Wonderlijke Avonturen Van Een Chinees Gevolgd Door Muiterij Aan

Chapter 12

Chapter 123,961 wordsPublic domain

De jonk vervoerde nu een aantal lijken in plaats van zijde, parfumeriewaren en porcelein zooals gewoonlijk, doch het uiterlijk voorkomen van het schip was niet veranderd. Het vertoonde dezelfde levendige kleuren. Vooruit en achteruit wapperden veelkleurige vlaggen en standaards met veelkleurige kwasten. Op den voorsteven was een groot vlammend oog geschilderd, dat het in de verte op een groot zeemonster deed gelijken. Boven in de masten ontrolde de wind den schitterenden wimpel der Chineesche vlag. Twee caronades staken met hare blinkende monden boven de verschansing uit en weerkaatsten de zonnestralen als een spiegel. Geen overbodige metgezellen zijn dat aan boord in die nog door zeeroovers verpeste zeeën! Alles zag er vroolijk, opgeschikt, aangenaam uit. Het waren, dan ook terugkeerende landverhuizers, die de _Sam-Yep_ overbracht,--doode landverhuizers wel is waar, maar in elk geval lijken van menschen wier laatste wenschen vervuld werden!

Noch Kin-Fo, noch Soun had iets tegen een overtocht onder zulke omstandigheden. Daarvoor waren zij veel te goede Chineezen. Craig en Fry echter, als Amerikanen, waren niets op deze soort van vrachtgoederen gesteld en zouden zeker ieder andere lading verkozen hebben, doch het was hun niet in de keus gelaten.

De equipage van de jonk bestond uit een kapitein en zes matrozen, meer dan genoeg voor de werkzaamheden aan boord van deze schepen. Men zegt dat het kompas in China uitgevonden is. 't Is zeer mogelijk, maar de kustvaarders bedienen er zich hier in het geheel niet van. Ook kapitein Yin, de gezagvoerder van de _Sam-Yep_, had er geen bij zich; hij was dan ook niet van plan om gedurende zijn overtocht de kust uit het gezicht te verliezen.

Deze kapitein Yin, een klein lachend ventje, levendig en spraakzaam, scheen de verpersoonlijking van de eeuwigdurende beweging. Hij stond nooit stil en nooit op dezelfde plaats. Zijne handen, zijne armen, zijne oogen spraken eigenlijk nog meer dan zijn mond en deze zweeg nooit. Hij liet ook zijne matrozen weinig rust, doch kommandeerde en interpelleerde hen onophoudelijk en vloekte nu rechts en dan links. Maar 't was een flink zeeman, goed met het vaarwater en de kusten bekend en hij deed met zijn jonk wat hij wilde. De groote som gelds die Kin-Fo voor den overtocht betaald had strekte verder om zijne opgewektheid nog te verhoogen. Passagiers die honderd en vijftig taëls betaalden [13] voor eene reis van zestig uur, welk een buitenkansje! En vooral omdat het passagiers waren, die evenmin eenige aanmerking maakten op de gebrekkige inrichtingen en op den kost, die hij hun verschafte, als de doode passagiers in het ruim beneden.

Kin-Fo, Craig en Fry waren zoo goed als het kon onder het achterdek gehuisvest en Soun in het vooronder. De twee agenten, steeds wantrouwend, hadden de equipage en den kapitein zeer nauwkeurig opgenomen, doch zij vonden niets aan deze brave lieden dat hun achterdocht had kunnen rechtvaardigen. 't Was meer dan onwaarschijnlijk dat zij met Lao-Shen in eenige betrekking zouden staan, omdat het een bloot toeval was dat Kin-Fo op deze jonk plaats had genomen. En het toeval zou toch met den al te beruchten Taï-ping geen verbond hebben gesloten! Met uitzondering van het gewone gevaar dat de zee oplevert, zouden zij dus nu eenige dagen in volkomen veiligheid en gerustheid kunnen doorbrengen en konden zij Kin-Fo meer aan zich zelf overlaten.

Deze was daar niets bedroefd over. Hij ging alleen in zijne hut zitten en philosofeerde daar op zijn gemak. Arme man, dat hij zijn geluk niet had weten te waardeeren noch zich in zijne omstandigheden verheugd had, toen hij zorgeloos in zijn yamen te Shang-Haï leefde, en toen hij zich zoo goed met eenigen nuttigen arbeid had kunnen bezig houden? Als hij eerst zijn brief maar weder terug had, dan zou men eens zien of hij zijn voordeel ook doen zou met de harde les, die hij nu ontving, en of de gek niet verstandig zou geworden zijn!

Maar zou hij dien brief ooit terugkrijgen? Ja, zonder twijfel, omdat hij er de volle waarde voor wilde betalen. Het kon voor dien Lao-Shen natuurlijk alleen een quaestie van geld wezen. Maar men moest hem voorkomen en niet door hem verrast worden. Daar zat de moeilijkheid. Lao-Shen was natuurlijk op de hoogte van al wat Kin-Fo deed, doch Kin-Fo wist niets van Lao-Shen. Van daar dat men in groot gevaar zou zijn zoodra de cliënt van Craig en Fry den voet zou zetten in de streek waar de Taï-ping zich ophield. Het kwam er dus vooral op aan dat men hem vóór was. Lao-Shen zou toch liever vijftigduizend dollars uit de handen van Kin-Fo zelf ontvangen dan vijftigduizend dollars verdienen aan zijn dood. Dat zou hem een reis naar Shang-Haï besparen en een bezoek aan het bureau van de Eeuw, twee zaken die, in weerwil van de lankmoedigheid der Chineesche regeering, voor hem toch niet geheel zonder gevaar waren.

Zoo peinsde de geheel veranderde Kin-Fo bij zich zelf, terwijl verder de bekoorlijke jonge weduwe natuurlijk ook eene groote plaats in zijne overdenkingen innam.

En waaraan dacht Soun onderwijl?

Soun dacht aan niets. Hij lag in het vooronder en betaalde den tol aan de vijandige goden der golf van Pé-Tché-Li. Van tijd tot tijd slechts kon hij eenige verwenschingen slaken aan het adres van zijn meester, van den philosoof Wang en van den bandiet Lao-Shen! Zijn hart was stom! _Ai ai ya!_ zijne gedachten waren stom, zijn gevoel was stom. Hij dacht aan thee nog rijst! _Ai ai ya!_ Wat deed hij ook in dienst te gaan van een man, die uitstapjes ter zee maakte! Hij zou graag alles wat hem van zijn staart overbleef gegeven hebben, als hij op 't oogenblik op vasten grond was! Hij zou zich liever het hoofd kaal scheren, of priester worden! Een gele hond! ja 't was een gele hond die hem de lever en de ingewanden verscheurde! _Ai, ai, ya!_

De _Sam-Yep_ zeilde intusschen, voortgedreven door een frisschen zuidenwind, op drie of vier mijl afstands van de lage kuststreek, flink vooruit. Zij passeerde Peh-Tang bij de monding van de rivier van dien naam, niet ver van de plaats waar de Europeesche legers hunne landing volbrachten; vervolgens ging het langs Shan-Tung, Tschiang-Ho, voorbij de monden van de Tau en langs Haï-Vé-Tsé.

Dit gedeelte van de golf was niet zeer druk bevaren. Van de drukke scheepvaart aan de monding van de Peï-ho was hier, op twintig mijl afstand, niet veel meer te bespeuren. Eenige handelsjonken, die ter kustvaart gingen, een dozijn visschersvaartuigen, die de vischrijke wateren langs de kust bezochten, was alles wat men aan den gezichteinder bespeurde.

Craig en Fry merkten op dat de visschersvaartuigen, zelfs dezulken die nauwelijks vijf of zes ton hielden, met een of twee kleine kanonnen gewapend waren.

Toen zij den kapitein Yin naar de reden hiervan vroegen, antwoordde deze, zich de handen wrijvende:

»Dit moeten zij wel doen voor de zeeroovers!"

»Zeeroovers in dit gedeelte van de golf van Pé-Tché-Li!" riep Craig niet zonder eenige verbazing uit.

»Waarom niet!" antwoordde Yin. »'t Is hier als overal. In geen enkele Chineesche zee worden deze brave mannen gemist!"

En de waardige kapitein lachte en liet zijne beide rijen glinsterende tanden zien.

»U schijnt ze weinig te vreezen!" werd door Fry opgemerkt.

»Heb ik dan mijn beide kanonnetjes niet, twee knapen, die ongemakkelijk brommen als men er te dicht bij komt!"

»Zijn zij geladen?" vroeg Craig.

»Gewoonlijk wel."

»En nu?"

»Nu niet."

»Waarom niet?" vroeg Fry.

»Omdat ik geen kruit aan boord heb," antwoordde kapitein Yin bedaard.

»Waar dienen dan de kanonnen voor?" vroegen Craig-Fry, weinig tevreden over het antwoord.

»Waarvoor?" riep de kapitein uit. »Wel om de lading te beschermen als 't de moeite waard en mijn jonk tot aan de luiken toe beladen is met twee of opium! Maar met de lading die ik nu in heb!..."

»En hoe weten de zeeroovers," vroeg Craig, »dat de jonk het aantasten niet waard is?"

»U schijnt zeer bevreesd te zijn voor een bezoek van deze brave lieden?" antwoordde de kapitein, terwijl hij op de hielen draaide en de schouders optrok.

»Wel zeker," zeide Fry.

»En toch hebt u geen enkel stuk goed aan boord!"

»Dat is waar," voegde Craig er bij, »maar wij hebben bijzondere redenen, waarom wij hun bezoek minder wenschelijk achten."

»Welnu, wees onbezorgd!" antwoordde de kapitein. »De zeeroovers zullen, als zij ons ontmoeten, geen moeite doen om onze jonk te achtervolgen."

»En waarom niet?"

»Omdat zij vooruit weten wat soort van lading ik in heb, zoodra zij mij in 't gezicht hebben."

En kapitein Yin wees naar een witte vlag die halfstag geheschen van de jonk woei.

De witte vlag! De rouwvlag! De brave lieden zouden zich de moeite niet geven een vaartuig te plunderen dat met lijkkisten was beladen.

»Zij zouden toch kunnen meenen, dat u uit voorzorg de rouwvlag geheschen hadt," zei Craig, »en zich komen overtuigen...."

»Als zij komen zullen wij hen ontvangen," antwoordde kapitein Yin, »en als zij ons een bezoek gebracht hebben, zullen zij zich verwijderen zooals zij gekomen zijn!"

Craig en Fry drongen niet verder op de zaak aan, doch zij voelden zich volstrekt niet zoo gerust als de optimistische kapitein Yin. Een jonk van driehonderd last, al was de lading dan ook niets waard, moest dien »braven lieden", zooals Yin de zeeroovers noemde, toch voordeel genoeg opleveren om er eens een kansje op te wagen, meenden de agenten van de Eeuw. Maar men moest zich nu wel in de omstandigheden schikken en het beste van de zaak hopen.

Overigens had de kapitein niets verzuimd om de fortuin gunstig voor hem te stemmen. Op het oogenblik van het vertrek was er een haan aan de goden der zee geofferd. De vederen van den ongelukkige hingen daar nog aan den bezaansmast! Een paar droppels van zijn bloed waren op de brug gesprenkeld en een beker wijn in de zee geplengd om het offer te voltooien. Wat kon, na die plechtigheden, de jonk _Sam-Yep_ onder bevel van den waardigen gezagvoerder Yin nog te vreezen hebben?

Men moet echter aannemen, dat de grillige geesten niet voldaan waren. 't Zij dat de haan te mager, 't zij dat de wijn niet van de beste soort was, de jonk werd door een geweldige windvlaag overvallen. Niets was daarvan vooraf te voorzien geweest, want het weder was helder en er woei een frissche bries. De scherpstziende zeeman had geen »hondenweer" kunnen verwachten.

Des avonds te acht uur maakte de _Sam-Yep_ zich gereed om de kaap om te zeilen die tegen het noordoosten aan de kust uitsteekt. Aan de andere zijde zou zij voor den wind kunnen gaan zeilen, hetgeen zeer gunstig zijn zou. Kapitein Yin meende dan ook op zijn gemak binnen vier en twintig uur Fou-Ning te zullen bereiken.

Kin-Fo zag van zijn kant het uur waarop hij aan land zou stappen niet zonder ongeduld te gemoet en de zeezieke Soun smachtte er naar als een gevangene naar de verlossing uit zijn kerker. Wat Craig en Fry betreft, deze merkten tegen elkander op dat, als hun cliënt er in slaagde binnen drie dagen den brief die zijn leven in gevaar bracht uit de handen van Lao-Shen te krijgen, dit juist zou geschieden op het oogenblik dat de maatschappij de Eeuw zich volstrekt niet meer om hem bekreunde. Zijn polis bleef slechts tot middernacht van 30 Juni van kracht, want dan waren de twee maanden verstreken waarvoor hij de verzekering met den heer William J. Bidulph gesloten had. En dan:

»All" zei Craig.

»Right!" vulde Fry aan.

Des avonds op het oogenblik dat de jonk bij den ingang der golf van Léao-Tong was, draaide de wind plotseling naar het noordoosten; daarop door het noorden heengaande, woei hij twee uur later hard uit het noordwesten.

Als kapitein Yin een barometer aan boord had gehad, zou hij gezien hebben dat de kwikkolom in een punt des tijds vier of vijf millimeter was gedaald. Deze snelle luchtverdunning was het voorteeken van een zeer nabijzijnden typhon, [14] welks nadering reeds door den dampkring werd gevoeld. Was kapitein Yin bekend geweest met de beschouwingen van den Engelschman Paddington of van den Amerikaan Maury, hij zou getracht hebben de richting van zijn vaartuig te veranderen en noord-oost te sturen, in de hoop eene minder gevaarlijke windstreek te bereiken, buiten het centrum waaromheen zich de draaiende storm bewoog.

Maar kapitein Yin maakte nooit gebruik van den barometer en hij was met de wet der cyclonen niet bekend. Hij had bovendien een haan aan de goden ten offer gebracht en achtte zich daardoor voor elk onheil beveiligd.

Maar onze Chinees, hoe bijgeloovig ook, was een kloek zeeman, dat bewees hij in deze omstandigheden. Hij manoeuvreerde bij instinct even behendig als een Europeesch gezagvoerder zou gedaan hebben.

Deze typhon was slechts een kleine cycloon en bewoog zich dus met eene buitengewone snelheid van meer dan honderd kilometer per uur. Hij dreef de _Sam-Yep_ naar het oosten, eene gelukkige omstandigheid, wijl de jonk daardoor van een kust werd gedreven, die geen enkele schuilplaats aanbood en waar zij onvermijdelijk in weinig tijd zou verloren geweest zijn.

Ten elf ure had de storm zijn hoogste punt bereikt. Kapitein Yin manoeuvreerde, flink bijgestaan door zijn scheepsvolk, als een ervaren zeeman. Hij lachte niet meer, maar hij had al zijne koelbloedigheid behouden. Zijn hand, krachtig aan het roer geklemd, bestuurde het lichte vaartuig, dat als een notendop over de golven bewogen werd.

Kin-Fo had de achterkajuit verlaten. Tegen de verschansing gedrongen, staarde hij naar de lucht met hare wolkenmassa's, door den storm voortgedreven. Hij keek naar de zee, waarvan het witte schuim den donkeren nacht als verlichtte en waarvan de golven door de reusachtige aantrekkingskracht van den typhon tot ver boven haar gewoon peil werden gedreven. Het gevaar verraste noch verschrikte hem. Het maakte een deel uit van de reeks van rampspoeden die over hem was losgebarsten. Een overtocht in zestig uur zonder storm, in het hartje van den zomer, dat was goed voor gelukkige stervelingen; hij, Kin-Fo, behoorde daar niet langer toe!

Craig en Fry waren vrij wat meer in onrust, altijd met het oog op de handelswaarde van hun cliënt. 't Is waar, hun leven was evenveel waard als dat van Kin-Fo. Waren zij met hem gestorven, zij zouden de belangen van _de Eeuw_ niet meer hebben kunnen behartigen. Maar deze trouwe agenten vergaten zichzelf en dachten alleen aan hun plicht. Omkomen, goed! Met Kin-Fo, goed! maar niet vóór 30 Juni des middernachts! Een millioen redden, ziedaar hetgeen Craig-Fry wilden. Daaraan dachten zij alleen!

Wat Soun betreft, hij wist niet dat de jonk in gevaar verkeerde, of, juister gezegd, men had, naar zijn meening, in gevaar verkeerd van het oogenblik af dat men zich op het verraderlijk element had gewaagd, zelfs bij het schoonste weder.

De jonk was drie uur lang in dreigend gevaar. Eene verkeerde beweging van het roer zou haar ondergang geweest zijn, want de golven zouden haar hebben overdekt. Al kon zij niet, evenals een tobbe, overslaan, zij had kunnen vol loopen en zinken. Er was natuurlijk geen denken aan om haar in eene bepaalde richting voort te drijven, te midden van de golven door den wervelwind van den cycloon voortgezweept.

Door een gelukkig toeval bereikte de _Sam-Yep_, zonder ernstige averij, het midden van den reusachtigen atmosfeerischen kring die zich over een afstand van honderd kilometer uitstrekte. Daar was de zee over een uitgestrektheid van twee of drie mijlen bedaard en men bespeurde er nauwelijks iets van den wind. Het was een kalm meer te midden van een bewogen oceaan.

't Was een geluk voor de jonk dat de orkaan haar daar, als 't ware op 't droge, had gezet. Tegen drie uur in den morgen hield de woede van den cycloon op en de bewogen wateren legden zich rustig rondom dit kleine centrale meer neder.

Maar voor het dag werd, keek men van de _Sam-Yep_ te vergeefs uit naar land aan den gezichteinder. Er was nergens iets van de kust te ontdekken. Zoo ver het oog reikte zag men water, niets dan water.

XVIII.

Waarin Craig en Fry, door nieuwsgierigheid gedreven, een uitstapje maken naar het ruim van de _Sam-Yep_.

»Waar zijn wij, kapitein Yin?" vroeg Kin-Fo toen het gevaar geweken was.

»Ik weet het niet precies", antwoordde de kapitein, die er weder even vroolijk als vroeger uitzag.

»In de golf van Pé-Tché-Li?"

»Misschien."

»Of in de golf van Léao-Tong?"

»Ook dit is mogelijk."

»Maar waar komen wij aan land?"

»Waar de wind ons heendrijft!"

»En wanneer?"

»Ik kan het onmogelijk zeggen."

»Een echt Chinees weet zich altijd te oriënteeren, mijnheer", hernam Kin-Fo op ontevreden toon, een spreekwijze bezigende in het Hemelsche Rijk veel in gebruik.

»Op het land, ja" antwoordde kapitein Yin. »Maar op zee, niet!"

En zijn mond sperde zich bijna tot de ooren open.

»Er is waarachtig geen reden om te lachen," zei Kin-Fo.

»Om te schreien evenmin," antwoordde de kapitein.

De toestand had, 't is waar, op 't oogenblik niets verontrustends, maar 't was ook waar dat kapitein Yin onmogelijk kon zeggen waar de _Sam-Yep_ zich bevond.

Hoe zou hij zonder kompas gedurenden den wervelwind, die drie kwart van het kompas rondliep, bestek hebben kunnen houden! De jonk had voor top en takel, bijna naar geen roer luisterende, ten speelbal aan den orkaan gestrekt. Het was dus niet te verwonderen, dat de kapitein slechts zeer onvoldoende antwoorden op Kin-Fo's vragen kon geven. Maar hij had er wat minder vroolijkheid bij te pas kunnen brengen.

Hoe het ook zij, of de _Sam-Yep_ in de golf van Léao-Tong was medegevoerd, dan wel teruggeworpen in de golf van Pé-Tché-Li, in ieder geval moest de steven naar het noordwesten worden gericht. In die richting moest zich land bevinden. Het eenige punt in quaestie was alleen op welken afstand het lag.

Als hij het had kunnen doen, zou kapitein Yin zijne zeilen bijgezet en met de zon die op dat oogenblik helder scheen, meegegaan zijn.

Die mogelijkheid bestond echter niet.

Op den typhon was de meest volslagen kalmte gevolgd, geen tochtje in den dampkring, geen enkel zuchtje wind. Een spiegelgladde zee, nauwelijks in golving gebracht door een zware deining, die het schip over en weer deed slingeren zonder het vooruit te brengen. Er lag een heete damp op het water, en de lucht, die tijdens den nacht zoo zwart mogelijk was geweest, was nu zoo kalm, dat zij ten eenenmale ongeschikt scheen voor een worsteling der elementen. Het was een dier doodsche kalmten, omtrent wier duur men geen rekening kan maken.

»Dat ziet er mooi uit!", sprak Kin-Fo, voor zich heen. »Na den storm, die ons in volle zee heeft geslingerd, een windstilte die ons belet weder het land te bereiken."

En zich tot den kapitein wendende:

»Hoe lang kan die windstilte aanhouden?" vroeg hij.

»In dit jaargetijde, mijnheer? Ja, wie zal dat zeggen," antwoordde de kapitein.

»Uren of dagen?"

»Dagen of weken!" hernam Yin met een glimlach van kalme berusting, die zijn passagier bijna in toorn deed ontsteken.

»Weken!" riep Kin-Fo. »Denk je dat ik weken kan wachten."

»Dat zal toch dienen, of we moeten onze jonk op sleeptouw nemen!"

»De duivel hale je jonk en allen die er op zijn, en mij het eerst dat ik zoo dwaas ben geweest mij hier in te schepen!"

»Mijnheer," hernam kapitein Yin, »mag ik u iets aanraden!"

»Ga je gang!"

»Vooreerst kalm te gaan slapen, evenals ik ga doen; dat is een zeer verstandig besluit, na een nacht op het dek doorgebracht te hebben."

»En dan?" vroeg Kin-Fo, die door de kalmte van den kapitein zoo mogelijk nog wanhopiger werd gemaakt dan door die van de zee.

»En dan raad ik u aan", antwoordde Yin, »om het voorbeeld te volgen van mijn passagiers in het ruim. Die beklagen zich nooit en nemen het weder zooals het is."

Na deze wijsgeerige opmerking, Wang zelfs waardig, verdween de kapitein in zijn hut, terwijl twee of drie mannen van de equipage op het dek achterbleven.

Kin-Fo liep een kwartier van voren naar achteren, met over elkander gekruiste armen, terwijl zijne vingers van ongeduld trilden. Vervolgens wierp hij nog een blik op de doodsche, onbeweeglijke vlakte, waarvan de jonk het middelpunt uitmaakte, haalde de schouders op en trad zijn kajuit binnen zonder zelfs tot Fry-Craig een woord te richten.

Toch waren de beide agenten daar, rustig op de banken uitgestrekt en, naar hunne gewoonte, elkander verstaande zonder te spreken. Zij hadden de vragen van Kin-Fo gehoord en eveneens de antwoorden van den kapitein, maar geen deel aan het gesprek genomen. Waarvoor zou het gediend hebben, dat zij er zich mee bemoeiden, en waarom vooral zouden zij zich over het oponthoud beklaagd hebben, dat hun cliënt in zoo ontevreden stemming bracht?

In waarheid, zij mochten aan tijd verliezen, maar zij wonnen in veiligheid. Kin-Fo liep aan boord geen enkel gevaar, wijl de hand van Lao-Shen hem er niet kon bereiken; wat zouden zij meer gewenscht hebben?

De termijn waarop hunne verantwoordelijkheid ophield, naderde met rassche schreden. Nog veertig uur en geheel het leger van de Taï-pings had zich op den ex-cliënt van _de Eeuw_ kunnen werpen zonder dat zij een vinger zouden hebben uitgestoken om hem te helpen. Het zijn practische menschen, die Amerikanen! Aan Kin-Fo gehecht zoolang hij tweemaal honderdduizend dollars waard was! Dood onverschillig omtrent hetgeen hem zou overkomen als hij geen sapeke meer waard zou zijn!

Nadat Craig en Fry aldus geredeneerd hadden, gingen zij met den meesten eetlust ontbijten. Zij hadden goeden voorraad meegenomen en aten van denzelfden schotel, hetzelfde bord, eenzelfde hoeveelheid stukken brood en koud vleesch. Zij dronken eenzelfde aantal glazen van den heerlijken wijn van Chao-Chigne op de gezondheid van William J. Bidulph. Zij rookten ieder een half dozijn sigaren en bewezen op nieuw dat men Siamees kan wezen door gewoonte, als is men het niet door geboorte.

Die goede Yankees, die meenden dat zij aan het eind van hun rampspoed waren!

De dag ging rustig voorbij. Altijd dezelfde kalmte in de natuur, hetzelfde zachte, »mollige" voorkomen van den hemel. Niets deed eene verandering in de meteorologische gesteldheid van den dampkring vermoeden. De wateren van de zee waren onbeweeglijk als die van een meertje.

Tegen vier uur verscheen Soun op het dek, wankelend en waggelend als een dronken man, hoewel hij zijn geheele leven lang niet zoo matig geweest was als gedurende de laatste dagen.

Zijn gelaat dat eerst violet, daarna indigo, toen blauw, vervolgens groen geweest was, begon nu weer geel te worden. Weder op den vasten wal gekomen, zou hij zijn gewone kleur, oranje, spoedig herkrijgen. Als een opwelling van boosheid hem dan rood maakte, zou zijn gelaat successievelijk en in de natuurlijke volgorde al de kleuren van het spectrum vertoond hebben.

Soun sleepte zich naar de beide agenten, met halfgesloten oogen en zonder een blik te durven slaan over de verschansing van de _Sam-Yep_.

»Zijn wij er?"... vroeg hij.

»Neen," antwoordde Fry.

»Komen wij er haast?"

»Neen", antwoordde Craig.

»_Ai, ai, ya!_" kreet Soun.

En in diepen wanhoop, geen kracht in zich gevoelende om iets meer te zeggen, strekte hij zich aan den voet van den grooten mast uit, allerlei krampachtige bewegingen makende, waardoor zijn korte staart zich evenals het staartje van een hond bewoog.

Ondertusschen waren op bevel van kapitein Yin de luiken van het dek geopend om het ruim te luchten. Dat was een wijze voorzorgsmaatregel. De zon zou spoedig de vochtigheid doen opdrogen, die door een drie- of viertal golven, tijdens den typhon, in 't inwendige van 't vaartuig gebracht was.

Craig en Fry waren bij hunne wandelingen over het dek reeds herhaaldelijk blijven stilstaan bij het groote luik. Een gevoel van nieuwsgierigheid deed hen weldra besluiten om eens een kijkje te gaan nemen in het in een grafkelder herschapen ruim. Zij daalden dus de primitieve trap af, die daarheen leidde.

De zon wierp door het geopende luik hare stralen midden in het ruim, doch voor en achter was het zeer donker. De oogen van Craig en Fry gewenden daar echter spoedig aan en weldra waren zij in staat om te zien hoe deze buitengewone lading van de _Sam-Yep_ geborgen was.