Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty'

Part 11

Chapter 113,758 wordsPublic domain

Op het oogenblik dat de schoone Lé-ou aan de hand van Kin-Fo, haren toekomstigen gemaal, den drempel van zijne woning zou overschrijden, werd er een signaal gegeven. Groote verlichte vliegers verhieven zich in de lucht en men zag hoe veelkleurige draken, feniksen en andere zinnebeelden van het huwelijk op den adem van den wind het jonge paar omzweefden. Kunstduiven, aan den staart van æolische snaren voorzien, stegen omhoog en deden harmonische tonen in de lucht weergalmen. Vuurpijlen stegen op en van om hoog daalden de gekleurde ballen na eenigen tijd als een vurigen regen weder naar de aarde.

Plotseling, te midden van deze feestelijke welkomst vernam men een verwijderd gerucht op den boulevard van Tiène-Man. Men hoorde kreten waaraan zich de schelle toonen van een trompet paarden. Dan trad er een oogenblik van stilte in en daarna herhaalde zich het eerste gerucht.

Het kwam nader en weldra bereikte het de straat waar de bruiloftsstoet stilgehouden had.

Kin-Fo luisterde. Zijne vrienden stonden besluiteloos te wachten totdat de jonge vrouw het huis binnentrad.

Maar op datzelfde oogenblik schetterden de trompetten met verdubbeld geweld en eene vreemde ontroering maakte zich van iedereen meester.

»Wat is er toch?" vroeg Kin-Fo.

De trekken van Lé-ou namen eene zonderlinge uitdrukking aan, terwijl een vreemd voorgevoel haar hevige hartkloppingen veroorzaakte.

Daar bereikte de oploop onze vrienden. Het volk verdrong zich om een heraut, die de keizerlijke kleuren droeg en die door verscheiden tipaos vergezeld was.

En te midden van een plotseling ingetreden stilte verkondigde hij deze woorden:

»Dood van de Keizerin-weduwe!

»Groote rouw voor allen!"

Kin-Fo begreep het. Het was een slag die hem in de eerste plaats trof. Hij kon eene beweging van ongeduld niet weerhouden.

De keizerlijke rouw werd afgekondigd voor de weduwe van den laatsten keizer. Gedurende een termijn, die nader zou opgegeven worden, mocht niemand zich het hoofd scheren, mochten er geen openbare vermakelijkheden of tooneelvoorstellingen gegeven worden, hielden de rechtbanken geen zitting, was ten slotte het sluiten van alle huwelijken verboden!

Lé-ou was wanhopig, doch hield zich goed; zij begreep dat zij de teleurstelling van haren echtgenoot niet mocht vergrooten. Zij nam Kin-Fo's hand en sprak met een stem, die slechts met moeite haar eigen ontroering verborg:

»Welnu, wij kunnen immers wachten!"

En de palankijn vertrok weder met de bruid naar hare woning in de avenue van Cha-Coua; het feest werd geschorst, de tafel afgenomen, het orkest naar huis gezonden en de vrienden van Kin-Fo gingen heen na hem eerst hunne hartelijke deelneming in deze teleurstelling betuigd te hebben.

Het was dan ook geen zaak om het algemeen verbod te overtreden en het huwelijk toch te doen doorgaan.

Het liep Kin-Fo niet mede; de eene ramp volgde op de andere en hij had wel gelegenheid om de lessen van zijnen ouden leermeester, den philosoof Wang, in praktijk te brengen. Hij bleef alleen met Craig en Fry in het hotel van het »Hemelsch Geluk", welke naam hem nu bijkans als een bespotting in de ooren klonk. De rouwtijd kon bij keizerlijk besluit zoo lang verlengd worden als de Zoon des Hemels slechts verkoos en Kin-Fo had reeds den volgenden dag naar Shang-Haï willen terugkeeren om zijne jonge vrouw in zijn prachtige yamen te installeeren en daar met haar een nieuw leven te beginnen!....

Een uur later trad een dienstbode zijne kamer binnen om hem een brief ter hand te stellen, die zooeven aan zijn adres bezorgd was.

Zoodra Kin-Fo het adres zag, kon hij een kreet van verrassing niet bedwingen.

De brief was van Wang en luidde aldus:

»Vriend, ik ben niet dood; als ge evenwel deze letteren ontvangt, heb ik opgehouden te leven.

»Ik sterf omdat ik den moed niet heb mijne belofte te houden maar wees gerust, ik heb alles goed geregeld.

»Lao-Shen, een opperhoofd der Taï-pings, mijn oude vriend, heeft uw brief! Hij zal een vaster hand en een moediger hart hebben dan ik om de vreeselijke taak te volbrengen die ge mij opgelegd hebt. Hij zal dan ook van het kapitaal profiteeren dat ge mij hadt toebedacht; aan hem komt dus het geld toe, op uw hoofd verzekerd en hij zal het gaan opeischen, als gij opgehouden hebt te leven.

»Vaarwel! Ik ga u voor in den dood! Tot straks mijn vriend, tot straks!

Wang."

XVI.

Waarin Kin-Fo, nog altijd ongehuwd, op nieuw de wereld ingaat.

De toestand was nu voor Kin-Fo duizendmaal ernstiger dan hij nog geweest was.

't Was dus waar dat Wang, niettegenstaande zijn gegeven woord, zijne hand had voelen verlammen toen het er op aankwam zijn ouden leerling te treffen! Ook scheen Wang niets van de verandering te weten die in den toestand van Kin-Fo was gekomen, want zijn brief zweeg er van! Ook had Wang dus aan een ander opgedragen zijne belofte te houden, en aan wien! Aan een Taï-ping, den meest gevreesde van allen, die natuurlijk geen de minste zwarigheid zou maken om iemand te dooden, voor wiens dood men hem niet eens aansprakelijk kon stellen! Het bewuste stuk van Kin-Fo waarborgde hem straffeloosheid en de aanwijzing van Wang zou hem bovendien een kapitaal van vijftigduizend dollars verschaffen!

»Ik heb er nu meer dan genoeg van!" riep Kin-Fo uit in zijne eerste opwelling van toorn.

Craig en Fry hadden kennis genomen van het schrijven van Wang.

»Draagt het door u aan Wang verstrekte stuk niet als uitersten termijn den datum van 25 Juni?"

»Wel neen," antwoordde Kin-Fo: »Wang moest en kon het stuk niet anders teekenen dan op den datum, waarop ik sterven zou! Nu kan die Lao-Shen handelen naar eigen goedvinden, zonder in een enkel opzicht door den tijd gebonden te zijn!"

»Ja, maar," zeide Fry-Craig, »hij heeft er belang bij de zaak spoedig tot een eind te brengen."

»Waarom?...."

»Wel, omdat de politie op het kapitaal, dat op uw hoofd is verzekerd, beslag kan leggen en het hem op deze wijze zou ontgaan!"

Daar was niets tegen in te brengen.

»'t Zij zoo," antwoordde Kin-Fo. »In ieder geval moet ik geen uur verloren laten gaan om te trachten mijn schrijven terug te krijgen, al moest ik het ook met de vijftig duizend dollars betalen, die aan dien Lao-Shen zijn beloofd!"

»Dat is juist," sprak Fry.

»Zeer waar!" voegde Craig er bij.

»Ik vertrek dus! Ik moet dien chef der Taï-pings opsporen! Hij zal, hoop ik, gemakkelijker te vinden zijn dan Wang!"

Kin-Fo liep, deze woorden sprekende, voortdurend heen en weder. Hij kon niet blijven zitten. Deze reeks van knodsslagen, die op hem neerdaalden, brachten hem in een staat van zeldzame opgewondenheid.

»Ik vertrek!" zeide hij. »Ik ga dien Lao-Shen opzoeken! Wat u betreft, mijne heeren, u moet weten wat u past."

»Mijnheer," antwoordden Fry-Craig, »de belangen van de _Eeuw_ zijn meer dan ooit bedreigd. Als wij u thans verlieten, zouden wij aan onzen plicht tekort komen. Wij zullen u niet verlaten!"

Men wilde geen uur verloren laten gaan. Maar vóór alles diende men nauwkeurig te weten wat die Lao-Shen was, en waar hij zijn verblijf hield. Zijne bekendheid was gelukkig van dien aard dat dit minder moeielijkheid opleverde.

Deze oude makker van Wang, in den opstand der Mang-Tchao, had zich in noordelijk China teruggetrokken aan gene zijde van den Grooten muur, naar het gedeelte grenzende aan de golf van Pé-Tché-Li. Het Keizerlijke bewind had niet met hem onderhandeld gelijk het met het meerendeel der andere hoofden van den opstand had gedaan die het niet had kunnen onderwerpen; men liet hem met rust, en hij oefende nu op de grenzen van het rijk het meer bescheiden beroep van straatroover uit. Wang had een goede keus gedaan! Zulk een man zou minder bezwaren maken en een dolksteek meer of minder zou zijn geweten niet verontrusten!

Kin-Fo en de beide zaakgelastigden verkregen de meest nauwkeurige inlichtingen omtrent den Taï-ping en vernamen dat hij het laatst gezien was in de omstreken van Fou-Ning, een kleine haven aan de golf van Léao-Ting. Zij besloten zich zonder verwijl daarheen te begeven.

Aan Lé-ou werd dadelijk meegedeeld wat er gebeurd was. Haar angst verdubbelde! Tranen ontsprongen aan hare schoone oogen. Zij wilde Kin-Fo overhalen om niet te vertrekken. Begaf hij zich niet vrijwillig in een onvermijdelijk gevaar? Zou het niet beter zijn te wachten, zich uit de voeten te maken, het Hemelsche Rijk desnoods te verlaten en zich te verschuilen in een ander werelddeel, waar de woeste Lao-Shen hem niet kon bereiken?

Maar Kin-Fo bracht de jonge vrouw aan het verstand, dat het hem onmogelijk zou zijn te leven onder deze voortdurende bedreiging, en als het ware, door de genade van zulk een schurk, die door den moord een aardig fortuintje zou verwerven. Neen! Er moest en er zou een einde aan komen. Kin-Fo en zijne beide satellieten zouden dien dag op reis gaan, zij zouden tot den Taï-ping doordringen, den ongelukkigen brief voor handen vol goud koopen, en zij zouden te Peking terug zijn, nog voordat de termijn van openbaren rouw voor de keizerin-weduwe verstreken was.

»Liefste zuster", zeide Kin-Fo, »ik betreur het nu minder dat ons huwelijk eenige dagen is uitgesteld. Ware het voltrokken, hoe droef zou dan uw toestand geweest zijn!"

»Als het voltrokken ware geweest", antwoordde Lé-ou, »zou ik het recht gehad hebben, en het zou mijn plicht geweest zijn, u te volgen; en ik zou met u medegegaan zijn!"

»Neen!" sprak Kin-Fo, »ik zou liever duizend dooden gestorven zijn dan dat ik u slechts een oogenblik aan gevaar blootstelde!.... Vaarwel, Lé-ou, vaarwel!...."

En Kin-Fo onttrok zich, met tranen in de oogen, aan de armen van de jonge vrouw, die hem wilde weerhouden.

Op dienzelfden dag verlieten Kin-Fo, Craig en Fry, gevolgd door Soun, wien ook geen oogenblik rust te beurt mocht vallen, Peking en begaven zich naar Tong-Tchéou. Zij waren er in een uur.

Men had het volgende plan gemaakt:

De reis te land, door eene niet veilige provincie, leverde ernstige bezwaren op.

Als het niets anders geweest was dan om den Grooten Muur te bereiken, ten noorden van de hoofdstad, zou men, wat gevaren ook verbonden waren aan het afleggen van honderd zestig lis [11], den tocht hebben ondernomen. Maar de haven van Fou-Ning bevond zich niet in het noorden maar in het oosten. Door over zee te gaan zou men tijd winnen en veiliger zijn. Kin-Fo en zijne metgezellen zouden er binnen vier of vijf dagen komen; en men besloot daarom dien weg te volgen.

Maar zou er een vaartuig te vinden zijn, dat naar Fou-Ning vertrekken moest? Zij besloten zich daarvan voor alles te overtuigen bij de scheepsagenten te Tong-Tchéou.

Het toeval, dat Kin-Fo anders alles behalve gunstig was, diende hem thans. Aan den mond van de Peï-ho lag een schip in lading voor Fou-Ning.

Men had niets anders te doen dan onmiddellijk op een der snelvarende stoombooten, die den stroom tot zijne monding afzakken, plaats te nemen, en dan met het bewuste vaartuig naar de plaats der bestemming te gaan.

Craig en Fry zouden in een uur gereed zijn. Dat uur besteedden zij om zich alle bekende reddingstoestellen aan te schaffen, van den primitieven kurkengordel af tot de voor water ondoordringbare kleeding van kapitein Boyten toe. Kin-Fo was nog altijd tweehonderdduizend dollars waard. Hij kon over zee reizen zonder verhoogde premie, omdat hij voor alle kansen betaalde. Er kon een ongeluk gebeuren. Men moest op alles bedacht zijn, en men was het ook.

Den 26n Juni des middags te 12 uur stapten Kin-Fo, Craig-Fry en Soun aan boord van de _Peï-tang_ en daalden de Peï-ho af. De bochten van deze rivier zijn zoo talrijk dat men juist tweemaal zooveel afstand doorloopt dan men zou doen als men de rechte lijn kon volgen; maar de stroom is gekanaliseerd en bij gevolg bevaarbaar gemaakt voor schepen van vrij groote tonnenmaat. Ook is er een drukke scheepvaart, vrij wat drukker dan de beweging op den weg, die langs den stroom loopt.

De _Peï-tang_ stoomde snel tusschen de boorden van het kanaal, beukte met hare raderen de gele wateren van den stroom, en bracht de talrijke bevloeiingskanalen aan de beide oevers door haar kielwater in beweging. De hooge toren van den tempel aan de gindsche zijde van Tong-Tchéou was weldra voorbij gestoomd en uit het gezicht verdwenen bij het omvaren van een vrij scherpen hoek.

De Peï-ho was op deze hoogte nog smal. Zij stroomde, hier tusschen kleine zandheuvels, daar langs kleine gehuchten, welker bewoners zich met den landbouw onledig hielden, te midden van een tamelijk boschrijk landschap, door wijngaarden en groene hagen doorsneden. Verschillende meer belangrijke plaatsen, Mahao, Hé-Si-Vou, Nane-Tsaé, Yang-Tsoune daagden op. Eb en vloed deed zich hier nog niet bespeuren.

Weldra vertoonde zich Tien-Tsin. Daar ging het minder vlug. De voetbrug, die de beide oevers van de rivier verbindt, diende geopend te worden en men moest met de noodige voorzichtigheid den weg zoeken tusschen de honderden vaartuigen die in de haven vertoeven. Dat ging met vrij wat moeite en drukte gepaard en kostte aan menige schuit de touwen, waarmede zij voor meeslepen door den stroom was beveiligd. Als het te veel bezwaar opleverde, sneed men eenvoudig de touwen door, zonder zich in 't minst te bekommeren om de schade, die daardoor aangericht werd. Vandaar een opschudding, een opstopping van drijvende vaartuigen, die vrij wat van het toezicht van de havenmeesters te Tien-Tsin zou geëischt hebben, als te Tien-Tsin havenmeesters waren geweest.

Het is overtollig te zeggen, dat Craig en Fry hun cliënt nauwlettender dan ooit bewaakten.

Het gold nu niet meer den philosoof Wang, met wien men gemakkelijk eene schikking had kunnen treffen, maar wel Lao-Shen den Taï-ping, iemand dien zij niet kenden, 't geen de zaak vrij wat lastiger maakte.

Men kon zichzelf in veiligheid achten te zijn, omdat men naar hem toeging, maar wie kon de verzekering geven dat Lao-Shen niet reeds op weg was gegaan om zijn slachtoffer te ontmoeten! En hoe zou men hem dan ontwijken, hoe hem voorkomen? Craig en Fry zagen in iederen passagier van de _Peï-tang_ een moordenaar. Zij aten niet meer, zij sliepen niet meer, zij leefden niet meer!

Waren Kin-Fo, Craig en Fry ernstig ongerust, Soun was vooral niet minder angstig. De gedachte dat hij op zee moest gaan, bezorgde hem kippenvel. Hoe dichter de _Peï-tang_ de golf van Pé-Tché-Li naderde, des te bleeker werd hij. Zijn neus werd spitser, zijn mond trok zich samen en toch dreef de boot nog kalm op de rustige wateren der rivier.

Hoe zou het dan wel gaan als Soun op den smallen zeeboezem kwam, waar de korte golfslag het schip onophoudelijk en heftig doet stooten!

»Ben je nog nooit op zee geweest?" vroeg hem Craig.

»Nooit!"

»Ben je goed gezond?" vroeg hem Fry.

»Neen!"

»Je moet het hoofd stil houden", voegde Craig er bij.

»Het hoofd?...."

»En je mond dicht...." vervolgde Fry.

»De mond?...."

Soun bracht de beide agenten aan het verstand dat hij niet van praten hield, en zette zich zwijgend omstreeks het midden van de boot neder, niet zonder op den reeds vrij breeden stroom een droefgeestigen blik te hebben geworpen, dien blik, eigen aan personen die voorbeschikt zijn de min of meer belachelijke kwaal der zeeziekte te ondergaan.

Het landschap had zich in de vallei, die de Peï-ho doorstroomt, gewijzigd. De rechteroever vormde door zijn steilte een sterk contrast met de linkerzijde, wier uitgestrekte, zandige oppervlakte met het schuim van de golven was bedekt. Daarachter strekten zich velden van sorgho, maïs, koren en gierst uit. Ook hier gold wat in geheel China--eene huismoeder die zooveel duizenden kinderen te voeden heeft--het geval is: geen enkel plekje, voor cultuur geschikt, was onbebouwd. Overal was door middel van besproeiïngskanalen of bamboezen toestellen, een soort van oorspronkelijke noria's [12], voor voldoenden watertoevoer gezorgd. Hier en daar verhieven zich, naast de dorpen met hunne met gele klei gepleisterde huizen, kleine groepen boomen, waaronder enkele appelboomen voorkwamen, die op eene vlakte in Normandië niet misplaatst zouden geweest zijn. Op de oevers liepen talrijke visschers heen en weder, wien zeeraven voor jachthonden of juister gezegd voor waterhonden dienden. Deze vogels dompelden zich op een wenk van hun meester in het water en brachten de visschen boven, die zij, dank zij een ring welke hen den strot half dichtkneep, niet konden verslinden. Voorts vlogen voortdurend uit het hooge riet aan den oever, eenden, kraaien, raven, eksters, sperwers en ander gevogelte op, die door het geraas van de stoomboot in hun rust werden gestoord.

De groote weg langs de rivier was daar geheel verlaten, maar de beweging op de Peï-ho nam steeds toe. Welk een aantal vaartuigen van alle soort voeren den stroom af en op! Oorlogsjonken met hare opene batterijen, waarvan het dek eene sterke holronde kromming vertoonde van voren naar achter, en die door eene dubbele verdieping riemen of door een rad, 't welk door menschenhanden in beweging werd gebracht, vooruit gedreven werden; jonken van het personeel der douane, met twee masten en sloepzeilen, die bevestigd waren aan dwars uitstekende uithouders, terwijl de voor- en achtersteven met grillige beelden waren voorzien; handelsjonken, die met de kostbaarste voortbrengselen van het Hemelsche Rijk bevracht, niet vreesden om de geduchte typhons in de naburige zeeën te trotseeren; jonken voor het gewone vervoer van reizigers, die al naar het tij het meebracht òf met riemen werden voortgedreven, òf wel aan de lijn voortgesleept, en die gemaakt schenen voor personen, die te veel tijd hebben; mandarijnen-jonken, kleine pleizierjachten, die hunne bootjes achter zich voortsleepten; alle soorten van platboomde vaartuigen, met rieten matten als zeil, en waarvan de kleinste--door jeugdige vrouwen bestuurd, de roeispaan in de hand en 't kind op den rug--met recht hun naam dragen, die beteekent: drie planken; eindelijk ontzaglijke groote vlotten, een soort van drijvende dorpen met hutten, boomgaarden, groentetuinen enz., waartoe een of ander Mantsjoerijsch bosch het noodige hout had geleverd.

De dorpen werden allengs minder talrijk. Men telt er een twintigtal tusschen Tien-Tsin en Takou, aan de monding van den stroom. Op de oevers zonden eenige steenfabrieken hare groote rookwolken naar omhoog en bezwangerden den dampkring tegelijk met den rook, dien de stoomboot verspreidde. De avond naderde, voorafgegaan door de Juni-schemering die onder dezen breedtegraad langer aanhoudt. Weldra teekende zich eene rij witte heuvels symmetrisch gerangschikt en één van vorm in het halfduister af. Het waren zouthoopen, in de nabijgelegen zoutketen verzameld. Daar begon, tusschen dorre vlakten, de wijde monding der Peï-ho, een somber landschap, waarin men niets bespeurt dan zout, zand en stof.

Den volgenden morgen, 27 Juni, kwam de _Peï-tang_ vóór het opgaan der zon in de haven te Takou, bijna aan den mond der rivier.

Op deze plaats verheffen zich de twee forten, het Noordelijke en het Zuidelijke, thans vernield, die in 1860 door het Anglo-Frankisch leger vermeesterd werden. Dáár had de heldhaftige aanval plaats van generaal Colliman op 24 Augustus van dat jaar, daar hebben de kanonneerbooten den ingang van de rivier geforceerd, daar strekt zich eene smalle, weinig bewoonde streek uit, die den naam draagt van Fransche concessie, dáár bespeurt men nog het grafteeken waaronder de officieren en soldaten rusten in die betreurenswaardige gevechten gevallen.

De _Peï-tang_ kon de bank niet passeeren. Al de passagiers moesten dus te Takou aan wal gaan. Het is eene vrij belangrijke plaats, die zich zeer goed ontwikkelen zal als de mandarijnen toestaan dat er een spoorweg wordt gelegd ter verbinding met Tien-Tsin.

Het vaartuig in lading voor Fou-Ning, moest nog dienzelfden dag vertrekken. Kin-Fo en zijne makkers hadden geen uur te verliezen. Een platboomde schuit bracht hen in een kwartier aan boord van de _Sam-Yep_ over.

XVII.

Waarin de handelswaarde van Kin-Fo nogmaals op het spel staat.

Acht dagen vroeger had een Amerikaansch schip het anker laten vallen in de haven van Takou. Het was bevracht door de zesde Chineesch-Californische maatschappij voor rekening van het agentschap Fouk-Ting-Tong, waarvan de zetel op het Laurel-Hill-kerkhof te San Francisco gevestigd is.

Daar wachten de zonen van het Hemelsche Rijk, die in Amerika sterven, den dag af dat zij naar hun vaderland teruggebracht zullen worden, om, zooals hun godsdienst dat beveelt, in vaderlandsche aarde te rusten.

Het bedoelde schip was naar Canton bestemd en had op schriftelijk bevel van het agentschap een lading van tweehonderd en vijftig doodkisten ingenomen, waarvan er vijf en zeventig te Takou moesten gelost worden, om verder hun weg naar de noordelijke provinciën te vinden.

Dit gedeelte der lading was nu van het Amerikaansche naar het Chineesche schip overgebracht en op den ochtend van dezen dag, 27 Juni, zou het laatstgemelde vaartuig naar de haven van Fou-Ning onder zeil gaan.

Kin-Fo en zijne metgezellen zouden eveneens op dit schip den overtocht doen. Zij hadden ongetwijfeld de voorkeur aan een ander gegeven, maar omdat er geen ander was dat naar de golf van Léao-Tong vertrok, hadden zij geen keus. Het was dan ook slechts om een reis van hoogstens twee of drie dagen te doen, die om dezen tijd van het jaar volstrekt geen bezwaar opleverde.

De _Sam-Yep_ was een zeejonk, metende ongeveer driehonderd last. Men heeft er wel van duizend last en meer, die geen grooter diepgang dan zes voet hebben, waardoor zij gemakkelijk over de ondiepten heenzeilen, die voor den mond van bijna alle Chineesche rivieren gevonden worden. Te breed naargelang harer lengte, zijnde de verhouding als een tot vier, loopen zij slecht, schijnbaar echter niet bij den wind, want zij wenden nagenoeg op de plaats zelve en draaien als een tol, hetgeen hun een groot voordeel op schepen met fijnere lijnen geeft. De klik van het enorme roer is van groote gaten voorzien, een systeem dat in China algemeen in zwang is, doch waarvan het nut nog al te betwisten valt. Hoe dit zij, deze jonken bevaren bij voorkeur de kustzeeën. Er zijn zelfs voorbeelden van dat zij ladingen thee of porcelein naar San-Francisco overbrengen. Zij zijn dus zeer goed bruikbaar, waarbij nog komt dat de Chineesche matrozen door alle deskundigen als uitstekend worden geroemd.

De _Sam-Yep_, van moderne constructie, bijna recht van voren naar achteren, deed door haren vorm aan de Europeesche rompen denken. Daar de huid noch van spijkers, noch van bouten voorzien was, doch gemaakt van gevlochten bamboes, dat goed geharpuist en gekalefaat was, zoo was zij zoo waterdicht, dat de jonk niet eens een lenspomp bezat. Het schip was van dik bamboes vervaardigd en dreef op het water als een stuk zwam. Een anker van zeer hard hout vervaardigd, tuig uit palmvezels gedraaid, even sterk als lenig; dunne zeilen, die van de brug af als waaiers open en dicht gemaakt konden worden; twee masten die geplaatst waren als de groote mast en de bezaansmast van een logger; geen windprop, geen fokzeilen; ziedaar de jonk die in alle opzichten uitstekend voor de kustvaart voldeed.

Van buiten zou zeker niemand aan de _Sam-Yep_ gezegd hebben dat hare reeders er ditmaal een enormen lijkwagen van gemaakt hadden.