Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty'
Part 13
Het ruim was niet, zooals dit in de meeste koopvaardijjonken het geval is, door schutten afgedeeld. Het was één groote ruimte, die geheel volgeladen kon worden, daar er onder het voor- en achterdek ruimte genoeg overbleef voor equipage en passagiers.
Aan elke zijde van het ruim stonden, even regelmatig als in een praalgraf, de vijf en zeventig doodkisten, die naar Fou-Ning gebracht moesten worden. Stevig bevestigd konden zij noch door de slingeringen der jonk van hunne plaats geraken noch eenigermate de veiligheid van het vaartuig in gevaar brengen.
Door een smallen gang, die vrijgelaten was tusschen de dubbele rij kisten, kon men van het eene einde van het ruim naar het andere gaan, nu eens in het volle licht als men in de nabijheid van het luik was, dan weder in schemerlicht of in een bijna volkomen duister.
Craig en Fry liepen zwijgend, alsof zij zich in een praalgraf bevonden, in dezen gang op en neder.
Zij keken niet zonder eenige nieuwsgierigheid naar de zonderlinge lading.
Er waren lijkkisten van allerlei aard, van allerlei vorm en afmeting, kostbaar of armoedig. Van de landverhuizers, die door nooddruft naar de overzijde der Stille Zuidzee gedreven waren, waren sommige rijk geworden in de mijnen van de Nevada en den Colorado of in Californië, doch dit waren er, helaas, slechts weinige. De andere waren er arm en ellendig gekomen en arm en ellendig gestorven. Maar allen keerden nu gelijkelijk naar hunnen geboortegrond terug, aan elkander gelijk door den dood. Een tiental kisten waren van kostbaar hout en versierd met al de fantasie der Chineesche weelde, de meeste andere bestonden eenvoudig uit zes planken, ruw in elkander geslagen en geel geverfd. Maar rijk of arm, op elke kist stond een naam dien men kon lezen als men het ruim doorging: Lien-Fou van Yung-Ping-Fu, Nan Loou van Fou-Ning, Shen-Kin van Lin-Kia, Luang van Ku-Li-Kao, enzoovoorts. Er was geen vergissing of verwarring mogelijk. Ieder lijk was behoorlijk gewaarmerkt en zou aan zijn adres bezorgd worden, om op het veld het uur der definitieve teraardebestelling af te wachten.
»'t Ziet er netjes uit," zei Craig.
»Zeer netjes!" antwoordde Fry.
Zij zouden hetzelfde gezegd hebben als zij een der groote magazijnen van San Francisco of New-York bezichtigd hadden.
Aan het uiterste einde van het ruim, waar het licht nagenoeg niet doordrong, waren zij blijven staan, en voordat zij weder naar boven gingen, lieten zij nogmaals hunne blikken over de stapels der kisten gaan.
Plotseling werd hun aandacht door eenig geritsel getrokken.
»Zeker een rat!" zeide Fry.
»Ja, dat zal een rat zijn!" antwoordde Craig.
Het was geen voordeelige lading voor zulk een knaagdier. Rijst, of maïs, of gierst zou beter naar zijn zin geweest zijn.
Het geluid hield evenwel aan. Het was ontstaan op manshoogte, aan stuurboordzij, dus bij de bovenste rij kisten. Als het geen geknabbel van tanden was, kon het niets anders zijn dan een gekrabbel van klauwen of nagels!
»Frrrr! Frrrr!" deden Craig en Fry.
Maar het geraas hield niet op.
De twee agenten kwamen naderbij en luisterden met ingehouden adem. Het gekrab kwam stellig uit een der bovenste doodkisten.
»Ze zullen toch geen schijndooden Chinees in een van de kisten gepakt hebben?" vroeg Craig.
»Die eerst na een overtocht van vijf weken weder levend geworden is?" antwoordde Fry.
De twee agenten legden de hand op de verdachte kist en er was geen twijfel aan of er was beweging in.
»Drommels!" fluisterde Craig.
»Drommels!" fluisterde ook Fry.
Hetzelfde denkbeeld ontstond plotseling bij beiden, en wel dat Kin-Fo vermoedelijk door eenig gevaar bedreigd werd.
Zij namen de hand van de kist af en voelden dat het deksel zeer zorgvuldig opgetild werd.
Craig en Fry, als lieden die zich nergens over verbaasden, hielden zich doodstil, en daar zij in het donker niets konden zien, spitsten zij hunne ooren op hetgeen zij zouden hooren.
»Ben jij het, Couo?" sprak een stem zeer voorzichtig en zacht fluisterend.
Bijna op hetzelfde oogenblik antwoordde een stem uit een der kisten aan bakboord op dezelfde wijze:
»Ben jij het, Fo-Kien?"
En toen wisselden zij zeer vlug de volgende woorden:
»Van nacht, niet waar?"
»Ja, van nacht!"
»Voordat de maan opkomt?"
»Bij de tweede nachtwake."
»En de anderen?"
»Zijn allen gewaarschuwd."
»Zes-en-dertig uur in een doodkist! Ik heb er genoeg van!"
»Ik niet minder."
»Als Lao-Shen het niet bevolen had...."
»Stil toch!"
Op het hooren van den naam van den gevreesden Taï-ping hadden Craig en Fry onwillekeurig eene lichte beweging gemaakt en daarop waren de deksels weder plotseling dichtgevallen. Het was op nieuw doodstil in het ruim van de _Sam-Yep_.
Na het tooneel in het ruim slopen Craig en Fry zoo voorzichtig mogelijk weder naar het midden en klommen naar boven. Zij bleven eerst op het dek staan, toen zij zeker wisten dat niemand hen hooren kon.
»Met dooden die spreken...." begon Craig.
»Is het niet pluis!" voltooide Fry.
Een enkel woord had hun alles verraden. Dat was de naam Lao-Shen, dien een der gewaande lijken uitgesproken had.
De handlangers van dezen gevreesden Taï-ping waren er dus in geslaagd zich aan boord te verbergen! Kon dit geschied zijn buiten weten van kapitein Yin, of van zijn equipage, of van de manschappen die de sombere lading aan boord hadden gebracht? Dat was onmogelijk. Na uit het Amerikaansche vaartuig gelost te zijn, die ze van San-Francisco had overgebracht, waren de doodkisten tweemaal vier en twintig uur in het dok blijven staan. Toen hadden tien of misschien twintig manschappen van de bende van Lao-Shen de kisten ongetwijfeld geledigd en de plaats der lijken ingenomen. Maar had hun opperhoofd dan geweten of kunnen weten dat Kin-Fo van plan was om zich aan boord van de _Sam-Yep_ in te schepen? En hoe had hij dit kunnen weten?
Ziedaar eene zeer duistere zaak, doch die op dit oogenblik niet behoefde opgelost te worden. Zeker was het, dat er, sedert men Tahou verliet, schelmen van de ergste soort aan boord waren; zeker was het, dat Craig en Fry een hunner den naam van Lao-Shen had hooren uitspreken; zeker was het dat het leven van Kin-Fo in onmiddellijk gevaar verkeerde.
In dezen nacht, in den nacht van 28 op 29 Juni, zou _de Eeuw_ een verlies lijden van tweehonderdduizend dollars; een verlies dat der maatschappij bespaard zou worden als het vier en vijftig uur later geweest was, daar ook Kin-Fo zijn polis niet had vernieuwd!
Men zou echter Craig en Fry slecht kennen als men meende dat zij in deze ernstige omstandigheden hunne bezinning verloren. Hun besluit was terstond genomen. Kin-Fo moest, voordat de tweede nachtwake begon, de jonk verlaten, en zij beiden zouden hem vergezellen.
Maar hoe zouden zij ontsnappen? Zich meester maken van de eenige boot die de jonk aan boord had? Onmogelijk. Dat was een zware sloep, en al de handen aan boord zouden noodig zijn om haar in zee te brengen. En kapitein Yin, met zijn equipage, die er alles van wist, zouden hen zien komen! Men moest dus wel zijn toevlucht tot iets anders nemen, hoe gevaarlijk het ook wezen mocht.
Het was zeven uur. De kapitein was nergens te zien en zat waarschijnlijk in zijn hut. Hij wachtte mogelijk daar wel het uur af dat de manschappen van Lao-Shen voor den dag zouden komen.
»Er is geen oogenblik te verliezen!" zeiden Craig-Fry.
Neen, geen enkel oogenblik! Het gevaar had niet dreigender kunnen zijn als zij boven een mijn gestaan hadden en de lont, die daarmede in verbinding stond, reeds aangestoken was.
De jonk scheen, bij de volslagen windstilte, aan zichzelf overgelaten. Een enkele matroos zat op het dek te slapen.
Craig en Fry schoven dus de deur der kajuit open en vonden Kin-Fo daar.
Hij sliep, doch men wekte hem onverwijld.
»Wat is er?" vroeg hij.
Enkele woorden waren voldoende om hem op de hoogte der zaak te brengen. Zijn moed en zijne koelbloedigheid begaven hem gelukkig niet.
»Laat ons die gewaande lijken spoedig in zee werpen", riep hij uit.
Geen slecht idée, maar volkomen onuitvoerbaar met het oog op de medeplichtigheid van kapitein Yin en het vermoedelijk aantal der schelmen.
»Wat dan?" vroeg Kin-Fo.
»Dit even aantrekken", antwoordden Craig-Fry.
Dit zeggende opende zij een der kisten, die zij uit Tong-Tchéou hadden meegenomen, en boden hunnen cliënt een dier verwonderlijke drijfpakken aan, waarvan de wereld de uitvinding aan kapitein Boyton dankt.
De kist bevatte vier dergelijke pakken met al de gereedschappen en werktuigen die er bij behooren en die het reddingstoestellen van de beste soort doen zijn.
»'t Is goed", zei Kin-Fo, »ga Soun maar waarschuwen."
Een oogenblik later kwam Fry met Soun terug, die volkomen de kluts kwijt was. Men moest hem geheel aankleeden. Hij liet ze machinaal begaan en stiet alleen van tijd tot tijd zijn gewoon _ai ai ya_ uit!
Om acht uur waren Kin-Fo en zijne metgezellen gereed. Men had hen voor vier zeehonden hebben kunnen houden, die gereed stonden om in zee te duiken. Om de waarheid te zeggen zou de zeehond Soun slechts een zeer ongunstig denkbeeld gegeven hebben van de wonderbare vlugheid dezer zoogdieren van de zee, zoo slap en onbeholpen zag hij er uit in zijn waterdicht pak.
In het oosten begon de lucht reeds donker te worden. De jonk dreef onbeweeglijk bij de onafgebroken windstilte op de spiegelgladde oppervlakte der zee.
Craig en Fry maakten een der poorten van de kajuit achter in den spiegel van de jonk open. Zonder plichtplegingen nam men Soun op en stak hem door het luik naar buiten, waar men hem in de zee hoorde plassen. Kin-Fo volgde hem onmiddellijk. Craig en Fry raapten alles bij elkander wat zij noodig hadden en stapten op hunne beurt in het water.
Alles was zeer stil en behendig in zijn werk gegaan en aan boord van de jonk kon niemand vermoeden dat de bemanning vier personen minder telde.
XIX.
Dat zeer slecht afloopt voor kapitein Yin, gezagvoerder van de _Sam-Yep_ en zijn equipage.
De toestellen van kapitein Boyton bestaan uitsluitend uit een enkel kleedingstuk van caoutchouc, waarin het geheele lichaam sluit. Door den aard der stof zijn ze waterdicht. Maar al kan het water er niet doordringen de koude, die het gevolg zou zijn eener langdurige indompeling, zooveel te beter. Deze kleedingstukken nu, zijn dubbel en tusschen de stof en de voering kan men eene zekere hoeveelheid lucht inblazen.
De lucht strekt tot twee doeleinden. Ten eerste om het toestel beter te doen drijven en ten tweede om te maken dat het menschelijk lichaam op den duur niet te veel afkoelt. Met zulk een toestel kan men zoo lang in het water vertoeven als men zelf maar verkiest.
Het spreekt van zelf dat de sluiting er van niets te wenschen overliet. De pantalon waarvan de voeten met zware zolen voorzien waren, sloot om het middel met een ceintuur van staal, ruim genoeg om het lichaam eenige vrijheid van beweging te laten. Het buis dat aan dit ceintuur vast zat, sloot van boven met een stevige kraag, waaraan de kap bevestigd was. Deze ging over het hoofd en sloot door een elastieken band nauwkeurig om voorhoofd, wangen en kin. Men zag dus van de kin niets anders dan de oogen, den neus en den mond.
Aan het buis zaten verscheiden buizen van caoutchouc die dienden om lucht in te brengen en deze te regelen naar den graad van dichtheid die men voor het drijvende lichaam verlangde. Men kon dus, al naar men verkoos, tot aan den hals onder water blijven, of slechts halverwege, of zelfs als men wilde in het water staan. Er bestaat eene volkomen vrijheid van handelen en beweging, en daarenboven eene volkomen veiligheid.
Ziedaar het toestel dat zijn uitvinder zooveel roem heeft bezorgd en waarvan het nut bij tal van zeerampen ontwijfelbaar groot is. Het wordt voltooid door een aantal bijkomende zaken: een waterdichten zak met verschillende voorwerpen, die als een gordel om het lijf geslagen wordt; een stevigen stok die aan de voeten in een haak bevestigd is en waaraan men een klein fokzeil kan hangen, eene kleine pagaai die al naar omstandigheden gebruikt kan worden om den toestel in beweging te brengen of naar verkiezing te besturen.
Kin-Fo, Craig, Fry en Soun dreven nu, aldus toegerust, op de oppervlakte der zee. Soun werd door Craig of Fry voortgeduwd en liet hen stil begaan en met eenige pagaaislagen waren zij weldra op voldoenden afstand van de jonk verwijderd.
De ingevallen duisternis was voor deze manoeuvre zeer gunstig geweest. Zelfs al waren kapitein Yin en zijne matrozen op het dek verschenen, toch zouden zij de vluchtelingen niet in het oog gekregen hebben. Niemand had dan ook kunnen onderstellen, dat zij op deze wijze de jonk hadden verlaten. De schurken uit het ruim zouden zulks eerst op het laatste oogenblik kunnen gewaar worden.
»Bij de tweede nachtwake," had de gewaande doode uit de laatste kist gezegd: dus omstreeks middernacht.
Kin-Fo en zijne gezellen hadden dus nog een paar uur tijd en inmiddels hoopten zij zich wel een mijl van het schip te kunnen verwijderen. Er begon werkelijk ook wat wind te komen, doch dit was nog zoo weinig, dat men alleen op de pagaaien mocht vertrouwen, om uit het vaarwater van de _Sam-Yep_ te komen.
Na een paar minuten waren Kin-Fo, Craig en Fry zoodanig aan hun nieuwen toestand gewend, dat zij instinctmatig alles deden wat de inrichting van het toestel vorderde of onderstelde, zonder ooit te aarzelen of mis te tasten. Soun zelfs had weldra zijne bezinning teruggekregen en voelde zich in de zee veel beter op zijn gemak dan aan boord van de jonk. Zijne zeeziekte was plotseling verdwenen. Het is dan ook een groot verschil of men aan boord van een schip al de bewegingen van dat vaartuig gevoelt, dan wel of men halverwege in het water met de deining mededrijft. Soun maakte deze opmerking met zeer veel genoegen.
Maar al was Soun niet zeeziek meer, hij was nu vreeselijk bang. Hij vreesde dat de haaien misschien nog niet naar bed zouden zijn en instinctmatig trok hij bij die gedachte zijne beenen omhoog als vreesde hij dat zij daarin bijten zouden.
Een klein beetje angst was hem, in zijne omstandigheden, dan ook waarlijk zoo kwalijk niet te nemen.
Kin-Fo en zijne makkers, wie het ongeluk op de meest krasse wijze bleef vervolgen, zetten hunne vlucht in kapitein Boyton's drijftoestellen voort. Bij het pagaaien lagen zij horizontaal uitgestrekt. Als zij een oogenblik rustten, hernamen zij hunne verticale houding.
Een uur nadat zij het vaartuig hadden verlaten, waren zij reeds een halve mijl onder de lij van de _Sam-Yep_. Zij hielden een poosje rust, op hunne pagaai geleund, daarbij echter zorg dragende dat zij zachtjes spraken.
»Die schurk van een kapitein!" zei Craig, om 't gesprek te openen.
»Die vervloekte Lao-Shen!" antwoordde Fry.
»'t Schijnt dat het je zonderling voorkomt?" zei Kin-Fo op den toon van iemand die zich over niets meer verwondert.
»Ja!" antwoordde Craig, »want ik kan niet begrijpen hoe die ellendelingen te weten gekomen zijn dat wij passagiers aan boord zouden zijn!"
»'t Is waarlijk onverklaarbaar," voegde Fry er bij.
»Het doet er niet toe," sprak Kin-Fo, »zij hebben het geweten en wij zijn het gevaar ontsnapt!"
»Ontsnapt!" antwoordde Craig. »Neen, zoolang de _Sam-Yep_ in 't gezicht is, zijn wij niet buiten gevaar!"
»Wat moet er gedaan worden?" vroeg Kin-Fo.
»Laat ons al onze krachten inspannen", antwoordde Fry, »en ons zoover van het vaartuig verwijderen dat wij bij 't aanbreken van den dag uit het gezicht zijn!"
En Fry blies een zekere hoeveelheid lucht in zijn kleed en steeg daardoor halverwege uit het water. Hij nam daarop uit zijn borstzak een flesch en een glas, vulde dat met besten brandewijn en reikte het zijn cliënt over.
Kin-Fo liet zich niet lang bidden en ledigde het glas tot den laatsten druppel. Craig-Fry volgden zijn voorbeeld en Soun werd niet vergeten.
»Hoe gaat het?.." vroeg hem Craig.
»Beter!" antwoordde Soun na gedronken te hebben. »Zouden wij ook niet een stukje kunnen eten?"
»Morgen", zei Craig, »zullen wij ontbijten bij het aanbreken van den dag en eenige kopjes thee...."
»Koud!" riep Soun uit, een leelijk gezicht trekkende.
»Warm!" antwoordde Craig.
»Kan je dan vuur maken?"
»Ik zal vuur maken."
»Waarom zouden wij tot morgen wachten?" vroeg Soun.
»Zou u dan soms willen dat ons vuur aan kapitein Yin en zijn medeplichtigen onze tegenwoordigheid verried?"
»Neen! neen!"
»Dus, morgen!"
Onze vrienden babbelden werkelijk even gezellig alsof zij »te huis" waren! Alleen deed eene lichte deining hun eene op- en neergaande beweging ondergaan, die min of meer komisch was. Zij bewogen zich naar boven, evenals de toetsen van een klavier door de hand van een pianist aangeroerd.
»De bries neemt toe," merkte Kin-Fo op.
»Dan moeten wij zeilen," antwoordden Craig-Fry.
En zij maakten zich gereed den stok op de voeten te bevestigen, ten einde er het zeil aan op te hijschen, toen Soun een kreet van schrik deed hooren.
»Zal je den mond houden, ezel!" liet zijn meester hooren. »Wil je ons verraden?"
»Maar ik meen iets gezien te hebben!...." stamelde Soun.
»Houd den mond, schavuit," zei Kin-Fo, zijne hand op den schouder van zijn bediende leggende. »Zelfs als je voelt dat je een been afgebeten wordt, mag je nog niet schreeuwen, of..."
»Of," voegde Fry er bij, »wij zullen hem met een messteek door zijn pak naar beneden sturen, waar hij op zijn gemak kan schreeuwen!"
Men ziet dat de arme Soun nog niet aan het eind van zijne jammeren was gekomen. Hij was angstig, maar mocht toch geen geluid geven. Hij had nog wel geen spijt de jonk, de zeeziekte en de passagiers in het ruim verlaten te hebben, maar er scheelde toch niet veel aan.
't Was zoo als Kin-Fo had gezegd, de bries stak op, maar het was slechts een van die tochtjes die gewoonlijk het opgaan van de zon voorafgaan. Toch moest men er gebruik van maken, om zich zoover mogelijk van de _Sam-Yep_ te verwijderen. Als de mannen van Lao-Shen Kin-Fo niet vonden, zouden zij hem zekerlijk achtervolgen en als zij in het gezicht waren, dan zouden zij spoedig met de sloep bereikt zijn. Men moest dus zorgen om bij het aanbreken van den dag zoover mogelijk uit 't gezicht te zijn.
De bries woei uit het oosten. Welke ook de streken waren waarheen de orkaan de jonk gevoerd had, in de golf van Léao-Tong, of die van Pé-Tché-Dé, of zelfs in de Gele zee, men moest westwaarts sturen om den vasten wal te bereiken. Daar had men kans eenige handelsjonken te ontmoeten, die naar de monding van de Peï-ho voeren. Daar waren nacht en dag visschersvaartuigen bij de kust. De kansen om opgenomen te worden waren groot. Als de wind daarentegen uit het westen had geblazen en de _Sam-Yep_ verder naar het zuiden was gevoerd dan de kust van Korea, dan was er weinig kans op behoud. Voor hen lag, wijd uitgestrekt, de zee, en als zij al de kusten van Japan bereikten, dan zou het zeker niet anders zijn dan als lijk, drijvende in hun ondoordringbaar kleed van caoutchouc.
Maar, zooals reeds gezegd is, de bries zou waarschijnlijk gaan liggen bij het opgaan der zon en men deed zeer verstandig zich zoover mogelijk uit de voeten te maken.
Het was ongeveer 10 uur in den avond. De maan moest even voor middernacht opkomen. Men had dus geen minuut te verliezen.
»Maak zeilklaar!" riepen Fry-Craig.
Dit was zeer eenvoudig. Iedere voetzool van den rechtervoet van het pak had een bus, waarin de stok, die als mast dienst moest doen, kon worden bevestigd.
Kin-Fo, Soun en de beide agenten strekten zich op den rug uit; vervolgens trokken zij het been op, bogen de knie en plaatsten den stok in de bus, na aan het uiteinde het hijschtouw van het zeil bevestigd te hebben. Zoodra zij de horizontale houding hadden hernomen maakte de stok een rechten hoek met hun lichaam en stond flink naar boven.
»Hijsch het zeil!" riepen Fry-Craig.
En ieder trok met de rechterhand aan het touw en bracht zoodoende een klein driekant zeil naar boven.
Het touw werd in den stalen gordel bevestigd, men hield den schoot in de hand en de bries in de vier fokzeilen blazende, dreef de kleine vloot van scaphanders vooruit.
Verdienden die »schip-mannen" den naam van scaphanders niet meer nog dan de onderzeesche werklieden aan wie men dien gewoonlijk geeft?
Tien minuten later manoeuvreerde ieder met de meeste veiligheid en gemakkelijkheid.
Zij stuurden in gezelschap zonder elkander uit het oog te verliezen. Men zou ze hebben kunnen aanzien voor een troepje groote zeemeeuwen, die met uitgestrekte vleugels langs de wateren scheerden.
De toestand, waarin de zee verkeerde, begunstigde de beweging zeer. Geen enkele golfslag verstoorde de lange en kalme golving harer oppervlakte.
Slechts een paar maal vergat Soun de voorschriften van Fry-Craig en kreeg hij, bij het omwenden van het hoofd, eenige monden vol zout water in. Maar dat raakte hij spoedig kwijt. Hij gaf daar trouwens niet veel om, maar was nog altijd gepijnigd door den angst dat hij een collectie haaien zou tegenkomen! Men bracht hem echter aan het verstand dat hij minder gevaar liep als hij dreef dan in verticale houding. De muil toch van den haai is zoo ingericht dat hij zich om moet wentelen om zijn prooi te bemachtigen en die beweging maakt het hem niet gemakkelijk om een voorwerp dat aan de oppervlakte drijft, te grijpen. Daarenboven heeft men opgemerkt dat deze dieren eenigszins huiverig schijnen te zijn om voorwerpen, die zich bewegen, te grijpen. Als Soun dus onophoudelijk in beweging bleef, liep hij het minste gevaar; men kan dus begrijpen dat hij heel wat beweging maakte.
De scaphanders zetten hun tocht op deze wijze ongeveer een uur voort, juist lang genoeg voor Kin-Fo en zijne gezellen. Zij waren nu op vrij voldoenden afstand van de jonk, maar een langer voortgaan zou hen te veel vermoeid hebben, zoowel door de spanning van het zeil als door de vrij krachtige kabbeling der golven.
Craig-Fry gaven het bevel om te stoppen. De schoten werden gevierd en de kleine vloot hield stil.
»Vijf minuten rust, als 't belieft, mijnheer?" zei Craig, zich tot Kin-Fo wendende.
»Gaarne."
Daarop hernamen allen, met uitzondering van Soun, die uit voorzorg horizontaal wilde blijven, hunne verticale houding.
»Nog een glaasje brandewijn?" vroeg Fry.
»Met genoegen," antwoordde Kin-Fo.
Voor het oogenblik hadden zij niets anders noodig dan eenige droppels van deze opwekkende likeur. De honger kwelde hen nog niet. Zij hadden een uur vóór zij de jonk verlieten, gegeten en konden dus tot den volgenden morgen wachten. Zij gevoelden ook geen koude. De luchtlaag die zich tusschen hun lichaam en het water bevond, behoedde hen voor afkoeling. De normale temperatuur van hun lichaam was ongetwijfeld sedert hun vertrek nog geen graad gedaald.
Was de _Sam-Yep_ nog altijd in het gezicht?
Craig en Fry keerden zich om. Fry nam een nachtkijker uit zijn zak en bespiedde zorgvuldig den oostelijken gezichteinder.
Er was niets te zien. Ook niet de schaduw, nauwelijks zichtbaar, die de vaartuigen tegen den donkeren achtergrond van het luchtruim afteekenen. Overigens was de nacht donker; het mistte een weinig en er waren bijna geen sterren. De planeten waren slechts flauw aan den hemel te zien. Maar waarschijnlijk zou de maan, die spoedig haar halven cirkel moest vertoonen, de lichte nevels optrekken en een vrijer uitzicht openen.
»De jonk is op verren afstand!" zei Fry.
»De schurken slapen nog," antwoordde Craig en zullen niets van de bries bespeurd hebben."
»Willen wij weder voortgaan?" sprak Kin-Fo, terwijl hij zijn schoot aanhaalde en op nieuw den wind in het zeil liet spelen.
Zijne reisgenooten volgden zijn voorbeeld; allen hernamen de vorige houding en dreven--de bries was iets verminderd--in dezelfde richting weder vooruit.