Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty'

Part 8

Chapter 83,953 wordsPublic domain

Daar was men omringd door allerlei, niet te herstellen overblijfselen uit den tijd der Taï-pings; maar noch in deze handelstad, die als 't ware slechts een aanhangsel is van Rang-Yang-Fou, op den rechter-oever van de zijrivier, noch te Ou-Tchang-Fou hoofdstad van de provincie van Rou-Pé aan den rechteroever van den stroom zelf, was iets te bespeuren van den spoorloos verdwenen Wang. Ook zag men er geen letters als die, welke Kin-Fo te Nan-King op het graf van den gekroonden priester had gevonden.

Als Craig en Fry zich hadden voorgesteld dat zij, op hunne reis door China, eenige kennis op zouden doen van land en zeden, zouden zij zich spoedig bedrogen gevonden hebben. Zelfs de tijd zou hun ontbroken hebben om aanteekeningen te maken en hunne indrukken zouden zich bepaald hebben tot eenige namen van steden en sterkten. Maar zij waren niet nieuwsgierig en snapachtig evenmin. Zij spraken bijna nooit met elkander. Waarvoor zou dat ook gediend hebben! Hetgeen Craig dacht, was ook de meening van Fry. Het zou een soort van alleenspraak geworden zijn. Zij letten dan ook, evenmin als hun cliënt, op het tweeslachtig voorkomen van het grootste aantal der Chineesche steden--bijna uitgestorven in het midden en druk in de voorsteden. Ternauwernood bespeurden zij te Ran-Kéou het Europeesche gedeelte, kenbaar aan de breede en rechte straten, de bevallige gebouwen en den schaduwrijken wandelweg, die zich langs de oevers van de Blauwe Rivier uitstrekt. Zij keken alleen uit naar één persoon en die persoon bleef onzichtbaar.

De stoomboot kon, dank zij den was dien de wateren van den Ran-Kiang deed stijgen, deze zijrivier nog circa honderd dertig mijlen tot aan Leo-Ro-Kéou opstoomen.

Kin-Fo was er de man niet naar om dit soort van vervoermiddel, 't welk hem zeer behaagde, te verlaten. Integendeel, hij stelde er prijs op zoover te gaan als de Rang-Kiang bevaarbaar was. Eenmaal daar gekomen, zou hij nader zien. Craig en Fry hadden er niets tegen dat de tocht aldus voortgezet werd. De bewaking was aan boord zeer gemakkelijk, de gevaren minder dreigend. Als zij verder kwamen, op de minder veilige wegen van midden-China, zou het heel wat anders zijn.

Wat Soun betreft, het leven aan boord beviel hem uitstekend. Hij behoefde niet te loopen, hij behoefde niets te doen, zijn meester kon hij overlaten aan de goede zorgen van Craig-Fry, hij kon zich, na flink gegeten en gedronken te hebben, rustig in zijn hoekje uitstrekken om te slapen en het eten was uitmuntend.

Eene verandering in de voeding aan boord, die eenige dagen later inviel, moest ieder ander dan dezen stoffel er opmerkzaam op gemaakt hebben dat er eene wijziging gekomen was in de aardrijkskundige gesteldheid der reizigers.

Bij den maaltijd werd de plaats van de rijst ingenomen door het koren, in den vorm van ongerezen broodjes, die, als men ze versch gebruikte, zeer aangenaam van smaak waren.

Soun betreurde, als een Chinees uit het zuiden, zijne gewone rijst. Hij kon met zijne kleine stokjes zoo behendig manoeuvreeren, als hij de korrels uit den schotel in zijn grooten mond bracht, en hij kon zulke geduchte hoeveelheden naar binnen werken! Rijst en thee, wat heeft een waar zoon van het Hemelsche Rijk meer noodig!

De stoomboot bleef de Rang-Kiang opvaren en was de grens van het koren genaderd. Men bespeurde dat men in hooge streken gekomen was. Aan den gezichteinder zag men eenige bergen met sterkten gekroond, gesticht onder de oude dynastie der Mings. De dijken, die de wateren van de rivier binnen hare bedding hielden, verdwenen, de oevers werden lager en het bed der rivier werd breeder maar verminderde in diepte. Men was het gebied van Guan-Lo-Fou genaderd.

Kin-Fo ging niet aan wal gedurende de weinige uren die noodig waren om bij de gebouwen der douanen, nieuwe brandstof aan boord te nemen. Wat had hij te maken in een stad, die hem geheel onverschillig was? Nu hij er niet in kon slagen Wang op het spoor te komen, had hij slechts eene begeerte: zich dieper in noordelijk China te begeven, waar hij wel geen kans had Wang te vinden, maar waar deze hem ook niet treffen zou.

Na Guan-Lo-Fou deed men twee steden aan, tegenover elkander gelegen, het eene de handelstad Fan Tcheng op den linkeroever; en de hoofdstad Siang-Yang-Fou op den rechteroever; de eerste vol beweging en verkeer, de laatste, de verblijfplaats van de autoriteiten, meer dood dan levend.

En na Fan Tcheng bleef de Ran-Kiang, met een rechten hoek noordwaarts buigende, nog tot Lao-Ro-Kéou bevaarbaar. Daar kon de stoomboot, wegens gebrek aan water, niet verder.

Eenmaal te Lao-Ro-Kéou gekomen, moest er een groote verandering in de reisplannen worden gemaakt. Men moest de stroomen »die loopende wegen," verlaten en zichzelf voortbewegen of althans de zacht schommelende beweging van de boot verwisselen met de schokken, het gekraak en gestoot van de ellendige voertuigen, die in het Hemelsche Rijk in gebruik zijn. Ongelukkige Soun! De tijd der beslommeringen, vermoeienissen, berispingen was voor hem aangebroken!

En waarlijk, hij die Kin-Fo op dezen avontuurlijken zwerftocht, van gewest tot gewest, van stad tot stad wilde volgen, zou een zwaar werk ondernomen hebben! Den eenen dag reisde hij per wagen, maar welk een wagen! Een bak, stevig bevestigd op twee wielen met groote ijzeren spijkers voorzien en getrokken door twee weerbarstige muilezels, terwijl men alleen door een linnen huif bedekt was voor de regenvlagen en zonnestralen! Een anderen dag kon men hem zien uitgestrekt in een soort van stoel, die tusschen twee lange bamboezen stokken hing en aan zulk hevig slingeren en stampen was blootgesteld, dat het voor een vaartuig in al zijne spanten en inhouten een vreeselijk gekraak zou gegeven hebben.

Craig en Fry bevonden zich als aides-de-camp naast de portieren, op een paar ezels gezeten, die zoo mogelijk nog meer schudden en schommelden dan de stoel. Wat Soun betreft, hij ging te voet en als de marsch wat snel ging, al brommende en vloekende, en zich, meer dan goed voor hem was, verkwikkende aan den brandewijn van Kao-Liang. Ook hij ging dan met zonderlinge slingeringen voorwaarts, maar dit was niet te wijten aan de oneffenheden van het terrein! Kortom, de stoet ware op een onstuimige zee niet meer geschud geworden.

Kin-Fo en zijne metgezellen deden te paard--dieren waarvan de wederga in ellende nauwelijks te vinden was--hun intocht te Si-Gnan-Fou, de oude hoofdstad van het Hemelsche Rijk, en waar de keizers uit de dynastie der Tangs eertijds hun zetel hadden gevestigd.

Maar welke onafzienbare naakte en droge vlakten had men niet moeten doortrekken, wat al vermoeienissen, ja zelfs gevaren, had men niet doorworsteld eer deze afgelegen provincie van Chen-Li bereikt was!

De Meizon wierp, op een breedte, ongeveer overeenstemmende met 't zuiden van Spanje, bijna onuitstaanbaar heete stralen op het aardrijk, en dreef het fijne stof der wegen, die nooit met steenen hadden kennis gemaakt, omhoog.

Als men door zulk een gelen wervelwind werd overdekt, die de lucht als met een ongezonden damp verpestte, kon men er op rekenen van boven tot beneden in het grijs gestoken te worden. Men was daar in de streek van de "Loess," een zonderling soort van geologische formatie, eigen aan 't noorden van China; 't is geen aarde en ook geen rots, maar een soort van steen, dat nog niet tot een vasten toestand gekomen is.

De gevaren die men te doorstaan had, waren niet van denkbeeldigen aard in een land, waar de politiedienaars eene buitengewone vrees koesteren voor de messen van de dieven. Als men bedenkt, dat de »tipaos" in de steden aan de schurken vrij spel laten en de bewoners aldaar zich des nachts zelfs niet op de drukst bewoonde gedeelten durven begeven, kan men er over oordeelen hoe het op de wegen gesteld is! Meermalen werden de reizigers door verdachte troepen aangehouden, als zij de nauwe holen, diep tusschen de »loess"-lagen uitgegraven, doortrokken; maar het zien van Craig-Fry met den revolver in den gordel, had de straatroovers tot nog toe altijd eerbied ingeboezemd. Toch waren de agenten van _de Eeuw_ herhaaldelijk in groote onrust, minder voor zichzelf dan wel voor het millioen, dat aan hunne zorg was toevertrouwd. Of Kin-Fo door het mes van een boosdoener of door den dolk van Wang viel, was voor hen hetzelfde. De slag toch zou in ieder geval de maatschappij treffen.

Kin-Fo was overigens niet minder goed gewapend en even vast besloten zich te verdedigen. Hij hechtte meer dan ooit aan het leven en hij zou, om de uitdrukking van Craig-Fry te bezigen, »zich hebben laten dooden om het te behouden."

't Was niet waarschijnlijk dat men te Si-Gnan-Fou eenig spoor zou vinden van den philosoof. Nooit zou een oude Taï-ping op de gedachte gekomen zijn daar een schuilplaats te zoeken. 't Is een stad welker wallen nooit door de opstandelingen zijn bemachtigd en die door een talrijk garnizoen is bezet. Alleen iemand die een bijzonderen smaak had voor archaeologische merkwaardigheden, in de plaats zeer talrijk, of die ervaren was in het uitleggen van de meest geheimzinnige spreuken--het museum aldaar »het bosch der tafelen" geheeten, was er rijk aan--kon roeping gevoelen daarheen te gaan. 't Was niet waarschijnlijk dat Wang er zou zijn.

Daarom verliet Kin-Fo dan ook, den dag na zijne aankomst, deze stad, een gewichtig punt voor den handel tusschen midden-Azië, Thibet, Mongolië en China, en zette den tocht verder noordwaarts voort.

Langs Kao-Lin-Sien, Sing-Tong-Sien, den weg door het dal van de Quei-Ro, welker wateren met het gele stof van de »loess," door welks bodem zij liep, bedekt waren, kwam de kleine troep te Roua-Tchéou aan, het brandpunt van den geweldigen opstand der Muzelmannen in 1860. Vandaar bereikte Kin-Fo en zijne gezellen, nu eens per vaartuig, dan weder per wagen, niet zonder groote vermoeienissen, de vesting Tong-Kouan, aan de samenvloeiing van de Quei-Ro en de Rouang-Ro gelegen.

De Rouang-Ro is de vermaarde Gele rivier. Zij daalt van het noorden af om zich, door de oostelijke provinciën, in de zee te storten die haren naam draagt, zonder daarom geel te zijn, evenmin als de Roode zee rood, de Witte zee wit of de Zwarte Zee zwart is. De stroom is beroemd, en ongetwijfeld van Hemelschen oorsprong, wijl zijn kleur die is van den keizer, Zoon van den Hemel; maar hij wordt ook »China's leed" geheeten, een naam dien hij dankt aan de geduchte overstroomingen, waardoor voor 't oogenblik het Keizer-kanaal in ontredderden toestand verkeert.

Te Tong-Kouan zouden de reizigers, zelfs des nachts, veilig geweest zijn. Het is geen handelstad, maar een militaire plaats, en bewoond, niet tijdelijk maar als vaste verblijfplaats, door de Mantsjoersche Tartaren, de keurtroepen van het Chineesche leger! Misschien was Kin-Fo voornemens er eenige dagen rust te nemen. Misschien zou hij er in een hotel eene goede kamer, eene goede tafel, een goed bed gezocht hebben--'t geen zeker noch aan Craig-Fry, noch vooral aan Soun zou hebben mishaagd.

Maar deze onhandige snaak, die bij deze gelegenheid een paar duim van zijn staart moest missen, had de onvoorzichtigheid om bij de douanen in plaats van den aangenomen naam, den waren naam zijns meesters te noemen. Hij vergat dat hij de eer had niet Kin-Fo, maar Ki-Nan te dienen. Welk een uitbarsting! De vergissing verplichtte den reiziger onmiddellijk te plaats te verlaten. Zijn naam had reeds het noodige effect gemaakt. De beroemde Kin-Fo was te Tong-Kouan aangekomen. Men wilde dien man zien, »wiens eenigste wensch was honderd jaar oud te worden!"

De getergde reiziger slaagde er ternauwernood in zich met zijne beide bewakers en zijn knecht door de vlucht te onttrekken aan de massa nieuwsgierigen, die als uit den grond oprezen. Te voet, ditmaal te voet! beklom hij de steile oevers der Gele rivier, en hij liep door totdat zijne metgezellen en hij zelf van vermoeienis neervielen in een klein dorp, waar zijne volslagen onbekendheid hem wel eenige uren van rust waarborgde.

Soun, thans geheel uit het veld geslagen, durfde zijn mond niet meer opendoen. Thans was hij, met den belachelijken rattenstaart, die hem nog slechts overbleef, het voorwerp der algemeene opmerkzaamheid en der onaangenaamste bespotting! De straatjongens wezen hem na en vervolgden hem met allerlei zoutelooze grappen.

Hij verlangde dus wel naar het einde der reis. Doch waar was dat einde? Had zijn meester niet zelf aan den heer William J. Bidulph verklaard dat hij niet ophouden zou zoolang er nog een weg vóor hem lag?

In het dorpje, op twintig _lis_ [8] van Tong-Kouan, waar Kin-Fo zich verborgen had, was niets te krijgen; geen paarden, geen ezels, geen wagens, geen draagstoelen. Er bleef niets anders over dan terug te keeren of te voet verder te gaan. Dat was juist niet bevorderlijk om den leerling van den philosoof Wang in een gelijkmatig humeur te houden en hij bracht bij deze gelegenheid de lessen van zijn leermeester dan ook slecht in practijk. Hij beschuldigde iedereen, terwijl hij eigenlijk met zichzelf had moeten beginnen. Och, wat betreurde hij den tijd toen zijn leven zoo kalm daarheen ging! Moest hij, om het geluk te kunnen waardeeren, verdriet, ongeluk en kwelling gekend hebben, zooals Wang zeide, thans had hij aan deze laatste zaken waarlijk geen gebrek.

En dan ook had hij op zijn tocht vele brave menschen ontmoet die geen duit bezaten, maar toch gelukkig waren! Hij was in de gelegenheid geweest de verschillende soorten van geluk op te merken, die verkregen worden door den met vreugde verrichten arbeid.

Hier waren het landbouwers over hun arbeid gebukt; daar ambachtslieden, die al zingende hunne gereedschappen hanteerden. Het was immers juist aan het gebrek aan arbeid dat Kin-Fo het gebrek aan begeerten en bij gevolg, het gebrek aan geluk hier beneden te danken had! O! 't Was een goede les! Hij meende het althans!!... Neen! vriend Kin-Fo, toch was het zoo niet!

Met veel moeite en na herhaalde mislukte pogingen slaagden Craig en Fry er ten slotte in een voertuig te vinden, het eenige dat het dorp bezat. Het was slechts geschikt voor een enkelen persoon en er was niemand om het in beweging te brengen.

Het was een kruiwagen--Pascal's kruiwagen,--en misschien reeds vóór hem uitgevonden door de vernuftige Chineezen, die ook het buskruit, het schrift, het kompas en de vliegers uitvonden. Maar in China is het groote wiel niet voor aan den wagen, doch midden er onder geplaatst, evenals het rad bij zekere booten. De wagen is daardoor in twee deelen verdeeld, één voor den reiziger om zelf plaats in te nemen, het andere voor zijn bagage.

Dit voertuig kan alleen door een mensch in beweging gebracht worden, die het voortduwt en niet voortsleept. Die dit doet staat dus achter den reiziger, evenals de voerman van een Engelsche cab, en beneemt hem het vrije uitzicht niet. Als de wind gunstig, dat wil zeggen achter het rijtuig is, maakt hij, die den wagen duwt, gaarne van deze kostelooze beweegkracht gebruik. Hij zet er een mast en een zeil op, en als het goed waait, dan behoeft hij niet te duwen, dan wordt hij integendeel zelf voortgetrokken--en somtijds sneller dan hem lief is.

Het voertuig werd gekocht met al wat er bij behoorde en Kin-Fo nam er plaats in. De wind was gunstig en het zeil werd geheschen.

»Komaan Soun!" riep Kin-Fo.

Soun maakte zich gereed om plaats te nemen in de tweede afdeeling.

»Ben je mal! Achter den wagen en duwen", beval Kin-Fo op een toon, die geen tegenspraak toeliet.

»Mijnheer.... wat.... ik!" riep Soun uit en hij voelde zijne knieën reeds knikken, als een paard dat overwerkt is.

»'t Is je eigen schuld; 't is een gerechte straf voor je onbescheidenheid en babbelzucht."

»Komaan Soun!" voegden Craig en Fry er bij.

»Achter den wagen en duwen!" herhaalde Kin-Fo, met een veelbeteekenenden blik op het eindje staart dat den ongelukkige nog over bleef. »En pas op dat je niet struikelt, of anders..."

Een gebaar met wijs- en middenvinger vulde den zin aan. Soun deed den draagband over zijne schouders en greep de berrie met beide handen. Craig en Fry namen hunne plaats aan weerszijden in en daar er een frissche bries woei, ging de stoet op een sukkeldrafje vooruit.

Het is onmogelijk om de sprakelooze woede van Soun te beschrijven, nu hij als paard dienst moest doen, en zelfs de omstandigheid dat Craig of Fry somtijds zijne plaats innam, kon er hem niet mede verzoenen. Zeer gelukkig bleef de zuidenwind hun bijna voortdurend getrouw, 't geen hun drie-vierde van het werk uitwon. De kruiwagen stond goed in evenwicht en de man die duwde behoefde eigenlijk alleen te sturen en te zorgen dat men niet van den weg afdwaalde.

Op deze wijze trok Kin-Fo door de noordelijke provinciën van China, loopende als hij wat stijf in zijne beenen geworden was, zich latende rijden als hij behoefte gevoelde om weder te rusten.

Na langs de steden Houan-Fou en Ca-Fong gegaan te zijn, kwam hij aan de steile overs van het Groote Keizers-kanaal, dat nauwelijks twintig jaar geleden, voordat de Gele Rivier weder in haar oude bedding teruggekeerd was, een schoonen waterweg vormde van een paar honderd uur ver, die van Sou-Tchéou, het land der thee, tot Peking liep.

Hij kwam zoo door Tsinan en Ho-Kien in de provincie Té-Tché-li, waarin Peking ligt, de viervoudige hoofdstad van het Hemelsche Rijk.

Zoo trok hij door Tien-Tsin, dat door een ringmuur en twee forten beschermd wordt, eene groote stad van vierhonderdduizend inwoners met een schoone haven die door de Peï-Ho en het Keizerskanaal gevormd wordt en waar jaarlijks een zeventig millioen omgezet wordt door den invoer van katoen uit Manchester, wollen goederen, koper- en ijzerwerk, Duitsche lucifers, sandelhout enz. enz. en den uitvoer van jujubes, bladeren van waterlelies, Tartaarsche tabak en dergelijke artikelen. Kin-Fo dacht er echter zelfs niet aan om in dit zonderlinge Tien-Tsin de beroemde pagode der helsche straffen te gaan bezoeken; hij deed geen wandeling in de oostelijke voorstad door de vermakelijke Lantaarnstraat en die der Oude-kleeren; hij ontbeet niet in de restauratie »de Harmonie en de Vriendschap" van den muzelman Léou-Lao-Ki, wiens wijnen beroemd zijn in spijt van Mahomets verbod; hij onthield zich natuurlijk een zijner groote roode naamkaarten af te geven op het paleis van Li-Tchong-Tang, onderkoning der provincie sedert 1870, lid van den geheimen raad en den raad van 't keizerrijk, die het recht heeft om een geel vest te dragen en den titel voert van Fei-Tzé-Chao-Pao.

Neen, Kin-Fo steeds in zijn kruiwagen en Soun er achter, trokken langs de kaden waar bergen van zoutzakken lagen; zij gingen door de voorsteden, de Engelsche en Amerikaansche nederzettingen, het renperk, de velden met sorgho, rogge, Turksch koren, met wijngaarden en groenten van allerlei aard; door de vlakten waar men talrijke hazen, patrijzen en kwartels zag, aanhoudend vervolgd door steen- en andere valken. Het viertal vervolgde den klinkerweg naar Peking, die vier en twintig uur lang en met boomen beplant is en zoo kwamen zij gezond en wel te Tong-Tchéou aan, Kin-Fo altijd nog tweehonderdduizend dollars waard, Craig en Fry zoo frisch als bij het begin der reis, Soun aamborstig, kreupel en met een staart die nauwelijks nog op dien naam aanspraak mocht maken.

Het was 19 Juni. De aan Wang toegestane termijn verliep eerst over zeven dagen!

Waar was Wang?

XIII.

Waarin men kennis maakt met het beroemde »Klaaglied van de vijf waken des Honderdjarigen."

»Mijnheeren," sprak Kin-Fo tot zijne beide trouwe bewakers, toen de kruiwagen stilhield in de voorstad van Tong-Tchéou, »wij zijn nog slechts veertig _lis_ [9] van Peking af en ik ben van plan hier te blijven totdat de termijn van de met Wang gemaakte afspraak verstreken is. In deze stad van vierhonderd duizend zielen, zal ik gemakkelijk onbekend kunnen blijven, als Soun althans gelieft te onthouden dat hij in dienst is bij Ki-Nan, een eerzaam koopman uit de provincie Chen-Si."

Neen, dat zou Soun niet meer vergeten! Zijn onhandigheid had hem de laatste acht dagen een paarden-baantje bezorgd en hij hoopte dat mijnheer Kin-Fo...

»Ki".., begon Craig.

»Nan" vulde Fry aan.

... hem voortaan niet meer daarmede straffen zou. En nu had hij, met het oog op de vele vermoeienissen die hij doorstaan had, slechts één verzoek aan mijnheer Kin-Fo...

»Ki"... herhaalde Craig.

»Nan" voegde Fry er bij.

... en dat was of hij nu minstens eens tweemaal vier en twintig uur onafgebroken slapen mocht.

»Acht dagen, als je wilt!" antwoordde Kin-Fo. »Als je slaapt dan zijn wij althans zeker, dat je je niet verpraten kunt!"

Kin-Fo en zijn gevolg gingen toen een goed hotel opzoeken en daaraan was in Tong-Tchéou geen gebrek. Deze groote stad is als het ware een der voorsteden van Peking. De tegelweg die naar de hoofdstad leidt is geheel bebouwd met villa's, woonhuizen, boerderijen, graven, kleine pagoden en tuinen, en er is aanhoudend een zeer drukke passage van rijtuigen, ruiters en voetgangers.

Kin-Fo was in de stad bekend en liet zich naar de Taè-Ouang-Miao, »den Tempel der souvereine Vorsten", brengen. Het was eigenlijk een klooster, tot hotel ingericht, waar de vreemdelingen een zeer goed logies konden vinden.

Kin-Fo, Craig en Fry maakten het er zich dadelijk huiselijk, de beide agenten in een kamer die onmiddellijk aan die van hun kostbaren reisgenoot grensde. Soun verdween om aan zijn slaaplust bot te gaan vieren en werd vooreerst niet teruggezien.

Een uur later verlieten Kin-Fo en zijne trawanten hunne kamers om te ontbijten en te beraadslagen over hetgeen hun nu te doen stond.

»Eerst moeten wij", meenden Craig en Fry, »de courant inzien, of er ook iets in staat dat ons raakt."

»Je hebt gelijk", sprak Kin-Fo, »misschien lezen wij er in wat er van Wang geworden is."

Zij verlieten dus het hotel. Uit voorzorg liepen Craig en Fry aan weerszijden van Kin-Fo, al de voorbijgangers nauwkeurig in het oog houdende en zorgende dat niemand hem naderen kon. Zij gingen zoo door de nauwe straten der stad en kwamen op de kade, waar een nommer der Staatscourant gekocht en gretig doorgekeken werd.

Er stond niets in, dan de uitloving van 2000 dollars of 1300 taëls aan hem, die William J. Bidulph wist te zeggen waar de heer Wang uit Shang-Haï op dit oogenblik was.

»Hij is dus nog niet voor den dag gekomen", sprak Kin-Fo.

»Hij heeft dus de voor hem bestemde advertentie niet gelezen", antwoordde Craig.

»Hij meent dus nog altijd dat hij verplicht is zijn u gegeven woord te houden", voegde Fry er bij.

»Maar waar kan hij zijn?" riep Kin-Fo uit.

»Gelooft u dat uw leven gedurende den nog overigen tijd van den termijn meer gevaar loopt dan vroeger?" vroegen Craig en Fry.

»Ongetwijfeld", antwoordde Kin-Fo. »Wang weet niet welke verandering er in mijn omstandigheden gekomen is, hij kan zich dus niet van zijn woord ontslagen rekenen. Morgen en overmorgen loopt mijn leven dus meer gevaar dan heden en over zes dagen meer dan ooit."

»Maar als de termijn is verstreken?"

»Dan heb ik niets meer te vreezen."

»Welnu mijnheer", antwoordden Craig-Fry. »Er zijn maar drie middelen, om u voor de volgende zes dagen aan elk gevaar te onttrekken."

»En welk is het eerste?" vroeg Kin-Fo.

»Naar uw hotel terug te gaan en uw kamer niet te verlaten voordat de termijn verstreken is."

»En het tweede?"

»U als misdadiger in hechtenis te laten nemen, opdat u veiligheid vindt achter de muren der gevangenis van Tong-Tchéou."

»En het derde?"

»Te veinzen dat u gestorven zijt en niet weder te herleven voor dat alle gevaar voorbij is."

»Ge kent Wang niet, mijneheeren," riep Kin-Fo uit. »Wang zou wel een middel vinden om in mijn hotel of mijn gevangenis binnen te dringen; hij zou mij zelfs in mijn graf wel weten te vinden! Dat hij mij tot nog toe niet gedood heeft is alleen te danken aan het feit, dat hij dit niet heeft gewild, dat hij mij het genoegen der ontroering niet heeft willen benemen! Wie weet welk motief hij gehad heeft? In elk geval zal ik liever van de door u voorgeslagen middelen geen gebruik maken.

»Maar wacht eens.... misschien...." begon Craig.

»Zouden wij niet....?" ging Fry voort.