Wonderlijke Avonturen Van Een Chinees Gevolgd Door Muiterij Aan
Chapter 15
»Dat vereischt geen dank!" antwoordde Craig. »Het zou wat moois geweest zijn als zoo'n dier een brokje van tweemaal honderdduizend dollars had opgeslokt!"
»Dat nooit!" voegde Fry er bij.
En Soun? Waar was Soun? Ditmaal was hij de voorste, en het vaartuig, dat zich op ongeveer drie kabellengten afstands bevond van de plek waar de worsteling plaats had, reeds genaderd. De lafaard was met alle kracht zijner pagaai gevlucht. Bijna had hem dit een ongeluk bezorgd.
De visschers hadden hem inderdaad bespeurd; maar zij konden niet vermoeden dat zich onder dat zeehondenuiterlijk een menschelijk wezen bevond. Zij maakten zich gereed naar hem te visschen, zooals zij naar een dolfijn of een zeekalf zouden hebben gedaan. Zij wierpen dan ook, zoodra hij dicht genoeg genaderd was, een lang touw overboord, voorzien van een sterken haak.
De haak pakte Soun onder den gordel van zijn kleed en scheurde dit van den rug tot den nek open.
Soun, die nu alleen boven water gehouden werd door de lucht die zich in de dubbele voering van zijn pantalon bevond, duikelde om en stond met zijn hoofd onder water en met zijne beenen in de lucht.
Kin-Fo, Craig en Fry, die spoedig naderden, waren zoo voorzichtig om de visschers in goed Chineesch toe te spreken.
De goede lieden verschrikten uitermate! Sprekende zeekalven! Zij grepen naar de zeilen en wilden zich zoo snel mogelijk uit de voeten maken.
Maar Kin-Fo stelde hen gerust en zeide wie hij en zijne makkers waren, namelijk menschen, Chineezen als zijzelf.
Een oogenblik later waren de drie landzoogdieren aan boord.
Alleen Soun bleef nog te water. Men haalde hem met een haak naar zich toe en beurde hem het hoofd boven water. Een der visschers greep hem bij het einde van zijn staart en tilde hem op.
De staart van Soun bleef in de hand van den redder achter en de arme duivel ging weder kopje onder.
De visschers sloegen hem daarop een touw om het lijf en heschen hem zonder moeite in de schuit.
Nauwelijks op het dek gekomen en nadat hij het zeewater, dat hij ingezwolgen had, weder was kwijtgeraakt, naderde hem Kin-Fo en sprak op strengen toon:
»Hij was dus valsch?"
»Zou ik, antwoordde Soun, »die uw gewoonten kende ooit bij u in dienst gekomen zijn als dat het geval niet was geweest!"
Hij zei dat op zoo koddigen toon, dat allen in lachen uitbarstten.
De visschers waren lieden van Fou-Ning. Op nog geen twee mijl afstands bevond zich de haven die Kin-Fo wilde bereiken.
Nog dienzelfden avond te acht uur, stapte hij met zijne kameraden aan wal en zich ontdoende van de toestellen van kapitein Boyton, hernamen zij hunne menschelijke gedaante.
XXI.
Waarin Craig en Fry met bijzondere voldoening de maan zien opgaan.
»Nu naar den Taï-ping!"
Dat waren de eerste woorden die Kin-Fo den volgenden morgen, 30 Juni, uitsprak, na door een goede nachtrust, die den held dezer zonderlinge avonturen wel toekwam, verkwikt te zijn.
Zij waren eindelijk op het tooneel van de heldendaden van Lao-Shen gekomen. De beslissende worsteling was genaderd.
Zou Kin-Fo overwinnaar zijn? Ja, zonder twijfel, als hij den Taï-ping kon verrassen; want hij zou den brief koopen voor den prijs dien Lao-Shen daarvoor beliefde te stellen. Neen, zekerlijk, als hij zich liet verrassen, als hem een dolksteek in de volle borst werd toegebracht voor hij met den woesten zaakwaarnemer van Wang in onderhandeling trad.
»Naar den Taï-ping!" hadden Fry-Craig geantwoord, na elkander met een blik geraadpleegd te hebben.
De aankomst van Kin-Fo, Fry-Craig en Soun, in hun zonderlingen dos, gekleed zooals zij waren toen de visschers hen uit het water haalden, had eene zekere opschudding in het kleine havenstadje Fou-Ning teweeggebracht. Het was onmogelijk aan de openbare nieuwsgierigheid te ontsnappen. Zij waren den vorigen dag door eene talrijke volksmenigte begeleid naar de herberg, waar zij zich, dank zij het geld, in den gordel van Kin-Fo en den zak van Fry-Craig aanwezig, van meer passende kleeding hadden voorzien. Als Kin-Fo en zijne metgezellen minder dicht omringd waren geweest, zou hunne aandacht getrokken zijn door een zekeren zoon van het Hemelsche rijk, die hen geen oogenblik uit het oog verloor. Hunne verwondering zou ongetwijfeld nog zijn toegenomen, als zij bespeurd hadden dat hij den geheelen nacht de herberg bewaakte. Hun wantrouwen zou ongetwijfeld opgewekt zijn als zij hem den volgenden morgen weder op dezelfde plek hadden aangetroffen.
Maar zij zagen niets; zij hadden geen argwaan, zij hadden zelfs geen reden om verbaasd te zijn toen deze verdachte persoon hun bij het verlaten van de herberg zijn dienst kwam aanbieden als gids.
Het was een man van dertig jaar en hij zag er zeer fatsoenlijk uit.
Toch koesterden Craig-Fry eenige achterdocht en zij ondervroegen den man.
»Waarom", luidde hunne vraag, »biedt gij aan ons te geleiden en waarheen wilt gij ons brengen?"
Niets natuurlijker dan deze dubbele vraag, maar ook niets natuurlijker dan het antwoord dat er op gegeven werd.
»Ik onderstel," sprak de gids, »dat gij voornemens zijt een bezoek te brengen aan den Grooten Muur, evenals alle reizigers doen die Fou-Ning komen bezoeken. Ik ken het land en bied mij aan u tot gids te strekken."
»Vriendlief," zei Kin-Fo, zich in het gesprek mengende, »voor ik een besluit neem, wensch ik te weten of de provincie veilig is."
»Zeer veilig," antwoordde de gids.
»Spreekt men in deze streek niet van een zekeren Lao-Shen?" vroeg Kin-Fo verder.
»Lao-Shen, den Taï-ping?"
»Ja."
»Zeker," antwoordde de gids, »maar gij hebt niets van hem te vreezen aan deze zijde van den Grooten Muur. Hij durft zich niet op Keizerlijk grondgebied te wagen. Aan gindsche zijde zwerft zijn bende de Mongoolsche provinciën rond."
»Weet men waar hij op dit oogenblik is?" vroeg Kin-Fo.
»Hij moet op het oogenblik in de omstreken van de Tschin-Tang-Ra zijn, op eenigen _lis_ afstand van den Grooten Muur."
»En hoe ver is het van Fou-Ning naar de Tsching-Tang-Ro?"
»Ongeveer vijftig lis." [16]
»Welnu, ik neem uw diensten aan."
»Om u te geleiden tot den Grooten Muur!..."
»Om mij te geleiden naar het kamp van Lao-Shen!"
De gids kon eene beweging van verrassing niet weerhouden.
»Ik zal je goed betalen," voegde Kin-Fo er bij.
De gids schudde het hoofd als iemand die niet voornemens was de grens te passeeren. Vervolgens sprak hij:
»Tot den Grooten Muur, goed! verder neen! Ik wil mijn leven niet wagen."
»Bepaal den prijs er van! ik zal u betalen."
»Zoo zij het!" antwoordde de gids.
Zich daarop tot de beide agenten wendende, voegde Kin-Fo er bij:
»Gij zijt vrij mijne heeren, om mij al of niet te vergezellen!"
»Waar gij gaat...." zei Craig.
»Gaan wij ook", zei Fry.
De cliënt van _de Eeuw_ vertegenwoordigde nog altijd voor hen een waarde van tweemaal honderdduizend dollars!
Het scheen dat de agenten na het onderhoud geheel gerust gesteld waren omtrent den gids. Maar mocht men hem gelooven dan diende men op ernstige moeielijkheden bedacht te zijn na het overschrijden van de bescherming, die de Chineezen hebben opgericht tegen de invallen der Mongoolsche horden.
De toebereidselen tot de reis waren weldra gemaakt. Men vroeg Soun niet of hij geneigd was de reis mee te maken. Hij diende te volgen.
Vervoermiddelen, als rijtuigen of wagentjes, ontbraken geheel in het kleine plaatsje van Fou-Ning. Paarden en muildieren waren evenmin, te krijgen. Maar er waren een zeker aantal kameelen die in den handel der Mongolen dienst doen. Deze ondernemende kooplieden gaan met karavanen den weg op van Peking naar Kiatcha, hunne groote troepen langstaartige schapen voor zich uit drijvende. Zij onderhouden aldus de gemeenschap tusschen Aziatisch Rusland en het Hemelsche Rijk. Zij wagen zich nooit door de onmetelijke steppen, dan talrijk en goed gewapend. Het zijn woeste, fiere mannen, die de Chineezen diep verachten.
Men kocht vijf kameelen met hun primitief tuig, belaadde ze met voorraad, kocht de noodige wapenen en toog onder leiding van den gids op weg.
Maar deze voorbereidende maatregelen hadden eenigen tijd vereischt en men kon eerst één uur na den middag vertrekken. Desniettemin maakte de gids zich sterk om vóór middernacht den voet van den Grooten Muur te bereiken. Daar zou een kamp worden aangelegd en den volgenden morgen zou Kin-Fo, als hij bij zijn onvoorzichtig besluit volhardde, de grens overschrijden.
Het land was in de omstreken van Fou-Ning heuvelachtig. Wolken van gele stof rolden in dichte kringen over de wegen, die langs de bebouwde landen liepen. Ook daar was de vruchtbare grond van het Hemelsche Rijk niet te miskennen.
De kameelen liepen met afgemeten passen, niet snel maar geregeld. De gids ging Kin-Fo, Soun, Craig en Fry voor, die een plaats hadden gevonden tusschen de twee bulten van het dier. Soun kon zich zeer goed in deze soort van reizen schikken en hij zou desnoods meegegaan zijn tot het einde der wereld.
Maar mocht de weg niet vermoeiend zijn, de hitte was groot. Door de luchtlagen, verhit door de uitstraling van de aarde, werden de zonderlingste luchtspiegelingen voortgebracht. Uitgestrekte watervlakten, groot als een zee, verschenen aan den gezichteinder en verdwenen weder spoedig, tot buitengewone voldoening van Soun, die zich reeds bedreigd achtte door een nieuw zeetochtje.
Maar al was deze provincie aan de uiterste grens van China gelegen, men moet daarom niet denken, dat zij onbewoond was. Het Hemelsche Rijk, hoe uitgestrekt ook, is nog te klein voor de bevolking, die op zijne oppervlakte is saamgeperst. Overal zijn de bewoners talrijk, zelfs op de grenzen van de Aziatische woestijn.
De velden werden door mannen bearbeid. Ook de Tartaarsche vrouwen, kenbaar aan haar rose en blauwe kleeding, waren met veldarbeid bezig. Troepen gele schapen met lange staarten--een staart, dien Soun niet zonder wangunst beschouwde!--graasden hier en daar, beloerd door een zwarten arend.
Ongelukkig de arme verdwaalde die van den troep afraakte! Het zijn geduchte roovers en zij richten eene moorddadige slachting aan onder de schapen, rammen en jeugdige antilopen, en dienen zelfs den Kirgiesen in de steppen van Midden-Azië als jachthonden.
Voorts zag men overal geheele wolken van gevleugeld wild. Een geweer zou hier bezigheid gevonden hebben; maar de ware jager zou niet zonder verontwaardiging de menigte strikken enz. gade geslagen hebben, alleen den strooper waardig, die den grond overal tusschen de koren-, gierst- en maïsvelden bedekten.
Kin-Fo en zijne metgezellen gingen steeds voort te midden van wolken van Mongoolsche stof. Zij hielden stand noch onder de schaduw hier en daar langs den weg, noch op de verspreid liggende boerenplaatsen, noch in de dorpen welker bestaan van tijd tot tijd in de verte bleek uit de graftorens, ter gedachtenis van eenige helden der Bouddhistische legende opgericht. Zij liepen achter elkander en lieten zich geleiden door de kameelen, die altijd zoo loopen en die bij hunne gelijkmatige stappen geaccompagneerd worden door het geluid van een hun om den hals gebonden roode schel.
Onder deze omstandigheden was er aan het voeren van een gesprek niet te denken. De gids, weinig spraakzaam van aard, bleef steeds aan het hoofd van de kleine karavaan en keek scherp voor zich uit, zoover de dikke stofwolken om hen heen slechts toelieten. Hij aarzelde trouwens nooit en wist steeds welken weg hij in moest slaan, ook bij de kruiswegen waar handwijzers ontbraken. Craig en Fry koesterden dan ook te zijnen opzichte geen wantrouwen meer en konden al hun aandacht wijden aan den kostbaren cliënt van _de Eeuw_. Het was niet meer dan natuurlijk dat hun onrust toenam, naarmate zij dichter bij het bereiken van hun doel waren. Ieder oogenblik en zonder dat zij in staat zouden zijn er iets aan te doen, kon er een man langs de zijde van den weg verschijnen, die hun door een wel toegebrachten slag een verlies van tweehonderdduizend dollars kon berokkenen.
Wat Kin-Fo betreft, hij was in die gemoedstemming waarin de herinneringen van het verledene het overwicht hebben op den angst van het oogenblik of van de toekomst. Alles kwam hem weder voor den geest wat er in de laatste twee maanden gebeurd was, en de hardnekkigheid waarmede het ongeluk hem vervolgde, begon hem ernstig ongerust te maken. Van den dag af waarop zijn correspondent te San-Francisco hem het bericht van zijn gewaand verlies had gemeld, was alles hem toch letterlijk tegengeloopen. Zou dit gebeurd zijn om hem te straffen voor de verblindheid waarmede hij de voorrechten van het eerste gedeelte van zijn bestaan had miskend? Zou zijn slecht gesternte ondergaan als het hem slechts gelukte Lao-Shen dien ongeluksbrief afhandig te maken, of zou deze nog vóór dien tijd aan de opdracht van Wang voldoen en hem dooden? Zou het eenmaal de beminnelijke Lé-ou nog gegeven zijn door haar teederheid, haar zorg, haar opgewektheid, de booze geesten te bezweren die tegen hem losgelaten waren? Dit alles kwam hem in de gedachte, hij peinsde er over, en het maakte hem bezorgd en ongerust. En Wang! Zeker, hij kon het hem niet kwalijk nemen dat hij eene belofte had willen houden die hij zoo plechtig had moeten bezweren; maar Wang, de philosoof, die nooit ontbrekende gast van de yamen, hij zou daar niet meer zijn om hem wijsheid te leeren!
....»Pas op, val niet!" riep op dit oogenblik de gids uit, tegen wiens kameel die van Kin-Fo aanviel; hij had in zijne droomerijen niet opgemerkt, dat het dier gevaar liep van te struikelen.
»Zijn wij er?" vroeg hij.
»'t Is acht uur" antwoordde de gids, »en ik stel voor hier halt te houden om eerst te eten."
»En dan?"
»Dan gaan we verder."
»Maar dan is het donker."
O, wees maar niet bang dat wij verdwalen zullen! De Groote Muur is geen twintig _lis_ meer van hier en onze kameelen moeten even uitblazen."
»'t Is best!" antwoordde Kin-Fo.
Aan den kant van den weg stond een vervallen gebouw en een beekje kronkelde zich daarnevens door een ravijn; de beesten konden daar heerlijk drinken.
Voordat de duisternis inviel richtten Kin-Fo en zijn gevolg zich eenigszins huiselijk in het gebouw in en aten daar met den gewonen trek van lieden, die een flinken tocht achter den rug hebben.
Maar met het gesprek wilde het niet vlotten. Een of tweemaal trachtte Kin-Fo het op Lao-Shen te brengen. Hij vroeg den gids, wat deze Taï-ping er voor een was, of hij hem kende. De gids schudde zijn hoofd als iemand die niet alles zeggen wil wat hij weet en vermeed zooveel mogelijk om de tot hem gerichte vragen te beantwoorden.
»Komt hij wel eens in deze provincie?" vroeg Kin-Fo.
»Neen", antwoordde de gids, »maar Taï-pings uit zijn bende zijn dikwijls aan deze zijde van den Grooten Muur geweest en het was beter hen niet te ontmoeten! Bouddha behoede ons voor de Taï-pings!"
Gedurende dit gesprek, dat Kin-Fo meer belang inboezemde dan de gids scheen te kunnen vermoeden, zagen Craig en Fry elkander aan, fronsten hunne wenkbrauwen keken op hun horloge en schudden het hoofd.
»Waarom zouden wij hier niet rustig den dag blijven afwachten?" vroegen zij.
»In dezen bouwval!" riep de gids uit. »Ik overnacht nog liever in het open veld; men loopt dan nog minder gevaar overvallen te worden!"
»De afspraak was, dat we van avond nog bij den Grooten Muur zouden zijn", merkte Kin-Fo op. »Ik wil daar zijn en dat zal geschieden ook."
Dit werd gezegd op een toon die geen tegenspraak duldde. Soun zelf, ofschoon half dood van angst, durfde geen aanmerking maken.
Toen het maal afgeloopen en het inmiddels negen uur geworden was, stond de gids op en maakte men zich gereed den tocht voort te zetten.
Kin-Fo wilde op zijn kameel klimmen, toen Craig en Fry hem aanspraken.
»Blijft mijnheer nog altijd bij zijn plan om Lao-Shen op te zoeken en zich in zijn tegenwoordigheid te wagen?"
»Wel zeer zeker", antwoordde Kin-Fo: »ik wil mijn brief terug hebben, wat het dan ook kosten mag."
»U speelt een gevaarlijk spel!" hernamen de agenten, »door u in het kamp van den Taï-ping, in het hol van den leeuw te wagen!"
»Denk je dat ik de geheele reis gemaakt heb om op het laatste oogenblik terug te deinzen?" antwoordde Kin-Fo. »Jelui bent immers vrij om mij al of niet te volgen!"
De gids had een kleine zaklantaarn aangestoken. De beide agenten kwamen naderbij en keken nogmaals op hun horloge.
»'t Zou zeker voorzichtiger zijn tot morgen te wachten", zoo hielden zij aan.
»Waarom dat?" vroeg Kin-Fo. »Lao-Shen zal zeker morgen of overmorgen even gevaarlijk zijn als heden. Kom aan, op weg!"
»Op weg!" herhaalden nu Craig en Fry.
De gids had dit gedeelte van het gesprek gehoord. Reeds verscheidene keeren, toen de beide agenten moeite gedaan hadden om Kin-Fo van zijn voornemen af te brengen, had zijn gelaat eene verstoorde uitdrukking getoond. Nu hij hoorde dat zij weder op dit onderwerp terugkwamen, kon hij eene beweging van ongeduld niet onderdrukken.
Dit was de aandacht van Kin-Fo niet ontgaan, die overigens vast besloten was om niet te aarzelen en geen stap terug te gaan. Maar groot was zijne verbazing, toen op het oogenblik dat hij zou opstijgen, de gids op hem toetrad en hem in het oor fluisterde:
»Vertrouw die beide menschen niet!"
Kin-Fo opende zijn mond reeds om hiervan nader verklaring te vragen.... De gids gaf hem echter een teeken om te zwijgen, waarschuwde dat het oogenblik van vertrek daar was en de kleine karavaan ging weder op weg.
Was er wantrouwen opgewekt in den geest van Kin-Fo tegen de beide agenten van William J. Bidulph? Konden de geheel onverwachte en onverklaarbare woorden van den gids opwegen tegen de twee maanden van toewijding die de agenten aan zijn dienst hadden gewijd? Stellig niet! En toch vroeg Kin-Fo zichzelf te vergeefs af waarom Craig en Fry hem zoo sterk hadden aangeraden om zijn bezoek bij den Taï-ping tot den volgenden dag uit te stellen of liever er geheel van af te zien. Waren zij dan niet onverwachts uit Peking vertrokken om Lao-Shen te zoeken? Het eigenbelang zelf der beide agenten van de Eeuw eischte immers dat hun cliënt weder in het bezit kwam van dien dwazen en gevaarlijken brief? Er was dus wel iets onverklaarbaars in hun gedrag!
Kin-Fo liet niets van deze overpeinzingen blijken. Hij had zijn plaats in de rij weder ingenomen. Craig, Fry en Soun volgden hem en zoo reden zij ruim twee uur zwijgend achter elkander door, zonder dat hun iets belangrijks overkwam.
Het zal omstreeks middernacht geweest zijn, toen de gids stilhield en hun in het noorden eene lange donkere lijn toonde, die slechts onduidelijk tegen den weinig minder donkeren hemel afstak. Achter deze lijn zag men de toppen van eenige bergen, die reeds door de eerste stralen der maan verlicht werden, ofschoon dit hemellichaam zelf noch achter den gezichteinder verborgen was.
»De Groote Muur!" sprak de gids.
»Kunnen wij van nacht nog verder?" vroeg Kin-Fo.
»Ja wel, als u dat absoluut wilt!" antwoordde de gids.
»Dan gaan wij verder!"
De kameelen waren blijven staan.
»Ik zal den pas gaan verkennen," sprak toen de gids; »wacht hier dan maar op mij."
Daarop verwijderde hij zich.
Op dit oogenblik traden Craig en Fry op Kin-Fo toe.
»Mijnheer?..." sprak Craig.
»Mijnheer?..." sprak Fry.
»Is u tevreden geweest over onze diensten gedurende den tijd dat mijn heer William J. Bidulph ons aan uw persoon verbonden heeft?"
»Zeer tevreden!"
»Zou mijnheer dan zoo goed willen zijn dit stuk even te willen teekenen, waarin verklaard wordt, dat u alle reden hebt om voldaan te zijn over onze houding in de twee laatste maanden?"
»Dit stuk!" hernam Kin-Fo uiterst verbaasd. Craig had inmiddels uit zijn zakboek een keurig net getuigschrift voor den dag gehaald en hield hem dit voor.
»Het zal misschien den heer William J. Bidulph genoegen doen en dan is ons dat zeer aangenaam."
»En bezorgt het ons misschien ook een extra gratificatie," voegde Fry er bij.
»Mijnheer kan mijn rug wel als lessenaar gebruiken," sprak Craig zich omkeerend en bukkend.
»En hier is pen en inkt, waarmede mijnheer gelegenheid heeft om ons dit genoegen te doen," zei Fry.
Kin-Fo lachte en teekende zoo goed als de buitengewone omstandigheden toelieten het hem aangeboden stuk.
»En zeg mij nu eens" sprak Kin-Fo, toen hij aan het verzoek der beide agenten voldaan en het begeerde stuk geteekend had, »wat deze aardigheid hier op deze plaats en op dit uur beteekent!"
»Op deze plaats," antwoordde Fry, »omdat wij niet verder met u mede zullen reizen."
»En op dit uur," voegde Craig er bij, »omdat het over een paar minuten middernacht zijn zal."
»Maar wat doet dat er toe?"
»Mijnheer," antwoordde Craig, »het belang dat de verzekeringsmaatschappij _de Eeuw_ in uw dierbaar leven stelt..."
»Duurt nog slechts enkele oogenblikken..." voegde Fry er bij.
»En dan kunt ge u zelf het leven benemen..."
»Of u door anderen laten dooden..."
»Al naar u dat zelf verkiest!"
Kin-Fo zag de beide agenten, die zeer beleefd en ernstig spraken, met verbazing aan, maar begreep er niets van. Op dit oogenblik verschenen de eerste stralen der maan in het oosten boven den gezichteinder.
»De maan!" riep Fry uit.
»En heden 30 Juni...." riep Craig uit.
»Komt zij te middernacht op...."
»En daar uw contract met _de Eeuw_ niet vernieuwd is...."
»Is thans uw polis ook niet geldig meer en behoort u niet meer onder de verzekerden!..."
»Goeden avond, mijnheer Kin-Fo!" zei Craig.
»Mijnheer Kin-Fo, goeden avond!" zei Fry.
En de beide agenten stegen op hunne kameelen, trokken den teugel aan en verdwenen langs den weg dien zij gekomen waren, Kin-Fo sprakeloos van verbazing achterlatende.
Nauwelijks hield het geluid op van de hoefslagen der kameelen, waarop deze practische Amerikanen huiswaarts keerden, of een aantal mannen, aangevoerd door den gids, wierpen zich op Kin-Fo, die vruchteloos trachtte zich te verdedigen, en op Soun, die vruchteloos trachtte te vluchten.
Een oogenblik later waren heer en knecht gebonden en sleepte men hen naar een der verlaten forten van den Grooten Muur, waarin men hen stevig achter slot en grendel bracht.
XXII.
Dat de lezer zelf wel had kunnen schrijven, zoo gemakkelijk was de afloop te voorzien!
De Groote Muur,--een Chineesch kraamschut, vierhonderd uur gaans lang,--in de derde eeuw door keizer Tisi-Chi-Houang-Ti opgericht, strekt zich uit van de golf van Léao-Tong, waar hij met twee steenen hoofden in zee begint, tot aan de Kan-Sou, waar hij tot de afmetingen van een gewonen muur teruggebracht is. Het is eene onafgebroken opeenvolging van dubbele wallen, verdedigd door bastions en forten of torens, vijftig voet hoog en twintig voet breed, gegrondvest op graniet en opgetrokken van baksteen, die geheel het beloop der bergen volgen, welke Rusland van China scheiden.
Aan de zijde van het Hemelsche Rijk is de muur vrij slecht onderhouden. Aan de zijde van Mantchourije doet hij zich echter beter voor en het getande metselwerk dat de bovenranden omzoomt is nog in vrij goeden staat.
Verdedigers vindt men op deze lange rij van vestingwerken volstrekt niet, kanonnen nog minder. De Russen, de Tartaren, de Kirgiesen gaan even ongestoord door de poorten als de zoons van het Hemelsche Rijk. Het kraamschut beschermt de noordelijke grenzen des lands zelfs niet meer tegen het fijne Mongoolsche stof, dat door den wind somtijds zelfs tot in de hoofdstad gedreven wordt.
Het was door de poort van een dezer verlaten bastions dat Kin-Fo en Soun, na op stroo een zeer slechten nacht doorgebracht te hebben, den volgenden ochtend geleid werden door een dozijn lieden, die natuurlijk alleen tot de benden van Lao-Shen konden behooren.
De gids was verdwenen. Maar Kin-Fo wist zeer goed wat hij hiervan denken moest. Het was niet bij toeval geweest dat deze verrader hun zijne diensten had aangeboden. De ex-verzekerde bij de maatschappij _de Eeuw_ was blijkbaar door dien ellendeling verwacht. Zijne aarzeling om zich aan gene zijde van den Grooten Muur te wagen, was slechts een krijgslist geweest om geen kwaad vermoeden op te wekken. De schelm was in dienst van den Taï-ping en het was blijkbaar op diens bevel dat hij gehandeld had.