Wonderlijke Avonturen Van Een Chinees Gevolgd Door Muiterij Aan

Chapter 14

Chapter 143,971 wordsPublic domain

Zij gingen steeds voorwaarts. Bijgevolg zou de maan, die in het oosten opkwam, niet dadelijk hun aandacht trekken; maar zij zou met hare stralen het eerst den tegenovergestelden gezichteinder verlichten en 't was deze gezichteinder dien zij met de meeste aandacht bespiedden. Misschien zouden zij, in plaats van de regelmatige lijn door de lucht en het water gevormd, een kustlijn ontdekken, door het maanlicht beschenen. Het zou de kust zijn van het Hemelsche rijk, dat hun, waar zij het ook betreden mochten, veiligheid zou aanbieden. De kust zou vrij zijn en daar er zoo goed als geen branding zou wezen, kon men op eene veilige landing rekenen. Eens op den vasten wal zou men wel zien wat verder te doen.

Omstreeks kwart voor twaalf toonden zich de eerste lichtstrepen en werd de nevel zwak verlicht.

Noch Kin-Fo, noch zijne metgezellen keerden zich om. De bries die in frischheid toenam, terwijl de dampen werden opgetrokken, dreef hen snel voort. Maar zij bespeurden dat de omgeving gestadig helderder werd.

Terzelfder tijd werd het gesternte beter zichtbaar. De opstekende wind dreef den nevel voor zich heen, en de scaphanders gevoelden dat het water krachtiger in beweging werd gebracht.

De maanschijf, eerst rood als koper, nu wit als zilver, verlichtte spoedig het geheele luchtruim.

Eensklaps ontsnapte aan den mond van Craig een echt Amerikaansche vloek.

»De jonk!" riep hij.

Allen hielden stil.

»Strijk de zeilen!" beval Fry.

In een oogenblik waren de vier fokzeilen naar beneden gehaald en de masten uit de bus genomen.

Kin-Fo en zijne reisgenooten, plaatsten zich in verticale houding en keken om.

De _Sam-Yep_ was dáár op een mijl afstand, en teekende zich, met volle zeilen, op den verlichten gezichteinder af.

Het was de jonk wel. Zij had de zeilen geheschen en maakte gebruik van de bries. Kapitein Yin had zonder twijfel het verdwijnen van Kin-Fo bespeurd, zonder te kunnen begrijpen op welke wijze hij ontsnapt was. Op goed geluk af had hij, in overleg met de medeplichtigen uit het ruim, de vervolging begonnen, en binnen een kwartier zouden Kin-Fo, Soun, Craig en Fry weder in zijne handen vallen!

Maar had men hen bespeurd, te midden van de lichtstralen, die de maan over de oppervlakte van het water schoot? Neen, misschien niet!

»Omlaag met het hoofd!" zei Craig, zich aan deze hoop vastklemmende.

Men begreep hem. Men liet uit de pijpjes van het toestel eenige lucht ontsnappen en de vier scaphanders dompelden dieper in het water en wel zóó, dat alleen hun gelaat nog aan de oppervlakte was. Het kwam er nu op aan te zwijgen en zich niet te verroeren. De jonk vorderde met snelheid. Hare hooge zeilen wierpen zware schaduwen over de wateren.

Vijf minuten later was de _Sam-Yep_ op een halve mijl afstand. Men zag de matrozen achter de verschansing heen en weder loopen. De kapitein stond aan het roer.

Deed hij zijn best om de vluchtelingen te achterhalen? of was het hem alleen te doen om het meest mogelijke voordeel van den wind te hebben. Men wist het niet.

Eensklaps deden zich kreten hooren. Er vertoonden zich een massa personen op het dek van de _Sam-Yep_. Luid getier werd vernomen.

Het leed geen twijfel, er was eene worsteling ontstaan tusschen de gewaande dooden, uit het ruim ontsnapt, en de equipage van de jonk.

Maar waartoe die worsteling? Waren dan de schurken, matrozen en zeeroovers, het niet eens?

Kin-Fo en zijne makkers hoorden duidelijk aan de eene zijde woedende scheldwoorden, aan den anderen kant kreten van smart en wanhoop, die echter binnen weinige minuten werden verdoofd.

Daarop duidde een heftig geplons in het water langs de jonk aan, dat er eenige lichamen over boord werden geworpen.

Neen! kapitein Yin en zijne bemanning waren de medeplichtigen niet van Lao-Shen! De arme lieden waren integendeel door hen verrast en vermoord. De schurken, die zich aan boord verscholen hadden--zonder twijfel met behulp van de sjouwerlieden te Takou--hadden geen ander plan gehad dan zich van de jonk meester te maken voor rekening van den Taï-ping, en zeker was het hun onbekend geweest dat Kin-Fo passagier aan boord van de _Sam-Yep_ was.

Als zij gezien werden en gevat, dan zouden zeker noch Kin-Fo, noch Fry-Craig, noch Soun genade vinden bij deze ellendelingen.

De jonk kwam steeds nader. Zij was vlak bij de vluchtelingen toen, door eene gelukkige wending, de schaduw van de zeilen op hen viel.

Zij doken onder.

Toen zij weder aan de oppervlakte verschenen, was de jonk voorbij; zij waren niet ontdekt; het vaartuig werd snel door den wind voortgedreven.

Een lijk dreef het achterna en werd door de beweging van het kielwater van de jonk naar de scaphanders gedreven.

Het was het lichaam van den kapitein, met een dolk in de zijde. De lange plooien van zijn gewaad hielden het boven water.

Daarop zonk het en verdween in de diepte der zee.

Aldus was het uiteinde van den vroolijken kapitein Yin, gezagvoerder van de _Sam-Yep_.

Tien minuten later was de jonk in westelijke richting uit het oog verloren en dreven Kin-Fo, Craig-Fry en Soun weder alleen op de oppervlakte van de zee.

XX.

Waarin men zien zal waaraan men zich blootstelt als men kapitein Boyton's drijftoestel gebruikt.

Drie uren later werd de horizon verhelderd door de eerste voorteekenen van den dageraad, en het duurde niet lang of men kon de zee in hare geheele uitgestrektheid overzien.

De jonk was reeds uit het gezicht. Zij was de vier drijvers spoedig vooruit gezeild en deze hadden volstrekt geen begeerte om bij haar te blijven. Zij volgden wel denzelfden weg naar het westen, voortgestuwd door denzelfden wind, maar de _Sam-Yep_ moest hun thans meer dan drie mijlen voor zijn. Er was dus voor onze vrienden van die zijde niets meer te vreezen.

Maar al was dit gevaar geweken, toch nam dit niet weg dat hun toestand hoogst ernstig bleef.

De zee was zoo ver het oog reikte eenzaam en verlaten. Geen schip of visscherssloep was ergens te bespeuren. Geen spoor van land was noord- of oostwaarts te ontdekken. Niets duidde aan dat men dicht bij een of andere kust was. Waren zij in de golf van Pé-Tché-Li of in de Gele zee? Men wist er niets van.

Toch werd de oppervlakte van het water nog door een tochtje bewogen. Men mocht het niet verloren laten gaan. De richting, die de jonk genomen had bewees dat het land, na korter of langer tijd, in het westen zou opdagen en dat men het in elk geval aan die zijde moest zoeken.

Men kwam dus met elkander overeen dat zij weder onder zeil zouden gaan, doch niet voordat men zich eenigermate had versterkt. De maag deed hare rechten gelden, en nadat men tien uur in zee gedreven had, was dat waarlijk niet te verwonderen.

»Laat ons eerst ontbijten", zei Craig.

»En zoo goed mogelijk!" voegde Fry er bij.

Kin-Fo gaf een teeken van toestemming, en aan de wijze waarop Soun met de lippen smakte, bleek voldoende hoe hij er over dacht. Hij was uitgehongerd en dacht er zelfs op dit oogenblik niet aan dat haaien hem zelf wel eens voor hun ontbijt konden uitkiezen.

De waterdichte zak werd voor den dag gehaald en geopend. Fry haalde er uitmuntenden voorraad uit, brood en ingelegde vruchten, eenig tafelgereedschap, kortom al wat men noodig had om zich behoorlijk te ontnuchteren. Van de honderd schotels, die een Chineesch maal behooren te versieren, ontbraken er wel acht en negentig, maar er was genoeg voor de behoeften der vier, die er gebruik van zouden maken en de omstandigheden waren er niet naar dat men buitengewone eischen mocht stellen.

Men ontbeet dus heerlijk, want de zak bevatte voorraad voor twee dagen. Als men binnen dien tijd niet aan land kwam zou men er ook wel nooit komen.

»Maar wij zijn goedsmoeds", verklaarden Craig-Fry.

»Hoe kunt ge nu zoo goedsmoeds zijn?" vroeg Kin-Fo niet zonder eenige spotternij.

»Omdat het geluk ons nu reeds weer meeloopt", antwoordde Fry.

»Hé, vindt ge dat?"

»Ja zeker", verklaarde Craig. »Het groote gevaar was de jonk en daaruit zijn we ontsnapt."

»Nooit, mijnheer", voegde Fry er bij, »nooit, zoolang wij de eer gehad hebben bij uw persoon in dienst gesteld te zijn, werd uw leven minder bedreigd dan op dit oogenblik."

»Geen Taï-ping ter wereld...." zei Craig.

»Zou u hier kunnen treffen...." zei Fry.

»En u drijft zeer aardig...." voegde Craig er bij.

»Voor iemand die tweehonderd duizend dollars weegt", vulde Fry aan.

Kin-Fo moest glimlachen, of hij wilde of niet.

»Als ik drijf", antwoordde hij, »dank ik dat u, mijnheeren! Zonder uw hulp was ik thans daar, waar de arme kapitein Yin is!"

»Wij zelf ook!" antwoordden Fry-Craig.

»En ik dan!" riep Soun uit, terwijl hij bijna stikte in een groot stuk brood, dat hij slechts met moeite kon verzwelgen.

»'t Doet er niet toe", hernam Kin-Fo, »ik weet wat ik u schuldig ben!"

»U zijt ons volstrekt niets schuldig", antwoordde Fry, »daar u verzekerd zijt bij _de Eeuw_...."

»Groote algemeene levensverzekeringsmaatschappij...."

»Met een waarborgkapitaal van twintig millioen dollars....."

»En wij hopen vurig...."

»Dat zij geen cent aan u verliezen zal!"

In zijn hart was Kin-Fo zeer getroffen door de zorgen die de beide agenten voor hem gehad hadden, wat dan ook de beweegredenen mochten geweest zijn. Ook maakte hij van dat gevoel geen geheim voor hen.

»Wij zullen over dit alles wel eens nader spreken", voegde hij er bij, »als Lao-Shen mij eerst maar den brief teruggegeven heeft, dien Wang hem zoo ter kwader uur heeft ter hand gesteld."

Craig en Fry zagen elkander aan. Een schier onmerkbare glimlach speelde om hunne lippen. Zij hadden blijkbaar weder op hetzelfde oogenblik hetzelfde denkbeeld gehad.

»Soun!" sprak Kin-Fo.

»Wat blieft mijnheer!"

»Mijn thee!"

»Ik zal u helpen, mijnheer!" antwoordde Fry.

En het was goed dat Fry antwoordde, want als Soun het had moeten doen, zou het wel eens kunnen geweest zijn met de minder eerbiedige vraag hoe zijn heer dacht dat hij hem zijn thee had kunnen brengen, terwijl beiden midden in den oceaan dreven.

Voor de beide agenten evenwel was de oplossing van deze quaestie slechts een kleinigheid.

Fry nam namelijk uit den waterdichten zak een klein instrument, dat zeer eigenaardig bij het drijfpak van kapitein Boyton behoort. Het kan des nachts dienst doen als lantaarn, als het koud is als verwarmingstoestel en als men iets warmen of koken wil als kookfornuis.

Niets eenvoudiger dan dit. Een kokertje van vijf of zes duim, verbonden aan een metalen bakje, van boven en van onderen met een kraantje, alles omsloten door een stuk kurk zooals de drijvende thermometers waarmede men de warmte van het water in badkuipen meet--ziedaar het instrument waarvan wij spreken.

Fry liet het op de oppervlakte van het water drijven.

Met de eene hand opende hij toen de bovenste kraan en met de andere de onderste die met het metalen bakje in verbinding stond.

Terstond steeg een heldere vlam uit het kokertje op, die eene duidelijk merkbare warmte verspreidde.

»Ziedaar ons fornuis", zeide Fry.

Soun kon zijne oogen niet gelooven.

»Maakt u vuur van water?" riep hij uit.

»Van water en phosphorcalcium!" antwoordde Craig.

Het werktuig was inderdaad zoodanig ingericht dat men op vernuftige wijze partij trok van een der eigenaardige eigenschappen van het phosphorcalcium, die phosphorverbinding welke, als zij met water in aanraking komt, phosphorhoudend waterstofgas voortbrengt. Dit gas ontbrandt van zelf in de lucht en noch de regen, noch de wind, noch de zee kan het uitblusschen. Daarom wordt het thans ook gebruikt om de nieuwste reddingsboeien te verlichten. Als men zulk een boei in zee werpt komt het phosphorcalcium met het water in aanraking, waaruit dadelijk eene heldere vlam te voorschijn springt, die den over boord gevallen man de plaats aanwijst waar hij redding vinden kan of den matrozen toont waar zij hem terstond te hulp kunnen komen [15].

Terwijl de vlam uit den koker opsteeg, hield Craig er een ketel met zoetwater boven, uit een tonnetje dat hij in zijn waterdichten zak mede van boord genomen had.

Het water kookte spoedig en Craig schonk het toen over in een trekpot waarin eenige lepeltjes thee gedaan waren. Spoedig daarop kregen Kin-Fo en Soun elk een geurigen kop van dit thans op zijn Amerikaansch gezette aftreksel en het smaakte hun werkelijk even goed als gewoonlijk de op Chineesche wijze bereide thee.

Met dezen warmen drank werd het ontbijt op »zooveel" graden breedte en »zooveel" lengte op waardige wijze besloten; als men een sextant en een chronometer had gehad, zou men ook op enkele seconden na de plaats hebben kunnen bepalen waar. Deze instrumenten zullen zeker ook spoedig eene plaats onder den voorraad van kapitein Boytons reiszak vinden en dan zullen de schipbreukelingen ook gewaarborgd zijn tegen het gevaar van op den oceaan te verdwalen.

Kin-Fo en zijne metgezellen gevoelden zich na dit eigenaardige ontbijt behoorlijk uitgerust en versterkt; zij heschen nu het zeil weder in top en zetten hun tocht westwaarts voort.

De bries woei nog twaalf uur achter elkander en de scaphanders, die den wind achter zich hadden, legden in dien tijd een aanzienlijken afstand af. Alleen moesten zij nu en dan even met de pagaai sturen, om in de juiste richting te blijven. Op den rug liggende en van zelf gemakkelijk voortglijdende, voelden zij groote neiging om in slaap te vallen. Het was echter dringend noodzakelijk om zich daartegen te verzetten en Craig en Fry wisten daarvoor geen beter middel dan elk eene geurige sigaar op te steken, die zij even rustig oprookten als een dandy zulks in de zwemschool doet.

Meermalen, intusschen, werden de tochtgenooten gestoord door de luchtsprongen van eenige zeedieren, die den ongelukkigen Soun grooten schrik op het lijf joegen.

Het waren gelukkig slechts onschadelijke bruinvisschen. Die »clowns" der zee kwamen heel nieuwsgierig eens een kijkje nemen naar de vreemde wezens, die in hun element ronddreven,--zoogdieren even als zij, maar op verre na niet als zij, thuis in dat element.

Het was een vreemd schouwspel! Die bruinvisschen maakten in troepen hunne opwachting, zij schoten als pijlen voorbij en deelden het water een smaragdgroene kleur mede; zij maakten luchtsprongen van vijf of zes voet boven de golven uit en bewezen daardoor de buigzaamheid en kracht hunner spieren. Als de arme scaphanders het water maar even snel als zij hadden kunnen doorklieven, eene snelheid welke die van de beste schepen overtreft, wat zouden zij spoedig het land bereikt hebben! Zij zouden haast lust gekregen hebben zich aan eenige van die dieren vast te sjorren en zich door hen te laten voortslepen. Maar welke buitelingen en onderdompelingen! Dan was het toch maar beter zich met de verplaatsing door den wind te vergenoegen, die wel langzamer, maar toch oneindig veiliger geschiedde.

Intusschen ging tegen den middag de wind geheel liggen. Hij eindigde met grillige dwarlwindjes, die een oogenblik de kleine zeilen deden zwellen om ze even daarna slap te laten hangen. De hand behoefde zich niet meer in te spannen om den schoot vast te houden en het zog liet noch aan de voeten noch aan het hoofd der scaphanders het eigenaardig gemurmel hooren.

»Een lelijk..." zei Craig.

»Geval!" antwoordde Fry.

Men hield een oogenblik op. De masten werden gestreken, de zeilen geborgen en allen, zich in den vertikalen stand plaatsende, bespiedden den horizont.

De zee was altijd verlaten. Geen enkel zeil in 't gezicht, geen enkele rookpluim eener stoomboot, zich tegen den hemel afteekenende. Een brandende zon had al de dampen opgeslorpt en de lucht verdund. Zelfs menschen die niet gekleed waren geweest in een dubbele laag caoutchouc, zouden de temperatuur van het water warm gevonden hebben!

Hoe gerust nu Fry-Craig hadden voorgegeven te zijn over den uitslag van dit avontuur, waren zij nu toch niet zeer op hun gemak. En geen wonder, want de sedert ongeveer zestien uur afgelegde afstand kon niet bepaald worden en daarenboven werd het hoe langer hoe vreemder dat niets de nabijheid van de kust verried, noch handelsvaartuig, noch visschersboot, noch eenig ander vaartuig die zich gewoonlijk niet ver in zee wagen.

Gelukkig waren Kin-Fo, Craig en Fry geen menschen die zich heel gauw uit het veld lieten slaan. Zij hadden nog voorraad voor een dag en er deed zich geen enkel teeken voor dat het weder slecht zou worden!

»Pagaaien maar!" zeide Kin-Fo.

Dat was het signaal om de reis te vervolgen, en nu eens op den rug, dan weder op den buik, roeiden de scaphanders in de richting van het westen voort.

Men vorderde niet hard. Door dat pagaaien werden de armen, die het niet gewoon waren, spoedig vermoeid. Men moest dikwijls ophouden en op Soun wachten die achterbleef en telkens zijne klaagliederen hervatte. Zijn meester beknorde hem, berispte en bedreigde hem, maar Soun was niet bang voor 't geen nog van zijn staart overbleef daar het beschermd werd door de dikke kap van caoutchouc en liet hem eenvoudig praten. Toch was de vrees om verlaten te worden voldoende om op korten afstand te blijven.

Tegen twee uren vertoonden zich eenige vogels. Het waren meeuwen, maar deze, vlugge vogels wagen zich zeer ver in zee. Men kon dus uit hunne tegenwoordigheid niet afleiden dat de kust dichtbij was. Niettemin werd het als een gunstig voorteeken beschouwd.

Een uur later geraakten de scaphanders in een net van zeekroos verward waaruit zij moeite hadden zich te verlossen. Met behulp van hunne messen moesten zij zich een weg door dien chaos van zeeplanten banen.

Daarmede ging een groot half uur verloren en een verbruik van krachten die beter hadden besteed kunnen worden.

Te vier uur hield de kleine drijvende troep wederom stil om uit te rusten, want het is onnoodig te zeggen dat zij zeer vermoeid waren. Er was een vrij sterke bries opgestoken, maar, hetgeen eene verontrustende omstandigheid mocht genoemd worden, woei zij toen uit het zuiden. En inderdaad konden de scaphanders slechts voor den wind zeilen, en niet als een sloep waarvan de kiel haar tegen afdrijven bewaart, het bij den wind of halven wind houden. Indien zij dus zeil zetten, zouden zij gevaar loopen om Noord te halen en een gedeelte van het West dat zij eens gemaakt hadden weder te verliezen. Daarenboven werd de deining sterker, terwijl eene sterk opkomende zee de positie nog lastiger maakte.

Zij bleven dus vrij lang halt houden. Zij rustten niet alleen uit maar gaarden ook krachten, door op nieuw hun voorraad aan te spreken. Dit diner was minder vroolijk dan het ontbijt. Binnen weinige uren zou de nacht weder aanbreken. De wind wakkerde aan.... Hoe te handelen?

Kin-Fo op zijn pagaai geleund, de wenkbrauwen gefronst, ontevredener nog dan wel ongerust over dien hardnekkigen tegenspoed, sprak geen woord. Soun jammerde onophoudelijk en niesde reeds als iemand die door een geduchte verkoudheid bedreigd wordt.

Craig en Fry gevoelden zich stilzwijgend door hunne lotgenooten om raad gevraagd, maar wisten niet wat te antwoorden!

Eindelijk verschafte een gelukkig toeval hun een antwoord.

Eenige minuten voor vijf uren, wezen Craig en Fry tegelijk met de hand naar het zuiden, onder den uitroep:

»Een zeil!"

En werkelijk vertoonde zich drie mijlen te loevert een vaartuig, dat kracht van zeilen maakte. De koers dien het nu met den wind achter zich volgde, moest het brengen vlak bij de plaats, waar zich Kin-Fo met zijne metgezellen bevonden.

Zij hadden dus niets anders te doen dan den weg dien het schip volgde, te snijden en het daartoe in rechte lijn te gemoet te gaan.

Zij manoeuvreerden onmiddellijk in die richting en voelden hunne krachten terugkeeren. Nu zij de uitkomst als het ware in hunne eigen handen hadden, zouden zij haar niet laten ontsnappen. De wind, die naar de andere zij woei, belette hen gebruik van hunne zeilen te maken, doch zij konden het wel met hunne pagaaien af, daar de afstand niet groot was.

De wind nam gaande weg toe en men zag het schip steeds grooter worden. Het was een visschersjonk en daaruit kon men afleiden dat men dicht onder de kust was; de visschers in die streken wagen zich toch zelden ver in volle zee.

»Houdt moed! Maakt voort!" riepen Craig en Fry, zelf met kracht de pagaai hanteerende.

Zij behoefden echter hunne tochtgenooten niet aan te sporen. Kin-Fo, horizontaal op het water uitgestrekt, sneed door de golven als een bruinvisch. En wat Soun betreft, die overtrof zichzelf en was, uit vrees van achter te blijven, de anderen van tijd tot tijd zelfs voor.

Nog een halve mijl moest men afleggen om in het vaarwater der jonk te komen. Daarenboven was het midden op den dag en al kreeg men de scaphanders niet in het oog, dan zouden zij met hunne stemmen de aandacht der schepelingen wel weten te trekken. Zouden deze echter niet op de vlucht gaan als zij door zulke zonderling toegetakelde wezens aangeroepen werden? Dat was al weder een kwade kans, die zij best loopen konden.

Hoe het ook zij, men had geen oogenblik te verliezen. De armen werden dan ook weder krachtiger uitgeslagen, de pagaaien raakten met snellen slag het schuim der korte golven, de afstand verminderde in 't oog loopend, toen Soun op eens een vreeselijken angstkreet deed hooren.

»Een haai! een haai!"

En Soun had zich ditmaal niet bedrogen.

Op ongeveer twintig voet afstands zag men twee voorwerpen zich bewegen. Het waren de vinnen van een verscheurend dier, in die zeeën te huis, van den tijgerhaai, die met recht den naam verdient welken men hem gegeven heeft, want de natuur heeft hem de woestheid toegedeeld, den tijger en den haai eigen.

»De messen gereed!" riepen Fry en Craig.

Het waren de eenigste wapenen die zij te hunner beschikking hadden, wapenen die wellicht onvoldoende zouden zijn!

Soun was, men begrijpt dit lichtelijk, eensklaps in de achterhoede geraakt.

De haai had de scaphanders gezien en naderde hen. Zijn kolossaal lichaam werd één oogenblik in het doorschijnende water groen gevlekt en gestreept gezien. Hij was zestien à achttien voeten lang. Een monster!

Hij wierp zich het eerst op Kin-Fo en keerde zich half om, om hem te verslinden.

Maar Kin-Fo verloor zijne koelbloedigheid niet. Op het oogenblik dat de haai hem zou bereiken, zette hij het dier zijn pagaai tegen den rug en verwijderde zich met een krachtigen stoot.

Craig en Fry waren naderbij gekomen, gereed ten aanval en ter verdediging.

De haai dook een oogenblik onder en kwam daarop weder boven met geopenden muil, een metaalschaar van een vierdubbele rij tanden voorzien.

Kin-Fo wilde de beweging, die hem zoo goed gelukt was, herhalen, maar zijn pagaai raakte de kaken van het dier en werd midden door gesneden.

De haai wierp zich toen, half op zijde liggende, op zijn prooi.

Op dat oogenblik gutsten stroomen bloed uit zijn lichaam en de zee werd rood gekleurd.

Craig en Fry hadden het dier herhaaldelijk met hunne messen getroffen en hoe hard zijn vel ook mocht zijn, hunne lange Amerikaansche messen waren er doorgedrongen en hadden hem hevig gekwetst.

De muil van het monster opende en sloot zich met een verschrikkelijk geluid, terwijl hij met zijn staart het water ontzettend beukte. Fry kreeg een slag in de zijde en werd op tien pas afstands weggeslingerd.

»Fry!" kreet Craig op een toon, die de diepste smart verried alsof hij zelf den slag had ontvangen.

»Hoezee!" antwoordde Fry, het strijdperk weder naderende.

Hij was niet gewond. Zijn caoutchouc kuras had het geweld van den slag gebroken.

De haai werd daarop op nieuw en met ware woede aangegrepen. Hij draaide en wendde zich naar alle richtingen om. Kin-Fo was er in geslaagd hem het gebroken eind van zijn pagaai in de oogholte te drijven, en trachtte nu, op gevaar af van doormidden gebeten te worden, het dier op de plaats te houden, terwijl Fry en Craig hem met hunne messen het hart poogden te treffen.

Het scheen dat de beide agenten er in geslaagd waren, want het monster zonk, na eene laatste poging beproefd te hebben om Kin-Fo te grijpen en na een breeden bloedstroom verloren te hebben, in de diepte.

»Hoezee! hoezee! hoezee!" schreeuwden Fry en Craig eenstemmig, hunne messen zwaaiende.

»Ik dank u!" zei Kin-Fo.