tijd eene stad van den zelfden naam.

Milichius, Meilichios, vergevingsgezinde, bijnaam van Zeus.

Milo, familienaam in de gens Annia (Annii no. 3).

Milo, Milon, van Croto, beroemd worstelaar, die 32 maal bij de groote feesten den prijs won. Hij droeg eens te Olympia een vierjarig rund door de renbaan en at het op één dag geheel op. In den oorlog tegen de Sybarieten stond hij aan het hoofd van zijne medeburgers. Op hoogen leeftijd vond hij in een bosch een halverwege gespleten boom, waarin een wig stak, hij trachtte den boom met zijne handen geheel in tweeën te trekken, maar de wig ging los, zijn handen raakten vastgeklemd, en hij werd door wilde dieren verscheurd.

Miltiades, Miltiades, 1) zoon van Cypselus, voornaam Athener, tegenstander van Pisistratus, ging in 559 op verzoek van de Dolonci naar de Chersonesus en werd hun vorst. Van uit de Chersonesus veroverde hij Lemnus en Imbrus.--2) zoon van Cimon, den broeder van den vorigen, werd in 518 door de Pisistratiden naar de Chersonesus gezonden om de regeering over het rijk van zijn oom te aanvaarden. Hij huwde met de dochter van een thracischen vorst, en volgde Darius I bij zijn tocht tegen de Scythen. Zijn voorstel om, door het afbreken van de brug over den Ister, Darius den terugtocht af te snijden, stuitte af op den tegenstand van Histiaeus. Na den ongelukkigen afloop van den ionischen opstand keerde hij naar Athene terug (494), hij werd aangeklaagd, omdat hij in de Chersonesus tyran geweest was, maar vrijgesproken, en in 490 werd hij als een van de strategen gekozen. Bij de landing der Perzen lieten zijne ambtgenooten het bevel geheel aan hem over, en door gebruik te maken van de plaatselijke gesteldheid en spoedig aan te vallen won hij den beroemden slag bij Marathon. Daarna ondernam hij een tocht om de eilanden te straffen, die zich bij de Perzen hadden aangesloten; hierin was hij echter niet gelukkig, en bij het beleg van Parus werd hij gekwetst en moest hij onverrichter zake terugkeeren. Zijne vijanden, vooral de Alcmaeoniden, klaagden hem nu aan wegens misbruik van het in hem gestelde vertrouwen, hij werd tot een boete van 50 talenten veroordeeld, en daar hij deze niet konde betalen, werd hij in de gevangenis gezet, waar hij na korten tijd stierf.

Milto, Milto, zie Aspasia no. 2.

Milvius pons, brug over den Tiber, een eind boven Rome, op het punt, waar de via Flaminia de rivier kruiste en de via Clodia zich van de via Fl. afscheidde. Ten Noorden van deze brug versloeg Constantijn de Groote in 312 n. Chr. keizer Maxentius.

Milyas, Milyas, het N. O. bergland van Lycia, oorspronkelijk de naam van het geheele land. De inwoners heetten Milyae, Milyai.

Mimallones, -lonides, Mimallones = Bacchae.

Mimas, Mimas, berg in Ionia op een schiereiland tegenover het eiland Chius.

Mimnermus, Mimnermos, van Colophon, elegisch dichter en musicus (eerste helft van de 6de eeuw), van wiens minnezangen sommige schoone fragmenten over zijn; hij is echter zwaarmoedig en sentimenteel, en naar aanleiding van een op rijperen leeftijd opgevatte maar onbeantwoorde liefde, bejammert hij vooral de kortheid van de jeugd en de lasten van den ouderdom.

Mimus, mimos, eene soort van comoedia, doch niet bestemd om op het tooneel te worden opgevoerd. Sophron van Syracusae, ± 430, was er de schepper van. Zijne stukjes, die hoog geroemd werden, gaven maatschappelijke toestanden, zeden en karakters weer, en waren geheel uit het leven gegrepen. Bij de vroolijke Siciliërs waren zulke losse opvoeringen bij landelijke feesten zeer in zwang. De mimen van Sophron geraakten door Plato ook te Athene bekend, en het genre werd hierdoor meer en meer verbreid. Ook Italia had zijn mimus, die oorspronkelijk bestond in een dialoog, dikwijls voor de vuist voorgedragen en met toepasselijke aardigheden gekruid, en die in dezen vorm nog lang dienst deed bij begrafenissen van rom. grooten, als wanneer eenige mimen-acteurs (ook mimi genoemd), in den begrafenisstoet losse voorvallen uit het leven van den overledene opvoerden. Toen keizer Vespasianus begraven werd, wiens zuinigheid door het volk voor gierigheid werd uitgekreten, vroeg opeens de archimimus, die 's keizers persoon voorstelde, hardop, hoeveel de begrafenis wel kostte. "Tien millioen sestertiën", was het antwoord. "Ge hadt er mij liever honderdduizend moeten geven en mijn lijk in den Tiber werpen."--In den laatsten tijd der republiek werd het schrijven van mimen een bepaalde tak van letterkunde en werden zij op het tooneel als nastukjes, exodia, opgevoerd. Het waren echter in hoofdzaak slechts schetsen, waarvan de uitwerking aan de vertooners was overgelaten. De naam is ontleend aan het werkwoord mimeisthai; een mimos is eigenlijk een nabootser.

Mina, mna, het 60ste deel van een talent = 100 drachmen.

Minatii, een plebejisch geslacht.

Mincii = Minicii.

Mincius, thans Mincio, komt uit Raetia, vormt in zijn loop den lacus Benacus (Gardameer), stroomt langs Mantua en valt dan in den Padus (Po).

Mindarus, Mindaros, werd in 411 opperbevelhebber der peloponnesische vloot. Hij leed eerst eene nederlaag tegen Thrasyllus en Thrasybulus bij Abydus, en toen Alcibiades weder aan het hoofd van het leger stond, versloeg deze hem in het begin van het volgende jaar te land en ter zee in den grooten slag bij Cyzicus, waarin M. zelf sneuvelde.

Mindii, plebejisch geslacht.

Minerva, romeinsche godin van wijsheid en kennis, geïdentificeerd met de grieksche Athena, en waarschijnlijk daardoor ook als oorlogsgodin beschouwd, maar in de eerste plaats beschermster van kunsten, wetenschappen en handwerken. Onder hare tempels was de voornaamste die op het Capitolium, waarin zij gemeenschappelijk met Jupiter en Juno vereerd werd. Bovendien had ze een tempel op den Aventinus, waarvan de stichtingsdag samenviel met haar voornaamste feest, de Quinquatrus (z. a.). Pingui Minerva of crassa M., op boersche wijze; sus Minervam, een zwijn, dat M. wil onderrichten, een domme betweter.

Minervae promunturium, Athenas akron, steil en scherp vooruitspringend voorgebergte op de kust van Campania tegenover het eil. Capreae, eene van de plaatsen, die de mythe als verblijf der Sirenen aanwees.

Minicii, rom. geslacht, dat eerst in den keizertijd wordt genoemd en waarvan enkele leden met het cognomen Fundanus voorkomen.

Minio, riviertje van Etruria, dat ten Z. van de stad Graviscae in zee valt.

Minius, Minios, rivier in het N.W. van Hispania, thans Minho, aldus genoemd, omdat men beweerde, dat hij minium of menie met zich voerde. Een andere naam is Baenis.

Minoa, 1) zie Heraclea Minoa.--2) eil. in de Saronische golf bij de havenstad Nisaea (zie Megara), waarmede het door eene brug verbonden was.--3) kaap en stad bij Epidaurus Limera in het Z.O. van Laconica.

Minois, Minois, Ariadne, dochter van Minos.

Minoïus, -nous, Minoios, -noos, van Minos afstammend, in het algemeen cretensisch.

Minos, Minos, 1) zoon van Zeus en Europa, later door Asterion (z.a.) aangenomen, dien hij als koning van Creta opvolgde. Hij geldt voor den grondlegger der vroege zeemacht van Creta en van de beroemde, oude cretensische staatsregeling. Na zijn dood werd hij rechter in de onderwereld.--2) kleinzoon van den vorigen, eveneens koning en wetgever van Creta. Hij beweerde dat hij door de goden tot de regeering geroepen was; om dit te bewijzen, nam hij aan te toonen, dat ieder gebed van hem verhoord zou worden. Hij bad nu, dat Poseidon een stier uit de golven zoude doen opkomen, dien hij hem dan offeren zou; de stier verscheen inderdaad en M. werd koning. Hij offerde echter niet den beloofden stier, maar een minder schoonen, en hierover vertoornd boezemde Poseidon aan Pasiphaë, de gemalin van M., eene onnatuurlijke liefde voor het dier in, waarvan de Minotaurus de vrucht was; daarna maakte hij het razend, zoodat het groote verwoestingen aanrichtte, totdat het door Heracles gevangen werd. M. voerde oorlog tegen Athene (z. Aegeus) en maakte het voor korten tijd schatplichtig. Toen Daedalus (z.a.), die voor hem het labyrinth gebouwd had, uit Creta gevlucht was en bij Cocalus op Sicilië een schuilplaats gevonden had, kwam M. hem daar opeischen; Cocalus deed alsof hij aan zijn eisch wilde voldoen en ontving hem vriendelijk, maar liet hem in een al te warm gemaakt bad stikken.--In de oudste mythen schijnt slechts van één persoon van den naam Minos sprake te zijn. De verhalen omtrent den grooten bloei en macht van het rijk van M., worden door opgravingen van den laatsten tijd te Cnosus en Phaestus (z.a.) bevestigd.

Minotaurus, Minotauros, een monster met een stierekop, voortgebracht door Pasiphaë en een stier (z. Minos), dat in het labyrinth van Creta opgesloten gehouden en met menschenvleesch gevoed werd. Theseus doodde het.

Minthe, Menthe, Minthe, eene door Hades beminde nimf, door Demeter of Persephone in een kruizemunt veranderd. De berg Minthe bij Pylus was naar haar genoemd.

Minturnae, Mintournai, stad in het Z. van Latium aan den mond van den Liris, in het oude gebied der Aurunci, in 296 rom. kol. De via Appia liep er langs. De slechte uitwatering der rivier vormde hier de beruchte moerassen aan de kust, paludes Minturnenses. Dáár hield Marius zich eenige dagen schuil, tot hij ontdekt werd, en slechts door een gelukkig toeval (een Cimbrische slaaf zou tot beul dienen, en schrikte daarvoor terug) den dood ontkwam. Bij de stad was een bosch en grot, aan de nimf Marica gewijd.

Minucia (lex) van den volkstribuun M. Minucius, in 216 na den slag bij Cannae, toen er eene groote geldcrisis te Rome heerschte. De wet strekte tot tijdelijke instelling eener mensa publica of staatsbank, onder beheer van triumviri mensarii.

Minucia (lex), van een volkstribuun Minucius Rufus, van 121, tot opheffing van de colonia Iunonia, in 122 door C. Gracchus op de plaats van het oude Carthago gesticht. Zie onder Agrariae leges: Lex Sempronia agraria van C. Gracchus.

Minucii, rom. geslacht, patricisch en plebejisch. 1) M. Minucius Augurinus, consul in 497 en 491.--2) L. Minucius Esquilinus Augurinus, consul in 458, werd door de Aequi ingesloten en door den dictator L. Quinctius Cincinnatus ontzet. Hij werd vervolgens door den dictator in zijn consulaat geschorst òf genoodzaakt het neer te leggen. In 450 was hij een der decemviri legibus scribundis. In 439 was hij het, die Sp. Maelius aanklaagde.--3) M. Minucius Rufus, consul in 221, in 217 magister equitum van den dictator Q. Fabius Maximus Verrucosus, werd door de lex Metilia (z. a.) met den dictator in gezag gelijk gesteld. In onberaden drift liet hij zich door Hannibal tot een slag verleiden en zou verloren zijn geweest, zoo Fabius niet tijdig te hulp ware geschoten. Toen echter zag Minucius zijn ongelijk in en stelde zich vrijwillig weder onder het opperbevel van Fabius. Hij sneuvelde in 216 bij Cannae.--4) Q. Minucius Rufus, consul in 197, zegevierde over de Liguriërs en Bojers, maar niet te Rome, maar op den mons Albanus.--5) M. Minucius Rufus, consul in 110, overwon als proconsul in 109 de thracische Scordisci en bouwde de porticus Minucia.--6) Q. Minucius Thermus, consul in 193, streed tegen de Liguriërs. In 189 sneuvelde hij onder den consul Cn. Manlius Vulso tegen de Galaten.--7) Onder den praetor Minucius Thermus, die Mytilene belegerde en innam (81-80), verrichtte Caesar zijn eersten krijgsdienst.--8) Minucius Thermus, in 62 volkstribuun, later (51 en 50) propraetor van Asia, behoorde onder de vrienden, met wie Cicero briefwisseling hield. In den burgeroorlog was hij aan de zijde van Pompeius.--9) L. Minucius Basilus was legaat van Caesar in Gallia; later was hij een van Caesars moordenaars; in 43 werd hij door zijn eigen slaven vermoord.--10) Minucius Felix, een beroemd advocaat te Rome, die in het einde der 2de (v.s. in het begin der 3de) eeuw n. Chr. een dialogus Octavius geschreven heeft, waarin op zeer scherpzinnige wijze de vooroordeelen tegen het Christendom worden te berde gebracht en weerlegd.

Minyades, Minyades, Leucippe, Arsippe en Alcathoë, dochters van Minyas, weigerden aan den dienst van Dionysus deel te nemen. Tot straf maakte de god haar waanzinnig, zoodat Leucippe haar eigen zoon doodde; daarna bleven zij in razernij door de bergen zwerven, totdat zij door Hermes in vleermuizen veranderd werden.

Minyae, Minyai, oud-grieksch volk, uit Thessalia onder aanvoering van Minyas naar Boeotia verhuisd, waar Orchomenus hunne hoofdstad was. Zij leverden het grootste aantal deelnemers aan den Argonautentocht. Ook zonden zij eene kolonie naar Lemnus, die echter later weder naar het eiland Thera en naar het Z. van Elis verhuisde.

Minyas, Minyas, koning van Orchomenus in Boeotië, mythisch stamvader der Minyers. Hij was de eerste, die een schatkamer liet bouwen, waarvan men nog overblijfsels meent te vinden.

Mirmillones, rom. zwaardvechters, die een gallischen helm droegen, waarvan de kam met een visch van metaal was versierd.

Misenum, Misenon, kaap van Campania bij Cumae. Augustus liet hier eene haven aanleggen als station voor de vloot der Tyrrheensche zee. Hierdoor ontstond aan de kust een stadje, dat thans verdwenen is. Zie Misenus.

Misenus, Misenos, 1) tochtgenoot van Odysseus.--2) vriend van Hector, bekwaam trompetter, later tochtgenoot van Aeneas; hij daagde de Tritonen tot een wedstrijd uit, en werd door een van hen gedood. Naar hem is kaap Misenum genoemd.

Missio, ontslag, b.v. uit den krijgsdienst, honesta, eervol, wegens volbrachten diensttijd, causaria, wegens ziekte of lichaamsgebreken, ignominiosa, wanneer men werd weggejaagd. Ook van zwaardvechters, die door de gunst van het volk of door de keizerlijke genade ontslagen en in vrijheid gesteld werden, wordt missio gebruikt, vandaar in het latere Latijn sine missione pugnare = op leven en dood vechten, geen kwartier geven.--In bona missio, lastgeving van den praetor om zich in het bezit te stellen van eens anders goed, dus inbeslagneming, executie.

Missus, zie Circus.

Mithradates (aldus volgens de pontische munten, bij de oude schrijvers Mithridates, Mithridates, een dikwijls voorkomende naam in het O. Vooral in het pontische koningshuis is deze naam beroemd geworden. Als stichter van het groote pontische rijk wordt Mithradates I genoemd, 337-302. Hij onderwierp zich aan Alexander d. G., doch werd door Antigonus gedood. Zijn zoon en opvolger, M. II, Ktistes bijgenaamd, hield zich tegen Alexanders opvolgers staande en vergrootte zijn gebied (282-266). M. V (IV) Euergetes (150-120) was bondgenoot der Rom. en ondersteunde hen in den oorlog tegen Aristonicus van Pergamum en kreeg daarvoor Groot-Phrygia. Zie echter Aquillii no. 1. Hij sneuvelde bij Sinope. Op hem volgde in 120 zijn zoon Mithradates VI (V) Eupator, de verbitterde vijand van Rome. Uit vrees voor de aanslagen zijner moeder brachten trouwe vrienden den 10-jarigen knaap na zijns vaders dood in het gebergte in veiligheid. Toen hij 20 jaar oud was, stelde hij zich aan het hoofd van het rijk, strafte zijne moeder en allen, die tegen hem hadden saamgespannen, en begon toen zijne veelomvattende plannen voor te bereiden. Hij was een man van ongemeene geestkracht, van een ijzersterk gestel, onvermoeibaar, bestand tegen ontberingen en uitspattingen, een goed redenaar, die 22 talen sprak, geslepen van aard, een man, die geen middelen en geen menschenlevens ontzag. Hij schiep zich een machtig leger en eene vloot, maakte rondom veroveringen en vermeesterde Cappadocia en Bithynia. Den Rom., die gedurende zijne minderjarigheid hem Groot-Phrygia hadden afgenomen, droeg hij een doodelijken haat toe. Toch waagde hij niet terstond den strijd, doch gaf bij herhaling toe aan de eischen van Rome, om Capp. en Bith. te ontruimen. Terwijl echter de proconsul M'. Aquillius (Aquillii no. 2) op trotschen toon het verzoek van Mithradates om zich tegen Bithynia te mogen verdedigen, afsloeg, stookte de rom. staatkunde Nicomedes III van Bith. heimelijk op, invallen in Pontus te doen. Eindelijk, in 88, barstte de bom. Met een ontzaglijk leger, versterkt door de hulptroepen van zijn schoonzoon Tigranes van Armenia, veroverde hij in korten tijd de rom. provincie Asia. Op een bevel des konings, van Ephesus uit gegeven, werden op één dag 80000 Rom. en Italianen, mannen, vrouwen en kinderen, door de verbitterde Aziaten gedood. Slechts Magnesia, Cos en Rhodus bleven aan Rome getrouw, terwijl daarentegen Athene en andere grieksche steden in Europa de zijde van M. kozen. De veldheer Archelaus scheepte zich naar Griekenland in, waar hij echter door Sulla bij Chaeronea en daarna bij Orchomenus in Boeotia werd verslagen (86), terwijl C. Flavius Fimbria den koning uit Asia grootendeels verdreef. De tijdsomstandigheden beletten Sulla zijn verblijf in Asia te rekken, hij sloot dus vrede met M. op deze voorwaarden: het gebied des konings werd tot Pontus beperkt, de krijgsgevangenen werden door hem vrijgelaten, de vloot uitgeleverd en 3000 talenten betaald (voorjaar van 85). Daar M. echter niet rustig bleef, hernieuwde de proconsul L. Licinius Murena in 83 den oorlog, dien hij echter op Sulla's bevel moest staken (81). In 74 achtte M. zich weder strijdvaardig en de oorlog ontbrandde ten derden male. M. knoopte betrekkingen aan met Sertorius in Hispania en met de zeeroovers, doch te vergeefs; Sertorius werd vermoord, en M. door L. Licinius Lucullus niet slechts uit de prov. Asia, maar zelfs uit Pontus verdreven, zoodat hij naar Armenia vluchtte. Daar Tigranes zijne uitlevering weigerde, rukte Lucullus Armenia binnen, doch moest door een oproer van zijn leger alle veroveringen prijs geven (zie Licinii no. 24). De lex Manilia (z. a.) droeg het voleindigen van den oorlog aan Pompeius op en deze bracht aan Mithradates den genadeslag toe, zoodat de koning, toen vergif niet werken wilde, waaraan hij zijn lichaam uit voorzorg van jongs af had gewend, zich door een slaaf liet doodsteken (voorjaar van 63). Zijne grenzenlooze wreedheid, die met zijne tegenspoeden nog toenam, had zijn eigen volk, zelfs zijn eigen zoon Pharnaces, van hem vervreemd.

Mithras, Mithras, perzische god van de zon en van het goede, die sedert het einde der romeinsche republiek ook in het Westen vereerd werd. Zijn dienst werd door Domitianus en Traianus officieel te Rome ingevoerd en was later zeer algemeen. Hij wordt gewoonlijk afgebeeld als een jongeling in oostersche kleederdracht, geknield op een stier, wien hij een mes in de keel stoot.

Mithridates = Mithradates.

Mithrines, -renes, Mithrines, -renes bevelhebber van Sardes, die deze stad na den slag bij den Granicus aan Alexander d. G. overgaf en daarvoor satraap van Armenië werd.

Mitra, een vrouwenkap van dichte stof, in eene punt uitloopende, die dan als een zak naar achteren hing.

Mitylene, Mitylene = Mytilene.

Mnasalcas, Mnasalkas, van Sicyon, een van de epigrammendichters der grieksche anthologie; hij leefde omstreeks het midden der 3de eeuw.

Mnaseas, Mnaseas, van Patrae, leerling van Eratosthenes, schrijver van een geschied- en aardrijkskundig werk.

Mnasippus, Mnasippos, werd in 373 met een spartaansche vloot naar Corcyra gezonden om er de aristocratische partij te ondersteunen. Hij had de stad reeds bijna door honger tot de overgave gedwongen, maar zijn hebzucht veroorzaakte ontevredenheid in zijn eigen leger, en toen de Coryraeërs dit bemerkten, deden zij een uitval, waarbij Mn. sneuvelde.

Mneme, Mneme, geheugen, eene van de boeotische Muzen, dikwijls voor dezelfde gehouden als Mnemosyne.

Mnemonides, de Muzen, dochters van Mnemosyne.

Mnemosyne, Mnemosyne, dochter van Uranus, godin van het geheugen, bij Zeus moeder van de Muzen.

Mnesarchus, Mnesarchos, leerling van Panaetius, hoofd der stoicijnsche school (110-90).

Mnesicles, Mnesikles, bouwmeester van de propylaeën op de acropolis van Athene.

Mnesilochus, Mnesilochos, 1) een van de 30 te Athene.--2) zoon van Euripides, tooneelspeler.

Mnesimachus, Mnesimachos, geestig blijspeldichter uit het middelste tijdperk der attische comoedie.

Mnestheus, tochtgenoot van Aeneas, de mythische stamvader van de Memmii.

Mnevis, Mneuis, een heilige stier der Aegyptenaars, te Heliopolis op dezelfde wijze vereerd als Apis te Memphis.

Mnoitai, Mnotai, lijfeigenen van den staat op Creta.

Moabitis, Moabitis, het land van Moab, ten O. der Doode zee.

Modius, rom. maat, ongeveer = 1/12 hectol.

Moenus, rivier in Germania, thans Main.

Moera, Moira, het den mensch beschoren deel of levenslot. Soms blijft de Moera volkomen een afgetrokken begrip en is dit levenslot eenvoudig door den wil der goden bepaald, dikwijls wordt zij echter als persoon gedacht, bekleed met eene geheimzinnige macht, waaraan ook de goden onderworpen zijn; hare beschikkingen zijn in hoofdzaak onherroepelijk, toch kunnen zij door goden en menschen, die met de uitvoering er van belast zijn, in sommige opzichten gewijzigd worden of kan men de vervulling er van eenigen tijd tegenhouden. In lateren tijd nam men aan dat er drie Moerae waren: Clotho, Lachesis en Atropus, dochters van Nyx of van Zeus en Themis, soms met een gemeenschappelijken naam Kataklothes, spinsters, genoemd, omdat zij den levensdraad van den mensch afspinnen, den tijd van zijne geboorte en van zijn dood bepalen en hem zijn lot toedeelen, waarbij zij dikwijls schijnbaar met wreedheid te werk gaan, maar ten slotte toch altijd de eeuwige wereldorde handhaven en beschermen. Zij worden meestal beschreven als leelijke oude vrouwen, maar afgebeeld als eerwaardige jonkvrouwen met ernstige gelaatstrekken. Eene soortgelijke personificatie van het noodlot is Aisa, die echter meer dan de Moerae altijd een afgetrokken begrip gebleven is.

Moeris, Moiris, gwl. Atticista genoemd, grieksch grammaticus onder Hadrianus, schrijver van een woordenboek, waarin atticismen (Lexeis Attikai) door later gebruikelijke uitdrukkingen verklaard worden.

Moeris, Moirios limne, meer in Aegypte, eigenlijk een laagliggend dal, tgw. Fajûm geheeten, dat met behulp van een kanaal en zware dijken in een ontzaggelijk waterbekken herschapen werd door koning Amenemha III. In het midden stonden twee reuzenbeelden van den koning en diens gemalin, en aan den ingang het reusachtige paleis Lo-pe-ro-hunt (zie Labyrinthus). Onder Ptolemaeus Philadelphus werd het meer grootendeels drooggelegd en met Grieksche kolonisten bevolkt. Hier zijn in den laatsten tijd tallooze papyri gevonden. In de middeleeuwen zijn de dammen bezweken en heeft het water een nieuw bekken gevormd.

Moero, Moiro, dichteres uit Byzantium op het einde der 4de eeuw; van hare talrijke werken zijn twee epigrammen bewaard gebleven.

Moesia, het land tusschen den Ister (Donau) en den Haemus (Balkan), sedert Tiberius rom. provincie. De inwoners heetten Moesi, Mysoi. Het gewest werd verdeeld in Moesia superior en inferior. Onder Aurelianus werd er eene nieuwe prov. tusschen gevoegd, Dacia Aureliani (z. a.).

Mogontiacum, thans Mainz, reeds onder de Rom. eene belangrijke vesting, hoofdstad van Germania Superior.

Moliones, -onidae, z. Actoriones.

Molo, Molon, z. Apollonius no. 3.

Molois, gen. -entis, Moloeis, beekje nabij Plataeae in Boeotia, dat in den Asopus valt. Daaraan stond een tempel van Demeter.

Molorchus, Molorchos, tuinier bij Nemea, die Heracles vriendelijk ontving en hem goeden raad gaf, toen hij den nemeïschen leeuw ging bestrijden.

Molossi, Molossoi, aanzienlijk volk in Epirus; eerst alleen in het O., aan de bronnen van den Arachthus, ten N. O. van Dodona gevestigd, breidden zij onder het huis der Aeaciden hun gezag over geheel Epirus uit. De naamheros van dit volk was Molossus, door Pyrrhus, den zoon van Achilles, bij Andromache verwekt (zie Helenus). De hoofdstad was eerst Passaron; later, onder Pyrrhus, sedert 294, Ambracia (z. a.). Bekend waren de groote molossische doggen.

Molossus, Molossos, zie Molossi.

Molus, Molos, zoon van Deucalion, vader van Meriones.

Molycreum, -cria, Molykreion, -kria, stad in Aetolia aan de invaart der Corinthische golf, kolonie van Corinthus.

Momus, Momos, zoon van Nyx, personificatie van spotternij en vitzucht. Toen hij in Aphrodite eene schoonheid vond, waarop hij geen aanmerking konde maken, barstte hij van spijt.

Mona, naam van twee eilanden tusschen Ivernia (Ierland) en Britannia. 1) Anglesey, dat eerst door Suetonius Paulinus, en later wederom door Agricola veroverd werd; het was de hoofdzetel van den Druidendienst.--2) het tegenwoordige Man, dat bij latere schrijvers Monapia heet.

Moneta, 1) latijnsche naam voor Mnemosyne.--2) de waarschuwende, bijnaam van Juno. In den oorlog tegen Pyrrhus had zij namelijk de Romeinen, die geldgebrek hadden, gewaarschuwd den strijd rechtvaardig te voeren, in welk geval het hun aan geld niet ontbreken zou. Naar aanleiding hiervan werd een tempel voor Juno M. gesticht, waar sedert dien tijd het geld gemunt werd. In werkelijkheid is de tempel reeds in 344 gewijd, op de plaats waar vroeger het huis van M. Manlius Capitolinus gestaan had. Het verhaal is dan later ontstaan, ter verklaring van het feit, dat de tempel van Juno Moneta voor het slaan van munt gebruikt werd.

Monoeci portus, zie Herculis mon. p.

Monoecus, Monoikos, bijnaam van Heracles op de kust van Ligurië, in het tegenwoordige Monaco.

Monopterus, monopteros, tempeltje in den vorm van een open koepel, dus zonder cella.

Mons Sacer = Sacer Mons.

Monstrum, zie Auguria.

Mopsium, Mopsion, heuvel en stad in Thessalia tusschen Tempe en Larissa.

Mopsopia, Mopsopia, oude naam voor Attica naar een overouden koning Mopsopus of Mopsops. Bij dichters mopsopius = atheensch, attisch.

Mopsucrene, Mopsou krene, stad in Cilicia, ten N. van Tarsus.

Mopsuestia, Mopsou hestia, stad in Cilicia aan den Pyramus, in de aleïsche vlakte, aleion pedion.

Mopsus, Mopsos, 1) zoon van Ampyx of Apollo en Chloris, Lapithe, nam deel aan de calydonische jacht en vergezelde de Argonauten als waarzegger; op dezen tocht stierf hij in Lybië aan een slangebeet. Hij werd als heros vereerd.--2) zoon van Rhacius of Apollo en Manto, beroemd waarzegger (z. Calchas en Amphilochus). Hij had te Colophon en te Mallus tempels, waar orakels gegeven werden.

Mora, bij de Spartanen sedert den derden messenischen oorlog eene afdeeling zware infanterie, waarschijnlijk in den regel 600 man tellend, doch niet altijd van dezelfde getalsterkte. Zes morai vormden het hoplietenleger.

Morbus comitialis, vallende ziekte, aldus genoemd, omdat, wanneer iemand staande de comitiën een toeval kreeg, deze gestaakt moesten worden.

Morgantium, Morgantia, Morgantion of -tine, oude stad in het binnenland van Sicilia, ten Z. W. van Centuripae, gesticht door een uit Italia verdreven stam der Morgetes, Morgetes.

Morgetes, Morgetes, een afdeeling der Oenotri in Zuid-Italia. Zie Morgantium.

Morini, Morinoi, volk in Belgica, aan het tegenw. nauw van Calais. Uit hunne haven Itius portus was de overvaart naar Britannia het kortst.

Moriones, misvormde dwergen, dikwijls kunstmatig mismaakt en verwrongen en verstompt, halve idioten, die bij aanzienlijke Rom. als narren werden gehouden.

Mormo, Mormo, Mormolyke, spook in vrouwengestalte, waarmede men kinderen bang maakte.

Morpheus, Morpheus, zoon en dienaar van Hypnus, die den menschen in den droom verschijnt en daarbij altijd eene menschelijke gedaante aanneemt. Hij wordt voorgesteld als een bejaard, ernstig man met vleugels aan het hoofd. Zijne broeders Icelus en Phobetor verschijnen in den droom als dieren, Phantasus als een levenloos voorwerp.

Morsimus, Morsimos, Athener, zoon van Philocles, arts en treurspeldichter, als zedeloos mensch en slecht dichter door Aristophanes gehekeld.

Morychus, Morychos, atheensch treurspeldichter, wegens zijne middelmatige poëzie en zijn weelderig leven door Aristophanes scherp gehekeld.

Mosa, rivier in Belgica, thans de Maas. Een arm van deze rivier vereenigde zich met een Rijnarm, de Waal; deze vereeniging, confluens Mosae et Rheni, had echter niet plaats bij het tegenw. Woudrichem, want deze laatste verbinding is in de middeleeuwen gegraven, maar tusschen Dreumel en Rossum. Een andere Maasarm liep zelfstandig naar zee, en vormde het Helium ostium.

Moschi, Moschoi, volk in Colchis, waarnaar een Z.W. tak van den Caucasus den naam draagt van Moschicus mons.

Moschion, Moschion, 1) atheensch treurspeldichter, jonger tijdgenoot van Euripides, dien hij in zijne werken schijnt nagevolgd te hebben. Wegens zijn zedeloos leven wordt hij door de blijspeldichters bespot.--2) geneesheer, dikwijls door Galenus aangehaald.--3) atheensch beeldhouwer in het midden der 2de eeuw.

Moschus, Moschos, van Syracuse, bucolisch dichter, jonger tijdgenoot van Theocritus, van wien nog eenige werken overgebleven zijn.

Mosella (= Maasje), rivier in Belgica, thans de Moezel, door Ausonius bezongen.

Mosynoeci, Mosynoikoi ( = torenbewoners), volksstam op de kust van Pontus, die in suikerbroodvormige huizen woonde. De grieksche schrijvers vertellen allerlei merkwaardigs van hunne ruwe zeden. Hun hoogste genot was lekker eten en drinken. Wanneer hun koning zijn waardigheid niet naar behooren bekleedde, lieten zij hem van honger sterven.

Mothakes, Modones, kinderen van spartaansche burgers en vrouwen uit den Helotenstand; zij waren vrij en hadden dikwijls het burgerrecht, ook werden zij met de jonge Spartanen opgevoed. Somtijds kregen zij het burgerrecht en sommige mothakes, bijv. Lysander en Callicratidas, bekleedden hooge waardigheden.

Mothone = Methone.

Mutuca, stad in het Zuiden van Sicilia.

Motye, Motye, oude stad op de N.W. kust van Sicilia, op een eilandje, dat met een brug aan het groote eiland verbonden was. De stad was afwisselend phoenicisch, carthaagsch, syracusaansch en wederom carthaagsch, tot Hamilcar de inwoners in 396 naar Lilybaeum overbracht.

Moxoene, landschap van Armenia, ten Z. van het meer Thospites.

Mucia (lex) van den volkstribuun P. Mucius Scaevola in 142, tot gerechtelijke vervolging van den praetor L. Hostius Tubulus, die zich had laten omkoopen.

Mucii, oud plebejisch geslacht. 1) C. Mucius Cordus had in 508 een aanslag gewaagd op koning Porsena, die Rome belegerde, doch in plaats van den koning had hij diens schrijver doorstoken. Om te doen zien, hoe weinig hij den folterdood vreesde, stak hij de rechterhand in de vlam van een offervuur en verhaalde den koning, dat hij door het lot als de eerste was aangewezen van 300 jongelingen, die gezworen hadden, P. naar het leven te staan, zoo hij niet aftrok. Aldus het verhaal. Mucius verkreeg van de zijnen den naam Scaevola (= linksch), benevens een stuk land, de Mucia prata.--2) P. Mucius Scaevola was in 175 de eerste consul uit deze gens, en hield een zegetocht over de Liguriërs. Zijn broeder Q. was consul in 174.--3) P. Mucius Scaevola, zoon van den vorigen P. (no. 2), consul in 133, pontifex maximus sedert 131 of 130, eerst verdacht de plannen van Tib. Gracchus te begunstigen, was later een voorstander der optimatenpartij. Hij muntte uit door redenaarstalent en groote rechtskennis. Hij heeft waarschijnlijk de annales maximi uitgegeven, z. annales.--4) P. Licinius Crassus Mucianus, broeder van no. 3. Zie onder de Licinii no. 11.--5) Q. Mucius Scaevola, zoon van no. 3, volkstribuun in 106, consul in 95 en pontifex maximus, bekleedde zijne meeste ambten tegelijk met den redenaar Crassus; hij was een streng eerlijk en rechtvaardig man, en bestuurde in 95 en 94 de provincie Asia zóó, dat de inwoners te zijner eer een jaarlijksch feest, Mucia, instelden. De tolpachters, aan wier woeker hij paal en perk stelde, durfden hem niet aan te tasten, maar veroordeelden zijn vriend, den legaat P. Rutilius Rufus. In 82 werd hij op last van den jongen Marius vermoord. Hij was een uitstekend rechtsgeleerde en groot redenaar.--6) Q. Mucius Scaevola, bijgenaamd de augur, consul in 117, zoon van den in no. 2 vermelden Q., was een man van gematigde beginselen, een verklaard vijand van geweld, o. a. tegen Gracchus; ook verzette hij zich tegen Sulla's verlangen om de beide Mariussen, vader en zoon, met nog 10 anderen tot vijanden van den staat te verklaren (88). Hij was altijd bereid, met raad en daad hen bij te staan, die zijne hulp behoefden. Zijne uitnemende rechtskennis was eene reden, dat aanzienlijke jongelieden, o. a. Cicero en Atticus, er eene eer in stelden, zijne leerlingen te mogen zijn. Cicero voert hem in meer dan één geschrift als spreker in.--7) Q. Mucius Scaevola, zoon van no. 6, ook augur, was een groot vriend van Cicero en vergezelde diens broeder Quintus in 59 naar Asia.--8) Mucia Tertia, dochter van Q. Mucius Scaevola no. 5, halve zuster van Q. Metellus Celer en Q. Metellus Nepos, was de derde vrouw van Cn. Pompeius Magnus, doch werd wegens echtbreuk met Caesar door hem verstooten. Later huwde zij met M. Aemilius Scaurus. Zij trachtte in den burgeroorlog Octavianus met haren zoon S. Pompeius te verzoenen.--9) Muciae, twee dochters van no. 6, beroemd om hare sierlijke taal.

Mugillanus, familienaam in de gens Papiria (Papirii no. 10).

Mulciber, die week en smeedbaar maakt, bijnaam van Vulcanus.

Mulsum, een drank, bereid uit most of wijn en honig.

Mulucha, Molochath, grensrivier tusschen Mauretania, het rijk van Bocchus, ten W. en Numidia, het rijk van Jugurtha, ten O.; in den keizertijd grens tusschen Mauretania Tingitana ten W. en M. Caesariensis ten O.

Mulvius pons = Milvius pons.

Mulus Marianus, een door Marius uitgevonden draagtoestel voor de bagage der soldaten. Hij bestond uit een staak, die waarschijnlijk met riemen op den rug werd vastgemaakt en waaraan van boven een plank bevestigd was om er den last op vast te binden.

Mummii, plebejisch geslacht, waarvan 1) in 187 twee volkstribunen, Q. en L., voorkomen, tegenstanders van M. Porcius Cato, toen deze de Scipiones (Cornelii no. 13 en 14) aanviel.--2) L. Mummius, een goedhartig en eerlijk, maar ruw en onbeschaafd man, die als consul in 146 naar Achaia werd gezonden en na de Achaeërs bij Leucopetra op den Isthmus verslagen te hebben, Corinthus veroverde, dat trouwens reeds door het grootste gedeelte der inwoners verlaten was. Van de achtergeblevenen werden velen vermoord, anderen als slaven verkocht, de stad werd geplunderd en aan de verwoesting prijs gegeven. Bij zijne terugkomst kreeg Mummius een zegetocht en den bijnaam Achaicus. In 142 was hij censor met Scipio Africanus minor; hij geraakte echter met hem in twist.--3) Sp. Mummius, broeder en legaat van no. 2, was meer beschaafd, hij had eenigen naam als redenaar en was de stoicijnsche wijsbegeerte toegedaan. Hij is de eerste Romein, die brieven in dichtmaat schreef, waarin hij op grappige wijze zijn wedervaren te Corinthe verhaalde.

Munatii, plebejisch geslacht, dat eerst tegen het einde der rom. republiek naam maakte. 1) L. Munatius Plancus, vriend en legaat van Caesar in Gallia, een man, schijnbaar van verzoenende gezindheid, die na Caesars dood zich bij Antonius en Lepidus aansloot, doch voor de moordenaars amnestie bepleitte. Toch was het de zucht om uit eigenbelang alle partijen te vriend te hebben, die hem dreef, en de vrees zichzelf te benadeelen maakte hem veeltijds besluiteloos. In 44 en 43 bestuurde hij Gallia comata en stichtte toen Rauraca, later Augusta Rauracorum geheeten, en Lugdunum (no. 1). In 42 was hij consul, in 40 voor Antonius landvoogd van Syria, waar hij afpersingen pleegde; vervolgens liep hij tot Octavianus over, voor wien hij later den titel Augustus bedacht. Zijn bijzonder leven was ver van smetteloos. Horatius wijdde hem een ode.--2) Cn. Munatius Plancus, broeder van no. 1, diende eerst onder Caesar en later onder zijn broeder, doch moest wegens ziekte naar huis terugkeeren.--3) T. Munatius Plancus Bursa, broeder van no. 1 en 2, volkstribuun in 52, ijverde voor Clodius en tegen Milo. Daarom trad Cicero als aanklager tegen hem op en hij werd veroordeeld. Later werd hij door Caesar teruggeroepen. In den Mutinensischen oorlog diende hij onder Antonius.--4) L. Plautius Plancus, door een Plautius geadopteerd, broeder der drie vorigen, kwam om bij de vogelvrijverklaringen onder het tweede driemanschap.

Munda, 1) stad in Baetica, ergens in den omtrek van Corduba (Cordova), bekend door de overwinning van Scipio op de Carthagers (214) en van Caesar op de zonen van Pompeius (45).--2) stad der Celtiberi in Tarraconensis.--3) rivier in Lusitania, thans Mondego.

Mundobriga = Medobriga.

Mundus is een kuil (fossa), waarvan men vooronderstelt, dat hij met de onderwereld in verbinding staat. Gewoonlijk is deze kuil gesloten; slechts op 24 Augustus, 5 October en 8 November wordt hij geopend; men spreekt dan van mundus patet; de schimmen der afgestorvenen hebben dan gelegenheid de aarde weder te bezoeken. Vooral wordt de naam mundus gebruikt voor een kuil, die bij de stichting van Roma quadrata in het midden van de stad werd aangelegd, en waarin men de eerstelingen van allerlei veldvruchten wierp; de plaats lag vóór den lateren Apollotempel op den Palatinus, en het altaar er bij heette ook Roma quadrata. Een andere mundus vond men op het forum, n. m. de lacus Curtius, zie Curtii no. 2. Hierin werden jaarlijks geldstukjes geofferd.

Municipium, stad, die bij Rome is ingelijfd, waarvan dus de burgers het rom. burgerrecht hebben, doch die tevens haar zelfstandig gemeentebestuur heeft behouden (zie daartegenover praefectura). De inwoners deelden in alle lasten der Romeinen, vooral dienstplicht en belasting, en hadden het commercium en conubium of één van beide, maar misten het ius suffragii et honorum. Ze hadden dus de civitas sine suffragio, en heetten municipes, d. w. z. qui munia capiunt, die de lasten op zich nemen (zonder de lusten). Tot deze steden behoorden o. a. Tusculum, Cumae, Fundi en Formiae. Langzamerhand kregen ze alle het volledig burgerrecht, zie Valeria (lex) van den volkstribuun Valerius Tappo (188). Na den oorlog met Pyrrhus hebben de Romeinen de civitas sine suffragio niet meer verleend, maar de verovering van Italia voltooid door het stichten van kolonies. Toen echter door de lex Iulia (90) en de lex Plautia Papiria (89) geheel Italia het burgerrecht verkreeg, werden alle zelfstandige steden van Italia municipia. Sedert dien tijd, vooral onder de keizers, werden verschillende steden in de provinciën tot municipia verheven. In den regel stonden aan het hoofd twee jaarlijksche overheden, duumviri iuri dicundo, eene enkele maal vindt men ook aedilen of een dictator. In den keizertijd bestond het stedelijk bestuur uit vier ambtenaren, n. m. II viri iuri dicundo en II viri aediles, die somtijds één college vormden. Verder had men een gemeenteraad, senatus, ordo decurionum of curia genoemd, die in den regel uit 100 leden bestond; aan het hoofd hiervan stonden de decemprimi. De senaat werd om de vijf jaar aangevuld bij den census door de II viri of III viri censoria potestate, gewoonlijk quinquennales genoemd. De burgerij (populus) was ingedeeld in tribus of in curiae, en kwam tributim of curiatim samen voor wetgeving, magistraats- en priesterkeuzen, evenals te Rome in de comitia. In bijna alle municipia vindt men pontifices en augures, door de comitia voor hun leven gekozen, verder flamines, die voor den tijd van één jaar door den gemeenteraad werden benoemd, en den eeredienst der geconsacreerde keizers, of van den nog regeerenden keizer verrichtten, flamines Augusti of Augustales geheeten. Hiervan onderscheiden waren de sexviri of seviri Augustales, die de spelen en offers, die ze gaven, zelf bekostigden. In den regel waren het libertini, en daar ze na afloop van het jaar hun eererechten behielden, vormden ze een bevoorrechten stand, ordo seviralium of ordo Augustalium geheeten. Met het priestercollege der sodales Augustales te Rome (zie sodales) hadden de Augustales in de municipia niets gemeen dan den naam.

Munimentum Corbulonis, versterking in het land der Friezen, door Corbulo aangelegd.

Munus (gladiatorium), z. Ludi aan het slot, en Gladiatores.

Munychia, Mounychia, de oostelijkste en kleinste der drie oorlogshavens van Athene. De haven lag aan den voet van den heuvel Munychia, die een sterke vesting vormde. Dichterlijk munychius = atheensch.

Munychia, Mounychia, feest ter eere van Artemis Munychia, te Athene den 16den Munychion gevierd; men offerde haar koeken, die met lichtjes bezet waren en de volle maan voorstelden. De slag bij Salamis werd tegelijk hiermede herdacht.

Munychion, Mounychion, 10de maand van het Attische jaar (April-Mei), z. Annus.

Munychus, Mounychos, 1) aanvoerder der Minyers, die, door de Thraciërs uit Orchomenus verdreven, zich in Attica vestigden.--2) = Munitus, z. Laodice no. 2.

Murcia, een godin, die een sacellum had in den Circus Flaminius te Rome, maar wier beteekenis reeds vroeg vergeten was; men noemde haar nu Myrtea, myrtengodin, en identificeerde haar met Venus.

Murena, familienaam in de gens Licinia (Licinii no. 27-32).

Murgantia, 1) stad in Samnium.--2) = Morgantium.

Murrha of murra, eene stof, waaromtrent reeds bij de ouden verschil van gevoelen bestond. Men had er allerlei vaatwerk van, murrhina vasa, als: bekers, vazen, schepnappen, enz., waarvoor fabelachtige sommen werden betaald. Zij waren licht en broos. V. s. heeft men hier te doen met chineesch porselein, uit het verre Oosten aangevoerd. Anderen denken aan vloeispaath.

Mursa, Moursa, stad in Pannonia Inferior, aan den Dravus, dicht bij de monding in den Donau. Tgw. Essek.

Mus, familienaam in de gens Decia.

Musa, beroemd arts. Zie Antonii no. 14.

Musae, Mousai, godinnen van het gezang, later ook van poëzie, kunst en wetenschap. In de oudste tijden sprak men van slechts ééne Muze, later worden er drie genoemd, Melete, Mneme en Aoede, wier dienst door de Aloaden aan den Helicon zou ingevoerd zijn; gewoonlijk neemt men echter negen Muzen aan, terwijl aan iedere een bepaalde werkkring wordt aangewezen. Hare namen zijn: Clio, Euterpe, Thalia, Melpomene, Terpsichore, Erato, Poly(hy)mnia, Urania en Calliope; zij zijn dochters van Zeus en Mnemosyne, v. a. van Uranus en Gaea en zijn geboren in Pieria (Pierides, Pimpleides). Inderdaad is de dienst der Muzen van dit land naar Boeotië aan den Helicon overgebracht, waar haar geliefkoosde plaats bleef (Helikoniades) en waar zij meer dan elders vereerd werden; hier hadden zij beelden en tempels, hier waren de haar gewijde bronnen Aganippe en Hippocrene en werd door de Thespiërs te harer eere het groote feest Mouseia gevierd. Niettemin verbreidde zich haar eeredienst over geheel Griekenland, vooral naar plaatsen, die rijk aan bronnen waren, en naar deze verschillende plaatsen hebben zij een groot aantal bijnamen.--Als godinnen van het gezang staan zij in betrekking tot Apollo, als godinnen der dramatische poëzie tot Dionysus, te Rome hadden zij een tempel gemeenschappelijk met Hercules. Over hare attributen zie de namen der verschillende Muzen.

Musaeus, Mousaios, 1) mythisch zanger, priester en waarzegger in Attica, dikwijls zoon of leerling van Orpheus genoemd. Zijne voorspellingen werden ten tijde der Pisistratiden door Onomacritus verzameld en vervalscht.--2) van Ephesus, dichter van een episch gedicht Perseis e. a.; hij leefde aan het hof te Pergamum.--3) dichter van een bevallig epos over Hero en Leander; hij leefde laat in den romeinschen keizerstijd, misschien eerst in het begin der 6de eeuw.

Musagetes, Mousagetes, bijnaam van Apollo als aanvoerder der Muzen.

Musculus, belegeringswerktuig, een schutdak, van voren schuin naar den grond afloopende, tot beschutting der soldaten, die eene mijn moesten graven.

Museum, Mouseion, tempel der Muzen of aan haar gewijd gebouw; bijzonder een gebouw te Alexandrië, waar de geleerden, die aan de bibliotheek werkzaam waren, woning en onderhoud vonden, het middelpunt der alexandrijnsche studiën. Bij de burgertwisten onder Aurelianus werd het verwoest.

Musicanus, Mousikanos, indisch vorst, die zich aan Alexander d. G. onderwierp, en door hem in het bezit van zijn rijk bevestigd werd. Toen hij later afviel, werd hij gevangen genomen en ter dood gebracht.

Musonius Rufus (C.), stoicijnsch wijsgeer uit den rom. ridderstand, geboortig uit Volsinii, van een zóó edel karakter, dat Vespasianus, toen hij de wijsgeeren uit Rome verbande (71 n. C.), hem uitzonderde en in hooge achting hield. Hij was door Nero als verdacht aan de samenzwering van Piso in 65 naar het eiland Gyarus verbannen, maar na diens dood teruggekeerd. Hij was de leermeester van Epictetus. Hij schreef in het Grieksch. Enkele fragmenten zijn er nog over.

Mustius (C.), rom. ridder, een van Cicero's vrienden.

Musulani, dappere volksstam in Numidia.

Muta, z. Larunda.

Muthul, rivier in Numidia, zijrivier van den Bagradas, bij de verdeeling als grens aangenomen tusschen Jugurtha's gebied en dat van Adherbal. In het dal van deze rivier, versloeg Metellus Numidicus (Caecilii no. 13) Jugurtha in 108.

Mutina, Moutine, thans Modena, fraaie, welvarende stad in Gallia Cisalpina, aan de via Aemilia, sedert 183 rom. kol. Bellum Mutinense wordt de oorlog genoemd van 44-43, toen na Caesars dood M. Antonius D. Brutus uit zijn stadhouderschap van Gallia Cisalpina wilde ontzetten. Zie Antonii no. 4 en Iunii no. 6.

Mu(t)tines of Myttones, een Libyphoenix, valt van de Carthagers af en speelt Acragas den Romeinen in handen (210), waardoor Sicilië voor de Carthagers verloren gaat. Later wordt hij Romeinsch burger, en heet nu M. Valerius Mutines.

Mutinus, -tunus Tutunus, god der vruchtbaarheid, geïdentificeerd met Priapus.

Mutusca, Mutuesca, zie Trebula no. 2.

Mycale, Mykale, voorgebergte op de aziatische kust tegenover het eiland Samus, bekend door de overwinning, die de Grieken in 479 onder Leotychides en Xanthippus te land en ter zee op de Perzen behaalden.

Mycalessus, Mykalessos, oude boeotische stad, tot het gebied van Tanagra behoorende. Op deze plek zou de koe het eerst geloeid hebben (mykasthai), welker spoor Cadmus volgen moest. In 413 werd de stad verwoest door thracische huurbenden in atheenschen dienst.

Myceensch tijdperk noemt men het tijdperk, dat op het aegaeische (z. a.) volgt en duurt tot de vestiging der Doriërs in de Peloponnesus. De bloeitijd van deze cultuur is vóór-grieksch, en wordt ook wel cretensisch genoemd (2500-1500); hierop volgt dan 1500-1000 de eigenlijk myceensche of achaeische cultuur. Hoewel uit dit tijdperk geen geschreven geschiedenis over is, stellen overblijfselen, in groote hoeveelheid gevonden te Mycenae, Tiryns, in Argolis, op de Cycladen en Creta, ons in staat ons den toen heerschenden beschavingstoestand voor te stellen. Groote gebouwen, paleizen en koningsgraven, en tal van kunstvoorwerpen in brons, goud en zilver, wijzen, bij het vorige tijdperk vergeleken, op aanmerkelijken vooruitgang in kunst en nijverheid.

Mycenae, Mykenai, stad in Argolis, de rijkszetel van Agamemnon en destijds de voornaamste stad van Griekenland. Toen echter de Doriërs in de Peloponnesus vielen en Argolis grootendeels vermeesterden, taande de luister van Mycenae, hoewel het nog een afzonderlijk staatje bleef. Toen Mycenae zich bij Sparta had aangesloten, werd het in 468 door de bewoners van Argos aangevallen en verwoest, daar de bevolking door den honger de plaats ontruimen moest. Mycenae had cyclopische muren; eene der poorten, waarvan nog overblijfsels bestaan, wordt de leeuwenpoort genoemd. Bij dichters is Mycenaeus dux = Agamemnon, Mycenis = Iphigenia.

Mycene, Mykene, dochter van Inachus.

Mycerinus, Mykerinos, koning van Aegypte omstreeks de 30ste eeuw, bouwde een pyramide, kleiner maar schooner dan die van zijne voorgangers Cheops en Chephren.

Myci, Mykoi, volk in het perzische landschap Gedrosia.

Myconus, Mykonos, ook Mycone, eil. van de Cycladengroep, ten N.O. van Delus. Spreekwoordelijk mia Mykonos = allemaal één pot nat, hetzij omdat de inwoners den naam hadden, allen kaalhoofdig te zijn, of wegens hun hebzucht en inhaligheid. Ook staan ze spreekwoordelijk bekend als klaploopers.

Mygdon, Mygdon, 1) koning der Bebryciërs, door Heracles op zijne reis naar de Amazonen gedood.--2) zoon van Acmon, vader van Coroebus, koning der Phrygiërs, streed met Otreus en Priamus tegen de Amazonen. Naar hem Mygdones = Phrygiërs, Mygdonius = phrygisch.

Mygdonia, Mygdonia, 1) landschap in Macedonia ten O. van den Axius (Vardar) en ten N. van Chalcidice.--2) streek ten Z. der Propontis in Phrygia en Bithynia, bevolkt door Mygdoniërs uit Thracia, zie Mygdon no. 2.--3) streek in het N.O. van Mesopotamia, Anthemusia, Anthemousia, bloemengaard, genoemd.

Mygdonius, rivier in N.O. Mesopotamia, stroomt langs Nisibis en valt in den Chaboras (z.a.).

Myia, Muia, 1) dochter van Pythagoras en Theano, gehuwd met den worstelaar Milo.--2) dichteres van Thespiae, v. s. dezelfde als Corinna.--3) spartaansche dichteres, van wie lofzangen op Apollo en Artemis vermeld worden.

Mylae, Mylai, kolonie van Zancle, gesticht ± 715, vesting en havenstad op de N.kust van Sicilia. In de nabijheid behaalde Duillius in 260 de overwinning ter zee op de Carthagers en Agrippa in 36 op S. Pompeius.

Myla(s)sa, ta Mylassa, welvarende stad in het binnenland van Caria, oude koningsresidentie.

Mylitta, Mylitta, babylonische godin van bevruchting en voortplanting, moeder van het heelal, door de Grieken voor dezelfde gehouden als Aphrodite Urania.

Myndus, Myndos, dorische kolonie in Caria nabij Halicarnassus. De stad was klein en had groote poorten. Toen Diogenes ze bezocht, gaf hij den raad, de poorten toch gesloten te houden, opdat de stad er niet uit zou loopen.

Myon, Myonia, Myon, Myonia, stad der ozolische Locriërs, ten N. van Amphissa, hoog gelegen aan een gevaarlijke bergpas, die naar Aetolia voerde.

Myonnesus, Myonnesos (= mosseleiland), kaap en stad in Ionia aan de golf van Ephesus. Hier werd in 190 de vloot van Antiochus III van Syria door L. Aemilius Regillus vernietigd.

Myoparo, myoparon, een licht, zeer snel loopend kaperschip.

Myos Hormus, myos hormos (= mosselhaven), belangrijke koopstad in Aegypte aan de Arabische golf, ongeveer tegenover de Zuidspits van Petraea.

Myra, ta Myra, aanzienlijke stad van Lycia, in den keizertijd hoofdstad van de provincie Lycia et Pamphylia, met de havenstad Andriace.

Myrcinus, Myrkinos of Myrkinos, versterkte stad in Thracië, in het land der Edoniërs, ten N. van Amphipolis. De stad was gesticht door Histiaeus van Miletus, doch werd spoedig door de Edoniërs veroverd. Aristagoras sneuvelde hier, toen hij trachtte de plaats te herwinnen, in 497.

Myriandus, Myriandrus, Myriandos, Myriandros, phoenicische volkplanting in Syria, aan de golf van Issus, een belangrijke handelsplaats.

Myrina, Myrina, 1) eene der steden van den aeolischen bond op de kust van Mysia, nabij Cyme.--2) stad op Lemnus.

Myrlea, Myrleia, stad aan de Propontis in Bithynia, aan den Cianus sinus, door de Colophoniërs gekoloniseerd, door koning Prusias I (± 200) vergroot en naar zijne gemalin Apama in Apamea verdoopt.

Myrmecides, Myrmekides, van Miletus, leefde ten tijde van Pericles te Athene als vervaardiger van fijne kunstwerken in ivoor en metaal.

Myrmidones, Myrmidones, het volk van Achilles. Volgens de sage was het eiland Aegina door de pest ontvolkt en veranderde Zeus op de bede van Aeacus de mieren (myrmekes) in menschen. Onder Aeacus' zoon Peleus zouden zij naar Thessalia getogen zijn, naar het landschap Phthiotis.

Myro, Myro = Moero.

Myron, Myron, 1) tyran van Sicyon, grootvader van Clisthenes no. 1.--2) van Eleutherae, beroemd beeldhouwer te Athene uit de eerste helft der 5de eeuw, leerling van Ageladas. Hij werkte bij voorkeur in metaal, zijne beelden van menschen en dieren muntten uit door natuurlijkheid. Vooral beroemd was zijne Koe en de Marsyasgroep; zijn Discobolus is op blz. 238 afgebeeld.--3) van Priene, beschreef de geschiedenis van den eersten messenischen oorlog. Hij leefde in de 2de eeuw.

Myronides, Myronides, zoon van Callias, een van de veldheeren der Atheners bij Plataeae, overwon de Corinthiërs bij Megara (457) en de Boeotiërs bij Oenophyta (456), waarna hij in bijna geheel Boeotië de democratie weder invoerde; van een krijgstocht naar Thessalië moest hij echter onverrichter zake terugkeeren. Als gematigd democraat streefde hij meer naar de ontwikkeling van Athene als landmacht dan als zeemacht.

Myrrha, Myrra, dochter van Cinyras en bij hem moeder van Adonis.

Myrrhina, Myrrine, ook Byrsine geheeten, dochter van Callias, gemalin van Hippias no. 1.

Myrsilus, Myrtilus, Myrsilos, Myrtilos, 1) zoon van Hermes, wagenmenner van Oenomaüs (z. a.), dien hij aan Pelops verried. Pelops had hem tot loon voor zijn verraad de helft van het rijk van Oenomaüs beloofd, maar om zich van deze belofte te ontslaan, wierp hij M. in zee. Door Hermes werd deze als voerman onder de sterren geplaatst.--2) = Candaules.--3) tyran van Mytilene, tijdgenoot van Alcaeus, die hem in zijne gedichten aanvalt.--4) van Methymna, geschiedschrijver in het begin der 3de eeuw.

Myrsinus, Myrsinos, stad der Epeërs bij de N.W. kust van Elis, later Myrtuntium geheeten.

Myrtea, z. Murcia.

Myrtis, Myrtis, van Anthedon, lyrische dichteres, leermeesteres van Corinna en Pindarus genoemd.

Myrtoum (mare), Myrtoon pelagos, dat gedeelte der Aegaeïsche zee, dat tusschen de buitenrij der Cycladen en Griekenland ligt. De naam schijnt ontleend aan het eilandje Myrtus, Myrtos of Myrto ten Z. van Euboea, dicht bij Geraestus.

Myrtuntium, Myrtontion = Myrsinus.

Myrtus, Myrtos, of Myrto, eiland, zie Myrtoum mare.

Mys, Mys, bekwaam graveur, toreutes, te Athene ten tijde van Pericles; hij maakte o. a. het schild bij de Athena Promachus van Phidias.

Myscellus, Myskellos, van Argos, zoude volgens een orakel eerst kinderen krijgen, wanneer hij een stad gebouwd had op een plaats, waar hij het bij helderen hemel zou zien regenen. In Italië gekomen, begon zijne vrouw, wanhopende aan de mogelijkheid hiervan, bitter te weenen, en M., hierin de vervulling van het orakel ziende, stichtte de stad Croton. Later keerde hij naar Argos terug, waar hij aangeklaagd werd omdat hij tegen de wet zijn vaderland verlaten had, maar Heracles veranderde de zwarte boonen, waarmede de rechters hem ter dood veroordeeld hadden, voor de opening van de stembus in witte, zoodat hij vrijgesproken werd.

Myscon, Myskon, aanvoerder der Syracusanen in den oorlog tegen Athene.

Mysia, Mysia, landstreek in het N.W. van Asia minor, bevolkt door den thracischen stam der Mysi, Mysoi. Mysia heeft nooit een afzonderlijken staat, noch eene perzische satrapie uitgemaakt; vandaar dat de grenzen niet te bepalen zijn. Het noordelijke gedeelte langs de Propontis (zee van Marmara) is Mysia minor, he mikra, ook Phrygia ad Hellespontum geheeten, omdat het onder den satraap van Phrygia stond. Het binnenland ten Z. hiervan was Mysia maior, he megale. Het oude trojaansche gebied werd Troas, Troas, genoemd. Langs de W.-kust strekte zich Aeolis uit. In het Z.W. had men de landstreek Teuthrania, Teuthrania, de bakermat van het latere rijk van Pergamus. Mysius dux = Telephus.

Myson, Myson, door sommigen in plaats van Periander onder de zeven wijzen van Griekenland gerekend.

Mistagogus, mystagogos, z. Eleusinia; alg. een gids, die vreemdelingen rondleidt, om hun de merkwaardigheden van een plaats te toonen.

Mysteria, mysteria, godsdienstplechtigheden, die alleen voor ingewijden toegankelijk zijn en waarvan de bizonderheden en de beteekenis voor niet-ingewijden streng geheim gehouden moeten worden. Zij bevatten niet alleen de gewone godsdienstige handelingen, offers, gebeden, enz., maar kenmerken zich door mimische en dramatische voorstellingen van de geschiedenis of van eene gebeurtenis uit de geschiedenis van den god, te wiens eere zij gevierd werden. Deze voorstellingen, gepaard met het vertoonen van bepaalde voorwerpen, die als het ware den god vertegenwoordigden (symbolen), waren er op ingericht om bij de geloovigen eene enthusiastische gemoedsbeweging te veroorzaken, waarin zij zich werkelijk in tegenwoordigheid van den god waanden en waardoor zij zich buitengemeen gelouterd en gesticht gevoelden. Dat de mysteriën dienstbaar gemaakt werden aan het verbreiden van een of ander dogma, dat buiten het volksgeloof stond, is niet waarschijnlijk; wel schijnen zij ten doel gehad te hebben het geloof aan de onsterfelijkheid der ziel te bevestigen en het vertrouwen op te wekken, dat de ingewijden hiernamaals boven anderen bevoorrecht zouden zijn. De beroemdste mysteriën waren die van Demeter te Eleusis (z. Eleusinia), als bizonder heilig golden ook de samothracische mysteriën der Cabiri, ook Dionysus, Sabazius, Aphrodite, Cybele, Isis, Osiris, Mithras e. a. werden op deze wijze vereerd.--De mysteriën zijn zeer oud en worden beschouwd als overblijfsels van pelasgischen eeredienst; een tijd lang door de helleensche godsvereering op den achtergrond gedrongen, herleefden zij vooral door den invloed der Orphici omstreeks het einde der 7de eeuw. Later, bij het verval van het oude geloof, gelukte het ook eene dergelijke vereering van vreemde godheden ingang te doen vinden, die soms, in weerwil van de tegenwerking van den staat, groote populariteit verwierven.

Mystes, mystes, ingewijde van den laagsten graad bij de mysteriën, z. Eleusinia.

Mystrum, mystron, grieksche maat voor natte waren, het 4de gedeelte van een cyathus.

Mytilene, Mytilene, machtige en bloeiende hoofdstad van het eiland Lesbus, aan de O.-zijde gelegen, de geboorteplaats van Pittacus, Sappho, Alcaeus, Hellanicus, thans Metelin. De stad kreeg een gevoeligen knak in 427, toen zij voor haren afval van het atheensche zeeverbond getuchtigd werd (zie Cleon). In den oorlog van Alexander den Gr. werd M. door de Perzen ingenomen, doch door Alex. heroverd. In 80 werd ze na een langdurig beleg door M. Minucius Thermus (Minucii no. 7) ingenomen, en streng gestraft voor haar afval en heulen met Mithradates. De stad had twee havens.

Myus, gen. -untis, Myous, stad in Caria aan de monding van den Maeander, de kleinste stad van het ionisch verbond, eene der drie steden, waarvan de inkomsten door Artaxerxes I aan Themistocles werden toegewezen. Door de sterke aanslibbing geraakte Myus meer en meer van de zee verwijderd en werd ten slotte verlaten, daar de inwoners naar Miletus verhuisden.

N.

N. Zie Nefasti (dies).

Naarmalcha (Nahar Malcha), zie Regium flumen.

Nabalia = Navalia.

Nabataei, Nabataioi, machtig volk van Arabia Petraea, waren eerst nomaden, doch vestigden zich allengs in het land der Edomieten, Midianieten en Amalekieten, en breidden hunne heerschappij ook over Arabia felix uit. Petra was hunne hoofdstad. Zij werden nu een handelsvolk, hun bodem leverde kostbare specerijen en kruiderijen op, terwijl zij ook een belangrijken veestapel onderhielden. Hunne vorsten (Aretas, Jonathan) komen eerst als vrienden, later als vijanden der Maccabaeën voor, hetgeen aan Pompeius aanleiding verschafte, in 64 een inval in hun gebied te doen. Hun koning Malchus II komt eerst als vriend van Caesar, later als bondgenoot der Parthen, en na eene zware bestraffing weder met Octavianus verbonden voor. Traianus vernietigde hun rijk (105 n. C.).

Nabis, Nabis, maakte zich kort na den dood van Machanidas (207) van de heerschappij over Sparta meester, en regeerde als een hebzuchtig en wreed dwingeland. Hij was eerst met de Romeinen verbonden, hoewel Philippus in den tweeden macedonischen oorlog trachtte hem voor zich te winnen; later maakte echter zijn optreden tegenover de andere peloponnesische staten de tusschenkomst der Romeinen noodzakelijk, en werd hem door Flamininus zijn geheele rijk buiten Sparta ontnomen. Kort daarna begon hij, om het verloren gebied terug te winnen, een oorlog tegen het achaeïsch verbond, waarin hij eene overwinning ter zee behaalde, doch weldra werd hij door Philopoemen verslagen en daarop door den aanvoerder zijner aetolische bondgenooten vermoord (192).

Nabonassar, koning van Babylon, onder assyrische opperheerschappij. In zijn tijd (26 Febr. 747) begon eene nieuwe jaartelling (aera van Nabonassar), die in het Oosten vrij algemeen werd.

Nabonedus = Labynetus no. 2.

Nabopolassar, assyrisch stadhouder van Babylon (625-604), viel van Assyrië af en veroverde Niniveh met de hulp van Cyaxares, waarna de bondgenooten het assyrische gebied onder elkander verdeelden.

Naeniae, neniae, treurzangen, die bij de begrafenissen van aanzienlijke personen gezongen werden, hetzij door de bloedverwanten, hetzij door gehuurde klaagsters, praeficae. Later krijgt het woord ook de beteekenis van tooverzang en van slaapdeuntje.

Naevii, plebejisch geslacht. 1) Cn. Naevius, Campaniër van geboorte, tooneeldichter, de eerste, die fabulae praetextae (zie praetexta) gedicht heeft, en schrijver van een epos in saturnische maat over den eersten punischen oorlog. Naar griekschen trant tastte hij in zijne stukken de aanzienlijkste mannen aan, o. a. de Metellussen en de Scipio's waardoor hij zich eerst gevangenisstraf, later verbanning op den hals haalde. Van hem is o. a. de bekende versregel afkomstig: fató Metélli Római fíunt cónsulés, waarop door de Metelli geantwoord werd: dabúnt malúm Metélli Naévió poétae. Zie Caecilii no. 3. Hij overleed te Utica in vrij hoogen ouderdom omstreeks 200.--2) de andere bekende Naevii, waarvan enkele bij Livius en bij Cicero voorkomen, zijn van weinig belang. Een er van, Sex. Naevius, een man van geringe afkomst, komt als aanklager voor tegen P. Quinctius, die door Cicero verdedigd werd (Quinctii no. 10). Een ander, P. Naevius Turpio, wordt door Cicero als handlanger van Verres aan de kaak gesteld.--3) Naevius Sertorius Macro, z. Macro.

Nahanarvali (Naharvali), ligysche stam in Germania, aan de Viadua (Oder).

Nahar Malcha (Naarmalcha), zie Regium flumen.

Naiades, Naïades, Naïdes, nimfen van rivieren (Potameides), bronnen (Krenaiai, Pegaiai) en beken (Limnades). Zij bezitten de gave der profetie, beschermen dichtkunst en gezang en voeden door de kracht van het water menschen, dieren en planten (Kourotrophoi, Nomiai, Karpotrophoi). Dikwijls worden zij als opvoedsters van verschillende goden genoemd.

Naï(s)sus, Naïs(s)os, stad in Moesia Superior aan den Margus (Morawa), geboorteplaats van Constantijn den Gr.; tgw. Nisch.

Namatianus (Claudius Rutilius), rom. dichter, uit den tijd van keizer Honorius. Het van hem gedeeltelijk bewaard gebleven gedicht de reditu suo uit het jaar 416 geeft een beschrijving van zijn reis van Rome naar zijn vaderland Gallië, die, vooral om den tijd waarin die reis valt, historisch belang heeft.

Namausus = Nemausus.

Namnetae of -tes, Namnetai, gallisch volk aan den mond van den Liger. Hoofdstad: Condivincum (Nantes).

Nanno, Nanno, fluitspeelster, die door Mimnermus bemind werd, maar zijne liefde niet beantwoordde.

Nantuatae of -tes, Nantouatai, ligurisch of raetisch volk aan den lacus Lemannus (meer van Genève).

Napaeae, Napaiai, nimfen der dalen, gewoonlijk tot de Oreaden gerekend.

Naparis, Naparis, linkerzijtak van den Ister (Donau) in het tegenw. Rumenië.

Napata, Napata, in Aethiopia aan den Nijl, bloeiende hoofdstad van het rijk van Napata, waar tijdens Augustus de koningin Candace regeerde. De stad werd in 22 door den stadhouder van Aegypte, C. Petronius, veroverd, doch niet behouden. Zij is het zuidelijkste punt, dat de Rom. bereikt hebben. Het noordelijkste gedeelte van het rijk, van af Hiera Sycaminos, is toen bij het Romeinsche rijk ingelijfd, onder den naam Nubia Inferior.

Nar, Nar, rivier met geelachtig zwavelig water in het Z. van Umbria, die tusschen Horta en Ocriculum in den Tiber valt.

Naragara, ta Naragara, stad in Numidia, waar Hannibal en Scipio vóór den slag bij Zama een onderhoud hadden.

Narbo, Narbon, thans Narbonne, eene bloeiende stad der Volcae Tectosages in Gallia aan de Middellandsche zee, sedert 118 als rom. kolonie Narbo Martius genoemd, later hoofdstad van Gallia Narbonensis. De stad lag aan den Atax (Aude), waarnaar de bewoners Atacini werden genoemd.

Narbonensis (Gallia), het Z.O. gedeelte van Gallia Transalpina, naar de hoofdst. Narbo.

Narcissi fons, Narkissou pege, bron in Boeotia bij Thespiae, waar narcissen in menigte groeiden.

Narcissus, Narkissos, 1) zoon van Cephissus en Liriope, een buitengewoon schoon jongeling. Hij was volstrekt ongevoelig voor liefde en deed door zijne hardvochtigheid de schoone Echo, die hem beminde, wegkwijnen; maar Nemesis liet hem tot straf hiervoor zijn eigen beeld in het water zien en op zichzelven verliefd worden, zoodat hij van ijdel verlangen verteerde; uit medelijden veranderden de goden hem in een narcis.--2) vrijgelatene en secretaris (ab epistulis) van keizer Claudius, op wien hij bijna onbeperkten invloed had, waarvan hij dikwijls in zijn eigen belang gebruik maakte. Hij was overigens een zeer bekwaam man. Hij veroorzaakte den val van Messalina, maar werd later door Agrippina uit Rome verwijderd en kort daarna vermoord.--3) gladiator, die keizer Commodus in het bad wurgde; onder Didius Iulianus werd hij met de andere moordenaars van Commodus ter dood gebracht.

Naristi (v. s. Varisti), suevische stam in het N.O. van het tegenw. Beieren.

Narnia, Narnia, stad in Umbria aan den Nar, eene sterke vesting op eene steile rots, sedert 299 lat. kolonie, vroeger Nequinum geheeten.

Narona, rom. kolonie in Dalmatia.

Narthacium, Narthakion, berg en stad in Thessalia, in het N. van Phthiotis, niet ver van Pharsalus, waar in 394 Agesilaus, uit Azië terugkeerende, de Thessaliërs versloeg, die hem den weg versperden.

Narthex, een plant, waarvan de dikke, knoestige, rietachtige stengel veel brandbaar merg bevatte; volgens het verhaal zoude Prometheus daarin het vuur uit den hemel gehaald hebben. Van den stengel werden veelal doozen voor verschillende doeleinden gemaakt. In zulk een doos, na den slag bij Issus onder den buit gevonden, placht Alexander d. G. de door Aristoteles bewerkte uitgave van Homerus te bewaren, die vandaar he ek tou narthekos ekdosis genoemd wordt.

Narycus, -cium of Naryx, Narykos, Naryx, misschien het zelfde als het latere Pharygae, Pharygai, stad der opuntische Locriërs, geboorteplaats van Ajax, den zoon van Oileus (Narycius heros). Zie ook Locri Epizephyrii.

Nasamones, Nasamones, een ruwe libysche volksstam aan de groote Syrte (golf v. Sydra).

Nasica, bijnaam in de familie Scipio. Zie Cornelii no. 19, 20, 22-25.

Nasidienus, een plomp en praalziek parvenu bij Horatius voorkomende.

Nasidii, plebejisch geslacht, waarvan een paar leden als aanhangers der pompejaansche partij voorkomen.

Naso, familienaam der Ovidii.

Nasus, 1) Nesos, eilandje met kasteel in de rivier Achelous in Acarnania.--2) Nasos = Ortygia, een der vijf gedeelten van Syracusae.

Natatio, groote zwemvijver, hetzij in de open lucht, hetzij in een badhuis.

Nauclides, Naukleidas, spartaansch ephoor, die met Pausanias no. 2 naar Attica gezonden werd en met hem medewerkte tot het herstel der democratie. Later werd hij door Lysander wegens zijn weelderig leven aangeklaagd.

Naucrates, Naukrates, leerling van Isocrates, hield bij de lijkfeesten van Mausolus een wedstrijd met Theopompus en Theodectes als lofredenaar van den overledene.

Naucratis, Naukratis, milesische volkplanting uit de 2de helft van de 7de eeuw en aanzienlijke handelsstad in de Nijldelta, onder de aegyptische koningen de eenige plaats, waar zich de Grieken mochten vestigen. Zij lag aan den linkeroever van den Canobischen Nijlarm.

Naucraticum ostium = Heracleoticum ostium.

Naucydes, Naukydes, van Argos, beroemd beeldhouwer, leerling van Polycletus (± 420).

Naukraria. In oude tijden was de burgerij van Attica in 48 naukrariai, verdeeld, 12 in iedere phyle, en had iedere naukraria de verplichting een schip en twee ruiters te leveren; als administratieve afdeelingen worden zij dikwijls met de latere demoi vergeleken. De hoofden der naucrariën, naukraroi, hadden vóór Solon grooten invloed, maar de instelling van den raad der 400 ontnam hun een groot gedeelte van hun bevoegdheid. Sedert Clisthenes waren er 50 naucrariën, 5 in iedere phyle, die alleen dienden tot het innen en beheeren van de gelden voor de vloot.

Naulochus, Naulochos, havenstadje in het N.O. van Sicilia. Hier versloeg M. Agrippa in 36 S. Pompeius in een grooten zeeslag.

Naumachia, vertooning van een scheepsstrijd, geen spiegelgevecht, maar een strijd in werkelijkheid. De bemanning bestond uit gevangenen en zwaardvechters. Caesar was de eerste, die het rom. volk hierop vergastte; hij liet hiertoe op den campus Martius een tijdelijke vijver graven, die vervolgens weder werd gedempt. Augustus liet er een graven van 59 meter breedte en negen maal zoo lang. Claudius liet het Fucinische meer met zitplaatsen omringen; Nero liet het strijdperk van het amphitheater vol water loopen. Later kwamen er te Rome vaste gebouwen voor scheepsgevechten. Zulk een gebouw werd ook naumachia genoemd.

Naumachius, Naumachios, grieksch dichter van later tijd; van zijn gedicht over de plichten der vrouw zijn eenige fragmenten bewaard.

Naupactus, Naupaktos, versterkte havenstad in Locris aan de Corinthische golf, waar de Heracliden hunne vloot bouwden, om naar de Peloponnesus over te steken. Na de perzische oorlogen kwam zij in het bezit der Atheners, die er in 455 Messeniërs in opnamen. De stad wisselde nog meermalen van bezitters en werd achtereenvolgens weder locrisch, achaeïsch, thebaansch, macedonisch en opnieuw locrisch. Thans Lepanto of Epacto.

Nauplia, Nauplia, havenstad in Argolis, aan de Argolische golf.

Naupliades, Naupliades, Proetus of Palamedes, zonen van Nauplius.

Nauplius, Nauplios, 1) zoon van Poseidon en Amymone, stichter van Nauplia.--2) afstammeling van den vorigen, bekwaam zeeman en sterrenkundige, Argonaut.--3) koning van Euboea, bij Clymene no. 5 vader van Palamedes en Oeax. Vertoornd over de behandeling, die Palamedes voor Troje had ondervonden, zond hij Oeax uit om de vorsten, die voor Troje lagen, bij hunne gemalinnen van ontrouw te beschuldigen of geruchten omtrent hun dood te verspreiden. Toen de Grieken op de terugreis van Troje voorbij Euboea kwamen, stak hij op kaap Caphareus vuren aan, waardoor zij misleid werden en vele schepen op de kust verloren gingen. Velen verdronken of werden door N. en de zijnen gedood.

Nauportus, Nauportos, rivier (Laybach), rechter zijtak van den Savus, en stad (Ober-Laybach) in Pannonia.

Nausicaa, Nausikaa, dochter van Alcinous, vond Odysseus, toen hij na het verlies van zijn schip op de kust der Phaeaciërs geworpen was. Zij ontving hem vriendelijk en geleidde hem naar het hof van haar vader.

Nausicles, Nausikles, atheensch demagoog, bevelhebber van de troepen, die den Phocensers te hulp gezonden werden (352). Aanvankelijk met Aeschines bevriend, was hij later een hevig bestrijder der macedonische partij.

Nausinous, Nausinoos, zoon van Odysseus en Calypso.

Nausiphanes, Nausiphanes, van Teos, einde van de 4de eeuw, wijsgeer uit de school van Democritus, leerling van Pyrrho, leermeester van Epicurus.

Nausithous, Nausithoos, 1) zoon van Poseidon en Periboea, koning der Phaeaciërs, verhuisde met zijn volk, dat door de Cyclopen bedreigd werd, van Hyperea naar Scheria.--2) zoon van Odysseus en Calypso.--3) stuurman van Theseus.

Nautaca, Nautaka, stad in het perzische gewest Sogdiana.

Nautii, patricisch geslacht, waarvan eenige leden in de oorlogen tegen Volscen, Aequers, Sabijnen en Samnieten voorkomen. Als hun stamvader gold Aeneas' tochtgenoot Nautes, die het trojaansche Palladium naar Italië overbracht.

Nautodikai, te Athene rechters in handelszaken (dikai emporon), tevens belast met de instructie bij de graphe xenias. Kort na 403 werden hunne bevoegdheden op de thesmotheten overgedragen.

Nava, thans Nahe, rivier, die bij Bingium (Bingen) in den Rijn valt.

Navalia, 1) een scheepswerf in Rome, aan den Tiber, aan het Campus Martius.--2) sterkte aan den mond van eene rivier in ons land, misschien aan den mond van de Fossa Drusiana.

Navius, zie Attii.

Naxus, Naxos, 1) het grootste eiland der Cycladen, om zijne vruchtbaarheid Klein-Sicilië genaamd, beroemd door zijn wit marmer en zijn wijn en aan Dionysus geheiligd (mythe v. Ariadne). Andere namen van het eiland zijn Dia en Strongyle. Als oudste bewoners komen Cariërs en Cretensers voor; later werd het eiland van Attica uit gekoloniseerd door Ioniërs. In 490 werd het door de Perzen te vuur en te zwaard verwoest. Het maakte vervolgens deel uit van het atheensche zeeverbond; doch toen het zich trachtte te verzetten, verloor het ± 467 zijne vrijheid en ook zijne beteekenis. In 376 werd de spartaansche vloot door den Athener Chabrias bij Naxus verslagen.--2) eerste grieksche kolonie op Sicilia, in 735 door euboeïsche Chalcidiërs gesticht, in 403 door Dionysius van Syracusae verwoest, waarna in 358 het overschot der verstrooide bevolking in de nabijheid eene nieuwe stad Tauromenium stichtte, thans Taormina.

Nazarius, rhetor in Gallia, ten tijde van Constantijn den Grooten. Van hem is een panegyricus op Constantijn uit het jaar 321 over. De panegyricus uit 313, die wel eens aan hem wordt toegeschreven, is van Eumenius.

Nazianzus, Nazianzos of Nazianzos, stad in Cappadocia. Z. Gregorius no. 2.

Neaera, Neaira, nimf, bij Helius moeder van Phaëthusa en Lampetia.

Neaethus, Neaithos, rivier in Bruttium, bij Croton, waar de gevangene trojaansche vrouwen de grieksche schepen zouden in brand gestoken hebben.

Neandria, Neandria, Neandreia, aeolische stad in Troas. Hier is in de laatste jaren een tempel opgegraven, die om zijn eigenaardigen vorm en het daar gevonden (aeolische) kapiteel van groot belang is voor de kunstgeschiedenis.

Neanthes, Neanthes, van Cyzicus, tijdgenoot van Attalus I, schrijver van verscheiden door de ouden met lof vermelde werken over geschiedenis.

Neapolis, Neapolis, naam van niet minder dan 13 steden, terwijl bovendien een gedeelte van Syracusae dezen naam droeg. Het beroemdst is Neapolis in Campania, thans Napoli of Napels. De stad bestond uit twee afzonderlijk ommuurde deelen, Palaepolis en Neapolis, en heette Parthenope, voordat de Cymaeërs haar met eene kolonie bevolkten. Omstreeks 325 werd de stad door Samnieten in bezit genomen, in 290 werd zij rom. kolonie, later rom. municipium. Om zijne verrukkelijke ligging en zijne fijne grieksche beschaving lokte Neapolis een groot getal aanzienlijke Romeinen, zoodat de omtrek met buitenplaatsen bezaaid was, terwijl de warme bronnen er een druk bezochte badplaats van maakten. Romulus Augustus, de laatste keizer van het westrom. rijk, overleed hier.

Nearchus, Nearchos, 1) Athener, in 340 als gezant naar Macedonië gezonden.--2) zoon van Androtimus, door Philippus uit Macedonië verbannen, maar na diens dood teruggeroepen door Alexander, met wien hij reeds als kind bevriend was geweest. Hij ging met Alexander naar Azië en werd satraap van Lycië en Pamphylia. Ook vergezelde hij den koning naar Indië en voerde hij het bevel over de vloot, die den weg van den Indus tot den Euphraat onderzocht (325); zijne beschrijving van dezen tocht is door lateren dikwijls gebruikt. Een voorgenomen tocht om de kasten van Arabië en Africa te onderzoeken bleef door den dood van Alex. onuitgevoerd. N. schijnt later bevelhebber over de vloot gebleven te zijn en tot de partij van Antigonus behoord te nebben.--3) pythagoreïsch wijsgeer, na de inneming van Tarentum vriend en leermeester van den ouden Cato.

Nebrodes montes, Neurode ore, bergketen op Sicilia, die zich langs de Noordkust van de straat van Messina tot aan de helft van het eiland voortzet.

Nebucadrezar, Nabokodrosoros, zoon en opvolger van Nabopolassar, koning van Babylonië (605-562). Hij verdreef de Aegyptenaars, die onder koning Necho reeds tot den Euphraat doorgedrongen waren, bijna uit geheel Azië, veroverde Syrië, Judaea en Tyrus, bevorderde handel en beschaving en versterkte en verfraaide Babylon.

Necho, Nekos, zoon en opvolger van Psammetichus, koning van Aegypte (610-595). Hij liet door Phoeniciërs een zeetocht om de kusten van Africa doen en begon den aanleg van een kanaal, dat de Middellandsche zee met de Arabische golf moest verbinden. Ook onderwierp hij Syrië, Judaea en Phoenicië, maar op zijne verdere tochten tegen Mesopotamië werd hij door Nebucadrezar verslagen, zoodat hij bijna al het veroverde land in Azië weder verloor.

Nectanabis, Nektanabis, -tanebos, 1) de vierde koning van Aegypte, nadat dit land zich onder de regeering van Artaxerxes II van Perzië onafhankelijk gemaakt had. Hij wist zich staande te houden tegen het groote leger, dat Artaxerxes omstreeks 380 onder Pharnabazus en Iphicrates gezonden had om Aegypte weder te onderwerpen.--2) N. II, stond op tegen zijn neef Tachos, den zoon en opvolger van den vorigen, en maakte zich met behulp van Agesilaus van de regeering meester (360). Aanvankelijk verdedigde hij zich met goed gevolg tegen Perzië, maar toen hij meende ook zonder grieksche generaals zelf den oorlog te kunnen voeren, was hij tegen de perzische troepen onder Mentor niet bestand. Toen zijne zaak hopeloos stond, vluchtte hij naar Aethiopië (344). Hiermede eindigde de zelfstandigheid van Aegypte.

Nectar, nektar, godendrank, z. Ambrosia.

Neda, Neda, grensriviertje tusschen Messenia en Triphylia.

Nedon, Nedon, kustrivier in oostelijk Messenië, stroomt in de Messeensche golf uit.

Nefasti (dies), in den rom. kalender met de letter N aangeduid, zijn dagen bestemd voor offers of godsdienstige handelingen. Het zijn dus de zelfde dagen als de dies festi (z. festi (dies)). Zie ook fasti (dies).

Neïon, Neïon, een gedeelte van het gebergte Neritum, op Ithaca.

Neïth, Neith, aegyptische godin, vooral te Saïs vereerd, door de Grieken met Athena geïdentificeerd. Zij wordt voor eene personificatie der grondstof van het heelal of voor eene godin van het vuur gehouden, v. a. is zij de zelfde als Isis. Hare beelden hebben dikwijls eene giere- of leeuwekop. Bij haar jaarlijksch feest brandde men in ieder huis in Aegypte een lamp met olie en zout gevuld.

Nekromanteion, Nekyom., plaats, waar een doodenorakel is. Door offer en gebed riep men de dooden op, waarna men ging slapen en meende dat de opgeroepene in den droom zou verschijnen om het gevraagde orakel te geven, of door middel van een priester liet men den doode ondervragen. De bekendste plaatsen waren te Ephyra aan de rivier de Acheron in Epirus, bij Heraclea Pontica, te Cumae in Italië, bij Magnesia aan den Maeander en bij Hierapolis in Phrygia.

Nekysia, Nemeseia, algemeene gedenkdag der dooden, te Athene de 5de Boëdromion, dus = Genesia.

Neleïades, Neleiades, Nestor en Antilochus, zoon en kleinzoon van Neleus.

Neleus, Neleus, 1) zoon van Poseidon en Tyro. Hij en zijn tweelingbroeder Pelias werden te vondeling gelegd en door herders opgevoed, terwijl Tyro met Cretheus, koning van Iolcus, huwde. Later vernamen de broeders hunne afkomst, en na den dood van Cretheus geraakten zij in twist over de opvolging, waarvan het gevolg was dat N. naar Messenië trok, waar zijn oom Aphareus hem de regeering over Pylus schonk. Toen Heracles na den moord van Iphitus bij N. kwam met het verzoek hem van zijne schuld te reinigen, weigerde deze hem dit; daarom trok Heracles later tegen hem op en doodde hem met al zijne zonen behalve Nestor. V. a. stierf hij te Corinthe, nadat hij een gelukkigen oorlog tegen de Epeërs gevoerd had.--2) zoon van Codrus, door zijn broeder Medon uit Attica verdreven, stichter van Miletus e. a. ionische steden.

Nelides, Neleides = Neleïades.

Nemausus, Nemausos, thans Nîmes, belangrijke stad der Volcae Arecomici, in Gallia Narbonensis. Er worden nog belangrijke overblijfselen van rom. bouwkunst aangetroffen: een tempel met corinthische zuilen (maison carrée; een afbeelding vindt men onder Templum), een waterleiding op drie rijen bogen boven elkander rustende (Pont du Gard), een gedeelte van een amphitheater, enz. Onder de keizers was N. eerst eene rom. kolonie met het ius Latii, later een rom. burgerkolonie.

Nemea, Nemea, 1) dal in Argolis tusschen Cleonae en Phlius, waar Heracles den leeuw versloeg en waar de nemeïsche spelen werden gehouden. De bevolking is van dryopischen stam.--2) rivier op de grens van Sicyon en Corinthia.

Nemea, Nemea, Nemeia, de nemeïsche spelen, ingesteld ter nagedachtenis van Archemorus (z. a.), later ter eere van Zeus Nemeaeus om de twee jaar onder voorzitterschap der Cleonaeërs of Argiven in het dal Nemea, later in Argos, gevierd. Zij bestonden uit de gewone wedstrijden in loopen, rijden, worstelen, gymnastiek, poëzie en muziek; de prijs der overwinning was een krans van eppe- of van olijftakken. Als nationaal feest kregen zij eerst in de 6de eeuw, sinds 573, eenige beteekenis.

Nemesianus (M. Aurelius Olympius), rom. dichter uit de 3de eeuw na C., geboren te Carthago. O. a. schreef hij een leerdicht over de jacht, Cynegetica, waarvan nog een gedeelte over is.

Nemesis, Nemesis, dochter van Nyx, godin der gerechtigheid, die aan ieder mensch loon naar werken geeft, vooral eene wrekende godin, die trotschheid, overmoed en over het algemeen het overschrijden van de aan de menschelijke natuur gestelde grenzen straft. Zij wordt gewoonlijk afgebeeld met vleugels, met strenge en ernstige gelaatstrekken, en met een toom, zwaard of geesel in de hand. Beroemd was haar kolossaal beeld te Rhamnus, door Agoracritus (z. a.) gemaakt.

Nemetacum, hoofdstad der Atrebates in Belgica, thans Atrecht of Arras.

Nemetae of -tes, germaansch volk op den linker Rijnoever, met de hoofdstad Noviomagus (Spiers). De Nemetae, Triboci en Vangiones woonden reeds ten tijde van Caesar op den linker Rijnoever, en worden genoemd als hulptroepen van Ariovistus.

Nemetocenna = Nemetacum.

Nemetum, Nemossos, z. Augustonemetum.

Nemorensis lacus, zie Aricia.

Nemossus, Nemossos, z. Augustonemetum.

Neniae = naeniae.

Neobule, Neoboule, z. Archilochus.

Neocaesarea, Neokaisareia, groote en prachtige hoofdstad van Pontus Polemoniacus, aan den Lycus.

Neocles, Neokles, vader van Epicurus, ging met atheensche cleruchen naar Samus, waar hij eene school hield.

Neodamodeis, van staatswege vrijgelaten heloten. Zij waren tot den krijgsdienst verplicht en werden na den peloponnesischen oorlog vooral voor krijgstochten naar Azië gebruikt.

Neokoros, opzichter van een tempel, oorspronkelijk een tempeldienaar van minderen rang, belast met het onderhouden van den tempel en de tempelgoederen. Later was het een aanzienlijke eerepost, en in den keizertijd stelden geheele steden in het Oosten er een eer in zich neokoroi, van den tempel des keizers te mogen noemen.

Neon, Neon, oude stad in Phocis aan den Parnassus, eerst door Xerxes verwoest, doch door de inwoners op eenigen afstand herbouwd en Tithorea genoemd naar den nabijgelegen bergtop van dien naam. In den heiligen oorlog werd ook deze stad verwoest, doch ook weder opgebouwd.

Neontichus, Neon teichos, 1) aeolische stad op de kust van Mysia, aan den Hermus.--2) kasteel op de thracische kust aan de Propontis, nabij de Chersonesus.

Neophron, Neophron, van Sicyon, dichter van 120 treurspelen, waarvan slechts weinige fragmenten bewaard zijn. Euripides zoude in zijne Medea een gelijknamig stuk van N. tot voorbeeld genomen hebben; in werkelijkheid is het juist andersom, zooals blijkt uit de fragmenten, die onlangs van zijne Medea teruggevonden zijn.

Neo-platonici, eene school van wijsgeeren die sedert de 3de eeuw na C. bloeide. Zij trachtten door wijsgeerige bespiegeling aan den ouden godsdienst steun te geven tegen de meer en meer uit het Oosten indringende godsdiensten. Zij sloten zich voornamelijk bij de leer van Plato aan, doch waren ook onder den invloed van andere oudere en nieuwere wijsgeeren; zelfs waren er, die beweerden dat de leer van Plato en van Aristoteles in den grond der zaak dezelfde was. Voor een deel maakten zij hunne wijsbegeerte onmiddellijk dienstbaar aan de bestrijding van het Christendom (syrische school), lateren hielden zich voornamelijk bezig met het verklaren der werken van Plato en Aristoteles (atheensche school). De stichter der oorspronkelijke (alexandrijnsch-rom.) school was Ammonius Saccas, wiens leerling Plotinus het stelsel in zijne geschriften uitvoerig verklaarde; van de syrische school is de voornaamste vertegenwoordiger Iamblichus, van de atheensche Proclus.

Neoptolemus, Neoptolemos, 1) oorspronkelijk Pyrrhus geheeten, zoon van Achilles en Deidamea, werd bij zijn grootvader Lycomedes opgevoed, en na den dood van Achilles naar Troje gehaald, omdat voorspeld was, dat zonder hem de stad niet genomen konde worden. Met zijne komst wordt de oorlog als het ware vernieuwd, vandaar de naam N. Hij is even dapper als zijn vader, maar ruw en hardvochtig; met het houten paard komt hij in de stad, doodt Polites voor de oogen van diens vader, daarna verslaat hij Priamus zelf bij het altaar van Zeus, hij werpt Astyanax van den muur en offert Polyxena op het graf van zijn vader. Bij het verdeelen van den buit krijgt hij Andromache (z. a.). In Phthia teruggekomen, huwt hij niet Hermione. V. a. had zich Acastus gedurende zijne afwezigheid van de regeering over Phthia meester gemaakt, daarom ging N. van Troje naar Epirus en vestigde zich daar; eerst later ging hij naar Phthia terug, waar hij Peleus de regeering teruggaf, terwijl hij zijn land in Epirus aan Helenus overliet. Kort na zijn huwelijk met Hermione (z. a.) werd hij te Delphi gedood; hij werd in den tempel begraven en als heros vereerd; zijn schim streed met de Delphiërs tegen de Galliërs, die gekomen waren om den tempel te plunderen.--2) een van de schuldigen aan den dood van Philippus van Macedonië, vluchtte bij de troonsbestijging van Alexander d. G. naar Azië en sneuvelde bij de verdediging van Halicarnassus tegen Alexander.--3) werd koning van Epirus, toen Pyrrhus door Cassander verdreven was (302), toen deze echter door Ptolemaeus Lagi teruggebracht werd, moest N., die om zijne wreedheid gehaat was, wijken; kort daarna trachtte hij Pyrrhus te dooden, maar deze voorkwam hem en liet hem zelven uit den weg ruimen (296).

Nepet, Nepete, stad in het Z. van Etruria, kort na de inneming van Veii latijnsche kolonie, later municipium.

Nephele, Nephele, 1) de onsterfelijke gemalin van Athamas (z. a.), later door hem verstooten, moeder van Phrixus en Helle.--2) z. Ixion.

Nepheleis, Helle, dochter van Nephele.

Nepos, bijn. van Metelli in de gens Caecilia (Caecilii no. 14 en 16).

Nepos (Cornelius), zie Cornelii no. 58.

Neptunine, Thetis, kleindochter van Neptunus.

Neptunius mons, het oostelijk gedeelte der Nebrodes montes op Sicilia, bij Messana.

Neptunus, god van het water en van alle vochtigheid van den bodem, later god der zee, aanvankelijk te Rome weinig vereerd. Eerst door griekschen invloed werd zijn dienst meer algemeen, hij werd nu met Poseidon geïdentificeerd en voornamelijk als god van paarden en ruiterlijke oefeningen (N. equester) beschouwd. Hij had een tempel in den Circus Flaminius, zijn feest, de Neptunalia, werd den 23sten Juli te Rome of te Ostia gevierd. Op dit feest, dat nog in den christelijken tijd voorkomt, bouwde men loofhutten, umbrae, skiades. Zie ook Consus.

Nequinum, oude naam van Narnia.

Neratii, een plebejisch geslacht, waarvan een paar leden onder de regeering van Traianus en Hadrianus als mannen van invloed voorkomen.

Nereides, Nereides, Nereïdes, 50 of 100 dochters van Nereus en Doris (vandaar ook Dorides), nimfen der zee, vooral der Aegaeïsche zee, op welker bodem zij eene grot bewonen, die als zilver schittert en waar alles van goud of zilver is. Zij zijn goede en hulpvaardige zeegodinnen, die de schippers in den nood bijstaan. Men beeldde ze af als schoone jonkvrouwen, weinig of niet gekleed, dikwijls met dolfijnen of andere zeemonsters tot bevallige groepen vereenigd.

Nereine, Nereine, Thetis, dochter van Nereus.

Nereius, Achilles, kleinzoon van Nereus.

Nereus, Nereus, zoon van Pontus en Gaea, een god der zee, in het bizonder der Aegaeïsche zee, waar hij met zijne dochters, de Nereïden, woont. Hij is een vriendelijk grijsaard, die allerlei gedaanten kan aannemen en de toekomst kan voorspellen, ofschoon hij niet altijd geneigd is vragen daaromtrent te beantwoorden; Heracles moest hem in den slaap overvallen, om hem te dwingen de ligging van den tuin der Hesperiden te openbaren. Hij wordt soms afgebeeld met het lichaam van een visch, waaraan alleen hoofd en armen menschelijk zijn, en gewoonlijk met zeewier in plaats van haar.

Nericus, Nerikos, oude hoofdst. v. Leucadia.

Nerigos, verkeerde lezing voor Berrice, een groot eiland waarschijnlijk aan de Westkust van Schotland.

Nerii, een plebejisch geslacht, onbelangrijk.

Nerio, -ria, -riene, gezellin van Mars, later als zijn gemalin beschouwd.

Neritum, -us, Neriton, -os, berg aan de Westzijde van Ithaca. Neritius dux = Ulysses.

Nero, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 22-27, 29).

Nero, rom. keizer 54-68 na C., zoon van Cn. Domitius Ahenobarbus en Agrippina, de dochter van Germanicus. Hij heette eigenlijk L. Dom. Ahenob., doch toen zijne moeder met haar oom keizer Claudius huwde (zie over deze verwantschap het art. Iulii op het einde), werd hij door zijn stiefvader als zoon aangenomen en heette nu Nero Claudius Caesar Augustus Germanicus. Na de vermoording van Claudius deed Agrippina met behulp der praetorianen haren 17-jarigen zoon den troon bestijgen ten koste van zijn stiefbroeder Britannicus. In de eerste 5 jaar regeerde Nero onder de leiding van zijn leermeester L. Annaeus Seneca en van A. Afranius Burrus, praefectus praetorio, als een goed vorst. Daarna echter gaf hij zich teugelloos over aan wellust, bloeddorst en dwaasheden. Britannicus werd op zijn last omgebracht, evenzoo zijne deugdzame gemalin Octavia en zijne heerschzuchtige moeder (59). Hij huwde toen de schoone, doch zedelooze Poppaea Sabina, die hem door haar man M. Salvius Otho (later keizer) werd afgestaan. Den brand, die een groot deel van Rome in de asch legde (64 n. C.), bezigde hij als voorwendsel om eene gruwelijke vervolging der Christenen te beginnen. De samenzwering van Calpurnius Piso (Calpurnii no. 12) kostte door hare ontdekking een aantal aanzienlijke en brave mannen het leven (65), ook Seneca en de dichter Lucanus werden er in betrokken. De prachtige herbouw van Rome, de bouw van het paleis met gouden dak (domus aurea Neronis) en de dolzinnigste feesten en slemppartijen verslonden schatten, terwijl de keizer zijne waardigheid door het slijk sleurde door in het openbaar als wagenmenner, tooneelspeler en zanger op te treden, ja zelfs eene kunstreis te doen door Griekenland (66). Eindelijk barstte er in Gallia een opstand uit onder Julius Vindex, in Hispania onder Ser. Sulpicius Galba. Door de zijnen verlaten, door den senaat vogelvrij verklaard, liet Nero, toen hij geen uitweg meer zag, zich door een slaaf doorsteken. De algemeene vervloeking vervolgde hem nog na zijn dood.

Neronia, zie Artaxata.

Nerthus, germaansche godin, die op een eiland in de Oostzee vereerd werd. Haar dienst vormde het sacrale middelpunt voor de in de nabijheid wonende volkeren, de Reudigni, Aviones, Anglii, Varini, Eudoses, Suardones en Nuithones.

Nerulum, Neruli, stad in het Z. van Lucania aan de via Popilia.

Nerva, familienaam in de gentes Cocceia, Licinia (Licinii no. 33), Silia (Silii no. 2 en 4).

Nerva (M. Cocceius), uit Narnia in Umbria, rom. keizer 96-98 na C., leefde te Rome onder de regeering van Nero en diens opvolgers. Onder Domitianus is hij een korten tijd verbannen geweest. Na den moord van D. werd N. tot keizer uitgeroepen. Door een verstandig bestuur won hij de gunst der burgers. Hij heeft de finantiën van den staat, die zeer in de war waren, geregeld, en drukkende belastingen afgeschaft of verminderd. Hij heeft het forum Nervae transitorium met den tempel van Minerva, reeds door Domitianus begonnen, afgemaakt, en daaraan zijn naam gegeven. Om zijne hooge jaren en zijn zwak gestel nam hij den voortreffelijken M. Ulpius Traianus, die toen legatus van Germania superior was, tot zoon en opvolger aan. Hij stierf na eene regeering van anderhalf jaar (Jan. 98).

Nervii, belgisch volk aan den Sabis (Sambre) in het tegenw. Henegouwen en Namen met de hoofdstad Bagacum (Bavay). Zij konden 50000 gewapenden in het veld brengen en brachten Caesar zeer in het nauw, doch werden in een wanhopigen strijd bijna geheel uitgeroeid. Zij beweerden, misschien niet ten onrechte, van de Germanen af te stammen.

Nesactium of Nesartium, stad in Istria, in 177 door de Romeinen onder den consul C. Claudius Pulcher (Claudii no. 10) veroverd en verwoest, later herbouwd.

Nesiotes, Nesiotes, atheensch beeldhouwer, ouder tijdgenoot van Phidias. Met zekeren Critias of Critius maakte hij een nieuw gedenkteeken voor Harmodius en Aristogiton, nadat het oude door Xerxes medegenomen was.

Nesis, Nesis, bekoorlijk eilandje bij Pausilypum (Posilippo), op de kust van Campania.

Nessonis, Nessonis, meer in Thessalia, ten O. der stad Larissa.

Nessus, Nessos, z. Heracles.

Nessus, Nessos = Nestus.

Nestor, Nestor, zoon van Neleus en Chloris, koning van Pylus. Hij onderscheidde zich in den oorlog van zijn vader tegen de Epeërs; toen Heracles zijne broeders doodde, bleef hij alleen gespaard, daar hij zich toen bij de Gereniërs bevond. Ook beoorloogde hij de Arcadiërs, hielp de Lapithen in hun oorlog tegen de Centauren, en nam deel aan de calydonische jacht en den Argonautentocht. Op hoogen leeftijd, toen hij reeds twee menschengeslachten had zien voorbijgaan, trok hij mede naar Troje, waar hij zich nog als dapper held gedroeg, maar vooral invloed had door zijn wijze raadgevingen, zijn rijpe ervaring en zijne innemende welsprekendheid. Na afloop van den oorlog keerde hij gelukkig naar Pylus terug, waar hij zijn verder leven genoeglijk doorbracht.

Nestus, Nestos, rivier in Thracië, die op het Rhodope gebergte ontspringt en bij Abdera in zee valt. Sedert Philippus vormt de Nestus de grens tusschen Macedonië en Thracië.

Netum, Neeton, stad in het gebied van Syracusae en ten Z.W. daarvan gelegen.

Neuri, Neuroi, volk aan de bronnen van den Tyras (Dniëstr) en den Hypanis (Bug). Zij konden tooveren en zich in wolven veranderen.

Nexum of Nexus, in het algemeen plechtig aangegane verbintenis; in engeren zin het aangaan eener schuld per aes et libram, waarbij de schuldenaar zijn lijf verpandde. Terwijl de addicti (z. ald.) ten gevolge van een rechterlijk vonnis aan den schuldeischer worden toegewezen, is dit bij de nexi niet het geval. De nexus kon door den schuldeischer gedwongen worden voor hem te werken servi loco; hij mocht echter niet verkocht of ter dood gebracht worden. Het nexum werd afgeschaft door de lex Poetelia Papiria van 326. Echter wordt de addictus dan ook wel eens nexus (of vinctus) genoemd.

Nicaea, Nikaia, dochter van Antipater no. 1, na Alexander's dood eenigen tijd met Perdiccas gehuwd, later gemalin van Lysimachus.

Nicaea, Nikaia, naam van verschillende steden. 1) stad in Bithynia aan het meer Ascania. Zij was door Antigonus gesticht op de plaats van het vroegere Ancore, en Antigonea genoemd; Lysimachus vergrootte ze en gaf er naar zijne gemalin den naam Nicaea aan. Zij was eene van de residenties der bithynische koningen en eene drukke handelsplaats. In 325 na C. werd hier de eerste christelijke kerkvergadering gehouden, waarop de leer van Arius veroordeeld werd.--2) stad op de indische grenzen aan den Hydaspes, door Alex. d. Gr. gesticht ter eere zijner overwinning op Porus.--3) aan den Caucasus Indicus (Hindoe-Koh) = Cabura.--4) locrische vesting, die den bergpas der Thermopylae beheerschte.--5) volkplanting van Massilia, op de ligurische kust, thans Nizza.

Nicander, Nikandros, van Colophon, grammaticus, dichter en geneesheer, van wien nog twee geneeskundige leerdichten bewaard zijn. Zijn voornaamste werk, de Heteroioumena, is door Ovidius in zijne Metamorphosen veel nagevolgd. Hij leefde in het midden der 2de eeuw.

Nicanor, Nikanor, 1) zoon van Parmenion, veldheer onder Alexander d. G., streed aan het hoofd der hypaspistai bij den Granicus, bij Issus en Gaugamela; hij stierf in 330.--2) stadhouder van Alexander in Indië. In de twisten na den dood van Alexander hield hij de zijde van Antigonus.--3) van Stagira, bevelhebber der vloot onder Alexander; na diens dood mengde hij zich in de oorlogen tusschen zijne veldheeren, eindelijk werd hij op bevel van Cassander verraderlijk gedood.--4) van Alexandria, grieksch grammaticus ten tijde van Hadrianus, die vooral over de leer der interpunctie (stigme) schreef, waarom men hem schertsend stigmatias (gebrandmerkte) noemde.

Nicarchus, Nikarchos, naam van twee grieksche epigrammendichters.

Nicephorium, Nikephorion, sterke vesting in Mesopotamia aan den Euphraat, ten Z. van Edessa, door Alex. den Gr. of door Seleucus I aangelegd.

Nicephorius, zijtak van den Chaboras, stroomde dicht langs Tigranocerta.

Nicephorus, Nikephoros, bijnaam van Zeus als god der overwinning.

Nicer, zijtak van den Rijn, thans Neckar.

Niceratus, Nikeratos, 1) zoon van Nicias no. 1, rijk en aanzienlijk Athener, werd door de 30 gedood.--2) zoon van Euctemon, van Athene, beroemd beeldhouwer uit de eerste helft der tweede eeuw, die vooral te Pergamum werkzaam was.

Nicias, Nikias, 1) zoon van Niceratus, reeds vroeg gunstig bekend als veldheer, kwam na den dood van Pericles aan het hoofd der oligarchische of der gematigd democratische partij, die vrede met Sparta wenschte. Hij was zeer rijk en mild, bovendien zeer eerlijk en bedachtzaam, daarom genoot hij het volle vertrouwen van het volk, maar zijne besluiteloosheid en gemis aan zelfstandigheid beletten hem eenigen invloed uit te oefenen, bovendien was hij zeer bijgeloovig en liet hij zich geheel beheerschen door priesters en waarzeggers. In het begin van den peloponnesischen oorlog streed hij meermalen met geluk, het was echter voor zijn roem schadelijk, dat hij de inneming van Sphacteria aan Cleon (z. a.) overliet. Na Cleon's dood werd vooral door zijn toedoen een vrede (vrede van N.) gesloten, welks voorwaarden echter door verschillende omstandigheden nooit ten volle vervuld werden. Hoewel hij zich met alle macht tegen de onderneming naar Sicilië verzette, werd hij met Alcibiades en Lamachus aan het hoofd ervan gesteld (415), en daar Alcibiades terstond teruggeroepen werd en Lamachus spoedig sneuvelde, had hij alleen de leiding van de zaken in handen. Het mislukken der onderneming is dan ook, hoewel hem misschien inderdaad de middelen ontbraken, om haar tot een goed einde te brengen, toch ook voor een groot deel aan zijne besluiteloosheid te wijten; zelfs van de voordeelen, die hij behaalde, verzuimde hij partij te trekken, en toen hem eindelijk op zijn dringend verzoek uit Athene versterking onder Demosthenes gezonden werd, verzette hij zich tegen de plannen van dezen, en liet hij uit bijgeloovige vrees voor een maansverduistering (27 Aug. 413) het juiste oogenblik voor den aftocht voorbijgaan, zoodat aan het leger na het verlies van de geheele vloot ten slotte niets anders overbleef dan over land af te trekken. Na een marsch van weinige dagen, waarbij zij honger, dorst en herhaalde aanvallen der vijanden te verduren hadden, moesten zij zich overgeven; het geheele leger werd gevangen genomen, en beide veldheeren werden ter dood gebracht.--2) rhetor te Thurii, leeraar van Lysias.--3) Athener, een van de beroemdste grieksche schilders, tijdgenoot van Alexander d. G.; Praxiteles liet zijne mooiste marmerwerken door hem beschilderen; dit gebeurde door encaustiek (z. encaustica); vele van zijne werken vond men later te Rome.--4) lijfarts van koning Pyrrhus, die aan Fabricius aanbood den koning voor geld te vergiftigen.--5) van Miletus, geneesheer en epigrammendichter, vriend van Theocritus.--6) Nic. Curtius, van Cos, grammaticus, vriend van Cicero, Dolabella en Pompeius.

Nicochares, Nikochares, atheensch blijspeldichter uit het overgangstijdperk, jonger tijdgenoot van Aristophanes.

Nicocles, Nikokles, 1) zoon en opvolger van Euagoras I, regeerde over Salamis op Cyprus 374-360.--2) koning van Salamis ten tijde van Alexander d. G., ook Nicocreon genoemd.--3) vorst van Paphus, die tot de partij van Antigonus behoorde, leed de nederlaag tegen een leger van Ptolemaeus en werd met zijne familie gedood (310).

Nicocreon, Nikokreon, z. Nicocles no. 2 en Anaxarchus.

Nicolaus, Nikolaos, van Damascus, grieksch geschiedschrijver, vriend van Herodes d. G., onderwijzer van de kinderen van Antonius en Cleopatra. Hij schreef, behalve verscheiden kleinere werken, een zeer uitgebreide algemeene geschiedenis, waarvan betrekkelijk weinig bewaard gebleven is.

Nicomachus, Nikomachos, 1) zoon van Machaon en Anticlea, regeerde met zijn broeder Gorgasus over Pherae. Beiden waren ook bekwame geneesheeren en kregen als zoodanig na hun dood een tempel, waar zij als heroën vereerd werden.--2) schrijver (grammateus) te Athene, wien tegen het einde van den peloponnesischen oorlog werd opgedragen een duidelijk of verbeterd afschrift van de wetten van Solon te maken. Wegens misbruiken, in die betrekking gepleegd, werd hij later aangeklaagd door iemand, voor wien Lysias de pleitrede schreef.--3) van Stagira, lijfarts van Amyntas II, vader van Aristoteles; ook een zoon van Aristoteles heette N.--4) treurspeldichter, die eens in den tragischen wedstrijd eene overwinning op Euripides behaalde.--5) van Thebe, beroemd schilder op het einde der vierde eeuw, zoon en leerling van Aristodemus. Sommige van zijne werken werden later naar Rome overgebracht.--6) van Gerasa, wiskundige omstreeks 100 na C., van wien nog een werk over rekenkunde en een over muziek bestaan. Hij hield zich ook met wijsbegeerte bezig en was een aanhanger der nieuw-pythagoreïsche school.

Nicomedea, Nikomedeia, hoofdst. van Bithynia aan de golf van Astacus, in 264 door Nicomedes I gesticht op de plaats van het oude Astacus (z. a.), later een geliefkoosd verblijf van Diocletianus en van Constantijn den Gr. Hannibal bracht zich hier in 183 door vergif om het leven; de geschiedschrijver Arrianus werd er ± 90 na C. geboren.

Nicomedes, Nikomedes, 1) zoon van Zipoetes, verdreef met de hulp der Galliërs zijn broeder, die hem de regeering over Bithynië betwistte en stichtte Nicomedea; hij regeerde 281-246.--2) Nic. II Epiphanes (149-128/115) doodde zijn vader Prusias en regeerde wreed; hij was geheel van de Rom. afhankelijk.--3) Nic. III Euergetes, opvolger van den vorigen, moest in 95 Paphlagonia en Cappadocia aan Mithradates afstaan en stierf kort daarna.--4) Nic. IV Philopator, werd door zijn stiefbroeder Socrates met hulp van Mithradates verdreven (91), maar door M.' Aquilius in 90 weder op den troon geplaatst, en liet zijn rijk bij testament aan de Rom. na (74).

Nicon, Nikon, van Tarentum, een van hen die deze stad aan Hannibal overgaven (212); bij de herovering door de Rom. sneuvelde hij dapper strijdend (209).

Niconia, Nikonia, -nion, stad in Scythia aan den Tyras (Dniëstr).

Nicophemus, Nikophemos, Athener, vriend en strijdmakker van Conon en gedurende diens afwezigheid zijn plaatsvervanger als bevelhebber over de vloot. Om onbekende redenen werd hij ter dood veroordeeld.

Nicopolis, Nikopolis, naam van onderscheidene steden. 1) prachtige stad in het Z. van Epirus aan de invaart der Ambracische golf, door Augustus gesticht ter nagedachtenis aan zijne overwinning bij Actium. Voor de spelen die daar om de 4 jaar plaats hadden, zie Actia.--2) stad in Thracia aan den Nestus.--3) stad in Moesia inferior aan den N.-kant van den Haemus, door Traianus gesticht ter herinnering aan een overwinning op de Daciërs (102), dicht bij het tegenwoordige Tirnova.--4) stad in Armenia minor aan den Lycus, gesticht door Pompeius ter eere van zijne overwinning op Mithradates (65).--5) stad in de Nijldelta nabij Alexandria, door Augustus aangelegd.

Nicosthenes, Nikosthenes, fabrikant en schilder van vazen in zwartfigurigen stijl; hij hoort tot den overgangstijd (laatst van de 6de eeuw); er zijn ook enkele roodfigurige vazen uit zijne fabriek of van zijne hand bewaard gebleven.

Nicostratus, Nikostratos, 1) zoon van Menelaus en Piëris.--2) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, streed op Corcyra en in Argolis.--3) bevelhebber van een troep argivische huurlingen onder Artaxerxes Ochus.

Niger (C. Pescennius), zie Pescennius Niger (C.).

Nigidius Figulus (P.), een zeer geleerd vriend van Cicero en een beoefenaar der pythagoreïsche wijsbegeerte, ervaren in astrologie en divinatio. Hij schreef verschillende werken: de extis, de auguriis, de diis e.a. Caesar verbande hem (46).

Nilus, Neilos, de bekende riv. de Nijl, waaraan Aegypte zijne vruchtbaarheid te danken heeft. Bij Homerus draagt hij den naam Aegyptus (ho Aigyptos). Hij had zeven mondingen of ostia (stomata): Pelusiacum, Taniticum, Mendesium, Phatniticum, Sebennyticum, Bolbitinum en Canobicum. De laatste werd ook wel ostium Heracleoticum of Naucraticum geheeten. Deze Nijlarmen waren door een net van kanalen verbonden, terwijl nog weer andere kanalen in zee uitliepen.

Niniveh, stad = Ninus.

Ninnii, plebejisch geslacht uit Campania. Er komt een volkstribuun L. Ninnius Quadratus voor als hevig tegenstander van P. Clodius Pulcher, den vijand van Cicero.

Ninus, Ninos, de mythische stichter van het assyrische rijk, wien de verovering van Babylonië, Medië, Klein-Azië en Batrië en de stichting van Niniveh toegeschreven worden. Hij stierf na een regeering van 52 jaar en werd opgevolgd door Semiramis, die hij kort te voren tot vrouw genomen had.

Ninus, Ninos, hoofdst. van het oud-assyrische rijk, ook Niniveh geheeten, aan den rechteroever van den Tigris gelegen, tegenover de tegenw. stad Mossoel. De stichting wordt toegeschreven aan Ninus en Semiramis; in 606 werd het door Cyaxares en Nabopolassar, koningen van Medië en Babylonië, in den opstand tegen het assyrische rijk ingenomen en verwoest. De Grieken hebben het dus nooit gekend (zie Mespila), en hoewel Niniveh ongetwijfeld groot en sterk is geweest, zijn toch waarschijnlijk de berichten overdreven, die er eene stad van 480 stadiën (16 uren gaans, evenals Babylon) in omtrek van maken. Er bleef in verloop van tijd van Niniveh geen spoor over (in den keizertijd wordt de stad echter wederom vermeld), totdat in 1843 na C. de fransche consul te Mossoel, de heer Botta, en van 1845 tot '47 de Engelschman Layard door opgravingen in den omtrek van Mossoel, Khorsabad en Nimroed een schat van bouw- en kunstwerken aan het licht brachten met allerbelangrijkste opschriften in spijkerschrift, waardoor de oud-assyrische geschiedenis voor een aanzienlijk gedeelte ontsluierd is. Niniveh bestond, zooals uit de opgravingen is gebleken uit drie steden, die dicht bijeen lagen, 1º. het eigenlijke Niniveh, het Mespila van Xenophon; 2º. Kalach--het Larissa door Xenophon genoemd, tgw. Nimroed; 3º. een stad ten N. van Niniveh, Dur-Sarrakin geheeten.

Ninyas, Ninyas, zoon van Ninus, z. Semiramis.

Niobe, Niobe, 1) dochter van Phoroneus en Laodice, bij Zeus moeder van Argus en Pelasgus.--2) dochter van Tantalus en Taygete of Dione, gemalin van Amphion. Trotsch op haar talrijk en bloeiend kroost--zij had 7 zonen en 7 dochters (bij Homerus 6 z. en 6 d.), allen door schoonheid uitmuntend--durfde zij beweren dat haar meer eer toekwam dan aan Leto, die slechts twee kinderen ter wereld had gebracht. Om haar voor dezen overmoed te straffen, doodden Apollo en Artemis al hare kinderen op denzelfden dag. N. zelve versteende van smart of werd na lang rondzwerven door Zeus op haar gebed in een rots veranderd. Zoo staat zij nog op de hoogten van den Sipylus, steeds tranen vergietend over het ondervonden leed.--De rots, die door de ouden voor de versteende Niobe gehouden werd, meent men dicht bij Magnesia gevonden te hebben.

Niphates, Niphates = sneeuwgebergte, bergketen in Armenia, ten N. van de meren Thospitis en Arsissa.

Nireus, Nireus, zoon van Charopus en Aglaia, na Achilles de schoonste der Grieken voor Troje.

Nisaea, Nisaia, haven van Megara, door lange muren, die door de Atheners in 460 gebouwd waren, met Megara verbonden.

Nisaei campi, Nisaion pedion, vruchtbare hoogvlakte in Media, bekend door het voortreffelijke nisaeische paardenras en de groote koninklijke stoeterijen.

Nisibis, Nisibis, oude en volkrijke stad aan den Mygdonius, in het N.O. van Mesopotamia (Mygdonia). Het was een stapelplaats voor den karavaanhandel, en werd onder de Seleuciden Antiochia Mygdonia genoemd. Als grensvesting speelde N. later een belangrijke rol in de oorlogen met de Parthen en het Nieuw-Perzische rijk.

Nisus, Nisos, 1) zoon van Pandion, broeder van Aegeus, koning van Megara, stichter van Nisaea. Toen Minos tegen Attica zou optrekken, verbond N. zich met Aegeus, en nadat deze overwonnen was, veroverde Minos ook Megara en belegerde hij Nisaea. Uit liefde voor den belegeraar trok Scylla, de dochter van N., haar vader een gouden of purperen haarlok uit, waarvan het behoud van zijn leven afhing; daarop stierf hij onmiddellijk en de stad werd veroverd, vgl. Comaetho. Hij werd in een zeearend veranderd en in deze gedaante vervolgt hij zijne dochter (z. Scylla) onophoudelijk.--2) zoon van Hirtacus, tochtgenoot van Aeneas, beroemd door zijn vriendschap voor Euryalus. Te zamen deden ze een nachtelijke aanval op het leger der Rutuliërs en sneuvelden na er een geduchte slachting aangericht te hebben.

Nisyrus, Nisyros, rotsachtig eiland met gelijknamige stad ten Z. van Cos, met warme baden. De bevolking was dorisch.

Nitiobriges, Nitiobriges, volksstam in Aquitania. Hoofdstad Aginnum (Agen) aan den Garumna.

Nitocris, Nitokris, 1) koningin van Babylonië, aan wie vele bouwwerken toegeschreven werden, die in werkelijkheid door Nebucadrezar uitgevoerd zijn, daarom wordt zij gewoonlijk voor de gemalin van dezen gehouden.--2) koningin van Aegypte, van wie verhaald wordt, dat zij, om haar broeder en voorganger, die door samenzweerders vermoord was, te wreken, de hoofdschuldigen tot een feest in een onderaardsche zaal noodigde, die zij vervolgens onder water liet zetten. Om aan de wraak van het volk te ontkomen, doodde zij zich zelve.

Nitrariae of Nitriae, Nitriai, groote sodameren in eene vallei (vallis Nitria) ten N. W. van Memphis gelegen.

Nixi (di), drie godheden, die hulp verleenden bij de geboorte, en wier knielende beelden op het Capitool te zien waren.

Nobiles of optimates heetten bij de Rom. die familiën, die het ius imaginum hadden, omdat hunne voorzaten curulische ambten hadden bekleed.

Nobilior, familienaam in de gens Fulvia (Fulvii no. 10-13).

Nola, Nola, belangrijke stad in Campania, ten N.O. van den Vesuvius. Marcellus behaalde hier in 215 eene overwinning op Hannibal. Hier is Augustus gestorven.

Nomen. De Grieken hadden geene geslachts- of familienamen. Het kind ontving één enkelen naam naar de keuze der ouders. Het eenige middel ter onderscheiding was, dat men den naam des vaders en in officieele stukken ook den naam van den demus er bij voegde, b. v. Demosthenes Demosthenous Paianieus, Theophrastos Theodorou. Bij de Rom. onderscheidde men vooreerst nomen of geslachtsnaam en praenomen, vóórnaam, b.v. P. Cornelius. De verschillende familiën van een zelfde geslacht onderscheidden zich door een derden naam of cognomen, als: Scipio, Cossus, Cinna, Sulla, Lentulus, Dolabella, enz. Soms vond men nog een vierden naam of agnomen, waardoor weder een tak der familie werd aangewezen, als: Africanus, Nasica. Bij adoptie nam de geadopteerde officieel het nomen gentilicium en het cognomen en dikwijls ook het praenomen van zijn adoptiefvader aan, doch voegde er dan een adjectief aan toe, aan zijn vroegeren geslachtsnaam ontleend, b.v. P. Licinius Crassus Mucianus, P. Cornelius Scipio Aemilianus Africanus minor. Gebeurde dit evenwel op eenigszins gevorderden leeftijd, dan werden zij ook dikwijls nog bij hun ouden naam genoemd. Vrijgelatenen namen vóór- en geslachtsnaam aan van hun vroegeren meester, terwijl zij als cognomen hun slavennaam behielden, als: P. Terentius Afer, de bekende dichter, vrijgelatene van P. Terentius Lucanus. Vrijgelatenen van steden vormden een nomen uit den naam der stad, b.v. P. Pisaurius Achilles (v. Pisaurum). Meisjes kregen geen naam, zij werden slechts aangewezen door een gentieladjectief, Cornelia, Tullia, enz.; soms voegde men er den naam van vader of echtgenoot bij. Zoo was Cicero's dochter Tullia Ciceronis, zijne vrouw Terentia Ciceronis. Had een vader slechts twee dochters, zoo noemde hij ze maior en minor; waren er meer, dan werden zij eenvoudig genummerd: prima, secunda, tertia, enz. Toch komen er in ouden tijd ook vrouwelijke voornamen voor, als: Aula, Lucia, Publia, Rutila, Caesellia e. a. Tegen het einde der rom. republiek kwam het in zwang, aan de meisjes twee adjectieven als naam te geven, hetzij beide aan de namen van den vader ontleend, als: Caecilia Metella, hetzij aan die der beide ouders, b.v. Valeria Attia, dochter van zekeren S. Attius Atticus en Valeria Sextina, hetzij aan andere familiebetrekkingen, als: Iulia Agrippina, Iulia Drusilla, Iulia Livilla, de drie dochters van Germanicus. Zeer zeldzaam zijn drie of vier namen, als: Livia Medullina Camilla, Lucia Baebia Sallustia Crescentilla. In den keizertijd begint het verschil tusschen nomen gentilicium en nomen familiae te slijten, en gebruikt men ze door elkaar. In de 3de en 4de eeuw n. Chr. komt naast de gewone namen het signum op, een soort herkenningsteeken, of clubnaam, die eerst vooral tusschen ambtenaren een soort band vormt, en later den eigenlijken naam verdringt. Het zijn meest groepnamen op ius en ia, van latijnsche en grieksche woorden afgeleid, b.v. Gaudentius van gaudens, Asterius van aster. De personen hiermede bedoeld, behooren tot een zelfde vereeniging, die een bepaald signum, teeken, heeft aangenomen.

Nomenclator, een slaaf, wiens taak het was, de aanzienlijke en invloedrijke personen te Rome van aangezicht en bij naam te kennen. Hij, die naar eenig ambt dong, begaf zich geregeld naar het forum, om zijne candidatuur aan te bevelen, en daar de beleefdheid vorderde, dat men de burgers bij hun naam aansprak, moest de nomenclator zijn meester de namen influisteren. In huis moest hij de bezoekers aandienen.

Nomentanus (L. Cassius), een groote lekkerbek bij Horatius. Een andere Nomentanus wordt door den dichter om zijne wijsheid geprezen.

Nomentum, Nomenton, latijnsche stad ten N.O. van Rome. De poort en de weg, die er heen voerden, heetten porta en via Nomentana.

Nominis delatio, de aangifte bij den praetor van den persoon, dien men wenscht aan te klagen, dus: aanklacht.

Nominis receptio, het aannemen eener klacht door den praetor.

Nomius, Nomios, bijnaam van Apollo, Pan, Hermes en Aristaeus als herdersgoden.

Nomophylakes, te Athene een college van 7 mannen, door Ephialtes ingesteld en toegerust met de meeste bevoegdheden, die hij aan den Areopagus ontnomen had. Deze betrekking werd in 403 afgeschaft en eerst door Demetrius Phalereus weder in het leven geroepen.--Ook verscheiden dorische staten hadden nom., die vooral moesten toezien dat in raads- of volksvergaderingen geen onwettig besluit genomen werd. Op Corcyra waren zij controleurs van het geldelijk beheer der magistraten, evenals de atheensche logisten.

Nomothetai, z. epicheirotonia no. 1.

Nonacris, Nonakris, vlek en bergstreek in het N. van Arcadia. Hier ontsprong de Styx. Nonacrius heros = Euander, Nonacria virgo = Callisto, Nonacria = Atalanta.

Nonae, zie annus.

Nonii, plebejisch geslacht. Nonius Asprenas, gunsteling van Caesar, die door Catullus bespot wordt. Hij was proconsul in 46, en legaat van Caesar in Africa en Hispania.

Nonius Marcellus, rom. taalgeleerde uit Numidia, waarschijnlijk tegen het midden der 3de eeuw na C.

Nonnus, Nonnos, van Panopolis, omstreeks 400 na C., bezong in een episch gedicht de daden van Dionysus; later ging hij tot het Christendom over en leverde hij in denzelfden vorm eene paraphrase van het evangelie van Johannes. Beide werken zijn bewaard gebleven.

Nora, 1) Nora, oude stad op de Z.kust van Sardinia.--2) ta Nora, bergslot in Cappadocia, waar Eumenes door Antigonus werd belegerd.

Norba, Norba, 1) sterke vesting in Latium ten Z.O. van Rome, in 492 rom. kolonie in het gebied der Volscen; hier werden na den tweeden punischen oorlog de carthaagsche gijzelaars bewaard. In den burgeroorlog werd het door Sulla's troepen verwoest.--2) Norba Caesarea, rom. kolonie in Lusitania, aan den Tagus, thans Alcantara, met eene rom. brug, op welker midden een triumfboog van Traianus staat.

Norbani, eene rom. familie, uit Norba afkomstig. 1) C. Norbanus, volkstribuun in 95, trad toen als aanklager op van Q. Servilius Caepio (consul 106), die in 105 door de Cimbren was verslagen. Hij werd wegens die aanklacht in 94 door P. Sulpicius Rufus lege Appuleia maiestatis aangeklaagd, maar vrijgesproken. Cicero noemt Norbanus seditiosum et inutilem civem. Hij was praetor op Sicilië in 88, en consul in 83. Hij werd door Sulla vogelvrij verklaard, leed in den burgeroorlog twee nederlagen (82) en vluchtte naar Rhodus, waar hij zich zelf van kant maakte.--2) C. Norbanus Flaccus was legaat van Antonius en Octavianus in den strijd tegen Brutus en Cassius; in 38 was hij consul, in 34 hield hij een zegetocht over de Hispaniërs.--3) Hiervan te onderscheiden is C. Norbanus Flaccus, consul 24, waarschijnlijk de zoon van den voorgaanden.--4) onder Domitianus en Traianus komt een L. Appius Norbanus Maximus voor.

Noreia, Noreia, hoofdstad der Taurisci in Noricum, aan den Murius (Mur), thans Neumark in Stiermarken. Hier werd in 113 de consul Cn. Papirius Carbo door de Cimbren verslagen.

Noricum, Norikon, sedert 16 een der rom. Donau-provinciën, tusschen den Donau en de Alpen, van den Aenus (Inn) af tot aan den mons Cetius (Wienerwald) bij Vindobona (Weenen). De inwoners, Taurisci, van celtischen stam, waren een nijver volk en dreven over Aquileia een niet onbelangrijken handel met Italia. De bodem was rijk aan metalen; het norische staal en de wapenfabrieken van Lauriacum (Lorch, aan den Donau) waren vermaard. Ook veeteelt en zoutwinning waren bronnen van bestaan. In de jaren 15-13 werden al de gewesten tusschen Alpen en Donau tot rom. provinciën gemaakt.

Nortia, etrurische godin van het noodlot, voornamelijk te Volsinii vereerd.

Nossis, Nossis, lyrische dichteres uit Locri, omstreeks 300. Eenige epigrammen van haar zijn bewaard gebleven.

Nostoi, epische gedichten betreffende de avonturen van verschillende grieksche vorsten op hun terugreis van Troje.

Nota censoria, ook notatio, animadversio censoria, openbare bestraffing door de censoren, als: het schrappen van onwaardige senaatsleden van de lijst (senatu movere, eicere) of van ridders uit de ridderlijsten, het overbrengen van burgers uit eene tribus rustica in eene tribus urbana of wel onder de aerarii (tribu movere, in aerarios referre). Stellig bewijs van schuld was niet noodig; de persoonlijke overtuiging der censoren was voldoende; zij behoorden het echter eens te zijn.

Notarius, snelschrijver, verslaggever, geheimschrijver of secretaris.

Nothoi, buiten huwelijk geboren kinderen, of zij, wier ouders tot twee verschillende staten zonder epigamia behoorden. De laatstgenoemden kregen, althans te Athene, vrij gemakkelijk het burgerrecht, totdat in 457 een wet van Pericles bepaalde, dat alleen kinderen van een atheenschen vader en moeder dit recht zouden mogen hebben. De buiten huwelijk geborenen waren van alle familierechten uitgesloten; zij konden van het vermogen van hun vader slechts een bij de wet bepaald deel (notheia) erven, dat niet meer dan 1000 drachmen kon bedragen.

Notium, Notion, stadje van Aeolis, later haven van Colophon op de aeolisch-mysische kust.

Notus, Notos, de Zuidenwind, zie Windstreken.

Novaesium = Novesium.

Novaria, thans Novara, stad der Insubres in Gallia Transpadana. Sedert 89 had de stad het ius Latii, sedert 49 was het municipium.

Novemdiale sacrum, een huiselijk reinigingsoffer op den negenden dag na eene begrafenis. Hiermede gepaard ging een maaltijd, coena novemdialis of feralis. Ook een godsdienstig feest van negen dagen, dat somtijds ten gevolge van prodigia door den senaat werd bevolen.

Novempopulana (provincia), zie Aquitania.

Novensiles of Novensides Dii, zie Di(i) Novensides.

Novesium, stad der Ubii aan den Rijn, tevens kwartier van een legioen, thans Neuss tegenover Dusseldorf.

Novii, oud geslacht uit Capua afkomstig. Omstreeks 90 leefde er een blijspeldichter Novius; hij was dichter van Atellanae fabulae (z. a.), evenals zijn tijdgenoot L. Pomponius.

Noviodunum, keltische naam van verschillende steden in Gallia Transalpina. 1) stad der Bituriges Cubi, tusschen Genabum (Orléans) en Avaricum (Bourges).--2) stad der Aedui, thans Nevers aan de Loire.--3) stad der Suessiones = Augusta Suessionum, thans Soissons.--4) stad der Helvetii, aan den lacus Lemanus (meer van Genève), thans Nyon.

Noviomagus, keltische stedennaam in Gallia Transalpina. 1) bij de Bituriges Vibisci in Aquitania.--2) bij de Leuci in Belgica aan de Mosa (Maas).--3) bij de Nemetes aan den Rhenus (Rijn), thans Spiers.--4) Ulpia Noviomagus, kolonie door keizer Traianus gesticht, bij de Batavieren, thans Nijmegen. Deze nederzetting is waarschijnlijk ontstaan in de nabijheid van het kamp, dat de Romeinen in 70 n. C. ten Z. van het verbrande Batavodurum (z. a.) hebben opgericht.

Novus (homo), de eerste eener rom. familie, die tot een curulisch ambt gekozen wordt en dus zijne nazaten tot den rang van nobiles verheft.

NP. Zie fasti (dies).

Nuceria, Noukeria, 1) Alfaterna bijgenaamd, stad in het Z. van Campania, door Hannibal in 216 ingenomen en verbrand, later herbouwd.--2) stad in het hart van Umbria, met den bijnaam Camellaria, aan de via Flaminia.--3) stad in Apulia = Luceria.

Nuithones, germaansch volk aan den rechteroever van den Albis (Elbe), behoort tot die volkeren, die de godin Nerthus vereeren.

Numa Pompilius, Noumas, tweede koning van Rome (± 715-679), een Sabijn uit de stad Cures, die door wijsheid en godsvrucht de ruwe zeden der eerste Rom. verzachtte en den openbaren godsdienst regelde overeenkomstig den raad en de voorschriften der nimf Egeria, met wie hij vertrouwelijken omgang had. Godsdienstige instellingen van hoogen ouderdom werden door de Rom. in den regel aan Numa toegeschreven.

Numantia, Noumantia, in Hispania Tarraconensis, aan den Durius (Douro), hoofdstad van den celtiberischen stam der Arevaci, v. a. der Pelendones. De stad was door hare ligging op eene hooge en steile, slechts van ééne zijde toegankelijke rots zoo sterk, dat zij muren ontberen kon. In 143 bewerkte Viriathus, de aanvoerder der Lusitaniërs, dat de Arevacers zijne zijde kozen. Toen ontbrandde de Numantijnsche oorlog. De proconsul Q. Caecilius Metellus Macedonicus behaalde in het begin (142) groote voordeelen op de Celtiberiërs; doch toen hij vernam, dat zijn persoonlijke vijand Q. Pompeius (consul in 141) hem in het bevel zou opvolgen, ontsloeg hij de soldaten die vertrekken wilden, liet de voorraadschuren onbewaakt aan plundering over, liet de bogen en pijlen der cretensische boogschutters aan stukken breken en de olifanten doodhongeren. Pompeius werd dan ook in 141 door de Numantijnen verslagen en sloot met hen een verdrag (140), dat door den senaat echter niet bekrachtigd werd. Nadat in 138 de proconsul M. Pompilius Laenas en in 137 de consul C. Hostilius Mancinus het onderspit hadden moeten delven en de laatste een schandelijken vrede had moeten sluiten (zie Hostilii), werd in 133 Scipio Africanus minor tegen N. afgezonden. Na een merkwaardig beleg van 15 maanden viel het in zijne handen en werd geheel verwoest. De verschillende kampen en versterkingen, die Scipio voor deze belegering om de stad had opgeslagen, zijn niet lang geleden opgegraven.

Numenius, Noumenios, 1) aegyptisch gezant te Rome, 167.--2) van Apamea in Syrië, omstreeks het einde der 2de eeuw n. C., vereenigde in zijn werken de leer van Pythagoras met die van Plato tot een nieuw stelsel, dat volgens zijn beweren echter, hoewel minder duidelijk, reeds bij Plato te vinden was. Hij was een van de voornaamste voorloopers der neo-platonici, Plotinus heeft van zijne werken dikwijls gebruik gemaakt.

Numerianus (M. Aurelius Numerius), jongste zoon van keizer Carus, vergezelde dezen op zijn veldtocht tegen de Parthen, waarbij Carus omkwam (283 na C.). Met zijn ouderen broeder Carinus volgde hij zijn vader op, doch werd in 284 omgebracht door zijn schoonvader, den praefectus praetorio Arrius Aper.

Numerii. De naam Numerius was in Italia zeer algemeen. Q. Numerius Rufus, volkstribuun in 57, was tegen de terugroeping van Cicero, doch kwam hierdoor zelf in moeielijkheden. Cicero bespot hem in zijne oratio pro Sestio.

Numicii, rom. geslacht, waarvan een paar leden in de volscische en samnietische oorlogen voorkomen.

Numicius of Numicus, Noumikios, kustriviertje van Latium, valt bij Ardea in zee.

Numidia, Nomadia, Noumidia, het afrikaansche kustland, van de rom. provincie Africa af tot aan de rivier Muluchath. De naam van de bewoners, Numidae, wordt door de ouden afgeleid van Nomades, Nomades, zwervers. Hoofdstammen waren de Massaesylii en de Massylii. De kust was bezet met phoenicische volkplantingen, die later in de macht van Carthago overgingen. Na Carthago's val kreeg koning Masinissa van de Rom. de geheele kust bij zijn gebied. Hij slaagde er in, zijne Numidiërs aan vaste woonplaatsen te gewennen en ze op een hoogeren trap van beschaving te brengen (zie Masinissa). Het O. gedeelte, tot aan den Ampsaga, werd in 46 door Caesar tot provincie gemaakt onder den naam Nova Africa; doch ook de naam Numidia bleef in gebruik. Het westelijk gedeelte kwam in 25 met Mauretania aan Juba; het werd in 37 n. C. bij het Romeinsche rijk gevoegd, en heette voortaan Mauretania Caesariensis. De Numidiërs waren stoute ruiters en hunne paarden van een uitmuntend ras.

Numisii, een rom. geslacht van weinig belang.

Numistro, stad heel in het N. van Lucania, op de grenzen van Zuid-Samnium.

Numitor, Nometor, koning van Alba Longa, vader van Rea Silvia, door zijn broeder Amulius van den troon gestooten, doch later door zijne kleinzonen Romulus en Remus hersteld.

Numitorii, rom. geslacht, afkomstig uit Etruria.

Nummus of numus, in het algemeen geldstuk, in het bijzonder de sestertius. De (nummus) aureus of solidus was gelijk aan 100 sestertiën. Nummi adulterini = valsch geld.

Numonii, rom. geslacht met den familienaam Vala.

Nymphagogos, z. Paranymphos.

Nuncupare, v. nomen capere, iets met name noemen, duidelijk en ondubbelzinnig uitspreken; vandaar vota nuncupare, zijn wensch uitspreken, geloften doen. Nuncupatio is ook het plechtig aangaan eener verbintenis ten overstaan van getuigen.

Nundinae, marktdag, eigenlijk de eerste dag van de week, die mundinum heette. Zie Trinundinum. Tusschen twee marktdagen lagen 7 andere dagen in; van den eenen marktdag tot den volgenden verliepen dus volgens romeinsche telling 9 dagen, vandaar de naam = novemdinae.

Nuntiatio, zie augures.

Nuptiae, bruiloft. Deze had in het huis van de bruid plaats. Na de sluiting van het huwelijk (z. Confarreatio en Coëmptio) verwijderde de man zich en haalde daarna de bruid met een stoet van vrienden in optocht (pompa nuptialis) uit haar huis; men droeg fakkels (hierdoor werd fax het symbool van het huwelijk), strooide noten en zong liederen voor Hymenaeus. De jonge vrouw legde in de straat, waar zij zou wonen, een geldstuk op het sacellum van den Lar Compitalis; aan het huis gekomen droeg de man haar over zijn drempel.

Nursia, sabijnsche stad aan den Nar, geboorteplaats van Q. Sertorius.

Nurtia = Nortia.

Nycteis, Nykteis, dochter van Nycteus, moeder van Labdacus, ook Antiope, als dochter van Nycteus.

Nyctelius, Nyktelios, bijnaam van Dionysus naar de nachtfeesten, Nyktelia, die te zijner eer gevierd werden.

Nycteus, Nykteus, zoon van Hyrieus, koning van Thebe, z. Lycus, Labdacus en Antiope.

Nyctimene, Nyktimene, dochter van Epopeus, koning van Lesbus; uit schaamte over de liefde, die zij voor haar vader, of v. a. haar vader voor haar, had opgevat, verborg zij zich in het diepste der wouden. Athena veranderde haar in een nachtuil.

Nyctimus, Nyktimos, zoon en opvolger van Lycaon no. 1. Onder zijne regeering kwam de groote overstrooming van Deucalion over de aarde.

Nymphae, Nymphai, dochters van Zeus, godheden van minderen rang, personificaties van het leven der natuur in al zijne verschillende uitingen. Iedere berg, iedere rivier, iedere boomsoort heeft bijzondere nimfen, in lateren tijd stelde men zich zelfs voor, dat iedere boom een eigen nimf had, die dan met den boom ontstond en stierf. Overigens zijn zij onsterfelijk, betoonen zij zich vriendelijk en herbergzaam voor de menschen, die haar gebied betreden, en sluiten zij zich gaarne aan bij de hoogere goden, die bij voorkeur in de vrije natuur leven, zooals Artemis en Dionysus. Soms hebben zij zitting in de vergadering der goden op den Olympus.--Men onderscheidt ze in: zeenimfen (Oceanides, Nereïdes), rivier- en bronnimfen (Naïades), bergnimfen (Oreades), dalnimfen (Napaeae), boschnimfen (Alseïdes), boomnimfen (Dryades, Hamadryades), soms heeten zij naar de plaats, waar zij zich ophouden: Acheloïdes, Cithaeronides, Nyseïdes, Dodonides, enz.--Zij genoten goddelijke vereering vooral in wouden en grotten, bij rivieren en bronnen, maar ook in vele steden hadden zij prachtige heiligdommen, nympheia. Men offerde haar geiten, lammeren, melk en olie. Zij werden afgebeeld als schoone jonge vrouwen, licht of niet gekleed, gewoonlijk met een of ander attribuut, dat hare beteekenis duidelijk maakt.--Ook sommige andere goddelijke wezens, die onsterfelijk zijn en meer dan menschelijke macht hebben, worden nimfen genoemd, ofschoon zij niet tot het leven der natuur in betrekking staan, bijv. Calypso, Circe, e. a. Ook in Rome worden Nymphae, oudtijds Lymphae geheeten, als godheden van het water en van de bronnen, vereerd; ze hadden een tempel op het Campus Martius; hier hadden de Censoren hun archief.

Nymphaeum, Nymphaion, 1) kaap en haven op de illyrische kust, nabij Apollonia.--2) kaap in de taurische Chersonesus (Krim).--3) kaap van het voorgebergte Acte, een uitlooper van het Athosgebergte.

Nympheum, nympheion, gebouw, aan de waternimfen gewijd en versierd met zuilen en beelden. Daarbinnen stroomden een of meer fonteinen, omgeven door zitplaatsen, waar men bij groote hitte eene aangename koelte kon genieten. Te Rome vond men verscheidene nymphea (ook nymphaea, nymphaia, geschreven). Zulk een nympheum was ook het zoogenaamde Septizonium (z. a.).

Nymphidius Sabinus (C.), verklikker onder Nero, die zich tot bevelhebber der lijfwacht wist op te werken. Na Nero's dood werd hij door zijne eigene soldaten vermoord, toen hij hen van Galba afvallig zocht te maken.

Nymphis, Nymphis, van Heraclea in Pontus, geschiedschrijver ten tijde van Ptolemaeus Euergetes, van wiens werken weinige fragmenten bewaard zijn.

Nymphodorus, Nymphodoros, van Syracuse, schrijver van twee aardrijkskundige werken ten tijde van Ptolemaeus Philadelphus; eenige fragmenten van een werk over de merkwaardigheden van Sicilië zijn bewaard gebleven.

Nysa, Nys(s)a, de plek waar Dionysus door nimfen werd opgevoed. Deze nimfen worden Nyseides, Nyseides, genoemd en de god zelf Nyseus, Nyseus. Men zocht dit Nysa in verschillende oorden, in India, Aethiopia, Caria, Pisidia, Cappadocia, Thracia, Boeotia, op Naxos, overal waar bergen of steden met den naam Nysa voorkwamen en waar de god op zijne tochten geweest was. De belangrijkste steden van dien naam zijn:--1o. Nysa ad Maeandrum, stad in Carië, ten O. van Tralles, gesticht in de 3de eeuw. Belangrijke ruïnen uit den keizertijd zijn nog over.--2o. Nyssa in Cappadocia, aan den Halys, z. Gregorius no. 3.

Nyseides, Nyseides, nimfen van Nysa, opvoedsters van Dionysus.

Nyseus, Nysius, Nysigena, Nyseus, Dionysus, naar zijne geboorteplaats Nysa.

Nysiades = Nyseides.

O.

Oanis, Oanis, riviertje op de Z.kust van Sicilia bij de stad Camarina.

Oaracta, ta Oarakta, vruchtbaar eiland in de Perzische golf op de kust van Carmania.

Oarus, Oaros, rivier ergens in Sarmatia, die volgens Herodotus in de Palus Maeotis (zee v. Azow) zou vallen, O.waarts van den Tanaïs (Don). Bedoeld is de Rha (Wolga).

Oaxus, Oaxos, stad midden op Creta, ook Axus genoemd, aan de rivier Oaxes.

Obe, z. Phyle.

Obeliscus, obeliskos, hooge, vierhoekige zuil, die naar boven toe gelijkmatig dunner wordt en aan den top op eenmaal in eene pyramidale spits uitloopt. Oorspronkelijk behooren deze zuilen, in het Nederlandsch ook naalden genoemd, in Aegypte te huis, waar zij uit graniet, marmer of kalksteen in één stuk gehouwen werden. De hoogte wisselt van 50 tot 150 voet. Vele obelisken zijn met hiëroglyphen beschreven. Na de verovering van Aegypte door de Perzen schijnt het houwen van obelisken gestaakt te zijn; verscheidene er van zijn met groote kosten naar Rome en in de vorige eeuw zelfs naar Londen, Parijs en New-York overgebracht. In Aegypte stonden zij voor de tempelgebouwen. Bij eene obelisk behoort een vierkant voetstuk, rondom ongeveer een voet breeder dan het ondereind der naald.

Obelus, obelos, een dwarsstreepje, waarmede de alexandrijnsche grammatici in hunne uitgaven van oude schrijvers onechte of verdachte plaatsen aanduidden.

Obligatio, de band tusschen twee personen of partijen, van wie de een creditor is en eene vordering heeft, en de andere debitor is en onder zekere verplichting ligt. Obligationes ex contractu ontstaan uit eene op wettigen grondslag rustende overeenkomst, obligationes ex delicto uit een wederrechtelijk vergrijp tegen de rechten van een ander, waarvoor deze dan vergoeding of voldoening kan vorderen. Verder kent het Romeinsche recht nog obligationes ex variis causarum figuris, waartoe o. a. hoort de aansprakelijkheid van den rechter, die een partijdig vonnis heeft geveld.

Obnuntiatio, mededeeling der augurs, dat de auspiciën ongunstig zijn. Zie de artikels divinatio en servare de coelo.

Obolos, grieksche munt, vroeger van zilver, later van brons, het 6de deel van een drachme. Ob. nekrou, z. Charon.

Obrima, Obrimos, zijtak van den Maeander in Phrygia.

Obrimopatre, zij, wier vader machtig is, bijnaam van Athena.

Obsequens (Iulius), schrijver van een werkje over wonderteekenen, prodigia, waarvan nog een gedeelte over is. Hij leefde waarschijnlijk in de 4de eeuw na C.

Obucola, Oboukola, stad in Baetica, ten O. van Hispalis (Sevilla).

Ocalea, Okaleia, dochter van Mantineus, gemalin van Abas, moeder van Acrisius en Proetus.

Ocalea, Okalee, riviertje en vlek in Boeotia ten W. van het meer Copais.

Oceanides, -ninae, Okeanides, -ninai, -nitides, 3000 dochters van Oceanus en Tethys, nimfen der zee.

Oceanus, Okeanos, zoon van Uranus en Gaea, de oudste der Titanen, die zich aan het heerschende godengeslacht heeft onderworpen en door hen met liefde en zorg behandeld wordt, maar geen aandeel heeft aan de regeering der wereld, afgezonderd leeft en niet bij de vergaderingen der goden komt. Bij Tethys is hij de vader van de 3000 stroomgoden en 3000 Oceaniden. Hij is de god van den grooten stroom (Oceaan), volgens ouderen eene rivier, volgens lateren een zee, die aarde en zeeën insluit, waaruit alle wateren der aarde hun oorsprong hebben, en zon, maan en sterren oprijzen. Aan deze zijde van den Oceaan wonen de vrome Aethiopiërs en ligt het Elysium, aan gene zijde heerscht eeuwige duisternis en is de ingang naar het rijk van Hades.--In latere tijden onderscheidde men verschillende deelen van den Oceaan, bij voorkeur gaf men dien naam aan den Atlantischen Oceaan (Oc. Occidentalis), maar ook de Erythraeïsche, Hyperboreïsche, Aethiopische e. a. worden genoemd. Over het algemeen verbindt men aan het woord Oceanus het begrip van eb en vloed.

Occelus of Ocellus Lucanus, Okkelos of Okellos ho Leukanos, pythagoreïsch wijsgeer uit onzekeren tijd; het hem toegeschreven werk peri tes tou pantos physeos is waarschijnlijk eerst uit de 1e eeuw voor C.

Ocelum, stad der Graioceli in de Grajische Alpen.

Ocha, berg in het Z. van Euboea, bij de stad Carystus.

Ochus, Ochos, bijnaam van Artaxerxes III.

Ochus, Ochos, 1) linker zijrivier van den Oxus, tgw. Sangalak.--2) rivier in Hyrcania, die in de Caspische zee uitstroomt, tgw. Atrek.

Ocnus, Oknos, zoon van Tiberis en Manto, stichter van Mantua. V. a. was hij een zoon of broeder van Auletes, den stichter van Perusia, en had hij Felsina, het latere Bononia, gesticht.

Ocriculum, Okrikola, welvarend municipium in Umbria aan den Tiber en de via Flaminia, thans Otricoli.

Octavia (lex) frumentaria ter verhooging van den korenprijs en gedeeltelijke opheffing der lex Sempronia. Zie Annona en Octavii no. 5.

Octavianus, zie Iulii no. 14.

Octavii, rom. gesl., uit Velitrae afkomstig, dat reeds in den koningstijd naar Rome verhuisde. 1) Cn. Octavius, rom. vlootvoogd in den tweeden punischen oorlog (205 en 202). In 192 werd hij als gezant naar Griekenland gezonden, om Antiochus tegen te werken.--2) Cn. Octavius, zoon van no. 1, was in 168 rom. vlootvoogd tegen koning Perseus, die zich op Samothrace aan hem moest overgeven. Van den buit bouwde hij de porticus Octavia te Rome. In 165 was hij consul; in 162 werd hij te Laodicea vermoord, terwijl hij met een staatkundigen last in Azië vertoefde.--3) M. Octavius, in 133 volkstribuun met Ti. Gracchus, verzette zich tegen diens akkerwet en werd op diens voorstel door het volk afgezet. Zie Sempronii no. 10.--4) Cn. Octavius, consul in 87, trachtte als hoofd der optimatenpartij Cinna te keer te gaan en verdreef hem zelfs uit Rome; toen echter Cinna Rome bestormde, werd Oct. vermoord.--5) M. Octavius, zoon van no. 4, bewerkte als volkstribuun eene inkrimping der korenwet van C. Gracchus, zie Octavia (lex) frumentaria.--6) L. Octavius, consul in 75.--7) M. Octavius was in den burgeroorlog vlootvoogd van Pompeius; hij verdreef Caesars legaat P. Cornelius Dolabella uit Illyria en nam C. Antonius gevangen (49). Later belegerde hij tevergeefs A. Gabinius te Salona. Na den slag bij Pharsalus wordt hij door een gedeelte zijner manschappen verlaten, hij lijdt een nederlaag tegen P. Vatinius, en vlucht met de rest van zijn vloot.--8) C. Octavius, geroemd om zijn goedheid en braafheid, praetor in 61, vernietigde in 60 het overschot van Catilina's benden en bestuurde daarna met grooten lof Macedonia, waar hij tegen de Thraciërs streed (60/59). Hij was de vader van keizer Augustus. Hij stierf in het begin van 58 te Nola.--9) C. Octavius, zoon van no. 8, geb. in 63, was vier jaar oud, toen zijn vader te Nola overleed. Hij was de latere keizer Augustus. Zie Iulii no. 14.--10) Octavia, dochter van no. 8, eerst gehuwd met C. Claudius Marcellus en daarna (40) met M. Antonius, den drieman, won aller harten door haar edel en zacht karakter. Zij droeg er veel toe bij om eene uitbarsting tusschen haar man en haar broeder Octavianus te voorkomen. Doch Antonius, naar het Oosten vertrokken, verwaarloosde haar, zooals hij te voren Fulvia had gedaan, en liet zich in 32 van haar scheiden. Zij stierf in 11, diep betreurd als een toonbeeld van eene rom. vrouw en moeder. Zij liet de porticus Octaviae bouwen, waarvan nog enkele brokstukken over zijn. Daar zij nog een oudere zuster had, wordt zij ook wel minor bijgenaamd. Haar zoon, de in 23 gestorven M. Marcellus (Claudii no. 37), om wien zij tot haar dood gerouwd heeft, was de eerste man van Augustus' dochter Julia.--11) Octavia, dochter van keizer Claudius uit diens derde huwelijk met Valeria Messalina, huwde in 53 na C. met keizer Nero. Hare strenge zeden konden hem echter niet behagen. Ze werd eerst door Nero verstooten, daarna verbannen naar Pandataria en vermoord (62). Zij was zeer geliefd bij het volk, en na Nero's dood leverde zij de stof voor een tragedie Octavia, die onder de geschriften van Seneca bewaard gebleven is.

Octodurus, tgw. Martigny, stad der Veragri, in het tegenw. kanton Wallis.

Octogesa, stad der Ilergetes aan den Iberus in Hispania.

Ocypete, Okypete, een van de Harpyiën.

Ocyrhoe, Okyroe, dochter van Chiron en Chariclo, eene wijze profetes; zij werd in een paard veranderd.

Odenathus, Odenathos, aanzienlijk burger van Palmyra, die zich in het zoogenaamde tijdperk der 30 tyrannen tot vorst verhief (261 na C.), den perzischen koning Sapores uit Syrië verjoeg, en door den rom. keizer Gallienus als mederegent erkend werd. In 267 werd hij door een bloedverwant omgebracht. Zijne weduwe, de schoone en begaafde Zenobia nam nu als beheerscheres van het Oosten de teugels van het bewind in handen.

Odessus, Odessos, milesische kolonie in Thracia aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee), thans Varna.

Odeum, odeion, gebouw voor muzikale wedstrijden, gebouwd op de wijze van een theater, doch van een dak voorzien. Pericles liet het eerste odeum te Athene bouwen. Bij het beleg der stad door Sulla in 86 brandde het af, doch werd op kosten van den cappadocischen koning Ariobarzanes, Philoromaeus bijgenaamd, weder opgebouwd. Herodes Atticus gaf aan Athene een tweede odeum ten geschenke, het prachtigste der oude wereld; het kon 8000 personen bevatten. Ook te Corinthus bouwde Herodes er een. Na dat van Athene was het odeum van Patrae het prachtigste. Het eerste odeum te Rome was dat van Domitianus.

Odoacer, een Rugiër, die bij een opstand der rom. huurtroepen zich aan hun hoofd stelde, den laatsten keizer van het westrom. rijk, Romulus Augustulus, afzette, en een koninkrijk Italië stichtte, 476 na C. In 493 werd hij ten val gebracht door Theodorik, koning der Oostgothen.

Odomanti, thracische volksstam aan den mons Orbelus, tusschen den Strymon en den Nestus.

Odrysae, Odrysai, het machtigste volk van Thracia, uitstekende ruiters met voortreffelijke paarden. Hun grootste macht bereikten zij onder de achtereenvolgende koningen Teres, Sitalces, met wien de Atheners in 431 een verbond tegen Perdiccas van Macedonië sloten, en Seuthes I. Diens neef Seuthes II riep de hulp in der 10000 Grieken, die met Xenophon huiswaarts keerden. Twisten over de opvolging brachten den staat later wel in een zekere afhankelijkheid van Macedonië, maar toch bleef hij zelfstandig bestaan, ook nog onder de Rom., tot hij eindelijk in 46 n. C. onder den naam Thracia bij het rijk werd ingelijfd.

Odysseus, Odysseus, Ulixes, zoon van Laërtes of Sisyphus en Anticlea, koning van Ithaca, Same en Zacynthus. Ook hij had naar de hand van Helena gedongen, en toen aan Tyndareos een goeden raad gegeven (z. Helena), uit dankbaarheid daarvoor was deze zijn voorspraak bij Icarius, toen hij diens dochter Penelope tot vrouw begeerde. Toen de trojaansche oorlog uitbrak, was O. verplicht mede op te trekken; v.s. had hij door geveinsde krankzinnigheid getracht zich aan die verplichting te onttrekken, maar was deze list door Palamedes (z.a.) ontdekt. Hij ging dus met 12 schepen naar Troje en toonde zich daar een dapper en volhardend krijgsman, maar vooral onderscheidde hij zich door schranderheid, tegenwoordigheid van geest en welsprekendheid. Daarom werd hij vooral gaarne gebruikt, waar deze eigenschappen te pas komen, als onderhandelaar of verspieder, en luistert men met aandacht naar zijn raad. Vóór het begin van den oorlog werd hij naar Troje gezonden om Helena terug te eischen, hij weet Achilles (z.a.) op te sporen, als deze zich op Scyrus verborgen houdt, bij den strijd om de wapenen van Achilles behaalt hij de overwinning op den grooten Aiax, en het houten paard, waardoor eindelijk Troje genomen werd, was van zijne vinding. Maar bovenal is hij beroemd door vele gevaren en avonturen, die zijne terugreis bemoeilijkten en die het onderwerp uitmaken van de Odyssea van Homerus. Tien jaar lang zwierf hij over de zee en door verre landen, eer hij zijn vaderland weder bereikte. Reeds was hij tot kaap Malea gekomen, toen een storm hem naar het land der Lotophagen dreef, waar sommige van zijn makkers zoo door den smaak van de zoete lotusvrucht bekoord werden, dat zij met geweld naar de schepen teruggedreven moesten worden. Daarna landde hij bij de Cyclopen, hier beroofde hij den woesten menscheneter Polyphemus (z.a.) van het gezicht, waarom hij sedert voortdurend door den toorn van Poseidon vervolgd werd. Op het eiland van Aeolus werd hij goed ontvangen, en bij zijn vertrek kreeg hij een zak mede, waarin alle winden opgesloten waren behalve de Westenwind, zoodat de vaart zeer voorspoedig was, maar in het gezicht van Ithaca openden sommige schepelingen den zak, de winden ontsnapten en een geweldige storm dreef het schip weder naar het eiland van Aeolus terug. Vervolgens kwam hij bij de Laestrygonen (z. Antiphates) en bij Circe (z.a.), op wier raad hij over den Oceaan zeilt en in het voorportaal der onderwereld de schim van Tiresias over zijne verdere lotgevallen ondervraagt. Langs het eiland der Sirenen, tusschen Scylla en Charybdis doorzeilend, komt hij op Thrinacia, waar zijne tochtgenooten, door den uitersten honger gedreven, zich in weerwil van zijne dringende vermaningen aan de kudden van Helius vergrijpen. Deze beklaagt zich bij Zeus, die het schip van O., zoodra het weder in zee is, door een bliksemstraal verbrijzelt en alle schepelingen doet omkomen, behalve O. zelf, die op een plank naar het eiland Ogygia drijft. Daar wordt hij ontvangen door Calypso (z.a.), en zeven jaar blijft hij, hoewel door heimwee verteerd, bij haar; als zij hem eindelijk op uitdrukkelijk bevel der goden laat gaan, vaart hij 18 dagen lang gelukkig op een door hem zelf vervaardigd vlot; daarna merkt Poseidon hem op, en in een vreeselijken storm wordt het vlot verbrijzeld, maar door de hulp van Ino Leucothea komt hij, met verlies van alles, zelfs van zijne kleederen, op het eiland Scheria. Van uitputting valt hij in slaap, en zoo wordt hij gevonden door Nausicaa, die hem naar het hof van haar vader Alcinous, koning der Phaeaciërs, brengt. Nadat hij hier eenige dagen eene gastvrije ontvangst had genoten, zich bekend gemaakt en zijne lotgevallen verhaald had, wordt hij eindelijk, met geschenken overladen, naar zijn vaderland teruggebracht. Daar verneemt hij dat zijne moeder van verdriet over zijne lange afwezigheid gestorven is, dat zijn vader zich uit de stad teruggetrokken heeft, dat sedert drie jaar meer dan 100 edele jongelieden naar de hand van Penelope dingen, en in afwachting van hare beslissing in zijn huis brassen en zwelgen en zijn vermogen verteren, en eindelijk dat Telemachus, die in den laatsten tijd begonnen is zich krachtiger tegen hen te verzetten, nauwelijks voor hunne lagen veilig is. Door Athena, zijne trouwe beschermster, als oude bedelaar vermomd, maakt hij zich voorloopig alleen aan zijn zoon bekend, dan gaat hij naar zijn huis en komt er juist wanneer Penelope, die nog steeds op de terugkomst van haar gemaal hopend, tot nu toe aan hare vrijers geen beslissend antwoord gegeven heeft, zich eindelijk gedwongen ziet eene keuze te doen. Zij verklaart dat zij hem tot echtgenoot zal nemen, die den boog van O. kan spannen, en als niemand daartoe in staat is, vraagt O. zelf, nog steeds als bedelaar vermomd, of hij het beproeven mag; zij stemt toe, en zoodra hij den boog in handen heeft, doodt hij met de hulp van Telemachus en eenige getrouwe dienaars al de overmoedige vrijers. Daarna maakt hij zich bekend, terwijl Athena een oproer stilt, dat door den moord der vrijers dreigde te ontstaan.--Over zijne verdere lotgevallen zijn de berichten verschillend. V.s. doodde hem zijn eigen zoon Telegonus (z.a.), zonder hem te kennen, v.a. was hij naar Italië gegaan en had daar verscheiden steden gesticht.

Oea, Oia, 1) vlek op het eiland Thera.--2) stad op de kust van Africa, tusschen de beide Syrten.

Oeager, Oiagros, koning van Thracië, v.s. vader van Orpheus en Linus. Vandaar Oeagrius = thracisch.

Oeagrides, Oiagrides, de Muzen, als zusters, van Orpheus, den zoon van Oeager.

Oeanthe, -ea, Oianthe, Oiantheia, stad der Locri Ozolae aan de westkust van de golf van Crisa.

Oeax, Oiax, zoon van Nauplius no. 2.

Oebalia, de burcht van Tarentum. Zie Oebalus.

Oebalides, Oibalides, Hyacinthus of de Dioscuren (Oebalii fratres), afstammelingen van Oebalus. Soms alg. = Spartaan.

Oebalus, Oibalos, 1) zoon van Cynortas of Perieres, koning van Sparta, vader van Tyndareos. Naar hem wordt Helena Oebalia pellex en Tarentum Oebalia arx genoemd.--2) zoon van Telon, verliet het eil. Capreae, waar zijn vader over de Teleboërs regeerde, en vestigde een nieuw rijk in Campanië.

Oechalia, Oichalia, naam van verschillende steden, als: 1) in Thessalia aan den Peneus, tusschen Tricca en Pelinna, de zetel van den door Heracles gedooden Eurytus.--2) in het N. van Messenia.--3) in Trachis.--4) nabij Eretria op Euboea.--5) in Aetolia.

Oeclides, Oikleides, zoon van Oecleus, Amphiaraus.

Oecus, eene zaal in een rom. huis, zonder lichtopening in de zoldering. Het licht moest dus door vensters naar binnen vallen of het vertrek moest op een peristylium of veranda uitkomen. Ze diende als pronkzaal (z. domus) of als triclinium.

Oedipus, Oidipous, Oidipodes, zoon van Laius en Iocaste. Wegens een onheilspellend orakel (z. Laius) gaf zijn vader hem kort na zijne geboorte aan een herder, met bevel het kind op den Cithaeron te dooden. Door medelijden bewogen, volbracht de herder dien last echter niet, maar gaf het kind aan een anderen herder, die het medenam naar Corinthe en het aan zijn heer, den kinderloozen koning Polybus, gaf. O. groeide op in de meening dat hij een zoon van Polybus was, maar toen hij volwassen was geworden, werd hem eens bij een feest toegevoegd, dat hij zich voor een ondergeschoven kind wat al te trotsch gedroeg. Deze woorden griefden hem, en daar hij op zijne vragen om inlichtingen van iedereen ontwijkende antwoorden kreeg, besloot hij het delphische orakel over zijne afkomst te gaan ondervragen. Ook hier kreeg hij echter op deze vraag geen antwoord, maar de Pythia herhaalde tot hem, wat eens tot Laius gezegd was: dat hij zijn vader zou dooden, met zijne moeder zou trouwen en met haar een geslacht zou verwekken, dat goden en menschen tot gruwel zou zijn. In de onzekerheid, of hij niet misschien toch een zoon van Polybus en diens echtgenoote was, besloot hij in ieder geval niet naar Corinthe terug te keeren, en onverschillig waarheen hij zich begeven zoude, sloeg hij den weg naar Thebe in. Op een smallen bergweg kwam hem een reiziger te gemoet, die op een wagen gezeten was en door eenige dienaars begeleid werd; wijken was moeielijk, er ontstond een twist, waarbij O. den reiziger en zijn geheel gezelschap doodde, behalve één man die ontvluchtte. Daarna kwam hij in Thebe aan en vond het land in de grootste verwarring: de koning was kort te voren op reis aangevallen en gedood, en bovendien werd het land geteisterd door de Sphinx (z. a.), die reeds talrijke slachtoffers gemaakt had. In deze omstandigheden nam Creon, de broeder der koningin, voorloopig de regeering in handen en maakte bekend, dat hij, die het land van de Sphinx zou verlossen, met de hand van Iocaste en de koninklijke waardigheid zou beloond worden. O. lost het raadsel van de Sphinx op en wordt zoo koning van Thebe, maar tevens huwt hij, zooals het orakel voorspeld had, met zijne moeder; dat hij de moordenaar van Laius is, kan hij niet vermoeden, want de eenige man, die het bericht van diens dood in de stad gebracht heeft, beweert dat hij door een rooverbende den dood gevonden heeft; op deze wijze wil hij het n.l. doen voorkomen, dat hijzelf niet uit lafheid, maar voor de overmacht gevlucht is. Lang regeert O. gelukkig en tot heil van het land, bij Iocaste krijgt hij vier kinderen: Eteocles, Polynices, Antigone en Ismene. Na vele jaren wordt het land echter door een verschrikkelijke pest bezocht, en in den hoogsten nood zendt O. zijn zwager Creon naar Delphi, ten einde Apollo om raad te vragen. Het antwoord luidt dat de toorn der goden op het land zal blijven drukken, totdat de moordenaar van Laius verbannen of ter dood gebracht zal zijn. Vol ijver begint O. zijne nasporingen om hem te vinden, maar niemand kan hem inlichtingen geven dan de man, die bij den moord tegenwoordig is geweest, toevallig dezelfde die hem als kind op bevel van Laius had moeten dooden. Terwijl deze man ondervraagd wordt, komt een bode uit Corinthe den dood van Polybus berichten, deze bode is dezelfde, die O. als kind van den anderen herder had overgenomen en naar Corinthe gebracht, en door de elkander aanvullende verklaringen van deze twee personen ontdekt O. eindelijk, hoe de oude orakels vervuld zijn. Hij steekt zich in wanhoop de oogen uit, terwijl Iocaste zich ophangt. Ofschoon hij in het begin gewenscht had, volgens het bevel der goden, uit het land verbannen te worden, weet Creon hem tot bedaren te brengen, en zoolang deze regeert, blijft O. inderdaad te Thebe. Toen echter zijne beide zonen volwassen waren geworden, behandelden zij hun vader met minachting, en spoedig dwongen zij hem het land te verlaten. O. vloekt zijne zonen en terwijl zij zich alleen om de bevrediging hunner heerschzucht bekommeren, begint hij, oud en blind, een zwervend leven, waarbij hem zijne dochter Antigone trouw vergezelt en ook Ismene hem nu en dan diensten bewijst. Wel verklaarde een later orakel, dat het land, waar het graf van O. zich zou bevinden, groot en bloeiend zou worden en door Thebe niet te overwinnen zou zijn, en trachtten daarom Creon en Polynices hem te bewegen naar zijn vaderland terug te komen, maar O., die intusschen bij Theseus in Attica vriendelijk opgenomen is, wil hiervan niets weten. Met de goden verzoend, eindigt hij zijn leven zacht in het woud der Eumeniden op den heuvel Colonus bij Athene, zijn graf is alleen aan de koningen van Attica bekend en is een onderpand van heil voor hun land.--Volgens de oudste verhalen was de naam van zijne moeder Epicaste, en regeert hij na de ontdekking zijner gruweldaden, hoewel door de Erinyen gekweld, tot het einde van zijn leven over Thebe. Nadat Epicaste zich opgehangen had, nam hij Euryganea tot vrouw, en deze was de moeder zijner vier kinderen. Later zoude hij haar verstooten en Astymedusa tot vrouw genomen hebben.

Oeneis, Oineis, eene van de 10 phylen, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Oeneon, Oineon, havenstad der Locri Ozolae.

Oeneus, Oineus, zoon van Portheus of Porthaon, koning van Calydon en Pleuron, de eerste die den wijnbouw in Aetolië invoerde, waartoe Dionysus hem zelf den eersten wijnstok gaf. In zijn tijd had de calydonische jacht plaats. De zonen van zijn broeder Agrius zetten hem gevangen en gaven de regeering aan hun vader, Diomedes doodt echter na zijne terugkomst van Troje Agrius met de meeste van diens zonen en geeft de regeering aan zijn grootvader terug, die haar echter aan zijn schoonzoon Andraemon afstaat.--Op eene reis in de Peloponnesus werd hij door de in leven gebleven zonen van Agrius gedood. Diomedes begroef hem in Argos, op de plaats die naar hem Oenoë genoemd werd.

Oeniadae, Oiniadai, oude kustst. van Acarnania aan den mond van den Achelous, die ze in den winter onder water zette. De burcht, Nasus, Nesos (z. a.), lag op een eilandje in een meertje.

Oenides, Oineides, Meleager en Diomedes, zoon en kleinzoon van Oeneus.

Oenoanda, Oinoanda, stad in Cabalia, op de grenzen van Lycia.

Oenoë, Oinoe, 1) attische demus bij Eleutherae, tot de hippothoönsche phyle behoorende, grensvesting tegen Boeotia.--2) attische demus der phyle Aeantis, bij Marathon.--3) corinthische sterkte aan de golf van Corinthus.--4) vlek in Argolis, ten W. van Argos.--5) stadje in Elis aan den Ladon, oudtijds Ephyra geheeten.

Oenomaüs, Oinomaos, zoon van Ares, koning van Pisa. Daar hem voorspeld was, dat hij zou sterven wanneer zijne schoone dochter Hippodamea trouwde, maakte hij bekend, dat hij hare hand slechts aan dengene zou geven, die hem in den wedren overwon. Daar hij van Poseidon paarden gekregen had, die alle andere in snelheid overtroffen, was hij zeker dat deze voorwaarde niet vervuld konde worden. Reeds velen, die om Hippodamea aanzoek gedaan hadden, waren op deze wijze door O. overwonnen en gedood, totdat Pelops den wagenmenner van O., Myrtilus, omkocht om zwarte was in plaats van pinnen in de assen van den wagen van zijn heer te steken, daardoor viel de wagen van O. om, hij werd door zijne paarden voortgesleept en kwam jammerlijk om.--V. a. overwon Pelops hem niet door verraad, maar door de hulp van Poseidon, die hem paarden geschonken had, nog vlugger dan die van O.

Oenone, Oinone, 1) oude naam van Aegina.--2) dochter van den riviergod Cebren, gemalin van Paris, bij wien zij een zoon had, Corythus (z. a.). Toen Paris doodelijk gewond was, liet hij zich hij haar brengen, daar zij hem konde genezen, maar vertoornd over zijne ontrouw, weigerde zij. Maar toen hij gestorven was, wierp zij zich van smart op den brandstapel, waarop zijn lijk lag, en verbrandde zij met hem.

Oenophyta, ta Oinophyta, vlek in Boeotia aan den Asopus, waar de Atheners in 456 de Boeotiërs versloegen.

Oenopia, Oinopia, oude naam van het eil. Aegina.

Oenopion, Oinopion, zoon van Dionysus of Rhadamanthys en Ariadne, die van Creta naar Chius verhuisde en daar den wijnbouw invoerde, z. Orion.

Oenotria, Oinotria = wijnland, oude naam voor Lucania en Bruttii, en dichterlijk voor geheel Italia. De Oenotri zijn de oudste bewoners dezer streken; ze werden door de Grieken, die zich aan hun kusten vestigden, onderworpen. Een gedeelte der Oenotri vindt men nog later op Sicilia, zie Morgantium. Zie ook Oenotrus.

Oenotropi, -pae, Oinotropoi, dochters van Anius, die van Dionysus het vermogen hadden gekregen om alles wat zij wilden in wijn, v. a. in wijn, koren en olie, te veranderen. Haar vader konde door deze gave het grieksche leger voor Troje negen jaar lang van het noodige voorzien. Later trachtte Agamemnon de meisjes met geweld naar Troje te brengen, doch Dionysus veranderde ze in duiven.

Oenotrus, Oinotros, jongste zoon van Lycaon, verhuisde uit Arcadië naar Italië, waarvan een deel naar hem Oenotria genoemd werd.

Oenus, Oinous, rivier in Laconica, die boven Sparta in den Eurotas valt.

Oenussae, Oinoussai, 1) vijftal eilandjes tusschen Chius en de aziatische kust (het Mimasgebergte).--2) eilandengroep ten Z. van Messenia.

Oeonus, Oionos, zoon van Licymnius, bondgenoot van Heracles in den oorlog tegen Augias, eerste overwinnaar in den wedloop bij de olympische spelen. In Sparta werd hij door de zonen van Hippocoön gedood, later werd er een gedenkteeken voor hem opgericht.

Oëroë, Oeroa of Oeroe, riviertje en eilandje bij Plataeae in Boeotia.

Oesyme, Oisyme, thasische kolonie op de thracische kust, tusschen den Nestus en den Strymon.

Oeta, Oite, zijtak van het Pindusgeb., die zich ten Z. van Thessalia tot bij de Malische golf uitbreidt en waarvan de Callidromus met den pas der Thermopylae en de Cnemis eene voortzetting zijn. Het is een woest gebergte, bijna 6000 voet hoog. Op den Oeta liet Heracles zich verbranden.

Oetaei, Oitaioi, thessalische volksstam aan het Oetagebergte, ten W. van Doris en Malis.

Oetylus, Oitylos, havenstad in Laconica aan de Messenische golf met een tempel van Serapis.

Ofella, familienaam in de gens Lucretia, (Lucretii no. 4).

Ofilii. A. Ofilius, een bekwaam rechtsgeleerde, tijdgenoot van Cicero en vriend van Caesar. Een andere Ofilius komt voor in den oorlog van Octavianus tegen S. Pompeius.

Ogulnia (lex) van de volkstribunen Q. en Cn. Ogulnius (300), dat er in plaats van 6 patricische pontifices en 6 (v. a. 5) patr. augurs 9 pontifices en 9 augurs zouden gekozen worden, en dat hiervan 5 plaatsen door plebejers moesten bezet worden. Hieruit blijkt duidelijk, dat reeds in 300 de aanzienlijke plebejers de macht in handen hadden.

Ogulnii. Van deze familie zijn slechts twee broeders bekend; zie Ogulnia lex. Als aedilen lieten zij in 296 van de boeten, aan woekeraars opgelegd, bronzen beelden tot versiering van Rome gieten, o.a. van Romulus en Remus, door de wolvin gezoogd. Zie hieromtrent Rumina. Q. Ogulnius was een dergenen, die in 293 naar Epidaurus werden gezonden, zie Aesculapius.

Ogygia, Ogygia, 1) het eiland van Calypso, de navel der zee genoemd, waarmede waarschijnlijk bedoeld wordt, dat het zoo ver mogelijk van ieder vastland verwijderd was.--2) oude naam van Thebe.

Ogyges, Ogygus, Ogyges, Ogygos, een attische of boeotische koning uit zeer ouden tijd, onder wiens regeering het land door een groote overstrooming geteisterd werd. Een van de poorten van Thebae heette de Ogygische, ook een woud en heuvel in de nabijheid van de stad droegen dien naam.--Ook worden Ogygische nimfen genoemd, die voor dezelfde gehouden worden als de Erinyen.

Oicles, -cleus, Oikles, -kleus, kleinzoon van Melampus, vader van Amphiaraus. Hij vergezelde Heracles op diens tocht tegen Laomedon en sneuvelde daarbij. V.a. zoude hij echter behouden van Troje teruggekomen zijn en sedert in Arcadië gewoond hebben.

Oiclides, Oikleides, Amphiaraus, zoon van Oicles.

Oikia, Oikos, huis. Hoewel de inrichting van de huizen bij de Grieken, evenals overal, naar de beschikbare ruimte en de behoeften der bewoners verschillend geweest moet zijn, kan men zich toch, gebruik makende van de mededeelingen van oude schrijvers, zeer in het algemeen een denkbeeld vormen van hun aanleg. Eigenaardig is aan de grieksche huizen ten eerste, dat een betrekkelijk groot deel van de door muren ingesloten ruimte onoverdekt blijft, ten tweede, dat de vertrekken verdeeld zijn in een afdeeling voor mannen, waar ook vreemden ontvangen, gastmalen gegeven worden, enz., en eene afdeeling voor vrouwen, waar geen vreemde komt en de eigenlijke zetel van het huiselijke leven is. In de huizen, of liever paleizen, die Homerus beschrijft, komt men van de straat door een met dubbele deuren gesloten gang (prothyron) op een open plaats (aule), omgeven door vertrekken voor slaven, stallen en dgl. Aan beide zijden van de voordeur was eene zuilengalerij (aithousa aules) en aan de overzijde eene dergelijke, maar doorloopende en waarschijnlijk ruimere, galerij (aithousa domatos), waarachter het eigenlijke woonhuis (doma, domos; de aule met de galerijen, enz., heeten met elkander prodomos) lag. Achter deze galerij ligt het mannenvertrek (megaron), vanwaar een kleine gang (prothyron) naar de overige vertrekken (thalamoi) van het huis geleidt; onder deze is een het gewone verblijf van de huisvrouw met hare slavinnen, terwijl de verdere ruimte en, waar deze niet voldoende is, ook een bovenverdieping (hyperoon) slaapkamers, voorraadkamers, enz., bevat. Van de voorgalerij loopt verder een gang langs de geheele diepte van het huis, waarop de verschillende aan die zijde gelegen vertrekken een uitgang hebben.--Van een atheensch huis uit den hellenistischen tijd kan het plan op deze bladzijde eene voorstelling geven. Daarop is a de voordeur (auleios thyra), b een gang (thyron, pylon, thyroreion), met een portierswoning aan de eene en een stal aan de andere zijde, c de open plaats (aule) der mannenafdeeling (andronitis), aan alle vier zijden door zuilengangen omgeven (vandaar ook peristylion), rondom welke de mannenvertrekken (andrones, oikoi, 1-9) gelegen zijn. Uit deze aule, leidt een gang d (mesaulos, metaulos z.a.) naar de aule, e, van het vrouwenverblijf (gynaikeion, gynaikonitis, deze aule heeft slechts aan drie zijden zuilengangen, terwijl aan de vierde zijde in het midden een vertrek f ligt, dat naar de aule geheel open is, waarschijnlijk de eigenlijke huiskamer (parastas, prostas); naast dit vertrek zijn twee slaapkamers (thalamos en amphithalamos, g); aan de andere zijden van de aule zijn verschillende andere vrouwenvertrekken, geheel achter in het huis zijn vertrekken h, waar de vrouwen arbeiden, en door de achterdeur i (kepaia thyra) komt men in den tuin of op straat.--Het behoeft niet gezegd te worden dat dit plan, dat geheel en al berust op soms niet volkomen duidelijke aanwijzingen bij oude schrijvers, in de werkelijkheid vele en belangrijke wijzigingen konde en moest ondergaan,--al ware het slechts omdat daarbij op eene ruimte gerekend is, die soms onvoldoende, maar zeer dikwijls ook niet noodig en niet beschikbaar moet geweest zijn. In vele gevallen wordt melding gemaakt van een bovenverdieping, die in groote huizen alleen gediend kan hebben als verblijf voor slaven, bergplaats, enz., maar waarheen in kleinere het geheele vrouwenverblijf verplaatst is, zoodat dit in het geheel geen afzonderlijke aule had. Zeer groote afwijkingen toont bovenstaand plan van de overblijfsels van een particuliere woning, op Delus gevonden, waarvan de indeeling volstrekt niet met die van bl. 437 te vergelijken is, alleen is in B de gang te herkennen, terwijl C de open plaats geweest moet zijn, die klein en smal is en geene sporen van zuilen meer vertoont, bij F was een waterput, de bestemming van de overige ruimten is niet nader te bepalen. Dat dit echter geen armoedig huis geweest is, mag men uit den smaakvol met ionische zuilen versierden voorgevel veilig besluiten.

Oikoumene (ge), eigenlijk het bewoonde gedeelte van de aarde; men veronderstelde, dat de keerkringen wegens de hitte onbewoonbaar waren. In engeren zin beteekent oik. het aan de Grieken, later aan de Romeinen bekende of door hen beheerschte gedeelte der aarde, orbis Romanus, orbis terrarum antiquis notus.

Oileus, Oileus, koning der Locriërs, een van de Argonauten, bij Eriopis vader van Aiax, bij Rhene van Medon.

Oionopoloi, Oionistai, waarzeggers, die de toekomst voorspellen uit wonderteekenen (terata), voornamelijk uit het verschijnen van vogels, de omstandigheden, waarin deze zich vertoonen, de richting, waarin zij vliegen, enz.

Olba, Olbe, stad in het binnenland van Cilicia Trachea, ten N. van Soli, in den hellenistischen tijd zetel van het priestergeslacht der Teucriden; hier vond men den tempel van Zeus Olbios, Zeus Olbios, waarvan nog vele overblijfselen bewaard gebleven zijn.

Olbia, Olbia, 1) stad op de Oostkust van Sardinia, de meest gewone landingsplaats der Rom.--2) kuststad in Gallia Narbonensis, door Massilia (Marseille) gesticht. Tgw. Eoubes.--3) vesting in Pamphylia, in den hoek der Pamphylische golf.--4) stad in Bithynia, ook Astacus genoemd, z. a.--5) stad in Scythia, ook Borysthenis geheeten, aan de monden van den Borysthenes (Dniepr) en den Hypanis (Bug).

Olcades, Olkades, kleine volksstam in Hispania, in het gebied der Oretani, aan den bovenloop van den Anas (Guadiana).

Olcinium, illyrische zeestad, ten W. van Scodra, thans Dulcigno. In den oorlog tegen Gentius (168) schaarde zij zich aan de zijde der Romeinen.

Olearas = Oliarus.

Olen, Olen, mythisch dichter, uit Lycië of uit het land der Hyperboreërs afkomstig, de eerste die op Delus orakels van Apollo verkondigde, uitvinder van de epische versmaat. Op Delus werden oude hymnen van hem bewaard, waarvan de inhoud voor zeer belangrijk gehouden werd.

Olennius, primipilaris, d.i. eerste centurio bij de pilani of triarii, onder keizer Tiberius, in 28 na C. naar de Friezen gezonden om de schatting van runderhuiden te innen, bracht hen tot opstand door zijne hebzucht. Hij eischte huiden van oerossen of wilde stieren, die bijna uitgeroeid waren, en daar de Friezen geene zoo groote huiden konden leveren, werd hierdoor eene bron van afpersingen geopend.

Olenus, Olenos, bewoner van den Ida, wiens gemalin Lethaea zich beroemde schooner te zijn dan alle godinnen; voor dezen overmoed werden beiden in steenen veranderd.

Olenus, Olenos, 1) eene der 12 achaeïsche bondssteden, aan de golf van Patrae (Patras).--2) oude stad in Aetolia, ten W. van den Aracynthus, zetel van Oeneus, door de Aetoliërs verwoest.--Dichterlijk Olenius = achaeisch of aetolisch, Olenia capella = de geit Amalthea.

Oliarus, Oliaros, eil. van de groep der Cycladen, ten W. van Parus, thans Antiparo. De beroemde grot wordt bij de ouden niet vermeld en schijnt hun dus niet bekend te zijn geweest.

Oligyrtus, Oligyrtos, bergvesting in N.O. Arcadia, ten Z. van Stymphalus.

Olisipo, Olisipon, stad in Lusitania, thans Lissabon, zie Junii no. 4.

Olizon, Olizon, stad in het Z. van het thessalische landschap Magnesia, tegenover het eil. Euboea.

Ollius (T.), de vader der schoone, maar beruchte Poppaea Sabina, Nero's tweede vrouw. Ollius was een vriend van Seianus en werd in diens val medegesleept. Zijne dochter droeg niet den naam van haar eigen vader, maar van haar moeders vader.

Ollius, thans Oglio, rechterzijtak van den Padus (Po), die in zijn loop den lacus Sebinus (lago d'Isea) vormt.

Oloösson, Oloosson, stad der Perrhaebi in het N. van Thessalia.

Olophyxus, Olophyxos, stad aan den berg Athos met eene gemengde bevolking van Thraciërs, Pelasgen en Grieken (Chalcidiërs).

Olpae, Olpai, Olpe, sterkte in Acarnania, op een heuvel aan de Oostkust der Ambracische golf gelegen.

Oltis, rechter zijtak van den Garumna.

Olurus, Olouros, 1) vesting in Achaia bij Pallene op de sicyonische grenzen.--2) ook Oluris en Dorium geheeten, stad in het N. van Messenia.

Olympia, he Olympia, was niet zoozeer eene stad, als wel eene verzameling van tempels met de noodige worstelperken, loop- en renbanen voor de spelen, alles in een liefelijk oord ten N. van de rivier Alpheus en ten O. van de beek Cladeüs gelegen te midden van plataan- en olijfboomen. In het eigenlijke tempelgebied (he Altis), gedeeltelijk door muren omgeven, lagen ook het Heraeum, de oude tempel van Hera (vroeger van Zeus en Hera) met daarvoor het groote altaar van Zeus, en de nieuwe Zeus-tempel uit de 5de eeuw, waarvoor Phidias het Zeus-beeld gemaakt heeft, vele schatkamers (thesauroi) en vele wijgeschenken en standbeelden. Buiten de Altis vond men o. a het Gymnasium, de Palaestra en het Stadium. Op kosten van het Duitsche rijk is Olympia in 1875-1881 volledig opgegraven. Oorspronkelijk behoorde dit tempelgebied tot de stad Pisa (z. a.), doch toen de Eleërs Pisa verwoest hadden, wilden zij evenmin de vestiging eener zelfstandige gemeente te Olympia als den herbouw van Pisa toestaan. Zie ook Elis.

Olympia, ta Olympia, de olympische spelen, oorspronkelijk een feest ter eere van den pelasgischen Zeus, later verbonden met lijkfeesten ter nagedachtenis van Pelops, vervolgens door Heracles vernieuwd, en eindelijk door Lycurgus van Sparta en Iphitus van Elis voor goed geregeld. Het was het grootste nationale feest der Grieken, waaraan sedert het einde der 7de eeuw ook Grieken uit Azië, Italië en Sicilië deelnamen, en waarbij alle grieksche staten officieel vertegenwoordigd waren. De wedstrijd bestond aanvankelijk alleen uit een wedloop, waarbij achtereenvolgens gevoegd werden: diaulos, dolichos, worstelen en pentathlon, rijden met vierspan, paardrijden en pankration, wedloop in wapenrusting (hoplites dromos), rijden met tweespan. Wegens het talrijke bezoek was het hier ook de meest geschikte plaats tot het voordragen van redevoeringen, gedichten, enz., en tot het doen van afkondigingen van algemeen belang; eerbetuigingen aan bizondere personen of staten werden hier bekend gemaakt, enz. De feesten werden om de vier jaar des zomers in de Altis gevierd; oudtijds--men zegt tot 472--liep alles in één dag af, later duurden de feesten vijf dagen. Uit naam van de Eleërs, die het beheer over de feestviering hadden, werd in alle grieksche staten eenigen tijd te voren het naderen van het feest door drie aanzienlijke Eleërs, spondophoroi bekend gemaakt, en op deze bekendmaking volgde een stilstand in alle oorlogen tusschen grieksche staten (ekecheiria); van heinde en ver kwamen feestgezantschappen, de beroemdste gymnasten van Griekenland als mededingers, en tallooze toeschouwers toestroomen. De kamprechters, hellanodikai, hadden streng toe te zien, dat geen onwaardige aan een wedstrijd deelnam. Eerst nadat men hen had overtuigd dat men een vrijgeboren Griek van onberispelijk levensgedrag was en dat men zich minstens 10 maanden in een gymnasium geoefend had, kreeg men verlof naar den prijs mede te dingen. Deze bestond in een palmtak en een krans van den heiligen olijfboom in de Altis, door een knaap, wiens beide ouders in leven waren, met een gouden mes afgesneden, terwijl de overwinnaar het recht kreeg zijn standbeeld in de Altis te laten plaatsen. Hoe groote waarde men aan zulk een prijs hechtte, blijkt uit de eer, die den overwinnaar (Olympionikes) ook buiten het tooneel van den wedstrijd te beurt viel; in zijn vaderstad werd hij met gejuich ontvangen en van alle lasten vrijgesteld en had hij een eereplaats (proedria) bij alle feesten, de voornaamste dichters bezongen zijn roem, enz.--Sedert 776 begon men te Olympia lijsten van de overwinnaars aan te leggen, dit jaar geldt dus voor het eerste der eerste olympiade (Olympias) en is het begin van de in Griekenland meest algemeene tijdrekening naar Olympiaden. Ook de meest gebruikelijke afstandsmaat, het stadium, heeft naam en lengte van de renbaan van Olympia.--Hoewel de olympische feesten met het einde van de onafhankelijkheid van Griekenland veel van hunne beteekenis verloren, werden zij nog lang daarna met grooten luister gevierd; in 394 na C. werden zij op bevel van Theodosius d. G. opgeheven.

Olympiades, Olympiades, de Muzen, naar haar verblijf op den Olympus.

Olympias, Olympias, 1) dochter van Neoptolemus van Epirus, huwde met Philippus van Macedonië en werd moeder van Alexander d. G. Met haar hartstochtelijk en heerschzuchtig karakter konde zij niet dulden, dat Philippus eene andere vrouw, Cleopatra, huwde, zij verliet hem, ging naar Epirus terug, en laadde door haar gedrag zware verdenking op zich, dat zij aan het vermoorden van haar vroegeren echtgenoot medeplichtig was. Gedurende de afwezigheid van Alexander was zij wegens hare aanmatiging voortdurend in twist met Antipater, en na Alexander's dood (v. a. reeds in 330) vond zij het raadzaam naar Epirus te vluchten. In 319 riep de zwakke Polyperchon haar terug om den jongen Alexander op te voeden, en nu nam zij bloedige wraak op de partij van Antipater, ook Arrhidaeus en diens gemalin werden gedood. Maar toen Cassander uit de Peloponnesus terugkwam en haar in Pydna belegerde, moest zij zich na eene moedige en standvastige verdediging overgeven, en werd zij door Cassander, in strijd met zijn gegeven woord, ter dood gebracht (315).--2) z. Olympia.

Olymp(i)eni, Olymp(i)enoi, bewoners van het gewest Olympene in Mysia.

Olympieum, Olympieion, ook -pieion, 1) tempel van Zeus Olympius, zooals er in verschillende steden vermeld worden.--2) stadje op Sicilia vlak bij Syracusae, ten Z. van de monding van den Anapus, naar zulk een tempel genoemd en ook wel Olympium geheeten.

Olympiodorus, Olympiodoros, 1) zoon van Lampon, dapper lochaag der Atheners in den perzischen oorlog.--2) atheensch archont, veldheer tegen Cassander (304) en tegen Demetrius Poliorcetes (287).--3) van Alexandrië, neo-platonisch wijsgeer uit de school van Iamblichus, leermeester van Proclus.--4) neo-platonisch wijsgeer uit de school van Proclus, schrijver van commentaren op verscheiden werken van Plato.--5) van Thebe in Aegypte, leefde te Byzantium in het begin der 5de eeuw na C. en schreef eene geschiedenis van zijn tijd, waarvan een uittreksel bewaard is gebleven.

Olympius, -pia, Olympios, -pia, bijnaam van verscheiden goden en godinnen, naar hun woonplaats op den Olympus.

Olympus, Olympos, 1) mythisch zanger en fluitspeler, leerling van Marsyas, die zich aan een wedstrijd met Pan waagde.--2) beroemd fluitspeler, musicus en liederendichter op het einde der 8ste eeuw.

Olympus, Olympos, naam van onderscheidene bergen. 1) op de grenzen van Macedonia en Thessalia, in de mythologie de woonplaats der meeste goden, 6-7000 voet hoog en van boven met eeuwige sneeuw bedekt.--2) in Mysia, ten Z. der stad Prusa (Brussa).--3) in Galatia, ten Noorden van Pessinus, op de grenzen van Bithynië. Hier versloeg Cn. Manlius Vulso (Manlii no. 4) de Galaten in 189.--4) vulkaan met gelijknamige stad aan de Oostkust van Lycia.--5) op den staart van het eiland Cyprus.--6) in het Z. van hetzelfde eiland.--7) in Laconica bij Sellasia.--8) op Euboea, ten N. van Eretria.--9) in het Z. van het eiland Lesbus.

Olynthus, Olynthos, grieksche kolonie op Chalcidice aan den sinus Toronaicus, de belangrijkste van alle volkplantingen aan de macedonische kust. In den peloponnesischen oorlog nam het de inwoners van Potidaea en andere kleinere plaatsen in zich op en kon hierdoor lang zijne zelfstandigheid handhaven, totdat het zich in 379 aan de Spartanen moest overgeven. In 349 werd de stad aangevallen door Philippus van Macedonia, wel zocht de redenaar Demosthenes in zijne drie olynthische redevoeringen de Atheners tot het zenden van tijdige hulp aan te sporen, doch de Atheners draalden tot het te laat was. Philippus verwoestte de stad (herfst van 348), die niet herbouwd werd, en verkocht de inwoners als slaven.

Olysipo = Olisipo.

Ombrius, Ombrios, bijnaam van Zeus als regengod.

Omana, Omanades, zie Homona, Homonadenses.

Omen, zie auguria.

Omphale, Omphale, dochter van Iardanus, koningin van Lydië, bij wie Heracles als slaaf diende. Zij werd bij hem moeder van Lamus en Agelaus.

Onatas, Onatas, zoon van Micon no. 1, beroemd beeldgieter en schilder, uit de eerste helft van de 5de eeuw.

Onca, Onka, bijnaam van Athena, naar haar heiligdom te Oncae bij Thebe.

Onchesmus, Onchesmos, haven in Chaonia (Epirus), tegenover het eil. Corcyra (Corfu).

Onchestus, Onchestos, 1) oude stad in Boeotia, in het gebied van Haliartus.--2) rivier in Thessalia, die bij Cynoscephalae ontspringt, en met een grooten omweg uitstroomt in het meer Boebeis.

Oneus mons, Oneion oros, Oneia ore, ezelsberg, aan het Z. uiteinde der landengte van Corinthus, bij Cenchreae, een sleutel tot de Peloponnesus en daarom een dikwijls hevig betwist strategisch punt.

Onesicritus, -crates, Onesikritos, -krates, van Aegina, leerling van Diogenes den cynicus. Hij ging met Alexander d. G. naar Azië, werd als gezant naar een indisch volk gezonden, en was later opperstuurman op de vloot van Nearchus. Hij schreef eene geschiedenis van zijne tochten en van de daden van Alexander, aan welke echter door de ouden weinig vertrouwen geschonken werd.

Onochonus, Onochonos, rivier in het gewest Thessaliotis in Thessalia, zijrivier van den Peneus, tusschen den Pamisus en den Enipeus. V. a. = Onchestus no. 2.

Onomacles, Onomakles, een van de atheensche strategen, die in 412 bij Miletus eene overwinning op de Peloponnesiërs behaalde.

Onomacritus, Onomakritos, Athener, tijdgenoot der Pisistratiden, een van de verzamelaars en bewerkers van de gedichten van Homerus. Hij verzamelde ook orakels van Musaeus en Orpheus, maar daar hij deze door interpolaties vervalschte, werd hij door Hipparchus verbannen. Hij verzoende zich echter later met de Pisistratiden, en werkte door zijne voorspellingen mede om Xerxes tot den oorlog tegen Griekenland te bewegen.

Onomarchus, Onomarchos, na den dood van Philomelus (354) aanvoerder der Phocensers in den heiligen oorlog. Hij plunderde den delphischen tempel, overwon Philippus van Macedonië tweemaal, en voerde den oorlog over het geheel met geluk, in 352 werd hij echter door Phillippus in Thessalië verslagen, bij welke gelegenheid hij sneuvelde.

Onosander, Onosandros, platonisch wijsgeer omstreeks 60 na C., schrijver van eenige werken over krijgskunde.

Onuphis, Onouphis, stad in de Nijldelta, in het distrikt of den nomus Onuphitis.

Onusa, stad aan de kust van Spanje, ten Noorden van Carthago Nova.

Opellius Macrinus (M.), zie Macrinus (M. Opellius).

Ophelion, Ophelion, 1) atheensch blijspeldichter, waarschijnlijk uit het middelste tijdperk der comedie.--2) grieksch schrijver over geneeskunde en natuurlijke historie.--3) zoon van Aristonidas, beeldhouwer omstreeks 160, van wien een beeld bewaard is gebleven. Ook een schilder van dien naam komt voor; misschien is dit dezelfde.

Ophel(l)as, Ophel(l)as, generaal van Ptolemaeus Lagi, veroverde Cyrene (322) en regeerde er eerst als stadhouder, later onafhankelijk. Hij verbond zich met Agathocles tot een oorlog tegen Carthago, maar werd spoedig daarop door zijn bondgenoot trouweloos vermoord (308).

Opheltes, Opheltes, de eigenlijke naam van Archemorus (z. a.).

Ophion, Ophion, 1) een van de oudste Titanen, die met zijne gemalin Eurynome nog vóór Cronus regeerde, doch door dezen verdreven en in den Tartarus of den Oceanus geworpen werd.--2) een van de Giganten.

Ophis, Ophis, riviertje in Arcadia bij Mantinea.

Ophiuchus, Ophiouchos, Serpentarius, Anguifer, Anguitenens, een sterrenbeeld, voorstellend een man, die een slang bij den kop houdt, welke tusschen zijn beenen ligt. Men zag daarin Asclepius, Heracles, Carnabon, Triopas, Phorbas, Polyidus of nog anderen.

Ophiusa, Ophiousa = het slangeneiland, 1) eiland in de Propontis (zee van Marmara).--2) een der Pityusae, ook Colubraria genoemd.--3) oude naam zoowel van Rhodus als van Cyprus; dichterlijk Ophiusius = cyprisch.--4) oude naam van Tenus.

Ophryneum, Ophryneion, stadje in Troas aan den Hellespont, dicht bij Rhoeteum, met een aan Hector gewijd bosch.

Opici, Opikoi, of Osci, oud-italisch volk. Zie Italia.

Opiconsivia, -siva, feest, ter eere van Ops Consiva den 25sten Augustus te Rome gevierd.

Opilius (Aurelius), vrijgelatene, leeraar in wijsbegeerte, rhetorica en grammatica, omstreeks 90, eerst te Rome, later te Smyrna. Van zijne werken is niets overgebleven.

Opimii, plebejisch geslacht. 1) L. Opimius verwoestte als praetor in 125 de opgestane stad Fregellae. In 121 was hij consul en deed toen aan het hoofd der optimatenpartij den gewapenden aanval op C. Gracchus, waarbij deze met 3000 zijner aanhangers omkwam. In 120 werd hij hiervoor zonder succes aangeklaagd door P. Decius, en was hij censor; in 115 als gezant tot Jugurtha gezonden, liet hij zich door dezen omkoopen, waarvoor hij later veroordeeld werd en te Dyrrachium in armoede stierf. Het jaar 121 was een beroemd wijnjaar; vandaar dat men nog lang sprak van vinum Opimianum.--2) Q. Opimius werd in 74 veroordeeld en door den praetor C. Verres van zijn geheele vermogen beroofd, omdat hij als volkstribuun de lex tribunicia van Sulla had overtreden.--3) M. Opimius, praef. equitum onder Pompeius (48), ontsnapte met enkelen in Macedonië aan gevangenneming door de soldaten van Cn. Domitius Calvinus (Domitii no. 15).

Opis, Opis, handelsstad aan de samenvloeiing van den Physcus en den Tigris.

Opitergium, rom. kolonie in het land der Veneti, tusschen Verona en Aquileia.

Oppia (lex) sumptuaria, van den volkstribuun C. Oppius, in 215. Zij verbood den vrouwen o.a. meer dan een halve uncia aan gouden sieraden te hebben, of bonte gewaden te dragen, of binnen den omtrek eener stad in een rijtuig te rijden tenzij bij godsdienstige plechtigheden. In 195 werd zij afgeschaft.

Oppianus, Oppianos, 1) uit Cilicië, tijdgenoot van M. Aurelius, dichter van een didactisch epos, Halieutika, over het leven der visschen, vischvangst, enz., dat hij aan den keizer opdroeg, en dat bij dezen, evenals bij zijne andere tijdgenooten, buitengewoon grooten bijval vond. Hij stierf reeds op zijn 30ste jaar.--2) uit Syrië, tijdgenoot van Caracalla, dichter van een dergelijk werk over de jacht, Kynegetika.

Oppidum Batavorum, z. Batavodurum.

Oppii, plebejisch geslacht waarvan verscheidene leden vermeld worden. 1) Sp. Oppius Cornicen, een van de tien mannen van 450, die, volgens het verhaal, met App. Claudius Crassinus zelfmoord pleegde.--2) Q. Oppius, proconsul van Asia, viel bij de verovering van Klein-Azië in handen van Mithradates Eupator, en kreeg eerst door Sulla zijne vrijheid terug.--3) onder de vertrouwelingen van Caesar komt een C. Oppius voor, die te Rome een tijd lang veel invloed had en zich later bij Octavianus aansloot.--4) Oppius Sabinus, legaat van Moesia onder keizer Domitianus, werd door Decebalus verslagen, en sneuvelde (± 86 n. C.).

Oppius (mons), een van de bergen van het Septimontium (zie Roma), gelegen in het Z. van de regio Esquilina.

Ops, rom. godin van vruchtbaarheid en overvloed, later gemalin van Saturnus. Oorspronkelijk is zij eene godin van den oogst, en hoort zij bij Consus, hetgeen uit den naam van haar feest, Opiconsivia, blijkt. Haar andere feest, de Opalia, werd op 19 December gevierd. Als godin der zaadvelden had zij den bijnaam Consiva. Zij werd later dikwijls verward met Fauna, Maia, Bona Dea of geïdentificeerd met Rhea Cybele of Demeter.

Opson, Opsonium, Obs-, toespijs, alles wat bij het brood genuttigd wordt, vleesch, kaas, vruchten, maar vooral visch, de voornaamste lekkernij der ouden, waaraan veel geld besteed werd.

Opteria, geschenken, die de jonggehuwde vrouw van haar echtgenoot, bloedverwanten en vrienden kreeg, wanneer zij zich voor het eerst na het huwelijk zonder sluier vertoonde.

Optimates, de aristocratie te Rome, tegenovergesteld aan de populares, de volkspartij. In engeren zin = nobiles.

Optio, luitenant of adjudant, die in den beginne door den centurio of decurio zelf uit zijne manschappen gekozen werd (optare). Later ging de keus op de krijgstribunen over.

Opus quadratum, incertum, reticulatum, latericium. Met deze woorden duidt men in den Romeinschen tijd verschillende wijzen van bouwen aan. Terwijl de Grieken naast prachtige bouwwerken van gehouwen steen en marmer, vooral lucht- of zonsteenen gebruikt hebben voor huizen en tempels (zelfs het Heraeum te Olympia was van zonsteen opgetrokken op een onderbouw van natuursteen), hebben de Romeinen naast natuursteen, waarvan de lapis Tiburtinus (Travertino) de beste soort is, vooral veel baksteen voor de kern hunner reusachtige gebouwen gebruikt. Het opus quadratum der Romeinen is een bouw uit vierhoekige steenblokken, op elkaar gelegd zonder eenige verbinding. Het opus incertum geeft de oudste wijze van metselen weer. In een soort kalk van bijzondere sterkte werden allerlei steenen, vooral veldkeien, ingevoegd; alles werd dan later met een dikke laag kalk overdekt, die weer door het aanbrengen van een laag fijnere kalk, de italiaansche stucco, gelegenheid tot beschildering aanbood. Deze wijze van bouwen vindt men in de geheele eerste eeuw vóór Christus. Iets later komt het opus reticulatum op. Dit zijn vierkante baksteenen, op de scherpe kant gezet, en zoodanig aan elkaar gemetseld, dat de voegen schuine lijnen in twee richtingen vormen, die den indruk van een net maken. Dan volgt in het begin van den keizertijd het opus latericium, dat is een baksteenbouw, die slechts in zoover van den onzen verschilt, dat de Romeinsche baksteenen platter, langer en breeder zijn dan de onze.

Opus, Opous, hoofdstad der Opuntische Locriërs aan de golf van Euboea, de geboorteplaats van Patroclus.

Orbelus, Orbelos, gebergte in Paeonia ten W. van den Strymon.

Orbi et orbae. Volgens de opgaven bij den census verkregen, werd door de censoren aangelegd een register van belastingschuldigen, waarop voorkwamen: 1o. de mannelijke burgers, die in een tribus waren ingeschreven, en onderhevig waren aan het tributum (z. a.). 2o. de aerarii (z. a.). 3o. de orbi et orbae. Orbi zijn de mannelijke weezen beneden 15 jaar, die door sterfgeval sui iuris zijn geworden, en onder voogdij staan. Orbae zijn de vrouwelijke weezen en de weduwen, die sui iuris waren. Samen betaalden zij het benoodigde voor het aes equestre en het aes hordearium (z. a.).

Orbilius Pupillus, uit Beneventum, eerst klerk, vervolgens soldaat, ten slotte schoolmeester te Rome. Bij hem ging Horatius school, die hem plagosus noemt, ter herinnering aan de klappen, die Orbilius uitdeelde. Orbilius stierf in den ouderdom van bijna 100 jaar. Hij was een verdienstelijk man, die echter veel met geldgebrek te kampen had.

Orbis, in het algemeen een kring of schijf, o. a. ook een rond tafelblad uit één stuk; bij het leger een vierkant of carré, doch niet hol, maar geheel met manschappen opgevuld.

Orbius (P.), praetor in Asia in 63, door Cicero als bekwaam, schoon niet welsprekend, jurist geprezen.

Orbona, oud-romeinsche godin, die aangeroepen werd door ouders, die kinderen verloren hadden en weder kinderen wenschten te krijgen. Zij had een altaar bij den tempel der Lares.

Orcades insulae, Orkades nesoi, de Orkney-eilanden ten N. van Schotland.

Orchamus, Orchamos, vader van Leucothoë.

Orchestra, orchestra, in het algemeen een dansplaats, in het bizonder de plaats waar de dithyrambische koren ter eere van Dionysus zongen en dansten. In den schouwburg is de orch. de ruimte tusschen de zitplaatsen der toeschouwers en het tooneel, waarop bij tooneelvoorstellingen een houten stelling opgeslagen werd, die even hoog of weinig lager was dan het tooneel en op welke de plaats van het koor was. In rom. schouwburgen werd ook de orchestra door zitplaatsen ingenomen; hier zaten de senatoren.

Orchia (lex) sumptuaria, van den volkstribuun C. Orchius in ± 181. Zij beperkte het getal gasten bij maaltijden.

Orchomenus, Orchomenos, 1) oude en rijke hoofdstad van westelijk Boeotia, bij Homerus Minyeios geheeten naar de Minyers en hun koning Minyas, aan den Cephi(s)sus gelegen. Het bestond reeds in den myceenschen en vóór-myceenschen tijd. Tijdens den trojaanschen oorlog was Orch. reeds niet meer zoo machtig als vroeger; later kwam het onder de hegemonie der Thebanen, die het in 367 zelfs verwoestten. Hoewel Philippus van Macedonia de stad liet herbouwen, werd zij van geene beteekenis meer.--2) oude stad in Arcadia, bij Homerus polymelos genoemd.

Orcini, slaven die bij testament rechtstreeks waren vrijverklaard en wier patroon dus in den Orcus was. Spottend noemt Cicero aldus de nieuwbakken senatoren, die door Antonius, zoogenaamd uit Caesars aanteekeningen, in den senaat werden gebracht.

Orcus, bij de Romeinen de god der onderwereld = Hades, ook de onderwereld zelf.

Ordessus, Ordessos, thans Sereth, zijtak van den Ister (Donau) in het tegenw. Walachije.

Ordovices, volk in Britannia, in het N.W. van het tegenw. Wales.

Oreades, Oreiades, Orodemniades, bergnimfen, komen vooral dikwijls als gezellinnen van Artemis voor.

Orestae, Orestai, volk in Epirus, in het gewest Orestis, later bij Macedonia ingelijfd. De sage leidt den naam af van Orestes, die tot dit volk zou gevlucht zijn. Het is een illyrischen stam.

Orestea, Oresteia, bijnaam van Artemis, wier beeld Orestes uit Tauris naar Griekenland had overgebracht.

Orestes, Orestes, 1) zoon van Agamemnon en Clytaemnestra. Bij het vermoorden van zijn vader was hij nog een kind, en daar ook zijn leven gevaar liep, zond zijne zuster Electra hem heimelijk naar Phocis, waar hij bij zijn oom Strophius opgevoed werd. De zoon van Strophius, Pylades, werd zijn trouwe vriend en stond hem in zijn verder leven in alle moeilijkheden en gevaren trouw ter zijde. Met hem kwam hij na acht jaren naar Mycenae terug, nadat hij eerst zelf het gerucht had verspreid, dat hij bij een wedren verongelukt was, en te zamen doodden zij Aegisthus en Clytaemnestra. Maar ofschoon O. door Apollo zelf tot die daad was aangemoedigd, werd hij door de Erinyen zijner moeder vervolgd, hij verviel tot razernij en dwaalde langen tijd rond zonder rust te vinden. Eindelijk begaf hij zich op raad van Apollo naar Athene en riep hij daar de hulp der godin Athena in, deze bracht hem voor de opzettelijk hiervoor bijeengebrachte rechtbank van den Areopagus, die sedert bestaan bleef, en voor deze rechtbank werd nu O. door de Erinyen aangeklaagd, door Apollo verdedigd. Toen bij de stemming bleek dat evenveel rechters voor vrijspraak als voor veroordeeling gestemd hadden, wierp Athena een wit steentje (calculus Minervae) in de bus, zoodat O. vrijgesproken was. De Erinyen waren verzoend en kregen onder den naam van Eumenides een heiligdom in Attica.--V.a. moest O., om van zijn waanzin genezen te worden, naar Tauris gaan en van daar het beeld van Artemis naar Griekenland brengen. Zoodra hij daar met Pylades aankwam, werden zij gevangen genomen om aan Artemis (z. a.) geofferd te worden, maar toen zij voor het altaar stonden, bleek het dat de priesteres, die het offer zou verrichten, Iphigenia (z. a.), de zuster van O., was. Na de herkenning verschafte zij hun door list de middelen om te ontvluchten, zij zelve ging mede en, om aan het bevel van Apollo te voldoen, namen zij ook het beeld der godin mede.--V. a. had Orestes gedurende den tijd van zijne razernij in Arcadië rondgezworven, en niet ver van Megalopolis was de plaats van zijne genezing (Ake) met een heiligdom der Eumeniden.--Naar Mycenae teruggekeerd, doodde hij Aletes (z. a.) en regeerde hij na dien tijd lang en gelukkig. Hij huwde met Hermione, zond spartaansche volkplantingen naar Aeolis, en sloeg den eersten inval der Heracliden onder Hyllus af. Op hoogen ouderdom stierf hij te Tegea aan een slangebeet, zijne beenderen werden later naar Sparta overgebracht. In beide steden werd hij als heros vereerd.--2) zoon van den thessalischen vorst Echecratides, werd omstreeks 450 verbannen; de Atheners ondernamen een veldtocht tegen Pharsalus om hem terug te brengen, maar moesten onverrichter zake terugkeeren.

Oresthasium, Orestheum of Oresteum, Oresthasion, Orestheion, -steion, stad in het Z. van Arcadia, ten O. van het latere Megalopolis.

Orestheus, Orestheus, 1) zoon van Lyeaon, stichter van Oresthasium, het latere Oresteum.--2) zoon van Deucalion, koning der Aetoliërs en der aangrenzende Locriërs. Zijn hond bracht een kluwen ter wereld, dat hij in de aarde liet begraven; in het voorjaar ontsproot daaruit een wijnstok, naar welks ranken (ozoi) de Locriërs zich Ozolai noemden.

Oretani, Oretanoi, aanzienlijke volksstam in Hispania aan den Boven-Anas (Guadiana) tot aan het brongebied van den Baetis (Guadalquivir). Hoofdstad: Castulo.

Oreüs, Oreos, vroeger Hestiaea, stad aan de N.W. kust van Euboea, door Pericles in 445 gestraft met verdrijving der inwoners, waarna het met 2000 atheensche cleruchen werd bevolkt. Als strategisch punt speelde het in de oorlogen der diadochen en later eene gewichtige rol.

Orgeones, heetten te Athene de personen, die met elkander zekere offers brachten en plechtigheden verrichtten, welke niet van staatswege uitgingen. Ze bestonden al in den tijd vóór Solon. Later verdwijnt het verschil tusschen hen en de deelnemers aan een thiasos (z.a.) (thiasotai) of eranos (z.a.) (eranistai).

Orgetorix, aanvoerder der Helvetiërs, die het plan ontwierp tot de groote verhuizing van dit volk in 61, doch van streven naar de alleenheerschappij beticht werd en, om de doodstraf te ontgaan, een einde aan zijn leven maakte.

Orgia, Orgia, werden de mysteriën genoemd met het oog op enthusiastische gemoedsbeweging, die deze geheime plechtigheden bij de deelnemers te weeg brachten; ook de luidruchtige feesten van Dionysus (z.a.).

Oribasius, Oreibasios, van Pergamus of Sardes, beroemd geneesheer, lijfarts en raadsman van keizer Iulianus. Door Valens en Valentinianus verbannen, verwierf hij door zijne kunst ook onder de barbaren groot aanzien, en eindelijk moesten de keizers toegeven aan het algemeen verlangen, hem terugroepen, en zelfs de door hem geleden verliezen vergoeden. Hij was de schrijver van een uittreksel uit alle beroemde geneeskundige werken, waarvan een gedeelte in Latijnsche vertaling bewaard gebleven is, en waarvan hij later zelf weer een uittreksel gemaakt heeft. Ook heeft hij een Hypomnema, memoires, geschreven, waarin hij de herinneringen van zijn omgang met Julianus heeft te boek gesteld. Hiervan heeft Eunapius gebruik gemaakt, waaruit later wederom Zosimus geput heeft.

Oricum, -us, Orikon, -os, grieksche zeestad in het Noorden van Epirus nabij de Ceraunische bergen.

Origenes, Origenes, 1) de kerkvader, zoon van Leonidas, geb. 185 na. C. te Alexandrië, gest. 254 te Tyrus, leerling van Clemens Alexandrinus. Nadat hij zich in zijne jeugd met taalkundige en wijsgeerige studiën had bezig gehouden en v. s. ook de school van Ammonius Saccas bezocht had, verdedigde hij in verscheidene werken (z. ook Celsus) het Christendom, ook op gronden, aan de oude grieksche wijsgeeren ontleend. Zijn buitengewone werkzaamheid verwierf hem den naam van adamantinos.--2) neo-platonisch wijsgeer, leerling van Ammonius Saccas, leermeester van Longinus.

Orion, Orion, 1) zoon van Hyrieus of Poseidon, of v. a. uit de aarde geboren. Hij was een geweldig jager, buitengewoon schoon, en zoo groot dat zijn hoofd ver boven de wolken reikte en hij veilig door het diepste der zee konde gaan. De Pleiaden vervolgde hij zeven jaar, totdat Zeus ze uit medelijden onder de sterren opnam. Op Chius werd hij door Oenopion, wiens dochter Merope hij onteerd had, dronken en vervolgens blind gemaakt; op raad van Hephaestus begaf hij zich toen naar het paleis van Helios, waar hij zijn gezicht terugkreeg; hij keerde naar Chius terug om zich op Oenopion te wreken, maar deze hield zich onder de aarde verborgen. Later werd Eos op hem verliefd, zij ontvoerde hem naar Delus, maar dit verwekte bij de goden zooveel ergernis, dat zij aan Artemis last gaven hem te dooden.--V. a. doodde Artemis hem, omdat hij haar of de nimf Upis met zijne liefde vervolgde, of omdat hij beweerd had beter den discus te kunnen werpen dan zij. V. a. werd hij gedood door de steken van een schorpioen, dien Gaea op hem had afgezonden, omdat hij gezegd had, dat hij al het wild van de aarde zou uitroeien.--Hij werd in volle wapenrusting aan den sterrenhemel geplaatst.--2) van Thebe in Aegypte, schrijver van een etymologisch werk en van een bloemlezing van spreuken uit oude grieksche dichters; hij leefde waarschijnlijk in het midden der 5de eeuw na C.

Oritae, Oreitai, volk in het perzisch landschap Gedrosia, aan de Zuidkust, aan de grens van India, uit India afkomstig.

Orithyia, Oreithuia, dochter van Erechtheus. Zij werd door Boreas geschaakt en naar Thracië gebracht, waar zij bij hem moeder werd van Calais, Zetes en Cleopatra.

Ormenis, Ormenis, Astydamea, kleindochter van Ormenus.

Ormenium, Armenium, Orminium, Ormenion, Armenion, Orminion, stadje in Thessalia, in de buurt van Pherae en Iolcus.

Ormenus, Ormenos, kleinzoon van Aeolus, stichter van Ormenium in Thessalië.

Orneae, Orneai, oude argolische stad nabij de grenzen van Phliasia.

Orneatae, Orneatai, eigenlijk inwoners van Orneae, schijnt de gemeenschappelijke naam geworden te zijn van de oude bevolking van Argolis, die na de verovering der Doriërs in denzelfden toestand kwam als de lacedaemonische perioikoi.

Oroanda, Oroanda, bergstad in Isauria.

Orobiae, Orobiai, stad in het N. van Euboea, aan de Euboeïsche golf.

Orobii, stam in Gallia Transpadana; in hun gebied ligt Bergomum.

Orodes, naam van twee parthische koningen. Orodes I of Arsaces XIV (57-37) voerde tegen de Rom. den oorlog, waarin Crassus bij Carrhae omkwam (53). Later (39 en 38) zag hij zijne legers door Ventidius Bassus vernietigd, terwijl zijn zoon Pacorus sneuvelde. Door een anderen zoon, Phraates, werd hij vermoord.--Orodes II of Araces XVII (5-6 na C.) was een wreedaard en werd spoedig omgebracht.

Orontes, Orontes, 1) perzisch edelman, vergezelde den jongen Cyrus op diens tocht tegen Artaxerxes, en werd wegens pogingen tot verraad ter dood gebracht.--2) schoonzoon van Artaxerxes II, tijdens den tocht der 10.000 Grieken satraap van Armenia, later (381) aanvoerder van een leger tegen Euagoras; in 361, toen hij satraap van Aeolis en Ionia was, viel hij met andere satrapen, o.a. Maussolus, van den koning af, maar verried hen spoedig. In 349 viel hij nogmaals af, en verbond zich toen met Athene.

Orontes, Orontes, rivier in Syria, ontspringt in het dal tusschen den Libanus en den Antilibanus, en stroomt langs Emesa, Apamea en Antiochia naar zee.

Orontobates, Orontobates, vorst van Carië, verdedigde zich lang tegen Alexander d. G., maar moest zich eindelijk aan Ptolemaeus overgeven (333), z. Ada.

Oropus, Oropos, havenstad aan den Euripus, op de grenzen van Attica en Boeotia, hoofdplaats van de Grai (z. Graecia). De stad was bij voortduring een twistappel tusschen de beide staten, ten slotte bleef zij aan de Atheners. Hier was de beroemde tempel van Amphiaraus (z. a.).

Orosius (Paulus), christelijk presbyter uit Tarraco in Hispania, schrijver eener beknopte wereldgeschiedenis, die nog bestaat: Historiarum libri VII adversus paganos. Het werk kwam uit omstreeks 420 na C.

Orospeda, gebergte in Hispania, thans Sierra Sagra, aan de bronnen van den Tader (Segura).

Orpheus, Orpheus, zoon van Oeager of Apollo en de Muze Calliope, broeder of leerling van Linus. De invloed van zijn liefelijk gezang dat hij met de heerlijke tonen zijner lier begeleidde, was zoo groot, dat hij daardoor niet alleen de menschen tot zachtheid en meer beschaafde zeden bracht, maar zelfs wilde dieren konde temmen en ook de onbezielde natuur er door bewogen werd. Daarom waagde hij het ook na den dood zijner gemalin Eurydice naar de onderwereld af te dalen om haar terug te vragen, en inderdaad wist hij door zijn spel en gezang Persephone te bewegen zijn verzoek toe te staan. Eurydice mocht hem volgen, maar op voorwaarde dat O. niet naar haar omzag, voordat zij de aarde bereikt zouden hebben. O. konde zich echter niet zoo lang bedwingen, hij zag om, en Eurydice moest naar de onderwereld terugkeeren. In zijn droefheid leidde O. nu een eenzaam en zwervend leven, hij kwam ook in Azië en Aegypte, en voerde na zijn terugkomst bij de thracische stammen wetten en godsdienst in. Op hoogen leeftijd maakte hij nog den tocht der Argonauten mede en redde hij zijne reisgenooten door de macht van zijn spel uit vele gevaren. Kort daarna werd hij door een troep Maenaden verscheurd, v.s. omdat hij sedert den dood van Eurydice als vrouwenhater bekend stond. Zijn hoofd en zijne lier werden in den Hebrus geworpen en dreven naar Lesbus, zijne overige lichaamsdeelen werden door de Muzen bijeen gezocht en te Libethra begraven; de lier werd onder de sterren geplaatst.--Aan O. werd ook de instelling van de zgn. orphische mysteriën toegeschreven, die sedert de 7de eeuw bestonden; deze mysteriën verkondigden de van het volksgeloof afwijkende leer, dat de ziel door zonde van haar oorspronkelijken toestand van reinheid vervallen is, en dat zij door deugd en een ascetisch leven (bios Orphikos) daartoe kan terugkeeren; zoolang dit niet geschied is, verschijnt zij in verschillende lichamelijke omhulsels telkens weder op aarde; de god, wiens hulp men vooral inriep om verlossing en zaligheid deelachtig te worden, was Dionysus-Zagreus, wiens bloed voorgesteld werd door den slok wijn, dien de ingewijden dronken.--De gedichten, die den naam van Orpheus dragen (Orphika), zijn op eene enkele uitzondering van vrij laten tijd en van ongelijke waarde. Maar ook die, welke aan de ouden bekend waren, werden reeds vroeg door velen als onecht beschouwd, en sommigen, o. a. Aristoteles, betwijfelden of O. wel ooit bestaan had.

Orrhoene = Osroene.

Orsilochia, z. Iphigenia.

Orta = Horta.

Orthagoras, Orthagoras, Sicyoniër van lage afkomst, die zich met de hulp van de volkspartij tot tyran opwierp (665) en wijs en gematigd regeerde.

Orthagorea = Maronea.

Orthia, Orthia, bijnaam van Artemis (z. a.) te Sparta.

Orthrus, Orthros, de hond van Geryones (z. a.).

Ortona, Orton, 1) havenstad der Frentani in Samnium.--2) stad in Latium, in de nabijheid van Corbio, aan de N.O. zijde van het Albaansch gebergte.

Ortygia, Ortygia = kwartelland, 1) deel van Syracusae (z. a.).--2) oude naam van het eiland Delus; Ortygia dea = Diana, Ortygiae boves, de runderen van Apollo.--3) heilig bosch bij Ephesus.

Orxines, Orsines, Orxines, perzisch veldheer, die bij Gaugamela streed, afstammeling van Cyrus. Terwijl Alexander in Indië was, regeerde O. als satraap over Persis, bij de terugkomst van den koning werd hij op ware of valsche beschuldigingen van gewelddadigheden en knevelarij opgehangen.

Osca, Oska, voorname stad der Ilergetes in Tarraconensis, thans Huesca in Arragon.

Oschophoria, Oschophoria, oschophoria, feest ter eere van Athena, Dionysus en Ariadne, naar men zeide door Theseus bij zijne terugkomst van Creta ingesteld, te Athene den 7den Pyanepsion gevierd. Twintig epheben, met wijnranken beladen, hielden een wedloop, en de tien overwinnaars kregen een schaal met een drank, pentaploa, uit wijn, honing, kaas, meel en olie gemengd.

Osci, oud-italisch volk (zie Ausones en Italia). Later geven de Romeinen den naam Osci aan de samnietische veroveraars van Campania en aan hun stamgenooten in het achterland. Hunne taal bleef als plattelandsdialect in een gedeelte van Midden- en Beneden-Italië lang in wezen; vandaar oscus = boersch, lomp; ludi Osci waren landelijke kluchtspelen.

Oscines, zie Auguria.

Osi, volksstam waarschijnlijk van Keltischen oorsprong in Germanië wonende, ten Oosten van Bohemen, en onderworpen aan Quaden en Sarmaten.

Osiris, Osiris, aegyptisch zonnegod of god van den Nijl, broeder en echtgenoot van Isis, vader van Horus. Zijn broeder Typhon sloot hem in een kist, die hij in den Nijl wierp, en toen hij bemerkte, dat Isis de kist gevonden had, nam hij des nachts het lichaam er uit, sneed het in 14 stukken en verstrooide ze naar alle kanten. Isis zocht de stukken weder bij elkander en begroef ze op Philae of te Abydus. O. verscheen daarna aan Horus en spoorde hem tot den strijd tegen Typhon aan, waarin deze na eene lange verdediging volkomen overwonnen werd.

Osismii, Osismioi, keltisch volk in het W. van het tegenw. Bretagne.

Osroene, Osroene, gewest in Mesopotamia ten W. van den Chaboras, met de hoofdstad Osroë of Edessa.

Ossa, Ossa, Pheme, Fama, personificatie van het los gerucht, bode van Zeus.

Ossa, Ossa, gebergte in het N. van het thessalische kustland Magnesia, 5000 voet hoog. Ten Z. hing de Ossa met den Pelion samen; ten N. was hij van den Olympus gescheiden door het dal Tempe.

Ostentum, zie auguria.

Osteodes, Osteodes = Ustica no. 2.

Ostia, havenstad van Rome aan den linker Tibermond, door Ancus Marcius gesticht. Het had een bloeienden handel en groote zoutketen, salinae. Door Marius verwoest, herrees het nog prachtiger dan te voren. Toen echter keizer Claudius aan den rechter riviermond eene betere haven, portus Augusti of portus Romanus, aangelegd had, verplaatste zich Ostia's handel, alleen de zoutwinning bleef. Tusschen de genoemde riviermonden lag de insula sacra.

Ostippo, Astapa, Astapa, stad in Baetica, niet ver van Munda.

Ostorii, rom. geslacht. 1) Ostorius Scapula, sedert 47 na C. legatus pro praetore van Britannia, streed daar met geluk tegen Caractacus die in zijn handen viel, maar later begon zijn voorspoed te tanen, hetgeen hij zich zoozeer aantrok, dat hij ziek werd en stierf.--2) M. Ostorius Scapula, zoon van no. 1, diende met roem onder zijn vader. In 62 na C. benam hij, uit vrees voor Nero's bedreigingen, zichzelf het leven.

Ostracismus, Ostrakismos, verbanning door stemming met scherven, door Clisthenes ingevoerd. Te Athene werd jaarlijks in eene daarvoor bij de wet aangewezen volksvergadering aan het volk de vraag voorgelegd, of het wenschelijk was, iemand door het ostracismus te verbannen. Werd die vraag bevestigend beantwoord, dan werd in eene volgende vergadering, waarin minstens 6000 stemmen moesten uitgebracht zijn, beslist, wien dit lot zou treffen, ieder schreef een naam op een scherf, en degene, die de meeste stemmen gekregen had, moest voor 10 jaar Attica verlaten. Deze maatregel moest strekken om de democratie tegen aanslagen van eerzuchtigen te beveiligen, de verbanning door het ostracismus is dus geen straf, en gaat niet gepaard met verlies van goederen of rechten, en daar zij alleen tegenover aanzienlijke en invloedrijke burgers doeltreffend kan zijn, is zij eerder als eer dan als schande te beschouwen. De grenzen, binnen welke zoo iemand zich gedurende den tijd van zijne verbanning mocht vestigen, waren bepaald door een wet van 480, die echter niet streng gehandhaafd schijnt te zijn.--Nadat, door kuiperijen van Alcibiades en Nicias, Hyperbolus door het ostracisme verbannen was (417), werd deze instelling niet meer toegepast.

Otacilii, rom. geslacht. 1) M. Otacilius Crassus, consul in 263, dwong met zijn ambtgenoot M. Valerius Maximus (Valerii no. 16), den syracusaanschen koning Hiero tot den vrede.--2) T. Otacilius Crassus, broeder van no. 1, consul in 261, streed ook op Sicilia.--3) T. Otacilius Crassus, praetor op Sicilia in 217 en propraetor in 216, streed, met Hiero verbonden, tegen Carthago en ondernam een strooptocht naar Africa. Later werd hij nogmaals stadhouder van Sicilia en deed opnieuw strooptochten op de carthaagsche kust. Hij trachtte tweemaal te vergeefs consul te worden.--4) Otacilius Crassus, aanhanger van Pompeius, bezoedelde zijn naam door het ombrengen van weerlooze gevangenen uit de tegenpartij (48).--5) L. Otacilius Pilitus, zie L. Voltacilius Pilutus.

Otanes, Otanes, 1) hoofd van de samenzwering der zeven perzische edelen, die den valschen Smerdis van den troon stieten.--2) opvolger van Magabazus no. 1, als veldheer van Darius, veroverde verscheidene Grieksche steden, en ook Lemnus en Imbrus.

Otho, familienaam in de gens Salvia.

Otho (M. Salvius), rom. keizer van Jan. tot April 69 na C., geb. 32, behoorde in zijne jeugd tot de vrienden van Nero, wiens uitspattingen hij ook deelde en aan wien hij zijne schoone, maar zedelooze gemalin Poppaea Sabina overliet. Als stadhouder van Lusitania was hij 10 jaar lang een rechtvaardig bestuurder. Bij Nero's dood omhelsde hij de partij van Galba, tegen wien hij echter uit gekrenkte eerzucht in opstand kwam, waarop hijzelf tot keizer werd uitgeroepen. Door de legioenen aan den Rijn werd echter Vitellius tot keizer gekozen. Otho leed bij Bedriacum eene zware nederlaag, en benam zich hierop te Brixellum het leven, niet uit vrees, maar om den strijd te doen eindigen.

Othryades, Othryades, -das, 1) Panthoüs, zoon van Othrys.--2) de eenig overgeblevene van de 300 Spartanen, die tegen evenveel Argiven een beslissenden strijd om het bezit van Cynuria zouden leveren (550). Van de Argiven waren bij het vallen van den nacht twee overgebleven, die naar huis snelden om hunne overwinning te berichten, maar O. bleef als overwinnaar op het slagveld. Daardoor was de twist niet beslecht en werd den volgenden dag een slag geleverd, waarin de Spartanen overwonnen. O. wilde echter zijne wapenbroeders niet overleven, en bracht zichzelf een doodelijke wonde toe. V. a. had hij vooraf op de buitgemaakte wapenrustingen met bloed zijn naam geschreven. Bij de Gymnopaediën werd zijn heldhaftig gedrag in liederen herdacht.

Othryoneus, Othryoneus, thracisch vorst, die Priamus te hulp kwam en daarvoor Cassandra tot vrouw zoude krijgen. Hij werd door Idomeneus gedood.

Othrys, Othrys, boschrijk gebergte in het Z. van Thessalia, in het gewest Phthiotis.

Otrera, Otrera, koningin der Amazonen, bij Ares moeder van Penthesilea en Hippolyte. V. s. stichtte zij met Antiope den tempel van Artemis te Ephesus.

Otus, Otos, een van de Aloaden.

Otys, Otys, vorst van Paphlagonië, verbond zich met Agesilaus tegen den perzischen koning.

Ovatio, een kleine triumftocht, elatton thriambos, die somtijds aan een veldheer werd toegekend, wanneer zijne verdiensten niet groot genoeg schenen voor een werkelijken zegetocht. De veldheer reed dan niet op een triumfwagen, maar was te voet of te paard, hij droeg geen lauwer-, maar een myrtenkrans, geen veldheersmantel, maar eene toga praetexta, hij offerde geen stier, maar slechts een schaap.

Ovidius Naso (P.), den 20 Maart 43 te Sulmo uit eene ridderfamilie geboren, toonde reeds vroeg een buitengewonen aanleg voor de dichtkunst. Zijn vader had hem door eene zorgvuldige opvoeding den weg willen banen tot hooge eereambten, doch rhetorische oefeningen en staatszaken vielen niet in den smaak van den zoon, die gemakkelijker dicht dan ondicht schreef. Ovidius bekleedde dan ook slechts ondergeschikte ambten, namelijk dat van triumvir capitalis en van decemvir stlitibus iudicandis. Hij wijdde zich liever geheel aan de dichtkunst. Hij schreef treurspelen, die verloren zijn gegaan, doch waarvan de Medea algemeenen lof verwierf, schreef zijne Heroïdes, Amores, Medicamina faciei, Ars amatoria, Remedium amoris, en zijn groot dichtwerk, Metamorphoseon libri XV. In 9 na C. werd hij door Augustus naar Tomi in Moesia verbannen, aan de onherbergzame kusten van den Pontus Euxinus. Over de reden dezer verbanning (relegatio) ligt een sluier, men weet alleen, dat hij (volgens hem zelven onschuldig) verwikkeld was geworden in de uitspattingen van Augustus' kleindochter Iulia. Uit het oord der ballingschap schreef hij nog zijne Tristia, Epistulae ex Ponto, Ibis, Halieutica en de half voltooide Fasti. Deze laatste waren reeds vóór zijne verbanning gedicht, maar werden eerst na Augustus' dood met eene opdracht aan Germanicus uitgegeven. Andere gedichten van hem zijn verloren. Hij stierf in 17 na C. te Tomi, waar hij ook begraven is.

Ovile of saeptum, afgesloten ruimte, die gebruikt werd voor de stemmingen der comitia centuriata op den Campus Martius, ten einde te zorgen, dat elke burger in zijne afdeeling stemde. De omheining bestond waarschijnlijk uit paal- en traliewerk ter halve manshoogte, en had zooveel uitgangen (pontes) als er centuriae tegelijk stemden. Aan het einde van elke pons stond de uit teenen gevlochten stembus, z. Maria (lex) de suffragiis ferendis. De saepta werden telkens weder afgebroken, totdat Caesar op den Campus Martius marmeren saepta liet bouwen.

Ovinia (lex), een plebiscitum waarschijnlijk van ± 320 ut censores ex omni ordine optimum quemque iurati in senatum legerent, droeg de lectio senatus, die tot dien tijd door de consuls werd verricht, aan de censoren op. Met de ordines, waaruit de censoren de keuze moesten doen, zijn de verschillende klassen der gewezen curulische ambtenaren bedoeld. Reeds spoedig (± 300) is ook aan de gewezen aediles plebis toegang tot den senaat verleend; eerst in ± 102 werden de volkstribunen (z. Atinia (lex) en in 81 (z. Corneliae leges van 81 aan het einde) de quaestoren in den senaat opgenomen. Zoodoende werd de senaat indirekt door het volk gekozen, terwijl de taak der censoren zich bepaalde tot het uitstooten der onwaardigen (senatu movere, eicere, legendo praeterire). Terwijl de consuls tot nu toe in de eerste plaats patriciërs hadden gekozen, werd nu de senaat in hoofdzaak plebejisch, daar het meerendeel der ambtenaren tot dien stand behoorde.

Oxathres, Oxathres, broeder van Darius Codomannus, streed roemrijk bij Issus; later onderwierp hij zich aan de Macedoniërs.

Oxines, Oxines, kustrivier in Bithynia, die zich in den Pontus Euxinus stort.

Oxiones, wilde, half mythische stam in het Noorden van Europa. Volgens andere lezing heeten ze Etiones.

Oxus, Oxos, beter Oxos, thans Amoe-Darja of Gihon, groote rivier in Midden-Azië, die op den Paropanisus ontspringt en zich in het meer Aral, Oxia palus, uitstort. In ouden tijd moet ook een arm naar de Caspische zee gestroomd hebben. Deze liep uit in het bekken Sary-Kamisch, dat toen veel hooger gevuld was, en stroomde dan, tusschen den Grooten en Kleinen Balkan doorloopend, uit in de Koschu-odek-baai tegenover het eiland Ogurschinsk. Vóór Alexander den Groote wordt hij bij de oude schrijvers Araxes genoemd. Over deze rivier, waarvan de verlande stroom den naam Usboi draagt, trok Cyrus om de Massageten te bestrijden. Hij heeft in de oudheid als scheepvaartroute gediend: Indische waren gaan langs den Oxus naar de Hyrcanische zee (het zuidelijk gedeelte der Caspische zee), vandaar naar het land der Albani, en langs de rivier den Cyrus naar de Zwarte zee. Zie verder Iaxartes.

Oxyartes, Oxyartes, 1) = Oxathres.--2) bactrisch edelman, die zich lang tegen Alexander verdedigde. Na zijne onderwerping maakte Alexander hem satraap van de landen aan den Paropanisus, waar hij zich ook na Alexander's dood staande hield. Hij was de vader van Roxane.

Oxydracae, Oxydrakai, dapper indisch volk aan beide oevers van den Acesines.

Oxylus, Oxylos, zoon van Haemon, den koning van Aetolië. De Heracliden, die volgens de uitspraak van het orakel voor hun inval in de Peloponnesus een gids met drie oogen moesten zoeken, vonden dien gids in den eenoogigen O. met den muilezel, waarop hij gezeten was, toen zij hem ontmoetten. Na de verovering van de Peloponnesus kreeg hij Elis tot belooning.

Ozolae, Ozolai, zie Locris.

P.

Paches, Paches, atheensch veldheer, die het afvallige Mytilene tot overgave dwong (427) en bij verrassing Notium bezette. Te Athene teruggekeerd, werd hij aangeklaagd, en doodde hij zich zelf voor het gerecht.

Pachynum of -us, Pachynos, Z.O. kaap van Sicilia, thans kaap Passaro. De aangrenzende baai werd portus Pachyni genoemd.

Paconii, rom. geslacht, waarvan onder de eerste keizers enkele leden voorkomen.

Pacorus, Pakoros, parthische koningsnaam in de dynastie der Arsaciden. 1) De voornaamste is de parthische prins, die door zijn vader Orodes I in 52 en 51 tegen Syria werd afgezonden, doch door C. Cassius, quaestor van den in 53 gesneuvelden Crassus, verslagen werd. In 40 veroverde Pac. Syria, Phoenice, Palaestina en Cilicia met behulp van den rom. uitgewekene Q. Attius Labienus, doch P. Ventidius Bassus versloeg de Parthen bij herhaling, Labienus sneuvelde in 39 en Pac. in 38, de laatste juist op de verjaardag van Crassus' dood.--2) een koning Pacorus regeerde tijdens Domitianus en Traianus.

Pactolus, Paktolos, riviertje in Lydia, ontspringt op den Tmolus, stroomt langs Sardes en valt in den Hermus. Oudtijds voerde het veel goudstof mede, weshalve het chrysorroas werd genoemd. Hier behoort de mythe van koning Midas te huis, die zijn goudmakende kracht aan de bron van den P. moest afspoelen.

Pactye, Paktye, stad aan de O. kust der thracische Chersonesus, verblijf van Alcibiades. Zie ook Lysimachea.

Pactyes, Paktyes, een Lydiër, die voor Cyrus de schatten van Croesus beheerde. Hij verwekte een opstand tegen den perzischen stadhouder, maar bij het aanrukken van een perzisch leger vluchtte hij; na een poos gezworven te hebben kwam hij op Chius, van waar hij aan de Perzen uitgeleverd werd.

Pactyica, Paktyïke, land der Pactyes, oostelijk gewest van het perzische rijk, ten Z. van den Paropanisus, een onderdeel van het latere Arachosia. De Pactyes zijn de tegenwoordige Afghanen.

Pacuvii. 1) Pacuvius Calavius bekleedde tijdens den tweeden punischen oorlog te Capua de hoogste waardigheid en werkte mede om Hannibal binnen te halen. Zijn zoon daarentegen wapende zich met een dolk om Hannibal te vermoorden, maar liet zich door zijn vader van dat plan afbrengen.--2) M. Pacuvius, zusterszoon van Ennius, te Brundisium ± 220 geboren, was schilder en vooral treurspeldichter. Hij volgde grieksche modellen, met name Sophocles en Euripides, en schreef ééne comoedia, doch 12 tragoediae, waaronder ééne praetexta, Paullus getiteld, waarvan vermoedelijk L. Aemilius Paullus, die den slag bij Pydna won, de hoofdpersoon was. Zijne laatste jaren sleet hij te Tarentum, waar hij in 132 stierf.--Later komen er nog andere Pacuvii voor, o. a. in Caesars leger in Gallia. Ook wordt er een Pacuvius vermeld, die tijdens keizer Tiberius na Piso (Calpurnii no. 7) eerst als legatus van Cn. Sentius, daarna tot 32 voor L. Aelius Lamia, dien Tiberius dwong te Rome te blijven, Syrië bestuurd heeft. Hij was berucht om zijn losbandige levenswijze.

Padaei, Padaioi, een nomadenvolk in het N.W. van India, dat rauw vleesch at en zelfs ouden van dagen en zieken opat.

Padus, rivier in Gallia Cisalpina, thans de Po. Hij stortte zich in zee door 7 mondingen, waarvan enkele door menschenhanden waren gegraven: Padusa, Spineticum ostium, ost. Sagis, Volane, ostia plena en fossae Philistinae. Zie ook Eridanus.

Padusa, thans niet meer bestaande Po-arm, die langs Ravenna liep. Zie Padus.

Paean, Paian, Paion, Paieon, 1) de geneesheer der goden. Verder bijnaam van verschillende goden, wanneer men hen om genezing van ziekte of bevrijding van smart aanroept, zoo van Apollo, Asclepius, Dionysus, Thanatus e. a.--2) een lied, waarin Apollo onder den naam Paean aangeroepen en geprezen wordt; later werden met dien naam lof- en dankliederen ter eere van verschillende goden aangeduid, in het bizonder de liederen die men in den oorlog bij den aanval en na de overwinning zong.

Paeania, Paiania, demus van Attica, ten O. van den Hymettus, geboorteplaats van den redenaar Demosthenes (Paianieus).

Paeanius, Paianios, sophist, die het Breviarium van Eutropius in het Grieksch vertaalde (380 n. C.).

Paedagogus, paidagogos, een slaaf, die met de opvoeding van de kinderen zijns meesters belast was; hij behoefde hun geen onderwijs te geven, maar zijne taak was, hen overal te vergezellen en op hun gedrag toe te zien. Bij de Romeinen, die zich meer zelf met de opvoeding hunner kinderen bezig hielden, vond dit grieksche gebruik eerst in lateren tijd en slechts bij enkelen ingang.

Paeligni = Peligni.

Paemani, germaansche stam in Belgica aan de Mosa (Maas), bij het tegenw. Luik.

Paenula, een regenmantel, alleen met eene opening om het hoofd door te steken, overigens gesloten en van achteren van een kap voorzien.

Paeon, Paion, Paieon, z. Paean.

Paeon, Paion, zoon van Endymion, broeder van Epeus (z. a.); v.s. was Paeonië naar hem genoemd.

Paeones, Paiones, thracisch volk aan den bovenloop van den Axius.

Paeonia, Paionia, het land der Paeones, gewest in het N. van Macedonia (z. a.).

Paeonia, Paionia, of Paeonidae, Paionidai, demus van Attica, ten N. van Acharnae.

Paeonius, Paionios, 1) van Ephesus, bouwmeester in de 5de eeuw, werkte mede bij de voltooiing van den tempel van Artemis te Ephesus (± 400) en bouwde den tempel van Apollo Didymeus bij Miletus.--2) van Mende, bekwaam beeldhouwer in de 5de eeuw, van wien een beroemd beeld, voorstellend de godin der overwinning (Nike), hoewel niet ongeschonden, te Olympia is opgegraven. Onjuist is het, dat ook een deel van de (eveneens bewaard gebleven) beeldhouwwerken ter versiering van den tempel van Zeus te Olympia van Pae. zouden zijn. V. s. zijn deze beeldhouwwerken van Panaenus (z. a.), die in Olympia gewerkt heeft.

Paeoplae, Paioplai, paeonische stam aan de macedonische kust, aan den Strymon en den mons Pangaeus.

Paestum, Paiston, vroeger Posidonia, stad op de lucanische kust aan den sinus Paestanus (golf van Salerno), kolonie van Sybaris, in 524 gesticht. ± 400 viel de stad in handen van de Lucaniërs, en heette voortaan Paestum. In 273 brachten de Rom. er eene kolonie van Latijnen heen. Paestum was beroemd om zijne rozenteelt. Men vindt er nu nog de overblijfselen van drie grieksche tempels, die voor de geschiedenis der grieksche bouwkunst van groot belang zijn. Onder Templum vindt men een afbeelding van den meest bekenden, den zoogenaamden Poseidonstempel.

Paesus, Paisos, stad en rivier in Troas, aan het begin van de Propontis. De stad is door Milete gesticht.

Paetus, een familienaam, die in verschillende gentes voorkomt, en als adjectief lonkend beteekent. 1) beroemd rechtsgeleerde, zie Aelii.--2) echtgenoot der heldhaftige Arria, zie Caecinae.--3) vriend van Cicero, zie Papirii no. 14.--4) senator onder Nero, zie Thrasea.

Pagae, Pegae, Pagai, Pegai, versterkte havenstad in Megaris aan de Corinthische golf.

Paganalia, door Servius Tullius ingesteld, feesten door de inwoners van iederen pagus gevierd. Ze behooren tot de feriae conceptivae, zie feriae.

Pagani, zie pagus.

Pagasae, Pagasai, stad in het Z. van Thessalia, in het landschap Pelasgiotis, dicht bij de grens van Magnesia, aan den sinus Pagasaeus (golf v. Volo). Dichterlijk Pagasaeus = thessalisch.

Pagus, landelijk distrikt, plattelandsgemeente. Soms behoorden de pagi tot het gebied eener stad en kan het woord door dorp worden overgezet, somtijds ook hadden zij eene grootere uitgebreidheid en vormden zij een zelfstandig geheel, overeenkomende met hetgeen wij een kanton of distrikt zouden noemen. De inwoners waren pagani. De dorpen, vlekken en gehuchten in zoo'n distrikt heetten vici (zie vicus no. 3). Te Rome werden de bewoners der vroegere buitenwijken ook pagani genoemd. Paganus beteekent ook: boersch, landelijk; onder de keizers wordt de naam gebezigd in tegenstelling met milites, en bij de kerkelijke schrijvers = heidenen.

Paiderastia, knapenliefde, eene betrekking tusschen een volwassen man en een knaap, die medebracht, dat zij zooveel mogelijk in elkanders gezelschap waren, dat de man door goede voorbeelden en lessen een gunstigen invloed op de zedelijke ontwikkeling van den knaap trachtte uit te oefenen, en dat de knaap zich naar het voorbeeld van den man trachtte te vormen. Deze verhouding bestond vooral in dorische staten, in het bijzonder op Creta, waar de knaap evenals eene bruid uit het huis zijner ouders geroofd werd, na twee maanden vrijgelaten werd, maar zich dikwijls levenslang bij den man aansloot, waaruit soms de innigste vriendschap en broederschap, vooral in den oorlog, ontstond.--De man heette op Creta philetor, te Sparta eispnelas (inblazer), de knaap op Creta kleinos (geroemde), te Sparta aitas (toehoorder).--Werd van zulk een verkeer op onzedelijke wijze misbruik gemaakt, wat in oude tijden slechts zelden schijnt voorgekomen te zijn, dan konde de man gestraft worden met atimie, verbanning of zelfs met den dood, de knaap werd van openbare betrekkingen en van godsdienstige feesten uitgesloten. In lateren tijd verloor de zaak echter geheel en al hare oorspronkelijke beteekenis en ontaardde zij tot eene door en door onzedelijke verhouding, in welken vorm zij ook bij de Romeinen, vooral in den keizertijd, ingang vond.

Paidonomos, te Sparta en op Creta een magistraat, die met het toezicht op de opvoeding der knapen belast was; hij werd bijgestaan door de bidyoi, en onder hem stonden de mastigophoroi, om door hem opgelegde straffen te voltrekken.

Paistike, landstreek in het N. van Thracia.

Palaegambrium, Palaigambreion, stad in Aeolis aan den Caicus.

Palaemon, Palaimon, z. Melicertes.

Palaepolis, Palaipolis, zie Neapolis.

Palaephatus, Palaiphatos, 1) van Abydus, vriend van Aristoteles, schrijver van verscheiden geschiedkundige werken, die op enkele fragmenten na verloren gegaan zijn.--2) Aegyptenaar of Athener, wordt geroemd als schrijver van verscheiden thans verloren mythologische werken. Waarschijnlijk is van hem ook een nog behouden werkje peri apiston, dat op de wijze van Euhemerus, van wien P. een tijdgenoot schijnt geweest te zijn, allegorische of historische verklaringen van verscheiden mythen bevat. Het is langen tijd als schoolboek gebruikt.

Palaerus, Palairos, zeestad in het N.W. van Acarnania.

Palaescepsis, Palaiskepsis, zie Scepsis.

Palaeste, Palaiste, kustplaats in het N.W. van Epirus, bij de Acroceraunische bergen, waar Caesar landde, toen hij tegen Pompeius optrok.

Palaestina, Palaistine = land der Philistijnen, Philistaei, Philistaioi, die langs de kust der Middellandsche zee van de aegyptische grenzen N.waarts tot aan den berg Carmel woonden. Later werd de naam uitgebreid over het binnenland, tot zelfs over het transjordaansche gedeelte van het joodsche land. Over zijne geheele uitgestrektheid werd Pal. verdeeld in de volgende landschappen: ten W. van den Jordaan: Galilaea in het N., Samaria in het midden en Judaea in het Z. Het overjordaansche land werd Peraea geheeten; het N. gedeelte werd Batanaea of Basan (het weeke, vruchtbare land) genoemd en langs de rivier meer in het bijzonder Gaulonitis; het Z. deel heette Galaäditis (het harde, ruwe land). Onder Salomo had het rijk der Israëlieten zijne grootste uitgebreidheid, het reikte toen tot aan den Euphraat. Nog bij Salomo's leven echter ging Syria weder verloren, en na zijn dood splitste zich de staat in twee deelen; het rijk der 10 stammen, dat in 722 door Salmanezer werd vernietigd, en dat van Juda, waaraan Nebukadrezar in 588 een einde maakte. Onder Cyrus werd het land perzisch, onder Alexander d. G. macedonisch. Na diens dood kwam het in den beginne onder Aegypte, was een tijd lang een twistappel tusschen dit rijk en Syrië, tot het eindelijk onder Antiochus III aan Syrië bleef. De poging van Antiochus IV Epiphanes, om den mozaischen eeredienst met geweld door den griekschen te doen verdringen, had een opstand ten gevolge, en van 130 tot 64 vormde Pal. nogmaals een vrijen staat onder het vorstenhuis der Maccabaeën. Broedertwisten tusschen Aristobulus en Hyrcanus hadden de inmenging der Rom. ten gevolge. Zie verder Herodes en Herodes Agrippa.

Palaestra, palaistra, het gedeelte van een gymnasium, dat meer bepaald tot beoefening der gymnastiek bestemd is. Soms wordt de naam echter voor afzonderlijke gebouwen gebruikt, die weinig van de gymnasia schijnen te verschillen, en waarschijnlijk meer in het bizonder door athleten van beroep bezocht werden.

Palaetyrus, Palaityros, zie Tyrus.

Palamedes, Palamedes, zoon van Nauplius en Clymene, een wijs, dapper en rechtvaardig man, wien de uitvinding van vuurtorens, maten en gewichten, eenige letters, dobbelspel e.a. toegeschreven wordt. Toen Odysseus zich poogde te onttrekken aan zijne verplichting om deel te nemen aan den tocht tegen Troje, werd P. met anderen gezonden om hem daartoe te nopen. Zij vonden Odysseus, terwijl hij in geveinsde waanzinnigheid ploegde met een ploeg, waarvoor hij een os en een ezel gespannen had, en zout in plaats van koren in de voren zaaide. P. legde den jongen Telemachus voor den ploeg, en daar Odysseus vermeed over het kind heen te rijden, toonde hij dat zijne krankzinnigheid slechts voorgewend was. Daardoor verbitterd, bewerkte Odysseus zijn ondergang. Hij liet namelijk voor Troje een brief onderscheppen, dien hijzelf geschreven had, maar die schijnbaar door Priamus aan P. gericht was, en waaruit blijken moest, dat P. had aangeboden de Grieken voor geld te verraden. Toen de inhoud van dezen brief bekend gemaakt was, en men in de tent van P. een som gelds gevonden had, waarvan in den brief sprake was, maar die door Odysseus zelf daar verborgen was, was het hem gemakkelijk zijn vijand door het volk ter dood te doen veroordeelen, vooral daar ook Agamemnon en Diomedes, naijverig op den roem van P., zijn dood wenschten.--Hij had later een heiligdom op de kust van Klein-Azië, tegenover Lesbus.

Palatinus, bijnaam van Apollo, naar zijn tempel op den mons Palatinus.

Palatinus (mons), een der heuvels van Rome. Op dezen heuvel heeft het oudste Rome, Roma quadrata, gelegen. Het N.W. gedeelte van den berg heette Cermalus, terwijl de ten N. gelegen Velia ook bij deze oudste nederzetting behoorde. Op of bij den Palatinus lagen zeer oude heiligdommen, o.a. het Lupercal; ook vond men er tot in late tijden de met stroo gedekte Casa Romuli. In den laatsten tijd der republiek woonden hier vele aanzienlijke Romeinen, o.a. M. Tullius Cicero, Crassus, Hortensius, Catilina en Clodius. Uit iets lateren tijd is nog over een particulier huis, gewoonlijk het huis van Livia, de eerste keizerin van Rome, genoemd. In den keizertijd werd de geheele berg eigendom van de keizers, die er hun verschillende paleizen (het woord is van palatium afgeleid) gebouwd hebben. Bekend zijn vooral de domus Augustana, met daarnaast den Apollo-tempel en de bibliotheek, de domus Tiberii, het paleis der Flavische keizers, het Stadium, door Domitianus of één der latere keizers in den berg uitgegraven, en het Septizonium, door Septimius Severus gebouwd.

Pale, lucta, luctatio, het worstelen, een van de voornaamste spelen bij de grieksche feesten. De worstelaars trachtten elkander op den grond te werpen, en alle middelen waren daartoe geoorloofd behalve slaan; daarbij lette men echter zeer op bevalligheid in houding en bewegingen. Zoodra een van beiden viel, liet zijn tegenstander hem opstaan, en eerst wanneer de een den ander driemaal op den grond geworpen had, was de strijd beslist; later werd het gevecht echter, wanneer een van beiden neergeworpen was, op den grond voortgezet, totdat hij geen kans zag zich weder op te richten en zich overwonnen moest verklaren. De worstelaars hadden hun lichaam met fijn zand bestrooid en de grond van het worstelperk was met zand bedekt.

Palenses, Pales, inwoners der stad Pale, Pale, in het W. van het eiland Cephallenia.

Pales, eene godin of een god der romeinsche herders die de kudden vruchtbaar maakte en voedde, zie Palilia.

Palibothra, Palibothra, groote en bijzonder sterke hoofdstad der Prasii in India, aan den Ganges, bij het tegenw. Patna.

Palice, Palike, stad der Siculi, door Ducetius gesticht (453/2), ten N.W. van Syracusae, bij het heiligdom der Palici (z. a.).

Palici, Palikoi, daemonen, die op Sicilië vereerd werden, tweelingzonen van Zeus en een sicilische nimf. Uit vrees voor de jaloerschheid van Hera had hun moeder zich voor hunne geboorte onder de aarde verborgen, maar zoodra zij geboren waren, opende de aarde zich en werden zij door het daglicht beschenen. Ten N.W. van Syracusae (zie Palice) waren twee aan hen gewijde, kleine, diepe meren met warm water, waaruit zwaveldampen opstegen. Wie van een misdaad beschuldigd was en zijne onschuld durfde bezweren, werd bij een van deze meren gebracht, zijn eed werd op een schrijftafeltje geschreven en dit werd in het water geworpen. Bleef het drijven, dan was de aangeklaagde vrijgesproken, zonk het, dan gold de eed voor valsch, en de meineedige werd onmiddellijk in den krater van den Aetna geworpen of van het gezicht beroofd. In de nabijheid was de tempel der P., waar slaven, die door hunne meesters hard behandeld werden, een toevluchtsoord vonden.

Palilia, feest ter eere van Pales den 21sten April door romeinsche herders gevierd. Men stak stroovuren aan, dreef het vee driemaal er om heen, en sprong zelf driemaal er over, om vergiffenis te verwerven voor onopzettelijke verontreiniging van heilige wouden en bronnen. Het was een uitgelaten vroolijk feest en gold tevens als gedenkdag van de stichting van Rome.

Palimbothra = Palibothra.

Palindikia, anadikia, tweede behandeling van een proces. Men konde nl. vernietiging van een vonnis vragen (palindikein, anadikazesthai), wanneer dit door een openbaar scheidsrechter (z. diaitetes) was uitgesproken, of wanneer men bij verstek (z. eremos dike) of op grond van valsche getuigenissen (z. pseudomartyrion dike) veroordeeld was.

Palinodia, een gedicht, waarin men herroept wat in een vroeger gedicht gezegd is, ook in het algemeen het herroepen van een vroeger gezegde. Beroemd is de pal. van Stesichorus (z.a.).

Palinurus, Palinouros, stuurman van Aeneas, viel bij de naar hem genoemde kaap Palinurum, ten Z. van Velia, in zee; hij zwom aan land, maar werd door de Lucaniërs gedood. Op bevel van een orakel werd hij later eervol begraven en werden lijkspelen te zijner eere ingesteld.

Palla, 1) vrouwengewaad, een overkleed, dat men omwierp en dat tot op de voeten afhing, doch bij nimfen en jageressen door de dichters meermalen wordt geschilderd als slechts tot de knie reikende. De rom. dames gebruikten het dikwijls in plaats der meer deftige stola.--2) bij goden, heroën, dichters en zangers, een dergelijk gewaad, tot op den grond hangende en dikwijls slepende, ten einde hun een rijziger gestalte te geven.

Pallacopas, Pallakopas of Pallacottas, Pallakottas, zijkanaal van den Euphraat in de richting der arabische woestijn, waar het doodliep.

Palladium, Palladion, een beeld van Pallas Athena of van Pallas, de dochter van Triton, door de godin Athene zelve gemaakt en door Zeus aan Ilus (z.a.) of aan Dardanus gegeven. Het was een staande houten beeld, drie el hoog, met aaneengesloten voeten, het hield in de rechterhand een speer, in de linker een spinrokken. Toen de Grieken door Helenus vernomen hadden, dat Troje niet genomen konde worden, zoolang het Palladium binnen zijne muren was, slopen Odysseus en Diomedes in de stad en roofden het. Zoo kwam het naar Argos of Athene (z. Diomedes en Demophon). De Rom. beweerden echter dat Aeneas het naar Italië had medegebracht, zij bewaarden het in den tempel van Vesta, waar zelfs de pontifex maximus het niet zien of aanraken mocht.

Palladius (Rutilius Taurus Aemilianus), rom. schrijver van een uitvoerig werk over den landbouw in 14 boeken, vermoedelijk uit de 4de eeuw na C.

Pallantia, dochter van Euander, geliefde van Heracles; naar haar is de Mons Palatinus genoemd.

Pallantia, Pallantia, hoofdst. der Vaccaei in Hispania Tarraconensis, thans Palencia, aan den Pisoraca (Pisuerga), een zijtak van den Durius (Douro).

Pallantias, -tis, Aurora, kleindochter van Pallas.

Pallantidae, Pallantidai, de 50 zonen van Pallas no. 5, die Aegeus van de regeering beroofden, maar later door Theseus deels gedood, deels verjaagd werden.--Ook eene atheensche familie, die van dezen Pallas beweerde af te stammen, noemde zich zoo.

Pallantium, Pallantion, oude stad in Zuid-Arcadia, ten W. van Tegea, vanwaar Euander met eene kolonie naar Latium verhuisde, waar hij ergens aan den Tiber eene gelijknamige stad zou gesticht hebben. Het arcadisch Pallantium werd in 369 ontvolkt ten behoeve van Megalopolis.

Pallas, Pallas, gen. -ados, 1) P. Athena z. Athena.--2) eene gezellin van Athena, door wie zij bij ongeluk gedood werd; haar beeld was v. s. het Palladium. Zij wordt dochter van Triton genoemd en is eigenlijk niemand anders dan de godin zelve.

Pallas, Pallas, gen. -antos 1) een van de Titanen, zoon van Crius en Eurybia.--2) een van de Giganten, door Athena gedood en gevild; met zijne huid bekleedde zij haar schild.--3) zoon van Lycaon, grootvader van Euander, stichter van Pallantium in Arcadië.--4) zoon van Euander (z. a.), sneuvelde door de hand van Turnus.--5) zoon van Pandion, broeder van Aegeus, in wiens plaats hij eenigen tijd regeerde; hij werd door Theseus gedood.--6) een vrijgelaten slaaf, broeder van Antonius Felix, procurator van Judaea, evenals deze vrijgelatene van Antonia minor (zijn vollen naam luidt: M. Antonius Pallas), die zich in de gunst van keizer Claudius wist in te dringen, en zich grooten invloed en rijkdom verwierf (hij bekleedde het ambt a rationibus). Het huwelijk van Claudius met Agrippina en de adoptie van Nero was voor een groot deel zijn werk. Onder Nero geraakte hij echter op den achtergrond, hij moest zich (55 n. C.) uit het openbare leven terugtrekken en werd in 62 ter dood gebracht.

Pallene, Pallene, 1) W. landtong van Chalcidice.--2) demus in Attica.

Palliata, sc. fabula, eene romeinsche comoedie, die in Griekenland speelt en waarbij de acteurs in grieksch gewaad optraden.

Pallium, himation, pharos, lange wollen mantel, meestal wit, bij de Grieken door mannen en vrouwen gedragen, en wel gewoonlijk op dezelfde wijzen als de toga der Romeinen. Het dragen van een pallium over den chiton was echter volstrekt niet algemeen en gold bij de Romeinen zelfs lang als een teeken van verwijfdheid, in lateren tijd was het de geliefkoosde dracht van wijsgeeren of hen die daarvoor gehouden wilden worden.

Palma, rom. of lat. kolonie (123) op het eiland Balearis maior.

Palmyra, Palmyra, of Thadmôr = palmenstad, door Salomo aangelegd in een oase der syrische woestijn. Als middelpunt van karavaanwegen bereikte het een hoogen trap van bloei. Gebruik makende van de verwarring in het rom. rijk, stichtte de stadhouder Odenathus er in 260 na C. een zelfstandig rijk, dat zich onder zijne gemalin en opvolgster Zenobia over Syrië, Aegypte en een deel van Voor-Azië uitbreidde. Doch in 272 werd Palmyra door keizer Aurelianus ingenomen en, na een opstand, verwoest; Zenobia werd als gevangene naar Rome gevoerd. De stad had een prachtigen zonnetempel. In 1691 heeft men belangrijke overblijfselen der schoone en uitgestrekte stad teruggevonden, die in het laatst der vorige eeuw wetenschappelijk onderzocht en beschreven zijn.

Paludamentum, witte of purperroode krijgsmantel der rom. veldheeren. Paludatus = met den veldheersmantel bekleed.

Palumbinum, stadje in Samnium, ligging onbekend.

Pamisus, Pamisos, 1) zuidelijke zijtak van den Peneus in Thessalia.--2) rivier in Messenia, stroomt door de vruchtbare vlakte Macaria.--3) oude grensrivier tusschen Messenia en Laconica, die even ten N. van Thalamae in de Messenische golf uitloopt.

Pammenes, Pammenes, 1) Thebaan, tijdgenoot van Epaminondas, onderscheidde zich in de oorlogen tegen Sparta en bleef met een leger in de Peloponnesus om de Arcadiërs gedurende de stichting van Megalopolis te beschermen; ook als bevelhebber over de thebaansche hulptroepen van Artabazus no. 2 verwierf hij grooten roem (353). Toen hij echter met de vijanden van Artabazus onderhandelingen aanknoopte, liet deze hem gevangen nemen. Philippus van Macedonië woonde gedurende zijn verblijf te Thebe als gijzelaar in het huis van P.--2) leeraar der welsprekendheid te Athene, tijdgenoot van Cicero, die met lof van hem spreekt.

Pammerope, Pammerope, dochter van Celeüs, eerste priesteres bij de eleusinische mysteriën.

Pamphila, Pamphile, 1) van Cos, uitvindster van het zijdeweven. Zij leefde in het begin der vierde eeuw.--2) aegyptische of epidaurische vrouw, die een aantal bijzonderheden op het gebied van geschiedenis, wijsbegeerte, rhetorica, enz., te boek stelde, zooals zij die gedurende haar dertienjarig huwelijk uit de gesprekken van haar man en zijne talrijke bezoekers had opgevangen of uit haar lectuur had opgeteekend. Zij leefde ten tijde van Nero.

Pamphilus, Pamphilos, 1) atheensch veldheer, landde in den corinthischen oorlog op Aegina en belegerde de stad (389), daar zijne vloot echter verjaagd werd, kwam hij in groote verlegenheid; na 5 maanden werd hij ontzet. Hij werd veroordeeld, en stierf voor hij de boete betaald had.--2) leerling van Plato, leeraar der wijsbegeerte op Samus, waar Epicurus zijne voordrachten hoorde.--3) van Amphipolis, beroemd schilder, leerling van Eupompus en leermeester van Apelles; ook werken van hem over schilderkunst worden genoemd.--4) uit Alexandria, grammaticus ten tijde van Nero, schreef een uitgebreid woordenboek.

Pamphos, Pamphos, episch dichter, ouder dan Homerus, aan wien hymnen ter eere van verschillende goden werden toegeschreven.

Pamphyloi, naam van een der drie dorische phylae (z. phyle), zoo genoemd naar Pamphylus.

Pamphylia, Pamphylia, gewest aan de Zuidkust van Asia minor. De bevolking was zeer gemengd en bestond uit inboorlingen, Ciliciërs en Grieken, hieraan was ook de naam Pamphyli, Pamphyloi, ontleend. Het land stond achtereenvolgens onder perzische, macedonische, syrische, pergameensche en romeinsche heerschappij. De voornaamste steden zijn Aspendus, Perge, Side en Attalea.

Pamphylus, Pamphylos, zoon van Aegimius, trok met de Heracliden naar de Peloponnesus en sneuvelde daar.

Pan, Pan, veld-, bosch- en herdersgod, zoon van Hermes of Zeus en Callisto of de nimf Penelope. Reeds bij zijne geboorte was hij bijna geheel volwassen, hij had horens, een krommen neus, spitse ooren, een staart en bokspooten (Aigipodes, Semicaper), bovendien was hij geheel met haar begroeid. Hij beschermt kudden (Nomios), bosschen en weiden, jacht (Agreus), visscherij en bijenteelt. Het liefst zwerft hij in Arcadië, over de bergen (Oressibates), waar hij jaagt, de nimfen bij den dans aanvoert (Philochoros) of zich vermaakt met het spelen op de door hem uitgevonden herdersfluit (z. Syrinx), waarin hij het zoover gebracht had, dat hij zelfs Apollo tot een wedstrijd durfde uitdagen (z. Midas). De Atheners geloofden, dat zij aan zijne hulp de overwinning bij Marathon te danken hadden, hij kon n.l. in den strijd gewichtige diensten bewijzen, door met zijne vervaarlijke stem den vijanden schrik en ontzetting aan te jagen; van dit vermogen maakt hij echter ook misbruik, om bij onschuldige reizigers of wandelaars in eenzame wouden een plotselingen (panischen) schrik te veroorzaken. Zoo had hij ook de Titanen in hun strijd tegen de goden door trompetgeschal op de vlucht gedreven. Met zijne kinderen en verdere afstammelingen (Panes, Paniskoi, Panisci) sluit hij zich gaarne bij den luidruchtigen stoet van Dionysus aan. De nimfen, die hij met zijne liefde dikwijls hardnekkig vervolgt, ontvluchten hem gewoonlijk of worden door de goden tegen hem beschermd.--In lateren tijd beschouwden sommigen hem naar aanleiding van zijn naam als een symbool van het heelal, zijn dans stelde dan de eeuwige beweging voor, zijn horens en baard waren de zonnestralen, enz.--Pan werd vooral in Arcadië, maar ook elders in Griekenland vereerd, aan sommige van zijne tempels waren orakels verbonden. Te Athene hield men jaarlijks te zijner eer een wedloop met fakkels.--Men offerde hem bokken, lammeren, koeien, melk, honig en most; de steeneik en de pijnboom waren hem gewijd.--De Romeinen vereenzelfdigden hem met Faunus.

Panacea, Panakeia, dochter van Asclepius.

Panachaicus (mons), Panachaïkon oros, berg in Achaia, ten Z. van de invaart der Corinthische golf.

Panactum, Panakton, grensvesting tusschen Attica en Boeotia, ten N. van Eleusis.

Panaei, Panaioi, thracisch volk, in den omtrek van Amphipolis woonachtig.

Panaenus, Panainos, beroemd schilder te Athene, broeder van Phidias, medewerker aan de beroemde schilderij van den slag bij Marathon in de poikile stoa te Athene. Ook het schilderwerk aan den troon van het Zeusbeeld te Olympia was van hem. Z. ook Paeonius.

Panaetius, Panaitios, van Rhodus, zoon van Nicagoras, geb. omstreeks 180, genoot te Athene het onderwijs van Diogenes den Babyloniër en Antipater van Tarsus. Te Rome vond hij vele leerlingen en leefde hij op vertrouwden voet met Laelius en den jongen Scipio, dien hij op eene reis naar Azië en Aegypte vergezelde (140). Later keerde hij naar Athene terug, waar hij Antipater als hoofd der stoicijnsche school opvolgde (129), talrijke leerlingen vormde en omstreeks 112 stierf. Hij heeft tot de verbreiding der stoicijnsche leer, vooral te Rome, zeer veel bijgedragen en wordt vooral door Cicero dikwijls met lof genoemd; evenwel schijnt hij het gestrenge van die leer in vele opzichten verzacht en zich ook tot de peripatetische school aangetrokken gevoeld te hebben. Zijne geschriften zijn grootendeels verloren, zijn voornaamste werk peri tou kathekontos werd door Cicero in zijn werk de officiis nagevolgd.

Panaetolicus (mons), Panaitolikon oros, berg in het hart van Aetolia, ten N. van den Trichonius lacus.

Panathenaea, Panathenaia, het voornaamste feest der Atheners in het derde jaar van iedere Olympiade, van den 24sten, v. s. van den 21sten, tot den 28sten Hecatombaeon ter eere van Athena Polias gevierd. De invoering er van als een landelijk feest onder den naam Athenaia wordt aan Erichthonius toegeschreven, zijn eigenaardig karakter als feest van de geheele attische burgerij en zijn naam had het van Theseus gekregen, door Pisistratus waren voordrachten van gedichten van Homerus aan de feestelijkheden toegevoegd, die later door Pericles nog verdere uitbreiding kregen. Behalve de wedstrijden in muziek, gymnastiek, rijden, enz., waarbij vele prijzen uit kruiken met olie van de heilige olijfboomen bestonden, moet vooral vermeld worden de groote optocht (pompe), waarmede aan de godin een nieuw kleed (peplos) gebracht werd. Dit kleed was saffraankleurig, door atheensche vrouwen geweven en met het prachtigste borduurwerk, waarvan patroon en uitvoering van staatswege goedgekeurd moesten zijn, versierd. Het werd als zeil aan den mast van een schip vastgehecht, en dit werd op rollen naar de acropolis voortbewogen, gevolgd door grijsaards met olijftakken in de handen (thallophoroi), dochters van edele burgers, die mandjes met offergereedschap droegen (kanephoroi), terwijl stoelen en zonneschermen haar nagedragen werden door vrouwen en dochters der metoeci (diphrophoroi, skiadephoroi), verder volgde de ruiterij en verdere krijgslieden in de schoonste wapenrusting, overwinnaars in de feestspelen bij vroegere Panathenaea gevierd, eindelijk de geheele burgerij in feestgewaad, meestal nog gezantschappen van atheensche kolonies en andere staten. Op den optocht volgde een offerfeest, groot genoeg om het geheele volk te onthalen.--De fries van het Parthenon was door Phidias versierd met eene afbeelding in relief van den optocht der Panathenaea, en een groot gedeelte van dit beeldhouwwerk is nog bewaard gebleven.--Behalve dit groote feest werden ieder jaar kleine Panathenaea gevierd, waarschijnlijk bestaande in wedstrijden en offers.

Panchaea, Panchaia, fabelachtig eiland in den Erythraeïschen oceaan tegenover Gelukkig Arabië, met een heerlijk klimaat en voortbrengselen van verschillenden aard, z. Euhemerus.

Pancration, pankration, worsteling en vuistgevecht tusschen athleten. De strijders waren geheel naakt en hadden ook geen caestus.

Panda Cela, italiaansche oogstgodin, die te Rome aan den voet van het Capitolium een tempel had.

Pandareüs, Pandareos, zoon van Merops, stal voor Tantalus een gouden hond uit den tempel van Zeus op Creta, en toen Zeus hem terugeischte, vluchtte hij naar Athene en van daar naar Sicilië, waar hij stierf. Eene van zijne dochters was Aedon; de andere twee werden na de vlucht van P. door de godinnen Aphrodite, Hera, Artemis en Athena met vele goede eigenschappen begiftigd, doch toen zij zouden trouwen, werden zij door de Harpyieën weggeroofd en aan de Erinyen tot dienaressen gegeven.

Pandarus, Pandaros, 1) zoon van Lycaon, aanvoerder van de lycische bondgenooten der Trojanen, zeer bekwaam boogschutter. Toen door de strijdende partijen vastgesteld was, dat de oorlog door een tweegevecht tusschen Menelaus en Paris beslist zoude worden, schond P. op aansporing van Athena dit verdrag door op Menelaus een pijl af te schieten. Hij werd door Diomedes gedood.--2) zoon van Alcanor, tochtgenoot van Aeneas, met zijn broeder Bitias door Turnus gedood.

Pandataria, Pandataria, eiland op de kust van Campania, waarheen Augustus zijne dochter Julia verbande. Ook Agrippina de oude werd hierheen door keizer Tiberius verbannen, en stierf er in 33 n. C. den hongerdood.

Pandektai, zie Digesta.

Pandemus, Pandemos, bijnaam van Aphrodite (z. a.).

Pandion, Pandion, 1) zoon van Phineus en Cleopatra. Ten gevolge van de valsche beschuldigingen hunner stiefmoeder Idaea, werd hij met zijn broeder Plexippus door Phineus van het gezicht beroofd en gevangen gehouden, z. Calais.--2) koning van Athene, vader van Erechtheus, Butes, Procne en Philomela.--3) zoon van Cecrops, koning van Athene, van waar hij door de Metioniden verdreven werd. Hij vluchtte naar Megara, waar hij de dochter van koning Pylas huwde, de regeering kreeg, en na zijn dood als heros vereerd werd. Zijne zonen waren Aegeus, Pallas, Nisus e. a.

Pandionis, Pandionis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Pandora, Pandora, de eerste vrouw, door alle goden (vandaar de naam) met schoonheid, lieftalligheid en kunstvaardigheid begiftigd, had van Zeus een doos gekregen, waarin alle ongelukken opgesloten waren. Daarop liet hij haar door Hermes naar Epimetheus brengen, die haar tegen den raad van Prometheus ontving. Uit nieuwsgierigheid opende zij het deksel van de doos, waarop alle rampen zich over de aarde verspreidden; alleen de hoop bleef op den bodem er van liggen, toen P. het deksel spoedig sloot.

Pandorus, Pandoros, zoon van Erechtheus en Praxithea, stichter eener atheensche volkplanting op Euboa.

Pandosia, Pandosia, 1) stad in het epirotische landschap Thesprotia aan den Acheron.--2) stad in Lucania, ten W. van Heraclea.--3) stad in Bruttii bij Consentia.

Pandotira, Pandoteira, geefster van alles, bijnaam van Demeter.

Pandrosus, Pandrosos, dochter van Cecrops, had te Athene naast den tempel van Athena Polias een heiligdom, waarin de heilige olijfboom stond. Athene zelve heeft ook den bijnaam Pand.

Panegyris, panegyris, groote feestvergadering, zooals bijv. bij de viering van de groote nationale feesten der Grieken gehouden werd. De feestredenen (panegyrikoi logoi) bij zulke gelegenheden uitgesproken, waren dikwijls schitterende voorbeelden van welsprekendheid en stijl. Zij strekten meestal tot verheerlijking van het feest of de feestvierenden, soms ook van enkele personen; in het laatste geval waren het lofredenen, en in deze beteekenis komen Panegyrici ook bij de Rom. voor.

Pangaeus (mons), Pangaion oros, gebergte op de macedonische kust, ten O. van Amphipolis, tot welks gebied het behoorde. Het leverde goud en zilver op.

Panhellenius, Panellenios, bijnaam van Zeus als den nationalen god van alle Grieken. Onder dien naam had hij op Aegina een tempel, het Panhellenium, en werden voor hem op verscheiden plaatsen feesten, Panhellenia, gevierd.

Panhormus = Panormus.

Panionia, Panionia, vergadering der 12 steden van Ionië bij den bondstempel, het Panionium, nabij Mycale gehouden en verbonden met feesten ter eere van Poseidon.

Panionium, Panionion, tempel van Poseidon bij kaap Mycale, bondstempel der aziatisch-ionische steden.

Paniscus, Paniskos, z. Pan.

Pannonia, Pannonia, rom. Donauprovincie, door den Donau begrensd, van omstreeks Vindobona (Weenen) af tot aan de samenvloeiing met de Tisia (Theiss). De inwoners waren hoofdzakelijk van illyrischen stam. Er waren echter sedert de 4de eeuw vele keltische stammen ingedrongen, o. a. de Scordisci. Onder Augustus werd Pann. tot rom. provincie gemaakt, maar eerst na de demping van den pannonischen opstand (6-9 n. C.) door Tiberias werd de rom. heerschappij er bevestigd. Het land werd ingedeeld in P. Superior en P. Inferior. In den lateren keizertijd werd de indeeling herhaaldelijk gewijzigd, en o. a. Valeria (zie Valeria no. 3) er van afgescheiden.

Panomphaeus, Panomphaios, bijnaam van Zeus als den god, die door hoorbare teekens de toekomst voorspelt.

Panope, Panopeus, Panope, Panopeus, oude belangrijke stad in Phocis, dicht bij de grenzen van Boeotia, later vervallen.

Panopeus, Panopeus, zoon van Phocus, vergezelde Amphitryo op zijn tocht tegen de Taphiërs en nam deel aan de calydonische jacht. Hij was de vader van Epeus no. 2.

Panoplia, de geheele uitrusting van een zwaargewapende, schild, helm, borstharnas, scheenplaten, zwaard en lans. Deze moest ieder hopliet zich zelf aanschaffen. Vandaar dat het aantal zwaargewapenden in de Grieksche staten steeds tamelijk gering gebleven is, en men gerust kan aannemen, dat ieder boerengezin, iedere familie van zeugitai, slechts één hopliet behoefde te leveren. Z. ook hoplitai en psiloi.

Panopolis, Panopolis, oudtijds Chemmis, Chemmis, Chemmo, oude stad in Aegypte, aan den Nijl, stroomafwaarts van Thebae, grootendeels door linnenwevers en metselaars bewoond.

Panoptes, Panoptes, bijnaam van Argus naar de vele oogen, waarmede zijn lichaam bezaaid was.

Panormus, doch beter Panhormus, Panormos (= geheel en al haven). 1) havenstad op Sicilia, thans Palermo, phoenicische volkplanting, later carthaagsch, sedert 254 in handen der Rom.--2) in Achaia, aan de invaart der Corinthische golf.--3) haven van Ephesus.

Pansa, familienaam in de gentes Vibia, Titinia, Appuleia.

Pantagias, Pantakyas, riviertje op de O.-kust van Sicilia, ten N. van Syracusae, bij Trotilum.

Pantaleon, Pantaleon, wierp zich in 660 tot tyran van Pisa op en regeerde overmoedig. Hij beoorloogde de Eleërs en ontnam hun het beheer over de olympische spelen.

Panteus, Panteus, Spartaan, vriend van Cleomenes III, dien hij bij al zijne ondernemingen getrouw ter zijde stond; hij vergezelde hem ook na den slag bij Sellasia naar Aegypte en doodde zich te gelijk met hem.

Pantheon, prachtige tempel, in 25 door M. Agrippa te Rome opgericht op den Campus Martius en in de 2de eeuw n. Chr. door keizer Hadrianus herbouwd. Het gebouw, dat nog een sieraad is van het hedendaagsche Rome, is cirkelvormig en heeft eene middellijn van 132 voet binnenwerks. In den 19 voet dikken muur zijn 7 ruime nissen aangebracht, waarvan het verwulfsel telkens door twee zuilen wordt gesteund, met uitzondering van de nis over den uitgang. Het gebouw is gedekt door een ontzaglijk koepeldak, met eene opening van 40 voet middellijn in het midden. Het dak rust alleen op de muren. Vóór den ingang is een ruim voorportaal aangebracht, in drie schepen verdeeld. Het trotsche gebouw was waarschijnlijk in de eerste plaats aan Mars en Venus gewijd als de godheden der gens Iulia, v. s. in de eerste plaats aan Jupiter Ultor. Welke goden en heroën verder de nissen vulden, is onbekend.

Panthoides, Panthoïdes, Euphorbus, zoon van Panthous; ook Pythagoras, die beweerde dat hij vroeger als Euphorbus op aarde geleefd had.

Panthous, -thus, Panthoos, -thous, zoon van Othrys, een van de oudsten van Troje, priester van Apollo en dapper krijgsman.

Panticapaeum, Pantikapaion, milesische volkplanting in de taurische Chersonesus (Krim), gewoonlijk Bosporus geheeten, later hoofdstad van het bosporaansche rijk. Thans Kertsch.

Pantomimus, Pantomimos, een tooneelstuk waarin de geheele handeling door lichaamsbewegingen en gebarenspel werd uitgedrukt (saltare fabulam). De pantomimen waren van rom. oorsprong en vielen zeer in den smaak. De stichter van het genre is waarschijnlijk Bathyllus (z. a. no. 2.) Keizer Nero trad er gaarne in op.

Panyasis, Panyasis, van Halicarnassus, oom van Herodotus, werd door den tyran Lygdamis gedood. Als episch dichter vond hij bij zijne tijdgenooten niet veel bijval, lateren schatten hem echter zeer hoog en sommigen stelden hem in den canon der epici onmiddellijk na Homerus. Van zijne werken, Herakleia en Ionika, zijn weinige maar schoone fragmenten bewaard gebleven.

Paphia, Paphia, bijnaam van Aphrodite, naar Paphus, waar zij zich het liefst ophield en een beroemden tempel had.

Paphlagonia, Paphlagonia, gewest van Asia minor aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee), tusschen den Parthenius en den Halys, bergachtig en meer voor veeteelt dan voor landbouw geschikt. Het leverde voortreffelijk hout voor den scheepsbouw op. De bewoners, Paphlagones, Paphlagones, worden reeds bij Homerus vermeld. De geschiedenis van dit landje is van belang ontbloot. Het was achtereenvolgens lydisch, perzisch, macedonisch, na Alexanders dood onafhankelijk. In 220 veroverden de paphlagonische vorsten Pontus; van 180 tot 120 was Paphl. weder van Pontus gescheiden, daarna er mede hereenigd, tot het in handen der Romeinen viel.

Paphus, Paphos, zoon van Pygmalion (z.a.), stamheros der stad Paphus.

Paphus, Paphos, naam van twee aan Aphrodite geheiligde steden op de Z.W. kust van Cyprus. Te Oud-Paphus, Palaipaphos, een phoenicische kolonie, was de godin aan land gestegen. Dáár had zij een prachtigen tempel, waar op 100 altaren voortdurend wierook werd gebrand. Dáár en op Cythera was haar meest geliefdkoosd verblijf. Nieuw-Paphos, nea Paphos, lag landwaarts in.

Papia (lex) de virginibus Vestalibus, misschien van 65. Volgens deze wet moest de pontifex maximus voor de keuze eener Vestalin 20 meisjes uitkiezen, waaruit dan in een contio door het lot ééne zou worden aangewezen.

Papia (lex) de peregrinis, plebisciet van 65, waarbij den niet-burgers het verblijf te Rome werd ontzegd, en straf bedreigd werd tegen hen, die zich het burgerrecht hadden aangematigd. Zie Junia (lex).

Papia Poppaea (lex), z. Julia et Papia Poppaea (lex).

Papii, geslacht uit Samnium afkomstig. Bekend is vooral C. Papius Mutilus, een van de aanvoerders der bondgenooten in den Marsischen oorlog. Later trad hij op als een van de aanvoerders der democratische partij, en hield hij de verdediging van Nola tegen Sulla vol tot het jaar 80. Toen hij daarop naar zijn huis te Teanum vluchtte, weigerde zijn vrouw Bastia hem den toegang, omdat hij op de lijst der proscripti stond, waarop hij zich van kant maakte.

Papinianus (Aemilius), zeer beroemd rom. rechtsgeleerde uit den tijd van keizer Septimius Severus, bij wien hij in hoog aanzien stond en onder wien hij als praefectus praetorio den veldtocht naar Britannia mede maakte (208 n. C.). Hij schreef verscheidene rechtsgeleerde werken. De voornaamste hiervan zijn de Quaestiones (37 boeken) en de Responsa (17 boeken), die in de wetboeken van Justinianus vaak aangehaald worden. Na Severus' dood zocht hij als bemiddelaar tusschen Caracalla en Geta op te treden. Daarom liet Caracalla hem, na de vermoording van Geta, ombrengen (212 n. C.).

Papinius, zie Statii no. 7.

Papiria (lex), waarschijnlijk van 304, dat niemand een gebouw of altaar mocht wijden zonder goedkeuring van het volk of, volgens andere lezing, zonder verlof van den senaat of de meerderheid der volkstribunen.

Papiria (lex) van den volkstribuun L. Papirius, z. Tresviri no. 2.

Papiria (lex) semiunciaria, van den volkstribuun C. Papirius Carbo Arvina (Papirii no. 13), van 89, waarbij de as tot op een halve uncia verkleind werd, maar de waarde dezelfde bleef = 1/4 sestertius. Z. As.

Papiria (lex) de libertinorum suffragiis van den zelfden, werd door Sulla opgeheven.

Papiriae (leges) van den volkstribuun C. Papirius Carbo, 131. De eene dezer wetten, de tribunis plebis reficiendis, bepalende dat dezen zonder beperking herkiesbaar zouden zijn, werd verworpen. De andere, eene lex tabellaria, voerde de geheime stemming ook bij wetgevende comitiën in, zie Tabellariae (leges).

Papirii, rom. geslacht, waarin de plebejische Carbones en de patricische Crassi en Cursores de voornaamste familiën zijn. 1) M'. Papirius Crassus was in 441 de eerste consul uit dit geslacht.--2) L. Papirius Crassus, consul in 436, oorloogde tegen de Vejenten.--3) L. Papirius Crassus was in 340 dictator, terwijl L. Papirius Cursor (no. 6) zijn magister equitum was. Hij voerde echter niet veel uit. In 336 was hij consul en evenzoo in 330, in welk laatste jaar hij tegen de stad Privernum streed. Hij was de eerste van zijn geslacht, die zijn naam met een r schreef, vroeger heetten zij Papisii.--4) M. Papirius Crassus, broeder van no. 3, was dictator tegen de Galliërs in 332.--5) L. Papirius Cursor was censor in 393. Toen zijn ambtgenoot C. Iulius Iulus gestorven was, werd M. Cornelius Maluginensis in diens plaats gekozen. Daar echter in den loop van dit lustrum Rome door de Galliërs werd ingenomen, is er na dien tijd nooit meer een censor suffectus gekozen, maar werd de censor genoodzaakt na den dood van zijn ambtgenoot af te treden. De opgegeven reden is echter waarschijnlijk niet de ware.--6) L. Papirius Cursor, reeds genoemd bij no. 3, was in 325 dictator tegen de Samnieten. Toen zijn magister equitum (z. Fabii no. 14) in zijne afwezigheid tegen zijn bevel slag geleverd en eene luisterrijke overwinning behaald had, wilde Papirius, die woedend was, Fabius met den dood straffen. Het leger kwam in verzet en Fabius vluchtte naar Rome, waarheen Papirius hem volgde. Senaat, volksvergadering, tribunen, alles moest er aan te pas komen, eer de dictator zich liet vermurwen. Hij koos echter een anderen mag. eq., L. Pap. Crassus (no. 3). Het leger was hierover zoo verbitterd, dat het in den volgenden slag met opzet den dictator eene nederlaag bezorgde. Hierop matigde Papirius zijne strengheid, en met zijne soldaten verzoend, behaalde hij eene beslissende overwinning. Dit verhaal is niet geheel betrouwbaar. In 320 was hij consul, en wischte de schande van de nederlaag bij Caudium (321) uit, door de Samnieten te verslaan. De berichten hieromtrent zijn tamelijk waardeloos. In 315 en 313 bekleedde P. nogmaals het consulaat; in 310--de Fasti Capitolini geven ten onrechte het jaar 309--was hij dictator. Hij was een uitstekend veldheer.--7) L. Papirius Cursor, zoon van no. 6, bracht samen met zijn ambtgenoot Sp. Carvilius Maximus als consul in 293 den Samnieten, in 272 den Tarentijnen beslissende nederlagen toe en maakte een einde aan den oorlog met Tarentum; de berichten hieromtrent zijn echter niet betrouwbaar. Hij bouwde in 293 een nieuwen tempel voor Quirinus.--8) C. Papirius Maso, consul in 231, had de Corsen overwonnen, de senaat echter weigerde hem de eer van een zegetocht. Toen was Maso de eerste, die een triumftocht op den albaanschen berg hield.--9) Papiria, dochter van no. 8, was de vrouw van L. Aemilius Paullus, den overwinnaar bij Pydna, en de moeder van Scipio Africanus minor.--10) L. Papirius Mugillanus, consul in 444, censor in 443, maakte zich in 420 als interrex verdienstelijk door een twist te bezweren tusschen senaat en volkstribunen.--11) C. Papirius Carbo, volkstribuun in 131, een begaafd redenaar, geraakte over zijn wetsvoorstel de tribunis plebis reficiendis (zie Cornelii no. 18 en Papiriae (leges)), in hevigen strijd met Scipio Africanus minor en werd later van medeplichtigheid aan diens dood verdacht (129). Zie omtrent hem ook onder Agrariae leges, Lex Sempronia agraria van den volkstribuun Tib. Gracchus van 133. In 120 sloot hij zich als consul bij de senaatspartij aan, maar werd toch na den afloop van zijn consulaat door L. Licinius Crassus (zie Licinii no. 12) wegens deelneming aan de woelingen der Gracchen aangeklaagd, waarop hij zich door vergif van kant maakte.--12) Cn. Papirius Carbo, broeder van no. 11, consul in 113, werd bij Noreia door de Cimbren verslagen.--13) C. Papirius Carbo Arvina, zoon van no. 11, werd als aanhanger van Sulla op last van den jongen Marius omgebracht. Z. Papiria (lex) semiunciaria.--14) Cn. Papirius Carbo, aanhanger van Marius, was in 85 en 84 consul met L. Cornelius Cinna, na wiens dood hij alleen het consulaat bekleedde. In 82 was hij opnieuw consul, maar, bij herhaling in 83 en 82 door Sulla verslagen, vluchtte hij naar Sicilia, waar hij in handen van den jongen Pompeius viel, die hem liet ombrengen.--15) L. Papirius Paetus was een van Cicero's vrienden, hij had een afkeer van de politiek.--16) M. Papirius, romeinsch ridder, die bij een schermutseling op de via Appia door de schuld van Clodius omkwam (58). De aanleiding tot deze schermutseling was het ontsnappen uit de hechtenis van Tigranes (zie Tigranes no. 2).

Pappus, Pappos, van Alexandrië, leefde ten tijde van Diocletianus, en schreef verscheiden werken over aardrijkskunde en Oneirokritika. Een belangrijk meetkundig werk van hem, Mathematike Synagoge, is bewaard gebleven.

Papus, familienaam in de gens Aemilia.

Parabasis, parabasis, z. Comoedia.

Parabolon, -bolion, het geld, dat bij de rechtbank gedeponeerd wordt door iemand, die van een vonnis appelleert.

Parabyston, een gebouw, in een afgelegen wijk van Athene gelegen, waar de elfmannen geheime zittingen hielden.

Paracheloitis, Parachaloitis, vruchtbare landstreek aan den mond van den Achelous, in Aetolia.

Paraebates, Paraibates, van Alexandrië, cyrenaeïsch wijsgeer, leermeester van Hegesias.

Paraetacene, Paraitakene, perzisch = bergland; 1) op de grenzen van Persis en Media.--2) in het N.O. van Bactriana.

Paraetonium, Paraitonion, aegyptische havenstad op de kust van Marmarica, met Pelusium de sleutels van Aegypte, cornua Aegypti, genoemd.

Paragraphe, exceptie van niet-ontvankelijkheid eener aanklacht, door den aangeklaagde opgeworpen. De verliezende partij moest aan de tegenpartij de epobelia betalen, wanneer hij minder dan een vijfde der stemmen kreeg.

Parakatabole, eene geldsom, die bij sommige processen door den aanklager als waarborg gestort werd. Won hij het proces, dan werd hem het geld teruggegeven, anders verviel het aan de staatskas of aan de tegenpartij.

Paralia, Paralia, eene smalle strook lands op Attica's Westkust, van kaap Sunium tot nabij de havens van Athene. De Paraliërs vormden tijdens Solon de middenpartij, de gematigde partij tusschen de aristocratische Pediaeërs en de democratische Diacriërs.

Paralii, Paralioi, eigenlijk bewoners van de Paralia, die gedurende de burgertwisten ten tijde van Pisistratus de gematigde partij vormden; vandaar werd de naam ook aan die partij als zoodanig gegeven.

Paralus, Paralos, 1) = Paralia.--2) kuststreek van Malis.

Paralus, Paralos, een schip dat door den atheenschen staat gebruikt werd om gezanten bij feesten of godsdienstige plechtigheden naar de plaats hunner bestemming te brengen, boodschappen over te brengen naar de vloten, die in zee waren of in vreemde havens lagen, enz. De bemanning werd Paraloi genoemd.

Paranomon graphe, aanklacht wegens het voorstellen van een wet of volksbesluit, dat met de bestaande wetten in strijd is. Zoodra men met een eed (hypomosia) verklaarde, dat men iemand wegens zulk een wetsvoorstel wilde aanklagen, werd de behandeling van het voorstel geschorst, totdat over de aanklacht beslist was. De zaak werd voor de archonten behandeld, de straf was niet bij de wet bepaald, maar in ieder geval verloor hij, die driemaal op zulk een aanklacht veroordeeld was, het recht om wetten of besluiten voor te stellen.--Zelfs wanneer het voorstel reeds tot wet verheven was, kon men nog gedurende een jaar eene graphe paranomon tegen den voorsteller indienen, na dien tijd kon hem persoonlijk geen straf meer treffen, en kon het doel van zulk eene graphe slechts zijn, de wet om genoemde reden te doen intrekken.

Paranymphos, iemand, die een jonggehuwd paar vergezelt, wanneer de man op den avond van den bruiloftsdag zijne vrouw van haar huis naar het zijne brengt, gewoonlijk een van de naaste bloedverwanten.--Was de man reeds vroeger getrouwd geweest, dan kwam hij zijne vrouw niet zelf halen, maar werd zij hem door een bloedverwant of vriend, nymphagogos, gebracht.

Parapotamii, Parapotamioi, stad in Phocis op de boeotische grenzen, aan den linkeroever van den Cephisus.

Parapresbeias graphe, aanklacht tegen iemand, die van zijne betrekking van gezant ten nadeele van zijne lastgevers misbruik maakt. Zulke zaken werden voor de euthynen behandeld, het bepalen van de straf was aan de rechters overgelaten.

Parasange, parasanges, perzische maat, ook door grieksche schrijvers dikwijls gebruikt om afstanden te bepalen; 1 par. = 30 stadiën, ongeveer een uur gaans.

Parasitus, parasitos, helpers of ondergeschikten van overheidspersonen en priesters; in de comedie een klaplooper, iemand die voor een goed maal zich tot allerlei diensten laat gebruiken en zich de spotternijen van gastheer en gasten laat welgevallen.

Parastades, zie Antae.

Parastas, z. Oikia.

Parastasis, eene kleine som geld, misschien een drachme, die men bij het indienen eener graphe deponeerde, als het ware als onderpand dat de aanklacht ernstig gemeend was.

Parauaea, landstreek in het N. van Epirus, in het binnenland.

Parcae, romeinsche naam der schikgodinnen, geheel geïdentificeerd met de Moerae.

Paredroi, bijzitters, aan verschillende overheidspersonen toegevoegd om hen van een deel hunner werkzaamheden te ontlasten, bijv. aan de archonten, euthynen e. a.

Parengraptoi, wederrechtelijk als burgers ingeschrevenen, z. Diapsephisis.

Parentalia, zie feralia.

Parilia = Palilia.

Paris, Paris, zoon van Priamus en Hecabe. Na zijne geboorte gaf zijn vader hem aan een herder om hem op den Ida te vondeling te leggen (z. Aesacus), hij werd echter door een berin gezoogd, en toen de herder na vijf dagen het kind nog gezond en wel vond, nam hij het mede en voedde hij het met zijn eigen zoon op. P. groeide als een schoon jongeling onder de herders op; wegens de dapperheid, waarmede hij meermalen de kudden tegen roovers verdedigde, gaf men hem den naam Alexander. Hij trouwde met Oenone, leefde gelukkig met haar, en werd na verloop van tijd ook weder door zijne ouders herkend. Kort daarna kwam Hermes hem uit naam van Zeus de opdracht brengen om als rechter op te treden in een strijd tusschen Hera, Athena en Aphrodite. Daar namelijk op de bruiloft van Peleus en Thetis alle goden en godinnen genoodigd waren behalve Eris, die men uit vrees voor onaangenaamheden uitgesloten had, wreekte deze zich door onder de gasten een gouden appel te werpen met het opschrift: aan de schoonste. Op dezen appel maakten nu de genoemde drie godinnen aanspraak, en weldra ontbrandde tusschen hen een hevige twist, die nu op raad van Zeus door P. beslecht zou worden. Hera beloofde hem indien de beslissing gunstig voor haar was, rijkdom en macht, Athena wijsheid en krijgsroem, Aphrodite de schoonste vrouw. P. gaf den appel aan Aphrodite, en van dien tijd vervolgen de beide andere godinnen hem en alle Trojanen met bittere vijandschap. Hij gaat daarop naar Sparta, waar hij gastvrij ontvangen wordt, en gedurende eene afwezigheid van Menelaus schaakt hij de schoone Helena en voert hij haar mede naar zijn vaderland, in alles geholpen door Aphrodite, die op deze wijze hare belofte vervulde. De trojaansche oorlog is hiervan het gevolg. In dien oorlog toonde hij zich over het algemeen onstandvastig en verwijfd, en hoewel hij soms dapper strijdt en o.a. ook Achilles doodt, haat het volk hem als de oorzaak van den oorlog. Kort voor de inneming van Troje werd hij door Philoctetes gedood. Z. Oenone.

Parisii, volksstam aan de Sequana. Hoofdstad: Lutetia Parisiorum, in den lateren keizertijd residentiestad, thans Parijs.

Parium, Parion, havenstad in Mysia, milesische kolonie aan de Propontis bij den Hellespont, sedert den tijd van Augustus rom. kolonie. Aan de stichting hadden ook kolonisten uit Erythrae medegewerkt.

Parma, Parma, stad der Boii in Gallia Cispadana, sedert 183 rom. kolonie, aan de via Aemilia. De parmaansche schapenwol was beroemd.

Parmenides, Parmenides, van Elea, geb. omstreeks 540, uit een rijk en aanzienlijk geslacht, aanhanger van Xenophanes, met wien hij nog persoonlijk bekend was. Van zijn leven is weinig bekend, als man van edel karakter, diepzinnig denker en verstandig wetgever was hij in zijn vaderstad hoog geëerd; reeds tamelijk bejaard kwam hij te Athene, waar hij den jongen Socrates ontmoette.--Het leerdicht van P., waarvan slechts weinige fragmenten bewaard gebleven zijn, heeft voornamelijk ten doel de eenheid en onveranderlijkheid van het heelal te betoogen. Slechts het zijn bestaat, het niet-zijn, dus ook het worden en te niet gaan, bestaat niet; het zijnde bestaat in den vorm van een bol, eeuwig, onveranderlijk, overal aan zichzelf gelijk. Veelheid en afwisseling is slechts een ijdele vertooning, waarin de menschen door zinsbedrog iets waars meenen te erkennen, het ware inzicht in de eenheid van het bestaande kan men alleen door denken verkrijgen, zelfs het denken en dat, waarop de gedachte zich richt, is hetzelfde. P. was, naar het schijnt, de eerste, die de goden als personificaties van natuurkrachten enz. verklaarde.

Parmenio, Parmenion, 1) Macedoniër, een van de bekwaamste generaals van Philippus en Alexander. Hij overwon de Illyriërs, onderhandelde met de Atheners over den vrede van 346, stond later aan het hoofd der macedonische troepen op Euboea, en werd in 336 naar Azië gezonden om toebereidselen te maken voor den oorlog tegen Perzië. Onder Alexander voerde hij het bevel over het voetvolk, dikwijls vermaande hij Alexander tot voorzichtigheid en gematigdheid, maar zijne raadgevingen vonden weinig ingang. Na den slag bij Arbela, waarin hij den linkervleugel aanvoerde, gaf Alexander hem het bestuur over Medië, na den dood van Philotas meende hij echter diens vader niet langer te moeten vertrouwen en liet hij hem heimelijk uit den weg ruimen.--2) Macedoniër, dichter van eenige grieksche epigrammen, waarschijnlijk tijdgenoot van Augustus.--3) een bouwmeester, die door Alexander bij de stichting van Alexandrië gebruikt werd.

Parmeniscus, Parmeniskos, leerling van Aristarchus, schreef commentaren op Homerus en de tragici.

Parnassides, Parnasides, de Muzen, naar haar verblijf op den Parnassus.

Parnassus, Parna(s)sos, gebergte in Phocis, aan Apollo, Dionysus en de Muzen geheiligd. Naar de twee hooge, meestal met sneeuw bedekte bergspitsen Lycorea of Hyampea en Tithorea (Lykoreia, Hyampeia, Tithorea) werd de Parnassus dikwijls de tweetoppige genoemd. Van boven was hij met dennebosschen bedekt, in de laagte tierden mirten, laurieren en olijven. Het gebergte was rijk aan kloven, valleien, bronnen en beken. Men vond er Delphi met zijn tempel en orakel, de bron Castalia, de Corycische grot, de rotsen Phaedriades, van waar tempelroovers en godslasteraars in den afgrond werden geworpen. Onder den naam Cirphis scheidde zich een zijtak naar het Z. af. Door een diep ravijn tusschen beide bergen in stroomde de Plistus en liep de weg van Delphi naar Daulis met een zijweg naar Stiris. Op den daardoor gevormden driesprong (schiste hodos) versloeg Oedipus zijn vader Laïus.

Parnes, gen. -ethis, Parnes, -ethos, een woest en ruw boschrijk gebergte in N.W. Attica. Bovenop stonden altaren en een standbeeld van Zeus Parnethius.

Parnon, Parnon, bergketen tusschen Laconica en de landstreek Cynuria of Thyreatis.

Parochos, naam, die soms aan den paranymphos gegeven wordt, omdat hij met het jonggehuwde paar op denzelfden wagen zat.

Parodia, parodia, verdraaiing van een algemeen bekend gedicht, zoodat door eene kleine verandering in de woorden een geheel andere zin ontstaat, liefst iets belachelijks. In de blijspelen van Aristophanes zijn op deze wijze een aantal verzen van verschillende dichters, voornamelijk van Euripides, geparodiëerd.

Parodos, het eerste optreden van het koor in een tooneelstuk, ook de deur ter zijde van de orchestra door welke het binnenkomt, verder het lied dat bij het eerste optreden gezongen wordt.

Paropanisus, Paropanisos, soms Paropamisus, het hooggebergte aan de bronnen van den Oxus en den Indus. Het W. deel draagt nog dezen naam, het O. gedeelte wordt Hindoe-Koh geheeten. Het is hetzelfde gebergte als de Caucasus Indicus. De omwonende volksstammen werden Paropanisadae genoemd.

Paropus, Paropos, stadje op Sicilia nabij Himera.

Paroreatae, Paroreatai, met de Caucones de oudste bewoners van het triphylische bergland in Elis.

Parorea, -ia, Paroreia, streek in het N.O. van Epirus, in Molossis, aan de grens van Macedonia.

Paros = Parus.

Parrhasia, Parrasia, stad en landstreek in het Z.W. van Arcadia. Parrhasius = arcadisch.

Parrhasis, arcadische vrouw, in het bijzonder bijnaam van Callisto.

Parrhasius, Parrasios, 1) z. Parrhasia.--2) van Ephesus, een van de beroemdste grieksche schilders, leefde in het begin der 4de eeuw te Athene. Vooral de levendigheid en bevalligheid in de gelaatstrekken zijner beelden worden geroemd. Hij was zeer overmoedig en trotsch, droeg een purperen mantel, kroon en met goud versierden staf. Hij ging eens een wedstrijd aan met Zeuxis, en terwijl deze een tros druiven zoo natuurlijk schilderde, dat de vogels er op toevlogen, bedroog P. zijn mededinger zelven met een geschilderd gordijn, dat deze voor een werkelijk gordijn hield, zoodat hij op het punt stond het te willen wegschuiven.

Parthaon, Parthaon, zoon van Agenor en Epicaste, koning van Calydon en Pleuron, vader van Oeneus.

Parthaonides, Meleager, kleinzoon van Parthaon.

Partheni = Parthini.

Parthenia, parthenia, -neia, hymnen, die door een koor van jonkvrouwen met begeleiding van fluitspel gezongen worden, terwijl het zich op feestdagen in optocht naar een tempel begaf. Als dichters van Parthenia zijn bekend Alcman, Pindarus, Simonides e.a.

Partheniae, partheniai, zonen van spartaansche vrouwen en heloten, geboren gedurende de lange afwezigheid der Spartanen in den eersten messenischen oorlog. Daar hun niet de rechten van burgers gegeven werden, verlieten zij hun vaderland; zij gingen onder aanvoering van Phalanthus naar Italië en stichtten Tarentum.

Parthenium, Parthenion, stad in de mysische landstreek Teuthrania, ten Z. van den Caicus.

Parthenius, Parthenios, 1) episch dichter van Chius, naar men zeide afstammeling van Homerus.--2) van Nicaea in Bithynië, werd in den mithradatischen oorlog gevangen en naar Rome gebracht (72). Hij werd spoedig vrijgelaten en bleef, na een kort verblijf te Neapolis, te Rome wonen, waar hij met Cornelius Gallus bevriend werd. Vergilius leerde bij hem Grieksch. Hij schijnt vooral elegieën gedicht te hebben, bewaard gebleven is een werk onder den titel Erotika pathemata, bevattende 36 liefdesgeschiedenissen in proza, dat vooral waarde heeft door de vele fragmenten van alexandrijnsche geleerden, die met opgave van bronnen er in opgenomen zijn.--3) grammaticus in de 1ste eeuw na C.--4) gunsteling van Domitianus, nam deel aan de samenzwering, die den keizer het leven kostte; onder Nerva werd hij bij een soldatenoproer gedood.

Parthenius mons, Parthenion oros, bergketen op de arcadisch-argolische grenzen, ten N.O. van Tegea, met een heiligdom van Pan.

Parthenius, Parthenios, rivier in het W. van Paphlagonia.

Parthenon, Parthenon, de beroemde tempel van Pallas Athena, de maagd (parthenos). Zie Athenae.

Parthenopaeus, Parthenopaios, zoon van Ares, Milanion of Meleager en Atalanta, een van de zeven vorsten die met Adrastus tegen Thebae optrokken.

Parthenope, Parthenope, eene van de Sirenen.

Parthenope, Parthenope, oude naam voor Neapolis (Napels).

Parthenus, Parthenos, 1) bijnaam van de maagdelijke godin Athena, waarnaar haar beroemde tempel, het Parthenon te Athene, genoemd was.--2) het sterrenbeeld de Maagd, waarin men Erigone no. 1 meende te herkennen.

Parthia, Parthia, Parthyaia, Parthyene, het land der Parthen (Parthi, Parthoi), ten O. van Media gelegen, over het algemeen woest en onvruchtbaar. De Parthen waren van oorsprong een turanisch nomadenvolk en uiterst geoefende ruiters en tevens voortreffelijke boogschutters. Terwijl zij schijnbaar vluchtten, keerden zij zich op hunne paarden om en troffen met goed gemikt schot den vervolgenden vijand (fugaces Parthi). Eerst waren zij onderworpen aan het perzische rijk, vervolgens aan het macedonische, daarna aan het syrische. Doch tijdens koning Antiochus II Theos stonden de Parthen op (248) en stichtten een eigen rijk, dat, in den beginne klein, zich allengs door veroveringen van den Indus tot aan den Euphraat uitbreidde (± 150). Zij bleven een barbaarsch volk, maar hunne vorsten namen, evenals de andere oostersche koningen, de hellenistische beschaving aan. Hunne 31 koningen hadden allen, behalve hun bijzonderen naam, nog dien van Arsaces. In plaats van het, oude Hecatompylus werd Ctesiphon tot hoofdstad verheven. De Parthen betoonden zich verbitterde vijanden van het rom. rijk. In 227 na C. maakte een Pers, Artaxerxes, zoon van Sassan, zich van het bewind meester en stichtte zoo het nieuw-perzische rijk onder de dynastie der Sassaniden.

Parthini of Partheni, Parthinoi, Parthenoi, illyrisch volk bij Dyrrachium. Stad: Parthus.

Parthiscus, bij latere schrijvers de naam van den Tisia (Theiss).

Parthyaea, Parthyene = Parthia.

Parus, Paros, thans Paro, eil. van de groep der Cycladen, beroemd door het schitterend witte marmer, Parius lapis, uit den berg Marpessus. Oudtijds heette het Minoa, ook Demetrias. De eerste iambendichter, Archilochus, was er geboren. Geschiedkundig is het o.a. bekend door de vergeefsche expeditie van Miltiades. In 1627 werd hier eene marmeren plaat gevonden met 93 regels historische en letterkundige aanteekeningen. Zij werd aangekocht door lord Thomas Arundel en door diens kleinzoon Henry Howard in 1667 aan de bibliotheek van Oxford ten geschenke gegeven, waar zij nog is (marmor of chronicon Parium, Arundelium of Oxoniense).

Paryadres, Paryadres, gebergte in het O. van Pontus, langs de grens van Armenia minor, eene voortzetting van den mons Moschicus.

Parysatis, Parysatis, stiefzuster en gemalin van Darius Nothus, onder wiens regeering zij grooten invloed had, zoodat de spartaanschgezinde politiek van den koning in den peloponnesischen oorlog aan haar werd toegeschreven; ook haar zoon Artaxerxes Mnemon beheerschte zij geheel en al, ofschoon zij duidelijk genoeg liet blijken, dat zij aan haar anderen zoon, Cyrus, de voorkeur boven hem gaf, o. a. door de wreedheid waarmede zij allen vervolgde, die aan zijn dood schuld schenen te hebben. Wegens het vergiftigen van Statira, de gemalin van Artaxerxes, werd zij eenigen tijd van het hof verwijderd.

Pasargada of -dae, Pasargada, -dai, oude hoofdstad van Persis, benoemd naar de Pasargadae (z.a.). De stad lag in den Z.O. hoek van Persis, aan de grens van Carmania. Hier was het graf van Cyrus.

Pasargadae, Pasargadai, de edelste stam der Perzen, waartoe ook de Achaemeniden behoorden.

Pasicrates, Pasikrates, vorst van Soli op Cyprus, die zich aan Alexander d. G. onderwierp.

Pasinu (Spasinu) Charax, zie Charax.

Pasion, Pasion, een geldwisselaar, die als metoeke te Athene leefde en wegens zijne mildheid jegens den staat het burgerrecht kreeg; zijne strenge eerlijkheid was in geheel Griekenland bekend. Hij stierf in 370.

Pasiphaë, Pasiphae, 1) dochter van Helius en Perseis, gemalin van Minos (z. a.), moeder van den Minotaurus.--2) eene godin, die te Thalamae no. 2 een tempel had, waar droomorakels gegeven werden.

Pasiphaeia, Phaedra, dochter van Pasiphaë.

Pasiteles, Pasiteles, beroemd beeldhouwer, bronsgieter en ciseleur uit Zuid-Italië, werkte in de 1ste eeuw te Rome. Hij heeft ook over kunst geschreven. Hij was de leermeester van Stephanus.

Pasitelides, Pasitelides, spartaansch veldheer in den peloponnesischen oorlog. In 422 werd hij harmost van Torone, maar het volgende jaar namen de Atheners die stad weder, en P. werd krijgsgevangen gemaakt.

Pasithea, Pasithea, 1) eene van de Charites.--2) Nereïde.--3) Najade, gemalin van Erichthonius, moeder van Pandion.

Pasitigris, Pasitigris = kleine Tigris, thans Karoen, zijrivier van den Tigris, door Susiane stroomende. De benedenloop heet Eulaeus.

Passaron, Passaron, oude molossische hoofdstad in Epirus, in 169 door de Rom. vermeesterd.

Passieni. 1) L. Passienus Rufus, consul in 4, verwierf als proconsul van Africa de ornamenta triumphalia, en was de beste redenaar van zijn tijd.--2) C. Passienus Crispus, zoon van no. 1, schatrijk vriend van Seneca. Hij was met Nero's tante Domitia gehuwd, doch liet zich van haar scheiden om de tweede man van Agrippina te worden. Deze laatste liet hem, naar verhaald wordt, kort daarna van kant maken.

Passus, rom. lengtemaat = 2 gradus of stappen = 5 rom. voeten = 1,478 meter. Mille passus = 1478,70 meter of ongeveer 16 minuten gaans.

Pataeci, Pataikoi, dwergachtige godenbeelden, waarmede de phoenicische schepen aan voor- of achtersteven versierd waren.

Patala = Pattala.

Patara, ta Patara, aanzienlijke zeestad in Lycia met een orakel van Apollo Patareus (Patareus), die er vereerd werd.

Patavium, Pataouion, thans Padua, stad in het land der Veneti, in Gallia Cisalpina aan den Medoacus minor (Brenta). Haar gebied strekte zich tot aan zee uit, zij kon 20000 man te velde brengen. Tijdens Augustus gold het na Rome voor de rijkste stad van Italië. Het is de geboorteplaats van Livius. De sage schrijft de stichting aan den Trojaan Antenor toe.

Paterculus, zie Velleii.

Pater patratus, de woordvoerder onder de fetiales (z. a.).

Patmus, Patmos, eil. op de aziatische kust, tot de Sporades behoorend, ten Z. van Samus.

Patrae, Patrai, Patreis, eene der 12 achaeische bondssteden, thans Patras, aan de invaart der Corinthische golf.

Patres zijn de (adellijke) hoofden der gentes, die gedurende den koningstijd en ook later te Rome zitting hadden in den Senaat. Patres conscripti, de titel waarmede later vaak de senatoren worden toegesproken, beteekent dus: patricische en (later) bijgevoegde (plebejische) senatoren. De patres onder de senatoren hadden bijzondere voorrechten: 1o. het recht om uit hun midden een interrex te verkiezen (z. a.), hetgeen voor de laatste maal gebeurd is in 52; 2o. het recht om door de patrum auctoritas de wetten en keuzen der comitia te bekrachtigen, m. a. w. de patres konden alle wetten en keuzen der comitia vernietigen, zoo deze in strijd waren met de auspicia of 's lands wetten. Van de wetten, die dit recht waardeloos maakten, zijn twee bekend: de lex Publilia Philonis en de lex Maenia. Voortaan gaat de patrum auctoritas over op den geheelen senaat (senatus auctoritas), die echter alleen de wetgeving in de com. centuriata kon beletten. Men verwarre deze senatus auctoritas niet met het senaatsbesluit, dat door intercessio getroffen was.

Patricii, de rom. geboorte-adel. Samen met den koning bestuurden zij den staat; alleen zij hadden oorspronkelijk zitting in den senaat (zie patres). Ze zijn in verschillende gentes verdeeld, die ieder een zeker aantal clientes hadden. Ze worden onderscheiden in ouderen en jongeren adel, patres maiorum et minorum gentium; volgens de traditie stammen de jongere geslachten uit Alba Longa. Ook tijdens de republiek zijn nog de Claudii onder de patriciërs opgenomen. Caesar in 45 en Augustus in 29 (krachtens de lex Saenia van 30) en ook latere keizers hebben het patriciaat aangevuld door plebejische geslachten in den adelstand op te nemen. Onder Constantijn den Gr. werd het patriciaat aan hooge ambtenaren als persoonlijke adelstitel geschonken, zonder erfelijk te zijn.

Patrii dii, goden, wier dienst men van zijne voorouders in engeren zin geërfd heeft, die dus alleen door een enkel geslacht of stam vereerd werden. Hiertoe behooren dus de Penates, enkele godheden, van wie sommige edele familiën beweerden af te stammen, e. dgl.

Patrimi matrimi, kinderen die nog een rom. vader en eene rom. moeder hebben, dus wier ouders cives en nog in leven zijn, en die nog onder de patria potestas staan. Bij sommige godsdienstige plechtigheden werd de bijstand van zulke kinderen als camilli en camillae vereischt. Ook het meisje, dat tot vestaalsche maagd werd uitverkoren, moest patrima matrima zijn.

Patrocles, Patrokles, vriend van Seleucus I. Als bevelhebber over diens vloot in de Caspische zee verzamelde hij bouwstoffen voor belangrijke werken over de omliggende landen en volken.

Patroclus, Patroklos, zoon van Menoetius, den koning van Opus. Nog zeer jong doodde hij bij ongeluk zijn speelmakker Clysonymus (z. a.), en om hem aan de wraak van diens bloedverwanten te onttrekken, bracht Menoetius hem bij Peleus. Hij werd met Achilles opgevoed, werd zijn boezemvriend en wapenbroeder, ging met hem naar Troje en werd daar door Hector gedood, z. Achilles.

Patronus, beschermheer. 1) In den oudsten tijd het patricische familiehoofd, onder wiens hoede en toezicht de cliënten stonden. De cliënt was verplicht den patroon eerbied te betoonen, bij gewichtige familiezaken diens raad in te winnen, met en voor hem de wapenen te dragen; hij moest ook, wanneer de dochter van den patroon huwde, bijdragen tot den bruidschat, en evenzoo tot den losprijs, wanneer de patroon uit vreemde krijgsgevangenschap moest worden losgekocht. De patroon moest zijnerzijds den cliënten hulp en bescherming verleenen en in rechtszaken voor hen optreden. De band was heilig: patronus si clienti fraudem fecerit, sacer esto.--2) Causarum patronus, niet advocatus, is de advocaat, die in rechtsgedingen pleit.--3) ook steden, gewesten en provinciën hadden dikwijls te Rome hunne patroni onder wier bescherming zij zich stelden en die hunne belangen moesten behartigen. Zoo waren o. a. de Marcelli patronen van Sicilië. Dit patronaat komt eenigermate overeen met de hedendaagsche instelling der consulaten.

Pattala, Pattalene, Pattagla, Pattalene, het Delta-land van den Indus, met de stad Pattala.

Patulcius, bijnaam van Janus (z.a.).

Patumus, Patoumos, stad aan den Nijl, van waar Necho een kanaal liet graven naar de Arabische golf = het latere Heroöpolis.

Paul(l)inus, familienaam bij de Suetonii.

Paul(l)us, familienaam in de gens Aemilia (Aemilii no. 8-10).

Paulus, Paulos, de Apostel der Heidenen. Hij was te Tarsus in Cilicia geboren uit Joodsche ouders, en heette oorspronkelijk Saulus, Saulos, maar zijn vader was reeds Romeinsch burger, hetgeen hem zijn geheele leven door uit allerlei moeilijkheden heeft geholpen. Hij werd door zijn vader voor zijn opvoeding naar Jeruzalem gezonden, en behoorde tot de secte der Pharisaeën. Oorspronkelijk heeft hij de Christenen te Jeruzalem vervolgd, maar op weg naar Damascus, om ook daar de Christenen te vervolgen, is hij tot het Christendom bekeerd (± 30 n. C. of later). Hij heeft een tijd lang te Antiochia gewoond, waar toen reeds een Christengemeente was. Zijne zendingsreizen vallen ongeveer in de jaren 46-47, 48-51 (in Athene einde 49, te Corinthe begin 50 tot Juli 51), en 52-57. Op aanklacht der Joden is hij te Jeruzalem gevangen genomen, onder het procuratorschap van Felix, en heeft 2 jaren (tot 59) te Caesarea gevangen gezeten. Toen hij zich bij den opvolger van Felix, Festus, op zijn Romeinsch burgerrecht beriep, is hij met vele andere gevangenen in den winter van 59/60 naar Rome gevoerd (schipbreuk en verblijf te Malta Nov. 59). In Rome is hij in custodia militari geweest, maar mocht een eigen huurhuis bewonen en prediken. Wat na 62 met hem gebeurd is, is niet zeker overgeleverd. Men meent, dat hij in 64 met Petrus door Nero terecht gesteld is. Zijn brieven en de Handelingen der Apostelen, waarin zijn leven beschreven wordt, zijn niet alleen belangrijk uit een godsdienstig oogpunt, maar ook een buitengewoon belangrijke bron voor de cultuurgeschiedenis van de 1ste eeuw n. C. Paulus sprak en schreef, zooals waarschijnlijk de meeste Joden van zijn tijd, behalve Philo en Flavius Josephus, in de koine (z.a.).

Paulus (Diaconus), z. Festus no. 2.

Paulus (Iulius), rom. jurist onder de regeering der Severi. Met Papinianus was hij lid van het consilium principis, met Ulpianus praefectus praetorio. Hij heeft ontzaglijk veel geschreven, doch in wijze van voorstelling staat hij achter bij Papinianus en Ulpianus.

Paulus (Iulius of Claudius), broeder van Civilis, onder keizer Nero ter dood gebracht onder beschuldiging van rebellio.

Pausanias, Pausanias, 1) zoon van Cleombrotus, regeerde over Sparta als voogd van Plistarchus, den zoon van Leonidas. Hij verwierf grooten roem als opperbevelhebber van het grieksche leger in den slag bij Plataeae (479), tuchtigde daarna Thebe, dat met de Perzen geheuld had, onderwierp Cyprus en veroverde Byzantium. Hier geraakte hij weldra onder den invloed van perzische zeden en gewoonten, hij nam de kleeding en de manieren van een perzisch satraap aan, en maakte zich door zijn overmoed zoo gehaat, dat ook daardoor de grieksche bondgenooten zich van Sparta afscheidden en de hegemonie aan Athene aanboden. Hij knoopte met Xerxes onderhandelingen aan, vroeg zijne dochter ten huwelijk, en bood aan hem de heerschappij over Griekenland te bezorgen. Van verschillende kanten aangeklaagd, dat hij zich meer als tyran dan als strateeg gedroeg, werd P. teruggeroepen, en ofschoon hij vrijgesproken werd, werd hem het opperbevel ontnomen. Op eigen gezag keerde hij echter naar Byzantium terug, en door de Atheners van daar verdreven, zette hij van Colonae uit zijne onderhandelingen met Xerxes voort, totdat hij opnieuw teruggeroepen werd (469). Wederom waren er duidelijke bewijzen dat hij met den perzischen koning heulde, ook werd gezegd dat hij de Heloten tot opstand aangespoord had, toch durfden de ephoren hem nog niet te straffen, totdat zij door een van de vertrouwden van P. een brief van hem aan Xerxes in handen kregen en in de gelegenheid gesteld werden hem met eigen mond den inhoud er van te hooren bevestigen. Toen hij gevangen genomen zou worden, vluchtte hij in den tempel van Athena Chalcioecus, daar werd hij ingesloten, het dak werd van den tempel afgenomen, de deuren dichtgemetseld en zoo stierf hij van honger. Op het oogenblik, waarop hij den geest zoude geven, werd hij uit den tempel gedragen om het heiligdom niet te bezoedelen (468).--De geheimzinnigheid, waarmede deze zaak op echt spartaansche wijze door de ephoren behandeld werd, is de oorzaak, dat reeds in de oudheid velen aan het verraad van P. getwijfeld hebben, en ook sommige nieuweren zijn van meening, dat de ephoren zelf het gerucht er van verbreid hebben om de ware beweegredenen van hunne handelwijze, welke die dan ook mogen geweest zijn, te bedekken.--2) kleinzoon van den vorigen, had de koninklijke waardigheid gedurende de ballingschap van zijn vader Plistoanax (444-426), en volgde hem na zijn dood op (408). Gedurende de burgertwisten te Athene na afloop van den peloponnesischen oorlog, werd hij met een leger gezonden om de 30 tegen Thrasybulus te helpen; in plaats daarvan bewerkte hij echter, hetzij uit sympathie voor de atheensche democraten of om Lysander tegen te werken, dat de democratie hersteld werd en de 30 Athene moesten verlaten. Reeds dit werd hem toen zeer kwalijk genomen, en toen hij nu in het begin van den corinthischen oorlog door te laat op de afgesproken plaats te komen de oorzaak was van de nederlaag bij Haliartus (395), werd hij in staat van beschuldiging gesteld; hij vluchtte naar Tegea, waar hij in 385 stierf.--3) Macedoniër, die Perdiccas II vruchteloos de regeering betwistte (450).--4) koning van Macedonië, die door Amyntas onttroond werd (393).--5) Macedoniër, die na den dood van Perdiccas III (360) aanspraak op de regeering maakte; hij werd door de Thraciërs ondersteund, maar toen Philippus hen voor zich had gewonnen, moest P. van zijne eischen afzien.--6) een van de lijfwachten van Philippus van Macedonië, dien hij om persoonlijke grieven vermoordde; hij vluchtte, maar werd gevat en gekruisigd.--7) ho periegetes, een Lydiër, die onder Hadrianus en de Antonijnen te Rome leefde. Hij beschreef in 10 boeken eene reis door het grootste gedeelte van Griekenland, waarbij hij vooral let op oude gebouwen en gedenkteekenen en hunne godsdienstige of artistieke beteekenis; daarnevens vermeldt hij verscheiden geschied- en aardrijkskundige bijzonderheden. Of hij inderdaad alle plaatsen zelf bezocht heeft, die hij beschrijft, is twijfelachtig; in ieder geval heeft hij niet alleen zijn eigen waarnemingen te boek gesteld, maar ook oudere schrijvers als bronnen gebruikt. Het werk is ontstaan tusschen 161 en 177.--8) van Caesarea in Cappadocië, leerling van Herodes Atticus, leeraar der welsprekendheid te Athene en te Rome in de tweede eeuw na C.

Pausias, Pausias, van Sicyon, beroemd schilder kort voor Alexander d. G., die vele leerlingen vormde; hij wordt genoemd als de eerste, die de zolderingen met bloemen, kinderfiguren en arabesken beschilderde.

Pausilypum, Pausilypon, (smartverdrijvend = Sans souci) (Posilippo) heerlijke villa ten W. van Napels, door Vedius Pollio aan Augustus vermaakt. Agrippa liet daar een onderaardschen gang uithouwen, thans de grot van Posilippo genaamd.

Pauson, Pauson, arm caricatuurschilder te Athene, tijdgenoot van Aristophanes.

Paxi, Paxoi, twee eilandjes tusschen Corcyra en Leucas, thans Paxo en Antipaxo.

Peculatus, verduistering van staats- of tempeleigendom.

Peculium, wordt het vermogen genoemd, dat de paterfamilias aan een zoon in potestate of aan een slaaf toestond te verwerven of te bezitten. Hij kon het hem echter te allen tijde ontnemen. Peculium castrense is wat de zoon zich verwerft, terwijl hij in krijgsdienst is; quasi castrense, terwijl hij een openbaar ambt bekleedt. Augustus bepaalde, dat de filius familias de vrije beschikking zou hebben over het peculium castrense.

Pedaneus, zie iudex pedaneus.

Pedanii, plebejisch geslacht. Over den geneesheer Pedanius Dioscorides zie Dioscorides.

Pedarii zijn sedert de lex Ovinia (z.a.) die senatoren, die geen curulisch ambt bekleed hadden. De voorzitter was niet verplicht hun meening te vragen, zoodat in den regel hun rol zich bepaalde tot het deelnemen aan de stemming: ibant pedibus in sententiam alienam; vandaar hun naam.

Pedasa, ta Pedasa, stad in Caria, ten O. van Halicarnassus.

Pedasus, Pedasos, 1) oude stad der Leleges in het zuiden van Troas, aan den Satniois.--2) stad in Messenia, later Methone, thans Modon.

Pediaei, Pediaioi, eigenlijk bewoners van de Pedias, het vlakke land in het Noorden en Noordwesten van Attica, meest rijke grondeigenaars; in de burgertwisten ten tijde van Pisistratus vormden zij voornamelijk de oligarchische partij, vandaar wordt de naam ook aan die partij als zoodanig gegeven.

Pedias, Pedias, het vlakke gedeelte van Attica ten N. en N.W. van Athene, waar de groote grondbezittingen gelegen waren. De Pediaeërs, Pediaioi, vormden in Solons tijd de aristocratische partij.

Pedia (lex) van den consul Q. Pedius in 43, tot vogelvrijverklaring (aqua et igni interdictio) van Caesars moordenaars.

Pediea, Pedieia, vlek in Phocis ten N. van den Cephissus.

Pedii, eene familie, die in den laatsten tijd der rom. republiek opkwam. Q. Pedius, zusterszoon van Caesar, diende onder hem in Gallia en was in 45 legaat in Hispania. In 48 bekleedde hij de praetuur. Na Caesars dood stond Pedius het hem gemaakte legaat aan Octavianus af en werd toen in 43 diens medeconsul, zie Pedia lex. Hij stierf reeds in ditzelfde jaar.

Pednelissus, Pednelissos, stad in Pisidia.

Pedo Albinovanus (C.), episch dichter, vertrouwd vriend van Ovidius. Hij schijnt eene Theseis te hebben geschreven, terwijl van een gedicht over Germanicus nog een fragment bij Seneca (de beschrijving van een tocht op de Noordzee) wordt gevonden. Ook moet hij epigrammen hebben gedicht.

Peducaea (lex), plebisciet van Sex. Peducaeus, volkstribuun in 113. In het voorgaande jaar waren drie vestaalsche maagden van incestus beschuldigd; het college der pontifices had slechts ééne, Aemilia, veroordeeld en de beide andere, Marcia en Licinia, vrijgesproken. Laatstgenoemde was op schitterende wijze verdedigd door L. Crassus. De lex Ped. beval een nieuw onderzoek, met het gevolg dat ook Marcia en Licinia veroordeeld werden.

Peducaei, 1) zie Peducaea lex.--2) Sex. Peducaeus, stadhouder van Sicilia in 75, onder wien Cicero als quaestor te Lilybaeum werkzaam was, een man van groote rechtvaardigheid, die zich algemeene liefde en achting verwierf.--3) S. Peducaeus, zoon van no. 2, een geleerd man, wiens oordeel door T. Pomponius Atticus op hoogen prijs werd gesteld. In de burgeroorlogen was hij op de zijde van Caesar en van Octavianus.

Pedum, oude stad van Latium, aan de via Labicana.

Pegae = Pagae.

Pegasides, Pegasides, z. Pegasus.

Pegasus, Pegasos, een gevleugeld paard, door Poseidon bij Medusa (z. a.) verwekt. Het steeg terstond na zijne geboorte ten hemel op en draagt voor Zeus den donder en bliksem, later stond Zeus het aan Eos af en eindelijk werd het onder de sterren geplaatst. Het werd door Bellerophon (z. a.) gevangen, toen het aan de bron Pirene dronk, of hij kreeg het van Athena of Poseidon. Toen de Helicon, in verrukking gebracht door het gezang der Muzen, opsprong, bracht P. den berg op bevel van Poseidon met een hoefslag tot rust, en deed met denzelfden slag de bron Hippocrene ontspringen, waaruit de Muzen en dichters drinken om zich in geestvervoering boven het aardsche te verheffen. Denzelfden oorsprong en dezelfde eigenschap hebben ook de bronnen Hippocrene te Troezen en Pirene te Corinthe, vandaar worden zij en verder ook de Muzen zelve Pegasides (Pegasides) genoemd.

Pela, Pele, eil. op de ionische kust bij Clazomenae.

Pelagones, Pelagones, paeonische volksstam in Macedonia, die eerst aan de boorden van den Axius (Vardar) woonde, doch van daar naar het W. van Paeonia verhuisde, welke nieuwe woonplaats naar hen Pelagonia werd geheeten. Geheel in het N. van Thessalia lag nog eene pelagonische tripolis, uit de steden Azorus, Pythium en Doliche bestaande.

Pelargikon (teichos) = Pelasgikon (teichos).

Pelasgi, Pelasgoi. De grieksche schrijvers nemen aan, dat er vóór de eigenlijke Hellenen in verschillende deelen van Griekenland, vooral in de Peloponnesus, in Thessalië en Epirus, en ook aan de Westkust van Klein-Azië en in Italië een volk gewoond heeft, dat Pelasgi heette. In werkelijkheid hebben ze alleen in Thessalia, aan de Peneus gewoond, waar het gewest Pelasgiotis naar hen genoemd is.

Pelasgia, Pelasgia, oude naam voor Griekenland, voor de Peloponnesus en voor Lesbus.

Pelasgikon, Pelargikon (teichos), een oude versterking aan den westkant van de Acropolis, behoorende tot het oudste gedeelte van Athene.

Pelasgiotis, Pelasgiotis, gewest van Thessalia ten Z. van den Peneus, met de hoofdstad Larisa of Larissa, genoemd naar de Pelasgen.

Pelasgis, Pelasgis, bijnaam van Hera en Demeter als oude pelasgische godinnen.

Pelasgus, Pelasgos, 1) mythisch stamvader der Pelasgen. Zijne afstamming wordt zeer verschillend opgegeven: als zijn vader worden genoemd Zeus, Poseidon, Phoroneus, Arestor e. a., als zijne moeder Niobe of Larissa, gewoonlijk wordt hij echter als autochthoon beschouwd. Hij zoude Parrhasia, Argos in de Peloponnesus of in Thessalië gesticht hebben, den landbouw in Argos ingevoerd hebben, enz.--2) koning van Argos, bij wien Danaüs en zijne dochters een toevlucht zochten. Hij verdedigde hen tegen Aegyptus, maar werd overwonnen en verliet het land.

Peletai = Hektemoroi.

Peleus, Peleus, zoon van Aeacus en Endeis. Hij of zijn broeder Telamon doodde bij het spelen met den discus een zoon van Aeacus en Psamathe, Phocus, daarom waren beiden genoodzaakt uit Aegina te vluchten. Nadat zij aan den tocht der Argonauten hadden deelgenomen, werd hij gastvrij opgenomen door Eurytion, koning van Phthia, die hem van zijn schuld reinigde, hem zijne dochter Antigone tot vrouw gaf en een deel van zijn rijk afstond. Hij leefde hier eenigen tijd gelukkig, maar daar hij bij de calydonische jacht het ongeluk had zijn schoonvader te dooden, moest hij opnieuw vluchten; hij begaf zich naar Iolcus, z. Acastus. Op bevel der goden werd hem nu, daar Antigone (z. a.) gestorven was, de Nereïde Thetis tot gemalin gegeven, en toen zij hem onder allerlei gedaanten trachtte te ontvlieden, leerde Chiron hem de kunst om telkens dezelfde gedaante aan te nemen als zij, zoodat zij zich na langen strijd aan hem moest overgeven. Op de bruiloft waren alle goden en godinnen tegenwoordig, behalve Eris, z. Paris. P. regeerde sedert gelukkig over Phthia, doch toen hij Thetis stoorde bij hare pogingen om hun zoon Achilles onsterfelijk te maken, verliet zij hem en keerde zij naar de zee terug. Na den dood van Achilles werd P., die toen reeds zeer oud was, uit zijn rijk verjaagd, later door Neoptolemus in de regeering hersteld, doch toen na diens dood Orestes Phthia veroverde, moest hij weder in ballingschap gaan en zoo eindigde hij zijn leven. In de onderwereld werd hij bij Aeacus en Achilles geplaatst.--V. a. verzoende Thetis zich met hem na den dood van Neoptolemus, en volgde hij haar naar de diepte der zee, waar hij aan hare zijde voortleeft.

Peliades, Peliades, de dochters van Pelias (z. a.).

Pelias, Pelias, zoon van Poseidon en Tyro, maakte zich na den dood van Cretheus, die met Tyro gehuwd was, van de regeering over Iolcus meester. Om alleen te kunnen regeeren verdreef hij zijne broeders Neleus (z. a.) en Aeson (z. a.) en zond hij Iason uit om het gulden vlies te halen. Maar toen deze van Colchis terugkwam, wist Medea de dochters van P., Pisidice, Pelopea en Hippothoë, te overreden haar ouden vader een verjongingskuur te laten ondergaan. Nadat zij bewijzen van haar tooverkunst gegeven had, sneden de zusters op haar bevel P. in stukken, die zij kookten, doch toen dit geschied was, weigerde Medea hare verdere hulp. De Peliaden vluchtten daarop naar Mantinea in Arcadië.

Pelides, Peleides, Achilles en Neoptolemus, zoon en kleinzoon van Peleus.

Peligni, sabijnsch volk in Midden-Italia, met de hoofdstad Corfinium (z. a.). Met de Vestini en Marrucini hadden zij gemeenschappelijk de havenstad Aternum.

Pelinna of -naeum, Pelinna, -naion, versterkte stad ten N. van den Peneus, in het thessalische landschap Hestiaeotis.--Ook de naam van een gebergte in het Noorden van Chius.

Pelion, Pelion, woest en boschrijk gebergte in het thessalische landschap Magnesia, een der bergen, die door de Giganten opeengestapeld werden (de Ossa en de Olympus waren de andere), toen zij den hemel wilden bestormen. Op den top stond een tempel van Zeus Actaeus met de grot van den Centaur Chiron in de nabijheid.

Pelium, stad der Dassaretae in zuidelijk Illyria.

Pella, Pella, 1) oude stad van Macedonia in het distrikt Bottiaea, nabij het meer Borborus, dat door den Ludias wordt gevormd. Philippus van Macedonia maakte er zijne residentie van. Alexander de Gr. werd er geboren.--2) stad in Peraea, niet ver O.-waarts van den Jordaan, tegenover Scythopolis, door Alexander Jannaeus verwoest, later door Pompeius herbouwd.

Pellana, ta Pellana, stad aan den Eurotas in Laconica, ten N. van Sparta.

Pellene, Pellene, de meest oostelijke der 12 bondssteden van Achaia, met de haven Aristonautae.

Pelopea, Pelopeia, dochter van Thyestes, bij wien zij moeder werd van Aegisthus.

Pelopidae, Pelopidai, afstammelingen van Pelops: Atreus, Thyestes, Agamemnon e. a.

Pelopidas, Pelopidas, zoon van Hippocles, rijk en edel Thebaan, moest als aanhanger der democratische partij bij de bezetting der Cadmea door de Spartanen Thebe verlaten, en vluchtte naar Athene (382). Weldra trad hij aan het hoofd der uitgewekenen, en onder zijne leiding kwam de omwenteling tot stand, waardoor de Spartanen verdreven werden en de democratie hersteld werd (379). Daarop werd hij tot boeotarch gekozen. Als aanvoerder der heilige schaar versloeg hij twee spartaansche morae bij Tegyra (375) en nam hij deel aan den slag bij Leuctra (371); met zijn vriend Epaminondas deed hij een inval in de Peloponnesus, evenals deze werd hij aangeklaagd, omdat zij tegen de wet 4 maanden te lang de betrekking van boeotarchen hadden behouden, maar beiden werden vrijgesproken (369). Toen de thessalische steden de hulp van Thebe tegen Alexander van Pherae inriepen, ging P. met een leger naar Thessalië en dwong hij Alexander zijne voorwaarden aan te nemen; daarop trok hij naar Macedonië als scheidsrechter in de twisten over de troonopvolging en nam hij Philippus als gijzelaar mede naar Thebe. Doch nieuwe woelingen noodzaakten hem nogmaals tot een tocht naar het Noorden, door zijne huurtroepen verlaten kon hij nu in Macedonië niets uitrichten, en toen hij als gezant naar Thessalië ging, werd hij zelfs door Alexander gevangen genomen (368) en eerst losgelaten, toen Epaminondas met een leger aanrukte. Te Susa werd hij als gezant eervol ontvangen, ofschoon zijne pogingen om door den perzischen koning den vrede te laten voorschrijven geen gevolg hadden (367). Eindelijk trok hij ten derden male naar Thessalië om Alexander te beoorlogen, bij Cynoscephalae kwam het tot een slag, waarin de Thebanen de overwinning behaalden, doch toen P. een aanval op Alexander zelf deed, werd hij door diens lijfwachten gedood (364).

Peloponnesische oorlog (431-404) wordt de oorlog genoemd, dien de Spartanen met hunne bondgenooten, meest peloponnesische staten, tegen Athene voerden, om een einde te maken aan de zich sedert de perzische oorlogen steeds meer en meer uitbreidende macht van dien staat. De naaste aanleiding tot den oorlog was, dat de Corinthiërs, die met de Corcyraeërs in oorlog waren over Epidamnus, de Atheners als bondgenooten der Corcyraeërs tegenover zich vonden. Daarin zagen zij een vredebreuk, zij ondersteunden de Potidaeërs, die in hetzelfde jaar (432) van Athene afvielen en drongen bij eene bondsvergadering te Sparta op oorlog aan. Ofschoon koning Archidamus tegen overijling waarschuwde en Pericles voorstelde alle geschillen door een scheidsgerecht te laten beslissen, werd tot den oorlog besloten, indien Athene de gestelde eischen niet inwilligde. Deze eischen, gedurende de onderhandelingen nu en dan veranderd, bevatten eindelijk niet minder dan de vrijheid en autonomie van alle grieksche staten, m. a. w. het opgeven van de atheensche hegemonie. Op raad van Pericles werd dit geweigerd en tot den oorlog besloten. De eerste periode wordt de archidamische oorlog (431-421) genoemd, naar koning Archidamus, die bijna ieder jaar met een leger in Attica viel om het land te verwoesten. Van hun kant plunderden de Atheners de kusten van de Peloponnesus. Athene heeft in het tweede en derde jaar van den oorlog veel te lijden door eene verschrikkelijke pest, de bondgenooten blijven over het geheel trouw, alleen Mytilene valt af, het wordt echter door Paches tot overgave gedwongen en wreed gestraft (428). Van atheensche zijde onderscheidden zich in dit tijdperk: Pericles, die echter reeds in 429 stierf, Demosthenes, Nicias, Cleon, van spartaansche zijde Brasidas. Nadat in den slag bij Amphipolis (422) zoowel Brasidas als Cleon gesneuveld waren, kreeg in beide staten de vredespartij meer invloed en werd een vrede gesloten, waarbij alles ongeveer zoude blijven zooals het voor den oorlog geweest was. Met dezen zoogenaamden vrede van Nicias begint echter eigenlijk een tweede tijdperk van den oorlog (421-413). De bondgenooten der Spartanen, ontevreden over de vredesvoorwaarden, beletten op allerlei wijzen de uitvoering er van, en de Atheners, hierdoor verbitterd, zochten van die ontevredenheid gebruik te maken om zich in de Peloponnesus zelve bondgenooten tegen Sparta te verwerven. Dit gelukte hen met Argos, Elis en Mantinea, en in 417 verloor dit bondgenootschap bij Mantinea een grooten slag tegen de Spartanen onder Agis I; mettertijd sloten echter alle peloponnesische staten zich weder bij Sparta aan, behalve Argos. Op Sicilië leden de Atheners ontzaglijke verliezen tegen de Syracusanen, die door een spartaansch leger onder Gylippus werden bijgestaan, en nog voordat zij daar de beslissende nederlaag geleden hadden (413), was ook in Griekenland de oorlog weder uitgebroken. Zoowel het bondgenootschap met Argos als de tocht naar Sicilië was voornamelijk het werk geweest van Alcibiades, die ook in het derde tijdperk, den deceleïschen oorlog (413-404), een belangrijke rol speelde. De Spartanen bezetten Decelea, stellen zich in betrekking met Tissaphernes en verplaatsen den oorlog grootendeels naar Azië. De atheensche vloten behalen verscheiden overwinningen (Abydus, 411, Cyzicus, 410, Arginusae, 406), maar de Spartanen, door Pharnabazus en vooral door Cyrus met geld ondersteund, herstellen telkens de geleden verliezen; als daarentegen de atheensche vloot bij Aegospotami door Lysander genomen wordt (405), zijn de hulpmiddelen der Atheners uitgeput, alle bondgenooten vallen af, de stad wordt vier maanden door Lysander en Agis belegerd en wordt eindelijk door honger gedwongen zich over te geven (404). De lange muren worden geslecht, de schepen uitgeleverd, de verbannenen komen terug en 30 mannen worden gekozen om eene nieuwe staatsregeling te ontwerpen.

Peloponnesus, Peloponnesos, thans Morea, het bekende groote schiereiland, dat het Z. deel van Griekenland vormt en door de corinthische landengte met het N. deel samenhangt. Het omvatte de landschappen Achaia, Elis, Messenia, Laconica, Arcadia, Argolis, Corinthia, Sicyonia en Phliasia.

Pelops, Pelops, zoon van Tantalus. Om de alwetendheid der goden op de proef te stellen, slachtte zijn vader hem en zette hij den goden de gebraden stukken als spijs voor. Zijne misdaad werd echter ontdekt en de knaap werd in het leven teruggeroepen, alleen Demeter had in verstrooidheid een stuk van zijn schouder opgegeten, dat bij zijne wedergeboorte door een stuk ivoor vervangen werd. Als opvolger van zijn vader geraakte hij in oorlog met den trojaanschen koning Ilus, hij streed ongelukkig en werd uit zijn land verdreven. In Pisa gekomen, verwierf hij de hand van Hippodamea, de dochter van Oenomaüs (z. Myrsilus), en volgde hij zijn schoonvader in de regeering op. Hij regeerde zoo roemrijk, dat het geheele schiereiland, dat vroeger Apia of Pelasgia heette, naar hem Peloponnesus genoemd werd; aan de olympische spelen zette hij zooveel luister bij, dat hij soms als de stichter er van beschouwd werd. De vloek, dien Tantalus door zijne misdaden op zich geladen en dien P. door den moord van Myrsilus nog verzwaard had, rustte echter op zijn geslacht en veroorzaakte onder de Pelopiden vele ongelukken en gruweldaden. Nog bij het leven van P. ontstond oneenigheid in zijn gezin; zijn zoon Chrysippus werd door Atreus en Thyestes gedood en P. verjoeg daarom zijne gemalin en zijne talrijke zonen. Hij stierf te Pisa en kreeg te Olympia een tempel, waar hem jaarlijks offers gebracht werden.

Pelor, Pelor, Peloros, een van de vijf Sparten, z. Cadmus.

Peloris, -rus, -rum, -rias, Peloris, Peloros, Peloron akron, thans kaap Faro, N.O. kaap van Sicilia.

Pelso (lacus), de Plattensee in Pannonia.

Peltae, Peltai, oude, welvarende stad van Phrygia aan den Maeander.

Peltastai, lichtgewapende infanterie, zoo genoemd naar hun licht halvemaanvormig schild (pelte); verder droegen zij een linnen harnas, een werpspies en degen en een lange lans. Iphicrates verbeterde hunne wapening, onderwierp hen aan tucht en aan geregelde oefeningen, vormde hen tot behoorlijk georganiseerde afdeelingen en verhoogde daardoor hunne bruikbaarheid zeer.

Pelusiacum ostium, Pelousiakon stoma, oostelijkste monding van den Nijl.

Pelusium, Pelousion = slijkstad, stad aan den oostelijken Nijlmond te midden van moerassen gelegen, doch juist hierdoor zeer sterk en een der sleutels van Aegypte. Vandaar, dat de stad en haar omtrek in de oorlogen der Assyriërs en der Perzen tegen Aegypte en ook nog later eene belangrijke rol speelt.

Penates, familiegoden der Rom., eigenlijk goden van de voorraadskamer (penus) van het Rom. huis; ze worden gewoonlijk Di Penates = goden van de voorraadskamer genoemd, en Vesta wordt dikwijls als ééne er van beschouwd; het zijn dus Di familiares. Hun dienst hangt nauw samen met dien van Vesta en de Lares. Evenals deze werden zij aan den huiselijken haard vereerd en kregen zij hun deel van alle maaltijden, die door het huisgezin gebruikt werden; zij worden beschouwd als de personificatie van het intiem huiselijk leven.--Ook de staat had zijne penates, die maiores of publici genoemd worden in tegenstelling van de andere, die minores of privati heeten. De P. van Rome waren, zooals men sedert Caesar en Augustus algemeen aannam, door Aeneas uit Troje naar Lavinium, van daar door Ascanius naar Alba Longa medegenomen, en na de verovering van die stad naar Rome overgebracht, zij werden in een geheime kast in den tempel van Vesta bewaard. Bovendien hadden zij een tempel op de Velia.

Peneis, Daphne, dochter van den riviergod Peneus.

Peneleos, Peneleos, zoon van Hippalmus en Asterope, een van de Argonauten en aanvoerder der Boeotiërs in den trojaanschen oorlog. Hij werd door Eurypylus no. 4 gedood.

Penelope, Penelope, -peia, dochter van Icarius en Periboea, gemalin van Odysseus. Toen bij het lange uitblijven van haar gemaal zich het gerucht van zijn dood verbreidde, kwamen de edelste jongelieden uit de omliggende landen naar Ithaca om naar hare hand te dingen. Zij bleef echter steeds op de terugkomst van Odysseus hopen en wenschte dus geen bepaald antwoord op al die aanzoeken te geven, daarom bedacht zij een list, ten einde de minnaars tot uitstel te bewegen. Zij beloofde namelijk een keus te doen, wanneer het lijkkleed van Laërtes gereed zou zijn, dat zij bezig was te weven, maar wat zij bij dag aan dit kleed afwerkte haalde zij des nachts weder uit. Toen deze list door hare dienstmaagden aan de minnaars verraden was en zij sterker op eene beslissing aandrongen, kwam Odysseus juist van pas terug, hij doodde de minnaars en leefde verder met P. gelukkig tot zijn dood. Daarna huwde zij met Telegonus, den zoon van Odysseus en Circe en eindelijk werd zij naar de eilanden der gelukzaligen verplaatst.--V. a. had zij de huwelijkstrouw niet ongeschonden bewaard, was zij daarom door Odysseus verstooten en had zij zich over Sparta naar Mantinea begeven, waar men haar graf toonde.

Penestae, Penestai, 1) lijfeigenen in Thessalië, personen die van de vroegere bewoners van dat land afstamden. Zij waren rechtens in denzelfden toestand als de Heloten in Lacedaemon, doch waren niet het eigendom van den staat, maar van particulieren.--2) illyrische stam ten N. van den Lychnitis lacus, onderdeel van de Dassaretae; hoofdstad Uscana.

Peneus, Peneios, 1) hoofdstroom van Thessalia, die op den Pindus ontspringt, tal van zijtakken opneemt en door het liefelijk dal Tempe tusschen den Olympus en den Ossa naar de golf van Thermae stroomt. Het kristalheldere water van deze rivier is meermalen door dichters bezongen. Als riviergod is Peneus een zoon van Oceanus en Tethys en de vader van Daphne en Cyrene.--2) rivier in Elis.

Penius, rivier in Colchis, die in den Pontus Euxinus (Zwarte zee) valt.

Pentaëteris, pentaeteris, de helft van eene ennaëteris.

Pentakosiomedimnoi, atheensche burgers der eerste klasse volgens de indeeling van Solon; hiertoe behoorden zij, wier grondeigendom jaarlijks minstens 500 medimmen of metreten opbracht, een opbrengst, die eene waarde heeft van 500 drachmen en een kapitaal van 1 talent vertegenwoordigt.

Pentapolis, Pentapolis, 1) in het aziatische Doris de bond der 5 steden Ialysus, Camirus, Lindus, Cos en Cnidus, die door de toetreding van Halicarnassus eene hexapolis werd.--2) in Cyrenaica de steden Cyrene, Berenice, Arsinoë, Ptolemais en Apollonia.--3) in het land der Philistijnen: Gaza, Gath, Ascalon, Azotus, Jamnia.

Pentathlum, Pentathlon, Quinquertium, een wedstrijd in vijf afdeelingen: springen (halma, saltus), loopen (dromos, cursus), worstelen (pale, lucta), werpen met de schijf (diskos, discus), vuistgevecht (pygme, pugilatus); later voegde men er werpen met de speer (akontisis, iaculatio) bij. Om den prijs te krijgen moest men in iedere afdeeling overwonnen hebben.

Pentekontaëtie noemt men het ongeveer vijftig jaren lange tijdperk tusschen den perzischen en den peloponnesischen oorlog.

Penteleum, Penteleion, sterkte in het N. van Arcadia, aan den berg Penteleia, Penteleus mons.

Pentelicus, Pentelikon oros, berg in Attica, beroemd om zijn marmer (pentelesios lithos), ook Brilessus, Brilessos, geheeten.

Penthesilea, Penthesileia, dochter van Ares en Otrera, koningin der Amazonen, die na den dood van Hector den Trojanen te hulp kwam. Zij werd door Achilles gedood, die echter zelf weende bij het gezicht van haar jeugd, schoonheid en heldenmoed.

Pentheus, Pentheus, zoon van Echion en Agave, volgde Cadmus als koning van Thebe op. Hij verzette zich tegen het invoeren van den dienst van Dionysus, en toen hij zich naar den Cithaeron begaf om een feest der Bacchanten te verbieden, werd hij door zijn moeder en de overige vrouwen, die hem in razernij voor een wild dier hielden, gedood en verscheurd.

Penthilus, Penthilos, zoon van Orestes en Erigone no. 2, stichter eener volkplanting op Lesbus. Hij wordt de stamvader genoemd van de Penthiliden, eene familie, die tot het midden der zevende eeuw op Lesbus de koninklijke waardigheid bezat.

Pentri, de eenige samnietische volksstam, die na den slag bij Cannae aan Rome trouw bleef. Hoofdstad: Bovianum.

Peparethus, Peparethos, eil. in de Aegaeische zee ten Z.O. van Thessalia, door de Chalcidiërs gekoloniseerd, beroemd om zijn wijn.

Pephredo, Pe(m)phredo, eene van de Graeae.

Peplum, -plus, peplos, -plon, een kleedingstuk bij de Grieken, dat in vorm overeenkwam met de romeinsche palla en ongeveer op dezelfde wijze gedragen werd. In de oudste tijden schijnt het alleen door vrouwen, later ook door mannen gedragen te zijn. Bijzonder beroemd is de peplos van Athena, z. Panathenaea.

Peraea, Peraia, 1) het overjordaansche gedeelte van Palaestina.--2) he peraia ton Rhodion, het carische kustland tegenover Rhodus.--3) he peraia Tenedion, mysische kuststreek tegenover Tenedus.--4) kolonie van Mitylene op de kust van Mysia.

Percote, Perkote, oude stad in Mysia aan den Hellespont.

Perdiccas, Perdikkas, 1) een afstammeling van den Heraclide Temenus uit Argos, vluchtte met zijne broeders naar Illyrië, en stichtte van daar uitgaande het macedonische rijk, waarvan hij de eerste koning werd, omstreeks 700. V. a. was hij de opvolger van Caranus (z. a.).--2) P. II, zoon van Alexander no. 5, regeerde na den dood van zijn vader (454) met zijne broeders Alcetas en Philippus, sedert 436 alleen. De uitbreiding van de atheensche macht op de kusten van zijn rijk maakte hem tot een natuurlijk vijand der Atheners, toch durfde hij slechts zelden openlijk tegen hen optreden, en in den peloponnesischen oorlog stond hij bij afwisseling aan hunne zijde of aan die van hunne vijanden. Hij regeerde tot 413.--3) P. III, zoon van Amyntas II, deelde na den dood van zijn broeder Alexander no. 6 het rijk met Ptolemaeus Alorites, zijn zwager (369); nadat deze vermoord was (365) regeerde hij tot 360, hij sneuvelde in een slag tegen de Illyriërs.--4) dapper veldheer en vertrouwd vriend van Alexander d. G. Hij onderscheidde zich bij het beleg van Thebe, bij de slagen aan den Granicus, bij Issus en bij Gaugamela en op den tocht naar Indië. Alexander overhandigde hem op zijn sterfbed zijn zegelring. Na den dood van Alexander werd besloten dat P. in naam van Alexanders nog ongeboren zoon en van Philippus Arrhidaeus het rijk zou besturen. Hij liet Meleager (z. a.) en diens aanhangers dooden, huwde met Nicaea, de dochter van Antipater, en trachtte op alle wijzen zijne macht te bevestigen. Maar de andere veldheeren toonden zich weinig geneigd zijn gezag te erkennen, en weldra was alleen Eumenes aan P. en het koninklijke huis trouw gebleven, terwijl daarentegen Antigonus, wegens ongehoorzaamheid voor het gerecht gedaagd, naar Europa vluchtte en zich met Antipater, Craterus en Ptolemaeus tegen P. verbond. Deze verstiet nu Nicaea en trad in het huwelijk met Cleopatra, de dochter van Philippus, vooreerst wendde hij zich tegen Ptolemaeus, en toen hij bij eene poging om den Nijl over te trekken zich met groot verlies moest terugtrekken, brak een opstand uit onder de door zijne strengheid verbitterde soldaten, vele officieren vielen van hem af en eenige drongen in zijne tent en doodden hem (321).

Perdix, Perdix = Talos no. 1.

Perduellio. In het oude fetiaalrecht is perduellis = vijand, terwijl hostis synoniem met peregrinus was. Onder perduellio verstaat men vijandige handelingen van den burger tegenover den staat, b. v. pogingen tot omwenteling, verstandhouding met den vijand, ook overloopen, desertie enz. Daar de volkstribunen sedert de lex Hortensia van 287 het recht hebben, politieke misdrijven te vervolgen, wordt perduellio sedert dien tijd slechts weinig genoemd; zie duumviri perduellioni iudicandae.

Peregrinus, de buitenlander, de vreemdeling, in tegenstelling met den rom. burger. Zie omtrent hun rechten ius gentium.

Peregrinus Proteus, Peregrinos Proteus, van Parium, cynisch wijsgeer, vestigde zich, na een tijd lang een zwervend leven geleid te hebben, te Athene. Hij wendde alle middelen aan om de aandacht van het publiek te trekken, en toen hij met dit doel had bekend gemaakt dat hij zich bij de feesten te Olympia zou laten verbranden, drongen zijne aanhangers op de vervulling zijner belofte aan, en was hij genoodzaakt zijn woord te houden (164 n. C.). Hij was ook een tijdlang Christen geweest. Hij is vooral bekend door de satire van Lucianus: de morte Peregrini.

Peremne auspicari. Auspiciën verloren hunne kracht bij het overschrijden van een water, tenzij daarbij zekere vormen in acht werden genomen en een formulier werd uitgesproken. Dit heette peremne auspicari en moest ook plaats hebben, wanneer men, om op den Campus Martius comitiën te houden, den amnis Petronia, een beekje aan den voet van den Capitolinus, moest overgaan.

Perenna, zie Anna Perenna.

Perfectissimi, titel der ambtenaren van den vierden rang, door Constantijn d. Gr. ingevoerd.

Perga, Perge, stad in het binnenland van Pamphylia, met een beroemden tempel van Artemis.

Pergama, ta Pergama, de burcht van Troje, ook wel de stad zelve. Neptunia Pergama, omdat Neptunus met Apollo voor koning Laomedon de muren der stad had gebouwd.

Pergamum, Pergamon, beroemde stad in het mysische gewest Teuthrania, ten N. van den Caicus. Na den dood van Alexander d. Gr. behoorde het tot het gebied van Lysimachus, totdat in 284 diens schatmeester Philetaerus afvallig werd en te P. een eigen rijkje stichtte, dat hij in 263 aan zijn neef Eumenes I naliet. In 188, na den syrischen oorlog, kreeg Eumenes II van Rome het grootste gedeelte van het door Antiochus afgestane land. Attalus III vermaakte in 133 zijn rijk en zijne schatten aan het rom. volk. Zijn onechte broeder Aristonicus weigerde dezen afstand te erkennen, doch werd verslagen, gevangen naar Rome gevoerd en ter dood gebracht. Het rijk van Pergamus werd de rom. provincie Asia (129). De vorsten van P. waren groote beminnaars van kunst en wetenschap geweest. Van de bouw- en beeldhouwwerken, door de Duitschers daar opgegraven, is vooral beroemd het groote Zeusaltaar, in de 2de eeuw gesticht, waarvan het beeldhouwwerk naar Berlijn is overgebracht. In de geschiedenis der beeldhouwkunst neemt de Pergameensche kunst een afzonderlijke plaats in. De bibliotheek van P. bevatte 200000 boekrollen. Ook de nijverheid bloeide; fabricatie van manufacturen en weeldeartikelen werd op groote schaal gedreven. Het perkament, charta pergamena, ontleende zijn naam aan de stad. De bibliotheek werd later op last van M. Antonius naar Alexandria overgebracht.

Pergamus, Pergamos, 1) = Pergama.--2) = Pergamum.--3) stad op Creta bij Cydonia, sterfplaats van Lycurgus.

Periaktoi, twee driehoekige prisma's, waarvan de zijden als coulissen beschilderd waren; het geheele lichaam draaide om een spil, zoodat op deze wijze de drie verschillende zijden bij afwisseling voor de toeschouwers zichtbaar konden gemaakt worden. Z. theatrum.

Periander, Periandros, zoon van Cypselus, geb. 668, volgde zijn vader in de regeering over Corinthe op (627). Aanvankelijk regeerde hij gematigd, hij gaf wetten tegen weelde en overdaad, bevorderde handel en scheepvaart door het aanleggen van kanalen, het stichten van volkplantingen enz., beschermde kunsten en wetenschappen en liet de stad met prachtige bouwwerken versieren. Kort voor zijn dood besliste hij als scheidsrechter een geschil tusschen Athene en Mytilene over het bezit van Sigeum. Nadat hij echter door zijne mishandelingen den dood zijner gemalin Melissa veroorzaakt had, waardoor hij zich een oorlog met zijn schoonvader Procles, tyran van Epidaurus, op den hals haalde, gaf hij zich, naar men wil, aan dronkenschap over en vertoonden zich bij hem blijken van gekrenkte geestvermogens. Uit achterdocht bedreef hij de grootste wreedheden, hij omgaf zich met eene lijfwacht van 200 man, woedde vooral tegen den adel en deed zijn best om de dorische eigenaardigheden bij zijn volk uit te roeien. Zie ook Lycophron. Door allen verlaten en door wroeging gefolterd stierf hij, 585. Dat hij tot de zeven wijzen behoord zou hebben, wordt reeds door de ouden tegengesproken. Als zijn spreuk wordt aangehaald: melete to pan, voorzorg is alles.

Periboea, Periboia, 1) Najade, die hare onsterfelijkheid prijs gaf om met den arcadischen koning Lelas te trouwen.--2) gemalin van Polybus, die Oedipus als zoon aannam en opvoedde.--3) dochter van Hipponous, gemalin van Oeneus, moeder van Tydeus.--4) Najade, gemalin van Icarius, moeder van Penelope.--5) of Eriboea, dochter van Alcathous, gemalin van Telamon, moeder van Aiax.

Pericles, Perikles, 1) Athener, zoon van Xanthippus, van moederszijde met de Alcmaeoniden verwant, genoot in zijne jeugd het onderwijs van Zeno van Elea, den toonkunstenaar Damon en vooral van Anaxagoras, mannen, met wie hij ook op lateren leeftijd zeer bevriend bleef. Nadat hij zich in verscheiden veldtochten onderscheiden had, trad hij in 469 als staatsman op, en wel als tegenstander van de aristocratische en spartaansch gezinde partij, die onder de leiding van Cimon stond. Sedert deze door het ostracismus verbannen was (460), was P. de eerste man in den staat en hij bleef dit ook na de terugkomst van Cimon. Gewoonlijk behoorde hij tot de strategen, soms was hij ook met het beheer der financiën en der openbare bouwwerken belast, maar zijn grooten invloed had hij vooral te danken aan zijne persoonlijke eigenschappen; zijn politiek doorzicht en zijne overredende welsprekendheid maakten hem tot een volksleider in den goeden zin van het woord. Zijn doel was in Athene aan de democratische instellingen de grootst mogelijke uitbreiding en ontwikkeling te geven en het tot den eersten, zoo mogelijk tot den heerschenden, staat in Griekenland te maken. Om aan alle burgers niet alleen gelijke rechten te verschaffen, maar hen ook in staat te stellen die rechten inderdaad uit te oefenen, werd de macht van den Areopagus beperkt, waarbij P. persoonlijk echter slechts eene ondergeschikte rol speelde (z. Ephialtes), de werkkring van de heliaea uitgebreid, aan den eenen kant door liturgieën de grootste lasten op de schouders der rijken gelegd, aan den anderen kant door het invoeren van betaling voor rechters enz. de armeren verlicht en tot het gebruiken hunner burgerrechten aangemoedigd. Daar de democratie in zijn tijd haar glanspunt bereikte, worden hem een aantal wetten in democratischen geest toegeschreven, waarvan echter waarschijnlijk vele reeds voor of eerst na hem zijn ingevoerd. Kunst en wetenschap moedigde hij ten zeerste aan, de voornaamste kunstenaars van Griekenland zochten Athene op en vonden er werk, het Parthenon, het Odeum, de Propylaea, e.a. onsterfelijke kunstwerken zijn in dezen tijd gebouwd, grootendeels onder leiding van Phidias, den vriend van P.--Zijn streven om Athene's macht ook te land uit te breiden veroorzaakte reeds vroeg een oorlog met Sparta (457), die, hoewel de slag bij Tanagra verloren werd, aanvankelijk voor Athene gunstig verliep; toen in 451 door tusschenkomst van Cimon een vijfjarige wapenstilstand gesloten werd, was Aegina onderworpen, Megara met Athene verbonden, Boeotië, Locris en Phocis gedwongen geworden zich bij Athene aan te sluiten, zelfs waren eenige gelukkige tochten naar de Peloponnesus en naar Acarnanië gedaan. Maar weldra verhief zich de oligarchische partij in Boeotië tegen dezen toestand, en toen Tolmides tegen den raad van P. den slag bij Coronea waagde en verloor (447), vielen ook Locris, Phocis, Megara en Euboea af, en deden de Spartanen een inval in Attica. Wel wist P. hen door omkooping tot den aftocht te bewegen en veroverde hij Euboea weder, maar bij den dertigjarigen vrede (445) werd Athene gedwongen al zijne bezittingen in de Peloponnesus op te geven en Boeotië, Megara, Locris en Phocis uit den bond te laten treden. Daarentegen veranderde langzamerhand de betrekking van Athene tot de zeestaten, zoodat deze van bondgenooten tot onderhoorigen werden; P. uitte onverholen de meening, dat zij aan Athene gehoorzaamheid en schatting schuldig waren, terwijl Athene daarentegen verplicht was hen te helpen en te verdedigen. De meeste staten misten de middelen om zich tegen deze aanspraken te verzetten, daar zij de gewoonte hadden aangenomen voor de verdediging van den bond geld in plaats van soldaten te geven; die het niettemin beproefden, werden met geweld ten onder gebracht, zooals Euboea, Aegina, Samus. Sedert 454 werd de bondskas te Athene bewaard en als Atheensch eigendom beschouwd en behandeld. Een middel, waardoor P. staten van twijfelachtige trouw aan Athene verbond en tevens arme burgers verzorgde, was het uitzenden van cleruchieën; bijna 5000 atheensche burgers kregen op deze wijze in verschillende deelen van Griekenland grondbezit. Maar P. zag wel in, dat Athene vroeg of laat zijne heerschappij, hoe hecht zij ook gevestigd scheen, zou moeten verdedigen, daarom nam hij reeds sedert het begin van den dertigjarigen vrede alle mogelijke maatregelen tegen den onvermijdelijken oorlog, en toen deze oorlog eindelijk uitbrak, had Athene 300 schepen, een leger van 30000 hopliten en 8000 talenten in kas, terwijl de jaarlijksche inkomsten 1000 talenten bedroegen. Hij ried daarom aan de eischen der Spartanen (z. Pelop. oorlog) af te wijzen, den oorlog moedig te ondernemen en voorzichtig te voeren. Wel vond hij verbitterden tegenstand bij de aristocratische grondeigenaars en bij de boeren, die van een oorlog de grootste schade zouden ondervinden; wel trachtten zijne tegenstanders, die hemzelf niet durfden aanvallen, aan hunne verbittering lucht te geven door aanklachten tegen Anaxagoras, Aspasia en Phidias, maar P., steunend op het vertrouwen van het volk, hield vol en, hoe moeilijk de tijden ook waren, het bleef naar hem luisteren. Eerst toen door oorlog en pest de nood op het hoogst gestegen was en de ontevredenheid een offer zocht, waagde men het P. van slecht beheer der staatsgelden te beschuldigen, inderdaad werd hij tot een geldboete veroordeeld (430), doch spoedig keerde het vertrouwen van het volk terug en werd hij opnieuw tot strateeg verkozen. In het volgende jaar stierf hij, v.s. aan de pest.--2) onechte zoon van den vorigen bij Aspasia. Ter eere van zijn vader gaf het volk verlof hem onder de burgers op te nemen; hij was een van de atheensche vlootvoogden, die na den slag bij de Arginusae ter dood veroordeeld werden.

Periclymenus, Periklymenos, 1) zoon van Neleus en Chloris no. 3, Argonaut, was zeer sterk en konde verschillende gedaanten aannemen; bij de verwoesting van Pylus werd hij door Heracles gedood.--2) zoon van Poseidon en Chloris no. 4, Thebaan, die bij den oorlog der zeven tegen Thebe Parthenopaeus doodde en Amphiaraus op de vlucht vervolgde.

Perideipnon, een maaltijd, door de bloedverwanten van een gestorvene na zijne begrafenis in het sterfhuis gehouden.

Perieres, Perieres, zoon van Aeolus, koning van Messenië, vader van Aphareus en Leucippus.

Perigune, Perigoune, dochter van Sinis, bij Theseus moeder van Melanippus.

Perilaus, Pirilaos, 1) zoon van Icarius en Periboea, v. s. aanklager van Orestes bij den Areopagus.--2) of Perillus, kunstenaar van Agrigentum, maakte een koperen stier, waarin een mensch kon verbrand worden, en die zoo gemaakt was, dat het geschreeuw van het slachtoffer op het gebrul van een stier geleek. Hij bood dien stier voor eene aanzienlijke som aan Phalaris aan, maar deze nam de eerste proef met den kunstenaar zelf.

Perillus, Perillos, z. Perilaus no. 2.

Perinthus, Perinthos, bloeiende volkplanting (559) van Samus, op de thracische kust aan de Propontis (zee v. Marmara) gelegen. Zij verdedigde zich met goed gevolg tegen Philippus van Macedonië. Later Heraclea Perinthus.

Perioikoi, afstammelingen van de oude bevolking der peloponnesische staten, wien door de dorische veroveraars de vrijheid en gedeeltelijk ook hun grondeigendom gelaten was. Zij misten het burgerrecht en moesten schatting opbrengen. In Lacedaemon is de naam Lacedaemoniërs soms in het bizonder op hen toepasselijk, terwijl daarentegen de heerschende Doriërs zich Spartanen noemen.

Peripatetici, Peripatetikoi, wijsgeeren uit de school van Aristoteles (z.a.).

Periphas, Periphas, 1) attisch autochthoon, die nog vóór Cecrops over Attica regeerde en wegens zijne wijsheid en goedheid als een god vereerd werd. Hierover vertoornd, wilde Zeus hem met den bliksem dooden, maar op de bede van Apollo veranderde hij hem in een arend.--2) een Aetoliër, die voor Troje door Ares gedood werd.--3) een Griek, die bij de verovering van Troje den burcht innam.--4) heraut van Aeneas.

Periphetes, Periphetes, zoon van Hephaestus en Anticlea, een berucht roover, die met een ijzeren knots de reizigers doodde, die in zijne handen vielen. Theseus doodde hem in de nabijheid van Epidaurus en ontnam hem de knots.

Peripoloi waren te Athene belast met de bezetting der grensvestingen en de bewaking van het land. Zij hadden eene lichte wapenrusting en werden slechts bij uitzondering buitenslands gezonden. De dienst der per. gold als eene voorbereiding voor den werkelijken krijgsdienst en was daarom aan de epheben opgedragen.

Peripterus, peripteros, is een tempel, wanneer er eene kolonnade aan al de vier zijden om heen loopt. Staan de zuilen aan de zijkanten en den achterkant ter halverwege in den muur dan zegt men pseudoperipterus.

Peristasis noemt men de zuilengangen rondom den dorischen tempel, zie columna.

Peristylium, peristylion, een ruimte, rondom ingesloten door zuilen, die binnen de muren staan. Het komt eerst sedert den hellenistischen tijd voor, z. Domus en Oikia.--2) = Peristasis.

Permessus, Permessos, beekje in Boeotia, ontspringt op de zuidelijke helling van den Helicon en stroomt langs Thisbe en Leuctra.

Pero, Pero, de schoone dochter van Neleus en Chloris, gemalin van Bias, z. Melampus.

Pero, laars van ruw of ongelooid leder.

Perone, z. Fibula.

Perperena, Perperena, vlek in Mysia, ten Z. van Adramyttium.

Perpernae, ook Perpennae. 1) M. Perperna werd samen met L. Petillius door den illyrischen koning Gentius, tot wien zij als gezanten kwamen, gevangen gehouden, totdat de praetor Anicius hen met een leger kwam bevrijden (168).--2) M. Perperna, consul in 130, overwon den pergameenschen kroonpretendent Aristonicus. Hij overleed te Pergamum.--3) M. Perperna, consul in 92, censor in 86.--4) M. Perperna, een laatdunkend en onbekwaam man, koos in den burgeroorlog de partij van Marius en werd praetor. Toen Sulla zegevierde, week hij naar Sicilië, van waar Pompeius hem verjoeg. In 78 was hij onderbevelhebber van den oproerigen consul Mam. Aemilius Lepidus, na wiens nederlaag hij naar Hispania tot Sertorius vluchtte. Door zijne afkomst achtte hij zich ver boven Sertorius verheven en zoo nam hij deel aan eene samenzwering, waardoor S. vermoord en P. tot aanvoerder werd uitgeroepen (72). Hij werd echter spoedig door Pompeius verslagen en gevangen genomen, trachtte nog door eene laaghartigheid zijn leven te redden, doch werd ter dood gebracht.

Perrhaebi, Perraiboi, krijgshaftig volk in het Noorden en in het Oosten van Thessalia, en ook in het N. van Euboea wonend.

Perranthes, berg in Epirus, bij Ambracia, ten O. van den Arachthus.

Persaeus, Persaios, 1) z. Perses.--2) van Citium, slaaf, later leerling van Zeno, leefde als stoicijnsch wijsgeer aan het hof van Antigonus Gonatas, die hem veldheer maakte en aanvoerder van het macedonische garnizoen van Corinthe. Hij sneuvelde in den strijd tegen Aratus (± 243).

Perse, Perseis, Perse, Perseis, dochter van Oceanus, gemalin van Helius, moeder van Aeetes, Circe, Pasiphaë, e. a.

Persephone, Persephone, -phoneia, Persephassa, Pherreph-, Kore, Proserpina, dochter van Zeus en Demeter, gemalin van Hades, die in de onderwereld over de schimmen der afgestorvenen regeert. Na Homerus treedt hare verhouding tot Demeter meer op den voorgrond dan die tot Hades, zelfs is zij in de mysteriën de bruid van Iacchus en heeft Hades haar slechts door geweld tot gemalin gekregen en door list behouden. Toen zij nl. eens op de vlakte van Nysa of bij Enna bezig was bloemen te plukken, opende zich plotseling de aarde, en uit de opening verscheen Hades, op zijn gouden met vier zwarte paarden bespannen wagen gezeten, en ontvoerde haar in weerwil van haar tegenstreven. Zeus had hem hiertoe zijne toestemming gegeven, maar Demeter, die niet wist waar hare dochter gebleven was, zocht deze vruchteloos negen dagen en nachten, totdat zij van Helius vernam, dat zij toch niet in P.'s tegenwoordig verblijf zou kunnen doordringen; in toorn trok zij zich van het gezelschap der goden terug, terwijl alle groei op aarde ophield. Eindelijk was Zeus genoodzaakt P. door Hermes uit de onderwereld te laten terughalen, maar Hades geeft haar, voordat hij haar laat gaan, de pit van een granaatappel, het zinnebeeld van het huwelijk, zoodat zij niet voor goed het sombere rijk van haar gemaal kan verlaten, maar er een derde van het jaar moet doorbrengen. Intusschen had Demeter, bewogen door de gastvrije ontvangst van Celeüs, door Triptolemus de kennis van den landbouw onder de menschen laten verbreiden en de eleusinische mysteriën ingesteld. In dezen mythus is P. blijkbaar het zinnebeeld van het jaarlijks terugkeerende afsterven en herleven der plantenwereld, waaraan in de mysteriën verder de beteekenis gegeven werd van eene zinnebeeldige voorstelling van verlossing uit den dood. De nauwe betrekking, die tusschen P. en hare moeder gedacht wordt te bestaan, wordt uitgedrukt door den veelal aan beide godinnen gemeenschappelijken eeredienst, door hare gemeenschappelijke bijnamen (Despoina, Megale thea), en vooral door den naam Kore (de jonkvrouw, dochter), die P. in de mysteriën droeg. Onder den invloed van de mystiek der Orphici werd zij later dikwijls verward met Hecate, Gaea, Rhea e.a.--Zij wordt afgebeeld als koningin der onderwereld met schepter en kroon, of als de bruid van Iacchus met klimopkrans en fakkels, of eenvoudig als de jonge dochter van Demeter; tot hare attributen behooren de narcis, papaver en korenaren.

Persepolis, Persepolis, heilige hoofdstad van het landschap Persis, door Darius aangelegd, aan den Medus, dicht bij zijn uitmonding in den Araxes. De burcht met het koninklijk paleis, de schatkamer en de graven der perzische koningen, was door een driedubbelen muur omgeven. De stad werd door Alexander d. Gr. geplunderd en gedeeltelijk verwoest.

Perses, Perses, 1) of Persaeus, zoon van Crius en Eurybia, vader van Hecate.--2) zoon van Helius en Perseis.--3) zoon van Perseus en Andromeda, mythisch stamvader der Perzen.--4) broeder van Hesiodus (z.a.).--5) bij latijnsche schrijvers = Perseus van Macedonië.

Perseus, Perseus, 1) zoon van Zeus en Danaë (z. Acrisius). Hij werd door koning Polydectes van Seriphus opgevoed, maar toen hij opgegroeid was, wenschte deze zich van hem te ontslaan, hetzij omdat hij hem voor zijne regeering gevaarlijk achtte, hetzij omdat hij Danaë in zijne macht wilde brengen. Door valsche voorspiegelingen wist hij P. de belofte te ontlokken, dat hij desnoods het Medusahoofd voor hem zoude halen, en daarna drong hij op de vervulling van die belofte aan. Door de hulp van Hermes en Athena kwam P. bij de Graeae (z.a.), maakte zich, terwijl zij sliepen, van haar oog en tand meester en dwong haar dus hem den weg te wijzen naar de woning der nimfen, die hem de middelen konden verschaffen om zijne onderneming tot een goed einde te brengen. Van de nimfen kreeg hij gevleugelde schoenen, een tasch en den helm van Hades, Athena voegde er een spiegel en Hermes een sikkel bij. Met deze uitrusting kwam hij bij de Gorgonen (z. a.) aan de overzijde van den Oceaan, hij vond ze slapend en sloeg Medusa het hoofd af, terwijl hij, om niet versteend te worden, het gelaat afwendde en haar in den spiegel zag; toen de andere Gorgonen ontwaakten en hem wilden grijpen, maakte hij zich door den helm onzichtbaar. Met het afgehouwen hoofd in zijn tasch, nam hij met zijne gevleugelde schoenen over Afrika den terugtocht aan. Door de versteenende kracht van het Medusahoofd wreekte hij zich op Atlas, bevrijdde hij Andromeda en verdedigde hij zich tegen Phineus en diens aanhangers, eindelijk kwam hij op Seriphus terug, toen Polydectes op het punt stond Danaë tot een huwelijk te dwingen; tot straf veranderde hij ook dezen door het gezicht van het Medusahoofd in steen, waarop hij diens broeder Dictys koning over het eiland maakte. Met Danaë en Andromeda keerde hij nu naar Argos terug, maar nadat hij door een ongelukkig toeval zijn grootvader gedood had, ruilde hij zijn rijk tegen dat van zijn achterneef Megapenthes; zoo werd hij koning van Tiryns, van waar uit hij Midea en Mycenae stichtte. Hij was de stamvader der Persiden, tot welke o. a. ook Heracles behoorde. Tusschen Argos en Mycenae, op Seriphus en te Athene had hij een heiligdom. Met Andromeda werd hij onder de sterren geplaatst.--2) onechte zoon van Philippus III (z. a.), voerde reeds op jeugdigen leeftijd oorlog tegen de Illyriërs, en later, toen zijn vader met de Rom. in bondgenootschap was, tegen de Aetoliërs. In 178 volgde hij zijn vader als koning van Macedonië op. Aanvankelijk regeerde hij wijs en gematigd, met de Rom. sloot hij vriendschap, maar daar hij wel inzag dat een oorlog met hen onvermijdelijk was, rustte hij zich ijverig daarvoor toe, hij vergrootte zijn leger, zorgde voor een ruimen voorraad van levensmiddelen en geld, verbond zich met Illyriërs, Thraciërs e. a., en trachtte zich in Syrië, Boeotië en Aetolië aanhangers te verwerven. In 171 brak de oorlog uit, die aanvankelijk ten gevolge van de onbekwaamheid der rom. veldheeren door P. met geluk gevoerd werd, maar met hoeveel overleg hij ook zijne maatregelen genomen had, op het oogenblik van handelen miste hij de vastberadenheid om zijne met zorg beraamde plannen uit te voeren, van zijne overwinningen wist hij geen gebruik te maken, en door zijne gierigheid vervreemdde hij zijne soldaten en bondgenooten van zich. In 168 kreeg de consul L. Aemilius Paullus het opperbevel over het rom. leger, en nadat deze de krijgstucht door gepaste maatregelen hersteld had, behaalde hij in den slag bij Pydna eene beslissende overwinning. P. vluchtte met zijne schatten naar Samothrace, maar gaf zich terstond over, toen de Rom. hem vervolgden; hij moest den triumftocht des consuls opluisteren, en bracht de weinige overige jaren van zijn leven als gevangene te Alba Fucentia door.

Persicus sinus, ho Persikos kolpos, tegenwoordig nog als de Perzische golf bekend.

Persii. De beroemdste van dit geslacht is de dichter A. Persius Flaccus, te Volaterrae in Etruria in 34 na C. uit den ridderstand geboren, een leerling van den stoicijn Annaeus Cornutus en een vriend van den dichter Lucanus. Hij was ook bevriend met Seneca en Thrasea Paetus. Van zijne gedichten zijn zes satiren tot ons gekomen. Hij had zich Horatius en Lucilius tot voorbeeld gekozen. In 62 stierf hij aan eene maagkwaal.

Persis, Persis, Persike, de bakermat van het groote perzische rijk, ten Z. van Media. De Persae, Persai, waren in drie kasten verdeeld de edelen, de landbouwers, de nomadische herdersstammen. Uit Media kwam de priesterkaste der Magiërs.

Persona, het tooneelmasker. De afmetingen der oude theaters waren van dien aard, dat bij de tooneelspelers van mimiek geen sprake kon zijn; men kon deze toch niet waarnemen. Om deze reden droegen de spelers maskers, die geheel berekend waren op het effekt en waaraan de toeschouwers terstond konden zien, welke soort van rol zij voorstelden, waarmede de haartooi of pruik dan in overeenstemming moest wezen. Zoo waren b.v. de maskers voor goden, heroën, vorsten hoog van maaksel, zoodat zij den speler grooter en verhevener lieten schijnen. Voor het treurspel had men ten minste 25 verschillende typen, 6 voor senes, 7 voor jongelieden, 9 voor vrouwen, 3 voor slaven; voor het blijspel worden 43 typen vermeld. Figuranten, personae mutae, hadden maskers met gesloten mond.

Pertinax (P. Helvius), rom. keizer 193 na C. Hij begon zijne loopbaan als letterkundig leeraar, trad vervolgens in den krijgsdienst, werkte zich omhoog, verkreeg in 176 het consulaat, doch viel later (182) bij Commodus in ongenade en werd verbannen, maar weder teruggeroepen, waarna hij nog in Britannia en Africa diende. Daarop was hij voor de tweede maal consul met Commodus in 192. Toen Commodus den 31 Dec. 192 vermoord werd, werd Pertinax door de soldaten tot keizer uitgeroepen, doch reeds 28 Maart door de praetorianen omgebracht, daar hij de krijgstucht poogde te verscherpen.

Perusia, Perousia, eene der 12 etruscische bondssteden, op een heuvel ten O. van het Trasimeensche meer nabij den Tiber gelegen, o. a. bekend door den oorlog, Bellum Perusinum in 41, toen Fulvia, de vrouw van den drieman M. Antonius, haar zwager L. Antonius tot een oorlog tegen Octavianus wist te bewegen. L. Antonius werd toen te Perusia door Octavianus belegerd. Bij de inneming der stad staken de verbitterde soldaten van Oct. haar in brand; zij werd echter herbouwd; thans Perugia.

Perzische oorlogen (492-449). Verbitterd door den opstand der ionische Grieken onder Aristagoras, verstoord door de hulp, die Athene en Eretria aan de opstandelingen verleend hadden, en bovenal begeerig om na den mislukten tocht tegen de Scythen zijn rijk aan een anderen kant door verovering uit te breiden, besloot Darius I een leger naar Europa te zenden. Zijn schoonzoon Mardonius, die over dit leger het bevel voerde, onderwierp de Macedoniërs en veroverde Thasus, maar keerde daarop naar Azië terug, daar zijn vloot bij den Athos schipbreuk geleden had en zijn leger door de Thraciërs verslagen was. Darius gaf echter zijn voornemen niet op, maar zond twee jaar later een leger van 100000 man onder Datis en Artaphernes over zee naar Griekenland, die op Euboea landden en Eretria innamen, maar in den slag bij Marathon tegen 9000 Atheners, versterkt door 1000 Plataeërs en aangevoerd door Miltiades, de nederlaag leden en terugkeerden (490). Nieuwe toerustingen van Darius werden door zijn dood afgebroken, en zijn opvolger, Xerxes, konde eerst na het onderdrukken van een aegyptischen opstand aan den oorlog tegen Griekenland denken, dien hij aanvankelijk gaarne geheel had opgegeven, maar waartoe hij aangespoord werd door Mardonius, de Pisistratiden en de thessalische Aleuaden. Nadat hij een brug over den Hellespont had laten slaan en de landengte van den Athos had laten doorgraven, trok hij in 480 met een ontzaggelijk leger van 800.000 man voetvolk en 80.000 ruiters en eene vloot van 1200 schepen naar Griekenland. De peloponnesische staten (behalve Argos), Athene en eenige andere besloten zich te verdedigen, Thessalië, Thebae en de eilanden hadden zich reeds vroeger onderworpen. De Thermopylae werden bezet door ruim 6000 man onder Leonidas, de vloot van 271 schepen lag bij Artemisium. Een driedaagsche zeeslag bleef onbeslist, maar na de nederlaag bij de Thermopylae trok de vloot zich terug naar Salamis. Intusschen trok Xerxes door Midden-Griekenland naar Athene, dat door de burgers verlaten was, en toen nu de Peloponnesiërs verder wilden terugtrekken en zich tot de verdediging van de landengte van Corinthe wilden bepalen, bewoog Themistocles, ten einde dit plan te verijdelen, Xerxes door list de grieksche vloot, die nu 366 schepen sterk was, in te sluiten. In den nu noodzakelijk geworden slag behaalden de Grieken eene schitterende overwinning (September 480), Xerxes ging met de overblijfselen van zijne vloot, ongeveer 300 schepen, naar Azië terug, terwijl hij Mardonius met 300.000 man in Thessalië achterliet. Nadat deze daar overwinterd had, rukte hij in het volgende jaar weder Griekenland in, Athene werd weder door de burgers verlaten en door Mardonius ingenomen, waarop hij zich in Boeotië legerde. De Grieken, 110.000 man sterk en aangevoerd door Pausanias, ontmoetten hem bij Plataeae, en behaalden weder eene luisterrijke overwinning (479); Mardonius sneuvelde met het grootste deel van zijn leger, en slechts 40.000 man konden zich in behoorlijke orde terugtrekken. Op denzelfden dag versloeg de grieksche vloot van 120 schepen onder Leotychides en Xanthippus de Perzen bij Mycale, en daarmede was de oorlog naar Azië overgebracht. De Grieken, in het vervolg meestal aangevoerd door Cimon, gingen nu aanvallend te werk, en behaalden o. a. aan den Eurymedon eene groote overwinning te land en ter zee (466). De Perzen werden uit geheel Europa verjaagd, de aziatische Grieken werden van hen onafhankelijk, en sedert 449 vertoonde zich geen perzisch oorlogsschip in de Aegaeïsche zee. Of op deze voorwaarden een formeele vrede gesloten is, is onzeker, z. Cimon.--De in dit artikel genoemde getallen, aangevende de sterkte der perzische legermacht, berusten op opgaven van oude schrijvers en worden door vele nieuweren sterk overdreven geacht. Zie hieromtrent het artikel taxis.

Pes als maat, rom. voet = 0,295 meter.

Pescennius Niger (C.) was in 190 na C. bevelhebber in den dacischen oorlog, werd in 191 door Commodus naar Syrië gezonden en na den dood van Pertinax door zijne troepen tot keizer uitgeroepen (293). Hij was een bekwaam en dapper generaal, doch werd door zijn mededinger Septimius Severus bij Issus verslagen en op de vlucht gedood (194).

Pesseia, een spel, dat veel overeenkomst heeft met ons damspel. Men speelde het met steenen (pessoi) op een bord (pessa), dat in 36 vakken (chorai, poleis) verdeeld was.

Pesssinus, Pessinous, belangrijke stad van Galatia, waar zich een beeld van Cybele bevond, dat uit den hemel was gevallen. Ten gevolge eener uitspraak der sibyllijnsche boeken werd dit beeld in 204 naar Rome overgebracht en daarmede de dienst der Magna Mater aldaar ingevoerd.

Petalismus, petalismos, instelling te Syracuse, gelijk aan het ostracismus te Athene. De stemmen werden op bladeren (petala) van een olijfboom geschreven, vandaar de naam.

Petasmata, gordijnen, die soms gebruikt werden om kamerdeuren te vervangen.

Petasus, petasos, hoed met breeden rand, gewoonlijk bij de chlamys gedragen.

Petelia, Petelia, stad op de Oostkust van het land der Bruttii, even ten N. van Croton, volgens de sage door Philoctetes gesticht, en bekend door de hardnekkige, ofschoon vruchtelooze verdediging tegen Hannibal.

Peteon, Peteon, vlek in Boeotia, in het gebied v. Thebe.

Peteos, Peteos, zoon van Orneus, door Aegeus uit Attica verdreven, stichtte Stiris in Phocis.

Petilia = Petelia.

Petilii = Petillii.

Petillia (lex), plebisciet van 187, gericht tegen de gebroeders Scipio, Asiaticus en Africanus maior, tot instelling van een onderzoek de pecunia capta ablata coacta ab rege Antiocho. Dit is geen wet, maar een eisch, door twee tribuni plebis Q. Petillius Ateius(?) en Q. Petillius Spurinus (Petillii no. 1) in den senaat ingesteld. De eisch werd afgewezen.

Petillii, plebejisch geslacht. 1) Q. Petillius Spurinus liet als praetor urbanus in 181 een aantal voorgewende boeken van Numa Pompilius, die in den grond gevonden waren, verbranden. In 176 sneuvelde hij als consul tegen de Liguriërs. Z. ook Petillia (lex).--2) L. Petillius, zie Perpernae no. 1.--3) Q. Petillius Cerealis, een ervaren generaal, slaagde in 70 na C. er in, den opstand der Batavieren onder Civilis tot een einde te brengen. Vervolgens onderwierp hij als stadhouder van Britannië de Brigantes, die opgestaan waren.

Petra, Petra, 1) bloeiende stad van Arabia Petraea, ten Z. van Palaestina, halverwege tusschen de Doodenzee (Asphaltites lacus) en den Aelaniticus sinus, in eene door steile bergwanden omgeven vlakte gelegen en slechts toegankelijk door bergkloven. Door zijne ligging was Petra het middelpunt van den handel tusschen Aegypte, Syrië en Arabië. Het was met de hoofdstad Bostra de belangrijkste stad van Arabia Petraea.--2) bergvesting in Sogdiana.--3) stad der Maedi in Thracia.--4) plaats bij Dyrrachium in Illyria.--5) stad in het macedonische landschap Pieria.--6) stadje (demus) in Corinthia.--7) vlek in het gebied van Elis.--8) stad op Sicilia, ten N.N.W. van Henna.

Petreii, plebejisch geslacht. M. Petreius, legaat van den consul C. Antonius, versloeg in 63 de benden van Catilina bij Faesulae. Van 54-49 was hij legaat van Pompeius in Hispania, streed in 49 tegen Caesar en moest een verdrag sluiten. Na Pompeius' dood verzamelde hij troepen in Africa, en benam zich na de nederlaag bij Thapsus het leven.

Petrinum, berg en landgoed bij Sinuessa op de grens van Campania in Latium.

Petrocorii, gallisch volk ten N. van de Garumna (Garonne) in het tegenw. Périgord. Hoofdstad Vesunna (Périgueux).

Petronii. 1) C. Petronius, stadhouder van Aegyptus onder Augustus, veroverde Napata, de hoofdstad der aethiopische vorstin Candace, in 23, en noodzaakte haar zelve in 21 zich te onderwerpen. Hij legde in Aegypte verschillende kanalen aan, om de productiviteit van het land te vergrooten, en onderdrukte een opstand te Alexandria.--2) P. Petronius, was onder Tiberius en Caligula eerst stadhouder in Asia, later legaat in Syria en trok zich de belangen der Joden aan. Hij kreeg o. a. bevel, het standbeeld van Gaius (Caligula) in den tempel te Jerusalem te plaatsen, maar verzocht den keizer op zijn besluit terug te komen (39 n. C.).--3) P. Petronius Turpilianus was onder Nero generaal in Britannia (61 na C.). Hij werd door Galba zonder vorm van proces gedood (69).--4) C. Petronius Arbiter, proconsul van Bithynia onder Nero, was een van diens vertrouwelingen, doch in 66 na C. hij den keizer zwart gemaakt en van verraad beticht, opende hij zich op reis eene ader en stierf. Volgens Tacitus schitterde hij aan het hof als volleerd hoveling en ceremoniemeester, arbiter elegantiae. Hieraan heeft P. zeker den bijnaam Arbiter te danken; het beroemde, gedeeltelijk tot ons gekomen en in romantischen vorm geschreven Satyricon van Petronius Arbiter wordt thans algemeen aan hem toegewezen. Het is eene fijn geteekende en uit het leven gegrepen schets van de toenmalige zeden in verschillende standen. Een meesterstuk in dit opzicht is het gastmaal van den rijken parvenu Trimalchio.--4) T. Petronius Secundus, was in 95 na C. stadhouder van Aegyptus. In 96 was hij praefectus praetorio, en nam toen deel aan den moord op Domitianus, maar werd zelf het slachtoffer van de verbittering der praetorianen.--5) M. Petronius Sura Mamertinus, consul 182 n. C., schoonzoon van Marcus Aurelius, door Commodus omgebracht.--6) Petronius Didius Severus, vader van keizer Didius Iulianus.--7) Petronius Maximus, zie Maximus (Petronius).

Peuce, Peuke, eiland, gevormd door de beide zuidelijke Donaumonden en bewoond door de Peucini, een bastarnischen stam.

Peucestes, Peukestes, -tas, veldheer van Alexander d. Gr. Bij de bestorming van de hoofdstad der Malli redde hij den koning het leven, daarvoor werd hij tot satraap over Persis aangesteld. Door het aannemen van perzische taal, kleeding en zeden maakte hij zich bij zijne onderdanen bemind, maar wekte hij de ontevredenheid der Macedoniërs op. Na den dood van Alexander streed hij als bondgenoot van Eumenes tegen Antigonus, na den val van Eumenes gaf hij zich aan Antigonus over, die hem zijne satrapie ontnam.

Peucetia, Peuketia, Z.O. helft van Apulia, bewoond door de Peucetii, Peuketioi.

Peucetius, Peuketios, broeder van Oenotrus, dien hij naar Italië volgde; v. s. is Peucetia naar hem genoemd.

Peucini, Peukenoi, bastarnische volksstam aan de Donaumonden. Zie Peuce.

Pezetairoi, naam van de zware infanterie in de macedonische legers. Zij waren ingedeeld in zes of meer taxeis, die weder verdeeld waren in lochoi.

Phacium, Phakion, stad in Pelasgiotis in Thessalia, ten O. van Crannon.

Phacusa, Phakousa, stad in de Nijldelta aan den Pelusischen arm.

Phaea, Phaia, heette het wilde zwijn van Crommyon, dat door Theseus gedood werd.

Phaeaces, Phaiakes, een mythisch volk, dat vroeger in Hyperea gewoond had, maar daar het veel van de naburige Cyclopen te lijden had gehad, naar Scheria verhuisd was, waar Odysseus op het einde van zijne zwerftochten gastvrij ontvangen werd en van waar hij naar zijn vaderland werd teruggebracht. Zij zijn lievelingen der goden, rijk en vooral ter zee machtig. Scheria wordt door de ouden voor Corcyra gehouden, dat vandaar Phaeacia tellus genoemd wordt.

Phaeax, Phaiax, 1) atheensch veldheer, ging in 422 naar Sicilië, om de volkspartij van Leontini tegen de Syracusanen te ondersteunen, maar keerde terug zonder veel uitgericht te hebben. Als staatsman was hij een tegenstander van Alcibiades, hoewel zij samenwerkten om de verbanning van Hyperbolus te bewerken.--2) bouwmeester te Agrigentum op het einde der 4de eeuw.

Phaeca = Pheca.

Phaedo, Phaidon, van Elis, vriend en leerling van Socrates. Na diens dood leefde hij in zijne vaderstad als leeraar der wijsbegeerte en stichtte hij een eigen school, de elische genoemd, die in richting niet veel van de megarische verschilde. Plato noemde zijn samenspraak over de onsterfelijkheid der ziel naar hem; zijn werken zijn alle verloren gegaan.

Phaedra, Phaidra, dochter van Minos en Pasiphaë, gemalin van Theseus, moeder van Acamas en Demophon. Na den door haar veroorzaakten dood van Hippolytus (z. a.) beroofde zij zich van het leven.

Phaedriades, Phaidriades, twee steile, kale rotsen ten N.O. van Delphi, behoorende tot den Parnassus (z. a.), die een kloof vormen. In de nabijheid vindt men de bron Castalia.

Phaedrus, Phaidros, 1) leerling van Socrates, bevriend met Hippias en met Plato, die een van zijne werken naar hem noemde.--2) hoofd der epicureïsche school te Athene, leermeester van Cicero, eerst te Rome (90), later te Athene (79/78).--3) van Pieria, kwam als slaaf naar Rome, maar werd door Augustus vrijgelaten. Hij schreef eene latijnsche bewerking van de fabels van Aesopus in iambische verzen. Bovendien heeft hij eigen novellen en anekdoten gedicht. Wegens te recht of ten onrechte in zijn werk gevonden politieke toespelingen schijnt hij onder Tiberius vervolgd en gestraft te zijn, maar later weer vrij te zijn gekomen.

Phaënna, Phaenna, eene van de Charites bij de Spartanen.

Phaesana, Phaisana, stad in Z. Arcadia.

Phaestus, Phaistos, 1) stad op de Z. kust van Creta, bij Gortyna. De opgravingen der laatste jaren hebben hier, evenals te Cnosus, belangrijke overblijfselen uit zeer ouden tijd aan het licht gebracht, zie Cnosus en Creta.--2) stad in het N. van Thessaliotis.--3) stad der ozolische Locriërs, met een Apollo-tempel.

Phaëthon, Phaethon, 1) bijnaam van Helius.--2) zoon van Helius en Clymene, ging, om allen twijfel aan zijne goddelijke afkomst weg te nemen, naar het paleis van den zonnegod en vroeg hem om een teeken, waardoor hij door ieder als zijn zoon erkend zou worden. De god zwoer bij den Styx hem iederen wensch te zullen toestaan. Ph. vroeg nu verlof voor een enkelen dag den zonnewagen te mogen besturen, en hoewel zijn vader hem dringend vermaande van dien vermetelen wensch af te zien, moest hij zijn eed gestand doen. Inderdaad was de jongeling niet in staat de vurige paarden in bedwang te houden, de geheele aarde raakte in brand, en om grootere onheilen te voorkomen, zag Zeus zich genoodzaakt hem met den bliksem te dooden, waarop hij uit den wagen in den Eridanus viel.--3) zoon van Eos en Cephalus, door Aphrodite ontvoerd en tot bewaker van haar tempel aangesteld.

Phaëthontiades = Heliades.

Phaëthusa, Phaethousa, dochter van Helius en Neaera, weidde met hare zuster Lampetië de kudden van haar vader.

Phagres, Phagres, oude sterke stad in Macedonia, dicht bij den Strymon en den mons Pangaeus.

Phaininda, een balspel, waarbij men op het oogenblik van werpen aan den bal eene geheel onverwachte richting gaf, de andere spelers liepen dan om het hardst om den bal te halen.

Phalaecus, Phalaikos, zoon van Onomarchus, opvolger van Phayllus als aanvoerder der Phocensers in den heiligen oorlog. Toen Philippus Phocis onderwierp (346), ging Ph. met zijne huurtroepen naar de Peloponnesus en van daar naar Creta, waar hij bij het beleg van Cydonia gedood werd.

Phalanthus, Phalanthos, stichter van Tarentum (z. Partheniae), stierf te Brundisium en werd als halfgod vereerd.

Phalanx, phalanx, het leger in slagorde. De gewone slagorde bij de Grieken was zoo, dat de troepen in even lange gelederen achter elkander stonden. De diepte der phalanx was gewoonlijk 8 man, doch werd naar omstandigheden gewijzigd; de beroemde macedonische phalanx was 16 rijen diep, in den slag bij Leuctra trok Epaminondas zijne troepen op den linkervleugel samen, zoodat deze eene diepte van 50 man kreeg en met onweerstaanbare kracht den rechtervleugel der Spartanen, waar de koning stond, kon doorbreken.

Phalara, ta Phalara, haven van Lamia aan de Malische golf.

Phalarica, een groote brandpijl, met werk, pek, enz. omwonden, die uit een catapulta naar de vijanden geschoten werd. De pijl was voorzien van een drie voet lange ijzeren punt.

Phalaris, Phalaris, van Astypalaea, werd uit zijne vaderstad verbannen en ging naar Agrigentum, waar hij door zijn rijkdom tot hoog aanzien kwam. Onder voorwendsel dat hij een tempel voor Zeus wilde laten bouwen verzamelde hij eene menigte werklieden; daarop gaf hij hun wapenen, en op dit leger steunende wierp hij zich tot tyran op (570). Hij onderwierp verscheiden naburige staten en regeerde hebzuchtig en wreed (z. Perilaus). Na eene regeering van 16 jaar werd hij bij een opstand gedood. De brieven, die zijn naam dragen, zijn onecht, v. s. eerst uit den tijd der Antonijnen.

Phalasarna, ta Phalasarna, havenstad op de W.kust van Creta, met een Artemistempel.

Phalces, Phalkes, zoon van Temenus, maakte zich van de regeering over Sicyon meester. Hij en zijne broeders doodden Temenus, omdat deze de regeering over Argos aan hun zwager Deïphontes overgegeven had.

Phalera (plur.) en phalerae, ta phalara, lederen, met metalen schubben bedekte stormband en wangbedekking aan den helm. Verder bij de Rom. metalen medailles op de borst der soldaten, tot belooning uitgereikt, ook metalen sieraden aan het hoofdstel of borsttuig der paarden.

Phalerum, of -us, Phaleron, -os, de oudste en meest oostelijke der havens van Athene, eigenlijk een open baai, die echter door haar beschutte ligging een veilige ligplaats aanbood voor schepen.

Phalinus, Phalinos, van Zacynthus, kwam als bekwaam krijgskundige in de gunst van Tissaphernes, die hem na den slag bij Cunaxa naar de Grieken zond om met hen te onderhandelen.

Phaloria, Phaloria, vesting geheel in het W. van Hestiaeotis in Thessalia, aan den Peneus.

Phanae, Phanai, Zuidkaap en haven van het eiland Chius, met een Apollotempel.

Phanagoria, Phanagoreia en -ria, grieksche stad op den aziatischen oever van den Bosporus Cimmerius (straat v. Jaffa), later hoofdstad van het bosporaansche rijk.

Phanes, Phanes, bij de Orphici = Eros.

Pha(e)nias, Pha(i)nias, 1) van Eresus, leerling van Aristoteles, vriend van Theophrastus, schrijver van werken over geschiedenis, wijsbegeerte en natuurwetenschappen, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard zijn.--2) een van de bevelhebbers der atheensche vloot in den corinthischen oorlog.

Phanocles, Phanokles, grieksch elegieëndichter, die waarschijnlijk in den alexandrijnschen tijd leefde. Van zijn werk, Erotes, zijn slechts kleine fragmenten bewaard gebleven.

Phanodemus, Phanodemos, schrijver eener Atthis, waarvan eenige onbeduidende fragmenten bewaard gebleven zijn. Hij was waarschijnlijk een Athener.

Phanote, vesting in Chaonia in Epirus, ten N. van Phoenice.

Phantasus, Phantasos, zoon van Hypnus, broeder van Morpheus (z. a.).

Phaon, Phaon, z. Sappho.

Pharae, Pharai, 1) eene der bondssteden van Achaia, in het binnenland, ten Z.O. van Olenus, met een oud orakel van Hermes; de inwoners werden Pharaes genoemd.--2) (Pharis), stad in Laconica, waarvan de inw. Pharitai heetten, ten Z. van Sparta.--3) (Pherae), stad in het Oosten van Messenia, dicht bij de Messenische golf, aan de Nedon; inw. Pharaitai.

Pharax, Pharax, Spartaan, die onder Lysander in Azië streed als vlootvoogd (397) en als spartaansch gezant te Athene (369) genoemd wordt.

Pharis, Pharis = Pharae no. 2.

Pharmacusa, Pharmakoussa, 1) eilandje bij Miletus, waar Caesar in handen der zeeroovers viel.--2) Pharmacusae, twee eilandjes bij Salamis.

Pharnabazus, Pharnabazos, satraap van Phrygië aan den Hellespont, ondersteunde sedert 413 de Spartanen krachtig tegen de Atheners, maar sloot in 410 vrede met laatstgenoemden. In den oorlog, dien de Spartanen later tegen Perzië voerden, had vooral zijne satrapie van de aanvallen van Thibron, Dercylidas en Agesilaus te lijden. Daarom zorgde hij voor het uitrusten eener vloot, die hij onder het bevel van Conon stelde, en na den slag bij Cnidus (394) verklaarde hij de grieksche zeestaten onafhankelijk, landde hij in de Peloponnesus en droeg hij bij tot den herbouw der atheensche muren. Hij verliet echter weldra Europa en kort daarna ook zijne satrapie, daar hij aan het hof geroepen werd om met de dochter des konings te trouwen. Van een krijgstocht naar Aegypte, in vereeniging met Iphicrates ondernomen, kwam hij onverrichter zake terug.

Pharnaces, Pharnakes, 1) koning van Pontus (183-157), zoon van Mithradates IV. Hij trachtte zijn gebied uit te breiden ten koste van Pergamus, Bithynia en Cappadocia en vestigde zijne residentie te Sinope. Ten laatste echter moest hij de gemaakte veroveringen weder opgeven. De stad Pharnacia werd door hem gesticht.--2) zoon van Mithradates VI of den Gr. van Pontus. Door de wantrouwendheid zijns vaders van dezen vervreemd, spande hij met de Rom. tegen zijn vader samen. Hiervoor werd hij als onafhankelijk vorst van het door Mithradates veroverde kustland ten O. en N.O. van den Pontus Euxinus erkend, het zoogenaamde Regnum Bosporanum (63). In den strijd evenwel tusschen Pompeius en Caesar zocht hij de bezittingen van zijn vader te heroveren; doch Caesar voorkwam hem door een snellen tocht, versloeg hem bij Zela (48) en joeg hem naar den Cimmerischen Bosporus terug in zoo korten tijd, dat hij aan den rom. senaat den afloop in deze beroemde drie woorden kon berichten: veni, vidi, vici. Pharnaces sneuvelde daarna in den strijd tegen zijne opgestane onderdanen (47).--3) perzisch satraap, omstreeks 430.

Pharnacia, Pharnakeia, stad op de kust van Pontus, door koning Pharnaces (z. a. no. 1) gesticht, eene zeer sterke stad. Zie verder Cerasus. Pharnacia heet tegenwoordig weder Kerasunt.

Pharos, lange mantel van fijn linnen, door mannen en later ook door vrouwen gedragen.

Pharsalus, Pharsalos, stad in het N. van Phthiotis, aan den Apidanus, ten Z. van den Enipeus met een beroemden Thetistempel en eene sterke acropolis. Hier had in 48 de groote en beslissende slag plaats tusschen Caesar en Pompeius.

Pharus, Pharos, 1) eilandje op de aegyptische kust, waar Menelaus bij zijn terugkeer uit Aegypte door tegenwinden werd opgehouden. Alexander verbond het door een dam van zeven stadiën, heptastadium, met de vaste kust en de stad Alexandrië. Op het eene uiteinde van het eiland liet Ptolemaeus II Philadelphus een marmeren vuurtoren bouwen, die onder de zeven wonderen der wereld werd gerekend.--2) eiland op de kust van Dalmatia, thans Lesina. Er lag eene stad op van denzelfden naam, door Aemilius Paullus verwoest.

Pharygae, Pharygai, z. Tarphe en Narycus.

Phaselis, Phaselis, dorische handelsplaats op de kust van Lycia, met drie voortreffelijke havens. Het werd als een van de hoofdplaatsen der zeeroovers in 78 door P. Servilius Vatia (Servilii no. 20) verwoest.

Phaselus, phaselos, een klein, licht en snelloopend vaartuig, v.s. zoo genoemd, omdat zij het eerst te Phaselis gebouwd werden, v. a. omdat zij den vorm van een snijboon (phaselus) hadden.

Phasiani, Phasianoi, volksstam in Colchis aan den Phasis.

Phasis, Phasis, rivier in Colchis, die op het Moschische gebergte ontspringt en in den Oosthoek van den Pontus Euxinus (Zwarte Zee) valt. Het dal van den Phasis is zeer vruchtbaar, doch de kust is moerassig: de huizen waren er op palen gebouwd. De colchische Phasis moet niet verward worden met den armenischen, veel langeren Phasis of Araxes, die zich in de Caspische zee stort. Aan of nabij den mond van den colchischen Phasis lag de stad Phasis, kolonie van Miletus. Naar deze plaats hebben de fazanten hunnen naam aves Phasianae.

Phasis, een soort van graphe, aangewend tegen hen, die de wetten op den handel overtraden, ontrouwe voogden, onrechtmatige bezitters van staatseigendom e. a. De aanklager kreeg bij veroordeeling een deel van dat, wat de veroordeelde betalen of afstaan moest.

Phatniticum, Phatneticum ostium, Phatnitikon stoma, een der Nijlmonden, tusschen den Sebennitischen en den Mendesischen Nijlmond gelegen.

Phayllus, Phayllos, 1) van Croton, beroemd kampvechter, die met een op eigen kosten uitgerust schip aan den slag bij Salamis deelnam.--2) opvolger van zijn broeder Onomarchus als aanvoerder der Phocensers in den heiligen oorlog (352). Daar hij geen geld ontzag, bracht hij een groot leger op de been, ook werd hij door Atheners, Lacedaemoniërs en Achaeërs ondersteund; hij werd echter herhaaldelijk verslagen en stierf reeds in 351.

Phazania, Phazania, z. Garamantes. Tgw. Fezzan.

Phea, Phea, Pheia, landtong met haven en vlek in Elis.

Pheca, Phaeca, kasteel bij Gomphi in Thessalia.

Phegea, Phegeia, z. Psophis.

Phegeis, Alphesiboea of Arsinoë, dochter van Phegeus.

Phegeus, Phegeus, 1) koning van Psophis, werd met zijne zonen door de zonen van Alcmaeon (z. a.) gedood.--2) Trojaan, priester van Hephaestus, door Diomedes gedood.--3) tochtgenoot van Aeneas.

Pheiditia, bij de Spartanen = syssitia.

Phelleus, Phelleus, bergstreek in Attica.

Phellus, Phellos, oude stad in het Zuiden van Lycia, met cyclopische muren.

Pheme, Pheme = Ossa.

Phemius, Phemios, zanger aan het hof van Odysseus. Hij zong ook bij de maaltijden der minnaars van Penelope, maar daar hij hiertoe gedwongen was geworden, spaarde Odysseus zijn leven op voorspraak van Telemachus.--V. s. was Ph. een schoolmeester te Smyrna, die Homerus als zoon aannam, waarom deze zijn naam in de Odyssee vereeuwigde.

Phemonoë, Phemonoe, dochter van Apollo, de eerste Pythia, vandaar soms algemeen = profetes. Men zeide, dat zij den hexameter had uitgevonden.

Pheneüs, Pheneos, oude stad in Arcadia met een gelijknamig meer, door herhaalde overstroomingen gevormd, aan den voet van den berg Cyllene.

Pherae, Pherai, 1) = Pharae no. 3.--2) thessalische stad in het Z.O. van Pelasgiotis, met de havenplaats Pagasae. In den mythischen tijd was zij de zetel van koning Admetus, later van de tyrannen Iason en Alexander.

Phereclus, Phereklos, bekwaam bouwmeester, gunsteling van Athena, bouwde o. a. het schip, waarop Paris Helena ontvoerde.

Pherecrates, Pherekrates, tooneelspeler, later voortreffelijk dichter der oude attische comedie, ouder tijdgenoot van Aristophanes. Van zijne 16 of 18 stukken bestaan nog slechts enkele fragmenten. Het metrum Pherecrateum is naar hem genoemd.

Pherecydes, Pherekydes, 1) van Syrus, een van de oudste grieksche wijsgeeren, de eerste grieksche schrijver van een wijsgeerig werk (Heptamychos, v. a. Pentemychos, peri physeos kai theon) en een van de eerste grieksche prozaschrijvers. Hij wordt een tijdgenoot van Alyattes en een van de leermeesters van Pythagoras genoemd, overigens is weinig van hem bekend.--2) van Lerus, gewoonlijk de Athener genoemd, logograaf in de 5de eeuw, die de mythische geschiedenis van Griekenland, in het bizonder van Attica, in een aantal werken beschreef, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard gebleven zijn.

Pherenicus, Pherenikos, thebaansch democraat, wiens vader Cephisodotus vele Atheners, die voor de 30 gevlucht waren, bij zich opgenomen had, werd op zijne beurt te Athene gastvrij opgenomen, toen hij voor de Spartanen uit Thebae wijken moest.

Pheres, Pheres, zoon van Cretheus en Tyro, mythisch stichter van Pherae in Thessalië.

Pheres, Pheres, naam door Homerus aan de Centauren gegeven.

Pheretiades, Pheretiades, Admetus, zoon van Pheres.

Pherinium, kasteel in Thessalia.

Pherne = proix.

Pherrephassa, Pherrephassa = Persephone.

Pherusa, Pherousa, eene Nereïde.

Phidias, Pheidias, Athener, zoon van Charmides, leerling van Hegias en Ageladas, de beroemdste kunstenaar uit den tijd van Pericles, wiens vriend hij was, en die alle groote werken tot verfraaiing van Athene door hem of onder zijne leiding liet uitvoeren. Hijzelf maakte bij voorkeur kolossale godenbeelden van goud en ivoor, waarin hij op de gelukkigste wijze bevalligheid en verhevenheid wist te doen gepaard gaan. Bovenal beroemd zijn zijne Athena Promachus, staande tusschen de Propylaeën en het Parthenon, zoo hoog dat men van Sunium het bovenste gedeelte er van konde zien, zijne Athena Parthenus van ivoor en goud, 26 el hoog, zijn Zeus te Olympia, het beroemdste kunstwerk der oudheid. Dit beeld was 40 voet hoog en zat op een troon van 12 voet. Het lichaam was van ivoor, doch zijn mantel, die van de heupen in sierlijke plooien neerhing, was van goud met ingewerkte bloemen, ook zijne sandalen waren van goud. Om het hoofd had hij een olijfkrans van groene steenen. In de rechterhand hield hij een beeld van de godin der overwinning, eveneens van goud en ivoor gemaakt, in de linkerhand zijn schepter, op welks punt een arend zat. Om den rijk met beeldhouwwerk versierden troon dansten Horen en Chariten. Het geheel maakte een onuitsprekelijken indruk van majesteit en goedheid. In de overblijfsels van het Parthenon zijn enkele door of onder den onmiddellijken invloed van Ph. vervaardigde werken bewaard gebleven.--Ph. stond dikwijls bloot aan de aanvallen van Pericles' vijanden. Met glans verdedigde hij zich tegen de beschuldiging, dat hij van het goud, voor de Athena Parthenus bestemd, zoude gestolen hebben, maar eene later tegen hem ingebrachte aanklacht wegens heiligschennis liep slechter voor hem af. Hij stierf in de gevangenis of te Olympia (432).

Phidippides, Pheidippides, de atheensche renbode, die bij den eersten inval der Perzen in Attica (490) naar Sparta gezonden werd om hulp te vragen, en in 2 dagen den afstand van 1140 stadiën aflegde.

Phidon, Pheidon, koning van Argos in de zevende eeuw, een krachtig en verlicht heerscher, die de heerschappij van Argos over de geheele Peloponnesus uitbreidde. Na zijn dood verloor Argos echter spoedig weder de door hem gevestigde macht. Van meer blijvend gevolg waren zijne maatregelen tot bevordering van het verkeer tusschen de staten onderling, onder welke vooral genoemd worden het slaan van gemunt geld en de invoering van een algemeen geldend stelsel van maten en gewichten.

Phigalia, Phigalia, oude stad in het Z.W. van Arcadia. Zij had haar roem vooral te danken aan den beroemden tempel van Apollo Epicurius, door den vermaarden atheenschen bouwmeester Ictinus, den schepper van het Parthenon, in het tot Phigalia behoorende vlek Bassae gebouwd. Van dezen tempel staan nog 36 zuilen met de architraven; een gedeelte van de fries der cella, den strijd der Centauren met de Lapithen en der Amazonen met de Grieken voorstellende, is in het Britsch Museum te zien; zie blz. 159.

Philadelphia, Philadelpheia, 1) stad in oostelijk Lydia aan den voet van den Tmolus, bij herhaling het tooneel van aardbevingen.--2) stad in Palaestina, in Peraea, de oude hoofdstad van Ammon, Rabbath Ammon, naar Ptolemaeus II Philadelphus verdoopt.--3) stad in het binnenland van W. Cilicia.

Philadelphus, Philadelphos, bijnaam van Ptolemaeus II en Attalus II.

Philae, Philai, eiland in den Nijl aan de Z. grens van Aegypte, met prachtige tempels en de graven van Isis en Osiris.

Philaeni, zie arae Philaenorum.

Philaeus, Philaios, zoon van Aiax no. 2 en Tecmessa, stond de heerschappij over Salamis aan de Atheners af, waarvoor hij atheensch burger werd. Hij was de stamvader der Philaiden, waartoe ook Miltiades behoorde.

Philammon, Philammon, mythisch zanger uit Thracië, zoon van Chrysothemis of van Apollo en Chione, vader van Thamyris en Eumolpus. Hij hielp de Delphiërs in een oorlog tegen de Phlegyers en sneuvelde daarbij.

Phileas, Phileas, van Athene, tijdgenoot van Hecataeus, schrijver van een aardrijkskundig werk, waarvan slechts weinige fragmenten bewaard zijn.

Philemon, Philemon, 1) arm, vroom, oud man in Phrygië, die met zijne vrouw Baucis gastvrijheid bewees aan Zeus en Hermes, toen deze als vermoeide reizigers bij verscheiden rijken en voornamen een schuilplaats gevraagd hadden, maar overal afgewezen waren. Daarvoor werd die geheele streek door het water verzwolgen, alleen de hut van Ph. bleef staan en werd in een prachtigen tempel veranderd, terwijl Zeus beloofde hem een verzoek te zullen inwilligen. Daarop verzocht Ph. met zijne vrouw tot bewaarder van den tempel aangesteld te worden en tegelijk met haar te sterven. Na verloop van jaren werd hij in een eik, zij op hetzelfde oogenblik in een linde veranderd.--2) van Syracusae of Soli, kwam jong naar Athene en trad omstreeks 330 als dichter der nieuwe comedie op. Tegenover de stukken van Menander, die uitmuntten door karakterteekening, behaalden die van Ph., waarin vooral de levendige handeling boeide, dikwijls den prijs. Op uitnoodiging van Ptolemaeus leefde hij eenigen tijd te Alexandrië, daarna keerde hij echter naar Athene terug, waar hij op hoogen leeftijd stierf (262). Van zijne 97 stukken zijn slechts fragmenten bewaard, twee ervan zijn beter bekend door de latijnsche bewerking van Plautus.--3) zoon van den vorigen, dichter der nieuwe comedie, schrijver van 54 stukken.

Philetaerus, Philetairos, 1) dichter van 21 blijspelen, die deels tot het tweede, deels tot het derde tijdperk der attische comedie behooren.--2) van Tium, geb. 343, diende onder Perdiccas, Antigonus en Lysimachus; deze vertrouwde hem de bewaking van den burcht van Pergamus toe, waarvan Ph. zich in 284 meester maakte. Onder de oorlogen der diadochen wist hij zich in zijn nieuw gevestigde regeering te handhaven, en bij zijn dood (263) liet hij het rijk Pergamus aan zijn neef Eumenes I achter.

Philetas, Philetas, van Cos of Rhodus, tijdgenoot van Philippus en Alexander, beroemd grammaticus en dichter, leeraar van Ptolemaeus Philadelphus, Theocritus en Zenodotus. Hij muntte uit in de erotische elegie en wordt door de Rom., vooral door Propertius, dikwijls nagevolgd.

Philinus, Philinos, 1) attisch redenaar, tijdgenoot van Demosthenes.--2) van Agrigentum, beschreef met groote partijdigheid voor de Carthagers de geschiedenis van den 1sten punischen oorlog.--3) van Cos, beroemd geneesheer en schrijver van geneeskundige werken, stichter eener empirische school van geneeskunde omstreeks 240.

Philippi, Philippoi, stad in het macedonische gewest Edonis, aan den berg Pangaeus gelegen, door Philippus gesticht op de puinhoopen van de thasische volkplanting Crenides. Bij Philippi sneuvelden in 42 Brutus en Cassius. De eerste christengemeente in Europa werd te Ph. gesticht.

Philippides, Philippides, beroemd dichter der nieuwe comedie, gunsteling van Lysimachus; van zijne 44 stukken zijn slechts onbeduidende fragmenten bewaard gebleven; nu en dan slaat hij daarin nog den vrijmoedigen toon der oude comedie aan.

Philippopolis, Philippopolis, stad in Thracia aan den Hebrus (Maritza), door Philippus van Macedonia gesticht, op de plek van het vroegere Eumolpias. Onder de Rom. werd het de hoofdstad der provincie Thracia. Thans Philippopoli.

Philippus, familienaam in de gens Marcia (Marcii no. 14-16).

Philippus (M. Iulius), Arabs bijgenaamd, was de zoon van een arabisch Bedoeinenhoofd; door Gordianus III werd hij in 243 na den dood van Timesitheus tot bevelhebber der praetorianen aangesteld. Nadat hij in 244 Gordianus III had laten vermoorden, werd hij door de soldaten tot Augustus uitgeroepen. Hij sloot vrede met de Perzen en vierde in 248 met grooten luister het feest van Rome's 1000-jarig bestaan. In 249 verloor hij bij Verona het leven tegen Decius, die door de pannonische legioenen tot rom. keizer was uitgeroepen.

Philippus, Philippos, 1) zoon van Argaeus, koning van Macedonië 621-588, sneuvelde in een oorlog tegen de Illyriërs.--2) zoon van Amyntas II en Eurydice, geb. 382. Als jongeling werd hij door Pelopidas, toen deze de macedonische aangelegenheden geregeld had, als gijzelaar naar Thebe medegenomen, waar hij drie jaar ten huize van Epaminondas of van Pammenes doorbracht. Na den dood van zijn ouderen broeder Perdiccas III nam hij in naam van diens minderjarigen zoon de regeering in handen; wel werden de aanspraken van andere pretendenten door de Thraciërs en Atheners ondersteund, maar door toegeven en beloften wist Ph. deze volken te winnen, zoodat zijne tegenstanders zich genoodzaakt zagen hem in het onbetwist bezit der regeering te laten. Nadat hij door gelukkige oorlogen tegen Illyriërs en Paeoniërs het rijk had uitgebreid, werd hij door de edelen tot koning uitgeroepen. Van toen af werkte hij met standvastigheid en beleid tot het bereiken van zijn doel: de grieksche staten onder macedonische hegemonie tot de verovering van het perzische rijk te vereenigen. Voorloopig wijdde hij zich aan het ordenen der binnenlandsche aangelegenheden, hij voerde eene nieuwe slagorde, de zoogenaamde macedonische phalanx, in, gewende zijne troepen aan strenge krijgstucht, en versterkte de inkomsten van het rijk door de ontginning der goudmijnen van den Pangaeus, die door een oorlog met de Thraciërs in zijn bezit waren gekomen. Inmiddels hield hij voortdurend het oog op Griekenland gevestigd, wel inziende dat de verdeeldheid der uitgeputte staten hem spoedig genoeg de gelegenheid zoude aanbieden om handelend op te treden. Zijne handelwijze was ook ten volle voor de bestaande toestanden berekend; hoewel een bekwaam krijgskundige, deed hij meer door geld en beloften, door omkooperij en bedrog, dan door de wapenen. Athene liet hem Amphipolis, Potidaea, en Methone nemen; door de Aleuaden te hulp geroepen tegen de tyrannen van Pherae, drong hij in Thessalië; ook vond hij gelegenheid zich in den heiligen oorlog (z. Phocis) te mengen en zelfs scheen het dat hij na eene overwinning op Onomarchus (352) een inval in Phocis wilde doen, maar hierin verhinderd door de Atheners, die een leger en eene vloot naar de Thermopylae zonden, keerde hij naar zijn land terug en wendde hij zich weder tegen Thracië, waar hij aan de atheensche belangen veel afbreuk deed. Ondertusschen trachtte hij in de Peloponnesus, op Euboea en elders partijen voor zich te vormen, eindelijk viel hij Olynthus aan, dat, door de Atheners te laat en onvoldoende ondersteund, door verraad in zijne handen viel (348). Met de Atheners sloot hij nu vrede, maar, hetzij hij hen door bedriegelijke beloften en het omkoopen van sommige hunner gezanten (Aeschines, Philocrates) wist te misleiden, hetzij de Atheners voor het oogenblik niet in staat waren het te beletten, de loop der gebeurtenissen was deze, dat hij nog gedurende de onderhandelingen nieuwe veroveringen in Thracië maakte, ongehinderd door de Thermopylae kwam, geheel Phocis onderwierp en ontwapende, de oppermacht van Thebe in Boeotië bevestigde, en zich in plaats der Phocensers in het Amphictyonen-verbond liet opnemen (346). Hiermede voorloopig tevreden, richtte Ph. zich weder tegen de barbaarsche naburen van zijn rijk, maar sedert 342 hervatte hij zijne vijandige handelingen tegen Athene, hij veroorzaakte onlusten op Euboea, viel de steden op de Chersonesus aan en bedreigde Perinthus en Byzantium. Phocion en Diopithes beletten hem wel eenig belangrijk voordeel te behalen, maar voordat de oorlog, dien de Atheners eindelijk verklaarden, beslist was, werd door de Amphictyonen besloten tot bestraffing der Locriërs van Amphissa (z. a.), en de uitvoering van dit besluit aan Ph. opgedragen. Hij kwam met een groot leger naar Griekenland, maakte spoedig een einde aan de op zichzelf onbeduidende zaak, die waarschijnlijk alleen in zijn belang op touw gezet was, maar bezette tevens Elatea in Phocis, van waar hij Thebe en Athene bedreigde (herfst van 339). Door toedoen van Demosthenes sloten nu deze beide staten een verbond, maar na eenige onbeduidende voordeelen leden hunne troepen bij Chaeronea een volkomen nederlaag (Aug. 338). Ph. behandelde de overwonnenen gematigd, en riep te Corinthe eene vergadering van afgevaardigden uit alle grieksche staten bijeen, waar tot den oorlog tegen Perzië onder het opperbevel van Ph. besloten werd. Maar terwijl hij zich met de voorbereiding van dien oorlog bezig hield, werd hij op de bruiloft zijner dochter Cleopatra, misschien met medeweten van zijne gemalin Olympias en hare aanhangers, door Pausanias, een van zijne lijfwachten, vermoord (336). Hij werd door zijn zoon Alexander opgevolgd.--3) z. Arrhidaeus.--4) zoon van Cassander, regeerde na den dood van zijn vader korten tijd over Macedonië.--5) Ph. III (of V), zoon van Demetrius II, opvolger van Antigonus Doson (221). Hij besteeg den troon op zeventienjarigen leeftijd en regeerde aanvankelijk met bekwaamheid en rechtvaardigheid; hij voerde niet zonder geluk een oorlog tegen het aetolisch verbond, die in 217 tot een einde gebracht werd wegens het gevaar van de inmenging der Romeinen in de zaken van Griekenland. Toen werd op een vergadering te Naupactus besloten tot eene vereeniging van alle gr. staten onder leiding van Ph. Doch door zijn gewelddadig optreden, door daden van roekelooze dwingelandij, zooals het vermoorden van Aratus (213), had hij zich, reeds voor het tot een botsing met de Rom. kwam, zoovele vijanden gemaakt, dat hij in die vereeniging slechts weinig steun vond. In den tweeden punischen oorlog sloot hij een verbond met Hannibal, doch in plaats van dezen krachtig te ondersteunen tergde hij slechts de Romeinen door aanvallen op hunne bondgenooten, Pergamus, Rhodus, Aetolië e. a. De Romeinen brachten eene vereeniging van Ph.'s vijanden tot stand en wikkelden hem in een oorlog, die echter spoedig, nadat de Macedoniërs eenige onbeduidende voordeelen behaald hadden, eindigde (205). Maar Ph. ging voort de Rom. op de oude wijze te verbitteren, hij vereenigde zich met Antiochus, begon een oorlog tegen Aegypte, enz.; zoodra dus de vrede met Carthago hun de handen vrij liet, verklaarden zij hem den oorlog, dien Ph., in het begin door het achaeisch verbond e. a. grieksche staten gesteund, niet zonder talent en geluk voerde. Toen echter de veldheer T. Quinctius Flamininus den Grieken vrijheid en onafhankelijkheid beloofd had, verlieten zij de zijde van Ph., en kort daarna verloor hij den beslissenden slag bij Cynoscephalae (197). Hij moest zijne bezettingen uit de grieksche steden terugtrekken, leger en vloot verminderen, 1000 talenten betalen, enz. Sedert dien tijd was hij als het ware de speelbal der Rom., die hem nu eens eenige meerdere vrijheid in zijne bewegingen lieten, dan weer hem voor zijne daden ter verantwoording riepen en op alle wijzen krenkten. Hij was te zeer ontmoedigd om zich door Hannibal of Antiochus tot een nieuw bondgenootschap tegen de Rom. te laten overhalen, hij streed zelfs als hun bondgenoot tegen de Aetoliërs, maar zijn steeds toenemende haat tegen hen wendde zich tegen zijn eigen onderdanen, en eindelijk liet hij zelfs zijn zoon Demetrius als romeinsch gezind ombrengen, die als gijzelaar te Rome geleefd had en het vertrouwen van het volk en den senaat genoot. Maar weldra bemerkte hij dat zijn onechte zoon Perseus, die hem tot die daad had aangespoord, slechts ten doel had gehad zichzelven door den dood van Demetrius den weg tot den troon te banen, en van verdriet over het gebeurde stierf hij (178).--6) Pseudo-Ph. z. Andriscus.--7) van Opus, leerling van Plato, bezorgde na diens dood de uitgave van een of twee zijner werken.--8) zoon van Herodes den Groote z. a.

Philiscus, Philiskos, 1) van Abydus, werd door den satraap Ariobarzanes naar Griekenland gezonden (368) om een vrede tusschen de oorlogvoerende staten tot stand te brengen; daar zijne pogingen zonder gevolg bleven, ondersteunde hij Lacedaemoniërs en Atheners met huurtroepen tegen de Thebanen. Beide staten gaven hem het burgerrecht. Later werd hij stadhouder aan den Hellespont, waar hij wegens misbruik van macht vermoord werd.--2) van Miletus, leerling van Isocrates, schrijver van redevoeringen e. a. werken. Hij was de leermeester van Timaeus en Neanthes.--3) van Aegina, leerling van Diogenes, v.s. leermeester van Alexander d. G.--4) van Corcyra, treurspeldichter, door de Alexandrijnen in de tragische pleias opgenomen. Hij leefde onder Ptolemaeus II.

Philistaei, Philistaioi, de Philistijnen, z. Palaestina.

Philistides, Philistides, wierp zich met hulp der Macedoniërs tot tyran van Oreüs op (342). Hij trachtte met Athene vriendschapsbetrekkingen aan te knoopen, maar zijne gezanten werden afgewezen en door een atheensch leger onder Phocion werd Oreüs bevrijd en Philistides gedood.

Philistion, Philistion, 1)grieksche mimograaf uit Bithynië, onder Augustus.--2) geleerd arts en geneeskundig schrijver, dikwijls door Galenus aangehaald.

Philistus, Philistos, rijk Syracusaan, bloedverwant van den ouden Dionysius, wien hij bij het verkrijgen der regeering en later ter zijde stond, totdat hij in 386 het wantrouwen van den tyran opwekte en verbannen werd. Door den jongen Dionysius teruggeroepen (366), kreeg hij weder veel invloed, en de verbanning van Dio wordt hem toegeschreven. Toen deze terugkwam, werd Ph., die het bevel over de vloot voerde, na een ongelukkig gevecht gevangen genomen en door het volk gedood (356). Gedurende zijne verbanning schreef hij in Adria, aan den mond van de Po, eene geschiedenis van Sicilië (Sikelika), waarop hij later nog een vervolg gaf. In het beschrijven der gebeurtenissen van zijn tijd toont hij groote partijdigheid voor Dionysius; wegens zijne duidelijk merkbare nabootsing van Thucydides wordt hij een Thucydides in 't klein (pusillus Th.) genoemd. Van dit zoo belangrijke werk zijn slechts enkele fragmenten over.

Philo, familienaam in de gens Publilia en de gens Veturia (Veturii no. 7 en 8).

Philo, Philon, 1) Athener, die door de 30 verdreven werd en zich te Oropus vestigde. Later kwam hij naar Athene terug, waar hij tot lid van den raad verkozen werd.--2) van Amphipolis, door Philippus van Macedonië verbannen (358).--3) zwager van Aeschines, in 347 lid van het gezantschap, dat met Philippus ging vrede sluiten.--4) bekwaam architect, die het groote arsenaal in den Piraeus bouwde (omstreeks 300) en over onderwerpen, zijn vak betreffend, schreef.--5) van Byzantium, leerling van Ctesibius, schrijver van een werk over werktuigkunde, voornamelijk over de toepassingen daarvan op het krijgswezen, waarvan een gedeelte bewaard gebleven is.--6) van Larisa in Thessalië, leerling van Clitomachus en zijn opvolger als hoofd der academie, soms stichter der vierde academie genoemd. Gedurende den oorlog met Mithradates vluchtte hij naar Rome, waar hij zich vele vrienden verwierf; Cicero ging veel met hem om.--7) geleerde Jood van Alexandrië, geb. omstreeks 25. In zijn talrijke, deels geschiedkundige, maar meest wijsgeerige, geschriften streeft hij naar een vereeniging van joodsche godsdienstleer en grieksche wijsbegeerte; door allegorische verklaring van het O.T. vindt hij daarin de verschillende stelsels der grieksche scholen, vooral de academische en stoicijnsche, terug. Reeds bejaard kwam hij naar Rome (40 n. C.), om zich bij Caligula over onderdrukking zijner geloofsgenooten te beklagen. Verslag van die Jodenvervolgingen en van zijn gezantschapsreis heeft hij gegeven in zijne geschriften: eis Phlakkon en Presbeia pros Gaion.--8) Herennius Ph., van Byblus, beroemd grammaticus, schrijver van verscheiden werken, waaronder een over het aanleggen van bibliotheken. Hij leefde in de tweede eeuw n. C. Zie Sanchoniathon. Zie ook Ammonius no. 3.

Philochorus, Philochoros, Athener, die in zijne talrijke werken, waarvan vele fragmenten bewaard zijn, de geschiedenis en oudheden van Attica met grondige geleerdheid en scherpzinnigheid behandelde. Door latere schrijvers wordt hij dikwijls aangehaald en hoog geprezen. Als tegenstander der Macedoniërs werd hij op last van Antigonus Gonatas gedood (261).

Philocles, Philokles, 1) atheensch treurspeldichter, wordt bespot als een onhandig navolger van Aeschylus, zijn oom. Toch behaalde hij eens den prijs tegen Sophocles. Hij zou 100 stukken geschreven hebben.--2) atheensch admiraal, een van hen, door wier onbekwaamheid de atheensche vloot bij Aegospotami genomen werd. Hij zelf werd gevangen genomen en door Lysander ter dood gebracht.

Philocrates, Philokrates, 1) atheensch veldheer, veroverde in den peloponnesischen oorlog het eiland Melus (416).--2) Athener, aan Euagoras van Cyprus te hulp gezonden met eene vloot, die door de Lacedaemoniërs genomen werd (390).--3) Athener, een van de onbeschaamdste handlangers van Philippus van Macedonië; de voor Philippus voordeelige vrede van 346 was door hem voorgesteld en wordt dikwijls naar hem genoemd. Later door Hyperides aangeklaagd, nam hij de vlucht (343).

Philoctetes, Philoktetes, zoon van Poeas en Demonassa, koning van Meliboea, vriend van Heracles, die hem op den brandstapel, welken niemand dan Ph. had willen aansteken, zijn boog en pijlen te geschenke gaf. Hij trok met zeven schepen mede naar Troje, maar toen de Grieken op het eiland Chryse geland waren om aan Athena te offeren, werd hij door een slang gebeten, en sedert was hij door zijne klachten en door de ondragelijke lucht van de wond zoo hinderlijk, dat men hem op raad van Odysseus op Lemnus aan wal zette en achterliet. Daar leefde hij eenzaam en met ondragelijke pijnen tot het tiende jaar van den oorlog, toen een orakel verklaarde dat Troje alleen door de pijlen van Heracles kon genomen worden. Odysseus en Neoptolemus werden gezonden om hem te halen, en hoewel Ph. eerst niet naar hen wilde luisteren, volgde hij hen eindelijk op bevel van Heracles zelf. Zijn wond werd door Asclepius of Machaon genezen, met een zijner pijlen doodde hij Paris en spoedig moest Troje vallen. V. s. verdwaalde hij op de terugreis naar Italië, waar hij Petelia stichtte.

Philocyprus, Philokypros, koning van Soli op Cyprus, die door Solon bezocht en in zijne gedichten geprezen werd.

Philodemus, Philodemos, van Gadara, epigrammendichter en geleerd epicureïsch wijsgeer, tijdgenoot van Cicero. Behalve een dertigtal epigrammen zijn ook van zijne wijsgeerige werken aanzienlijke fragmenten bewaard, die te Herculaneum gevonden zijn.

Philoetius, Philoitios, de herder der runderen van Odysseus, die hem behulpzaam was bij het dooden der minnaars van Penelope.

Philolaus, Philolaos, 1) van Corinthe, wetgever der Thebanen.--2) van Croton of Tarentum, tijdgenoot van Socrates, pythagoreïsch wijsgeer, de eerste die de leer van Pythagoras te boek stelde; slechts weinige fragmenten zijn bewaard gebleven. V. s. was hij de eerste, die leerde dat de aarde zich om hare as beweegt.

Philomela, Philomele, z. Procne.

Philomelus, Philomelos, van Ledon, spoorde de Phocensers tot tegenweer aan, toen zij door de Amphictyonen in den ban gedaan waren, en werd hun veldheer in den daarop gevolgden heiligen oorlog. Daar hij noch bij Sparta, noch bij Athene de verwachte hulp vond, moest hij zijn kracht in huurtroepen zoeken, en om deze te kunnen betalen, plunderde hij den tempel te Delphi (356). Na eenige kleine overwinningen op de Thebanen en Locriërs leed hij eene groote nederlaag, waarop hij zich in een afgrond stortte (354).

Philometor, Philometor, bijnaam van Ptolemaeus VI.

Philonides, Philonides, atheensch blijspeldichter, onder wiens naam het eerste stuk van Aristophanes werd opgevoerd, daar deze zich te jong achtte om voor het publiek op te treden. Ook als tooneelspeler trad hij in de stukken van Aristophanes op.

Philonoë, Philonoe, 1) dochter van Tyndareos en Leda, door de gunst van Artemis onsterfelijk gemaakt.--2) dochter van Iobates, gemalin van Bellerophon.

Philopappus (Antiochus), Philopappos, afstammeling der koningen van Commagene, liet ten tijde van Traianus een marmeren gedenkteeken te Athene oprichten, waarvan nog overblijfsels bestaan.

Philopator, Philopator, bijnaam van Ptolemaeus IV.

Philopoemen, Philopoimen, van Megalopolis, geb. 253, om zijn heldenmoed en liefde voor de vrijheid "de laatste der Grieken" genoemd, onderscheidde zich reeds als soldaat, toen zijne vaderstad door Cleomenes III belegerd werd (223), en later in den slag bij Sellasia. Na een verblijf van eenige jaren op Creta, waar hij in een burgeroorlog medestreed, keerde hij naar zijn vaderland terug, en in 208 werd hij tot strateeg van het achaeïsch verbond gekozen, welke betrekking hij later nog zevenmaal bekleedde. Als zoodanig voerde hij gepaste hervormingen in het krijgswezen in en wist hij den Achaeërs een nog ongeëvenaarde geestdrift voor hunne zaak in te boezemen, hij behaalde eene groote overwinning op Machanidas bij Mantinea (207); Argos, dat het verbond had verlaten, omdat dit zich met de Romeinen had vereenigd, werd genoodzaakt weder toe te treden. Ofschoon hij in een zeeslag overwonnen werd, versloeg hij de Lacedaemoniërs later weder te land, en na den dood van Nabis dwong hij Sparta tot het verbond toe te treden (192). Maar toen deze stad na eene poging tot afval door hem ingenomen en van hare muren ontdaan was, wendden de Spartanen zich tot de Rom. om hulp. Door hun steun wist nu eene oligarchische partij onder Dinocrates ook den afval van Messenië te bewerken, en toen Ph., hoewel hij ziek was, kwam toesnellen, joeg hij wel in het eerst Dinocrates op de vlucht, maar nadat zijn paard gevallen was en hij daardoor zich ernstig bezeerd had, werd hij gevangen genomen en reeds den volgenden nacht gedwongen den giftbeker te drinken (183).

Philostratus, Philostratos, 1) atheensch sophist in de 2de eeuw na C., schreef o. a. 43 treurspelen en 14 blijspelen. Van al zijne werken is niets bewaard. Tegenwoordig wordt echter de kleine dialoog Neron, die onder de werken van Lucianus is opgenomen, aan hem toegeschreven.--2) Flavius Ph., zoon van den vorigen, leefde eerst te Athene, later te Rome in de omgeving van Julia Domna en Caracalla. Van zijne talrijke werken zijn o. a. bewaard eene romantische levensbeschrijving van Apollonius van Tyana, levensbeschrijvingen van grieksche rhetoren in den rom. keizertijd en andere van minder belang.--3) de jonge Ph., schoonzoon van den vorigen, leefde te Athene, bezocht Rome en stierf op Lemnus. Van zijne werken bezitten wij nog eene rhetorische beschrijving van eene verzameling schilderijen.--4) kleinzoon van no. 3, schrijver van eene niet zeer gelukkige navolging van laatstgenoemd werk.

Philotas, Philotas, 1) zoon van Parmenio, officier en vriend van Alexander d. Gr., bij wien hij zich echter later door zijne vrijmoedigheid gehaat maakte. Daar hij geene aangifte gedaan had van eene samenzwering tegen het leven van Alex., die hem ter oore gekomen was, werd hij als medeplichtige daaraan beschouwd, ter dood veroordeeld en gesteenigd (330).--2) bevelhebber der macedonische bezetting in Thebe onder Alexander d. Gr.; na diens dood werd hem Cilicië als satrapie gegeven, doch in de daarop volgende oorlogen geraakte hij in gevangenschap.

Philoxenus, Philoxenos, 1) van Cythera, beroemd dithyrambendichter, vroeger slaaf, later leerling van den jongen Melanippides. Hij reisde door Griekenland, Italië, Sicilië en Klein-Azië en stierf te Ephesus (380). Wegens zijne vrijmoedige afkeuring van de gedichten van Dionysius I had hij te Syracuse eenigen tijd in de gevangenis doorgebracht.--2) onder Alexander d. G. schatmeester voor de westelijke provinciën, later opvolger van Philotas no. 2 als satraap van Cilicië.--3) van Eretria, beroemd schilder omstreeks het einde der 4de eeuw. Vooral bekend was zijne schilderij van den slag bij Issus. Een copie hiervan is waarschijnlijk het beroemde mozaiek uit Pompei.--4) geleerd grammaticus van Alexandrië, leefde in de 1ste eeuw te Rome. Hij was een tijdgenoot van Varro, die veel aan hem te danken had.

Philus, familienaam in de gens Furia (Furii no. 1 en 2).

Philyra, Philyra, Oceanide, bij Cronus moeder van Chiron; uit smart over de gedaante van haar zoon veranderde zij in een lindeboom.

Philyrides, Philyrides, Chiron, zoon van Philyra.

Phineus, Phineus, 1) broeder van Cepheus, door Perseus met het Medusahoofd versteend, omdat hij van zijne verloofde Andromeda geen afstand wilde doen.--2) zoon van Agenor, koning van Salmydessus, had bij Cleopatra twee zonen, wien hij op aandrijven zijner tweede gemalin, Idaea, de oogen liet uitsteken. Daarvoor werd hij door de Harpyieën gekweld, die zijne spijzen wegroofden of bezoedelden, totdat de Argonauten bij Ph. landden en de Harpyieën door Zetes en Calaïs verjaagd werden.--Ph. had van Apollo de kunst van voorspellen geleerd, maar had daarvan roekeloos gebruik gemaakt, waarom hij door Zeus van het gezicht beroofd werd.

Phintias, Phintias, 1) zie Damon.--2) tyran van Agrigentum.

Phintias, Phintias, stad aan de Zuidkust van Sicilia, door Phintias, tyran van Agrigentum, gesticht.

Phla, Phla, eilandje in het Tritonische meer in Africa, ten W. der groote Syrte.

Phlegethon, Phlegethon = Pyriphlegeton.

Phlegon, Phlegon, van Tralles, vrijgelatene van Hadrianus, schrijver van eenige onbeduidende werken over geschiedenis. Het eenige, dat bewaard is, heeft slechts zekere belangrijkheid door de daarin bevatte aanhalingen van oudere schrijvers.

Phlegra, Phlegra, oude naam van het schiereiland Pallene op Chalcidice, waar Zeus de Giganten door zijn bliksems vernietigde.

Phlegraei campi, zie campi Phlegraei.

Phlegyae, Phlegyai, een rooversstam, die den delphischen tempel wilde plunderen, en door Zeus met donder en bliksem vernietigd werd.

Phlegyas, Phlegyas, zoon van Ares en Chryse, mythisch stamvader der Phlegyers. Toen zijne dochter Coronis bij Apollo moeder geworden was van Asclepius, stak hij in toorn den tempel van Apollo in brand. Daarvoor doodde de god hem met zijn pijlen en moet Ph. in de onderwereld onder een rotsblok zitten, dat steeds dreigt op hem te vallen.

Phliasia, Phliasia, gebied van Phlius.

Phlius, gen. -untis, Phlious, stad in de Peloponnesus, ten Z. van Sicyon. Het had slechts een klein gebied.

Phlyax, Phlyakes. Bij de dorische comoedia, vooral op Sicilia, is niet, zooals in Attica, de satire, maar het humoristische element de hoofdzaak (z. Epicharmus); de eenvoudigste vorm hiervan is de phlyax, terwijl de spelers ook phlyakes heeten. In deze stukjes worden in plaatselijk dialekt sprookjes en mythen geparodieerd (z. Sopater no. 1). Men vindt ze in later tijd vooral in Zuid-Italië. Waarschijnlijk staan de Atellanae fabulae (z. a.) onder hun invloed. Vgl. ook Mimus en Rhinton.

Phobetor, Phobetor, zoon van Hypnus, broeder van Morpheus (z. a.).

Phocaea, Phokaia, noordelijkste der aziatisch-ionische steden, eene belangrijke handelsstad met twee havens, gedekt door het eilandje Bacchium, dat rijk was aan tempels en prachtige gebouwen. De inwoners (Phocaei, Phokaes, terwijl de bewoners van Phocis Phocenses, Phokes, genoemd worden) waren onder de eersten, die koloniën stichtten, o.a. Massilia (Marseille). Toen Cyrus' veldheer Harpagus de grieksche steden op de aziatische kust veroverde, weken de Phocaeërs uit naar Alalia op Corsica (zie Aleria); een gedeelte stichtte toen Elea of Velia op de W.kust van Lucania. Later keerde echter het meerendeel uit Corsica naar Phocaea terug. In den syrischen oorlog werd Ph. door de Rom. geplunderd (190).

Phoceae, Phokeai, sterkte in het gebied der sicilische stad Leontini.

Phocion, Phokion, Athener van geringe afkomst, leerling van Plato. Wegens zijne dapperheid en bekwaamheid herhaaldelijk tot strateeg gekozen, won hij den slag bij Tamynae (349/8), verjoeg hij de tyrannen Philistides en Clitarchus, nam hij Oreüs en Eretria in (341), en verdedigde hij Byzantium tegen Philippus en Megara tegen de Thebanen. Maar terwijl hij dus in het veld voor de belangen van Athene tegen Macedonië streed, was hij bij zichzelf overtuigd, dat het volk van zijn tijd voor de vrijheid ongeschikt was, en dat op den duur tegenstand tegen Philippus vruchteloos moest zijn. Daarom was hij, in tegenstelling met Demosthenes, altijd voor vrede, ried hij na den slag bij Chaeronea tot het aannemen der voorwaarden van Philippus, en trachtte hij na diens dood de democratische bewegingen te Athene tegen te houden. Zijne eerlijkheid bleef ondertusschen boven allen twijfel verheven; wat Philippus en na hem Alexander hem ook mochten aanbieden, Ph. nam nooit geschenken of gunsten van hen aan, wel bewerkte hij, dat Alexander de redenaars vrijliet, wier uitlevering hij geëischt had, ofschoon hijzelf voor de inwilliging van dien eisch gestemd had. Het uitbreken van den lamischen oorlog zocht hij met alle kracht te beletten, en ook het aanvankelijk gunstig verloop er van stelde hem niet gerust; toen de oorlog ongelukkig voor de Grieken was afgeloopen, ging hij met Demades naar Antipater om over den vrede te onderhandelen. In weerwil van de harde voorwaarden van den vrede, stond Ph. nu eenige jaren aan het hoofd van den staat, maar toen Antipater gestorven was, Polyperchon het herstel der oude toestanden beloofde, en Ph. zich hiertegen trachtte te verzetten, werd het volk ontevreden, vooral toen hij, hoewel gewaarschuwd, niet belette dat de bevelhebber der troepen van Antipater den Piraeus innam. Bij de nadering van Alexander, den zoon van Polyperchon, werd Ph. gevangen genomen, van verraad aangeklaagd en door de geheele volksvergadering ter dood veroordeeld (318). Hij was 81 jaar oud geworden. Kort daarna werd voor hem een standbeeld opgericht.

Phocis, Phokis, bergachtig en niet vruchtbaar landschap van Midden-Griekenland. In de geschiedenis is het het meest bekend door de zoogenaamde heilige oorlogen. Over den eersten z. Crissa. Crisa werd verwoest en zijn gebied aan den delphischen god gewijd (± 590). De tweede oorlog had in 355 plaats, toen de Phocensers een stuk der crisaeïsche vlakte hadden bebouwd. Tot een boete veroordeeld die zij niet konden betalen, maakten zij zich van de delphische tempelschatten meester en wierven huurtroepen, die spoedig hun zelven te machtig werden. Philippus van Macedonia, door de Thebanen te hulp geroepen, drong in 346 Phocis binnen, het huurleger sloot een verdrag en liet de Phocensers aan hun lot over, die het nu ontgelden moesten. Zij werden uit het Amphictyonenverbond gestooten en hun plaats daarin werd aan Philippus gegeven. Zie verder ook Amphissa. De Parnassus met den delphischen tempel lag wel in Phocis, doch Delphi behoorde er niet toe, maar was een gemeenschappelijk gebied der Amphictyonen. In de stad Daulis behoort de mythe te huis van het zusterpaar Philomela en Procne. De bewoners van Phocis worden Phocenses, Phokes, genoemd (zie Phocaea).

Phocus, Phokos, 1) zoon van Poseidon, verhuisde van Corinthe naar het land, dat naar hem Phocis genoemd wordt.--2) zoon van Aeacus en Psamathe, werd door Telamon en Peleus gedood.

Phocylides, Phokylides, van Miletus, gnomisch dichter uit de 6e eeuw; de korte fragmenten (gnomen), die van zijne werken bewaard zijn, zijn ernstig en eenvoudig; een langer gedicht, dat zijn naam draagt, is van veel lateren tijd.

Phoebe, Phoibe, 1) bijnaam van Artemis.--2) dochter van Uranus en Gaea, bij Coeüs moeder van Asteria en Leto, vóór Apollo bezitster van het orakel van Delphi.--3) eene van de Leucippides.--4) dochter van Leda.

Phoebeum, Phoibeion, vlek bij Sparta, met een tempel der Dioscuren.

Phoebidas, Phoibidas, spartaansch veldheer, liet zich, toen hij met troepen op weg was naar Olynthus, door de oligarchische partij te Thebe overhalen om de Cadmea te bezetten (382). Hij werd wel teruggeroepen en beboet, omdat hij zonder voorkennis der regeering gehandeld had, doch later werd hij als harmost naar Thespiae gezonden, in welke betrekking hij bij een aanval der Thebanen sneuvelde (378).

Phoebus, Phoibos, bijn. van Apollo en Helius.

Phoenice, Phoinike, handelsstad in Chaonia in Epirus, ten N. van Buthrotum, hoofdstad van den epirotischen bond, zie Epirus.

Phoenice of -cia, Phoinike, het smalle kustland ten N. van Palaestina, tusschen de Middellandsche zee en den Libanon, een land, bloeiende door zeevaart, handel en nijverheid, waaronder de glasfabricatie, de purperververijen, weverijen en metaalfabrieken de hoofdtakken waren. In dien bloeitijd waren de bosschen van den Libanon nog niet geveld en ondervond het land, wat klimaat en bodem betrof, nog den weldadigen invloed daarvan. Het land vormde niet één staat, maar een bond van steden, waaronder Tyrus en Sidon de meest beroemde waren. De Phoeniciërs (Phoenices, Phoinikes) strekten hunne tochten uit tot ver langs de kusten van den Atlantischen oceaan, doch de kennis, op die tochten opgedaan, behoorde tot de staatsgeheimen en ging met hen verloren.

Phoenicus, gen. -untis, Phoinikous, naam van verschillende steden, o. a. 1) in Ionia, aan den voet van den Mimas, tegenover het eiland Chius.--2) een zeerooversnest in Lycia, door P. Servilius Vatia in 78 vernield. Eigenlijk is het een in zee uitstekend gebergte aan de O.-kust van Lycia = Olympus no. 4.--3) op de Zuidkust van Messenia.--4) op het eiland Cythera.

Phoenix, Phoinix, 1) vader of broeder van Europa, mythisch stamvader der Phoeniciërs.--2) zoon van Amyntor en Cleobule, een van de calydonische jagers. Op aansporen van zijn moeder knoopte hij liefdesbetrekkingen aan met een vrouw, die door Amyntor bemind werd, waarvoor zijn vader hem vervloekte en wegjoeg. Hij vluchtte naar Peleus, werd de opvoeder en vriend van Achilles en ging met hem naar Troje.--3) van Colophon, iambendichter tegen het einde der 4de eeuw. Van hem zijn enkele gedichten, moraliseerende choliamben, in een papyrus teruggevonden.--4) fabelachtige heilige vogel der Aegyptenaren. Over de wijze, waarop hij sterft, waren verschillende verhalen in omloop, het meest gewone is, dat hij, na een leven van 500 (of 1461, of 7006) jaar, op een door hemzelf gemaakten brandstapel den dood vindt en daarna verjongd uit de asch herboren wordt.

Phoenodamas, Phoinodamas, Trojaan, wiens dochter door Laomedon (z. a.) geofferd zou worden aan het door Poseidon gezonden zeemonster en die daarom een opstand verwekte, zoodat Laomedon zijn eigen dochter moest offeren. Hij was de vader van Segesta, de moeder van Acestes.

Pholoë, Pholoe, grensgebergte tusschen Arcadia en Elis, zijtak van den Erymanthus.

Pholus, Pholos, Centaur, die Heracles gastvrij ontving. Toen de andere Centauren Heracles lastig vielen, ontstond een gevecht, waarin bij ongeluk ook Ph. door Heracles gedood werd.

Phorbas, Phorbas, zoon van Lapithes en Orsinome, werd ingevolge een orakel door de Rhodiërs uit Thessalië geroepen om hun eiland van slangen te zuiveren. Daarvoor werd hij later door hen als heros vereerd. Hij stond Alector van Elis tegen Pelops bij, en kreeg daarvoor een deel van zijn land en zijne zuster Hyrmine; zijn afstammelingen werden koningen van Elis. Hij plunderde den delphischen tempel en werd door Apollo zelf gewond.

Phorcides, Phorcynides, Phorkides, de Gorgonen en Graeën, dochters van Phorcys.

Phorcys, -cus, Phorkys, -kyn, -kos, 1) zoon van Pontus en Gaea, een van de zeegoden, vader van de Gorgonen, de Graeën, de Hesperiden, den draak Ladon en de nimfen Thoosa en Scylla.--2) aanvoerder der Phrygiërs in den trojaanschen oorlog, door Aiax gedood.

Phorminx, het oudste snareninstrument der Grieken, had veel overeenkomst met de lier en harp. Bij het bespelen hing het aan een band of riem over den schouder.

Phormio, Phormion, 1) verdienstelijk atheensch veldheer in het begin van den peloponnesischen oorlog, behaalde o.a. bij Naupactus eene overwinning op een sterkere vloot der Spartanen (429).--2) van Ephesus, peripatetisch wijsgeer, wilde Hannibal theoretisch onderricht in de krijgskunst geven. Vandaar spreekwoordelijk voor iemand die anderen iets wil leeren, wat hij zelf minder goed verstaat.

Phoroneus, Phoroneus, zoon van Inachus, koning van de Peloponnesus, die den dienst van Hera invoerde, de menschen in steden vereenigde en hun het gebruik van vuur leerde. Hij werd in Argos als heros vereerd. Naar hem werden de Argiven Phoronidae, en zijne zuster Io Phoronis genoemd.

Phosphorus, Lucifer, Eous, Phosphoros, Phaesph., Heosph., 1) de morgenster, zoon van Astraeus of Cephalus en Eos.--2) bijnaam van de lichtgodinnen Artemis, Hecate, Eos.

Phraates, Phraates, naam van eenige parthische koningen uit het huis der Arsaciden. Zie Arsaces.

Phragandae, thracische stam op de macedonische grenzen.

Phraortes, Phraortes, zoon en opvolger van Deïoces, regeerde over Medië (647-625); hij onderwierp de Perzen e. a. volken, maar sneuvelde in een strijd tegen de Assyriërs.

Phrataphernes, Phrataphernes, satraap van Parthië onder Darius Codomannus; hij streed in den slag bij Gaugamela, maar onderwierp zich daarna aan Alexander. Deze liet hem zijne satrapiën Parthia en Hyrcania, die hij gedurende zijn verder leven behield.

Phratria, oudtijds eene afdeeling van den atheenschen adel. Door Clisthenes werd het aantal phratriën uitgebreid, en ook niet-adellijke burgers erin opgenomen. Tot Clisthenes waren in iedere phyle drie phratriën, in welke verhouding zij tot de latere phylae stonden is niet bekend. Ieder burger moest tot eene phr. behooren, jonggeboren kinderen werden op de Apaturia (z. a.) in de phr. van hun vader ingeschreven, terwijl de medeleden (phratores, phrateres) tegen de inschrijving van onechte kinderen of om andere redenen onbevoegden moesten waken. Vrouwen gingen bij huwelijk in de phr. van haar man over. Ook verrichtten de leden eener phr. zekere gemeenschappelijke godsdienstige plechtigheden.

Phrixa, Phrixa of -ai, stad in Elis ten Z. van den Alpheus.

Phrixus, Phrixos, zoon van Athamas (z. a.) en Nephele. Door zijne moeder wonderdadig van den dood gered, vluchtte hij naar Aea, waar hij den ram, die hem overgebracht had, aan Zeus offerde en de gouden vacht aan Ares wijdde. Hij huwde met Chalciope, de dochter van Aeetes.

Phrontis, Phrontis, zoon van Onetor, stuurman van Menelaus. Apollo doodde hem op de terugreis van Troje, ten einde Menelaus op te houden.

Phrygia, Phrygia, gewest van Asia minor, ten O. van Lydia. Men onderscheidde Phrygia minor of Phrygia ad Hellespontum (zie Mysia), waartoe ook Troas behoorde, en Phrygia maior. Onder de Rom. werd alleen het laatste met den naam van Phrygia bedoeld. De Phrygiërs waren een uitgebreid volk, dat reeds vroeg op beschaving en kunst kon bogen, doch op dit gebied bleef stilstaan, sedert zij door Croesus lydische, en later met de Lydiërs perzische onderdanen werden. Onder hun eigen koningen, de Gordiussen en Midassen, hadden zij eenmaal een machtig rijk uitgemaakt, dat zich zelfs over Lydia uitstrekte. Zij noemden zichzelven autochthonen, doch reeds bij de ouden heerschte de meening, dat de Phryges in den voorhistorischen tijd uit Thracia waren overgekomen. Eene phrygische eigenaardigheid was het uithouwen van woningen en zelfs steden in rotsen. Bij de rom. dichters is dikwijls Phrygius = trojaansch, Phryges = Trojanen, bij Vergilius zelfs = Romeinen.

Phrygia Mater = Rhea Cybele.

Phrygius of Phryx, Phrygios, rivier in Lydia, zijtak van den Hermus.

Phryne, Phryne, van Thespiae, een schoone hetaere, die ten tijde van Alexander d. Gr. te Athene leefde, zeer rijk was, en tot model diende voor de cnidische Aphrodite van Praxiteles en voor de Aphrodite Anadyomene van Apelles. Praxiteles plaatste haar beeld naast dat van Aphrodite in den tempel van Eros te Thespiae.

Phrynichus, Phrynichos, 1) Athener, zoon van Polyphradmon, een van de oudste treurspeldichters, behaalde zijne eerste overwinning in 511. Hij was de eerste die vrouwenrollen in zijne stukken bracht en v. s. ook de eerste die zijne stukken tot trilogieën en tetralogieën vereenigde. Den meesten roem behaalde hij door de schoonheid der lyrische partijen. Zijne Miletou alosis, waarin de inneming van Miletus na den ionischen opstand bezongen werd, trof de Atheners zoo, dat het stuk verboden en de dichter met 1000 drachmen beboet werd (496). In 476 werden zijne Phoinissai, ook een historisch stuk, opgevoerd.--2) blijspeldichter te Athene, zoon van Eunomides, tijdgenoot van Aristophanes, door wien hij dikwijls bespot wordt.--3) tooneelspeler en danser, tijdgenoot van Aristophanes.--4) Athener, zoon van Stratonides, speelde als bevelhebber der vloot bij Samus eene zeer dubbelzinnige rol bij de onderhandelingen over de terugkomst van Alcibiades. Onder de regeering der 400 werd hij als veldheer afgezet, maar vreezende voor de wraak van Alcibiades, sloot hij zich niettemin bij de oligarchische partij aan; door deze werd hij met Antiphon als gezant naar Sparta gezonden om over vrede te onderhandelen; bij zijne terugkomst werd hij door zekeren Thrasybulus van Calydon op straat vermoord (411).--5) grammaticus uit de tweede eeuw n. C., schrijver van een woordenboek van attische woorden en uitdrukkingen, waarvan eenige uittreksels bewaard zijn.

Phrynis, Phrynis, van Mitylene, beroemd dithyrambendichter tegen het einde der 5de eeuw.

Phtha(s), Phtha, Phthas, aegyptisch god, vooral te Memphis vereerd, door de Grieken met Hephaestus geïdentificeerd. Hij wordt afgebeeld als een dwerg met stok en zweep, soms met een valkekop.

Phthia, Phthia, 1) = Phthiotis.--2) stad in Phthiotis, de zetel van Peleus en Achilles, waarschijnlijk in den omtrek van het latere Thebae Phthiotides.

Phthiotis, Phthiotis, bij Homerus Phthia, het Z. O. gewest van Thessalia, oudtijds ook wel als Achaia bekend, het stamland der Achaeërs. Hier behoorde Achilles te huis.

Phyle, bij de Grieken eene afdeeling van het volk, waarvan de leden oorspronkelijk door werkelijke of vooronderstelde gemeenschappelijke afkomst of door gemeenschappelijke woonplaatsen in nauwere betrekking tot elkander stonden. In Attica worden uit den mythischen tijd vele indeelingen vermeld, waarvan de beteekenis niet duidelijk is; de zoog. indeeling van Theseus in Eupatridai, Geomoroi, Demiourgoi berust blijkbaar op verschil van standen. Tot aan Solon had men de gewone ionische verdeeling in 4 phylae (Geleontes, Hopletes, Argadeis, Aigikores), die aan Ion toegeschreven wordt. Solon verdeelde de burgers naar hun vermogen in 4 klassen met verschillende staatkundige rechten: Pentakosiomedimnoi, Hippes, Zeugitai, Thetes, de oude ionische phylen bleven voor godsdienstige doeleinden daarnevens bestaan, ook toen Clisthenes eene geheel nieuwe verdeeling in 10 phylae invoerde, waaraan hij de namen van inheemsche heroën gaf. Deze phylae waren geene plaatselijke eenheden, maar werden uit drie trittyes (z. a.), dus uit dikwijls ver van elkander verwijderde demen samengesteld, ten einde in dezelfde phyle personen van verschillende afkomst en stand te vereenigen. Aan het hoofd van iedere phyle stonden epimeletai. Voor het leger en den raad leverde iedere phyle een gelijk aandeel. Bij de 10 phylae werden in 301 nog twee gevoegd, die naar Antigonus en Demetrius genoemd werden, in 221 kwam eene dertiende er bij, die naar Ptolemaeus (Euergetes) heette, kort daarop werden de beide eerstgenoemde opgeheven, maar in 200 werd het aantal weder op 12 gebracht door toevoeging van eene, die den naam van Attalus kreeg (z. ook Phratria).--In de dorische staten is de dorische bevolking overal in 3 phylae verdeeld: Hylles, Pamphyloi, Dymanes, zoo genoemd naar den zoon van Heracles en de beide zonen van Aegimius; de niet dorische bevolking vormt, waar zij eenig aandeel aan het burgerrecht heeft, eene afzonderlijke phyle, zooals in Argos en Sicyon. Iedere phyle is in 10 obae (obai) verdeeld. Waarop hier de verdeeling berustte is onbekend, v. s. zijn zoowel phylae als obae plaatselijk van elkander gescheiden, ofschoon ten minste in Sparta ook eene plaatselijke indeeling in 5 komai bestond.

Phylobasileus, bestuurder eener phyle in den tijd voor Clisthenes of Solon; ook toen deze phylen alleen voor den eeredienst beteekenis behouden hadden, bleef de waardigheid van phylob. bestaan.

Phylace, Phylake, stadje in Phthiotis, ten O. van den Enipeus, geboorteplaats van Protesilaus.

Phylacus, Phylakos, 1) zoon van Deïon en Diomede, vader van Iphicles no. 3, stichter van Phylace.--2) heros, die den delphischen tempel tegen de Galliërs beschermde en daarvoor te Delphi een heiligdom had.

Phylarchus, Phylarchos, van Athene, Sicyon of Naucratis, tijdgenoot van Aratus, schreef eene geschiedenis van de jaren 272-220 in 28 boeken. Zijn werk wordt, voor zoover men uit de weinige fragmenten kan opmaken ten onrechte, door Polybius en Plutarchus streng veroordeeld; toch maakte laatstgenoemde er veel gebruik van.

Phyle, Phyle, sterk kasteel in Attica aan de Zuidwestelijke helling van den Parnes, 3 uur afstands ten N. van Athene. In den tijd der 30 te Athene (404-403) bezette Thrasybulus aan het hoofd der atheensche ballingen deze sterkte en maakte zich van daar uit van den Piraeus meester.

Phyleus, Phyleus, zoon van Augias, een van de deelnemers aan de calydonische jacht, werd door zijn vader verjaagd, omdat hij voor Heracles partij getrokken had. Deze bracht hem later in zijn vaderlijk rijk terug, maar hij liet het aan zijn broeder Agasthenes over en ging naar Dulichium.

Phyllidas, Phyllidas, Thebaan, die in weerwil van zijne democratische gezindheid gedurende de spartaansche bezetting geheimschrijver der polemarchen werd. Hij begunstigde de samenzwering van Pelopidas en noodigde de polemarchen Archias en Philippus in zijn huis tot een feest, waarbij zij door de saamgezworenen gedood werden.

Phyllis, Phyllis, z. Demophon no. 2.

Phyllis, Phyllis, landstreek aan den mons Pangaeus.

Phyllus, Phyllos, stad in Thessaliotis, bij den Enipeus, met een Apollo-tempel. Dichterlijk: Philleius = thessalisch.

Physcon, Physkon, dikbuik, bijnaam van Ptolemaeus VII.

Physcus, Physkos, 1) zijtak van den Tigris, die zich bij de stad Opis met den hoofdstroom vereenigt.--2) berg in Bruttii, bij Croton.--3) haven op de Z. kust van Caria.

Phytalus, Phytalos, een heros van Eleusis, die Demeter op hare zwerftochten gastvrij ontving. Tot belooning leerde zij hem het kweeken van den vijgeboom.

Phyxius, Phyxios, beschermer der vluchtelingen, bijnaam van Zeus bij de Thessaliërs.

Picentes, Piceni, bewoners van Picenum.

Picentia, tgw. Vicenza, hoofdstad der Picentini, nabij de golf van Paestum (golf van Salerno).

Picentini, een gedeelte der Picentes, dat uit Picenum naar het Z.O. van Campania was verhuisd.

Picenum, Pikentine, kustland van Italia aan de Adriatische zee, tusschen Umbria en Samnium gelegen. De bewoners, Piceni, Picentes, waren van sabijnschen stam. In 268 werden zij door de Rom. onderworpen. Een gedeelte der Piceners werd daarna naar Campania overgebracht en zette zich aan den sinus Paestanus (golf v. Salerno) neder, waar zij naar hunne hoofdstad Picentia den naam Picentini kregen.

Pictavi, zie Pictones.

Picti, in de 4de eeuw n. Chr. voor het eerst voorkomende naam van een volksstam in het Noorden van Schotland; ze woonden ten N. van de Firth of Forth, terwijl de Scoti, die tegelijk met hen optreden, in Zuid-Schotland en Ierland wonen.

Pictones of Pictavi, machtig gallisch volk in het tegenw. Poitou. Hoofdstad: Limonum (Poitiers).

Pictor, zie Fabii no. 24 vv.

Picumnus, italiaansche god van den landbouw, die het bemesten der landerijen zou uitgevonden hebben. Hij was de broeder van Pilumnus (z. a.).

Picus, veld- en boschgod der Romeinen, wiens dienst reeds vroeg verouderd was. Hij wordt de zoon van Saturnus, de gemaal van Pomona of van de nimf Canens, de vader van Faunus genoemd. Daar hij de liefde van Circe onbeantwoord liet, veranderde zij hem in een specht. Hij wordt voorgesteld als een specht op een zuil zittend, of als een jongeling met een specht op het hoofd.

Pieria, Pieria, 1) landschap van Macedonia op de grenzen van Thessalia, in het N. door den Haliacmon, in het O. door de golf van Thermae begrensd. Dit Pieria was de zetel van den Muzendienst (zie Pierides), aan wie de berg Pierus geheiligd was. De Pieriërs waren een thracische stam; in de 7de eeuw werden zij door de Macedoniërs verdreven en vestigden zij zich aan den Strymon, in den omtrek van den mons Pangaeus, ook deze streek kreeg toen den naam Pieria.--2) landstreek in het N. der syrische kust, tusschen de golf van Issus en den Orontes, aan den berg Pieria, een uitlooper van den Amanus.--3) (of Pierium, Pierion), berg in het W. van Thessalia.

Pierides, Pierides, de Muzen, naar hare geboorteplaats Pieria.

Pierus, Pieros, koning van Emathia, vader der Emathides.

Pierus, Pieros, berg in het W. van Thessalia = Pieria no. 3.

Pignoris capio. Wanneer een rom. burger zijne verplichtingen niet nakwam, waren er gevallen, waarin de praetor aan de benadeelde partij verlof gaf, een of ander eigendom van den nalatige in pand te nemen. Kwam de laatste dan binnen zekeren tijd zijne verplichtingen nog niet na en loste hij dus het pand niet in, dan konde de ander het verkoopen en zich uit de opbrengst schadeloos stellen.

Pigres, Pigres, zoon of broeder van Artemisia no. 1, v. s. dichter der Batrachomyomachie, zie ook Margites.

Pigrum mare, de gestolde zee, zie Cronium mare.

Pilani, zie hastati.

Pilentum, een vierwielige, door twee paarden getrokken, overdekte wagen (currus arcuatus), waarin flamines, Vestales en matronae naar offers en spelen reden.

Pileus, pilos, vilten hoed of liever muts voor mannen, bij verschillende volken in verschillende fatsoenen in gebruik. De Rom. droegen den pileus zelden, althans in de stad; bij goed weder gingen zij meest blootshoofds, bij regen trokken zij zich een kap of cucullus over het hoofd. Slaven mochten geen hoofddeksel dragen; vandaar dikwijls ius pilei = libertas.

Pilorus, Piloros, stadje op het chalcidische schiereiland Sithonia, aan den sinus Singiticus.

Pilum, de beroemde rom. werpspies, niet lang, slechts ongeveer 2 meter, maar zwaar en met een scherp gestaalde van weerhaken voorziene punt. De schacht was zoo in het ijzer (of omgekeerd) bevestigd, dat zij bij pogingen om de speer ergens uit te rukken, licht afbrak, evenals de fijne punt, zoodat de vijand het wapen niet kon terugwerpen. De rom. soldaten waren in het gebruik van dit wapen zeer geoefend. De aanval begon in den regel met het werpen van het pilum; door schilden van hout- of teenwerk drong het met gemak heen, reeg ze zelfs aan elkaâr, en noodzaakte dan door zijne zwaarte den vijand zich te ontblooten, terwijl onmiddellijk de aanval met het zwaard volgde.

Pilumnus, 1) landelijke godheid der Rom., die den Italianen het dorschen, eig. het stampen (pinsere), van het koren geleerd had. Hij was een broeder van Picumnus; in een huis, waar een kind geboren was, werd gedurende de eerste dagen voor beiden in het atrium een bed gespreid, zie ook Deverra.--2) z. Danae.

Pimpleae, Pimpleides, Pimpleides, bijnaam der Muzen, naar de stad Pimplea in Piërië of naar een bron van dien naam aan den Helicon.

Pinara, ta Pinara, stad in Lycia aan den berg Cragus.

Pinaria (lex) annalis van den volkstribuun M. Pinarius Rusca. Deze wet is een voorlooper van de lex Villia annalis (z. a.) van 180.

Pinaria Furia Postumia (lex) van de drie consulairtribunen L. Pinarius Mamercinus Rufus, L. Furius Medullinus Fusus en Sp. Postumius Albus Regillensis, 332. Deze wet verbood bij het dingen naar eenig ambt de toga kunstmatig wit te maken. De wet is spoedig in onbruik geraakt.

Pinarii, oud rom. geslacht, dat met een ander oud geslacht, de Potitii, in het erfelijk bezit was van een priesterambt van Hercules, dat in overouden tijd door Euander zou zijn ingesteld. Volgens de sage kwamen bij het eerste offermaal de Pinarii te laat aan tafel en werd hun ten eeuwigen dage als boete opgelegd, bij de offermaaltijden eerst te verschijnen, wanneer een gedeelte reeds genuttigd was. In 312 en 311 stierven de Potitii uit, omdat zij den dienst door servi publici hadden laten waarnemen, terwijl de censor Appius Claudius, op wiens raad dit was geschied, volgens het latere verhaal door den vertoornden halfgod met blindheid werd geslagen. In werkelijkheid heeft App. Claudius den eeredienst van Hercules aan de Ara Maxima, die een sacrum gentilicium van de Potitii en Pinarii was, tot staatsgodsdienst gemaakt, waarbij het offer verricht werd door den praetor urbanus. Enkele leden van de gens Pinaria komen als overheden en legeraanvoerders voor. Onder Cicero's vrienden worden twee broeders vermeld, T. en L., doch ook een tegenstander, L. Pinarius Natta, die als pontifex, ten gevalle van zijn zwager P. Clodius, het huis van Cicero aan den dienst der goden wijdde, waardoor Clodius zocht te verhinderen, dat de plek ooit weder in Cicero's bezit zou terugkeeren. Nog een L. Pinarius, met Caesar verwant, kreeg van Antonius het bevel in Africa, doch ging later tot de partij van Octavianus over.

Pinarus, Pinaros, rivier in Cilicia, die op den Amanus ontspringt en in de golf van Issus valt.

Pincius (mons), ook collis hortorum geheeten, thans monte Pincio, heuvel, onmiddellijk ten N. van Rome gelegen en door keizer Aurelianus grootendeels binnen den nieuwen vestingmuur getrokken.

Pindarus, Pindaros, Thebaan, de grootste lyrische dichter der Grieken, geb. 522. Hij was uit het geslacht der Aegiden, waartoe vele bekwame toonkunstenaars behoord hadden, verder genoot hij het onderwijs van Lasus van Hermione en van Myrtis en Corinna. Algemeen geëerd en bemind, had hij in alle deelen van Griekenland vrienden, die hij nu en dan bezocht, o. a. Hiero, Theron, de Aleuaden; ook bij de groote nationale feesten was hij dikwijls tegenwoordig, overigens leefde hij rustig in zijne geboorteplaats, waar hij na 442 stierf. Van zijne talrijke lierdichten van alle soort zijn bewaard gebleven 45 zegezangen ter eere van overwinnaars bij groote feesten, waarvan hij het oudste reeds op twintigjarigen leeftijd dichtte. Zij munten uit door krachtige en afwisselende taal, rijkdom en verhevenheid van gedachten en verscheidenheid van versbouw. Van zijne andere werken (hymnen, partheniën, enz.) hebben wij slechts fragmenten.

Pindenissus, Pindenissos, stad der Eleutherocilices in het Amanusgeb., door Cicero veroverd (51).

Pindus, Pindos, 1) grensgebergte tusschen Epirus en Thessalia, waarvan de Lacmon of Lacmus het hoogste gedeelte is.--2) eene der steden van de dorische tetrapolis, in het landschap Doris, ook Acypha geheeten.

Pinna, hoofdstad der Vestini, die ten Z. van Picenum tusschen de Apennijnen en de Adriatische zee woonden. De stad lag in eene heerlijke omgeving.

Pirae(e)us, Peiraieus, de havenstad van Athene, door Themistocles aangelegd, en later door Pericles verder afgewerkt. Toen Themistocles een moderne vloot van triëren wilde bouwen, was de open bocht van Phaleron als oorlogshaven niet meer geschikt. Daarom richtte hij het schiereiland Piraeus als havenstad in, en omgaf het met stevige muren; Munichia, de heuvel ten Oosten, werd hiervan de burcht. De stad had 3 havens, de westelijke, de eigenlijke Piraeus, diende voornamelijk voor het handelsverkeer. De invaart werd bewaakt door twee torens en kon door zware kettingen worden afgesloten. Aan de andere, de oostelijke, zijde van de stad vond men de oorlogshavens Zea en Munichia. De stad was volgens het plan van Hippodamus van Milete aangelegd met rechte straten, die elkaar rechthoekig sneden. Men vond er verder scheepswerven, een groot korenmagazijn, een groote beurs (to deigma), een arsenaal (skeuotheke), een theater, enz. Een tijd lang, in de 4de eeuw, was de bevolking van den Piraeus even talrijk als die van Athene zelf. De wegen, die van den Piraeus naar Athene voerden, lagen tusschen de lange muren, ta makra teiche, ta skele, besloten. Oorspronkelijk waren er twee muren, één naar de N.-zijde van den Piraeus, één naar Phaleron; maar Pericles liet nog een tusschenmuur bouwen, en nu liet men den Phalerischen muur vervallen.

Piraeus, Peiraios, open haven op de Oostkust van Corinthia, nabij de grens van het gebied van Epidaurus. De Atheners hielden hier in 412 eene spartaansche vloot ingesloten.

Piraicus of Pyreicus, bekwaam genreschilder (rhyparograaf), waarschijnlijk uit den hellenistischen tijd, wiens schilderijen om hunne zorgvuldige bewerking bij de Rom. zeer gezocht waren.

Piraticum bellum. In het bijzonder wordt hieronder verstaan de bekende tocht van Pompeius in 67 tegen de zeeroovers ondernomen (zie Gabinia lex). Wel waren nu en dan verschillende kuststreken, waarvan de inwoners zeeroof dreven, getuchtigd, doch eerst in 67 werd tot een algemeenen maatregel besloten. Pompeius, wien de beschikking was gegeven over zooveel strijdkrachten als hij meende noodig te hebben, slaagde er in, door eene drijfjacht op groote schaal van de straat van Gibraltar tot aan de kusten van Cilicia den zeeroof voor het oogenblik uit te roeien, meer dan 1000 roofschepen te vernielen, werven en roofnesten te verwoesten en de Middellandsche zee weder voor rom. schepen veilig bevaarbaar te maken.

Pirene, Peirene, nimf, dochter van Obalus, treurde om den dood van haar zoon, totdat zij in een bron veranderde, die haar naam draagt en bij welke Bellerophon het gevleugelde paard Pegasus opving, terwijl het zijn dorst leschte. De bron lag binnen de muren der acropolis van Corinthus. Dichterlijk Peirenes asty en Pirenis Ephyre = Corinthus, Peirenaios polos = Pegasus.

Pirisabora, sterke vesting in Babylonia, aan den Euphraat, ten N. van Babylon.

Pirithous, Peirithoos, zoon van Zeus of Ixion en Dia. Op zijne bruiloft met Hippodamea ontstond de geweldige strijd tusschen de Centauren en Lapithen, daar eerstgenoemden de bruid en andere vrouwen wilden ontvoeren. Later hielp hij Theseus bij het schaken van Helena, hijzelf wilde Persephone ontvoeren en daalde daarvoor met Theseus in de onderwereld af, doch Hades klonk hen aan een rots vast, waarvan alleen Theseus na eenigen tijd door Heracles weder losgemaakt werd.

Pirus, Peiros, Pieros, hoofdriviertje van Achaia, dat zich ten W. van Olenus in de golf van Patrae stortte.

Pirustae, Piroustai, roofziek volk in Illyris, dat zich in 168 in den oorlog tegen Gentius bij de Rom. aansloot.

Pisa, Pisa, stad in Elis, even ten N. van den Alpheus nabij Olympia gelegen. Pisa voerde met het landschap Elis een langen strijd over het bestuur van het olympische tempelgebied, tot het de nederlaag leed en verwoest werd (572).

Pisae, Pisai, nabij de samenvloeiing van den Anser en den Arnus (Arno). De stad behoorde oorspronkelijk niet tot Etruria, waartoe ze later gerekend wordt. Ze had reeds vroeg handel met Griekenland, en een flinke marine, om zich tegen de ten N. wonende Liguriërs te kunnen verdedigen. In 180 werden op haar gebied de kolonien Luna en Luca aangelegd. Sedert Augustus is het rom. kolonie. In de nabijheid zijn heete bronnen, aquae Pisanae. Thans Pisa.

Pisander, Peisandros, 1) van Camirus, episch dichter omstreeks het midden der 7de v. a. der 6de eeuw. In zijne Herakleia werd Heracles voor het eerst voorgesteld als de held, die met buitengewone lichaamskracht begaafd, alleen met knots en leeuwenhuid gewapend, zijne twaalf werken volbrengt. In den alexandrijnschen canon werd hij na Homerus en Hesiodus genoemd.--2) Athener, de grootste ijveraar voor de oligarchische omwenteling van 411. Na den val van de regeering der 400, waartoe hij behoord had, vluchtte hij naar de Spartanen te Decelea.--3) van Laranda, episch dichter onder Alexander Severus. Er zijn nog fragmenten over.

Pisatis of Pisaea, Pisatis, Pisaia, het land van Pisa (z. a.), het middengedeelte van Elis.

Pisaurum, Pisauron, oude stad in Umbria, in den ager Gallicus, aan den mond van den Pisaurus, rom. kolonie sinds 184. Thans Pesaro.

Pisces, Ichthyes, het sterrenbeeld de Visschen. Men verhaalde, dat het de visschen waren, die Isis of Derceto gered hadden, toen zij in zee gevallen was.

Pisidia, Pisidia, bergachtig gewest op de Z.kust van Voor-Azië, ten N. van Pamphylia, lang als een stuk hiervan beschouwd. De inwoners, Pisidae, Pisidai, waren een dapper volk, dat, in zijn bergen verschanst, lang alle vreemde overheersching afsloeg, en slechts noode het hoofd boog voor Rome.

Pisidice, Peisidike, eene van de dochters van Pelias.

Pisistratus, Peisistratos, 1) zoon van Nestor en Anaxibia, vergezelde Telemachus op zijne reis van Pylus naar Sparta.--2) Athener, zoon van Hippocrates, uit het geslacht der Philaiden, bloedverwant van Solon. Nadat deze uit Athene vertrokken was, trad P. in het openbaar op (571), hij voegde zich bij de partij der Diacriërs, en door zijne groote bekwaamheden werd hij weldra als de leider er van erkend. Nadat hij eenmaal, vooral door de verovering van Nisaea, de gunst van het volk verworven had, wist hij, onder voorwendsel dat hij ternauwernood aan een aanslag zijner vijanden ontsnapt was, in weerwil van Solon's tegenspraak, te bewerken dat hem een lijfwacht gegeven werd, waarmede hij zich van de acropolis en van de alleenheerschappij meester maakte (560). Doch weldra vereenigden zich de beide andere partijen, de Pediaeërs onder Lycurgus en de Paraliërs onder den Alcmaeonide Megacles, tegen hem; hij moest Athene verlaten en bleef vijf jaar in ballingschap. Toen echter weder tusschen Lycurgus en Megacles oneenigheid ontstond, bood laatstgenoemde aan P. de hand ter verzoening en gaf hem zijne dochter ten huwelijk, en zoo kwam P. weder in feestelijken optocht in de stad terug, begeleid, naar het heette, door de godin Athena zelve, die door eene schoone en groote vrouw werd voorgesteld. Na korten tijd geraakte hij weder met zijn schoonvader in onmin, en weder moest hij uit de stad wijken; hij ging naar Eretria, en nu duurde het elf jaar eer hij zich door bondgenootschappen met Argos, Thebae e. a. genoeg versterkt had om een gewapenden inval in Attica te wagen, die het gewenschte gevolg had; tot aan zijn dood (528) bleef hij nu in het ongestoord bezit der regeering, die daarna onbetwist op zijn zoon Hippias overging. Ofschoon hij in de laatste periode eenigszins strenger regeerde, was zijne heerschappij ver van drukkend, hij handhaafde recht en wet, hield de instellingen van Solon in stand, bevorderde vooral de stoffelijke welvaart van het volk en beschermde kunsten en wetenschappen. O. a. werden onder zijne regeering voor het eerst de gedichten van Homerus tot een geheel vereenigd.

Piso, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 1-13).

Pissuthnes, Pissouthnes, satraap van Lydië, betoonde zich voor en gedurende den peloponnesischen oorlog een vijand der Atheners. In 414 kwam hij in opstand tegen den koning en werd hij door Tissaphernes gevangen genomen en ter dood gebracht.

Pistor, bakker, bijnaam aan Jupiter gegeven, omdat, volgens het aardige verhaal van Ovidius, op zijne ingeving de belegerden op het Capitolium aan de Galliërs brood toewierpen en hen daardoor in den waan brachten, dat zij overvloed van spijs hadden.

Pistoria, Pistoria, stadje in het N. van Etruria; in de nabijheid sneuvelde Catilina (62).

Pitane, Pitane, 1) vlek of buitenwijk van Sparta, met een tempel van Artemis.--2) havenstad van Aeolis, tegenover Lesbus.

Pithecusa, Pithekousa, oude naam voor Aenaria, z. a.

Pithoigia, de eerste dag der Anthesteria (z. a.).

Pitholeon, een Rhodiër, die te Rome woonde, hij maakte onbeduidende verzen, waarin hij Grieksch en Latijn dooreenmengde. Hij is identisch met Pitholaus, z. Voltacilius Pitholaus, wiens naam door Horatius eenigszins gewijzigd is, omdat die niet in de maat paste. Hij beschimpte in zijn liederen Caesar.

Pithon of Python, Pithon, Peith., Pyth. 1) zoon van Agenor, bevelhebber van een legerkorps bij Alexanders tocht naar Indië, waar hij als stadhouder achtergelaten werd. Later nam hij deel aan de krijgstochten van Antigonus; hij sneuvelde in den slag bij Gaza (312).--2) zoon van Crateas, behoorde tot de lijfwacht van Alexander. Bij de verdeeling van het rijk kreeg hij een deel van Medië, hij trok met Perdiccas naar Aegypte en veroorzaakte mede den opstand, die diens dood ten gevolge had. Daarop werd hij op voorstel van Ptolemaeus tot rijksbestuurder benoemd (321), doch deze betrekking moest hij spoedig aan Antipater afstaan. Zijne pogingen om in de oostelijke provinciën een eigen rijk te stichten mislukten, hij moest Antigonus en Seleucus helpen bij het beoorlogen van Eumenes, en daar hij in het leger van Antigonus aanhangers zocht te winnen voor zijne persoonlijke bedoelingen, liet deze hem dooden (316).

Pittacus, Pittakos, van Mytilene, een van de 7 wijzen van Griekenland, wiens spreuk was: kairon gnothi, let op het juiste oogenblik, voerde zijne medeburgers aan in den oorlog, dien zij met de Atheners, om het bezit van Sigeum voerden, en behaalde door list eene overwinning op den atheenschen veldheer Phrynon (607). In de later ontstane burgertwisten stond hij, als hoofd der volkspartij, tegenover zijn vroegeren vriend Alcaeus, eindelijk werd hij tot aesymnetes gekozen (omstreeks 595), eene waardigheid, die hij 10 jaar lang met wijsheid en rechtvaardigheid bekleedde en op 70-jarigen leeftijd vrijwillig nederlegde. Sedert dien tijd schijnt hij zich van het openbare leven teruggetrokken te hebben; tien jaar daarna stierf hij.

Pittheis, Aethra, dochter van Pittheus.

Pittheus, Pittheus, zoon van Pelops, koning van Troezen, grootvader van Theseus, die bij hem werd opgevoed.

Pityocamptes, Pityokamptes, pijnboombuiger, bijnaam van Sinis (z. a.).

Pitys, Pitys, eene nimf, die door Pan bemind werd, en toen zij hem niet konde ontvluchten, op haar gebed door de goden in een pijnboom werd veranderd.

Pityus, g. -untis, Pityous, pijnboomstad, belangrijke grensstad in Pontus, aan den N.O.-hoek van den Pontus Euxinus, aan den voet van den Caucasus; in den lateren keizertijd ballingsoord.

Pityusa, Pityoussa = het pijnboomrijke, oude naam van Lampsacus, van Salamis en van Chius.

Pityusae insulae, Pityoussai, pijnboomeilanden, op de kust van Hispania, twee eilandjes, thans nog Pityusen geheeten: Ebusus (Iviza) en Ophiusa = slangeneiland (Formentera).

Pius, zie Metelli no. 17 en 18 in de gens Caecilia en Antoninus Pius.

Placentia, thans Piacenza, aanzienlijke handelsplaats in Gallia Cispadana aan de samenvloeiing van de Trebia met den Padus (Po). In 219, vóór het uitbreken van den tweeden punischen oorlog, stichtten de Rom. te Placentia en te Cremona lat. koloniën. In 200 werd Plac. door de Galliërs verwoest, doch spoedig daarop door de Rom. herbouwd, en in 190 evenals Cremona met vele nieuwe kolonisten versterkt. In 90 kreeg de stad het Rom. burgerrecht.

Placia, Plakia, oude pelasgische volkplanting aan de Propontis, ten O. van Cyzicus.

Placus, Plakos, oostelijke uitlooper van het Idagebergte. Aan den voet daarvan lag Thebe.

Plaetoria (lex) van den volkstribuun M. Plaetorius, waarschijnlijk in 242, v. a. na 227, dat een praetor binnen Rome niet meer dan twee lictoren mocht hebben.

Plaetoria (lex), uit het jaar 191 of vroeger, waarbij jongelieden beneden 25 jaar, die reeds sui iuris waren, toch onder curateele gesteld werden. Zie curatio.

Plaetorii, plebejisch geslacht. 1) M. Plaetorius Cestianus, was in 66 te gelijk met Cicero praetor. In 69 trad hij op als aanklager van Fonteius, die door Cicero verdedigd werd.--2) Plaetorius Rustianus kwam na den slag bij Thapsus (46) te gelijk met Q. Metellus Scipio op de vlucht om.--3) Plaetorius (Platorius) Nepos, vertrouwde van keizer Hadrianus, doch in diens laatste regeeringsjaren uit achterdocht door hem vervolgd.

Planasia, Planasia, eiland tusschen Corsica en Etruria, waarheen Augustus' kleinzoon Agrippa Postumus verbannen werd.

Plancii. 1) Cn. Plancius, rom. ridder uit Atina, verdedigde als een der aanzienlijkste publicani met nadruk hun verzoek om vermindering van pacht (59).--2) Cn. Plancius, zoon van no. 1, diende eerst onder Metellus op Creta, bewees later als quaestor van Macedonia groote diensten aan Cicero in diens ballingschap en werd in 54 door hem in een proces de ambitu met goed gevolg verdedigd. Zie Iuventii no. 3. In 46 leefde hij als aanhanger van Pompeius in ballingschap te Corcyra.

Planctae, Planktai, vuurspuwende en in rook gehulde rotsen, tegen welke de schepen, door een onweerstaanbare strooming getrokken, te pletter slaan. Zij bevinden zich volgens Homerus in de nabijheid van Scylla en Charybdis, v. s. staan zij aan den westelijken ingang der sicilische zeeëngte, v. a. zijn het de Aeolische of Liparische eilanden. Zij worden dikwijls met de Symplegades verward.

Plancus, familienaam in de gens Munatia.

Plataeae, ook -taea, Plataiai, -taia, beroemde stad in Boeotia, aan de Noordzijde van den Cithaeron. Plataeae stond vijandig tegenover Thebae en sloot zich sedert ± 519 nauw bij Athene aan. Terwijl Thebe zich aan de Perzen onderwierp, leverde Pl. in den slag bij Marathon (490) 1000 man hulptroepen aan de Atheners. Xerxes verwoestte de stad in 480 op aansporing der Thebanen. Bij de puinhoopen had in 479 de slag plaats, waarin de perzische veldheer Mardonius sneuvelde en waartoe de Plataeërs weder 600 man leverden. Pl. werd herbouwd en door de Grieken ontslagen van Thebe's hegemonie. Na een vruchtelooze poging der Thebanen om Plataeae te overrompelen, werd de stad in het begin van den peloponnesischen oorlog, omdat zij zich niet tegen Athene wilde verklaren, door de Spartanen ingesloten en na vergeefsche pogingen om ze in te nemen door honger tot de overgaaf genoodzaakt (427). Een deel der bevolking ontkwam en vestigde zich te Scione op het schiereiland Pallene. In 383 werd Pl. nogmaals herbouwd, doch in 372 door de Thebanen op nieuw verwoest. Onder macedonisch bestuur herrees het weder.

Platanistas, eene ruimte bij Sparta, aan den Eurotas, met plataanboomen beplant en met standbeelden van heroën versierd, en door de spartaansche jongelingschap tot lichaamsoefeningen gebezigd.

Platea, Platea, eiland op de kust van Cyrenaïca.

Plato, Platon, 1) Athener, zoon van Ariston en Perictione, geb. 427, aanvankelijk Aristocles genoemd, kreeg later door zijn gymnastiekmeester Ariston of door Socrates den naam Plato, de breede. Uit een edel geslacht gesproten, door de beste leermeesters onderwezen, dichterlijk van natuur, beproefde hij reeds jong zijne krachten in de poëzie, terwijl hij tevens kennis maakte met de stelsels van Heraclitus, Parmenides, Anaxagoras e. a. Op zijn 20ste jaar leerde hij Socrates kennen, van hun omgang is weinig bekend, alleen weten wij, dat P. spoedig de voortreffelijkste leerling van Socrates was en dat hij aan zijn leermeester met de grootste genegenheid en eerbied verknocht was. Na den dood van Socrates ging hij vooreerst met vele andere van diens aanhangers naar Megara, maar weldra ging hij, door de zucht naar kennis gedreven, reizen doen naar Cyrene, Aegypte en Italië. In Italië kwam hij in aanraking met de volgelingen van Pythagoras, op Sicilië leerde hij door zijn vriend Dio den ouden Dionysius kennen, wiens ongenade hij zich echter spoedig door zijne vrijmoedigheid op den hals haalde en die hem als slaaf liet verkoopen (z. Pollis). Door Anniceris losgekocht en naar Athene teruggekeerd (388), begon hij zijne voordrachten in de Academie (z. a.), die hij de volgende 20 jaar onafgebroken met den grootsten bijval voortzette. Toen hij echter van Dio eene uitnoodiging ontving om naar Syracusae te komen en daar als leider en raadsman van den jongen Dionysius op te treden, nam hij die gaarne aan, daar zich nu, naar hij meende, eene gunstige gelegenheid aanbood om door een wijsgeerig gevormd vorst sommige van zijne theorieën in praktijk te doen brengen. De zaak kwam echter geheel anders uit. Dio viel spoedig in ongenade en werd verbannen en ook voor P. werden de toestanden te Syracusae onhoudbaar. Met moeite kreeg hij verlof te vertrekken (365) en op een latere reis naar Syracusae, ondernomen met het doel om eene verzoening tusschen Dionysius en Dio te bewerken (361), kwam hij zelfs door het wantrouwen van den tyran in levensgevaar en had hij zijn behoud alleen aan den invloed van Archytas te danken. Het overige van zijn leven wijdde hij nu uitsluitend aan het onderwijs der wijsbegeerte, totdat hij, nog krachtig werkzaam als leeraar en schrijver, in den ouderdom van 80 jaar overleed.--Te midden van de veelheid en afwisseling der zinnelijk waarneembare voorwerpen zoekt P. het eene en onveranderlijke in de idee (idea, eidos); de ideeën zijn nl. de geheel op zichzelf staande eigenschappen der stoffelijke dingen, zelve niet aan stof, tijd of plaats gebonden, zij zijn, hoewel geen afgetrokken begrippen, toch niet zinnelijk waarneembaar, maar de kennis er van is alleen te bereiken door de dialektiek (dialektike), de kunst, die leert van het bizondere tot het algemeene op te klimmen en omgekeerd weder tot het bizondere af te dalen. De individuën staan in betrekking met de ideeën of zijn afbeeldingen er van, toch kent P. aan de ideeën zelf nu en dan zekere mate van persoonlijkheid toe, en over de idee van het goede spreekt hij als over de hoogste godheid zelf. De wereld is niet eeuwig, maar door den schepper (demiourgos) uit ongeordende stof (apeiron) tot een goed geordend geheel (kosmos) gemaakt. De menschelijke ziel is onsterfelijk en bestaat uit drie deelen: verstand (logistikon, nous), moed (thymoeides), begeerte (epithymetikon). Het hoogste goed bereikt men door het streven naar gelijkheid met het absoluut goede, en daartoe moet ieder deel der ziel zijn eigenaardige deugden hebben, resp. wijsheid, dapperheid en zelfbeheersching, die met elkander vereenigd de hoogste deugd, rechtvaardigheid, vormen. Deze leer en hare toepassingen op staatsinrichting, opvoeding, kunst, enz. heeft P. gedurende eene bijna veertigjarige werkzaamheid onderwezen, deels in gesprekken op de wijze van Socrates, deels in samenhangende voordrachten, deels ook door zijne werken; deze laatste zijn, naar men gelooft, alle bewaard gebleven, daarentegen zijn onder die, welke zijn naam dragen, sommige zeker onecht; bijna alle zijn geschreven in den vorm van gesprekken van Socrates. De belangrijkste dialogoi zijn: Apologia, Kriton, Ion, Protagoras, Menon, Gorgias, Euthydemos, Symposion (385), Phaidon, Politeia (ongeveer 380-370), Phaidros, Timaios. Zijn laatste werk zijn de Nomoi. Hij werd in de oudheid als de eerste der wijsgeeren beschouwd, en zijne leer, hoewel uitgebreid en dikwijls gewijzigd, vond nog tot in de laatste tijden van het heidendom talrijke aanhangers, totdat Iustinianus in 529 n. C. alle onderwijs in de wijsbegeerte verbood. Zijn opvolger als hoofd der academie was Speusippus, de zoon zijner zuster.--2) Athener, hooggeschat blijspeldichter, tijdgenoot van Aristophanes; van zijne 28 stukken zijn talrijke fragmenten bewaard.

Platorius Nepos, zie Plaetorii no. 3.

Plautia of Plotia (lex) de vi, waarschijnlijk op verzoek van den consul Q. Lutatius Catulus (Lutatii no. 5) door een volkstribuun Plautius in 78 gemaakt, ook wel lex Lutatia geheeten, waarbij een afzonderlijke rechtbank (quaestio perpetua) werd ingesteld ter bestraffing van opstand, samenrotting, het vormen van benden gewapenden, het vernielen van huizen, enz., hetgeen alles onder het begrip vis werd samengevat.

Plautia (lex), aangenomen na het jaar 77, waarbij aan de volgelingen van Lepidus (Aemilii no. 3) vergund werd, in het vaderland terug te keeren. De voorsteller van de wet is onbekend.

Plautia Papiria (lex), van de volkstribunen M. Plautius Silvanus en C. Papirius Carbo, in 89, gaf aan de burgers van italische civitates foederatae bezuiden den Po gelegenheid, zich, mits binnen 60 dagen, bij den praetor urbanus als rom. burgers te doen inschrijven.

Plautiae leges, 1) iudiciaria, van den volkstribuun M. Plautius Silvanus, 89, dat uit elke der 35 tribus door het volk 15 mannen als rechters zouden gekozen worden.--2) lex Plautia agraria, zie Agrariae (leges).

Plautii of Plotii. 1) C. Plautius Proculus, consul in 358, streed met succes tegen de Hernici.--2) C. Plautius Venno Hypsaeus, consul in 347 en 341, streed in 341 tegen de Privernaten en Antiaten. In dat jaar moesten hij en zijn ambtgenoot, nog voordat hun ambtsjaar verstreken was, hunne waardigheid nederleggen, daar de senaat den op handen zijnden latijnschen oorlog aan versche mannen wilde opdragen.--3) C. Plautius Decianus, consul in 329 en 328, hield een zegetocht over de Privernaten. Hij verschafte hun daarop het Romeinsche burgerrecht.--4) C. Plautius, Venox bijgenaamd wegens het opsporen van aderen (venae) voor een waterleiding in 312, was met App. Claudius (Caecus) censor in 312. Toen er 18 maanden van hunne censuur verstreken waren, legde Plautius zijn ambt neer; Claudius daarentegen bleef in functie, om de groote bouwwerken, die hij onder handen had, de via Appia en de aqua Appia, af te maken. Het verhaal van hun oneenigheden, en dat Claudius Plautius zou om den tuin geleid hebben, is onhistorisch.--5) M. Plautius Silvanus, volkstribuun in 89; zie Plautiae leges.--6) P. Plautius Hypsaeus, quaestor van Pompeius in 66, werd in 52 wegens ambitus veroordeeld.--7) A. Plautius was ook in 66 legaat van Pompeius en in 56 volkstribuun.--8) M. Plautius Silvanus, met Augustus consul in het jaar 2, voerde onder Tiberius voorspoedig oorlog in Pannonia en Dalmatia (6-9 n. C.). Als belooning verwierf hij de ornamenta triumphalia. Hij is misschien dezelfde als Silvanus, die, wegens geweld, tegen zijne vrouw gepleegd, onder Tiberius gedagvaard, zich de aderen opende (24 n. C.).--9) Plautius Lateranus, onder Nero, werd in de samenzwering van Piso betrokken en onderging met standvastigheid den dood.--10) Plautius, rechtsgeleerde onder Vespasianus, van wien verschillende geschriften in de Pandecten worden vermeld.--11) A. Plautius veroverde als legatus Augusti pro praetore in 43 n. C. en volgende jaren het zuidelijk gedeelte van Britannia, en vierde in 47 eene ovatio; hij was de laatste, wien die eer te beurt viel, zonder keizer te zijn of tot de keizerlijke familie te behooren.--12) L. Plautius Plancus, z. Munatii no. 4.

Plautus (T. Maccius), te Sarsina in Umbria geboren ongeveer twee en een halve eeuw vóór C. Hij kwam reeds vroeg naar Rome, waar hij zich in eene ondergeschikte betrekking bij een troep tooneelspelers verhuurde. Later, toen hij zijn fortuintje of zijne spaarpenningen door speculaties verloren had, moest hij als bakkersknecht den kost verdienen. Middelerwijl schreef hij blijspelen, waarvan nog een 20tal overig is. Er waren er in de oudheid veel meer, maar de meeste daarvan werden reeds vroeg voor onecht gehouden. De stukken, die over zijn, zijn alle echt, de meeste zijn uit het begin van de 2de eeuw. De meest bekende zijn: Amphitruo, Aulularia, Captivi, Miles Gloriosus, Mostellaria, Pseudolus, Trinummus. Zij ontmoetten grooten bijval en getuigen van groot talent. Evenals die zijner voorgangers Livius Andronicus en Naevius zijn zij naar grieksche modellen bewerkt. Plautus is echter geen slaafsch navolger of vertaler, maar bewerkt zijne stof op vrijere manier, zoodat hij er eene Romeinsche kleur aan geeft. Zijn taal is levendig, pikant door geestige antwoorden en woordspelingen, terwijl tal van koddige toestanden en grappige tooneelen telkens de lachspieren in beweging brengen. Plautus stierf in 184.

Plebiscitum, besluit in een concilium plebis genomen. De gelijkstelling van plebiscita met leges geschiedde volgens de overlevering door de lex Horatia Valeria (449), de lex Publilia (339), de lex Hortensia (287). Zie echter Horatiae Valeriae (leges).

Plebs, het niet-patricische gedeelte van den rom. populus. Ze zijn vrij, maar hebben oorspronkelijk geen deel aan het bestuur van den staat. Gedeeltelijk zijn het landbouwers, en dan misschien ± 457 uit de cliënten ontstaan (zie clientes), gedeeltelijk is het dat deel van de stedelijke bevolking, dat zich met handel en industrie bezig hield. Door hare numerieke meerderheid en de macht, die zich uit de onschendbaarheid der volkstribunen ontwikkelde, gelukte het aan de plebs na langen en hardnekkigen strijd zich in de hoofdzaken gelijkstelling met de patriciërs te verwerven, zelfs in sommige opzichten (b.v. plebiscita, consulaat, censuur) voorrechten boven den adel. Deze strijd liep af in 287, toen door de lex Hortensia de plebiscita kracht van wet kregen voor het geheele volk. De afscheiding der beide standen werd opgeheven door de lex Canuleia de conubio (445).

Plectrum, plektron, een staafje van hout, ivoor of metaal, waarmede men bij het bespelen van de citer de snaren tokkelde.

Pleiades, Pliades, Pleiades, Pleiades, dochters van Atlas en Pleïone of Aethra, die door den reus Orion vervolgd werden, totdat zij op haar bidden door Zeus eerst in duiven (peleiades) veranderd en later aan den sterrenhemel geplaatst werden. Daar schitteren zij als het Zevengesternte (Vergiliae), met welks opkomst (einde April) de gunstige tijd voor de scheepvaart begint, en dat door zijn ondergang (26 October) de winterstormen aankondigt.--V. a. waren zij onder de sterren opgenomen, nadat zij zich van het leven beroofd hadden uit smart over den dood harer zusters, de Hyaden, of over het lot van haar vader.

Pleias, Pleias, een groep van 7 treurspeldichters, die in den alexandrijnschen tijd onder Ptolemaeus II bloeiden.

Pleïone, Pleione, dochter van Oceanus en Tethys, bij Atlas moeder van de Pleiades.

Pleminius (Q.), legatus van P. Cornelius Scipio, gedroeg zich in 205 als bevelhebber van Locri zeer wreed jegens de bevolking (zie Sergii no. 2). Door de Locrensers bij den senaat aangeklaagd, werd hij naar Rome gevoerd en daar gevangen gehouden. In 194 had hij een plan beraamd, om de stad op vele plaatsen tegelijk in brand te laten steken, om in de verwarring te kunnen ontsnappen. Het plan werd verraden en Pleminius gedood.

Plemmyrium, Plemmyrion, kaap op Sicilia, juist aan den mond der haven van Syracusae, tegenover Ortygia.

Plemochon, een plengoffer, waarmede de viering der eleusinische mysteriën besloten werd. Men gebruikte daarvoor schalen van eigenaardigen vorm en plengde uit de eene naar het Oosten, uit de andere naar het Westen.

Plethrum, plethron, het zesde deel van een stadium.

Pleumoxii, klein belgisch volk, waarschijnlijk in de tegenw. provincie Westvlaanderen.

Pleuron, Pleuron, zeer oude aetolische stad, ten W. van Calydon, door Demetrius Poliorcetes verwoest, waarop de inwoners iets noordelijker een Nieuw-Pleuron bouwden, waarvan de ruïnen nog over zijn.

Plexippus, Plexippos, 1) zoon van den arcadischen koning Choricus, uitvinder van het worstelen.--2) oom van Meleager, die hem bij de calydonische jacht doodde.

Plinii. 1) C. Plinius Secundus, ter onderscheiding van no. 2 maior bijgenaamd, in 23 na C. te Novum Comum (Como) geboren, bekleedde verschillende ambten in Germania, Hispania en Italia en was bij keizer Vespasianus zeer gezien. Bij de uitbarsting van den Vesuvius in 79 was hij admiraal van de te Misenum gestationneerde vloot der Tyrrheensche zee. Bij zijne pogingen om menschenlevens te redden en de uitbarstingsverschijnselen te bestudeeren, kwam hij zelf om, in de nabijheid van Stabiae. Hij had den naam, suae aetatis doctissimus te zijn, en heeft dan ook veel geschreven, waarvan echter nog slechts één groot werk over is: Naturalis historiae of Naturae historiarum