Winnetou

Part 6

Chapter 64,142 wordsPublic domain

Terwijl het muildier pogingen deed om mij, evenals Sam, uit den zadel te lichten, nam ik de lasso, die, van den hals afhangend, op den grond sleepte, bij elkaar en hield hem juist boven den strop vast. Zoodra ik merkte, dat het dier wilde gaan liggen, trok ik aan, en door deze behandeling en door den druk mijner knieën, hield ik het op de beenen. Het was een moeilijke strijd, durf ik zeggen, ik begon uit al mijn poriën te zweeten, maar het muildier zweette nog veel meer, het zweet droop hem van het lichaam en groote vlokken schuim vlogen uit zijn bek. Zijn bewegingen werden zwakker en zwakker, zijn eerst woedend gesnuif ging over in een kort hoesten, en eindelijk stortte het onder mij neer, niet uit willekeur, maar van vermoeidheid en uitputting. Met verdraaide oogen bleef het onbeweeglijk liggen. Ik haalde diep, diep adem, het was of al mijn spieren en zenuwen verscheurd waren.

—Jongen, wat zijt ge toch voor een mensch?—riep Sam.—Gij zijt sterker geweest dan dit dier! Als gij uw gezicht kondt zien, zoudt gij er van schrikken!

—Dat wil ik wel gelooven.

—Uw oogen puilen uit het gezicht. Uw lippen zijn gezwollen en uw wangen zijn letterlijk blauw.

—Dat komt er van, als men een „greenhorn” is en zich niet uit den zadel wil laten werpen, terwijl een ander, die een meester in het mustangvangen heet, een buiteling maakt, zijn eigen paard aan het muildier koppelt en ze samen een wandeling laat maken.

Hij trok een jammerlijk gezicht en zeide op klagenden toon:

—Houd u toch stil sir, ik zeg u, zoo iets overkomt den besten jager wel eens. Gij hebt gisteren en vandaag een paar mooie dagen gehad.

—Ik hoop nog meer zulke dagen te beleven, maar voor u zijn ze erg genoeg. Hoe staat het met uw ribben en andere beenderen?

—Ik weet het niet, ik zal later eens tellen of ik ze nog alle heb, maar nu beven ze in mijn lichaam. Dat is een beest, zooals ik er nog nooit een onder mij gehad heb. Ik hoop, dat het tot bezinning gekomen zal zijn!

—Zie het dier eens aan, het ligt daar om medelijden mee te krijgen. Wij zullen zadelen en dan kunt gij er op naar huis rijden.

—Dan begint hij natuurlijk weer te springen!

—Geen sprake van, die heeft vooreerst genoeg, het is een verstandig dier, en gij zult er veel plezier van hebben.

—Ja, dat geloof ik ook, ik had het dadelijk op dit paard gemunt, gij op den schimmel, wat een groote dwaasheid was.

—Weet gij dat zeker?

—Natuurlijk was het een dwaasheid.

—Dat bedoel ik niet, maar of ik het op den schimmel gemunt had.

—Op wat dan anders?

—Ook op het muildier!

—Werkelijk?

—Ja, al ben ik ook een „greenhorn” ik weet toch wel, dat een schimmel niets waard is voor een prairiejager. Het muildier beviel mij dadelijk, toen ik het zag.

—Ja, gij hebt een goed verstand van paarden, dat moet ik toestemmen.

—Dank u voor ’t compliment, Sam, maar help mij nu het dier eens op de been brengen.

Wij deden dit, het arme beest stond stil en sidderde over al zijn leden. Het verweerde zich ook niet, toen wij den zadel vastgespten en den teugel aanlegden, en toen Sam opgestegen was, gehoorzaamde het gewillig als een goed gedresseerd paard.

—Deze heeft reeds eenmaal een meester gehad,—zeide Sam,—dat kan ik merken, het is zeker weggeloopen. Weet ge, hoe ik het zal noemen?

—Welnu?

—Mary. Ik heb vroeger eens een muildier gehad, dat ook Mary heette en dan behoef ik niet de moeite te doen een anderen naam te bedenken.

—Dus het paard Mary en het geweer Liddy.

—Ja, twee allerliefste namen, vindt ge niet? En nu heb ik een ernstig verzoek aan u.

—Welk?

—Spreek niet over wat hier gebeurd is, ik zal er u erg dankbaar voor zijn.

—Dat is niet noodig, ik beloof u te zullen zwijgen.

—Goed; wat zouden ze daarginds in de legerplaats lachen, als ze wisten hoe Sam Hawkins aan zijn Mary gekomen was. Als gij u stil houdt, zal ik...

—Och kom! viel ik hem in de rede,—het is immers de moeite niet waard, daarover nog meer woorden te verspillen. Gij zijt immers mijn leeraar en mijn vriend, meer behoef ik u niet te zeggen.

Toen werden zijn kleine, schrandere oogjes vochtig en riep hij vol geestdrift uit:

—Ja, uw vriend ben ik en als ik wist, dat gij ook maar een heel klein beetje van mij hieldt, zou dat mijn arm hart oneindig veel genoegen doen.

Ik reikte hem de hand en antwoordde:

—Gij kunt verzekerd zijn, Sam, dat ik veel van u houd, ja, zooveel ongeveer als men van een braven, goeden oom houdt. Is u dat genoeg?

—Zeker, sir, zeker! Ik ben er zoo blij mee, dat ik u wel gaarne dadelijk een groot genoegen zou willen doen. Zeg mij, wat ik doen zal! Zal ik—zal ik—bij voorbeeld, deze nieuwe Mary voor uw oogen met huid en haar verslinden? Of zal ik, als ge dit beter vindt, me zelf opeten? Of zal ik...

—Zwijg toch!—lachte ik.—In beide gevallen zou ik u verliezen, in ’t eerste zou er niets van u overblijven, en in het tweede zoudt gij sterven aan een indigestie, want uw maag zou uw pruik nooit kunnen verteren. Gij hebt mij bovendien reeds zoo dikwijls een dienst bewezen en zult daartoe nog wel eens in de gelegenheid komen. Blijf dus voorloopig met uw Mary maar in leven en maak dat wij spoedig weer in de legerplaats komen, ik moet aan ’t werk.

—Werk? Gij hebt vandaag genoeg werk gedaan, als ik mij niet vergis!

Ik bond Dick Stone’s paard met de lasso aan het mijne vast en wij reden weg. De mustangs waren natuurlijk alle reeds lang uit het gezicht verdwenen, het muildier luisterde gewillig naar de bevelen van zijn meester en Sam riep zoo nu en dan verheugd uit:

—Zij heeft een uitstekenden meester gehad, deze Mary! Ik voel en merk bij iederen tred, dat ik voortaan een voortreffelijk paard zal hebben. Zij herinnert zich langzamerhand, wat zij vroeger geleerd en onder de mustangs vergeten heeft. Ik hoop, dat zij niet alleen temperament, maar ook karakter bezit.

—Als zij dat nog niet heeft, kunt gij ’t haar nog leeren, zij is nog niet oud!

—Hoe oud denkt gij, dat zij is?

—Vijf jaar, ouder niet.

—Dat is ook mijn meening. Ik zal later eens nauwkeurig onderzoeken, of ’t werkelijk zoo is. Ik heb dit paard alleen aan u te danken, alleen aan u, sir! Dit waren twee leelijke dagen voor mij, maar voor u zeer eervolle. Hadt gij wel gedacht, dat gij de buffel en de paardenjacht zoo spoedig achter elkaar zoudt meemaken?

—Och, waarom niet? Men moet hier in ’t Westen op alles voorbereid zijn. Ik hoop aan nog meer dergelijke jachten deel te zullen nemen.

—Hm ja, ’t is te hopen, dat gij er dan even eervol afkomt. Gisteren vooral hing uw leven aan een zijden draadje. Gij hebt te veel gewaagd, gij moogt nooit vergeten, dat gij nog „een greenhorn” zijt! Laat ge me daar niet den buffel kalm tot u komen en schiet hem dan recht in de oogen! Heeft men wel ooit zoo iets gehoord! Gij zijt nog onervaren en hebt de bisons onderschat. Neem u later beter in acht en heb niet al te veel zelfvertrouwen. De jacht op buffels is zeer gevaarlijk. Er is maar één die nog gevaarlijker is.

—Welke dan?

—De jacht op beren.

—Meent gij de jacht op den zwarten beer met gelen snuit?

—Op den Baribal? Neen, dat is een zeer goedig en vreedzaam dier, dat men allerlei kunstjes kan leeren. Neen, ik bedoel den Grizzly, den grijzen beer uit het rotsgebergte. Gij hebt zeker wel over hem gelezen?

—Ja.

—Wil maar hopen, dat gij hem nooit ontmoet. Als hij op zijn achterpooten staat, is hij twee voet langer dan gij, met één knauw heeft hij uw hoofd verbrijzeld en als hij aangevallen wordt en kwaad gemaakt wordt, rust hij niet, voor er van zijn vijand geen stukje meer over is.

—Kom, kom!

—Zie, daar hebt ge nu weer uw groote lichtzinnigheid! Gij spreekt van den grooten, onoverwinnelijken grijzen beer met een geringschatting, die kant noch wal raakt.

—Wel neen, ik acht hem ook zeer gevaarlijk, maar onoverwinnelijk, zooals gij daar zegt, is hij toch niet. Geen roofdier is onoverwinnelijk, ook de Grizzly niet.

—Hebt gij dat misschien ook gelezen?

—Ja zeker.

—Hm, ik geloof, dat de boeken, die gij hebt gelezen u zoo lichtzinnig hebben gemaakt. Gij zijt toch anders zulk een verstandig mensch, als ik mij niet vergis! Gij zoudt in staat zijn, om op den grijzen beer op dezelfde manier los te trekken, als gisteren op de bisons.

—Als ik niet anders kon, zeker!

—Niet anders kon! Onzin! Wat bedoelt ge met deze woorden? Ieder mensch kan anders, als hij wil!

—Dat wil zeggen, hij kan op de vlucht trekken, als hij laf is, bedoelt ge dat?

—Ja, maar van lafheid is daarbij geen sprake. Het is geen lafheid voor den Grizzly te vluchten, integendeel, het is zelfmoord hem aan te vallen.

—Dan verschillen wij van meening. Wanneer hij mij verrast en mij geen tijd laat te vluchten, moet ik mij verdedigen. Als hij een van mijn makkers aanvalt, moet ik hem te hulp komen. Dat zijn twee gevallen, waarin ik niet kan of mag vluchten. En bovendien kan ik mij zeer goed denken, dat een dapper prairiejager lust krijgt eens den strijd met den grijzen beer te wagen, om zijn moed te toonen, een gevaarlijk roofdier onschadelijk te maken en eens lekker te smullen van de ham en de klauwen.

—Gij zijt een onverbeterlijk mensch, en ik word waarlijk bang voor u! Bid God, dat gij nooit met die ham en die klauwen kennis maakt, al wil ik niet ontkennen, dat er niets op de geheele wereld is, dat lekkerder smaakt.

—Waarschijnlijk behoeft ge vooreerst nog niet bezorgd over mij te zijn. Of zijn hier in deze streek ook grijze beren?

—Zeker waarom niet? De Grizzlybeer vindt men in ’t geheele gebergte, hij volgt den loop der rivieren en komt soms tot in de prairiën! Wee dengene, dien hij daar aantreft. Laat ons er niet verder over spreken.

Hij vermoedde evenmin als ik, dat reeds den volgenden dag dit thema opnieuw ter sprake zou komen en wij dit gevreesde dier op onzen weg zouden ontmoeten. Er was geen tijd meer het gesprek verder voort te zetten, want wij waren nu bij de legerplaats aangekomen. Men had in dien tusschentijd flink gewerkt, Bancroft had eens willen toonen, dat hij, als ’t moest, ook nog wel iets kon.

Toen men ons zag aankomen, riep men reeds van verre:

—Een muildier, een muildier, waar haalt ge dat vandaan?

—Over de post gekregen!—antwoordde Hawkins met den grootsten ernst.

—Niet mogelijk en van wien dan?

—Onder kruisband, voor twee cent, wilt gij het omslag zien?

Eenigen lachten, anderen scholden, maar Sam had zijn doel bereikt, men vroeg niet verder. Of hij tegen Dick Stone en Willy Parker iets mededeelzamer was, kon ik niet zien, daar ik dadelijk aan ’t werk ging. Wij vorderden goed en tegen den avond waren wij zoover, dat wij den volgenden morgen beginnen konden, het dal op te meten, in ’t welk wij den vorigen dag de bisons gejaagd hadden. Toen ik daarover met Sam sprak, vroeg ik hem, of het niet mogelijk was, dat wij in onzen arbeid door de buffels gestoord zouden worden, daar zij waarschijnlijk door dit dal wilden trekken. Wij hadden slechts met de voorhoede te doen gehad en konden ons dus voorbereiden op de komst van den hoofdtroep. Sam antwoordde evenwel:

—Wees daarvoor niet bang, sir. De bisons zijn even slim als de mustangs. De door ons verjaagde voorposten zijn teruggekeerd en hebben de kudde gewaarschuwd, deze neemt nu een anderen weg en zal zich wel wachten door dit dal te komen.

Toen de morgen aanbrak, verlegden wij onze legerplaats. Hawkins, Stone en Parker hielpen ons daarbij niet, want de eerste wilde zijn „Mary” inrijden en de beide anderen waren met hem meegegaan naar de prairie, waar dit kunststuk zou worden vertoond.

Wij, opzichters, hadden het druk met het aanbrengen der meetstangen, waarbij eenige ondergeschikten van Rattler ons hielpen; deze zelf slenterde met de anderen wat in de omgeving rond. Daarbij kwamen wij, en hij ook, dicht bij de plek, waar ik de beide buffels had doodgeschoten. Tot mijn verbazing bemerkte ik, dat de oude buffel er niet meer lag. Wij gingen er naar toe, en zagen dat, van de plek, waar hij gelegen had, een breed spoor leidde tot aan het kreupelhout, het gras was geheel platgetreden.

—Wel duivels! hoe is dat mogelijk—riep Rattler—Ik heb toen wij het vleesch haalden, de stieren toch goed onderzocht, zij waren dood en toch heeft deze nog leven in zich gehad.

—Meent gij dat?—vroeg ik.

—Zeker, of denkt gij dat een doode buffel aan den haal kan gaan.

—Moet hij zelf aan den haal zijn gegaan, kan een ander hem niet hebben gehaald?

—Zoo, en wie zou dat dan kunnen zijn?

—Indianen bijvoorbeeld! Wij hebben daarginds hun voetspoor gezien.

—Zoo, wat kan zulk een „greenhorn” toch verstandig praten. Waar zouden de Indianen vandaan zijn gekomen?

—Wel van hier of daar.

—Dat is natuurlijk, uit den hemel misschien, want anders zou men hier toch hun sporen zien. Neen, er is nog leven in den buffel geweest, en toen hij bijkwam, heeft hij zich voortgesleept tot in het kreupelhout, waar hij natuurlijk gestorven is. Laat ons maar eens gaan zien!

Hij volgde met zijn lieden het spoor. Misschien had hij gedacht, dat ik mee zou zijn gegaan, ik deed dit echter niet, want de hoonende wijze, waarop hij met mij sprak, ergerde mij en ik had nog te werken, bovendien was het mij ook tamelijk onverschillig, waar het lijk van den ouden stier gebleven was. Ik keerde dus naar mijn werk terug, maar nauwelijks had ik de maatstang weer ter hand genomen, of ik hoorde een vreeselijk angstgeschreeuw tusschen de boomen, twee, drie schoten knalden en toen hoorde ik Rattler roepen:

—In de boomen, vlug, in de boomen, anders zijt gij verloren, hij kan niet klimmen.

Wien bedoelde hij daarmee? Ik zag iemand uit het kreupelhout komen met sprongen, zooals men die slechts in doodsangst kan maken.

—Wat is er, wat is er?—riep ik hem toe.

—Een beer, een groote beer, een grijze Grizzly!—hijgde hij, terwijl hij mij voorbij rende.

Tegelijkertijd schreeuwde een stem:

—Help, help, hij heeft mij beet. Oh, oh!

Zóó kon slechts een mensch brullen, die den dood voor oogen ziet. De man moest zich in groot gevaar bevinden, hij moest gered worden, maar hoe? Ik had mijn geweer bij de tent laten liggen, omdat het mij bij ’t werk hinderde. Dit was geen onvoorzichtigheid geweest, want wij, opzichters, hadden immers de prairiejagers tot onze bescherming bij ons. Indien ik eerst naar de tent liep, werd de man in dien tusschentijd door den beer verscheurd, ik moest dus naar hem toe, zooals ik was, alleen met mijn mes en de revolvers in den gordel. Maar wat zijn dit voor wapens tegen een Grizzlybeer! Dit dier is verwant aan den nu uitgestorven holenbeer, en behoort meer tot den voortijd dan tot den tegenwoordigen tijd. Hij wordt negen voet lang en ik heb exemplaren gezien, die even zooveel duizenden ponden wogen. Zijn spierkracht is zoo groot, dat hij met gemak met een hert, een veulen, of een bisonkalf in den bek wegloopt. Een ruiter kan hem slechts dan ontkomen, wanneer hij een bijzonder sterk paard heeft, anders haalt de grijze beer hem zeker in. Het spreekt dus vanzelf, dat, wegens zijn reusachtige sterkte en onvermoeide kracht, de overwinning op den Grizzlybeer, bij de Indianen voor een ongehoord dappere daad geldt. Ik ijlde dus naar het kreupelhout. Het spoor liep nog verder, tot daar, waar de boomen begonnen. Tot hierheen had de beer den dooden stier gesleept.

Het was een vreeselijk oogenblik. Achter mij riepen de opzichters, die naar de tent snelden om hun wapens te halen, vóór mij schreeuwden de prairiejagers en daartusschen klonk het onbeschrijfelijke angstgehuil van den man, die in de klauwen van den beer was gevallen.

Met elken sprong kwam ik nader, nu hoorde ik de stem van den beer, of liever dat eigenaardig snuiven en brommen, dat dit dier kenmerkt.

Eindelijk was ik er. Vóór mij lag het ontvleeschde lijk van den bison, rechts en links schreeuwden de prairiejagers, die in de boomen waren geklommen en die zich daar vrij veilig voelden, daar men zelden of nooit een Grizzlybeer ziet klimmen. Recht voor mij, aan den anderen kant, had een der prairiejagers in een boom willen klimmen, maar was daarbij door den beer overvallen. Hij lag met het bovenlichaam, zich met beide armen aan den stam vasthoudende, op de laagste takken en de Grizzly had hem de groote slagtanden in buik en beenen geboord. De man was reddeloos verloren, ik kon hem niet helpen en niemand zou, wanneer ik weer weggeloopen was, het recht hebben gehad, mij daarvan een verwijt te maken, maar bij dit gezicht nam ik een heel ander besluit. Ik raapte een der weggeworpen geweren op, het was helaas afgeschoten. Toen sprong ik over den buffel heen en gaf den beer met de kolf van ’t geweer een geweldigen slag op den kop. Belachelijk! Het geweer brak als glas in mijn handen; zulk een harde kop geeft zelfs niets om een bijl, maar ik had in elk geval de voldoening, dat de beer zijn slachtoffer een oogenblik met rust liet. Hij keerde den kop naar mij toe, niet snel, zooals een roofdier van het katten- of hondengeslacht zou hebben gedaan, maar langzaam, alsof hij zeer verwonderd was over mijn dommen aanval. Mij met zijn kleine oogen metend, scheen hij bij zichzelf te overleggen, of hij bij zijn tegenwoordig slachtoffer zou blijven, of mij zou aanpakken;—deze weinige oogenblikken redden mijn leven. Ik haalde de eene revolver uit den gordel, sprong tot zeer dicht bij den beer, die mij wel den kop, maar voor ’t overige, den rug toekeerde en schoot hem een, twee, drie, viermaal in de oogen, juist zooals ik een paar dagen te voren, den buffel in de oogen had geschoten. Dit gebeurde natuurlijk zoo snel mogelijk, toen sprong ik ter zijde en bleef wachtend staan, terwijl ik het bowiemes te voorschijn haalde.

Was ik staan gebleven, dan had ik dit waagstuk met mijn leven moeten betalen, want het blinde roofdier wierp zich neer op de plaats, waar ik mij een oogenblik van te voren had bevonden. Ik was evenwel niet meer daar en nu begon de beer, onder woedend gesnuif en slaan met de pooten, naar mij te zoeken. Hij deed als een waanzinnige, rolde over den grond, wroette in de aarde, maakte dan weer sprongen naar alle kanten, om mij te zoeken, maar kon mij tot mijn geluk niet vinden. Misschien had zijn reuk hem op mijn spoor kunnen brengen, maar hij was razend van woede, en dit verhinderde hem zijn instinct te volgen.

Eindelijk schonk hij zijn opmerkzaamheid meer aan zijn verwondingen dan aan dengene, die ze hem bezorgd had, hij ging zitten, richtte zich een weinig op en streek snuivend en tandenknarsend met de voorpooten over de oogen. Snel stond ik naast hem, hief mijn mes op en stiet het hem tweemaal tusschen de ribben. Hij greep onmiddellijk naar mij, maar ik was reeds weer verdwenen. Ik had echter het hart niet getroffen en het zoeken naar mij begon opnieuw met verdubbelde woede. Dit duurde wel tien minuten lang, hij verloor veel bloed en werd moede. Hij ging dus weer zitten en streek zich over de oogen. Hierdoor was ik in de gelegenheid opnieuw twee op elkaar volgende messtooten toe te brengen en ditmaal had ik beter getroffen, het kolossale dier viel voorover, terwijl ik snel weer op zij was gesprongen, liep waggelend en snuivend eenige stappen verder, wilde zich weer oprichten, maar had daartoe niet meer de kracht; het slingerde heen en weer, deed vergeefsche moeite om op de pooten te blijven en viel eindelijk uitgeput op den grond. Hier bleef hij onbeweeglijk liggen.

—God zij dank!—riep Rattler van zijn boom.—Het beest is dood, dat was een vreeselijk gevaar, waarin wij ons bevonden.

—Ik zou niet weten waarin het vreeselijke gevaar voor u bestond—antwoordde ik,—gij hadt goed voor uw veiligheid gezorgd, kom nu maar naar beneden.

—Neen, neen, nog niet, zie eerst eens goed na of de Grizzly werkelijk dood is.

—Hij is dood.

—Dat kunt gij wel beweren, maar gij hebt er geen begrip van, welk een taai leven zulk vee heeft. Onderzoek dus eerst!

—Voor u zeker? Als gij wilt weten of hij nog leeft, onderzoek hem dan zelf. Gij zijt immers beroemde prairiejagers en ik maar een „greenhorn”.

Ik wendde mij nu tot hun kameraad die nog altijd in den zooeven beschreven toestand tegen den boom hing. Hij gaf geen geluid en bewoog zich niet meer. Zijn gezicht was geheel verwrongen, en zijn verglaasde oogen stonden wild open. Het vleesch was hem tot op het been van de dijen gescheurd en de ingewanden hingen uit zijn lijf. Ik overwon mijn afgrijzen en riep hem toe:

—Laat dien boom los, sir! Ik zal u helpen!

Hij antwoordde niet en geen enkele beweging verried, dat hij mij begrepen had. Ik verzocht zijn kameraden uit de boomen te komen en mij te helpen, maar deze ervaren prairiejagers waren daartoe niet te bewegen, vóór ik den beer eenige malen had bevoeld en betast en hen daardoor had bewezen, dat hij werkelijk dood was. Eerst toen kwamen zij naar beneden en hielpen mij den zoo gruwelijk verminkten kameraad uit den boom te krijgen. Dit ging niet gemakkelijk want hij hield de armen zóó stijf om den stam geklemd, dat wij ze slechts met geweld konden losmaken.

Dit verschrikkelijke einde scheen echter zijn kameraden niet in ’t minst aan ’t hart te gaan, want zij wendden zich onverschillig van hem af, en keken naar den beer, terwijl de aanvoerder zeide:

—Nu wordt het omgekeerd, eerst heeft de beer ons willen opeten en nu zullen wij hem opeten. Komt kameraden, laat ons de huid afnemen, opdat wij de klauwen en de ham kunnen meenemen.

Hij nam zijn mes en ging op de knieën liggen, om de daad bij het woord te voegen, maar nu kwam ik tusschenbeide:

—Het zou eervoller voor u zijn geweest, als gij uw mes op hem hadt beproefd, toen hij nog in leven was, nu is het te laat, doe geen moeite.

—Wat?—spatte hij op,—wilt gij mij misschien verhinderen een stuk vleesch af te snijden?

—Zeker, dat wil ik, Mr. Rattler.

—En met welk recht?

—Met een onbetwistbaar recht van den man, die het dier heeft neergeveld.

—Dat is niet waar, gij zult toch niet willen beweren, dat een „greenhorn” een Grizzly met het mes kan dooden? Wij hebben toen wij hem zagen, op hem geschoten.

—En u toen snel op de boomen teruggetrokken, ja, dat is waar, zeer waar.

—Maar onze kogels hebben getroffen, daaraan is hij gestorven en niet aan een paar speldeprikken, welke gij hem, toen hij reeds halfdood was, hebt toegebracht. De beer is van ons en wij zullen met hem doen wat wij willen, begrepen?

Hij wilde zich opnieuw aan het werk zetten, maar ik waarschuwde hem:

—Laat dat Mr. Rattler, of anders moet ik u leeren, mijn woorden goed op te vatten, begrepen?

Daar hij, ondanks mijn bevel, toch met het mes in den pels stak, nam ik hem, zooals hij daar op zijn knieën lag, met beide handen in de zijde beet, en wierp hem tegen den naasten boom, dat zijn ribben kraakten. Het was mij op dit oogenblik werkelijk onverschillig of hij iets brak of niet. Onmiddellijk nam ik mijn tweede nog geladen revolver uit den gordel, om mogelijke aanvallen te voorkomen. Hij stond snel weer op, zag mij met van woede fonkelende oogen aan, trok zijn mes en riep:

—Dat zal ik u betaald zetten! Gij hebt mij reeds eens geslagen en ik zal zorgen, dat gij u niet voor de derde maal aan mij kunt vergrijpen!

Hij kwam op mij toe, maar ik hief mijn revolver op en dreigde:

—Nog één stap, en ik jaag u een kogel door den kop! Weg met dat mes! Bij „drie” schiet ik, als gij het in de hand houdt. Dus:—een—twee—drie!

Hij hield het mes vast en ik zou werkelijk geschoten hebben, al was het niet in zijn hoofd dan in zijn hand, maar ik behoefde het niet zoover te laten komen, want op dit kritieke oogenblik klonk een stem:

—Menschen, zijt gij dwaas! Wat moet dat beteekenen, dat blanken elkander bevechten. Wapens neer!