Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty'
Part 5
Wat bleef hem toch, behalve de nu waardelooze aandeelen, nog over? Niets of zoo goed als niets. Zijne woning te Shang-Haï. Maar al kon hij die al verkoopen, dan nog zou de opbrengst niet genoeg zijn om van te leven. De achtduizend dollars door hem als premie aan _de Eeuw_ betaald, eenige aandeelen in de maatschappij der Tien-Tsin-booten, die hij dienzelfden dag verkocht had en die nauwelijks voldoende waren om eene deftige begrafenis te betalen, ziedaar zijn geheele vermogen.
Een Westerling, een Franschman of een Engelschman zou zich misschien als een wijsgeer in dit lot geschikt en getracht hebben door hoofd en handen zich opnieuw een bestaan te verzekeren. Een zoon van het Hemelsche Rijk meende het recht te hebben om de zaken anders op te vatten. Als een echte Chinees nam Kin-Fo, zonder eenige gewetenswroeging en met die kalme onverschilligheid, welke het Mongoolsche ras kenmerkt, zijne toevlucht tot zelfmoord, als het beste middel om tot eene oplossing te komen.
De Chinees bezit alleen een lijdelijken moed, doch bezit dien dan ook in hooge mate. 't Is waarlijk verbazend hoe weinig zij den dood vreezen. Als zij ziek zijn, zien zij hem onverschillig tegemoet. Als zij ter dood veroordeeld worden en de beul hen reeds onderhanden heeft, toonen zij geen zweem van angst. De zoo veelvuldig voorkomende doodvonnissen en het zien der vreeselijke pijnigingen, die in het openbaar voor allerlei misdrijven toegepast worden, schijnen de zonen van het Hemelsche Rijk reeds op jeugdigen leeftijd gemeenzaam te maken met het denkbeeld, de wereldsche zaken zonder berouw vaarwel te zeggen.
Het zal dan ook wel niemand verwonderen dat men in ieder gezin vertrouwd is met het denkbeeld van den dood en dat het dikwijls een onderwerp van het gesprek uitmaakt. Men houdt het voor oogen tot zelfs bij de meest gewone handelingen van het dagelijksch leven en de vereering der afgestorvenen vindt men tot in de armste kringen. In elke woning der meer welgestelden is een soort van huiselijk heiligdom, in de armzaligste hut wordt een hoekje afgezonderd voor de reliquieën der voorvaderen, wier gedenkdag in de tweede maand des jaars gevierd wordt. Daarom vindt men in dezelfde magazijnen waar men wieg en luiermand koopt en waar men zich zijn uitzet kan aanschaffen, ook steeds eenen rijken voorraad doodkisten van allerlei soort, een zeer gezocht handelsartikel bij de Chineezen.
Ieder zorgt dan ook bij tijds zich van eene doodkist te voorzien en een ameublement zou niet compleet zijn als de baar in het ouderlijk huis ontbrak. De zoon zou in zijne plichten te kort schieten als hij verzuimde zijn vader er bij zijn leven een aan te bieden; zulks wordt integendeel beschouwd als een treffend bewijs van kinderlijke genegenheid. De baar wordt in eene daarvoor afzonderlijk bestemde kamer geplaatst. Men versiert haar, houdt haar keurig in orde en meestal wordt zij, nadat zij eens aan hare bestemming voldaan heeft, nog jaren lang zorgvuldig bewaard. De eerbied voor de dooden is eigenlijk de grondslag van den godsdienst der Chineezen en is zeer bevorderlijk aan het in stand houden van den band die de leden van hetzelfde gezin verbindt.
Kin-Fo moest, dank zij zijn temperament, wel zeer kalm blijven bij het denkbeeld, dat hij weldra uit het leven zou scheiden. Hij had het lot verzekerd der beide wezens die hem na aan het hart lagen. Wat zou hem dan nog aan het leven binden? Niets. De zelfmoord veroorzaakte hem zelfs niet de minste wroeging, want wat in beschaafde landen vaak als een misdaad beschouwd wordt, is als het ware een wettig en geoorloofd iets te midden dier zonderlinge beschaving van Oost-Azië.
Kin-Fo's besluit stond dus vast en niets kon hem weerhouden; zelfs de invloed van den wijsgeerigen Wang zou daartoe niet in staat zijn geweest.
Daarenboven wist Wang niets van het voornemen van zijnen leerling af. Soun evenmin en deze had alleen opgemerkt dat zijn meester sedert zijne terugkomst zijne dagelijksche dwaasheden beter kon verdragen dan vroeger. Soun leefde werkelijk op en verzekerde zichzelf herhaaldelijk, dat hij nooit een beteren meester zou kunnen krijgen; zijn kostbare staart verheugde zich thans in eene sedert lang ongekende veiligheid.
Een Chineesch spreekwoord zegt: »Om op deze wereld gelukkig te zijn, moet men te Kanton leven en te Liao-Tchéou sterven."
Te Kanton vindt men namelijk alles wat het leven aangenaam kan maken en te Liao-Tchéou worden de beste doodkisten vervaardigd.
Kin-Fo bestelde natuurlijk de zijne bij de beste firma en kon dus verzekerd zijn dat zijne laatste woning volmaakt zou zijn en bij tijds afgeleverd worden. Behoorlijk toegerust zijn voor den eeuwigen slaap is een der eerste vereischten voor iemand die weet hoe het behoort.
Terzelfder tijd liet Kin-Fo een witten haan koopen, waarin, zooals men weet, de geesten het liefst gaan wonen als zij bij het sterven een der zeven elementen opgevangen hebben waaruit de Chineesche ziel samengesteld is.
Men ziet het, was Kin-Fo al onverschillig omtrent al wat zijn leven betrof, voor wat met den dood in verband stond was de leerling van Wang het volstrekt niet.
Nu al deze beschikkingen genomen waren, behoefde hij nog slechts het programma voor zijne begrafenis op te stellen. Op een fraai blad rijstpapier--dat echter volstrekt niet van rijst vervaardigd wordt--schreef hij nog dienzelfden dag zijn laatsten wil.
Na aan de jonge weduwe zijn huis te Shang-Haï vermaakt te hebben en aan Wang een portret van den keizer Taï-ping, dat de wijsgeer altijd met bijzondere voorliefde beschouwd had,--alles natuurlijk buiten de kapitalen op zijn leven bij de maatschappij de _Eeuw_ verzekerd--beschreef Kin-Fo nauwkeurig de volgorde en den marsch der personen die aan zijne begrafenis zouden deelnemen.
Eerst, bij gebrek aan bloedverwanten, zou een deel der vrienden, die hem overgebleven waren, aan het hoofd van den stoet gaan, in witte kleederen, de rouwdracht der Chineezen. Langs de straten tot aan het graf, reeds lang buiten Shang-Haï gereed gemaakt, zou eene dubbele rij groefdienaars geschaard staan met verschillende attributen, blauwe zonneschermen, hellebaarden, zinnebeelden der gerechtigheid, zijden schermen en schrijfborden met het programma der plechtigheid; deze dienaars moesten gekleed zijn in een zwart overkleed met witten gordel en een vilten hoed met rooden vederbos op het hoofd. Op den eersten vriendengroep volgde een man, van het hoofd tot de voeten in scharlaken, den gong slaande en gevolgd door iemand die het portret van den overledene droeg in eene rijk versierde lijst gevat. Daarop kwam dan een tweede groep vrienden, die op bepaalde afstanden in zwijm moesten vallen op de daarvoor vooraf gereedgemaakte kussens. Eindelijk moest een derde groep jongelieden, onder een draaghemel van blauw met goud, langs den weg voortdurend kleine stukjes wit papier werpen evenals de sapeken met een gat in het midden, om de kwade geesten te verstrooien, die zich opgewekt mochten gevoelen om den stoet te vergezellen.
Dan zou de katafalk volgen, een enorme palankijn met violet-kleurige zijde overspannen en geborduurd met gouden draken, door vijftig knechten op de schouders gedragen en omringd door eene dubbele rij Chineesche priesters. In grijze, roode en gele kasuifels gekleed zouden deze de laatste gebeden opzeggen, tot afwisseling van het gedonder der gongs, het geschetter der fluiten en de fanfares der zes voet lange bazuinen.
Achter het lijk volgden eindelijk de met wit bekleede rouwkoetsen als een waardig slot van den prachtigen stoet, waarvan de kosten ter nauwernood zouden kunnen bestreden worden door hetgeen er nog van Kin-Fo's vermogen over was. Dit programma was op zichzelf niets buitengewoons. Vele begrafenisstoeten van deze »klasse" ziet men in de straten van Kanton, Shang-Haï of Peking; en de Chineezen zien er niets anders in dan eene rechtmatige hulde aan de nagedachtenis van den afgestorvene.
Op 22 October kwam een groote koffer uit Liao-Tchéou aan het adres van Kin-Fo te Shang-Haï aan. Hij bevatte de zorgvuldig ingepakte doodkist. Noch Wang, noch Soun, noch een der dienaren van de yamen zag daarin iets om zich over te verwonderen. Wij zeiden reeds dat ieder Chinees er aan hecht om bij zijn leven zelf het bed in orde te maken waarop hij den eeuwigen slaap slapen zal.
De kist, een meesterstuk in zijn soort, werd in de »zaal der voorouders" geplaatst. Daar zou zij goed onderhouden, gewreven en gepoetst, zeker lang kunnen wachten voordat haar eigenaar hem in bezit nam, zoo dachten de bedienden met het oog op het gestel en de levenswijze van hunnen meester.... Maar het zou niet alzoo zijn, had Kin-Fo besloten. Zijne dagen waren geteld en het uur naderde waarop hij met zijne voorouders vereenigd zou worden.
Hij had namelijk besloten nog denzelfden avond een einde aan zijn leven te maken.
Hij ontving dien dag een brief van de troostelooze Lé-ou. De jonge weduwe bood hem alles aan wat zij bezat. Het was haar niet om geld of goed te doen; daar kon zij buiten. Zij beminde hem; wat begeerde hij meer? Konden zij niet in eenvoudiger kring even gelukkig zijn?
Deze brief ademde de innigste teederheid, doch was niet in staat Kin-Fo tot andere gedachten te brengen.
»Alleen mijn dood kan haar rijk maken," dacht hij.
Nu bleef hem nog over te bepalen hoe en waar hij de laatste daad zou plegen. Het verschafte Kin-Fo een eigenaardig genot, zich met de regeling van al deze bijzonderheden te kunnen bezig houden. Hij hoopte toch dat op het laatste oogenblik, voor hoe korten tijd dan ook, eens eene sterke ontroering zijn hart sneller zou doen kloppen!
Op de binnenplaats der yamen verhieven zich vier schoone kiosken, versierd met al de fantasie waardoor het talent der Chineesche decoratieschilders zich kenmerkt. Zij droegen zinnebeeldige namen: het paviljoen van het Geluk, waar Kin-Fo nooit binnentrad; het paviljoen der Fortuin, dat hij steeds met de grootste minachting beschouwde; het paviljoen van het Genot, waarvan de poorten reeds lang voor hem gesloten waren; het paviljoen van het Leven, waarvan hij niet langer gebruik verkoos te maken.
Dit paviljoen was het dat zijn instinct hem deed kiezen. Hij besloot er zich bij het vallen van den avond in op te sluiten. Daar zou men hem den volgenden ochtend vinden, reeds gelukkig in den dood.
En hoe zou hij sterven? Zich den buik opensnijden als een Japanner, zich wurgen met zijn zijden koord als een mandarijn, zijne polsaderen openen in een geparfumeerd bad, als een epicurist uit het oude Rome? Neen, iets dergelijks zoude in de eerste plaats iets zeer onaangenaams en lastigs hebben voor zijne vrienden en bedienden. Een paar grein opium, vermengd met een snel werkend vergif, zouden voldoende zijn om hem naar de andere wereld over te brengen, zonder dat hij er zelfs iets van bespeurde, of waarschijnlijk in een liefelijken droom zijnen tijdelijken slaap in een eeuwigen doen overgaan.
De zon begon reeds ter kimme te neigen en Kin-Fo had dus niet lang meer te leven. Hij wilde op eene laatste wandeling nog eenmaal een blik werpen op de omstreken van Shang-Haï en de oevers van den Houang-Pou, waar hij zich zoo dikwijls had loopen vervelen. Alleen, zonder zelfs Wang dien dag gezien te hebben, verliet hij dus zijn yamen voor de laatste maal. Als hij haar weder betrad zou hij er niet levend weder uitgaan.
Hij doorliep de Engelsche concessie, ging over de brug en stapte langs het Fransche terrein op zijne gewone indolente manier en zonder door iets te verraden wat er bij hem omging. Zoo bereikte hij ten slotte den weg die naar de pagode van Loung-Hao voert. Hij was nu in het vlakke en uitgestrekte veld, dat eerst aan den horizon begrensd wordt door de bosschen van de Min-vallei, onmetelijke moerasvlakten, slechts met moeite in rijstvelden herschapen. Hier en daar zag hij het kanalennet, dat met de zee in verbinding staat, eenige ellendige dorpen, waarvan de rieten hutten met eene geelachtige klei bestreken waren, en een paar hooggelegen velden met koren begroeid. Langs de smalle paden nam een groot aantal honden, witte geiten, eenden en ganzen de vlucht als eenig voorbijganger hen in hunne rust kwam storen.
Dit rijkbebouwde veld, dat voor de inboorlingen niets bijzonders had, was echter wel in staat om bij een vreemdeling verbazing en misschien weerzin te wekken. Overal zag men er namelijk doodkisten en wel bij honderdtallen. Zonder te spreken van de grafheuvels, die aanwezen waar reeds definitieve begrafenissen hadden plaats gehad, zag men geheele stapels langwerpige kisten op elkander staan, en pyramiden van baren, uitgestald als enorme planken op een scheepstimmerwerf. De vlakte rondom de Chineesche steden is slechts een groot kerkhof. De dooden vinden er evenmin ruimte genoeg om te rusten als de levenden om zich te bewegen. Men zegt dat het verboden is de lijkkisten te begraven zoolang eenzelfde dynastie op den troon van het Hemelsche Rijk zit, en deze dynastiën tellen haar bestaan somtijds bij eeuwen! Of dit verbod bestaat of niet, zeker is het, dat de lijken in hunne kisten, sommige met levendige kleuren beschilderd, andere eenvoudig of somber, eenige nieuw en opgesierd, de meeste reeds in elkander gezakt, gedurende tal van jaren op ter aardebestelling wachten.
Kin-Fo was hiermede te goed bekend om er zich een oogenblik over te verwonderen; daarenboven zag hij ook niet om zich heen. Hij bespeurde niet eens dat hij sedert hij zijn yamen verlaten had, gevolgd werd door twee personen in Europeesche kleederdracht, die hem steeds in het oog hielden. Zij wisselden nu en dan een blik of enkele woorden en waren blijkbaar uitgezonden om hem te bespieden. Hij zag ze niet, ofschoon zij hem niet uit het gezicht schenen te willen verliezen. Ze hielden zich op eenigen afstand, volgden Kin-Fo als hij liep, maar hielden op, zoodra hij bleef staan. Zij waren van middelbare grootte, nog geen dertig jaar oud, vlug in hunne bewegingen en scherp in hun blik; men zou hen gemakkelijk met een paar speurhonden hebben kunnen verwarren.
Nadat Kin-Fo ongeveer een uur buiten de stad gedwaald had, keerde hij weder naar de oevers van de Houang-Pou terug. Ook op zijn terugtocht verloren zijne bespieders hem niet uit het oog.
Kin-Fo ontmoette op zijn terugweg twee of drie bedelaars, die er allerellendigst uitzagen, en gaf hun een aalmoes.
Iets verder kwam hij een paar Chineesche Christinnen tegen, die,--tot hun liefdewerk opgewekt door Fransche zusters van liefdadigheid--met een mand op den rug rondloopen om de arme verlaten kinderen die zij vinden naar de crèches te brengen. Men heeft ze »voddenraapsters van kinderen" betiteld. En werkelijk, die kleine ongelukkigen zijn niet veel anders dan vodden, hier en daar in een hoek neergeworpen!
Kin-Fo schudde zijne beurs in de hand van een dezer liefdezusters leeg.
De beide vreemdelingen schenen zeer verbaasd over deze daad van den zoon uit het Hemelsche Rijk.
De avond was gevallen en Kin-Fo, binnen Shang-Haï teruggekomen, liep langs de kade huiswaarts.
De stad was nog niet in rust. Van alle kanten kon men nog geschreeuw, gejoel of gezang hooren.
Kin-Fo luisterde. Hij wilde gaarne weten welke de laatste woorden zouden zijn die het hem vergund was te hooren.
Eene jeugdige Tankadere, die haar platboomd vaartuig door de sombere wateren van de Houang-Pou voortdreef, zong een droefgeestig minnelied:
»Mijn bootje met frissche kleuren--is versierd met duizenden bloemen.--Ik wacht hem met een van verlangen brandend hart!--Hij moet morgen terugkeeren!--Dat God hem bewake!--Dat uwe hand hem bij zijn terugkomst bescherme!--Verkort hem zijn langen weg!"--
»Hij zal morgen terugkeeren! En ik, waar zal ik morgen zijn?" dacht Kin-Fo, het hoofd schuddende.
De jonge Tankadere hernam:
»Hij is ver van ons gegaan--naar het land der Mantsjoerijnen--tot de muren van ons China!--Ach, wat heeft mijn hart dikwijls gesidderd--als de stormwind loeide--en hij den storm trotseerende--voorwaarts ging."--
Kin-Fo luisterde, maar zeide niets.
De Tankadere vervolgde:
»Waarom gaat ge toch altijd op avontuur uit?--Waarom wilt gij ver van mij sterven?--Zie het is reeds de derde maan!--Kom, de priester wacht ons om de beide phenixen, ons zinnebeeld [4], te vereenigen!--Kom! keer terug, ik bemin u en gij bemint mij!
»Ja, misschien!" mompelde Kin-Fo. »Zonder rijkdom is de wereld niets waard! Het leven loont de moeite niet om daarvan de proef te nemen!"
Een half uur later was Kin-Fo in zijn huis teruggekeerd. De beide vreemdelingen, die hem steeds gevolgd waren, moesten hier achter blijven.
Kin-Fo begaf zich rustig naar de kiosk van het »Leven", opende de deur, sloot ze weder en bevond zich alleen in een klein salon, 't welk zacht verlicht was door een lantaarn van mat glas.
Op een tafel, van nephriet vervaardigd, bevond zich een koffertje dat eenige pillen opium bevatte, die vermengd waren met een doodelijk vergif, een »middel", dat de rijke onverschillige altijd bij de hand had.
Kin-Fo nam een van deze pillen, bracht ze in een pijp van roode klei, waarvan zich in den regel de opiumschuivers bedienen en maakte zich gereed ze aan te steken.
»Wat nu!" zeide hij, »zelfs geen ontroering op het oogenblik dat ik op het punt ben in te slapen om nooit weer te ontwaken!"
Hij aarzelde een oogenblik.
"Neen!" riep hij uit, de pijp wegwerpende, die op den grond in stukken brak. »Ik _wil_ ze gevoelen, die laatste ontroering! al zou het dan alleen zijn de spanning, die met de onzekerheid van het oogenblik des doods gepaard gaat.... ik wil ze, en ik zal ze hebben!"
En de kiosk verlatende, begaf Kin-Fo zich met bijna even kalmen stap als altijd naar de kamer van Wang.
VIII.
Waarin Kin-Fo aan Wang een ernstig voorstel doet, dat deze niet minder ernstig aanneemt.
De philosoof had zich nog niet ter ruste begeven. Op een divan uitgestrekt las hij het laatste nommer van de _Pekingsche Courant_. Als zich zijne wenkbrauwen fronsten kon men er verzekerd van zijn, dat het blad de een of andere loftuiting toezwaaide aan de regeerende dynastie der Tsings.
Kin-Fo opende de deur, trad de kamer binnen, wierp zich in een leuningstoel en sprak zonder eenige inleiding:
»Wang"--zeide hij--»wil je me een dienst bewijzen."
»Tienduizend voor een!" antwoordde de philosoof, het blad latende zakken. »Spreek, beste jongen, spreek zonder vrees en welke dienst het ook zij, ik zal hem je bewijzen!"
»De dienst dien ik je vraag, behoort tot dezulken", sprak Kin-Fo, »die een vriend slechts eenmaal kan bewijzen. Na deze, Wang, schenk ik je de overige negenduizend negenhonderd negen en negentig kwijt en ik voeg er bij, dat je niet eens op een dankbetuiging mijnerzijds behoeft te rekenen."
»Ook de meest bekwame uitlegger van de onbegrijpelijkste zaken zou er niets van kunnen maken. Wat is je bedoeling?"
»Wang," zeide Kin-Fo, »ik ben geruïneerd."
»Ah, ah!" liet de philosoof hooren op den toon van iemand, die eerder een goed dan een slecht nieuwtje verneemt.
»De brief dien ik bij mijn terugkomst van Kanton heb gevonden", hernam Kin-Fo, »strekte om mij te doen weten, dat de Centrale Bank van Californië failliet was. Behalve mijn yamen en eenige duizenden dollars, waarvan ik nog een of twee maanden kan leven, heb ik niets meer."
»Dus", vroeg Wang, na zijn leerling een poos aangestaard te hebben, »is het niet meer de rijke Kin-Fo, die tot mij spreekt."
»Het is de arme Kin-Fo, wien de armoede trouwens in 't minst geen schrik aanjaagt."
»Goed gesproken, mijn zoon," zeide de philosoof, van zijn zetel rijzende. »De tijd en de moeite, besteed om je de lessen der wijsheid te leeren, zijn dus niet verloren gegaan! Tot nu toe heb je geleefd zonder hartstocht, zonder strijd! Nu eerst zal je gaan leven! De toekomst is veranderd! Wat komt er dat op aan! Terecht heeft Confucius gezegd, er gebeuren altijd minder ongelukken dan men vreest! Wij zullen dus in het vervolg onze rijst gaan verdienen. De _Nun Schum_ leert ons: »In het leven zijn hoogten en laagten. Het rad der fortuin draait zonder ophouden en de wind kan veranderen! Rijk of arm, ieder moet zijn plicht vervullen!" Laat ons gaan."
En waarlijk, Wang was gereed om als een practisch philosoof, onmiddellijk het heerlijke gebouw te verlaten.
Kin-Fo hield hem tegen.
»Ik heb gezegd," hernam hij, »dat de armoede mij geen schrik aanjoeg, maar ik voeg er bij: omdat ik besloten heb die niet te verdragen."
»Wat!" zeide Wang, »gij wilt dus...."
»Sterven!"
»Sterven!" herhaalde de philosoof bedaard. »De man die een einde aan zijn leven wil maken, spreekt er met niemand over."
»Het zou reeds geschied zijn," hernam Kin-Fo met een kalmte, die niet voor die van den philosoof onderdeed, »als ik niet had gewild dat de dood mij voor het minst een eerste en laatste ontroering bezorgde. Maar op het oogenblik dat ik een der opiumpillen wilde gebruiken, je weet welke, klopte mij het hart zoo weinig, dat ik het vergif heb weggeworpen en bij u ben gekomen!"
»Wil je dan dat we samen sterven," vroeg Wang met een glimlach.
»Neen", zei Kin-Fo, »het is noodig dat je blijft leven!"
»Waarom?"
»Om mij met uw eigen hand te dooden!"
Zelfs toen Kin-Fo aan zijn leermeester het voorstel deed hem met eigen hand te dooden, sidderde Wang niet. Maar Kin-Fo die hem aanstaarde, zag dat zijne oogen flikkerden. Werd de oude Taï-ping in hem wakker? Zou hij zonder aarzelen het werk doen dat zijn leerling hem opdroeg? Zouden er dus achttien jaren over zijn hoofd voorbij gegaan zijn zonder dat de bloeddorstige neiging van zijne jeugd was uitgedoofd! Zou hij zelfs geen tegenwerping maken, waar het den zoon gold van hem die hem het leven had gered en opgenomen! Zou hij zonder aarzelen aannemen hem te bevrijden van een bestaan, waarvan hij niet meer beliefde gediend te zijn! Zou hij dat doen, hij, Wang, de philosoof!
Maar die flikkering in zijn blik verdoofde bijna onmiddellijk. Wang hernam zijn gewoon voorkomen en zag er alleen zoo mogelijk nog deftiger uit dan altijd.
En daarop klonk het:
»Is dat de dienst dien je van me verlangt?"
»Ja", hernam Kin-Fo, »en deze dienst zal opwegen tegen alles wat je meenen mocht verschuldigd te zijn aan Tschoung-Héou en zijn zoon."
»Wat wenscht je dat ik doe?" vroeg de philosoof eenvoudig.
»Ik moet vóór 25 Juni, je hoort het Wang, den acht en twintigsten dag van de zesde maand, den dag waarop mijn een en dertigste jaar ten einde is gebracht, opgehouden hebben te leven! Ik moet door u gedood worden, 't zij onverwachts, 't zij met duidelijk opzet, 's nachts of over dag; het is hetzelfde waar of hoe, staande, zittende, liggende, wakende, slapende, met het mes of met vergif! Ik moet gedurende ieder der tachtigduizend minuten waaruit mijn leven nog gedurende vijf en vijftig dagen bestaat, in de meening en ik hoop in de vrees verkeeren dat mijn leven eensklaps eindigen kan! Ik wil die tachtig duizend kansen loopen en ik wil dat ik op het oogenblik waarop de zeven elementen van mijn leven gescheiden worden, zal kunnen uitroepen: Welnu, ik heb dan toch geleefd!"
Kin-Fo had, tegen zijne gewoonte, met zekere opgewondenheid gesproken. Men zal ook bespeurd hebben dat hij den laatsten dag van zijn leven had gesteld op zes dagen voor het verloopen van zijn polis. Dit was gehandeld zooals het een verstandig man betaamt, want, als de storting van de nieuwe premie achterwege bleef, zou hij zijn recht op de uitkeering verloren hebben.
De philosoof had hem met een ernstig gelaat aangehoord, alleen nu en dan een snellen blik werpende op het portret van den koning Taï-ping, dat de kamer versierde, een portret dat hem--hij was er nog niet mee bekend--ten erfdeel beschoren was.
»Je schrikt dus niet terug voor de verplichting, die je op je neemt om mij te dooden?" vroeg Kin-Fo.
Wang gaf met eene beweging van den arm te kennen, dat hij daar niet voor vreesde. Hij had wel andere dingen gedaan, toen hij onder de banieren van den Taï-ping streed! Maar als een verstandig man, die alle kansen wil beproeven eer hij zich verbindt, sprak hij:
»Je ziet dus af van het vooruitzicht, u door den Waren Meester beschoren om een hoogen ouderdom te bereiken?"
»Ik zie er van af."
»Zonder spijt?"