Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty'
Part 16
Als Kin-Fo nog had kunnen twijfelen, dan zou dit toch niet meer het geval geweest zijn na een kort gesprek met den persoon die den troep scheen aan te voeren.
»Je brengt ons ongetwijfeld naar het kamp van Lao-Shen, je chef", had hij gevraagd.
En het antwoord was geweest:
»Wij zullen er binnen een uur zijn!"
Wat was Kin-Fo dan ook eigenlijk daar komen doen? Immers alleen den zaakgelastigde van zijn ouden leermeester, van wijlen den philosoof Wang, opzoeken. Welnu, hij zou thans dit doel bereiken. Of hij er goedschiks of kwaadschiks kwam, deed er immers weinig toe! Angst of vrees te voelen, dat kon hij veilig aan Soun overlaten, wiens tanden klapperden en die van tijd tot tijd reeds meende dat zijn hoofd hem voor de voeten viel.
Kin-Fo had zich dus zeer phlegmatiek in zijn lot geschikt en liet zich rustig verder leiden. Hij zou nu in de gelegenheid zijn met Lao-Shen over den terugkoop van zijn brief te onderhandelen. Dit was al wat hij gewenscht had. Hij had zich dus nergens over te beklagen.
Na den Grooten Muur achter zich gelaten te hebben, volgde de troep niet den grooten Mongoolschen heerweg, doch afgelegen voetpaden, die rechtsaf naar het bergachtige gedeelte der provincie leidden. Men ging ongeveer een uur ver, zoo snel als de steile weg slechts toeliet. Kin-Fo en Soun werden scherp bewaakt en zouden niet hebben kunnen ontvluchten, ook al hadden zij dit gewild.
Na verloop van anderhalf uur bemerkten de roovers en de gevangenen bij het omslaan van een hoek een half vervallen gebouw.
Het was een oude kloosterkerk op een der bergruggen, een eigenaardig monument der Bouddhistische bouwkunst. Maar op deze verloren plek aan de Russisch-Chineesche grenzen, te midden eener woestijn, mocht men wel vragen welke geloovigen den drempel der kapel ooit zouden overschrijden. Men mocht met recht onderstellen dat dit met levensgevaar zou gepaard gaan, want nergens was beter gelegenheid om hinderlagen te leggen.
Als de Taï-ping Lao-Shen zijn kamp had opgeslagen in dit bergachtig gedeelte der provincie, dan had hij waarlijk zijn terrein niet slecht gekozen.
Op een vraag van Kin-Fo vernam hij dat Lao-Shen daar werkelijk vertoefde.
»Ik verlang terstond bij hem gelaten te worden," sprak Kin-Fo.
»Dat zal geschieden!" was het antwoord.
Men bracht hem en Soun in eene groote vestibule, die het voorhof van den tempel vormde. Daar bevonden zich een twintigtal gewapende lieden, die er in hun rooverspak zeer schilderachtig uitzagen, doch wier ruwe en woeste gelaatstrekken juist niet geschikt waren om iemand recht op zijn gemak te zetten.
Kin-Fo trad echter onbeschroomd tusschen de dubbele rij Taï-pings door; wat Soun betreft, zijne beenen weigerden hem te dragen en slechts met duwen en stooten kon men hem vooruit drijven.
De vestibule gaf aan de eene zijde toegang tot een trap in den dikken muur, welker treden tot vrij diep onder den berg leidden.
Hieruit kon men afleiden dat er een soort van gewelf onder het hoofdgebouw was en iemand, die niet met de onderaardsche inrichting bekend was, zou zeer moeilijk of liever onmogelijk den weg door het doolhof van gangen derwaarts hebben kunnen vinden.
Na een dertigtal treden afgedaald te zijn, ging men een honderdtal schreden rechts en links bij den walmenden schijn van een aantal toortsen en kwam toen in eene groote zaal, die op dezelfde wijze eenigermate verlicht was.
Dit was oorspronkelijk een grafkelder geweest. Korte zware pilaren, met de afzichtelijke monsterkoppen, die aan de grillige fauna der Chineesche mythologie ontleend zijn, droegen de ingebogen gewelven, waarvan de scherpe kanten aan den sluitsteen der zware bogen aansloten.
Een dof gemompel deed zich in deze onderaardsche zaal hooren toen de twee gevangenen binnengebracht werden.
De zaal was namelijk volstrekt niet ledig. Eene groote menigte vulde haar tot in hare duisterste schuilhoeken. De geheele bende der Taï-pings was daar vereenigd, zeker om een of ander verdachte plechtigheid te vieren.
Achter in het gewelf op eene steenen verhevenheid stond een groot en zwaar man, als de voorzitter van een geheim gerechtshof. Drie of vier zijner metgezellen stonden onbeweeglijk aan zijne zijde. Hij gaf een teeken, de menigte week dadelijk uiteen en liet den doortocht voor de twee gevangenen open.
»Lao-Shen", zei eenvoudig de aanvoerder van het geleide, den persoon op de verhevenheid aanwijzende.
Toen Kin-Fo zich tegenover den gevreesden Taï-ping bevond, meende hij niet beter te kunnen doen, dan terstond de zaak op het tapijt te brengen, die hem aan de andere zijde van den Grooten Muur gebracht had.
»Lao-Shen", aldus begon hij, »gij bezit een brief die u toegezonden is door uw ouden vriend en metgezel Wang. Deze brief, door mij geschreven en aan Wang ter hand gesteld, heeft op dit oogenblik geen waarde hoegenaamd meer en ik kom u verzoeken mij dien terug te geven."
Bij deze woorden, die Kin-Fo op vastberaden toon uitsprak, gaf de Taï-ping geen antwoord; hij maakte zelfs geen enkele beweging. Men had kunnen denken dat het een bronzen standbeeld was.
»Wat eischt gij van mij voor het teruggeven van dit geschrift?" hernam Kin-Fo.
Hij wachtte echter tevergeefs op eenig antwoord.
»Lao-Shen", sprak Kin-Fo verder, »ik zal u een wissel geven op den bankier, dien gij noemt, in de stad die gij verkiest, en die zonder korting zal uitbetaald worden zonder dat de man door wien gij hem wilt laten ontvangen deswege zal verontrust worden."
De Taï-ping bewaarde hetzelfde ijskoude stilzwijgen,--een omstandigheid die weinig goeds voorspelde.
Kin-Fo ging voort, duidelijk op elk woord den klemtoon leggende:
»Hoe groot verlangt gij dat ik de som maken zal? Ik bied u vijfduizend taëls aan." [17]
Geen antwoord.
»Tienduizend taëls?"
Lao-Shen en zijne gezellen lieten geen geluid hooren en bleven onbeweeglijk, evenals de beelden in deze vreemdsoortige kerk.
Eenig ongeduld en toorn begon zich van Kin-Fo meester te maken; zijn aanbod was dan toch wel eenig antwoord waard.
»Verstaat gij mij niet, Lao-Shen?" vroeg hij den Taï-ping.
Lao-Shen verwaardigde zich ditmaal met het hoofd te knikken en gaf daardoor te kennen dat hij hem volmaakt goed verstond.
»Twintigduizend taëls? Dertigduizend taëls!" riep Kin-Fo uit. »Ik zal u geven wat _de Eeuw_ u zou betaald hebben als ge mij gisteren gedood hadt. Het dubbele! het driedubbele! spreek op, is dat genoeg?"
Kin-Fo geraakte buiten zichzelf door het stilzwijgen van allen die hem omringden. Hij kruiste zijne armen over elkander en kwam een schrede nader.
»Tot welken prijs", sprak hij, »wilt ge mij dan dien brief afstaan?"
»Voor geen prijs ter wereld!" zoo verbrak eindelijk de Taï-ping het stilzwijgen. »Gij hebt Bouddha beleedigd door het leven te minachten dat hij u geschonken heeft, en Bouddha wil gewroken worden. Slechts door den dood kunt gij de volle waarde leeren erkennen van het voorrecht dat gij zulk een geruimen tijd hebt miskend!"
Toen hij dit gezegd had op een toon die geen antwoord toeliet, gaf Lao-Shen een teeken. Men greep Kin-Fo aan voordat hij nog een poging had kunnen wagen om zich te verweren, hij werd gebonden en voortgesleept. Een paar minuten later werd hij in een soort van kooi geworpen, die als draagstoel kon dienen, doch die rondom zoodanig gesloten was, dat er geen enkele lichtstraal in doordrong.
Soun, de ongelukkige Soun, werd ondanks zijn schreeuwen en smeeken op dezelfde wijze behandeld.
»Dat is de dood," sprak Kin-Fo tot zich zelf; »welnu hetzij zoo, hij die het leven veracht heeft, verdient te sterven!"
Toch was de dood nog niet zoo nabij als hij dacht. Maar welke foltering had de wreede Taï-ping dan voor hem uitgedacht? Daarvan kon hij zich geen voorstelling maken.
Er gingen uren voorbij. Kin-Fo voelde dat het hok waarin men hem gesloten had, opgetild en voortgedragen werd. Toen werd het blijkbaar op een of ander voertuig geplaatst. Het schokken op den weg, het geluid der paarden, het gekletter der wapenen van de lieden die er naast gingen, lieten daaraan geen twijfel over. Men vervoerde hen blijkbaar naar elders. Waarheen! Dat was onmogelijk te gissen.
Zeven à acht uur later bemerkte Kin-Fo dat men stilhield, dat zijn kooi opgenomen en voortgedragen werd en kort daarop voelde hij eene geheel andere beweging dan die in het voertuig waarmede men hem over den weg had gereden.
»Ben ik dan nu op een schip?" vroeg hij zichzelf af.
Zeer duidelijk merkbaar slingeren en stampen en het trillen van een schroef versterkten hem in het denkbeeld dat men hem aan boord van een stoomboot had gebracht.
»Dus de dood in de golven!" dacht hij, »'t Zij zoo, zij besparen mij dusdoende veel erger folteringen! Heb dank daarvoor, Lao-Shen!"
Maar er gingen weder tweemaal vier-en-twintig uur voorbij. Tweemaal per dag werd door een schuif wat eten en drinken in het hok gezet, zonder dat de gevangene de hand zien kon die het bracht en zonder dat hij eenig antwoord op zijne vragen kreeg.
Kin-Fo had ontroeringen gewenscht, voordat hij het schoone, hem door den hemel geschonken leven verliet! Hij had niet gewild, dat zijn hart zou ophouden te kloppen voordat het althans ook eens getrild had! Welnu, er werd aan zijn wensch voldaan en in veel grooter mate dan hij dit ooit had kunnen begeeren.
Toch had hij gaarne, nu hij zijn leven moest verliezen, in het volle daglicht willen sterven. De gedachte dat het hok, waarin hij opgesloten was en dat slechts op de meest primitieve wijze als een gevangenis-cel was ingericht, elk oogenblik in de golven kon geworpen worden, kwelde hem vreeselijk. Sterven zonder dat hij den hemel nog eenmaal gezien had, zonder een laatsten blik geworpen te hebben op de arme Lé-ou, wier herinneringen hem geheel vervulden, dat was te erg!
Eindelijk na een tijdsverloop, van welks duur hij zich geen voorstelling kon maken, scheen het hem toe dat de lange tocht plotseling gestaakt werd. Het gedreun der machine hield op. Het vaartuig, waarop zijne gevangenis stond, hield stil. Kin-Fo voelde dat de kooi opnieuw werd opgenomen.
Nu was dus het laatste oogenblik aangebroken en de veroordeelde had nog slechts vergiffenis te vragen voor de afdwalingen waaraan hij zich bij zijn leven had schuldig gemaakt.
Eenige oogenblikken verliepen er nog,--jaren, eeuwen!
Tot zijne verbazing bemerkte Kin-Fo, dat de kooi opnieuw op den vasten grond stond.
Plotseling werd de gevangenis geopend. Ruwe armen grepen hem aan, een sterke band werd hem om de oogen geslagen en hij voelde dat men hem naar buiten trok. Stevig vastgehouden moest hij eenige schreden doen, toen dwongen zijne geleiders hem om stil te staan.
»Als ik nu eindelijk sterven moet," riep hij uit, »smeek ik u niet mij het leven te laten, waarvan ik geen goed gebruik wist te maken, maar bid ik u mij te laten sterven in het volle daglicht, als een man die den dood niet vreest!"
»Het zij zoo!" sprak een ernstige stem. »Laat het geschieden zooals de veroordeelde wenscht!"
Plotseling werd de band, die zijne oogen bedekte, afgerukt.
Kin-Fo wierp toen een blik om zich heen....
Was hij de speelbal van een droom? Een rijk gedekte tafel stond voor hem, waaraan vijf gasten gezeten waren, die glimlachten en slechts op hem schenen te wachten om op het maal aan te vallen. Twee ledige plaatsen waren open gelaten.
»Gij, gij! Mijn vrienden, mijn beste vrienden! Zijt gij het?" riep Kin-Fo uit, op een toon die onmogelijk weer te geven zou zijn.
Maar neen! er was geen vergissing mogelijk. Het was Wang, de philosoof! Het waren Yin-Pang, Houal, Pao-Shen, Tim, zijne vrienden uit Kanton, dezelfden die hij twee maanden geleden onthaald had op het bloemenschip op de Paarlen-rivier, de vrienden zijner jeugd, de gezellen van zijn ongehuwden staat!
Kin-Fo kon zijne oogen niet gelooven! Hij was in zijn eigen huis, in de eetzaal van zijn yamen te Shang-Haï!
»Als gij het zijt," riep hij uit, het woord tot Wang richtende, »en niet uw schim, spreek dan!"
»Ik ben het zelf mijn vriend," antwoordde de philosoof. »En zijt gij nu geneigd aan uw ouden leermeester te vergeven dat zijn laatste les in de philosophie misschien wat buitengewoon en wat hard was?"
»Wat zegt ge?" antwoordde Kin-Fo. »Hebt gij, gij Wang, de hand in dit alles gehad?"
»Dat heb ik!" luidde het antwoord.
»Ja", vervolgde Wang, »ik deed alles; ik, die alleen de opdracht om u te dooden op mij genomen heb, opdat een ander zich er niet mee belasten zou! Ik die wist, nog eerder dan gij, dat gij niet geruïneerd waart, en dat er een oogenblik zou komen, waarop gij niet zoudt verlangen te sterven. Mijn oude makker, Lao-Shen, die zich onderworpen heeft en die in het vervolg een der hechtste steunpilaren van het rijk zal worden, heeft mij wel behulpzaam willen zijn om u, met den dood voor oogen, het leven op prijs te doen stellen. Dat ik u verschrikkelijken angst heb doen doorstaan en u, wat nog erger is, meer heb laten verrichten dan van een mensch naar billijkheid kan worden verlangd,--mijn hart bloedde er onder,--is alleen geschied omdat ik de zekerheid had dat gij het geluk achtervolgde, en dat gij het eenmaal bereiken zoudt!"
Kin-Fo was Wang in de armen gezonken en deze drukte hem innig tegen de borst.
»Arme Wang!" sprak Kin-Fo bewogen, »had ik dan nog maar alleen gevaar geloopen! Maar ook u heb ik in ongelegenheid gebracht! Wat heb ik u laten loopen en wat heb ik u een koud bad bezorgd op de brug van Palikao!"
»Och, wat dat betreft", antwoordde Wang lachende, »dit heeft mij met het oog op mijn vijf en vijftig jaren en mijn philosophie niet weinig vrees verwekt! Ik had het warm en het water was koud! Maar ik ben er goed afgekomen! Men loopt en zwemt nooit beter dan als men het voor een ander doet!"
»Voor een ander!" sprak Kin-Fo ernstig. »Ja! men moet voor een ander alles over hebben! Daar ligt het geheim voor het ware geluk!"
Daarop kwam Soun binnen, bleek als iemand die gedurende tweemaal vier-en-twintig uur door zeeziekte gekweld werd. De ongelukkige knecht had, evenals zijn meester, den weg van Fou-Ning naar Shang-Haï moeten maken, en hoe hij het er afgebracht had, kon men wel aan zijn gezicht zien!
Na zich aan de armen van Wang als 't ware ontworsteld te hebben, drukte Kin-Fo al zijne vrienden de hand.
»'t Is niet te loochenen, zóó is het beter!" sprak hij. »Ik ben tot nu toe een gek geweest!..."
»En nu zult gij in een verstandig man veranderen!" antwoordde hem de philosoof.
»Ik zal er naar trachten," zei Kin-Fo, »en in de eerste plaats beginnen met orde op mijn zaken te stellen. Ik heb de wereld doorgezworven om een stuk papier te zoeken dat de oorzaak is geweest van al mijn wederwaardigheden en dat ik terug wil hebben. Wat is er geworden van den vervloekten brief, dien ik u heb gegeven, Wang? Hebt gij hem werkelijk uit uw handen gegeven? Ik zou hem graag terug hebben, want hij kon weer wegraken! Lao-Shen kan er--gesteld hij heeft dien nog in zijn bezit--geen waarde meer aan hechten en hij zou misschien kunnen vallen in de handen van... minder fatsoenlijke lieden!"
Iedereen barstte op het hooren van deze woorden in lachen uit.
»Beste vrienden", zei Wang, »Kin-Fo is werkelijk, dank zij zijn avonturen, een man van regelmaat geworden! Zijn onverschilligheid van vroeger is geweken! Hij denkt als een verstandig man!"
»Ik krijg echter op deze wijze mijn brief niet terug", hernam Kin-Fo, »mijn dwazen brief! Ik beken zonder schaamte dat ik niet rusten zal voor ik dien terug heb en voor ik de asch er van aan den wind heb toevertrouwd!"
"Hecht gij werkelijk aan uw brief?" hernam Wang.
»Zeker", antwoordde Kin-Fo. »Zoudt gij zoo wreed zijn dien te behouden als een waarborg tegen een nieuwe dwaasheid mijnerzijds?"
»Neen."
»Welnu?"
»Welnu, beste leerling, aan uw verlangen kan niet voldaan worden het is helaas mijn schuld niet. Noch Lao-Shen, noch ik hebben hem meer, uw brief..."
»Hebt gij hem niet meer?"
»Neen."
»Hebt gij hem vernietigd?"
»Neen! helaas! neen!".
»Zijt gij onvoorzichtig genoeg geweest hem aan andere handen toe te vertrouwen?"
»Ja."
»Aan wien? aan wien!" vroeg Kin-Fo driftig, daar zijn geduld ten einde was. »Aan wien?"
»Aan iemand die hem alleen aan u persoonlijk ter hand wil stellen!"
Op dit oogenblik verscheen de bevallige Lé-ou, die achter een scherm verborgen, het tooneel van het begin tot het einde had bijgewoond. Zij hield den brief tusschen hare lieve vingertjes en bewoog hem, bij wijze van waarschuwing, heen en weder.
Kin-Fo breidde zijn armen uit.
»Neen, nog niet. Eerst nog een weinig geduld!" sprak de beminnelijke vrouw, terwijl zij een beweging maakte als wilde zij weder achter het scherm terugkeeren. »Eerst zaken, mijn beste man!"
En terwijl zij hem den brief voor de oogen hield, sprak zij:
»Herkent mijn lieve jongste broeder zijn werk?"
»Of ik het herken!" riep Kin-Fo uit. »Wie anders dan ik had dien gekken brief kunnen schrijven?"
»Welnu," vervolgde Lé-ou, »daar gij de wettige begeerte uit om den brief te bezitten, ziedaar, verscheur, verbrand, vernietig dit gevaarlijke stuk! Dat er niets overblijve van den Kin-Fo die het geschreven heeft!"
»Zoo zij het," sprak Kin-Fo, en naderde met het dunne papier de vlam; »maar vergun nu, mijn allerliefste, dat uw man teederlijk zijn vrouw omarme en zet gij u aan het hoofd van dezen disch. Ik gevoel dat ik er eer aan zal bewijzen."
»En wij ook!" riepen de vijf gasten. »Tevreden menschen zijn hongerig!"
Toen de officieele rouw eenige dagen later werd opgeheven, werd het huwelijk gesloten.
De beide echtgenooten beminden elkander! Zij moesten elkander altijd beminnen. Van alle kanten lachte hun het geluk toe.
Men ga naar China om er getuige van te zijn!
MUITERIJ AAN BOORD DER "BOUNTY." [18]
I.
Niet het minste tochtje, geen rimpeltje verstoort de oppervlakte der zee, terwijl geen enkele wolk, zoover het oog reikt, aan het uitspansel is te bespeuren. De schitterende sterrenbeelden van het zuidelijk halfrond teekenen zich met een onvergelijkelijke juistheid tegen den hemel af. De zeilen van de _Bounty_ hangen slap langs de masten, het vaartuig is onbeweeglijk, en het schijnsel der maan dat verbleekt voor den dageraad die aanbreekt, verlicht het luchtruim met een onbeschrijfelijken glans.
De _Bounty_, een schip van twee honderd vijftien ton, bemand met zes en veertig koppen, had den 23n December, 1787 Spithead verlaten onder het kommando van kapitein Bligh, een ervaren, maar wat ruwe zeeman, die kapitein Cook op zijn laatste onderzoekingsreis vergezeld had.
De _Bounty_ was belast met de speciale zending om den broodboom, die in den archipel van Taïti welig tiert, naar de Antilles over te brengen. Na een vertoef van zes maanden in de baai van Matavaï, had William Bligh een duizendtal dezer boomen geladen en na een kort oponthoud op de Vrienden-eilanden, den steven gewend naar de West-Indiën.
Meermalen had het wantrouwend en driftig karakter van den kapitein aanleiding gegeven tot onaangename tooneelen tusschen sommige zijner officieren en hem. Evenwel deed de rust die den 28n April, 1789 bij het opgaan der zon aan boord van de _Bounty_ heerschte niets vermoeden van de ernstige gebeurtenissen die weldra zouden plaats hebben.
Werkelijk scheen alles kalm en bedaard te zijn, toen plotseling zich eene ongewone levendigheid op het vaartuig voordeed. Eenige matrozen spreken elkaar aan, wisselen zacht een paar woorden en verdwijnen daarna met langzame schreden.
Wordt de morgenwacht afgelost? Is er iets bijzonders aan boord voorgevallen?
»Vooral geen rumoer, mijne vrienden," zei Fletcher Christian, de eerste stuurman van de _Bounty_. »Bob, hou je pistool gereed, maar schiet niet voordat ik 't je beveel. En jij, Churchill, neem je bijl en verbreek het slot van de kajuit van den kapitein. En nog iets, denk er aan dat ik hem levend moet hebben!"
Gevolgd door een tiental matrozen, gewapend met sabels, hartsvangers en pistolen, sloop Christian tusschendeks; na vervolgens schildwachten voor de kajuit van Stewart en van Peter Heywood, den equipagemeester en den adelborst van de _Bounty_ geplaatst te hebben, bleef hij staan voor de deur van den kapitein.
»Kom, jongens," zei hij, »helpt een handje!"
De deur week onder een krachtige drukking en de matrozen drongen in de kajuit door.
Verrast door de duisternis en misschien denkende aan de verantwoordelijkheid hunner daden, aarzelden zij een oogenblik.
»Holla! wat is er? Wie heeft het hart?...." riep de kapitein, uit zijn kooi springende.
»Hou je mond, Bligh!" antwoordde Churchill. »Zwijg, en probeer niet weerstand te bieden, of ik steek je een prop in den mond!"
»Je hoeft je niet aan te kleeden," voegde Bob er bij. "Je zult er altijd nog goed genoeg uitzien, als je aan de bezaansmast hangt!"
»Bind hem de handen op den rug, Churchill," zei Christian, »en hijsch hem op het dek!"
»Als men maar weet hoe met hem om te springen, is de verschrikkelijkste kapitein nog al zoo bar niet," merkte John Smith, de philosoof der bende op.
Daarna klom de stoet, onverschillig of ze de nog slapende matrozen van de laatste wacht wakker maakten of niet, de trap weder op en verschenen ze weer op het dek.
Het was een formeele opstand. Van al de officieren aan boord was Young, een der adelborsten, de eenige, die gemeene zaak met de muitelingen gemaakt had.
Wat de equipage betreft, de weifelaars moesten voor het oogenblik toegeven, terwijl de anderen, ongewapend, zonder hoofd, toeschouwers bleven van het treurspel dat onder hunne oogen zou afgespeeld worden.
Allen waren in stilte op het dek geschaard; zij keken naar hun kapitein die, half naakt, met opgeheven hoofde voorwaarts trad te midden van die mannen die gewoon waren om voor hem te beven.
»Bligh," zei Christian ruw, »je bent van je kommandement ontzet."
»Ik ken je het recht niet toe...." antwoordde de kapitein.
»Laat ons geen tijd in nuttelooze protestaties verliezen," riep Christian uit, die Bligh in de rede viel. »'k Spreek op 't oogenblik uit naam van de geheele equipage der _Bounty_. We hadden nauwlijks Engeland verlaten of we hadden ons reeds over je beleedigende vermoedens, je brutale handelingen te beklagen. Als ik zeg wij, dan meen ik daarmee zoowel de officieren als de matrozen. Niet alleen konden we ons nooit rechtvaardigen, maar je verwierpt onze klachten met minachting! Zijn we dan honden om alle oogenblikken gehoond te worden? Kanaljes, roovers, leugenaars, dieven! Je had geen uitdrukking die grof genoeg, geen beleediging die gemeen genoeg voor ons was! Men zou geen mensch moeten zijn om een dergelijk bestaan langer te verdragen! En ik, ik je landgenoot, ik die je familie ken, ik die al twee reizen onder je bevelen gemaakt heb, ben ik door je gespaard geworden? Heb je me niet gisteren nog beschuldigd je eenige armzalige vruchten ontstolen te hebben? En de bemanning! Voor niets, in de boeien! Voor een bagatel, vier en twintig met het eindje! Welnu, loontje komt om zijn boontje! Je bent te mild voor ons geweest, Bligh! Nu is 't onze beurt! Al die beleedigingen, die onrechtvaardigheden, die onzinnige beschuldigingen, die zedelijke en lichamelijke pijnigingen, waarmee je je equipage anderhalf jaar lang overladen hebt, zullen we je betaald zetten, en met woeker! Kapitein! allen, die je beleedigd hebt, hebben je veroordeeld.--Is het niet zoo, kameraden?"
»Ja, ja, ter dood!" riepen de meeste matrozen, hun kapitein bedreigende.
»Kapitein Bligh," hernam Christian, "eenigen hadden er van gesproken om je aan een eind touw tusschen hemel en water op te hijschen. Anderen stelden voor je met het eindje zoolang te geeselen, tot je er dood bij neerviel. Ik weet wat beters. Je bent overigens niet de eenige schuldige hier. Zij die altijd getrouw je bevelen hebben opgevolgd, hoe wreed ze ook waren, zouden wanhopig zijn onder mijn kommando over te gaan. Zij hebben verdiend je te vergezellen overal waar de wind je voeren zal.--Laat de sloep in zee!"
Een afkeurend gemor deed zich bij deze laatste woorden van Christian hooren, die er zich evenwel niet om scheen te bekommeren. Kapitein Bligh, die door deze bedreigingen niet uit het veld geslagen was, maakte van een oogenblik van stilte gebruik om het woord te nemen.