Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty'
Part 7
Craig en Fry stonden werkelijk achter de deur van het particuliere kabinetje. Zij waren den cliënt gevolgd tot aan de deur van het bureau en wachtten daar zijn vertrek af.
»Craig-Fry," aldus liet zich thans de hoofdagent hooren, »je hebt gedurende de twee maanden, dat voor de polis betaald is, onzen kostbaren cliënt niet meer tegen zich zelf te behoeden, maar tegen een van zijn eigen vrienden, den philosoof Wang, die zich verbonden heeft hem te vermoorden!"
En de twee onafscheidelijken werden op de hoogte der zaak gebracht. Zij begrepen ze en namen de opdracht aan. De rijke Kin-Fo behoorde hun toe. Hij kon geen trouwer dienaren hebben.
Wat moest er nu gedaan worden?
Men kan op tweeërlei wijze te werk gaan, meende de hoofdagent, òf Kin-Fo zoo zorgvuldig in zijn huis te Shang-Haï bewaken, dat Wang het niet kan binnentreden zonder door Fry-Craig bespeurd te worden, òf wel alle pogingen in het werk stellen om gezegden Wang te vinden en hem den brief te ontnemen.
»Het eerste geeft niets, antwoordde Kin-Fo. »Wang zou mij zeer gemakkelijk kunnen vinden, zonder bespeurd te worden, wijl mijn huis ook het zijne is. Men moet hem, het koste wat het wil opsporen."
»U hebt gelijk, mijnheer," antwoordde William J. Bidulph. »Het zekerste is om gezegden Wang terug te vinden en wij _zullen_ hem vinden!"
»Dood of..." zei Craig.
»Levend!" antwoordde Fry.
»Neen! levend!" riep Kin-Fo uit... »Ik wil niet dat Wang een oogenblik door mijn schuld gevaar loopt!"
»Craig en Fry, voegde William J. Bidulph er bij, »je staat gedurende zevenenzeventig dagen voor onzen cliënt in. Tot 30 Juni a. s. vertegenwoordigt mijnheer voor ons een waarde van tweemaal honderdduizend dollars."
Daarop namen de cliënt en de hoofdagent van _de Eeuw_ afscheid van elkander. Tien minuten later was Kin-Fo, gevolgd door de beide lijfwachten, die hem vooreerst niet meer zouden verlaten, in zijn yamen teruggekeerd.
Toen Soun zag dat Craig en Fry officieel in het huis toegelaten werden, maakte zich een gevoel van spijt van hem meester. Geen vragen meer, geen antwoorden en vooral geen taëls meer! Daarbij kwam dat zijn meester zijne oude levenswijze hervatte en zijn onhandigen en luien knecht weder hard begon te behandelen.
Arme Soun! Wat zoudt gij gezegd hebben als gij geweten hadt welk lot u boven het hoofd hing!
Het eerste dat Kin-Fo deed was naar Peking, avenue de Cha-Coua te »phonografeeren" welken keer zijn lot genomen had. De jonge vrouw hoorde op nieuw hoe de stem van hem, dien zij voor altijd meende verloren te hebben, haar de teederste namen gaf. Hij zou zijne lieve jonge zuster terug zien. Eer de zevende maan ten einde was gebracht zou hij bij haar zijn, om haar niet weder te verlaten. Maar nadat hij geweigerd had haar ongeluk te zoeken, mocht hij haar niet op nieuw aan het gevaar blootstellen om haar weder weduwe te maken.
Lé-ou begreep niet best wat deze laatste zin beteekende, zij begreep slechts één zaak, en wel dat haar verloofde tot haar terugkeerde en dat hij, vóór er twee maanden zouden verloopen, bij haar zou zijn.
En op dien dag was er geen gelukkiger vrouw in het geheele Hemelsche Rijk dan de jeugdige weduwe.
Er was, in werkelijkheid, eene geheele omkeering tot stand gebracht in de gedachten van Kin-Fo, thans, dank zij de voordeelige operatie van de centrale Californische bank, viermaal millionnair. Hij wenschte te leven en goed te leven. Twintig dagen van spanning hadden hem geheel veranderd. Noch de mandarijn Pao-Shen, noch de koopman Yin-Pang, noch Tim, de bon-vivant, noch Houal, de letterkundige zouden in hem het onverschillige wezen herkend hebben, van 't welk zij op een der bloemschepen in de Paarlenrivier afscheid hadden genomen. Wang zou zijne eigen oogen niet geloofd hebben, als hij het gezien had. Maar hij was verdwenen zonder eenig spoor na te laten. Hij keerde niet in het huis te Shang-Haï terug. Dit was een bron van groote zorg voor Kin-Fo en van angst voor de beide lijfwachten.
Acht dagen later, den 24n Mei, was er nog geen bericht van den philosoof en bijgevolg geen mogelijkheid om op zijn spoor te komen. Te vergeefs hadden Kin-Fo, Craig en Fry de vreemde concessies, de bazars, de verdachte kwartieren, de omstreken van Shang-Haï doorzocht. Te vergeefs waren de meest bekwame politiedienaars aan 't werk geweest. De philosoof was niet te vinden. Ondertusschen verdubbelden Craig en Fry, die hoe langer hoe meer onrust gevoelden, hunne voorzorgen. Zij verlieten hun cliënt nacht noch dag, aten aan zijn tafel, sliepen in zijn kamer, wilden hem overhalen om een ijzeren maliënkolder te dragen ten einde beschermd te zijn voor een dolkstoot en alleen versche eieren te eten om niet vergiftigd te worden.
Kin-Fo het moet gezegd worden, liet hen praten. Hij kon zich even goed gedurende twee maanden in de brandkast van _de Eeuw_ laten opsluiten, onder voorgeven, dat hij tweemaal honderdduizend dollars vertegenwoordigde!
Toen stelde William J. Bidulph, practisch als altijd, zijn cliënt voor de gestorte premie te restitueeren en de polis te verscheuren.
»'t Spijt mij zeer," antwoordde Kin-Fo bedaard, »maar de zaak heeft zijn beslag gekregen en u moet er de gevolgen van dragen."
»Het zij zoo," antwoordde de hoofdagent, zich in het onvermijdelijke schikkende. »Het zij zoo. U hebt gelijk! U kunt door niemand beter beschermd worden dan door ons!"
»Noch goedkooper!" antwoordde Kin-Fo.
XI.
Waarin Kin-Fo de beroemdste man van het Hemelsche Rijk wordt.
Men kon Wang niet op het spoor komen. Kin-Fo liep gevaar razend te worden door de werkeloosheid, waartoe hij zich gedwongen zag, want hij kon zelfs geen pogingen doen om den philosoof te vinden, daar hij verdwenen was zonder eenig spoor achter te laten.
Deze loop van zaken stond den hoofdagent van _de Eeuw_ niet bijzonder aan. Eerst had hij gedacht dat het hier geen ernstig geval gold, dat Wang zijne belofte niet zou houden, omdat zulke zonderlingheden zelfs in het excentrieke Amerika niet zouden voorkomen,--maar hij kwam allengs tot de overtuiging, dat in het vreemde land, 't welk men het Hemelsche Rijk noemde, niets onmogelijk was. Ten slotte werd hij het eens met Kin-Fo, dat de philosoof, als men hem niet kon opsporen, zijn gegeven woord gestand zou doen. Zijn verdwijnen wekte het vermoeden, dat hij zijn voornemen dan zou volvoeren als zijn leerling er het minst op bedacht was en dat hij dan als een bliksemstraal met snelle en zekere hand den doodelijken stoot zou toebrengen. En dan zou hij, na den brief op het lichaam van zijn slachtoffer gelegd te hebben, dood bedaard naar de bureaux van _de Eeuw_ wandelen om zijn deel van het verzekerde kapitaal op te eischen.
Men moest Wang voorkomen; maar hem direct voorkomen, ging niet aan.
William J. Bidulph besloot daarop op indirecte wijze en wel door de pers op Wang te werken. Binnen enkele dagen werden aan alle Chineesche bladen missiven gericht en aan de hoofdorganen in de beide werelddeelen telegrammen gezonden.
De _Tching-Pao_, het officieele blad van Peking, de Chineesche bladen te Shang-Haï en te Hong-Kong, de meest verspreide bladen van Europa en Amerika, behelsden herhaaldelijk de volgende advertentie:
»De heer Wang van Shang-Haï wordt verzocht om de overeenkomst, door hem 2 Mei jl. aangegaan met den heer Kin-Fo, als niet geschied te beschouwen, daar gezegde heer Kin-Fo slechts één wensch koestert, nl. honderd jaar oud te worden."
Deze zonderlinge annonce werd gevolgd door een ander die er wat practischer uitzag:
»Tweeduizend dollars of dertienhonderd taëls zullen uitgekeerd worden aan hem die aan William J. Bidulph, hoofdagent van _de Eeuw_ te Shang-Haï, weet mee te deelen waar zich de heer Wang, in genoemde plaats woonachtig geweest, thans bevindt."
Het was niet aannemelijk te achten, dat Wang in de vijf en vijftig dagen die hem waren gegeven om zijne belofte te houden, aan het reizen was getrokken. Het was veel waarschijnlijker, dat hij zich in de omstreken van Shang-Haï ophield om van elke gelegenheid gebruik te maken; William J. Bidulph achtte het echter zaak om op alles gevat te zijn.
Verscheidene dagen gingen voorbij en er kwam geen verandering in den toestand. Eindelijk begonnen de aanplakbiljetten, in echt Amerikaanschen stijl de openbare aandacht te trekken en de algemeene vroolijkheid op te wekken. Men zag er met groote letters en sprekende kleuren Wang! Wang!! Wang!!! op staan en niet minder duidelijk de woorden Kin-Fo! Kin-Fo!! Kin-Fo!!!
Men lachte er om tot in de meest afgelegen provinciën van het Hemelsche Rijk.
»Waar is Wang?"
»Wie weet er waar Wang is?"
»Waar blijft Wang?"
»Wat doet Wang?"
»Wang! Wang! Wang!" riepen de kleine Chineesjes in koor langs de straten, en dezelfde vragen waren weldra in ieders mond.
En Kin-Fo, die waardige zoon van het Hemelsche Rijk, »die slechts één wensch koesterde, nl. honderd jaar oud te worden," die dus in lengte van levensduur wilde wedijveren met den beroemden olifant, wiens twintigste lustrum juist in het Stallenpaleis te Peking gevierd was, Kin-Fo werd weldra de held van den dag.
»Welnu, hoe is het; wordt mijnheer Kin-Fo al ouder?"
»Hoe vaart hij?"
»Is zijn eetlust goed?"
»Hoe staan zijn vooruitzichten op het gele kleed?" [5]
»Dergelijke spotachtige vragen hoorde men van burgerlijke en militaire mandarijnen als zij elkander ontmoetten, van kooplieden op de beurs of in hun kantoor, van arbeidslieden op de straat en van de bootslieden in hunne drijvende steden.
't Zijn vroolijke en satirieke lui, die Chineezen, en men moet erkennen dat hier wel reden was om eens te lachen. Weldra had ieder er dan ook een eigen geestigheid op bedacht en op de aanplakborden en de particuliere muren wemelde het spoedig van allerlei karikaturen.
Kin-Fo leed veel onder al het onaangename van deze zonderlinge vermaardheid. Men maakte zelfs een lied op hem op de wijs van het »Man-tchiang-houng", de wind die door de wilgen blaast. Er verscheen een berijmde klacht, waarin hij sprekende opgevoerd werd: de _Vijf nachtwaken van den Honderdjarige_! Welk een verleidelijke titel en welk een debiet had het, daar het slechts drie sapeken kostte!
Of al die ophef Kin-Fo al verdroot, de heer William J. Bidulph verheugde zich over de ruchtbaarheid die de zaak kreeg; maar Wang kwam in weerwil daarvan niet te voorschijn.
De zaken kwamen eindelijk zoo ver, dat de positie van Kin-Fo onhoudbaar werd. Als hij zich buiten de deur vertoonde, vergezelde hem een stoet van beiderlei geslacht en van allerlei leeftijd op de straten, langs de kaden, zelfs in de Engelsche, Fransche en Amerikaansche nederzettingen, en dwars door de velden. Kwam hij thuis, dan moest hij door een hoop straatjongens heen worstelen, voordat hij zijn yamen kon binnentreden.
Elken ochtend dwong men hem om op het balkon van zijn kamer te verschijnen, opdat elkeen zien zou dat hij nog geen definitief bezit genomen had van zijn doodkist in de kiosk van het »Leven." De dagbladen bevatten dagelijks een spot-bulletin betreffende zijn toestand, met allerlei ironische toespelingen, als behoorde hij onder de leden der regeerende dynastie der Tsings. Hij werd ten slotte meer dan belachelijk.
Op zekeren dag, 21 Mei, kwam dan ook de veelgeplaagde Kin-Fo zijn vriend William J. Bidulph opzoeken, om hem te vertellen dat hij terstond op reis ging. Hij had eindelijk genoeg van Shang-Haï en de Shang-Haïers!
»Misschien loopt u op reis nog meer gevaar!" merkte de agent zeer terecht op.
»'t Kan me niet schelen!" antwoordde Kin-Fo. »Neem u maar voorzorgen."
»En waar gaat u heen?"
»Den weg die voor mij ligt."
»En waar houdt u op?"
»Nergens."
»Wanneer komt u terug?"
»Nooit!"
»En als ik wat van Wang hoor?"
»Loop naar den duivel met Wang! Uil die ik was, dat ik hem ook dien dwazen brief gaf!"
Eigenlijk brandde Kin-Fo van begeerte om den wijsgeer terug te vinden. Dat zijn leven in de macht van den ex-Taï-ping was, begon hem bitter te verdrieten. Het bezwaarde hem letterlijk. Een maand langer in die positie zou hij nooit uithouden! Het lam was geheel van karakter veranderd!
»Welnu, ga op reis," sprak William J. Bidulph, toen hij zag dat er niets aan te doen was. »Craig en Fry zullen u overal volgen, waar u ook heengaat."
»'t Is _mij_ wel," antwoordde Kin-Fo, »maar ik waarschuw u vooraf dat ik ze zal laten draven.
»Zij zullen draven, mijn waarde heer, zij zullen draven; het zijn geen lui die zuinig op hun beenen zijn!"
Kin-Fo ging daarop huiswaarts en maakte zijne toebereidselen, zonder een oogenblik tijd te verliezen.
Soun moest zijn meester vergezellen--tot zijn grooten spijt, want hij hield niet van veranderingen. Maar hij zweeg, want de opmerking zou hem ongetwijfeld weder een stuk van zijn staart gekost hebben.
Wat Craig en Fry betreft, als echte Amerikanen zagen zij niet tegen verplaatsing op, en waren zij steeds bereid om op het eerste woord naar het andere einde der wereld te gaan. De eenige vraag die zij zich veroorloofden was:
»Waar gaat mijnheer naar toe?"
»Eerst naar Nan-King en vervolgens naar den duivel!"
Om beider lippen vertoonde zich tegelijkertijd een glimlach. Ze waren verrukt! Naar den duivel! Niets viel beter in hun smaak! Slechts enkele oogenblikken om afscheid van den heer William J. Bidulph te nemen en nu kwamen zij terug in Chineesche kleederdracht om op hunne reis door het Hemelsche Rijk minder de aandacht der bevolking te trekken.
Een uur later waren Craig en Fry met den reiszak omhangen en revolvers gewapend weder in de yamen terug en bij het vallen van den avond verlieten Kin-Fo en zijne gezellen zeer geheimzinnig de haven van de Amerikaansche nederzetting met de stoomboot die van Shang-Haï op Nan-King vaart.
Deze reis is slechts een uitstapje. In minder dan twaalf uur kan een goede boot, die bij de afvaart van de eb profiteert, langs de Blauwe Rivier de oude hoofdstad van zuidelijk China bereiken.
Gedurende dien overtocht droegen Craig en Fry voor hun kostbaren Kin-Fo de teederste zorgen, na vooraf al de overige passagiers nauwkeurig opgenomen te hebben. Zij kenden den wijsgeer van aanzien--wie van al de bewoners der buitenlandsche nederzettingen kende zijne beminnelijke verschijning niet?--en zij hadden zich overtuigd, dat hij hen niet aan boord gevolgd was. Nadat deze voorzorg genomen was, hadden zij gelegenheid om al hunne attenties aan den verzekerde van _de Eeuw_ te wijden; zij onderzochten met hunne handen de stevigheid der verschansing waartegen hij leunde, der treden van de trap waarop hij den voet zette, zij lokten hem ver van den stoomketel welks constructie hun verdacht voorkwam, verzochten hem zich niet bloot te stellen aan de koude nachtlucht, keken of de luikjes van zijn hut wel vertrouwd en waterdicht waren, berispten Soun, dien luien knecht, die er nooit was als zijn meester hem noodig had, vervingen hem somtijds als Kin-Fo thee en koekjes verlangde en legden zich ten slotte in de tweede nachtwake geheel gekleed voor de deur van zijn hut te rusten, met veiligheidsgordels aan hunne zijde en gereed om hem ter hulp te snellen, als door aanvaring of eenig ander ongeluk de stoomboot gevaar mocht loopen in de diepte der rivier te verdwijnen. Maar er gebeurde niets wat Craig en Fry gelegenheid gaf om hunne getrouwheid en gehechtheid aan den persoon van Kin-Fo door daden te bewijzen. De stoomboot zakte snel den Wou-Sang af, liep uit in den Yang-tse-Kiang of Blauwe Rivier, voer langs het Tsong-Ming eiland, liet de vuurtorens van Ourong en Langchan achter zich, kwam met het getij door de provincie Kiang-Sou en zette 22 Mei hare passagiers behouden en wel op de kade van de oude Keizersstad af.
Dank zij de zorg der beide gedienstige geesten, was de staart van Soun gedurende dit gedeelte van de reis geen streep korter geworden. De luiaard had dus geen reden tot klagen.
't Was niet zonder reden, dat Kin-Fo na zijn vertrek uit Shang-Haï eerst naar Nan-King gegaan was. Hij meende eenige kans te hebben om den philosoof daar aan te treffen.
Wang had zich door zijne herinneringen aangetrokken kunnen gevoelen door deze ongelukkige stad, het voornaamste tooneel van den opstand der Tchang-Mao's. Was zij indertijd niet in het bezit genomen en verdedigd door dien eenvoudigen schoolmeester, later den geduchten Rong Siéou-Tsien, die keizer der Taï-pings werd en het Mantschourijsche gezag zoo lang in toom hield? Was in deze stad het nieuwe tijdperk van den Grooten Vrede [6] niet door hem afgekondigd? Had hij daar in 1864 geen vergif ingenomen, om te voorkomen dat hij levend in handen zijner vijanden viel? Uit het oude koningspaleis daar ter stede ontsnapte zijn jonge zoon, wiens hoofd weldra daarna door de Imperialisten werd afgehouwen! Werden Rong Siéou-Tsien's beenderen niet nog uit de puinhoopen der verbrande stad opgedolven om tot een prooi der onreine roofdieren te strekken? Waren, om alles in eens te zeggen, niet binnen drie dagen honderdduizend van Wangs oude gezellen en vrienden in deze provincie om het leven gebracht?....
Het was dus wel mogelijk dat de wijsgeer, geleid door een soort van heimwee, dat hem beving na de verandering in zijne gewone levenswijze, naar deze plaatsen getrokken was en zich hier aan zijne persoonlijke herinnering had overgegeven! Hij zou van hier toch weder binnen enkele uren te Shang-Haï kunnen zijn, om den stoot toe te brengen....
Daarom was Kin-Fo eerst naar Nan-King gegaan en koos hij deze stad als eerste pleisterplaats op zijne reis. Als hij er Wang aantrof zou men terstond tot eene verklaring komen en de belachelijke zaak zou daarmede uit zijn. Als Wang er niet te vinden was, zou Kin-Fo zijne omzwervingen door het Hemelsche Rijk voortzetten tot den dag waarop de overeenkomst afgeloopen was en hij niets meer van zijn ouden leermeester en vriend zou te vreezen hebben.
Kin-Fo, door Craig en Fry vergezeld en door Soun gevolgd, begaf zich nu naar een hotel, in een der slechts half bevolkte kwartieren gelegen, waaromheen zich drievierde gedeelte der oude hoofdstad als een woestijn uitstrekt.
»Ik reis onder den naam van Ki-Nan", zeide Kin-Fo tegen zijne metgezellen, »en ik verzoek u dat mijn vorige naam, onder geen voorwendsel hoegenaamd, nooit meer uitgesproken worde."
»Ki..." zeide Craig.
»Nan" vulde Fry aan.
»Ki-Nan" herhaalde Soun.
Men begrijpt dat Kin-Fo, nu hij zijne Shang-Haïsche vermaardheid ontvluchtte, geen lust had om die op zijn reis terug te vinden. Overigens had hij Craig en Fry ook niet gesproken over de mogelijkheid dat de philosoof te Nan-King zijn zou. Deze vreesachtige agenten zouden met een overdaad van voorzorgen voor den dag zijn gekomen, die van hun standpunt wel te rechtvaardigen waren, doch die Kin-Fo hartelijk verveelden. In waarheid, als zij met een millioen in hun zak door eene verdachte streek hadden moeten reizen, zouden zij niet voorzichtiger hebben kunnen zijn dan nu. 't Was dan ook weinig minder dan een millioen, dat de maatschappij _de Eeuw_ aan hunne zorgen had toevertrouwd!
De geheele dag werd besteed aan het bezoeken der straten, pleinen en bijzonderheden van Nan-King. Van de West- tot de Oostpoort, van het noorden naar het zuiden, werd de stad, die overal van vervallen grootheid getuigde, doorkruist. Kin-Fo stapte stevig door, sprak weinig, maar keek goed om zich heen.
Geen enkel verdacht gelaat vertoonde zich, noch op de kanalen, die door de heffe des volks bezocht werden, noch in de met tegels bevloerde straten, tusschen puinhoopen van huizen, waar gras en onkruid steeds welig tierde. Men zag er geen vreemdeling onder de half verwoeste marmeren zuilengangen, de verbrande stukken muur die de plek aanwezen waar het keizerlijke paleis, het tooneel van de hevigste worsteling, gestaan had, waar Wang ongetwijfeld tot het laatste oogenblik stand gehouden had. Niemand trachtte zich te onttrekken aan de blikken der bezoekers, noch in den omtrek van de yamen der katholieke zendelingen, die de Nan-Kingers in 1870 wilden vermoorden, noch in de buurt van de wapenfabriek, pas opgericht met de onvernielbare overblijfsels van den porceleinen toren, waarmede de Taï-pings den grond bedekt hadden.
Kin-Fo, die onvermoeid scheen te zijn, liep steeds voorwaarts. Altijd van nabij gevolgd door zijne beide onvermoeibare satellieten en in de verte door den ongelukkigen Soun, die aan zulke tochten niet gewend was, verliet hij de Oostpoort en waagde zich op de verlaten vlakte.
Daar vertoonde zich een onafzienbare laan, aan elke zijde door monsterachtige dieren van graniet bezet.
Kin-Fo volgde die laan met versnelden stap.
Aan het einde verhief zich een kleine tempel. Daarachter bevond zich een graf heuvel. Hier was de rustplaats van Rong-Ou, een priester die keizer geworden was, een van die hardnekkige vaderlanders die, vijf eeuwen geleden, tegen de vreemde overheersching hadden gestreden. Zou de philosoof zich hier niet vermeid hebben in de roemvolle herinneringen, op het graf zelf, waar de stichter van de dynastie der Mings rustte!
De grafheuvel was eenzaam, de tempel verlaten. Men zag er niet anders dan kolossale beelden, ten nauwernood in het marmer uitgebeiteld en fantastische gedierten, die ter bewaking schenen te dienen.
Maar op de deur van den tempel bespeurde Kin-Fo, niet zonder eenige ontroering, eenige teekens, die er door een menschenhand op gegrift waren. Hij trad wat dichter bij en las deze drie letters:
W. K.-F.
Wang! Kin-Fo! Er was geen twijfel meer aan, de philosoof had daar vertoefd!
Kin-Fo zeide niets, keek rond, zocht...... Er was niemand.
Des avonds kwamen Kin-Fo, Craig, Fry en Soun, die haast niet meer voort kon, in het hotel terug en den volgenden dag hadden zij Nan-King verlaten.
XII.
Waarin Kin-Fo, zijne beide satellieten en zijn knecht op avontuur uitgaan.
Wie is de reiziger, die de groote rij- en waterwegen van het Hemelsche Rijk met zooveel volharding aflegt? Hij gaat voorwaarts, steeds voorwaarts, niet wetende waar hij gisteren was en waar hij morgen zijn zal. Hij trekt de steden door zonder ze te zien, hij gaat de herbergen en hotels alleen binnen om er eenige uren rust te nemen, hij vertoeft in de restaurants niet langer dan noodig is om voedsel te gebruiken. Geld schijnt geen waarde voor hem te hebben, hij verkwist het, hij werpt het weg om zijn tocht te bespoedigen.
Het is geen koopman die voor zijne zaken reist. Het is geen mandarijn, die door den minister met eene gewichtige zending is belast. Het is geen kunstenaar die de schoonheden der natuur opspoort. Het is geen geleerde, geen navorscher, die oude documenten zoekt, in tempels of kloosters van het oude China verspreid. Het is geen student, die in den tempel der examens moet opgaan om er een wetenschappelijken graad te behalen, geen priester van Bouddha, die inspectie moet houden over de kleine landelijke altaren, opgericht tusschen de wortels van den heiligen vijgeboom, noch een priester, die ter vervulling van een belofte een tocht maakt naar een der vijf heilige bergen van het Hemelsche Rijk.
Het is de gewaande Ki-Nan, vergezeld door Fry-Craig, altijd vol ijver, en gevolgd door Soun die hoe langer hoe vermoeider wordt. Het is Kin-Fo die altijd nog verkeert in die zonderlinge gemoedsstemming, welke hem er toe dreef te vluchten, en te gelijk den spoorloos verdwenen Wang te zoeken. Het is de cliënt van _de Eeuw_ die van dit onophoudelijk heen- en weertrekken afleiding verwacht, en misschien een waarborg tegen de onbekende gevaren waardoor hij bedreigd wordt. Ook de beste schutter loopt de kans, dat hij een zich steeds bewegend doel mist en Kin-Fo wenschte zulk een doel te zijn.
De reizigers hadden te Nan-King weder plaats genomen op een, van de vlugge Amerikaansche stoombooten, groote drijvende hotels die de Blauwe Rivier bevaren. Zestig uur later stapten zij te Ran-Kéou aan wal, niet voordat zij die grillige rots bewonderd hadden, de »Kleine Wees", die zich midden in den stroom der Yang-tze-Kiang verheft, en op welks top zich trotsch een tempel verheft, waarin de dienst door Chineesche priesters verricht wordt.
Te Ran-Kéou, aan de samenvloeiing gelegen van de Blauwe Rivier en zijne voornaamste bijrivier, de Ran-Kiang, [7] bleef onze zwerver een halven dag stil.