Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty'

Part 6

Chapter 63,937 wordsPublic domain

»Zonder spijt!" antwoordde Kin-Fo. »Oud worden! Gaan gelijken op een of ander stuk hout, dat niet meer voor bewerking dienen kan! Toen ik rijk was begeerde ik het niet! Nu ik arm ben, nog veel minder!"

»En de jeugdige weduwe te Peking?" vroeg Wang. »Vergeet je het spreekwoord: de bloem met de bloem, de wilg met den wilg! De overeenstemming tusschen twee harten is te vergelijken met een honderdjarige lente!...."

»Tegenover drie honderd jaar herfst, zomer en winter!" antwoordde Kin-Fo, de schouders ophalende. »Neen Lé-ou zou, als ik arm was, ongelukkig met mij zijn! Daarentegen zal mijn dood haar rijk maken!"

»Heb je daarvoor gezorgd?"

»Ja en ook voor u, Wang; gij ontvangt vijftig duizend dollars bij mijn dood."

»Zoo!" liet de philosoof hooren, »je schijnt overal aan gedacht te hebben."

»Aan alles, zelfs aan een opmerking die je mij nog niet gemaakt hebt."

»Welke?"

»Wel... het gevaar dat je kondt loopen, na mijn dood, beschuldigd te worden van moord."

»Dat beteekent niets!" sprak Wang, »alleen stoffels of lafaards laten zich gevangen nemen! En daarbij komt nog, waarin zou de verdienste gelegen zijn van den dienst, dien ik je bewijzen zal, als ik er niets bij waag!"

»Neen Wang! ik wil je alle mogelijke zekerheid geven! Niemand mag je daarover lastig vallen."

En dat zeggende, naderde Kin-Fo de tafel, nam een blad papier en schreef met zijne gewone vaste hand, de volgende regels:

»Ik heb mij zelf gedood, wijl ik het leven moede was en er van walgde.

Kin-Fo."

En hij stelde Wang dit papier ter hand.

De philosoof las het eerst zachtjes; daarna las hij het met luider stem. Nadat hij dat gedaan had, vouwde hij het zorgvuldig op en stak het in een zakboek, dat hij altijd bij zich droeg.

Nogmaals zag men eene flikkering in zijne oogen.

»Is dat alles je ernst?" vroeg hij zijn leerling vast in de oogen ziende.

»Hooge ernst."

»Ik zal de zaak van mijn kant niet minder ernstig opvatten."

»Geef je me je woord?"

»Ja."

»Ik zal dus, uiterlijk op 25 Juni aanstaande, opgehouden hebben te leven?...."

»Ik weet niet of je zult opgehouden hebben te leven in de beteekenis die gij er aan hecht," antwoordde de philosoof ernstig, »maar in elk geval zal je dan dood zijn!"

»Ontvang mijn dank; vaarwel, Wang."

»Vaarwel, Kin-Fo."

En daarop verliet Kin-Fo dood bedaard de kamer van den philosoof.

IX.

Waarvan het slot, hoe vreemd het schijne, den lezer toch wel niet verbazen zal.

»Welnu, Craig en Fry?" vroeg de heer William J. Bidulph den volgenden morgen aan de twee agenten, die hij bepaaldelijk belast had het oog te houden op den nieuwen verzekerde bij de maatschappij _de Eeuw_.

»Wel," antwoordde Craig, »wij hebben hem gisteren gevolgd op eene wandeling, die hij door de omstreken van Shang-Haï deed, en..."

»Hij zag er zeker niet uit als iemand die van plan is een einde aan zijn leven te maken," voegde Fry er bij.

»Toen het donker werd hebben wij hem gevolgd tot aan de deur van zijn woning...."

»Die wij helaas niet binnen konden gaan."

»En van ochtend?" vroeg William J. Bidulph verder.

»Van ochtend," zeide Craig, »hebben wij gehoord dat hem evenmin iets scheelde als...."

»De brug van Palikao," vulde Fry aan.

De agenten Craig en Fry, twee neven en echte Amerikanen, die in dienst van _de Eeuw_ waren, vormden te zamen eigenlijk slechts een wezen. Zij gingen zoo geheel in elkander op, dat de een voortdurend de volzinnen van den andere aanvulde. Dezelfde hersens, dezelfde gedachten, hetzelfde hart, dezelfde maag, dezelfde gebaren en gewoonten. Vier armen, vier handen, vier beenen aan twee vereenigde lichamen. In een woord: Siameesche tweelingen, waarvan een stoutmoedig chirurgijn den vereenigingsband doorgesneden had.

»Dus is het u nog niet mogen gelukken in zijn woning door te dringen?" vroeg William J. Bidulph.

»Nog..." begon Craig.

»Niet," zei Fry.

»'t Zal misschien moeilijk gaan," antwoordde de hoofdagent, »maar 't moet toch gebeuren. _De Eeuw_ heeft bij deze zaak niet alleen een hooge premie te verdienen, maar loopt ook gevaar twee honderd duizend dollars te verliezen! Wij moeten hem dus twee maanden surveilleeren en misschien langer als hij zijn volgende quitantie betaalt."

»Er is een bediende...." zeide Craig.

»Dien men misschien zou kunnen gebruiken..." sprak Fry.

»Om alles te weten te komen..." vervolgde Craig.

»Wat er in het huis van Kin-Fo voorvalt," voltooide Fry.

»Hm!" sprak de heer William J. Bidulph. »Tracht dezen bediende te lijmen. Koop hem om; hij zal wel gevoelig zijn voor den klank van taëls en op taëls behoef je niet te zien. Zelfs als je de drieduizend beleefdheidsvormen moest uitputten, die de Chineesche etiquette tot haar dienst heeft, doe het gerust. Je zult je de moeite niet te beklagen hebben."

»Nu, dat zal..." zeide Craig.

»Geschieden," sprak Fry.

En dit was de gewichtige reden waarom Craig en Fry kennis met Soun trachtten aan te knoopen. Soun was er de man niet naar, om weerstand te bieden aan den verleidelijken klank van taëls of het beleefde aanbod van een paar glazen Amerikaanschen grog.

Craig en Fry vernamen dus door Soun alles wat zij verlangden te weten, hetgeen ongeveer op het volgende neerkwam:

Had Kin-Fo in den laatsten tijd iets in zijne gewone levenswijze veranderd?

Neen, 't eenige misschien was dat hij zich iets minder barsch toonde jegens zijn zeer getrouwen dienstbode, dat de schaar niet meer gebruikt werd, zeer ten bate van diens staart, en dat zijn rug schier de rotting niet meer voelde.

Had Kin-Fo ook levensgevaarlijke wapenen te zijner beschikking?

Neen, hij behoorde tot die eerbiedwaardige categorie van menschen, die een afkeer van vuur- en andere wapenen koesteren.

Wat at en dronk hij?

Zeer gewonen kost, zonder liflafjes of overdaad.

Hoe laat stond hij op?

Zoodra de vijfde nachtwake voorbij was, meestal als de dageraad, bij het hanengekraai, den gezichtseinder begon te verhelderen.

Ging hij vroeg naar bed?

In de tweede nachtwake, zooals hij, voor zoover Soun wist, zijn leven lang gedaan had.

Was hij treurig gestemd, bezorgd over iets, levensmoede?

't Was zeker niet wat men een vroolijk of opgewekt mensch noemt. Integendeel! Maar in den laatsten tijd begon hij meer schik in zijn leven te krijgen. Ja, Soun vond hem minder onverschillig dan vroeger, alsof hij verwachtte dat er iets gebeuren zou... Wat, dat kon Soun niet zeggen.

Bezat zijn heer ook vergif dat hem kwaad zou kunnen doen?

Soun geloofde het niet, want juist had hij dien ochtend een twaalftal pillen in de Houang Pou moeten werpen, die hem wel eens verdacht voorgekomen waren.

Er was in waarheid in al deze berichten niets wat den vertegenwoordiger der levensverzekeringsmaatschappij _de Eeuw_ kon verontrusten. Nooit had de rijke Kin-Fo, van wiens waren toestand niemand behalve Wang iets wist, getoond meer waarde aan het leven te hechten dan tegenwoordig.

Hoe geruststellend alles ook luidde, wat de hoofdagent der verzekeringsmaatschappij _de Eeuw_ omtrent Kin-Fo te weten kreeg, toch moesten Craig en Fry voortgaan hem nauwkeurig in het oog te houden en hem op zijne wandelingen volgen, want de mogelijkheid bestond dat hij het voornemen koesterde om zich buiten 's huis van kant te maken.

De twee onafscheidelijke neven deden dit dan ook en Soun bleef voortgaan met hen op de hoogte te brengen van al wat zijn meester deed of liet; dit viel te meer in den smaak van den bediende, omdat de omgang met twee zulke beminnelijke lieden hem zeer veel voordeel opleverde.

Wij zouden te veel zeggen als wij beweerden, dat de held dezer geschiedenis nu meer aan het leven hechtte dan voordat hij besloten had er een einde aan te maken. Maar, zooals hij gedacht had, verschaften de eerste dagen althans wel eenige ontroering. Hij had toch vlak boven zijn hoofd een zwaard van Damocles opgehangen, en dit zwaard zou hem zeker den een of anderen dag dooden. Zou het heden gebeuren of morgen, dezen ochtend of van avond? Dit hield hem in spanning en van daar dat zijn hart toch wel wat sneller begon te kloppen, iets dat hem vroeger ten eenenmale onbekend was.

Overigens ontmoetten Wang en hij elkander thans minder dan vroeger. De wijsgeer ging meer uit dan hij placht te doen, of sloot zich meer in zijne kamer op. Kin-Fo ging hem daar niet opzoeken--dit lag niet op zijn weg--en hij wist niet hoe Wang den tijd doorbracht. Misschien was hij bezig hem een valstrik te spannen. Een oude Taï-ping bezat ongetwijfeld een grooten voorraad van middelen om een evenmensch uit den weg te ruimen. Van welk zou hij zich bedienen? Van daar zekere nieuwsgierigheid, die als een nieuwe, vroeger ongekende prikkel op Kin-Fo werkte.

De wijsgeer en zijn leerling aten echter bijna dagelijks nog aan dezelfde tafel. Het spreekt van zelf dat er geen enkele toespeling gemaakt werd op hunne afspraak of op hunne toekomstige rol van moordenaar en vermoorde. Zij spraken over de meest gewone zaken en niet zeer druk. Wang, ernstiger gestemd dan anders, verried door zijn blik dat hij voortdurend peinsde. In plaats van opgewekt was hij somber, in plaats van spraakzaam laconisch geworden. Vroeger at hij veel, zooals een philosoof met eene gezonde maag dit meestal doet, thans lachten zelfs de fijnste gerichten hem weinig toe en de wijn van Chao Chig bracht hem in geen andere stemming.

De houding van Kin-Fo was anders niet zoo, dat hij zich over iets bezwaard behoefde te voelen. Hij proefde alle spijzen het eerst en meende geen gerecht ongebruikt te mogen laten. Daaruit volgde dat hij meer at dan gewoonlijk, dat zijne verwende tong iets meer smaak begon te krijgen, en zijne spijsvertering niets te wenschen overliet. Van vergif scheen de oude moordenaar van den rebellenkoning zich tot nog toe althans niet bediend te hebben.

Kin-Fo verschafte hem voortdurend alle mogelijke gelegenheden om de daad te plegen. De deur van zijn slaapkamer werd nooit gesloten en de wijsgeer kon er dag en nacht binnen gaan en zijn leerling er wakend of slapend overvallen. Kin-Fo wenschte slechts één ding: dat de hand, die hem treffen zou, dit juist en snel deed.

Maar Kin-Fo was weldra aan deze nieuwe gewaarwordingen gewend, en na een paar nachten had hij zich zoodanig verzoend met het denkbeeld dat een dolkstoot hem treffen zou, dat hij er even gerust om sliep als vroeger en even frisch en gezond om ontwaakte. Dit mocht zoo niet langer duren.

Ook kwam het denkbeeld bij hem op dat het Wang misschien tegen de borst zou stuiten hem te dooden in het huis waarin hij zoo gastvrij opgenomen was. Hij besloot het hem nog gemakkelijker te maken. Hij begon veel te wandelen, vooral op eenzame plaatsen, en bleef zeer laat uit, dikwijls tot de vierde nachtwake; ook vond men hem vaak in de slechtst befaamde kwartieren van Shang-Haï, waar schier dagelijks moord en doodslag voorkomt, zonder dat er een haan naar kraait. Hij dwaalde daar rond door nauwe en sombere stegen en stiet daar op dronkaards van allerlei nationaliteit, geheel alleen in het holle van den nacht of bij het krieken van den dag, als de bakker zijne dunne weitenkoeken onder het geroep van »Mantoou! Mantoou!" rondventte of de schel den laten opiumschuiver waarschuwde dat hij huiswaarts gaan moest. Telkens echter kwam hij levend, springlevend weder thuis, zonder dat hij zelfs bespeurd had dat de onafscheidelijke Craig en Fry hem op den voet gevolgd hadden, gereed om hem te hulp te komen als dit noodig mocht zijn.

Als het zoo voortging zou Kin-Fo ten slotte aan dit nieuwe bestaan volkomen gewennen en zou hij zich weldra weder evenzeer vervelen als vroeger.

Hoe dikwijls waren er toch reeds uren achter elkander voorbijgegaan zonder dat hij er aan gedacht had dat hij een ter dood veroordeelde was.

Op zekeren dag, op 12 Mei, verschafte het toeval hem echter weder eenige ontroering. Toen hij zachtjes de kamer van den wijsgeer binnentrad, zag hij dezen met de punt van zijn vinger een dolk onderzoeken, dien hij daarop dompelde in een fleschje dat een zeer verdacht blauw vocht bevatte.

Wang had zijn leerling niet hooren binnenkomen en zwaaide den dolk eenige malen boven zijn hoofd, als om te zien of zijn hand wel juist was. Hij zag er bij die gelegenheid alles behalve zachtzinnig uit en het scheen dat zijne oogen zelfs met bloed beloopen waren!

»'t Gebeurt zeker van daag!" zei Kin-Fo bij zichzelf.

En hij verliet ongemerkt des wijsgeers kamer weder.

Hij ging naar zijne eigen vertrekken welke hij dien dag niet weder verliet.... Wang echter vertoonde zich niet.

Kin-Fo ging naar bed; maar den volgenden dag stond hij weder op, zoo levend als een gezond mensch slechts zijn kan.

Zooveel ontroeringen voor niets! 't Werd vervelend.

Er waren toch reeds tien dagen om, van de twee maanden tijd die hij Wang gelaten had.

»'t Is een talmer," sprak Kin-Fo, »ik had hem niet zooveel tijd moeten geven."

En hij dacht of de oude Taï-ping niet wat verweekelijkt was door het goede leven te Shang-Haï.

Van dien dag af scheen Wang nog onrustiger en bezwaarder dan vroeger. Hij liep de yamen in en uit, als een mensch die niet weet waar hij het zoeken moet. Kin-Fo merkte zelfs op dat hij herhaalde bezoeken bracht aan de zaal der voorouders, waar de kostbare uit Liao-Tchéou ontvangen doodkist geplaatst was. Hij vernam ook door Soun, en niet zonder belangstelling, dat Wang bevolen had haar te poetsen, te wrijven, af te stoffen, in een woord, haar in zoo voldoend mogelijken staat te houden.

»Wat zal mijn meester daar lekker in liggen," voegde de getrouwe dienstbode er bij. »'t Zou wel de moeite waard zijn het eens te beproeven!"

Deze opmerking verschafte Soun een vriendschappelijk knikje.

De dagen van 13, 14 en 15 Mei gingen voorbij en er gebeurde niets.

Was Wang dan voornemens den geheelen hem gestelden tijd te laten verloopen en als een koopman eerst zijn schuld te betalen op den uitersten vervaldag? Maar dan zou het immers geen verrassing zijn en had Kin-Fo het even goed zelf kunnen doen.

Toen kreeg Kin-Fo in den ochtend van 15 Mei, op het oogenblik der »mao-che" d. i. zes uur, kennis van een zeer opmerkelijke gebeurtenis.

De nacht was onaangenaam voorbij gegaan. Kin-Fo was bij het ontwaken onder den indruk van een naren droom. De vorst Ien, de opperste rechter uit de Chineesche onderwereld, had hem veroordeeld om niet voor zijn aangezicht te verschijnen voor dat de twaalfhonderdste maan aan den gezichteinder van het Chineesche rijk verscheen. Hij had dus nog een eeuw te leven, een geheele eeuw!

Kin-Fo was dus zeer slecht geluimd; het scheen dat alles tegen hem samenspande.

Soun moest dit bezuren toen hij als gewoonlijk verscheen om zijn meester aan zijn toilet te helpen.

»Loop naar den duivel," was de wensch waarmede hij ontvangen werd. »Moge uw loon uit twaalfduizend schoppen bestaan, ondier!"

»Maar, mijnheer ..."

»Verdwijn uit mijn oogen, zeg ik je!"

»Niet voor dat ik u iets vreemds verteld heb..." begon Soun.

»Wat dan, ezel?"

»Alleen dat mijnheer Wang ..."

»Wat van Wang?" antwoordde Kin-Fo levendig, zijn ongelukkigen knecht plotseling bij den staart grijpende.

»O hemel!" riep Soun van angst ineen krimpende. »Hij heeft bevel gegeven om mijnheer's doodkist over te brengen naar het paviljoen van het »Leven," en..."

»Heeft Wang dat gedaan!" riep Kin-Fo uit, terwijl zijn drift plotseling scheen te wijken. »Daar Soun, je bent toch wel een goede kerel, daar heb je tien taëls; doe je plicht maar en zorg dat de bevelen van Wang opgevolgd worden!"

Soun was geheel verbazing en herhaalde verscheiden keeren bij zich zelf:

»Mijn meester is ongetwijfeld krankzinnig geworden, maar dat doet er niet toe; ik vaar er wèl bij."

Ditmaal kon Kin-Fo er niet meer aan twijfelen. Wang wilde hem dooden in de kiosk van het »Leven," waar hij zich zelf reeds den dood had willen geven, en daarom had de Taï-ping zijn doodkist naar dat paviljoen laten overbrengen. Het was of hij hem uitnoodigde daar te komen. Nu, Kin-Fo zou niet op het appèl ontbreken.

Wat duurde die dag hem lang. Het water in de uurglazen scheen stil te staan. De wijzers schenen over de gitten plaat te kruipen!

Eindelijk, eindelijk gaf het verdwijnen van de zon onder den gezichteinder het teeken van de eerste wake des nachts en daalde het schemerlicht rondom de yamen.

Kin-Fo begaf zich nu naar het paviljoen dat hij niet levend weder hoopte te verlaten. Hij strekte zich op een zachten divan uit, die voor eene langdurige rust scheen ingericht, en wachtte.

Toen kwamen allerlei herinneringen uit zijn nutteloos besteed leven bij hem op, al zijne vervelingen, zijn afkeer van het leven, die door rijkdom niet overwonnen had kunnen worden, die door armoede nog toegenomen zou zijn!

Een enkele lichtstraal had slechts dit leven verhelderd, de genegenheid die Kin-Fo voor de jonge weduwe gekoesterd had. Dit gevoel deed zijn hart sneller kloppen op het oogenblik nu dit voor altijd zou ophouden. Maar zou hij de arme Lé-ou ongelukkig maken door haar lot met het zijne te verbinden?

De vierde wake, die welke den naderenden dageraad voorafgaat en waarin de geheele wereld in rust gedompeld is, deze vierde wake ging voor Kin-Fo in hevige ontroering voorbij. Hij luisterde angstig en zorgvuldig of hij niets hoorde. Zijn blik scheen de nachtelijke duisternis te willen doorboren. Meer dan eens verbeeldde hij zich het zacht geluid eener deur te hooren die door eene voorzichtige hand geopend werd. Zonder twijfel hoopte Wang hem slapende te vinden, om hem zoo af te maken.

Toen trad er plotseling reactie in. Hij verlangde naar de vreeselijke verschijning van den Taï-ping en deinsde er tevens voor terug.

De vijfde wake begon en de ochtendschemering kleurde, langzamerhand alles met haar bleek licht. Het werd dag.

Plotseling ging de deur van het paviljoen open.

Kin-Fo sprong op; hij leefde meer in deze seconde dan in de dertig vorige jaren van zijn bestaan!...

't Was Wang niet; 't was Soun, met een brief.

»Groote spoed!" was al wat hij zeide.

Kin-Fo had een voorgevoel. Hij greep den brief, dien hij zag dat uit San Francisco kwam; hij scheurde de enveloppe open, las snel den inhoud, gaf een kreet van vreugde en stormde het paviljoen van het »Leven" uit.

»Wang, Wang!" riep hij zoo luid hij kon.

Hij was reeds bij de kamer van den wijsgeer en opende de deur.

Wang was er niet. Wang had blijkbaar ook dien nacht niet in zijne kamer doorgebracht en toen op Kin-Fo's bevel zijne bedienden de yamen in alle hoeken doorzocht hadden, bleek het dat Wang verdwenen was, zonder een spoor achter te laten.

X.

Waarin Craig en Fry officieel aan den nieuwen cliënt van _de Eeuw_ worden voorgesteld.

»Ja, mijnheer Bidulph, een eenvoudige beursmanoeuvre, een echte Amerikaansche coup", zeide Kin-Fo tot den hoofdagent van de verzekeringsmaatschappij.

De deftige William J. Bidulph glimlachte als een kenner.

»Goed gelukt, werkelijk", sprak hij, »iedereen is er dupe van geweest."

»Zelfs mijn correspondent!" antwoordde Kin-Fo. »Het staken der betalingen, het failliet, het geheele bericht was uit de lucht gegrepen! Acht dagen later waren de loketten geopend en betaalde men. De »affaire" was gelukt. De acties, die tachtig percent waren gedaald, werden tegen den laagsten koers door de centrale bank opgekocht en toen men den directeur kwam vragen hoeveel percent er zou worden uitgekeerd, luidde het zeer beleefde antwoord: »Honderd vijf en zestig percent!" Dat alles werd mij gemeld in dezen brief, dien ik heden morgen ontving; op het oogenblik dat ik, in de meening verkeerende dat ik geheel geruïneerd was...."

»De hand aan u zelf wildet slaan?" riep William J. Bidulph uit.

»Neen", antwoordde Kin-Fo, »op het oogenblik dat ik hoogst waarschijnlijk op het punt sta vermoord te worden."

»Vermoord!"

»Met mijn toestemming, op schrift gebracht, een moord vooraf toegestaan, bezworen, en die u zou te staan gekomen zijn op...."

»Tweemaal honderdduizend dollars", antwoordde William J. Bidulph, »wijl alle kansen van sterven verzekerd waren. Wij zouden u diep betreurd hebben, mijn waarde heer...."

»Wegens het bedrag van de verzekerde som?...."

»En de renten!"

William J. Bidulph nam de hand van zijn cliënt en schudde die hartelijk op Amerikaansche wijze.

»Maar ik begrijp niet...." voegde hij er bij.

»U zult het begrijpen", antwoordde Kin-Fo.

En hij deed hem mededeeling van de overeenkomst door hem met iemand getroffen, in wien hij alle vertrouwen stelde. Hij herhaalde zelfs de termen waarin de brief vervat was welken die man in den zak had, een brief die hem voor vervolging vrijwaarde en hem straffeloosheid waarborgde. Maar, en dat was het meest bedenkelijke van het geval, de belofte zou gehouden worden, het woord zou worden gestand gedaan, daaraan behoefde niet getwijfeld te worden.

»Is die persoon een vriend van u?" vroeg de hoofdagent.

»Een vriend," antwoordde Kin-Fo.

»En het is dus uit vriendschap?..."

»Uit vriendschap en wie weet? misschien ook uit berekening. Ik heb hem vijftig duizend dollars op mijn hoofd verzekerd."

»Vijftig duizend dollars!" riep William J. Bidulph. »Dan is het mijnheer Wang!"

»Hij is het."

»Een philosoof! Die zal er nimmer in toestemmen..."

Kin-Fo stond op het punt te zeggen:

»Die philosoof is een oude Taï-ping. Hij heeft gedurende de helft van zijn leven meer moorden begaan dan noodig zijn om de Eeuw te ruïneeren, als al degenen die hij gedood heeft bij de maatschappij verzekerd waren geweest! Sedert achttien jaren heeft hij zijne woeste neiging bedwongen; maar nu zich de gelegenheid voordoet, nu hij mij geruïneerd, ter dood bereid acht, nu hij daarenboven weet dat mijn dood hem een klein fortuin zal verschaffen, nu zal hij niet aarzelen...."

Maar Kin-Fo zeide niets van dit alles. Hij zou Wang gecompromitteerd hebben en William J. Bidulph zou waarschijnlijk niet geaarzeld hebben om den ouden Taï-ping aan den gouverneur der provincie te verraden. Dan zou Kin-Fo zonder twijfel gered zijn, maar de philosoof ware verloren geweest.

»Het komt mij voor", zeide daarop de agent der verzekeringsmaatschappij, »dat de zaak op zeer eenvoudige wijze op te lossen is."

»Op welke wijze?"

»Men dient Wang te doen weten, dat de toestand veranderd is en van hem den brief terug eischen."

»Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan" antwoordde Kin-Fo. »Wang is sedert gisteren verdwenen en geen mensch weet waar hij gebleven is."

»Hm!" was alles wat de hoofdagent liet hooren, een bewijs dat hij door deze mededeeling geheel overbluft was.

Hij staarde daarop zijn cliënt aandachtig aan.

»En, mijn waarde heer, u hebt op het oogenblik in het minst geen lust om te sterven?" vroeg hij.

»Neen zeker niet", antwoordde Kin-Fo. »Door de manoeuvre van de centrale Californischen bank is mijn fortuin bijkans verdubbeld, en ik ga trouwen! Maar ik zal het niet doen voor ik Wang heb teruggevonden of voor de bepaalde termijn is verstreken."

»En wanneer verstrijkt die?"

»Op 25 Juni aanstaande. _De Eeuw_ loopt gedurende dit tijdstip gevaar een groot verlies te lijden. Het ligt dus op haar weg om daartegen maatregelen te nemen."

»En den philosoof op te sporen", antwoordde William J. Bidulph.

De agent liep eenige oogenblikken met de handen op den rug door het vertrek, vervolgens zeide hij:

»Wij zullen dien tot alles bereid zijnde vriend vinden; al zat hij ook in het binnenste der aarde. Maar tot dat het zoover is gekomen zullen wij u, mijnheer, beschermen tegen elke poging tot moord, evenals wij u reeds beschermd hebben tegen zelfmoord."

»Wat bedoelt u daarmede?" vroeg Kin-Fo.

»Dat twee mijner agenten, sedert 30 April jl., den dag, waarop de polis door u onderteekend werd, al uw schreden hebben gevolgd, al uw daden nauwkeurig bespied!"

»Ik heb niets van die bespieding van mijn persoon gemerkt," zeide Kin-Fo.

»Het zijn menschen, die hun vak verstaan, allerfatsoenlijkste lieden!" antwoordde de hoofdagent. »Vergun mij ze u voor te stellen, nu zij niet meer verplicht zijn in 't geheim te uwen opzichte te handelen."

»'t Zal mij een genoegen zijn," antwoordde Kin-Fo.

»Craig-Fry moeten hier zijn, omdat u hier zijt!" En William J. Bidulph riep:

»Craig-Fry?"