Winnetou

Part 22

Chapter 224,111 wordsPublic domain

—Oef, oef, oef!—klonk het rondom en allen drongen om hem heen om te zien, waar ik hem getroffen had.

Ik ging eveneens naar hem toe en men maakte eerbiedig plaats voor mij.

—In beide knieën, in beide knieën!—hoorde ik rechts en links zeggen.

Toen ik bij hem kwam, lag hij kronkelend op den grond. Winnetou knielde naast hem neer en onderzocht de wonden. Hij zag mij aankomen en zeide:

—De kogel is juist zoo gegaan, als mijn blanke broeder voorspeld heeft; beide knieën zijn verpletterd. Tangua zal nooit weer kunnen uitrijden om zijn oogen te werpen op de paarden van andere stammen.

Toen de gewonde mij zag, wierp hij mij een vloed van schimpwoorden naar het hoofd. Ik zag hem zoo doordringend aan dat hij voor eenige oogenblikken zweeg en zeide:

—Ik heb u gewaarschuwd en gij hebt niet naar mij willen luisteren, gij zelf zijt schuld aan uw ongeluk!

Hij waagde het niet te jammeren, omdat de Indiaan dit zelfs bij de ergste pijnen niet mag doen, maar hij beet zich op de lippen, zag somber voor zich heen en zeide knarsetandend:

—Ik ben gewond en kan niet naar huis terugkeeren, ik moet bij de Apachen blijven!

Winnetou evenwel schudde het hoofd en antwoordde zeer beslist:

—Gij zult naar huis moeten terugkeeren, want bij ons is geen ruimte voor de dieven van onze paarden en de moordenaars van onze krijgers. Wij hebben geen bloed van u geëischt, maar ons tevreden gesteld met dieren en voorwerpen, meer kunt gij niet verlangen. Voor een Kiowa is geen plaats in ons Pueblo!

—Maar ik kan niet rijden!

—Old-Shatterhand was nog zwaarder verwond dan gij en kon ook niet rijden en toch moest hij mee. Denk dikwijls aan hem, dat zal goed voor u zijn! De Kiowa’s wilden ons heden verlaten, laat hen gaan, want degenen, die wij morgen in de nabijheid van onze weideplaats aantreffen, zullen wij behandelen zooals gij Old-Shatterhand hadt willen behandelen. Ik heb gezegd. Howgh!

Hij nam mij bij de hand en trok mij mee. Toen wij uit het gedrang waren, zagen wij zijn vader aankomen met de mannen, die zijn zoon naar hem toe had gezonden. Winnetou ging hem tegemoet en ik zocht Sam Hawkins, Dick Stone en Will Parker op.

—Eindelijk, eindelijk, hebben wij u dan eens een oogenblik voor ons!—zeide de eerste.—Zeg mij toch voor alles, wat waren dat voor haren die gij Winnetou liet zien?

—Ik had ze hem afgesneden.

—Wanneer?

—Toen ik hem en zijn vader losmaakte!

—Dus gij.... duivels.... gij hebt.... gij, die greenhorn, gij.... gij hebt hen bevrijd?

—Ja zeker.

—Zonder ons er een woord van te zeggen.

—Dat was volstrekt ook niet noodig.

—Maar, hoe hebt ge dat toch aangelegd?

—Zooals een greenhorn dat pleegt te doen!

—Praat toch verstandig, sir! dat was toch een buitengewoon moeilijke zaak!

—Ja, want gij twijfeldet er nog aan, of het u zelf wel zou gelukken!

—En u is het gelukt! òf ik heb geen verstand meer, òf het staat stil!

—’t Eerste is het geval, Sam!

—Houd uw mond met uw praatjes. Zoo een stille in den lande! Bevrijdt de aanvoerders en draagt de vlecht, die wonderen kon doen, bij zich, zonder ons een woord er van te zeggen! En dan zet hij een onnoozel gezicht er bij. Wel, men kan geen mensch meer vertrouwen! En vandaag, wat is er toen gebeurd? Ik vat er niets van! Gij waart verdronken en staat plotseling weer voor ons!

Ik vertelde hun alles. Toen ik geëindigd had riep hij:

—Mensch, vriend en greenhorn, gij zijt toch een vreeselijke deugniet, als ik mij niet vergis! Ik moet u nog eens weer vragen: zijt gij werkelijk nooit in ’t Westen geweest?

—Neen.

—Ook niet in de Vereenigde Staten in ’t algemeen?

—Neen.

—Dan mag de koekoek u begrijpen, ik doe ’t niet. Gij zijt in alles een beginneling en weet toch alles. Zulk een mensch, als gij zijt, heb ik nog nooit ontmoet. Ik moet u prijzen, eerlijk prijzen. Gij hebt de zaak kranig aangepakt, hihihihi! Ons leven hing werkelijk aan een zijden draadje. Maar verbeeld u nu niet al te veel, gij zult nog wel eens dwaasheden begaan! ’t Zal mij nog eens verwonderen, of er wel ooit uit u een goede prairiejager groeit!

Hij zou zeker nog lang op deze wijze zijn voortgegaan, als Winnetou en Intschu Tschuna niet bij ons waren gekomen. De laatste zag mij lang aan, zooals zijn zoon zooeven had gedaan en zeide:

—Ik heb alles van Winnetou gehoord. Gij zijt vrij en zult ons wel willen vergeven. Gij zijt een zeer dapper en listig krijgsman en zult nog menigen vijand overwinnen. Hij, die u tot vriend heeft is machtig. Wilt gij de calumet des vredes met ons rooken?

—Ja, gaarne wil ik uw vriend en broeder zijn!

—Kom dan met mij en met mijn dochter, Nscho-Tschi naar het Pueblo! Ik wil mijn overwinnaar een woning aanwijzen, welke zijner waardig is. Winnetou moet hier beneden blijven om de orde te handhaven!

Zoo gingen wij als vrije mannen met hem en Nscho-Tschi de pyramidenburcht weder op, welke wij als gevangenen hadden verlaten!

HOOFDSTUK V.

NSCHO-TSCHI.

Toen wij nu naar het Pueblo terugkeerden en dit bereikten, zag ik eerst welk een machtig indrukwekkend bouwwerk dit eigenlijk was. Men acht de Amerikaansche Indianenstammen ongeschikt voor ontwikkeling en beschaving, maar menschen, die zulke rotsmassa’s in beweging hebben weten te brengen, en tot een, voor de toenmalige wapenen, onneembare vesting hebben weten op te stapelen, kunnen onmogelijk op den laagsten trap van beschaving hebben gestaan. Nu beweert men wel, dat de stammen, die deze bouwwerken hebben tot stand gebracht, uitgestorven zijn en dat de tegenwoordige Indianen geen afstammelingen van hen zouden wezen, maar dat geeft mijns inziens volstrekt geen recht te zeggen, dat deze Indianen, geestelijk ook niet vooruit kunnen komen. Natuurlijk, wanneer men hen daartoe geen tijd en gelegenheid gunt, moeten zij wel ondergaan.

Wij stegen langs de voorhanden zijnde ladders, tot op het derde platform, waarachter de mooiste vertrekken van het Pueblo lagen. Hier woonde Intschu Tschuna met zijn beide kinderen en hier werd ook ons een woning aangewezen.

Mijn kamer was groot. Zij had wel is waar geen vensters en kreeg het licht ook slechts door de deur, maar deze was zoo breed en hoog dat de geheele ruimte voldoende was verlicht. De kamer was ledig, maar Nscho-Tschi bracht spoedig vellen, dekens en allerlei gereedschappen en ik gevoelde mij hier weldra geheel op mijn gemak. Aan Hawkins, Stone en Parker werd te zamen een dergelijk vertrek aangewezen.

Toen mijn logeerkamer zoover in orde was, dat ik haar kon betrekken, bracht „Schoone Dag” mij een prachtig gesneden vredespijp en tabak. Zij stopte deze eigenhandig, stak ze aan en reikte ze mij over met de woorden:

—Deze pijp zendt u Intschu Tschuna, mijn vader. Hij heeft zelf de klei daarvoor uit de heilige steengroeven gehaald en ik heb den kop gesneden. Geen mensch heeft haar nog in den mond gehad en wij verzoeken u, ze van ons als geschenk aan te nemen en aan ons te denken, wanneer gij er uit rookt.

—Uw goedheid is te groot,—antwoordde ik,—zij maakt mij bijna beschaamd, want ik kan niets daar tegenover geven.

—Gij hebt ons reeds zooveel gegeven, dat wij u niet genoeg kunnen danken, gij zijt immers de redder van Intschu Tschuna en van Winnetou. Hun leven was herhaalde malen in uw hand, gij hebt hen niet gedood. Ook vandaag weer hadt gij Intschu Tschuna het leven kunnen benemen, zonder dat ge er voor gestraft zoudt zijn geworden, gij hebt het niet gedaan. Daarom zijn onze harten dankbaar gestemd en gij zult onze broeder zijn als gij ten minste toestaat, dat onze krijgers u als zoodanig beschouwen.

—Wanneer dit gebeurt, dan is mijn grootste wensch vervuld. Intschu Tschuna is een beroemd hoofdman en krijger en Winnetou was ik reeds genegen, van ’t eerste oogenblik dat ik hem zag. Het is voor mij niet alleen een groote eer, maar het doet mij ook oneindig veel genoegen, den broeder van zulke beroemde mannen te worden genoemd. Ik hoop, dat gij ook mijn kameraden als uw vrienden wilt aannemen.

—Als zij dit wenschen, zal men hen behandelen, alsof zij geboren Apachen waren.

—Wij danken u. Gij hebt dus zelf dezen pijpekop uit de heilige klei gesneden? Hoe kunstig hebt gij dit gedaan!

Zij bloosde bij deze lofuiting en antwoordde:

—Ik weet wel, dat de vrouwen en dochters der blanken veel handiger zijn dan wij. Ik zal u echter nog iets anders halen.

Zij ging en kwam terug met mijn revolver, mijn mes, ammunitie en alle andere voorwerpen, welke niet uit mijn zakken waren geweest, want alles wat daarin was, had men mij laten behouden. Ik dankte haar, zeide dat mij nu niets meer ontbrak en vroeg:

—Zullen ook mijn kameraden wat hun is afgenomen geworden, terugkrijgen?

—Ja, alles. Zij zullen het nu reeds hebben, want terwijl ik u hier bedien, zorgt Intschu Tschuna voor hen.

—En hoe staat het met onze paarden?

—Die zijn er ook nog. Gij krijgt het uwe weer en Hawkins kan zijn Mary weer berijden.

—Gij kent den naam van zijn muildier?

—Ja, ook den naam van zijn oud geweer, dat hij Liddy noemt. Ik heb dikwijls, zonder dat ik het u vertelde met hem gesproken. Hij is een grappig man, maar toch een flink prairiejager.

—Ja, dat is hij en nog veel meer, namelijk een trouw, zelfopofferend kameraad, dien men moet liefhebben. Maar, ik zou u wel eens iets willen vragen, zult gij mij eerlijk de waarheid zeggen?

—Nscho-Tschi liegt nooit,—zeide zij trotsch en toch op eenvoudigen toon,—en in ’t allerminst zou zij tegenover u een onwaarheid zeggen.

—Uw krijgers hadden den gevangen Kiowa’s alles afgenomen, wat zij bij zich hadden niet waar?

—Ja.

—Ook mijn drie kameraden.

—Ja.

—Waarom mij dan niet? Men heeft mij alles gelaten wat in mijn zakken zat.

—Winnetou, mijn broeder had dit zoo bevolen.

—En weet gij, waarom hij dit bevel gaf?

—Omdat hij u goed lijden mocht.

—Hoewel hij mij voor zijn vijand hield?

—Ja, gij zeidet zooeven, dat gij hem reeds genegen waart van ’t eerste oogenblik af, dat gij hem zaagt, welnu, datzelfde is ook met hem ’t geval geweest. Het heeft hem leed gedaan u voor een vijand te moeten houden en niet alleen voor een vijand....

Zij hield op want zij had iets willen zeggen, waarmee zij vreesde, mij te beleedigen.

—Spreek verder!—verzocht ik.

—Neen.

—Dan zal ik het in uw plaats doen. Dat hij mij voor een vijand moest houden, kon hem geen leed doen, want men kan ook een vijand achten, maar hij heeft gemeend, dat ik een leugenaar, een valsch, een slecht mensch was, niet waar?

—Gij hebt het gezegd.

—Ik hoop dat hij nu inziet, dat hij zich vergist heeft. En nu nog een vraag: hoe staat het met Rattler, den moordenaar van Kleki-Petra?

—Hij werd zoo juist aan den folterpaal gebonden.

—Wat, nu, op dit oogenblik?

—Ja.

—En dat zegt men mij niet? Waarom verzwijgt men dat?

—Winnetou wilde dit zoo.

—Waarom?

—Hij vreesde, dat uw oogen het niet konden zien en uw ooren het niet konden hooren.

—Waarschijnlijk vergist hij zich daarin niet en toch is het mij mogelijk het te zien en te hooren, wanneer men mijn wensch vervult.

—En die is?

—Zeg mij eerst, waar die strafoefening zal plaats vinden.

—Beneden aan de rivier, waar gij zooeven waart. Intschu Tschuna heeft u hierheen gebracht, opdat gij er niet bij tegenwoordig zoudt zijn.

—Maar ik wil er bij zijn! Welke martelingen heeft men voor hem uitgedacht?

—Alle, die gewoonlijk toegepast worden. Het is het slechtste bleekgezicht dat ooit in de handen der Apachen is gevallen. Hij heeft onzen blanken vader, dien wij liefhadden en vereerden, zonder eenige aanleiding vermoord, daarom zal hij niet slechts een weinig gemarteld worden, zooals dit bij andere gevangenen pleegt te geschieden, maar men zal alle martelingen, welke wij kennen op hem toepassen.

—Dat mag niet gebeuren, dat is onmenschelijk.

—Hij heeft het verdiend!

—Zoudt gij er bij kunnen zijn en het aanzien?

—Ja.

—Gij? Een meisje?

Zij sloeg de lange wimpers neer, zweeg een oogenblik, hief de oogen weer op en zeide toen, terwijl zij mij verwijtend aanzag:

—Verwondert gij u daarover?

—Ja, een vrouw moet zoo iets niet kunnen aanzien.

—Is dat bij u zoo?

—Ja.

—Werkelijk?

—Ja, werkelijk.

—Gij zegt een onwaarheid, maar zijt daarom geen leugenaar, want gij zegt het, zonder het te weten. Gij vergist u.

—Wilt gij het tegendeel beweren?

—Ja.

—Dan zoudt gij onze vrouwen en meisjes beter moeten kennen dan ik!

—Misschien kent gij ze niet! Als uw misdadigers voor den rechter staan, mogen andere menschen toehooren, is het niet zoo?

—Ja.

—Ik heb gehoord, dat er dan meer toehoorderessen dan toehoorders waren. Moet een vrouw zich door haar nieuwsgierigheid naar zulk een plaats laten drijven?

—Neen.

—En wanneer bij u een moordenaar wordt gevonnist, wanneer men hem ophangt of het hoofd afslaat, zijn er dan nooit blanke vrouwen bij?

—Dat was vroeger zoo.

—Is het haar nu verboden?

—Ja.

—En de mannen ook?

—Ja.

—Dus is het allen verboden! Ware dit niet het geval, dan kunt gij zeker zijn, dat de vrouwen meekwamen. O, de vrouwen der blanken zijn niet zoo teergevoelig als gij denkt! Zij kunnen de pijnen, welke andere menschen of dieren dulden, zeer goed aanzien. Ik ben nooit bij u geweest, maar Kleki-Petra heeft het ons verteld. Daarom ging Winnetou naar de groote steden van het Oosten en toen hij terugkwam, heeft hij mij alles verteld van wat hij gezien heeft. Weet gij, wat uw vrouwen doen met de dieren die zij koken, braden en eten?

—Welnu?

—Zij trekken hun levend de huid af (bij palingen), ook nemen zij hun den darm uit het lijf, terwijl zij nog leven (bij de kreeften) en werpen ze in het kokende water. En weet ge, wat de medicijnmannen der blanken doen?

—Wat bedoelt gij?

—Zij werpen honden levend in het kokende water, om te weten hoelang ze dan nog leven en trekken hun de verzengde huid van het lichaam. Zij snijden hen de oogen, de tongen uit, maken het lijf open en kwellen hen nog op verschillende andere wijzen, om later daarover boeken te schrijven.

—Dat is vivisectie en geschiedt enkel om de wetenschap vooruit te brengen!

—Wetenschap! Kleki-Petra is ook mijn leermeester geweest, daarom weet ik wat gij met dit woord bedoelt. Wat moet uw Groote, Goede Geest wel zeggen van een wetenschap, die niets kan leeren, zonder dat zij Zijn schepselen doodmartelt. En zulke martelingen doen uw medicijnmannen in hun woningen, waar hun vrouwen toch ook leven! Of hooren zij het angstgeschreeuw der gemartelde dieren niet? Hebben uw vrouwen niet vogels in kooien in haar kamers? Weten zij niet, welk een straf dit voor de arme dieren is? Zijn uw vrouwen niet bij honderden tegenwoordig, wanneer bij wedrennen, de paarden bijna worden doodgereden? Ik ben een jong, onervaren meisje en word door u, onder de „wilden” gerekend, maar ik zou u nog veel kunnen opnoemen, dat uw vrouwen doen, zonder dat zij de huivering daarbij gevoelen welke ik zou gewaar worden. Herinner u de vele schoone, blanke vrouwen, die haar slaven hebben laten pijnigen of met een glimlach op de lippen hebben toegezien, dat een zwarte dienares werd gegeeseld! En hier geldt het een moordenaar, een misdadiger! Hij moet sterven, zooals hij dat heeft verdiend. Ik wil er bij zijn en gij veroordeelt mij! Is het werkelijk slecht van mij dat ik zulk een mensch kan zien sterven? En wanneer ik ongelijk mocht hebben aan wie de schuld dat de roodhuiden hun oogen aan zulke tooneelen hebben gewend? Zijn het niet de blanken, die ons dwingen, hun wreedheid met gelijke munt te betalen?

—Ik geloof niet, dat een blanke rechter een gevangen Indiaan tot den folterpaal zou veroordeelen.

—Rechter! Neem mij niet kwalijk, dat ik u aanspreek met den titel, dien ik zoo dikwijls van Hawkins had gehoord, „greenhorn”, gij kent het Westen nog niet! Waar zijn hier rechters! De sterkere is de rechter, de zwakkere wordt gevonnist. Laat u vertellen wat er gebeurd is bij de legervuren der bleekgezichten! Zijn de vele Indianen, die gevallen zijn in den strijd met de blanke indringers, allen snel aan een kogel of een messteek gestorven? Hoe velen van hen werden doodgemarteld! En toch hadden zij niets anders dan hun rechten verdedigd. En nu er bij ons een moordenaar zal sterven, die zijn straf heeft verdiend, nu moet ik mijn oogen van dit tooneel afwenden, omdat ik een vrouw, een meisje ben? Ja, eens waren wij anders, maar gij hebt ons geleerd, bloed te zien vloeien zonder dat wij daarbij ons gezicht vertrekken. Ik zal gaan, om tegenwoordig te zijn wanneer de moordenaar van Kleki-Petra zijn straf ondergaat!

Ik had de jonge, schoone Indiaansche leeren kennen als een zacht, stil wezen, nu evenwel stond zij vóór mij met fonkelende oogen en gloeiende wangen, het beeld van de godin der wrake, die geen erbarmen kent. ’t Kwam mij voor, dat zij nu nog schooner was dan te voren. Mocht ik haar veroordeelen? Had zij ongelijk?

—Ga dan,—zeide ik,—maar ik ga mee.

—Blijf liever hier!—verzocht zij, weer in een geheel anderen toon.—Winnetou en Intschu Tschuna zien niet gaarne, dat gij meekomt.

—Zouden zij er boos om worden?

—Neen. Zij zien het liever niet, maar zij willen het u niet verbieden.

—Dan ga ik mee, zij zullen het mij niet kwalijk nemen.

Toen ik met haar op het platform kwam, vond ik daar Sam Hawkins, die uit zijn oude, korte pijp stond te rooken.

—’t Is nu een andere zaak, sir!—zeide hij lachend—tot nu toe gevangene geweest en nu den grooten mijnheer uithangen. Hoe gaat het u onder deze omstandigheden?

—Dank u, zeer goed—antwoordde ik.

—Mij ook eveneens. De hoofdman heeft ons zelf bediend, dat is netjes, als ik mij niet vergis.

—Waar is Intschu Tschuna nu?

—Hij is weggegaan, ik denk naar de rivier.

—Weet gij wat daar op dit oogenblik geschiedt?

—Ik kan het wel denken.

—Wat dan?

—Het afscheid van de Kiowa’s.

—Dat niet alleen.

—Wat dan nog meer?

—Rattler wordt gevonnist.

—Wordt Rattler gevonnist? En men laat ons hier? Dan moet ik toch ook naar beneden, om dat te zien.

—Wacht een oogenblik. Kunt gij zulke tooneelen aanzien, zonder huiveren?

—Zien, huiveren, wat zijt gij toch een greenhorn sir, als gij maar langer hier in ’t Westen zijt, zult gij ook niet meer aan huiveren denken. Die kerel heeft den dood verdiend en wordt op Indiaansche wijze gevonnist, dat is alles!

—Maar het is toch wreed!

—Kom praat bij zulk een wezen toch niet van wreedheid. Sterven moet hij toch eenmaal of denkt gij van niet?

—O ja, als zij het dan maar kort met hem maken, ’t is toch een mensch!

—Een man, die een ander, die hem niets heeft misdaan, zoo maar neerschiet, is geen mensch. Hij was zoo dronken als een uil!

—Dat is toch een verzachtende omstandigheid, hij wist niet meer wat hij deed!

—Laat u toch niet uitlachen! Ja, daarginds bij u in de oude wereld rekenen de rechters ieder, die in dronkenschap een moord begaat niet zoo schuldig. Wie zich zoo bedrinkt, dat hij als een wild dier op zijn medemensch aanvalt, moest juist strenger gestraft worden. Ik heb niet het minste medelijden met Rattler. Bedenk eens, hoe hij u heeft behandeld.

—Dat bedenk ik wel, maar ik ben een Christen en geen Indiaan. Ik zal alles in het werk stellen om hem een spoedigen dood te bezorgen.

—Doe dat niet, sir, ten eerste heeft hij het niet verdiend en ten tweede zal het u weinig geven. Kleki-Petra is de leermeester, de geestelijke vader van den stam geweest, zijn dood is een onherstelbaar verlies voor de Apachen en de moord geschiedde zonder eenige aanleiding. Daarom is het onmogelijk de roodhuiden tot medelijden te bewegen.

—Ik zal het toch beproeven!

—Tevergeefs.

—In dit geval schiet ik Rattler een kogel in het hart.

—Om een einde te maken aan zijn lijden! Laat dat om ’s Hemels wil blijven. Gij zoudt u den haat van den geheelen stam op den hals halen. Het is hun recht den aard der straf te bepalen, als gij hun dat ontneemt, is het uit met de zooeven gesloten vriendschap. Dus, gij gaat mee?

—Ja.

—Goed zoo, maar bega geen dwaasheden! Ik zal Dick en Will roepen.

Hij verdween in den ingang zijner woning en kwam spoedig met zijn beide kameraden terug. Wij daalden de verschillende ladders af. Nscho-Tschi was ons vooruitgegaan en nergens meer te zien. Toen wij uit het zijdal in het hoofddal van de Rio Pecos kwamen, waren de Kiowa’s verdwenen. Zij waren met hun gewonden aanvoerder weggereden, maar Intschu Tschuna was zoo voorzichtig geweest hun spionnen na te zenden, daar zij ’t licht konden probeeren, onopgemerkt terug te komen om zich te wreken.

Ik heb reeds gezegd, dat onze ossenwagen op het plein stond. De Apachen hadden zich in een kring daaromheen opgesteld en midden in stonden de beide aanvoerders met eenige krijgslieden. Nscho-Tschi was bij hen en sprak met Winnetou. Hoewel zij de dochter van een opperhoofd was, mocht zij zich niet mengen in de aangelegenheden der mannen en dat zij zich nu toch hier bevond, bewees, dat zij iets zeer gewichtigs met haar broeder had te bespreken. Toen zij ons aan zag komen, maakte zij Winnetou op ons opmerkzaam en trok zich daarop terug, zich bij de vrouwen voegend. Zij had blijkbaar over ons gesproken. Winnetou drong door den kring zijner krijgers, kwam ons tegemoet en zeide op ernstigen toon:

—Waarom zijn mijn blanke broeders niet boven in het Pueblo gebleven? Bevallen hun de vertrekken niet, welke hun zijn aangewezen?

—Zij bevallen ons zeer goed,—antwoordde ik,—en wij danken onze roode broeders voor hun goede zorgen. Wij zijn hier gekomen, omdat wij hoorden dat Rattler nu terechtgesteld zou worden. Is dit zoo?

—Ja.

—Ik zie hem evenwel hier niet.

—Hij ligt in den wagen bij het lijk van den vermoorde.

—Welken dood moet hij sterven.

—Den marteldood.

—Is dat vast besloten?

—Ja.

—Zulk een terechtstelling kan ik niet bijwonen.

—Daarom heeft Intschu Tschuna, mijn vader u naar het Pueblo gebracht. Waarom zijt gij hier gekomen? Waarom wilt gij iets zien, dat gij toch niet kunt aanzien?

—Ik hoop, dat ik zijn terechtstelling kan bijwonen, zonder dat ik mij met afgrijzen behoef af te wenden. Mijn godsdienst gebiedt mij, voor Rattler te pleiten.

—Uw godsdienst? Was dat ook niet de zijne?

—Ja.

—Heeft hij naar de geboden der godsdienst gehandeld?

—Helaas neen.

—Dan is het ook volstrekt niet noodig hem naar die geboden te behandelen. Uw en zijn godsdienst verbieden den moord en hij heeft toch een moord bedreven, dus moet hij zijn straf ondergaan.

—Ik kan geen rekening houden met wat hij gedaan heeft, ik moet mijn plicht vervullen, zonder naar de daden van anderen te vragen. Ik verzoek u dus het vonnis te verzachten en dezen man een snellen dood te laten sterven.

—Wat eenmaal besloten is, moet worden uitgevoerd!

—Bestaat er dus geen enkel middel om mijn wensch vervuld te krijgen?

Hij zag ernstig en nadenkend voor zich en antwoordde toen:

—Er is één middel.

—En dat is?

—Voor ik het mijn blanken broeder zeg, moet ik hem ernstig verzoeken het niet in toepassing te brengen, daar dit hem zeer in de achting van onze krijgers zou doen dalen.

—In hoeverre? is dit middel dan een onwaardig middel?

—Naar de begrippen der roode mannen, ja.

—Zeg het mij.

—Gij zoudt uw aanspraak op onze dankbaarheid moeten laten gelden.

—Maar dat doet geen fatsoenlijk mensch!

—Neen wij hebben ons leven aan u te danken, wilt gij u daarop beroepen en mijn vader, Intschu Tschuna dwingen, uw wensch in overweging te nemen?

—Wat zou ’t gevolg daarvan zijn?

—Wij zouden een nieuwe vergadering moeten beleggen en in die vergadering zóó voor u moeten pleiten, dat onze krijgers de belooning die gij eischt, goedkeuren. Maar dan zou alles, wat gij verder hebt gedaan als van geen waarde worden beschouwd. Is deze Rattler zulk een offer waard?

—Zeker niet.

—Mijn broeder hoort dat ik oprecht met hem spreek. Ik weet welke gedachten en gevoelens in hem omgaan, maar mijn krijgers hebben geen begrip van deze dingen. Een man, die dank eischt voor een bewezen dienst, wordt door hen veracht. Moest Old-Shatterhand, die de grootste en de beroemdste krijgsman der Apachen kan worden van ons heengaan, omdat mijn krijgers hem zullen minachten?

Het was moeilijk hierop een antwoord te geven. Mijn hart gebood mij bij mijn verzoek te blijven, mijn verstand, of beter gezegd, mijn trots kwam daar tegen op. Winnetou begreep den tweestrijd in mijn binnenste en zeide: