Wonderlijke Avonturen Van Een Chinees Gevolgd Door Muiterij Aan
Chapter 10
Dien dag gevoelde zij behoefte de godin Koanine op nieuw aan te roepen en haar nog vuriger te bidden dan anders. Een voorgevoel zeide haar dat hij, dien zij zoo angstig verbeidde, door een groot gevaar werd bedreigd.
Lé-ou riep dus Nan, haar »oude moeder" en beval haar een draagstoel te gaan halen op den hoek der Groote Avenue.
Nan haalde de schouders op, op haar gewone onaangename wijze, en ging het haar gegeven bevel uitvoeren. De jonge weduwe beschouwde onderwijl in haar eenzaamheid het stomme werktuig, dat in lang de stem van den afwezige niet meer tot haar overgebracht had.
»Ach!" zeide zij, »hij moet ten minste weten dat ik niet opgehouden heb aan hem te denken en ik wil dat mijne stem het hem bij zijn terugkeer herhale!"
En Lé-ou bracht de phonografische rol in beweging en sprak in het werktuigje met luide stem de woorden waarin zij de gevoelens van haar hart wist te vertolken.
Nan brak, door haar onverwacht binnentreden, deze teedere alleenspraak af.
»De draagstoel is voor, mevrouw", klonk het en dan, ook vrij goed verstaanbaar: »ik begrijp niet wat zij nu uit doet!"
Lé-ou luisterde niet naar die laatste ontboezeming. Zij stapte dadelijk naar buiten, liet de »oude moeder" brommen en zette zich in den stoel, na bevel gegeven te hebben, dat men haar naar Koan-Ti-Miao moest brengen.
Het was een korte afstand. Men behoefde slechts de avenue van Cha-Coua te volgen tot aan de dwarsstraat en door de groote avenue tot aan de poort van Tien.
Maar de stoel kwam niet dan langzaam vooruit. De zaken waren nog in vollen gang en de samenstrooming van menschen was altijd in dat kwartier, een der volkrijkste van de hoofdstad, aanzienlijk. De uitstallingen der vreemde kooplieden langs den weg, gaven aan de avenue het voorkomen van een kermis met haar duizendvoud geschreeuw en geraas. Voorts zag men er volksredenaars, voorlezers, liedjeszangers, photografen, hansworsten, die niet zeer vleiend waren voor de gezaghebbende mandarijnen; ieder van hen bracht het zijne toe in het algemeen gedruisch. Nu eens ging er een plechtige begrafenisstoet voorbij en belemmerde de passage, dan weder was het een trouwpartij, minder vroolijk misschien dan de begrafenis, maar even lastig voor het verkeer op straat. Voor de yamen van een der magistraten was een oploop. Een ontevredene had op de klachtentrom geslagen en vroeg de tusschenkomst van de politie. Op den steen »Lé-ou-Ping" lag een misdadiger in zwijm; hij had de bastonnade ondergaan en werd bewaakt door politie-agenten in hun Mantsjoerijnschen mantel met roode eikels, met korte piek en twee sabels in één scheede. Wat verder werden een paar weerspannige Chineezen, die met de staarten aan elkaar waren gebonden, naar de gevangenis gebracht. Op eene andere plaats weder zag men een armen duivel, wiens linkerhand en rechtervoet in de twee gaten van een plank waren gebonden, en die zich als een vreemd soort dier al hinkende door de straten bewoog. Hier bespeurde men een dief die in een houten kast was gestopt waaruit alleen het hoofd te voorschijn kwam en die aan de openbare barmhartigheid was overgelaten; daar droegen er een paar het schandebord en gingen als ossen onder het juk gebukt. Deze ongelukkigen bewogen zich het liefst op de drukste plaatsen, in de hoop dan wat meer te zullen ontvangen, ten spijt van de vele bedelaars van alle soort, menschen met één arm, manken, lammen, geheele scharen van blinden door éénoogigen geleid en die duizenden werkelijk of voorgewende verminkten, waarvan de steden in het Bloemenrijk wemelen.
De draagstoel met de schoone Lé-ou ging slechts langzaam voorwaarts. De drukte nam, naarmate zij den buitensten boulevard bereikte, voortdurend toe. Toch kwam zij er eindelijk en hield stil binnen het bastion, 't welk de poort, vlak bij den tempel van de godin Koanine, verdedigt.
Lé-ou verliet den stoel, trad den tempel binnen, boog eerst het hoofd en knielde daarop voor het standbeeld van de godin. Vervolgens begaf zij zich naar een kerkelijk toestel, 't welk den naam ven »molen der gebeden" draagt.
Het was een soort van haspel, aan het uiteinde van welks acht takken kleine vlaggetjes bevestigd waren, die met gewijde spreuken waren bedekt.
Een priester wachtte, in ernstige houding bij het toestel staande, op de geloovigen, en vooral op 't geld voor de plechtigheid.
Lé-ou gaf den dienaar van Bouddha eenige taëls, bestemd om te voorzien in de behoefte van den eeredienst; daarop greep zij met haar rechterhand de kruk van den haspel en gaf er eene lichte, draaiende beweging aan, na de linkerhand op het hart te hebben gelegd. Het scheen dat de haspel niet snel genoeg draaide om het gebed te doen verhooren.
»Sneller!" zeide haar de priester, eene aanmoedigende beweging met de hand makende.
En de jonge vrouw draaide vlugger.
Nadat dit ongeveer een kwartier geduurd had, verklaarde de priester, dat de wenschen van de smeekende verhoord zouden worden.
Lé-ou boog zich op nieuw voor het standbeeld van de godin Koanine, verliet den tempel en nam weder plaats in den draagstoel, om huiswaarts te keeren.
Maar toen zij de groote avenue zou ingaan, moesten de dragers zich onmiddellijk ter zijde begeven. Soldaten dreven de bevolking ruw uiteen. De winkels werden gesloten. De dwarsstraten werden onder de hoede der tipaos met blauwe kleeden afgesloten. Een talrijke stoet nam een deel van de avenue in en naderde met groot getier.
Het was de keizer Koang-Sin, dat wil zeggen »Voortduring van Roem", die zijn goede Tartaarsche stad binnentrad en voor wien de middenpoort geopend was.
Na de beide ruiters die den stoet openden, volgde een peloton verkenners en daarna een peloton rijknechten, in twee gelederen opgesteld, en met den stok in den draagband.
Zij werden op hunne beurt gevolgd door een groep officieren van hoogen rang, die de gele parasol met den draak ontplooiden, het zinnebeeld van den keizer, even als de phenix het zinnebeeld is van de keizerin.
De palankijn, de Indische draagzetel, waarvan het dekkleed van gele zijde naar boven was geslagen, verscheen vervolgens. Zij werd getorscht door zestien dragers, allen in rood onderkleed, dat met witte rozetten bezaaid was, terwijl een vest van gele zijde hun borst omsloot. De prinsen van den bloede, de hooge waardigheidsbekleeders op paarden met gele zijden tuigen--teeken van hoogen adel--gezeten, vergezelden het keizerlijk voertuig.
In den palankijn bevond zich half uitgestrekt de zoon des Hemels, de neef van keizer Tong-Tebe en de neef van prins Kong.
Na den palankijn kwamen palfreniers en bedienden.
De stoet ging daarop de poort van Tien door, tot groote voldoening van de voorbijgangers, kooplieden, bedelaars, die nu hunne zaken konden hervatten.
Ook de draagstoel van Lé-ou vervolgde zijn weg en bracht haar na eene afwezigheid van twee uren weder voor haar woning.
De goede godin Koanine had in dien tijd de jonge vrouw eene heerlijke verrassing bereid.
Juist toen de draagstoel stilhield, naderde een van onderen tot boven met stof bedekt rijtuig, door twee muilezels getrokken, de deur. Daaruit stapte Kin-Fo, gevolgd door Craig-Fry en Soun!....
»Gij hier! Gij!" riep Lé-ou, die hare oogen nauwelijks dorst gelooven.
»Allerliefste jongste zuster!" antwoordde Kin-Fo, »je hebt toch niet aan mijn terugkomst getwijfeld!..."
Lé-ou antwoordde niet. Zij nam haren vriend bij de hand, geleidde hem in haar boudoir voor het kleine phonografische toestel, den bescheiden deelgenoot van haar verdriet!
»Er is geen oogenblik voorbijgegaan waarop ik u niet verwachtte; o, gij met zijden bloemen versierd hart!" zeide zij.
En de rol verplaatsende, drukte zij op de veer die haar weder in beweging bracht.
Kin-Fo kon toen met eene zachte stem de woorden hooren herhalen, die de teedere Lé-ou eenige uren geleden gesproken had:
»Keer terug, liefste broeder! Keer bij mij terug! Dat onze harten niet langer gescheiden blijven! Uw terugkomst houdt al mijn gedachten bezig..."
Het toestel hield eene seconde op... niet langer dan eene seconde. Toen hernam het, maar nu met een krijschende stem:
»'t Is niet genoeg dat er een meesteres in huis is, er moet noodzakelijk nog een meester bijkomen! Moge vorst Ien hen beiden verderven!"
Deze tweede stem was maar al te goed te onderscheiden. Het was die van Nan. De nare »oude moeder" was voortgegaan met spreken na het vertrek van Lé-ou, terwijl het toestel nog werkte en dit had, geheel tegen haar bedoeling, hare onvoorzichtige woorden opgevangen!
Dienstmeisjes en knechts, past op de phonografen!
Nog op dien dag kreeg Nan haar afscheid en men wachtte zelfs de laatste dagen der zevende maan niet af, om haar buiten de deur te zetten.
XV.
't Geen melding maakt van eene verrassing voor Kin-Fo en waarschijnlijk ook voor den lezer.
Niets stond het huwelijk van den rijken Kin-Fo van Shang-Haï met de beminnelijke Lé-ou van Peking langer in den weg. Binnen zes dagen zou de termijn verstreken zijn, die aan Wang was toegestaan om zijne belofte te houden; maar de ongelukkige philosoof had zijn onverklaarbare vlucht met den dood bekocht. Er was dus voor hem niets meer te vreezen. Het huwelijk kon plaats hebben. Het werd vastgesteld op den 25n dag van Juni, denzelfden dag dien Kin-Fo bestemd had om de laatste zijns levens te zijn!
De jonge vrouw kende nu den geheelen toestand. Zij wist wat hij ondervonden had, die de eerste maal geweigerd had om haar ongelukkig en de tweede maal om haar weduwe te maken. Thans kwam hij tot haar terug om haar gelukkig te doen zijn.
Lé-ou kon, toen zij den dood van den philosoof vernam, hare tranen niet weerhouden. Zij kende hem, zij beminde hem, hij was de eerste vertrouwde geweest van haar liefde voor Kin-Fo.
»Arme Wang!" zeide zij. »Hij zal bij ons huwelijk ontbreken."
»Ja! arme Wang," antwoordde Kin-Fo, die even als zij den makker van zijn jeugd, den vriend die hem langer dan twintig jaar ter zijde had gestaan, betreurde. »En toch," voegde hij er bij, »hij zou mij gedood hebben, zooals hij gezworen had te doen."
»Neen, neen!" zeide Lé-ou, het lieve hoofdje schuddende, »en wellicht heeft hij den dood in de golven van de Peï-ho gezocht om te ontsnappen aan de vervulling van deze verschrikkelijke belofte."
Helaas! De onderstelling was maar al te aannemelijk dat Wang besloten had zich te verdrinken om te ontsnappen aan de verplichting die hij op zich genomen had. Kin-Fo deelde op dit punt geheel de meening van de jonge vrouw en in hun beider hart was het beeld van den philosoof met onuitwischbare trekken gemaald.
Het is licht te begrijpen dat de Chineesche bladen, na het ongeluk op de brug te Palikao, ophielden met de dwaze advertentiën van den heer William J. Bidulph op te nemen en dat de lastige beroemdheid van Kin-Fo even spoedig verdween als zij gekomen was.
Wat moest er inmiddels met Craig en Fry gebeuren? Zij waren wel tot 30 Juni belast met het verdedigen der belangen van de Eeuw, dat is te zeggen nog gedurende tien dagen; maar Kin-Fo had hunne diensten niet langer noodig. Was het te vreezen dat Wang zijn leven zou bedreigen? Neen, want Wang was dood. Konden zij onderstellen dat hun cliënt de hand aan zichzelf zou slaan? Evenmin. Kin-Fo verlangde niets vuriger dan te leven, goed te leven, zoo lang mogelijk te leven. Er bestond dus geen reden hoegenaamd meer voor het toezicht van Fry-Craig.
Maar het waren een paar brave kerels, deze beide zonderlingen. Zij hadden wel is waar alleen den _cliënt_ van de _Eeuw_ bewaakt, maar hun zorg was aanhoudend en flink geweest. Kin-Fo noodigde hen daarom uit bij zijn huwelijk tegenwoordig te zijn, en dat namen zij aan.
»Overigens", merkte Fry grappig op, »is een huwelijk somtijds een zelfmoord."
»Men sterft dan om in zijn wederhelft te herleven," antwoordde Craig met een beminnelijken glimlach.
Reeds den volgenden dag was Nan in het huis in de avenue Cha-Coua door een meer geschikt persoon vervangen. Eene tante van de jonge vrouw, mevrouw Luhalou, was bij haar gekomen en zou bij de huwelijksplechtigheid de plaats harer moeder innemen. Mevrouw Luhalou, de vrouw van een mandarijn van den vierden rang, tweede klasse, van den blauwen knoop, oud-keizerlijk voorlezer en lid van de academie van Han-Lin, bezat alle lichamelijke en geestelijke eigenschappen, noodig om hare gewichtige betrekking naar eisch te vervullen.
Wat Kin-Fo betreft, hij was voornemens Peking na zijn huwelijk te verlaten, daar hij niet tot die zonen van het vorstelijke Hemelsche Rijk behoorde, die gaarne in de buurt van de paleizen wonen. Hij zou eerst in waarheid gelukkig zijn, als hij met zijne jonge vrouw in de rijke yamen te Shang-Haï was gekomen.
Kin-Fo had tijdelijk eene woning moeten betrekken en hij had die gevonden in de Tiène-Fou-Tang, den »tempel van het hemelsch geluk", een zeer goed ingericht hotel en restaurant, gelegen in de nabijheid van den boulevard van Tiene-Men, tusschen de Tartaarsche en Chineesche stad. Daar waren ook Craig en Fray ingekwartierd, die, uit gewoonte, hun cliënt nog niet konden verlaten. Wat Soun aangaat, hij had zijn dienst hervat, altijd ontevreden, maar wel zorg dragende dat hij zijn gevoel geen lucht gaf in de nabijheid van een onbescheiden phonograaf. Hetgeen met Nan gebeurd was, had hem voorzichtig gemaakt.
Kin-Fo had het genoegen te Peking zijne Cantonsche vrienden, den koopman Yin-Pang en den letterkundige Houal terug te vinden. Voorts kende hij eenige ambtenaren en handelslieden in de hoofdstad, en ieder van hen was hem in de tegenwoordige omstandigheden zooveel mogelijk van dienst.
De onverschillige van vroeger, de doodkalme leerling van den philosoof Wang, is nu werkelijk gelukkig. Twee maanden van zorg, onrust, vermoeienissen, dit geheele veelbewogen tijdvak van zijn bestaan, had hem leeren waardeeren wat het geluk is, wat het wezen moet en wat het wezen kan. Ja! de wijze philosoof had gelijk! Ach, waarom was hij niet tegenwoordig, om nogmaals de voortreffelijkheid van zijn leer bevestigd te zien!
Kin-Fo bracht nu bij zijne aanstaande jonge vrouw al den tijd door, dien hij niet besteedde tot het maken van voorbereidsels voor de plechtigheid. Lé-ou gevoelde zich gelukkig als haar vriend slechts bij haar was. Wat behoefde hij de rijkste magazijnen der stad schatplichtig te maken, om haar met kostbare geschenken te overladen? Zij dacht alleen aan hem en herhaalde gedurig de wijze spreuken der beroemde Pan-Hoei-Pan:
»Als eene vrouw een echtgenoot vindt naar haar hart, is dat voor haar geheele leven.
De vrouw moet een onbegrensden eerbied hebben voor hem wiens naam zij draagt en voortdurend een wacht stellen op zich zelve.
De vrouw moet in huis als een schaduw zijn en een eenvoudige echo.
De hemel der vrouw is haar gemaal."
De toebereidselen voor het feest, waaraan Kin-Fo den grootst mogelijken luister wenschte bij te zetten, werden inmiddels voortgezet.
Reeds stonden de dertig paar geborduurde schoenen, die tot het uitzet eener Chineesche behooren, gerangschikt in de woning van de avenue Cha-Coua. Het boudoir van Lé-ou prijkte met keur van suikergebak, confituren, gedroogde vruchten, suikeramandelen, pruimensiroop, oranjeappels, gember en pampelmoes, prachtige zijden stoffen, kostbare en rijk gezette edelgesteenten, ringen, armbanden, nagelkokertjes, haarnaalden, en al wat de Pekingsche juweliers slechts aan fijne en elegante kostbaarheden voorhanden hadden.
Bij het huwelijk eener jonge dochter in dat zonderlinge Chineesche rijk brengt zij nooit zelve eenig uitzet of huwelijksgift mede. Zij wordt steeds gekocht door de ouders van haren toekomstigen man of door dien man zelf. Zij krijgt ook nooit eenig deel van hetgeen haar vader nalaat, tenzij deze zulks vooraf uitdrukkelijk bepaald hebbe. Deze voorwaarden worden gewoonlijk vóór het huwelijk geregeld door tusschenpersonen of wederzijdsche kennissen, die men »mei-jin" noemt, en het huwelijk heeft niet plaats voordat alles behoorlijk en nauwkeurig is bepaald.
De jonge bruid wordt dan aan de ouders van den bruidegom voorgesteld. Deze zelf krijgt haar niet te zien. Dat gebeurt eerst als zij uit den draagstoel stapt, waarin men haar naar de echtelijke woning heeft gebracht. De man doet dan zelf de deur open. Als zijne bruid hem aanstaat reikt hij haar de hand; in het tegenovergestelde geval slaat hij de deur weder voor haar dicht en alles is uit, mits hij aan de ouders van het meisje de gemaakte onkosten slechts vergoedt.
Bij het huwelijk van Kin-Fo kon iets dergelijks niet voorkomen. Hij kende de jonge vrouw en hij behoefde haar van niemand te koopen. Dit maakte de zaak voor hem heel wat eenvoudiger.
Eindelijk brak de dag van 25 Juni aan en alles was gereed.
Sedert drie dagen was, volgens het gebruik, het huis van Lé-ou dag en nacht verlicht gebleven; sedert drie dagen had mevr. Luhalou, die de familie der jonge vrouw vertegenwoordigde, zich van slaap moeten onthouden--een voorschrift dat tot uitwerking hebben moet dat men er zeer treurig uitziet als de verloofde haar woning voor goed verlaat. Als Kin-Fo ouders gehad had zou zijn eigen huis eveneens drie dagen verlicht moeten geworden zijn, als een teeken van rouw, »omdat men het huwelijk van den zoon moet beschouwen als een zinnebeeld van den dood des vaders en omdat de zoon hem dan schijnt op te volgen", zegt de Hao-Khiéou-Tchouen.
Maar, behoefden deze voorvaderlijke gebruiken al niet toegepast te worden bij het huwelijk van twee personen die beiden volkomen vrij waren, dan waren er nog andere waarmede men wel degelijk rekenschap moest houden.
Zoo was bij voorbeeld geen der astrologische ceremoniën verzuimd. De horoscopen waren getrokken naar alle regelen der kunst en hadden prachtige uitkomsten opgeleverd: inborst, humeur, alles stemde met elkander overeen. De tijd van het jaar en de ouderdom der maan waren zeer gunstig. Nooit was er een huwelijk onder zulke geruststellende voorteekenen beraamd.
De bruid zou des avonds te acht uur in het hotel van het »Hemelsche Geluk" ontvangen worden; dat wil zeggen, dan zou zij in groote statie de woning van haren echtgenoot binnentreden. In China verschijnt men bij zulke gelegenheden noch voor een overheidspersoon noch voor eenig geestelijke, van welken aard ook.
Om zeven uur ontving Kin-Fo zijne vrienden op den drempel van zijne woning. Craig en Fry waren bij hem en prijkten in een fonkelnieuw gewaad even als de getuigen op een Europeesche bruiloft.
Welk een wedstrijd van beleefdheden! Al deze aanzienlijke gasten waren uitgenoodigd door roode kaarten, waarop men in mikroskopisch schrift las:
»De heer Kin-Fo, van Shang-Haï, brengt zijn nederigen groet aan den heer ..... en smeekt hem nog nederiger ..... met zijn tegenwoordigheid de nederige plechtigheid te willen vereeren ....." enz.
Al de door Kin-Fo genoodigden waren gekomen om de bruid en den bruidegom eer te bewijzen en om deel te nemen aan het prachtige feestmaal dat voor de heeren toebereid was, terwijl de dames zich aan eene voor haar afzonderlijk gereed gemaakte tafel zouden vereenigen.
Daar waren de koopman Yin-Pang en Houal, de letterkundige. Voorts waren er eenige mandarijnen, die aan hun officieel hoofddeksel de roode bal droegen, ter grootte van een ei, als teeken dat zij tot de drie hoogste rangen behoorden. Andere, van minderen rang, hadden slechts ondoorschijnende blauwe of witte knoopen. De meeste waren burgerlijke overheidspersonen of ambtenaren van Chineesche afkomst, die reeds daardoor bevriend waren met een Shang-Haïer, afkeerig van het Tartaarsche ras. Allen, in prachtige scharlaken kleederen gehuld, vormden een waarlijk schitterenden stoet.
Kin-Fo wachtte hen, zooals de beleefdheid het eischte, op den drempel van zijn hotel af. Zoodra zij aangekomen waren, geleidde hij hen naar de receptiezaal, nadat hij hun tweemaal verzocht had hem vóór te gaan bij elk der deuren, die bedienden in groot livrei voor hen openden. Hij noemde ze bij hun »edelen naam", vroeg hoe het met hunne »edele gezondheid" was, en informeerde naar hunne »edele betrekkingen." Kortom, de meest nauwgezette waarnemer van deze kinderachtige beleefdheidsvormen zou niets op zijne houding hebben kunnen afdingen.
Craig en Fry bewonderden al wat zij zagen, maar wijdden toch in de allereerste plaats hun aandacht aan Kin-Fo zelf, wien zij geen oogenblik uit het oog verloren.
Een zelfde denkbeeld was plotseling bij hen opgekomen. Indien het onmogelijke eens waar mocht zijn en Wang den dood eens niet gevonden had in de rivier, zooals men algemeen aannam?... Als hij onder deze schaar van genoodigden rondsloop?... Het vier en twintigste uur van den vijf en twintigsten dag van Juni--het uiterste uur--was nog niet geslagen. De hand van den Taï-ping was nog niet ontwapend. Als hij eens op het laatste oogenblik...?
Neen, het was wel niet waarschijnlijk, maar het was toch ook niet geheel onmogelijk. Uit overmaat van voorzichtigheid zagen Craig en Fry dus zorgvuldig al de leden van het gezelschap aan.... Zij zagen er echter volstrekt niemand onder, die hun verdacht voorkwam.
Onderwijl verliet de aanstaande van Kin-Fo haar huis in de avenue van Cha-Coua en nam zij plaats in een gesloten palankijn.
Had Kin-Fo al het mandarijnen kleed niet willen aandoen, dat elke bruidegom het recht heeft te dragen,--uit eer voor de instelling des huwelijks, dat bij de oude wetgevers in hooge achting gehouden werd,--Lé-ou was in alle opzichten de voorschriften der groote wereld nagekomen. Zij schitterde in haar toilet van een bewonderenswaardig fraai weefsel van roodgeborduurde zijde. Haar gestalte verdween als het ware onder een sluier van fijne paarlen, die als druppels schenen te vallen van een kostbaren diadeem, welks gouden band haar voorhoofd omsloot. Edelgesteenten en kunstbloemen, die van fijnen smaak getuigden, waren door haar kapsel en hare lange, zwarte vlechten geslingerd. Kin-Fo zou haar ongetwijfeld bekoorlijker vinden dan ooit als zij straks uit den palankijn zou stappen, door zijne hand ontsloten.
De stoet ging op weg. Hij ging het plein over om in de Groote Avenue te komen en langs den boulevard van Tiène-Man te gaan. Ongetwijfeld zou hij prachtiger geweest zijn als het eene begrafenis had gegolden, maar ook nu verdiende hij dat de voorbijgangers stilhielden om hem eenige oogenblikken na te staren.
Vriendinnen en kennissen van Lé-ou volgden den palankijn en droegen in groote staatsie de verschillende kostbare stukken uit haar bruidskorf. Een twintigtal muzikanten ging voorop, veel geraas makende op hunne koperen instrumenten en begeleid door het helderklinkende geluid van den gong. Om den palankijn zag men een aantal bedienden met toortsen en gekleurde lampions. De bruid bleef voor de oogen der menigte verborgen, want de etiquette eischte dat de eerste blik, die op haar geslagen werd, die van haar gemaal wezen zou.
Zoo kwam dan de stoet te midden van het gejuich der aanwezigen tegen acht uur des avonds voor de deuren van het »hotel van het Hemelsche Geluk."
Kin-Fo stond aan den rijk versierden ingang. Hij wachtte op de aankomst van den palankijn, om de deur er van onmiddellijk te kunnen openen. Als dat gedaan was zou hij zijne aanstaande helpen uitstijgen en naar een afzonderlijk vertrek voeren, waar beiden den hemel viermaal zouden groeten. Daarna zouden zij zich naar den bruiloftsdisch begeven. De bruid zou viermaal hare knieën buigen voor haren bruidegom, deze zou het dan tweemaal doen voor zijn bruid. Zij zouden eenige droppels wijn plengen en eenige spijs strooien voor de geesten, die hun huwelijk gelukkig moesten maken. Dan zou men hun twee volle bekers brengen. Elk zou den zijne half leeg drinken; dan zouden zij het overblijvende dooreen mengen en dit te zamen opdrinken. Dat zou het zinnebeeld van het voltrokken huwelijk zijn.
De palankijn was aangekomen en Kin-Fo trad vooruit. Een ceremoniemeester reikte hem den sleutel over. Hij nam dien aan, deed de deur van de draagkoets open en reikte de schoone Lé-ou bewogen de hand. De bruid trad er schuchter uit en volgde Kin-Fo tusschen de genoodigden door, die zich eerbiedig bogen en de hand aan de borst brachten.