Wonderlijke Avonturen Van Een Chinees Gevolgd Door Muiterij Aan

Chapter 9

Chapter 93,791 wordsPublic domain

»Mijnheeren", viel Kin-Fo hen in de rede, »ik zal doen wat ik goed vind. Al stierf ik vóór 25 dezer, wat beteekent dan nog het verlies voor uw maatschappij?"

»Tweemaal honderdduizend dollars", antwoordden Craig-Fry.

»En ik verlies mijn geheele vermogen, om van mijn leven niet eens te spreken. U ziet dus dat ik veel meer bij de zaak betrokken ben dan u!"

»Dat is zoo!"

»Gaat u dus voort met voor uw belangen te waken, dat moogt u; maar ik ga mijn eigen weg."

Er was niets tegen in te brengen. Craig en Fry moesten dus hunne waakzaamheid verdubbelen, want zij gevoelden dat de zaak elken dag ernstiger werd.

Tong-Tchéou is een der oudste steden van het Hemelsche Rijk. Zij is gelegen aan een gekanaliseerden arm van den Peiho en aan den mond van een ander kanaal, dat tot verbinding strekt met Peking, waardoor het een middelpunt is geworden van een zeer levendig handelsverkeer. De voorsteden zijn dan ook buitengewoon druk.

Deze levendigheid troffen Kin-Fo en zijne beide reismakkers nog meer, toen zij op de kade waren gekomen en daar de samenstrooming zagen van tal van vaartuigen van allerlei aard.

Craig en Fry waren, alles goed overdenkende, tot de conclusie gekomen, dat zij het veiligste waren in het midden eener drukke bevolking. De dood van hun cliënt zou in elk geval aan een zelfmoord worden toegeschreven. De brief, dien men bij hen moest vinden, zou daaromtrent geen twijfel overlaten. Wang zou dus alleen onder bepaalde omstandigheden tot den doodelijken stopt overgaan en deze boden zich niet zoo gemakkelijk aan op de druk bezochte straten van een stad. Daar behoefde men niet voor een onverwachten slag bevreesd te zijn. Het kwam er voor alles op aan te weten of de Taï-ping er, door eene zeldzame behendigheid, ook in geslaagd was hun spoor te volgen, sinds hun vertrek van Shang-Haï. Zij gaven hunne bogen dan ook weinig rust.

Eensklaps werd een naam uitgesproken, die wel in staat was hun aandacht te trekken.

»Kin-Fo! Kin-Fo!" riepen onderscheidene kleine Chineezen, terwijl zij, midden in al de drukte, springende in de handen klapten.

Was Kin-Fo herkend en had zijn naam de gewone uitwerking?

Onze held stond eensklaps stil.

Craig-Fry plaatsten zich naast hem, om hem, zoo noodig, met hun lichaam tot beschutting te zijn.

Maar die kreten golden Kin-Fo niet. Niemand scheen te vermoeden dat hij daar was. Hij bewoog zich dus niet en wachtte, nieuwsgierig waarom men zijn naam had uitgesproken, den loop der zaken af.

Er had zich een groep mannen, vrouwen en kinderen rondom een reizend zanger geschaard, die zeer in de goede gunsten van het straatpubliek scheen te deelen. Men schreeuwde, klapte in de handen, en juichte hem reeds bij voorbaat toe.

Toen de zanger een voldoend publiek om zich heen geschaard zag, haalde hij uit zijn kleed een groote rol voor den dag, met allerlei afbeeldingen beschilderd, en daarop klonk het op helderen toon:

»_De vijf Nachtwaken van den Honderdjarige!_"

Het was het beruchte treurdicht dat den tocht door China gemaakt had.

Craig-Fry wilden hun cliënt medevoeren; maar Kin-Fo bleef ditmaal halsstarrig op de plaats waar hij stond. Niemand kende hem hier. Hij had nooit het geheele verhaal van zijne jammeren gehoord en maakte er zich een genoegen van dit nu eens te vernemen!

De zanger van »de vijf Waken van den Honderdjarige" begon op deze wijze:

»Bij de eerste wake verlicht de maan het puntige dak van het huis te Shang-Haï. Kin-Fo is nog jong. Hij is twintig jaar oud. Hij gelijkt een wilg, welks eerste bladeren zich ontplooien!"

»Bij de tweede wake verlicht de maan den oostkant van de rijke yamen. Kin-Fo is veertig jaar oud. Zijne tienduizenden zaken slagen naar wensch. Zijne naburen verkondigen zijn lof."

Het gelaat van den zanger verduisterde bij iedere strophe. Hij scheen ouder te worden onder het zingen. Van alle kanten weerklonken toejuichingen.

Hij vervolgde:

»Bij de derde wake verlicht de maan de vlakte. Kin-Fo is zestig jaar oud. Na de groene bladeren van den zomer komen de goudsbloemen van den herfst!"

»Bij de vierde wake is de maan in het westen ondergegaan. Kin-Fo is tachtig jaar oud! Zijn lichaam is saamgekrompen als de kreeft in het kokende water! Hij vermindert, hij daalt met de ster van den nacht!"

»Bij de vijfde wake wordt de naderende morgenstond door hanengekraai begroet. Kin-Fo is honderd jaar. Hij sterft, zijn levendigste wensch is vervuld; maar vorst Ien weigert hem te ontvangen. Vorst Ien is niet gesteld op zulke oude lieden, die zijn hof suf zouden maken! De oude Kin-Fo kan nergens rust vinden en zwerft tot den jongsten dag rond."

De menigte juichte en de zanger verkocht honderden exemplaren van het treurlied tegen drie sapeken het stuk.

Waarom zou Kin-Fo er zelf geen koopen? Hij haalde eenig geld uit den zak en stak zijn hand door den kring heen, die dicht rondom den zanger geschaard stond.

Eensklaps opende zich zijn hand. De geldstukjes vielen op den grond...

Vlak tegenover hem stond een man wiens blikken de zijne kruisten.

»Ah!" riep Kin-Fo; hij kon dezen uitroep, half een vraag, half een kreet van verwondering niet smoren.

Fry-Craig hadden hem omringd, meenende dat hij herkend, bedreigd, gewond, ja gedood was!

»Wang!" riep hij.

»Wang!" herhaalden Craig-Fry.

Het was Wang in eigen persoon! Hij had zijn ouden leerling herkend; maar in plaats van zich op hem te werpen, duwde hij de personen die achter hem stonden weg en vluchtte, zoo snel zijne beenen hem dragen konden.

Kin-Fo aarzelde geen oogenblik. Hij wilde een eind maken aan zijn ondragelijken toestand en vloog Wang achterna, op zijn beurt gevolgd door Fry-Craig, die hem niet vooruit wilden loopen,maar evenmin wilden achterblijven.

Ook zij hadden den spoorloozen philosoof herkend en uit zijne verbazing afgeleid, dat hij evenmin verwachtte daar Kin-Fo te vinden als Kin-Fo dacht hem er te zien.

Waarom nam Wang de vlucht? 't Was onverklaarbaar, maar het was zoo; hij liep alsof geheel de politie van het Hemelsche Rijk hem op de hielen zat.

Het was een dwaze vervolging.

»Ik ben niet geruïneerd! Wang, Wang! Niet geruïneerd!" schreeuwde Kin-Fo.

»Hij is rijk, rijk!" herhaalden Fry-Craig.

Maar Wang was te ver verwijderd om de woorden te verstaan die hem tot staan zouden gebracht hebben. Hij vloog de kade over, het kanaal langs en bereikte de westelijke voorstad.

De drie vervolgers bleven hem nazetten, maar wonnen niet. Integendeel, de afstand tusschen hen en den vluchteling nam voortdurend toe.

Een half dozijn Chineezen hadden zich bij Kin-Fo gevoegd, niet te vergeten een zestal tipaos, die niet anders konden vermoeden of hij, die zich zoo snel uit de voeten maakte, was een misdadiger.

't Was een vreemd schouwspel, die hijgende, schreeuwende, huilende troep, onderweg door talrijke vrijwilligers vergroot! Men had rondom den zanger duidelijk gehoord dat Kin-Fo den naam Wang had uitgesproken. Gelukkig had de philosoof niet geantwoord met dien van zijn leerling want dan zou geheel de stad de schreden van zulk een beroemd man hebben gevolgd. Maar de naam van Wang had voldoende werking uitgeoefend. Wang! dat was de geheimzinnige persoon, op wiens ontdekking zulk eene belangrijke som was gesteld! Men wist het. Zoo gebeurde het dat, terwijl Kin-Fo in den persoon van Wang zijn geheele vermogen van acht honderdduizend dollars naliep en Craig-Fry de twee honderdduizend dollars van de premie nazetten, de overigen al het mogelijke deden om de tien duizend dollars, die als premie was uitgeloofd, te verdienen; men zal toegeven dat hier niet zonder reden geloopen werd.

»Wang! Wang! Ik ben rijker dan ooit!" schreeuwde Kin-Fo, zoo luidkeels als zijn snelle loop het toeliet.

»Niet geruïneerd! niet geruïneerd!" herhaalden Fry-Craig.

»Houdt hem! houdt hem!" gilde het gros der vervolgers, dat als een sneeuwbal voortdurend in omvang toenam.

Wang hoorde niets. Met den elleboog tegen de borst geklemd, wilde hij geen kracht verliezen door te antwoorden, noch snelheid door het hoofd om te wenden.

De voorstad was ten einde geloopen. Wang volgde den weg langs het kanaal. Op dien bijkans geheel verlaten weg had hij een vrij terrein. De snelheid van zijn loop nam nog toe; maar de inspanning van zijne vervolgers verdubbelde natuurlijk eveneens.

Deze dolle wedloop duurde reeds omstreeks twintig minuten. Niemand kon voorspellen hoe hij eindigen zou. Toch scheen het dat de vluchteling een weinig verflauwde. De afstand, dien hij tusschen zich en zijne vervolgers had weten te behouden, verminderde.

Wang gevoelde dat, nam een zijsprong en verdween achter een tempeltje, dat zich rechts van den weg bevond.

»Tienduizend taëls voor wien hem in handen krijgt!" riep Kin-Fo.

»Tienduizend taëls!" herhaalden Craig-Fry.

»_Ya! ya! ya!_" gilden zij die in de voorhoede der vervolgers waren.

Allen hadden zich rechts gewend, evenals de philosoof, en omringden den muur van den tempel.

Wang was verdwenen. Hij volgde een nauw pad, dat dwars langs een bevloeiingskanaal liep en kwam, om zijne vervolgers het spoor nog meer bijster te maken, door een bocht weder op den heerweg terug.

Maar daar bespeurde men hem weder en 't was duidelijk dat hij uitgeput was. Kin-Fo, Craig en Fry waren nog onverzwakt. Zij vlogen, en geen van hen die door de uitgeloofde taëls tot spoed werden aangespoord, kon op hen slechts eenige schreden winnen.

De ontknooping naderde. Het was slechts een quaestie van tijd en van een betrekkelijk korten tijd--hoogstens enkele minuten.

Allen, Wang, Kin-Fo, zijne reismakkers, waren op de plek gekomen, waar de groote weg den stroom doorsnijdt bij de beroemde brug van Palikao.

Achttien jaar vroeger, 21 September 1860, zouden zij zich op dit punt van de provincie Pé-Tché-Li niet zoo vrij bewogen hebben. Toen was de groote weg met duizenden vluchtelingen, van alle soort als bezaaid. Het leger van generaal San-Ko-Li-Tzin, oom van den keizer, was door de Fransche bataljons teruggedreven en had halt gehouden op de brug van Palikao, dat prachtige bouwwerk met marmeren leuningen en aan beide zijden omgeven door een dubbele rij reusachtige leeuwen. Daar was het dat de Mantsjoerijsche Tartaren, zoo onvergelijkelijk dapper door hun fatalisme, door de Europeesche kanonnen werden weggemaaid.

Maar nu was de brug, die nog de sporen van het gevecht toonde door de beschadigde standbeelden, toegankelijk.

Wang betrad de brug, maar Kin-Fo slaagde er in, door de heftigste pogingen, hem nog meer te naderen. Slechts twintig stappen, vervolgens vijftien, eindelijk tien scheidden hen.

Het was onnoodig meer woorden te verspillen om Wang tot staan te brengen. Hij hoorde ze niet of wilde ze niet hooren. Men moest hem grijpen, zoo noodig binden.... Daarna zou men tot verklaringen kunnen overgaan.

Wang begreep dat men hem genaderd was; hij scheen met onverklaarbare halsstarrigheid liever zijn leven te willen wagen, dan van aangezicht tot aangezicht tegenover zijn leerling te staan. Met één sprong vloog hij over de leuning van de brug en stortte zich in den Peï-ho.

Kin-Fo had een oogenblik halt gehouden en riep:

»Wang! Wang!"

Daarop nam hij op zijn beurt een sprong en:

»Ik zal hem levend hebben!" klonk het, en hij wierp zich in den stroom.

»Craig?" riep Fry.

»Fry", zei Craig.

»Tweehonderdduizend dollars in het water!"

En beiden klommen over de leuning en sprongen in den vloed, om den ongelukkigen cliënt van de _Eeuw_ te helpen.

Eenige van de vrijwilligers volgden hun voorbeeld. Het had veel van een rij clowns bij de oefening op de springplank.

Maar zooveel ijver moest vruchteloos blijven. Kin-Fo, Fry-Craig en de overigen die door de premie waren uitgelokt, doken vruchteloos in den Peï-ho. Wang werd niet gevonden. Ongetwijfeld was de ongelukkige philosoof door den stroom medegevoerd.

Zou Wang, toen hij zich in den stroom stortte, alleen getracht hebben te ontsnappen aan zijne vervolgers, of zou hij om een of andere geheimzinnige reden, een einde aan zijn leven hebben willen maken? Niemand kon het zeggen.

Twee uur later hadden Kin-Fo, Craig en Fry, in verdrietige stemming, maar goed opgedroogd, verfrischt en opgeknapt, Soun wakker gemaakt uit het diepst van zijn slaap, en waren den weg naar Peking ingeslagen.

XIV.

Waarin de lezer op zijn gemak vier steden voor een kan doorwandelen.

Pé-Tché-Li, de noordelijkste van China's achttien provinciën, is in negen departementen verdeeld. Een dezer departementen heeft Chun-Kin-Fo tot hoofdplaats, »de stad van den eersten rang die den hemel gehoorzaamt",--met andere woorden Péking.

Als de lezer zich een Chineesche doos voorstelt, die een oppervlakte heeft van zesduizend hectaren en een omtrek van acht uren gaans, waarvan de onregelmatige brokken te zamen juist een rechthoek vormen, dan heeft men eenig denkbeeld van dat geheimzinnige Kambalu, van de hoofdstad van het Hemelsche Rijk, waarvan Marco Polo tegen het einde van de dertiende eeuw zulk eene vreemdsoortige beschrijving naar Europa overbracht.

Péking bevat inderdaad twee afzonderlijke steden, die van elkander gescheiden zijn door een breeden boulevard en een versterkten muur; de eerste in den vorm van een rechthoekig parallellogram, is de Chineesche, de andere, bijna vierkant, is de Tartaarsche stad; deze bevat twee andere steden, de Gele stad, Hoang Tchin, en de Roode of Verboden stad, Tsen-Kin-Tching.

Voorheen telde alles bij elkander meer dan twee millioen inwoners. Maar landverhuizing op groote schaal, een gevolg van vreeselijke ellende heeft dit cijfer tot hoogstens één millioen teruggebracht. Dit zijn namelijk de Tartaren en de Chineezen; voor de Muzelmannen kan men er nog tienduizend bijvoegen, terwijl er verder nog eene vlottende bevolking is die uit inboorlingen van Mongolië en Thibet bestaat.

Het plan van de beide aan elkander sluitende steden gelijkt wel eenigszins op een reiskoffer, waarvan het eene deel de Chineesche en het andere de Tartaarsche stad kan voorstellen.

Eene versterkte omheining van zes uur gaans in omtrek, veertig à vijftig voet hoog en breed, uitwendig met steenen bekleed, telkens om de tweehonderd meter door uitspringende torens verdedigd, omgeeft de Tartaarsche stad met eene prachtige met steenen bevloerde wandeling, en loopt uit in vier enorme hoekige bolwerken, waarvan het plat met wachten bezet is.

Men ziet dat de Zoon des Hemels, de keizer, wel op zijne veiligheid bedacht is.

In het midden der Tartaarsche stad, in de Gele stad met een oppervlakte van zeshonderd en zestig hectaren, afgesloten door acht poorten, ligt een zwarte berg, driehonderd voet hoog, een punt waarvan men de geheele stad kan overzien; voorts is er een prachtig kanaal, de Middenzee genaamd, waarover een marmeren brug ligt; twee Chineesche kloosters, de »pagode der Examens", de Pei-tha-sse, een klooster op een schiereiland gebouwd dat boven het heldere water van het kanaal schijnt te zweven, de Peh-Tang, een inrichting voor katholieke zendelingen, de keizerlijke pagode met haar prachtig dak van lazuurblauwe pannen, welluidende klokken en de groote tempel aan de voorouders der regeerende dynastie gewijd, de tempel der Geesten, die van den geest der Winden, die van den geest van den Bliksem, de tempel van den uitvinder van het zijdeweven, de tempel van den Heer des Hemels, de vijf Draken-paviljoenen, het klooster der Eeuwige Rust, en zooveel meer.

Welnu, in het midden van dat vierkant ligt de Roode of Verboden stad, met een oppervlakte van tachtig hectaren en omringd door een gracht waarover zeven marmeren bruggen liggen. Het spreekt van zelf dat, daar de regeerende dynastie Mantsjoerijsch is, de eerste dezer drie steden voornamelijk bewoond wordt door eene bevolking van dezelfde afkomst; de tweede stad, die aan de buitenzijde, is meer door Chineezen bewoond.

Men komt in het binnenste der Verboden stad, die omgeven is door een roodsteenen muur, bekroond met gele kapiteelen, door de poort der »Groote Zuiverheid", die alleen voor den Keizer en de Keizerinnen geopend wordt. Daar verheffen zich de tempels van de voorouders der Tartaarsche dynastie, beschermd door een veelkleurig dak; de tempels Che en Tsi, aan de aardsche en hemelsche geesten gewijd; het paleis der »Souvereine Overeenstemming", voor staatsieplechtigheden en officieele feesten bestemd; het paleis der »Gemiddelde Overeenstemming", waar de afbeeldsels hangen van de voorzaten des Keizers; het paleis der »Beschermende Overeenstemming", waarvan de middenzaal den keizerlijken troon bevat, het paviljoen van den Nei-Ko, waar de groote raad van het keizerrijk vergadert, onder voorzitterschap van prins Kong [10], minister van buitenlandsche zaken, oom van den vorigen Keizer; het paviljoen der letterkundige Bloemen, waar de keizer eenmaal 's jaars de heilige boeken komt verklaren; het paviljoen van Tchouane-Sine-Tiène, waar offerhanden aan de nagedachtenis van Confucius gebracht worden; de Keizerlijke bibliotheek; het bureau der Geschiedschrijvers; de Vou-Igne-Tiène, waar de koperen en houten platen bewaard worden die voor de keizerlijke drukkerij dienen; de werkplaatsen waar de hofkleederen worden vervaardigd; het paleis der »Hemelsche Zuiverheid" waar de familiezaken behandeld worden; het paleis van het »Hoogste Aardsche Element", waar de jonge Keizerin gehuldigd werd; het paleis der »Overpeinzing", waarin de souverein zich afzondert als hij ziek is; de drie paleizen waarin de kinderen des Keizers opgevoed worden; de tempel der overleden bloedverwanten; de vier paleizen die tot verblijf strekken aan de weduwen en vrouwen van Hien-Fong, die in 1861 overleed; de Tchou-Siéou-Kong, de woonplaats van 's Keizers echtgenooten; het paleis der »Uitverkoren Goedheid"; de officieele receptie-zaal der hofdames; het paleis der »Algemeene Stilte", een zonderlinge naam voor een school, bestemd voor kinderen van hooggeplaatste officieren; het paleis van »de Zuivering en het Vasten"; het »Gitzuivere Paleis", bewoond door prinsen van den bloede; de tempel van den Stedelijken Beschermgod; het paviljoen van de kroon en de intendance van het Hof, de Lao-Kong-Tchou, de woning der gesnedenen, waarvan er zich niet minder dan vijf duizend in de Roode stad bevinden. Daarenboven nog verschillende andere paleizen, met de genoemden samen acht en veertig in getal, om niet te spreken van het Tzen-Kouang-Ko, het paviljoen van het Purperen Licht, aan den oever van het meer der Gele stad, waar 19 Juni 1873 de gezanten van de Vereenigde Staten, Rusland, Nederland, Engeland en Pruisen bij den Keizer ten gehoore ontvangen werden.

Waar vond men ooit elders zulks een reeks schitterende gebouwen, zoo verschillend van vorm en zoo rijk aan kostbaarheden, bij elkander? Welke andere stad uit de oude of nieuwe wereld kan op zoo iets bogen?

En nog moet men bij het genoemde de Ouane-Chéou-Chane voegen, het zomerpaleis, twee uur buiten Peking. Het werd in 1860 verwoest en ternauwernood vindt men onder de puinhoopen nog de tuinen weder der »Volmaakte klaarheid en der Kalme klaarheid", de heuvel der »Gitbron" en den berg der »Tienduizend Onsterflijkheden!"

Rondom de Gele stad ligt de Tartaarsche stad. Daar vindt men de Fransche, de Engelsche en de Russische legatie; het Engelsche zendingshuis, de katholieke zendingsgestichten van het Oosten en het Noorden, de oude stallen der olifanten, waarin nog slechts een enkel, honderdjarig exemplaar geherbergd wordt. Daar verheft zich de klokkentoren met het roode door groene pannen omlijste dak, de tempel van Confucius, het klooster der Duizend Lamas, de tempel van Fa-qua, het oude observatorium met zijn grooten vierkanten toren, de yamen der Jezuïeten, de yamen der Geletterden, waar de letterkundige examens worden afgenomen. Daar verheffen zich de triomfbogen van het Westen en van het Oosten, daar is het Noorder- en het Rozelaarskanaal met hunne witte en blauwe waterleliën. Daar vindt men ook de paleizen, waar de prinsen van den bloede wonen, en de ministers van financiën, van eeredienst, van oorlog, van openbare werken, buitenlandsche zaken; daar is de Rekenkamer, het Astrologisch tribunaal en de Academie voor de geneeskunde. Alles vindt men daar door elkander, in nauwe straten, die 's zomers zeer stoffig en 's winters zeer nat zijn; in straten aan weerskanten meestal gevormd door tal van lage, onaanzienlijke huizen, slechts nu en dan afgewisseld door een hotel van een of ander hooggeplaatst ambtenaar, door schoone boomen beschaduwd. Voorts worden de drukke straten ingenomen door omzwervende honden, Mongoolsche kameelen met houtskolen beladen, palankijns, die door vier of acht bedienden gedragen worden, naar den rang van den ambtenaar die er in zit, rijtuigen en wagens met paarden of muilezels bespannen en een groot aantal armen, die volgens de beschrijving van Ghoutzé eene onafhankelijke kolonie van zestigduizend schooiers vormen. En in die straten »vol zwart en stinkend vuil,--zegt P. Arène--die hier en daar doorsneden worden door goten, waar men tot de knieën inzakt, is het volstrekt geen zeldzaamheid, dat nu en dan een blinde bedelaar verdrinkt."

De Chineesche stad van Peking, die Vaï-Tcheng heet, gelijkt in zeer veel opzichten op de Tartaarsche, maar in enkele verschilt zij er toch ook weder van.

In het zuidelijk gedeelte vindt men twee beroemde tempels, die des Hemels en die van den Landbouw; voorts die der godin Koanine, van den Geest der aarde, van de Zuivering, van den Zwarten Draak, van de Geesten des hemels, de vijver der Goudvisschen, het klooster van Fayouan-sse, markten, schouwburgen enz.

Het rechthoekig parallellogram wordt van het noorden naar het zuiden doorsneden door eene breede straat, de Groote Avenue, die van de zuidelijke Houng-Ting-poort naar de noordelijke Tien-poort loopt. Dwars loopt een nog langere straat, die de eerstgenoemde rechthoekig snijdt en die van de Cha-Coua-poort ten oosten naar de Couan-Tsu-poort ten westen loopt. Zij heet de Avenue Cha-Coua en op honderd passen van de plaats, waar zij de Groote Avenue snijdt, woonde de toekomstige mevrouw Kin-Fo.

De lezer herinnert zich dat de jonge weduwe, eenige dagen nadat zij den brief ontving die het bericht van Kin-Fo's ondergang bevatte, een anderen kreeg, waarin de ongelukstijding tegengesproken werd en die haar meedeelde, dat de zevende maan haren loop niet zou volbracht hebben of haar »jongste broeder" zou weder bij haar zijn. Dat Lé-ou sedert dien datum van 17 Mei de dagen en de uren telde, zullen wij wel niet behoeven te zeggen. Kin-Fo liet toch niets van zich hooren op die dwaze reis, waarvan hij niemand het plan had medegedeeld. Lé-ou had naar Shang-Haï geschreven, doch hare brieven bleven onbeantwoord. Men begrijpt hoe ongerust zij werd nu er, 19 Juni, nog geen bericht van hem gekomen was.

De jonge vrouw had al die lange dagen haar woning in de avenue Cha-Coua niet verlaten. Zij wachtte, zeer ongerust. De onaangename Nan deed ook niets om haar te vermaken. Deze »oude moeder" was onverdraaglijker dan ooit en verdiende zeker honderd keer per maan de deur uitgejaagd te worden.

Maar wat had Lé-ou nog een aantal lange en angstige uren te doorleven, voordat het oogenblik van Kin-Fo's terugkomst zou aanbreken! Zij telde ze en ze vond dat zij moeite had het getal uit te spreken!

De godsdienst van Lao-Tsé is de oudste van China. De leer van Confucius, door hem omstreeks 500 jaar voor Christus verkondigd, wordt beleden door den Keizer, de geleerden en de hooge mandarijnen, maar het bouddhisme of de godsdienst van Fo telt op deze aarde de meeste aanhangers en wel ten getale van driehonderd millioen. Het bouddhisme heeft twee van elkander onderscheiden sekten; de priesters der eerste, bonzen genaamd, dragen grijze kleederen en roode hoofddeksels; die der andere heeten lamas en zijn geheel in het geel gekleed.

Lé-ou was eene bouddhist van de eerste secte. De bonzen zagen haar dikwijls opgaan naar den tempel van Koan-Ti-Miao, aan den dienst van Koanine gewijd. Daar deed zij geloften voor haren vriend en offerde zij geurige stokjes terwijl zij voorover geknield in den voorhof van den tempel lag.