Part 25
—Wat, valsche pruik? Zeg dat nog eens! het is een echte pruik, bezie haar maar eens goed!—Schaam u, Dick, den spot te drijven met mijn hoofdsieraad, dat had ik van zulk een goeden kameraad niet verwacht. Neen, neen, gij waardeert geen van allen den ouden Sam. Ik ga weg en zoek mijn Mary op, ik moet eens gaan zien of zij even gezond is als haar meester.
Wij lachten, want het was onmogelijk, hem iets kwalijk te nemen.
Den volgenden dag keerden de verkenners, die de Kiowa’s in stilte gevolgd waren, terug en meldden, dat deze waren weggetrokken en dus klaarblijkelijk niet van plan waren, in de eerste dagen eenige vijandelijkheden uit te voeren of wraak te nemen.
Hierop volgde een tijdperk van rust althans voor Dick en Will, die zich de gastvrijheid der Apachen kalm lieten welgevallen, ik evenwel liet dezen tijd niet ongebruikt voorbijgaan. Winnetou nam mij dagelijks mee op zijn tochten en deed zijn best mij in te wijden in de gebruiken en gewoonten der Indianen. Geheele dagen waren wij afwezig om lange ritten te maken; uren kropen wij in de bosschen rond, waarbij ik grondig onderricht kreeg in het „sluipen”. Dikwijls verwijderde hij zich van mij en gaf mij de opdracht hem te zoeken. Hij deed dan zijn best, om zijn voetspoor uit te wisschen en ik spande mij in om het weer te vinden. Hoe dikwijls stond hij dan in een of ander boschje of in overhangend struikgewas, in het water van den Pecos en zag toe, hoe ik naar hem zocht. Hij maakte mij opmerkzaam op mijn fouten en wees mij, door zijn voorbeeld, hoe ik mij moest gedragen en wat ik doen en laten moest. Nooit kwam een woord van lof, maar ook evenmin een woord van afkeuring over zijn lippen.
Hoe dikwijls kwam ik vermoeid en als met gebroken ledematen thuis! Maar ook dan nog nam ik geen rust, want ik wilde de taal der Apachen leeren en kreeg daarin onderricht. Daarbij had ik twee leermeesters en één leermeesteres. Nscho-Tschi leerde mij het dialect der Mescalero’s, Intschu Tschuna dat der Llanero’s en Winnetou dat der Navajo’s. Daar deze dialecten onderling weinig verschilden en de woordenschat niet groot was, maakte ik reeds spoedig goede vorderingen.
Wanneer Winnetou en ik slechts kleinere uitstapjes maakten, gebeurde het wel, dat Nscho-Tschi zich bij ons aansloot en ik zag, dat zij zich van harte verheugde, wanneer ik een goede leerling bleek te zijn.
Eens op een dag waren wij gezamenlijk naar het bosch gegaan en Winnetou stelde mij voor op eenigen afstand te blijven en eerst na een kwartier naar hen te komen omzien. Broeder en zuster zouden dan beiden verdwenen zijn en ik moest trachten Nscho-Tschi terug te vinden. Ik deed, wat hij verlangde. Toen het kwartier verstreken was, begon ik te zoeken. De sporen van beiden waren eerst tamelijk duidelijk zichtbaar, maar op een zeker punt gekomen, ontbraken die der Indiaansche. Ik wist wel, dat zij een buitengewoon lichten gang had, maar de bodem was week en er moest dus toch een kleine aanwijzing van haar spoor te vinden zijn. Hoe ik echter ook zocht, ik vond niets, zelfs geen enkel klein platgetreden plantje, hoewel juist op deze plaats een zeer zachte mossoort groeide. Alleen Winnetou’s voetspoor was duidelijk te zien, maar dit hielp mij niet, want ik moest niet hem, maar zijn zuster zoeken. Hij was waarschijnlijk in de nabijheid, om heimelijk te zien of ik ook fouten maakte.
Ik zocht nog eens en nog eens, maar vond niet de minste aanwijzing. Dit was vreemd. Ik overlegde. Zij moest een spoor hebben nagelaten, dit stond vast, want geen voet kon hier den bodem betreden, zonder door het zachte mos verraden te worden. Een voet den grond betreden? Kon het zijn, dat Nscho-Tschi den grond niet had aangeraakt? Ik onderzocht Winnetou’s voetstappen. Zij waren diep, dieper dan te voren. Zou hij zijn zuster op de armen hebben gedragen? Dat kon toch het geval zijn en dan was de zaak voor mij zoo moeilijk niet meer. Ten gevolge van den last was de indruk zijner voetstappen dieper; maar waarheen had hij zijn zuster gebracht? Was hij alleen door het bosch gegaan, dan had hij de armen vrij gehad en kon hij zonder moeite, door het kreupelhout komen. Had hij evenwel zijn zuster door het bosch gedragen, dan moesten er hier en daar afgebroken takjes en twijgen te vinden zijn. Ik volgde dus de voetstappen, maar zag nu niet zoozeer naar den grond, dan wel naar de struiken. Juist! Hij had de takken niet voorzichtig uit elkaar kunnen buigen en ook Nscho-Tschi scheen daaraan niet te hebben gedacht, althans ik vond overal beschadigde bladen en afgevallen takjes, een bewijs dus, dat mijn vermoeden juist was.
Het spoor voerde in lijnrechte richting naar een open plek in het bosch en verder daarover heen. De jongelieden zaten dus aan den anderen kant van de open plek, waarschijnlijk zich stil verheugend in het denkbeeld, dat het mij onmogelijk zou zijn hen te vinden. Ik had wel dadelijk op hun toe kunnen loopen, maar ik wilde ze letterlijk overrompelen. Daarom sloop ik om de open plek heen en zocht toen weer naar Winnetou’s spoor. Was hij verder gegaan, dan moest ik het hier vinden, vond ik het niet, dan was hij bij Nscho-Tschi gebleven en had zich met haar ergens verscholen. Ik ging op den grond liggen en kroop verder, telkens zorgdragend achter boomen en struiken verborgen te blijven. Er was geen voetspoor te vinden. Zij moesten dus aan den rand van de open plek zitten en wel daar, waar het spoor in het kreupelhout verdween. Zacht, zeer zacht sloop ik verder. Zij zaten stil en aan hun geoefende ooren zou geen geruisch ontgaan. Ik moest dus zeer voorzichtig zijn. Zij zaten dicht naast elkander, midden tusschen wilde pruimenstruiken, met den rug naar mij toe, daar zij mij, ingeval ik mocht komen, van een anderen kant konden verwachten. Zij spraken met elkaar, maar fluisterend, zoodat ik de woorden niet kon verstaan.
Ik verheugde mij reeds op hun verrassing en kwam al nader en nader tot ik hen met de hand kon raken. Reeds was ik op het punt Winnetou een tik op den arm te geven, toen ik hem hoorde zeggen:
—Zal ik hem gaan halen?
—Neen,—antwoordde Nscho-Tschi,—hij zal zelf komen.
—Hij komt niet.
—Hij komt!
—Mijn zuster vergist zich. Hij heeft alles vlug geleerd, maar uw spoor gaat door de lucht, hoe zal hij dat ooit vinden?
—Hij zal het vinden. Mijn broeder Winnetou heeft mij gezegd, dat Old-Shatterhand reeds nu niet meer om den tuin te leiden is, waarom beweert hij nu het tegendeel?
—Omdat hij nog nooit zulk een moeielijke opgave heeft gehad, als vandaag. Zijn oog zal elk spoor vinden, maar het uwe is slechts door combineeren te vinden en dat heeft hij nog niet geleerd.
—En toch zal hij komen, want hij kan alles, alles wat hij wil.
Zij fluisterde deze woorden zeer zacht, maar uit haar stem klonk een onbepaald vertrouwen.
—Ja, ik heb nog geen man ontmoet, die zich zoo weet te redden. Er is maar één ding, dat hij niet kan doen en dit spijt Winnetou zeer.
—Wat is dit dan?
—Hij zal nooit den wensch kunnen vervullen dien wij allen hebben.
Juist op dit oogenblik wilde ik te voorschijn komen, maar nu Winnetou van een wensch sprak, moest ik toch verder hooren. Welken wensch kon ik niet vervullen? Misschien zou ik nu hooren, welke het was. Ik luisterde dus verder.
—Heeft mijn broeder Winnetou er reeds met hem over gesproken?—vroeg Nscho-Tschi.
—Neen,—was Winnetou’s antwoord.
—En Intschu Tschuna, onze vader, ook niet?
—Neen, hij wilde het doen, maar ik ried het hem af.
—Waarom? Nscho-Tschi heeft dit bleekgezicht lief en zij is de dochter van het opperhoofd der Apachen!
—Dat is waar; ieder rood krijgsman en ieder ander bleekgezicht zou gelukkig zijn, wanneer mijn zuster zijn vrouw wilde worden, maar Old-Shatterhand niet.
—Hoe kan mijn broeder dit weten, zonder er met hem over gesproken te hebben?
—Ik weet het, ook zonder dat, want ik ken hem. Hij is niet als andere bleekgezichten; hij heeft hoogere eischen. Hij neemt geen Indiaansche tot vrouw.
—Heeft hij dit gezegd?
—Neen.
—Behoort zijn hart misschien aan een blanke?
—Ook niet.
—Weet gij dit zeker?
—Ja, wij spraken eens over blanke vrouwen en ik bemerkte wel, dat zijn hart nog niet gesproken heeft.
—Zou het niet voor mij spreken?
—Mijn zuster moet dat niet verwachten. Old-Shatterhand denkt en gevoelt anders dan wij. Als hij een vrouw kiest, moet zij onder de vrouwen zijn, wat hij onder de mannen is.
—Ben ik dat dan niet?
—Onder de roode meisjes, ja, er is onder haar geen, die mijn zuster nabij komt! Maar wat hebt ge gezien en gehoord? Wat hebt gij geleerd? Gij kent het leven der roode volksstammen, maar niets van hetgeen wat een blanke vrouw moet hebben geleerd en moet weten. Old-Shatterhand hecht geen waarde aan een mooi gezicht, maar hij hecht waarde aan dingen, welke geen roode vrouw hem kan geven.
Zij boog het hoofd en zweeg. Toen streek Winnetou haar liefkoozend over de wang en zeide:
—Het spijt mij, dat ik mijn arme zuster pijn moet doen, maar Winnetou is gewoon de waarheid te zeggen, ook wanneer deze niet aangenaam is te hooren. Misschien weet hij nog een weg, langs welken Nscho-Tschi haar doel kan bereiken.
Snel hief zij het hoofd op en vroeg:
—En die is?
—Die welke voert naar de steden der bleekgezichten.
—Moet ik daarheen?
—Ja.
—Waarom?
—Om te leeren, wat gij moet weten en kunnen, indien gij wilt dat Old-Shatterhand u ooit lief kan hebben.
—Dan wil ik daarheen, zoo spoedig mogelijk. Wil Winnetou mij een dienst bewijzen?
—Zeker.
—Spreek er met onzen vader Intschu Tschuna over. Vraag hem mij naar de groote steden der blanken te laten gaan. Hij zal het niet weigeren, want....
Meer hoorde ik niet, want nu kroop ik langzaam terug. Het kwam mij bijna zondig voor dit gesprek te hebben afgeluisterd. Zij mochten mij niet zien of hooren. Ik diende dus nog voorzichtiger te zijn. Het minste gedruisch, het kleinste toeval kon doen uitkomen, dat ik de bekentenis der schoone Indiaansche had gehoord. En in dat geval zou ik gedwongen geweest zijn mijn roode vrienden nog heden te verlaten.
Gelukkig slaagde ik er in, mij onopgemerkt terug te trekken. Toen ik zoover was, dat ik hen niet meer kon hooren, stond ik op en liep om de plek heen, tot ik weer bij het spoor was. Nu riep ik met luider stem:
—Mijn broeder Winnetou kan hier komen!
Niemand bewoog zich, daarom ging ik voort:
—Mijn broeder kan komen, want ik zie hem!
Hij kwam evenwel niet.
—Hij zit daarginds, tusschen de wilde pruimeboomen. Moet ik hem misschien halen?
Nu werden de takken van elkaar gebogen en Winnetou kwam te voorschijn. Hij wilde klaarblijkelijk de schuilplaats zijner zuster nog niet verraden en vroeg mij:
—Heeft mijn broeder Old-Shatterhand Nscho-Tschi gevonden?
—Ja.
—Waar is zij?
—In het kreupelhout.
—Hebt gij haar voetspoor dan gezien?—vroeg hij zeer verwonderd. Hij wist werkelijk niet, hoe hij ’t met mij had. Tot een onwaarheid achtte hij mij niet in staat en hij was overtuigd, dat haar voet geen spoor had nagelaten.
—Ja,—herhaalde ik,—ik heb haar spoor ontdekt.
—Maar mijn zuster is zoo voorzichtig geweest, dat er geen spoor te zien kan zijn.
—Gij vergist u toch, het is te zien.
—Neen.
—Niet op den grond, maar in de takken. Nscho-Tschi heeft met haar voeten niet den bodem geraakt, maar terwijl gij haar droegt, hebt gij twijgen afgerukt en bladeren beschadigd.
—Oef! Meent gij, dat ik haar heb gedragen?
—Ja.
—Hoe weet gij dat?
—Dat zeggen mij uw voetstappen. De indruk is in eens dieper geworden, omdat gij zwaarder waart geworden. Uw eigen gewicht hebt gij niet kunnen veranderen, dus hebt gij een last op u moeten nemen. Deze last was uw zuster, wier voet, zooals ik zag, het mos niet had aangeraakt.
—Gij vergist u, keer terug en zoek beter.
—Dat zou geheel overbodig zijn, Nscho-Tschi zit, waar gij ook hebt gezeten, ik zal haar wel gaan halen.
Ik liep dwars over de open plek, maar reeds kwam zij mij uit het kreupelhout tegemoet en zeide op een zeer voldanen toon tot haar broeder:
—Ziet ge wel, ik heb u wel gezegd, dat hij mij zou vinden en ik had gelijk.
—Ja mijn zuster had gelijk en ik vergiste mij. Mijn broeder Old-Shatterhand kan het spoor van een mensch niet alleen met de oogen, maar ook met de gedachten lezen. Er is niets meer, dat hij nog behoeft te leeren.
—O nog zeer, zeer veel,—antwoordde ik,—maar dat zal mijn broeder Winnetou mij leeren.
Het was werkelijk de eerste lofspraak, welke ik uit zijn mond ontving en ik moest erkennen, dat ik er even trotsch op was, als vroeger op een prijsje van een mijner onderwijzers.
Aan den avond van denzelfden dag bracht hij mij een zeer netjes gemaakten en met Indiaansche stiksels versierden jachtrok, van witgelooid leder.
—Nscho-Tschi, mijn zuster verzoekt u, dezen rok te willen dragen,—zeide hij.—Uw kleed is voor Old-Shatterhand niet goed genoeg meer.
Daaraan had hij inderdaad gelijk. Had ik mij daarin vertoond in een Europeesche stad, dan zou men mij stellig als landlooper hebben opgepakt. Maar,—mocht ik zulk een geschenk van Nscho-Tschi aannemen? Winnetou scheen mijn gedachten te raden, want hij vervolgde:
—Gij kunt dit kleed gerust aannemen, want ik heb het besteld, het is een geschenk van mij en niet van mijn zuster. Is het den bleekgezichten verboden geschenken aan te nemen van een vrouw?
—Ja, wanneer het althans niet zijn eigen vrouw is of een zijner bloedverwanten.
—Gij zijt immers mijn broeder en Nscho-Tschi is dus ook een bloedverwante van u. Maar bovendien het geschenk is van mij, zij heeft het slechts gemaakt.
Toen ik den volgenden morgen het kleed aanpaste, zat het als gegoten, een kleermaker had het niet beter kunnen maken. Natuurlijk liet ik het aan mijn jonge vriendin zien en zij was buitengewoon dankbaar en verheugd over den lof, dien ik haar toezwaaide. Kort daarna kwamen Dick en Will bij mij om zich door mij te laten bewonderen, ook zij hadden nieuwe kleederen gekregen, maar deze waren niet door Nscho-Tschi maar door andere vrouwen vervaardigd. En eenige oogenblikken daarna, terwijl ik bezig was me te oefenen in het werpen met de tomahawk, kwam ook Sam Hawkins in een nieuw kostuum te voorschijn. Ik herkende hem slechts aan zijn kromme beenen en zijn geduchten baard. Hij gevoelde zich zeer gewichtig, bleef staan en vroeg:
—Sir, kent gij den man, die nu voor u staat?
—Hm!—antwoordde ik,—ik zal eens zien.
Ik nam hem bij de armen, draaide hem driemaal om, bezag hem van alle kanten en vervolgde:
—Dat schijnt Sam Hawkins wel te zijn, als ik mij niet vergis.
—Juist mijnheer, gij vergist u niet! Ik ben het in levenden lijve. Ziet gij iets bijzonders aan mij?
—Een spiksplinternieuw kleed!
—Geraden.
—Van wie?
—Van de berenhuid, welke gij mij hebt gegeven.
—Dat zie ik, Sam, maar ik bedoel van wie hebt gij dat kleed gekregen?
—Van wie, ja, van wie, sir? Dat is een andere vraag.
—Nu van wie dan?
—Welnu, kent gij de mooie Kliuna-ai niet?
—Neen. Kliuna-ai beteekent „Maan”. Is het een getrouwde vrouw of een meisje?
—Beiden, of liever geen van beiden.
—Dus een grootmoeder?
—Onzin! Als zij zoowel een getrouwde vrouw als een meisje, of liever geen van beiden is, dan moet zij natuurlijk weduwe zijn. Zij is de nagelaten vrouw van een Apache, die in den laatsten strijd met de Kiowa’s gevallen is.
—En die gij nu over dit verlies wilt troosten?
—Juist, sir,—knikte hij,—ik heb mijn oog op haar laten vallen.
—Maar Sam, een Indiaansche!
—Welnu, wat zou dat? Ik zou zelfs een negerin willen trouwen, als zij maar niet zwart was. Bovendien Kliuna-ai is een uitstekende partij.
—Waarom?
—Omdat zij het beste van den geheelen stam leerlooien kan.
—Wilt gij u dan laten looien?
—Maak toch geen gekheid, sir, het is mij ernst. Een gezellig tehuis—begrijpt ge? En ze heeft een vol, mooi rond gezicht.
—Hoe hebt ge haar leeren kennen?
—Door het looien, ik vroeg wie de beste looister was en zij werd mij aanbevolen. Ik bracht haar dus de berenhuid en merkte wel, dat zij zeer in haar schik was.
—Met het vel?
—Neen, met mij natuurlijk!
—Dat pleit voor haar smaak, Sam!
—Ja, dat vind ik ook. O, zij is zeer ontwikkeld, zij heeft niet alleen het vel gelooid, maar er ook een nieuw kleed voor mij van gemaakt. Hoe zie ik er wel uit?
—Als een echte gentleman.
—Als een gentleman, niet waar? Ja, zij was ook geheel verrast, toen zij mij zag. Gij kunt er op aan, sir, ik ga met haar trouwen.
—Waar is uw oud kleed gebleven?
—Ik heb het weggesmeten.
—Zoo, zoo! en gij hebt mij eens verteld, dat gij uw kleed voor geen zes duizend dollars zoudt willen missen!
—Ja, dat was vroeger, toen kende ik Kliuna-ai niet, de tijden zijn veranderd.
Het trouwlustige mannetje keerde zich om en stapte vergenoegd heen. Ik maakte mij volstrekt niet bezorgd. Men had zijn overmatig groote voeten, de dunne, kromme beentjes en zijn gezicht, dat wel op een gierensnavel geleek, maar aan te zien, om te begrijpen dat zelfs een Indiaansche vrouw geen moed zou hebben hem tot man te nemen. Hij was nog niet zoo heel ver weg, of hij keerde zich nog eens om en riep mij toe:
—’t Is toch een bijzonder gevoel, sir, zoo een nieuw kostuum, ik voel mij als nieuw geboren, Sam gaat uit vrijen, hihihihi!
Den volgenden dag ontmoette ik hem bij het Pueblo. Hij zag er zeer teleurgesteld uit.
—Wat nu Sam, waarom zet ge zulk een bedenkelijk gezicht?
—Och sir, ik meende dat ik de „maan” gezien had, maar het zal wel een nevelvlek zijn geweest.
—Wat bedoelt ge, Sam?
—Wel, ik vroeg aan de schoone Kliuna-ai of zij weer een man wilde hebben. „Neen,” antwoordde zij.
—Laat den moed daarom nog niet zakken, Sam, Rome is niet in een dag gebouwd en de aanhouder wint.
—Gij hebt gelijk, sir, ik zal ’t nog eens weer probeeren.
Hij ging de trap op om zijn aangebedene nog eens op te zoeken. Den volgenden morgen toen ik gereedstond met Winnetou op de buffeljacht te gaan, kwam Sam weer bij mij en vroeg:
—Mag ik mee, sir?
—Op de buffeljacht? Neen, neen, Sam, gij hebt wel wat beters te doen.
—Ach,—was het antwoord,—’t is alles uit tusschen mij en de schoone Kliuna-ai. Zij heeft mij verteld, dat zij mijn nieuw kleed op Winnetou’s bevel heeft gemaakt.
—Dus niet uit liefde tot u?
—Het schijnt van niet. Bovendien beweert zij nu dat ik het looien bij haar heb besteld en zij vroeg mij wat ik van plan was haar daarvoor te geven.
—Betaling dus?
—Yes. Is dat nu een bewijs van liefde?
—Ik weet niet, ik ben op dat punt nog te onervaren. Misschien is het wel juist een bewijs van wederliefde.
—Hm, dat geloof ik niet. Dus wilt gij mij niet mee hebben?
—Winnetou wil liefst alleen met mij uitgaan!
—Dan moet ik wel thuis blijven.
—Het zou ook jammer zijn voor uw nieuwen jachtrok, Sam!
—Daaraan hebt gij gelijk. Bloedvlekken zouden leelijk daarop staan.
Hij ging heen, keerde zich evenwel weer om en vroeg:
—Vindt gij niet sir, dat mijn oud jachthemd eigenlijk toch practischer was?
—Mogelijk wel.
—Niet alleen mogelijk, maar zeer waarschijnlijk.
De zaak was voor heden hiermee afgeloopen, maar in de eerstvolgende dagen was Sam nog stiller dan te voren. Eindelijk, daar zag ik hem eens op een morgen uit zijn woning komen—in zijn oude pakje!
—Wat beteekent dat nu, Sam?—vroeg ik hem;—ik meende, dat gij uw oude pakje hadt weggesmeten.
—Het was ook zoo.
—Hebt gij het weer opgevischt?
—Ja, uit woede; ik kan die Kliuna-ai niet meer uitstaan!
—Wat is er dan gebeurd?
—Ik zal het u vertellen. Gisteren was ik weer bij haar. Zij behandelde mij de laatste dagen zeer slecht en zeide bijna geen woord tegen mij. Ik zat dus bij haar en leunde met mijn hoofd tegen een paal. Waarschijnlijk heeft daar een splinter in gezeten, althans toen ik wilde opstaan, bleef mijn pruik daaraan hangen.
—En de schoone Kliuna-ai zag dit?
—Ja, zij stond op, staarde mij aan, als, ja, zooals men een mensch aanziet, die geen haar op zijn hoofd heeft.
—En toen?
—Toen schreeuwde en huilde zij, alsof zij zelf een kaalkop was.
—En verder?
—Verder? Nu, zij snelde weg en ik heb haar niet weer gezien.
—Misschien komt zij nog terug?
—Neen, want zij heeft mij laten weten, dat ik niet weer bij haar behoefde te komen, omdat zij alleen een man wilde hebben, die haren op zijn hoofd had. Is dat niet dwaas?
—Hm.
—Wat kan het een vrouw toch schelen, of de man dien zij trouwt haren op zijn hoofd heeft, of in zijn pruik. ’t Is immers nog meer waard ze in de pruik te hebben, want deze hebben geld gekost en de andere groeien gratis, voor niemendal.
—Dan liet ik ze in uw plaats ook groeien, Sam.
—De drommel hale u, sir! Ik kom troost bij u zoeken in mijn liefdesmart en gij steekt nog den gek met mij. Ik wou dat gij ook een pruik hadt en een weduwe, die u de deur uitgooide. Goeden dag! Hij liep woedend weg.
—Sam, riep ik hem na,—luister eens, waar is uw nieuw kleed?
Hij bleef even staan.—Ik heb het haar teruggezonden, ik had het op mijn trouwdag willen dragen, maar nu heb ik het niet meer noodig. Howgh!
Zoo eindigde de vriendschap van mijn braven Sam en Kliuna-ai. Hij was spoedig over deze teleurstelling heen en vertelde mij kort daarna, dat hij eigenlijk maar blij was, een ongetrouwde jongeling te zijn gebleven. Nooit wilde hij weer zijn ouden rok uittrekken, want die was beter, practischer en gemakkelijker dan alle jachtrokken door Indiaansche schoonen gemaakt.
Den avond van dezen zelfden dag, at ik als gewoonlijk met Intschu Tschuna en Winnetou. De laatste verwijderde zich na het eten en nu ontspon zich tusschen Intschu Tschuna en mij naar aanleiding van Sam’s avontuur een gesprek over verbintenissen tusschen blanken en Indianen. Ik begreep wel dat hij mij eens aan den tand wilde voelen.
—Vindt mijn broeder Old-Shatterhand zulk een verbintenis goed of niet?
—Als het huwelijk door een geestelijke wordt gesloten en de Indiaansche vooraf Christin is geworden, zie ik er niets verkeerds in,—antwoordde ik.
—Mijn broeder zou dus nooit een Indiaansche zooals zij is, tot vrouw nemen?
—Neen.
—En is het moeilijk, Christin te worden?
—O neen, volstrekt niet.
—Mag een vrouw dan haar vader nog eeren, ook al is deze geen Christen?
—Zeker. Onze godsdienst zegt, dat een kind zijn vader en moeder moet eeren.
—Zou mijn broeder liever een blanke vrouw hebben dan een gekleurde?
—Dat kan ik zoo niet zeggen. Als het hart spreekt, vraagt men niet, welke huidskleur de geliefde heeft. Voor den Grooten Geest zijn alle menschen gelijk en twee menschen, die bij elkander passen en voor elkander bestemd zijn, zullen elkaar den een of anderen dag vinden.
—Howgh! Zij zullen elkander vinden, als zij bij elkaar passen. Mijn broeder heeft de waarheid gezegd, alles wat hij zegt is goed.
Hiermee was dit gesprek afgeloopen op een wijze, zooals ik dit het liefst had. Ik had duidelijk genoeg laten uitkomen, dat een Indiaansche eerst Christin moest worden, wanneer zij de vrouw van een blanke wilde worden. Ik gunde Nscho-Tschi den besten, edelsten rooden krijgsman, maar ik was nu eenmaal niet naar het Westen gekomen om een Indiaansche tot vrouw te nemen, ik had zelfs nog niet eens aan een blanke gedacht. Welke de gevolgen waren van mijn gesprek met Intschu Tschuna, vernam ik den volgenden dag.
Het opperhoofd geleidde mij naar de eerste verdieping, waar ik nog niet geweest was. Hier lagen in een klein kastje onze meetinstrumenten.
—Zie eens na, of er iets ontbreekt,—begon het opperhoofd.
Ik voldeed aan zijn verzoek en bevond, dat alles in orde was. De voorwerpen waren zelfs niet beschadigd, behalve enkele kleine verbuigingen, welke gemakkelijk te herstellen waren.
—Deze voorwerpen werden door ons voor medicijnen beschouwd,—zeide hij,—daarom werden ze zoo goed bewaard. Mijn blanke broeder mag ze nu weer terugnemen.
Ik wilde mijn dank betuigen voor deze goedheid, maar hij nam die niet aan en vervolgde:
—Zij behoorden aan u en wij namen ze u af, omdat wij u voor onzen vijand hielden, nu wij echter weten dat gij onze broeder zijt, moogt gij alles terugnemen. Gij hebt ons niet te danken. Wat zult gij met deze voorwerpen doen?
—Als ik wegga, neem ik ze mee en geef ze terug aan de menschen, van wie ik ze kreeg.
—Waar wonen deze menschen!
—In St. Louis!