Willem Tell: De Zwitsersche vrijheidsheld

Part 9

Chapter 94,178 wordsPublic domain

„Trek het je niet aan, Tell,” liet de weduwe Heinrichs zich hooren. „Zoo iets zal je wel meer gebeuren!”

Er lag iets in hare stem, dat onheilspellend klonk en Hedwig huiveren deed.

„Je neemt dan toch je bijl en jachtmes wel mede,” zeide ze angstig tot haar' man. „Ik vertrouw de Oostenrijkers niet! Ze zwerven bij nacht en dag overal.”

„Bange vrouw!” spotte Tell, „geen Oostenrijker waagt zich op dit uur in de bergen. Kom, vrouw Heinrichs, laten we gaan, anders loopen we Rudi mis!”

Gejaagd en met een hart vol angst staarde Hedwig de twee na zoolang zij ze zien kon, liep toen in huis, wierp zich voor het kruisbeeld neer en begon vurig te bidden.

Toen ze opstond lagen Walter en Willem geknield achter haar.

„Wat is dat?” vroeg Moeder „Wat doet gij hier?”

„Met u voor Vader bidden, Moeder! Is de heks weg?” was Walters antwoord.

„Foei, kind! eene arme weduwe eene heks te noemen! Nu is ze weg, maar straks komt ze weer met je Vader terug. Wat zijt gij koud!”

„Wij durven niet naar bed, Moeder! We zijn opgebleven!” zeide Willem. „Heusch, die vrouw doet ons kwaad. Bruno en Wolf hebben nog nooit zoo gedaan, als er een ander kwam.”

„Kind, je maakt me ook bang! Toe, warm je zooveel je kunt, dan ga je niet zoo koud naar bed!”

De knapen schoven hunne zitbankjes bij den haard, doch pas had Moeder de harsspaan opgestoken en zich aan de ruwe tafel neergezet, of Walter nam een' appel uit een mandje en zeî: „Moeder, vang dien appel eens!”

Hij rolde den appel over tafel. Moeder bleef zitten en zonder het lijf of de beenen te bewegen, ving ze hem in haar' schoot op.

„Ga jij daar eens even zitten, Wil,” zeide Walter, „en vang jij dan dezen appel!”

Toen Willy zat, rolde Walter een' anderen appel over de tafel, en om dien te vangen sloeg Willem de knieën tegen elkander.

„O, nu weet ik het!” jammerde Walter, en brak in een akelig gesnik uit.

„Maar, kind, wat beduidt dat nu?” vroeg Moeder gejaagd en op heeschen toon.

Hortend en stootend, tusschen het snikken in, vertelde Walter nu: „Toen u bezig was de geiten te melken, heb ik door een scheurtje van de deur hier in de kamer gekeken. Vader en de gast aten appelen, en toen Vader over de tafel heen, een' appel naar de vrouw rolde, deed ze niet zooals u deed, maar zooals Wil deed. Ze sloeg de beenen tegen elkander. O, o, Bruno en Wolf hebben goed gezien; die vrouw was een man!”

Pas had Walter dat gezegd of men hoorde buiten gerucht.

„Daar zijn ze al terug,” zeide de Moeder. „Toe, loop maar gauw naar bed!”

„Maar die verkleede man dan, Moeder?”

„Zal Vader geen kwaad doen. Ik zal hem waarschuwen! Weest gerust! En nu, wel te rusten!”

De knaapjes klauterden de ladder op naar hun slaapvertrekje op den zolder, doch pas waren ze daar, of er werd op de deur geklopt. Bruno en Wolf gingen in hun hok als dollen te keer.

Hedwig liep naar de deur, doch zonder die te openen vroeg ze: „Wie is daar zoo laat?”

„Ik, Hedwig, ik! Walter Fürst, je Vader!”

Oogenblikkelijk opende ze nu de deur en zag haar' Vader met een twintigtal gewapende mannen bij zich.

„Wat is het? Vader, Vader, waarom u hier? Wat is er te doen?”

„Wat er te doen is? Waar is Tell?”

„Tell? Willem? Hij is.. is.. is!”

„Niet thuis?”

Hedwig schudde het hoofd.

„Met eene zoogenaamde vrouw Heinrichs mede om vier koeien te halen?”

Hedwig kon niet spreken.

Daar kwamen Walter en Willem in hunne onderkleertjes naar beneden loopen.

„Ja, Grootvader, Vader is met dien verkleeden man mee! Ik zal vertellen...”

„Te laat!” schreeuwde Walter Fürst uit. „De honden los! De honden los! Misschien nog redding mogelijk! Misschien!”

Hij zelf liep naar het hok.

„Zoekt den baas!” riep hij de trouwe viervoeters toe, en nauwelijks gevoelden de dieren zich vrij, of ze renden jankend, huilend en blaffend het bergpad op, gevolgd door Walter Fürst en de zijnen.

Vier, vijf, mogelijk zes uur lang bleef Hedwig in stomme smart verzonken bij den haard zitten. Gebrek aan hout deed het vuur uitdooven. De harsspaan stond op het punt uit te gaan, doch Walter stak eene andere aan en de kleine Willem deed het vuur weer branden.

Er klonk gerucht.

„Hier, hier, achter mij! Ze krijgen je niet! Ze krijgen je niet!” gilde Hedwig, en plaatste zich met Tell's groote jachtbijl achter de deur en vóór de twee knaapjes.

Het gerucht nam toe.

„Open, Hedwig! open! Ik ben het!” klonk de stem van Walter Fürst.

Hedwig wierp de deur open.

„Waar, waar is Willem?” kreet ze.

„Niet bij ons, kind! Niet bij ons!”

„Waar dan?”

„Ga naar binnen, kind! Laat die menschen ook in huis! Komt, mannen!”

De gezellen van Walter Fürst traden in het vertrek en...

Die trouwe, trouwe honden!

Bruno tusschen Walter en Willem, Wolf achter de troostelooze Hedwig! De stomme dieren hadden het wel willen uitschreeuwen: „Waarom mochten wij dien boozen man in vrouwengewaad niet verscheuren? Wij wisten, dat hij ramp brengen zou! Maar nu zullen wij u beschermen!”

„Tell had dezen middag Claus moeten spreken op de bepaalde plaats, doch hij was er niet, en Claus heeft zich toen gerept om het mij te vertellen, dat Landenberg die booze list verzonnen had om Tell gevangen te nemen, zonder dat het volk er achter kwam,” begon Fürst.

„Maar wat heeft Willem dan toch voor kwaads gedaan, Vader?”

„Willem is onvoorzichtig geweest, Hedwig! Hij heeft te Altorf den Hertogshoed niet gegroet!”

„Doet gij dat dan, Vader? Gij, een Zwitser? Gij? Gij?”

„Bedaar, kind, bedaar! Neen! Eer kapt Walter Fürst zich de hand af, eer hij die hand uitstrekt om dien Hertogshoed te groeten. Maar... ik heb hem ook nog niet gezien, Hedwig! Wie verstandig is en zich Zwitser gevoelt, komt niet te Altorf op de Markt. Het was overmoed van Willem, er heen te gaan. Hij wilde den Oostenrijker laten zien, dat hij hem tart, maar hij vergat dat de tijd van tarten te vroeg genomen is. Wij kunnen Tell niet helpen en moeten hem aan zijn lot overlaten!”

„En zullen ze hem dan dooden? O, dat wil ik niet! Ik zal hem redden, ik!”

Woest sprong zij op en liep, gewapend met Tell's bijl, naar de deur.

De mannen hielden haar tegen en Walter Fürst zeide:

„Dwaas kind, wat kan die bijl in eene vrouwenhand tegen de muren van den Zwing-Uri? Wees bedaard! Ze zullen Tell in de eerste dagen niet dooden. Ze zullen hem in het geheel niet dooden! Ze zullen hem als gevangen man aan den Keizer overleveren. Claus heeft dat alles afgeluisterd. Nu echter houden ze hem gevangen en ze denken dat veilig te kunnen doen. De ware familie Heinrichs is ook in ketenen, en daar niemand wat weet van Claus' geheim, zoo denken de Oostenrijkers, dat elke Zwitser het er voor houden zal, dat Tell in een' afgrond gestort en zoo omgekomen is. Dat gebeurt in onze bergen immers zoo vaak? Het leven van Tell is dus niet oogenblikkelijk in gevaar, en als er besloten is, hem naar Oostenrijk te brengen, dan zal Claus ons dat mededeelen. Dan is het onze tijd van handelen, maar vóór dien tijd moet iedere Zwitser zich houden, alsof hij gelooft, dat Tell in een' afgrond gestort is. Doen wij dat niet, dan brengen wij zijn leven in gevaar. Kuno en Eppo, gij kent mijne oude knechts, blijven hier, en wij gaan heen. Houd u goed, Hedwig! Wees eene Zwitsersche vrouw, eene Zwitsersche Moeder! Van al wat er gebeurt, brengen wij u tijding! Misschien ziet ge mij vandaag bij u terug. Ik moet nu naar uwe Moeder! Dag, kind! Houd u sterk!”

Behalve Kuno en Eppo, die bleven, gingen al de mannen heen.

Het was een harde slag voor Hedwig.

De kleine Walter scheen dit ook te begrijpen. Hij klauterde op Moeders knieën en fluisterde haar toe: „Schrei niet, Moeder! Ik zal Vader weer bij u brengen! Maar nu ga ik slapen! Kom, Wil!”

Kuno en Eppo, die het fluisteren verstaan hadden, glimlachten bij dat gezegde, en zij, zoowel als Moeder Hedwig hielden het voor een kinderwoord: vandaag gezegd, morgen vergeten.

Weldra was alles daar binnen in de bergwoning stil. Kuno en Eppo zaten bij den haard te dutten, Hedwig had haar leger opgezocht en Walter en Willem lagen in hun kribbetje.

Maar wie er sliep, niet Hedwig, de trouwe gade en liefhebbende Moeder. Zij verweet zichzelve, dat de hoogmoed haar in zijne strikken gevangen had. Hoe kon ze toch zoo blind geweest zijn? En waarom had ze niet meer acht geslagen op hetgeen Walter zeide: „Wat neemt ze groote stappen!” en op de bemerking van Willem: „Ze loopt zoo waggelend als een man, die altijd te paard zit!”

Waren dat geene waarschuwingen genoeg?

En de honden dan, die trouwe Bruno, die goede Wolf!

Had zij zelve niet op het eerste gezicht die vrouw gewantrouwd?

Had zij zich niet voorgenomen haar te bespieden?

„Ja, ja, dat had ze, maar....”

„Ze weten wie Tell is, en ze weten, dat heel Zwitserland als één man zou opstaan, als hem één haar gekrenkt werd!”

Hoe kwamen bij die woorden hoogmoed en trots in haar hart! Hoe deden die woorden haar naar den kelder gaan om den koppigen wijn te halen? Zag ze dan niet, dat die gast voor eene oude, Zwitsersche weduwe er van dronk, als een man, die aan zwelgpartijen gewoon is? Zag zij dan niet, dat die wijn geen' invloed op dat mensch had, maar destemeer op haar' Willem, die alleen op huiselijke feestdagen één enkel dronkje nam? Waarom waarschuwde ze hem niet in stilte, dat hij Claus moest spreken? Hoe kon ze bij zichzelve denken: „Och, wat Claus Tell vandaag te zeggen heeft, kan hij immers morgen ook wel zeggen? Waarom Tell zijn genot ontnomen? Hij leeft op, nu hij zoo eens vrij spreken kan!”--Maar hetgeen Claus hem zeggen wilde, was niet iets om uitgesteld te kunnen worden! En wat had ze, door hem in gesprek met dien verkleeden schelm te doen blijven, gelegenheid gegeven om eens breedvoerig uiteen te zetten waarom hij Geszler en Landenberg haatte. Hoe zouden die woorden hem thans veel kwaad doen! En zij, zij alleen had alles kunnen voorkomen,--zij alleen was oorzaak van de noodlottige gebeurtenis!

Was het wonder, dat het traag doorbrekende morgenlicht haar nog wakende vond? Was het wonder, dat hare oogen rood en de oogleden opgezet waren van het weenen?

Maar niet alleen zij was met een hoofd vol gedachten te rusten gegaan.

„Ik zal Vader weer hier brengen,” dacht Walter, en in dat kleine hoofdje verdrong het eene plan het andere, tot het kind moede en mat de oogen sloot, nog mompelend: „Ik zal Vader weer hier brengen! Ik zal naar Geszler op den Zwing-Uri gaan, maar heel in stilte. Ik weet den weg wel!”--

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Walter en Claus.

De eene week na de andere verliep zonder dat er in den toestand van het Volk verandering kwam. Ook in den toestand van Tell bleef alles hetzelfde, en als Claus er wat van vernam, dan was het niets anders dan dit: men wachtte nog altijd bericht van den Keizer.

Intusschen was Tell niet als een gewoon misdadiger opgesloten en mocht hij zich vrij bewegen, wanneer hij maar bleef binnen de buitenmuren van den Zwing-Uri. Om het ontsnappen te voorkomen, werd hij evenwel steeds gevolgd door twee wachters en mocht hij geen enkel wapen dragen. Van alle kanten deed men moeite hem over te halen zich bij Oostenrijk aan te sluiten, doch Tell bleef onverzettelijk. Hij schroomde zelfs niet om eene uitnoodiging om bij Geszler een feestmaal bij te wonen, af te slaan met de woorden: „Willem Tell viert alleen feest met vrienden van Zwitserland, nimmer met verraders van hun Vaderland!”

Dat hooghartige gezegde deed Geszler in woede ontsteken, en was oorzaak dat Tell thans alle vrijheid verloor en opgesloten werd in een kerkerhol, waarin geen enkel zonnestraaltje doordrong, en waar de vochtige bodem bewees, dat het hol diep onder den grond lag.

Had zijn verblijf daar lang moeten duren, dan zou hij stellig zeer spoedig door den dood uit zijn lijden verlost zijn geworden.

En Willem Tell leed. Ook zijn geweten klaagde hem aan, dat de hoogmoed, die zijn' boezem binnengeslopen was, de oorzaak van alles was.

Die hoogmoed deed hem de matigheid uit het oog verliezen en deed hem Claus, den trouwen Claus vergeten. Hij alleen was dus de schuld van alles. Hij, hij alleen had ramp over vrouw en kinderen gebracht.

Meer dan onder Gods helderen hemel, die dit jaar na het verdwijnen van den winter zoo buitengewoon zonnig en warm was, dat alles eene maand vroeger groen was en bloeide dan in andere jaren, sprak dat knagende zelfverwijt, in het vochtige hol, waarin het altijd nacht was.

Zijn verblijf duurde in dat hol echter maar twee dagen. Dan zou hij het verlaten om weer altijd vrij te zijn.

En hij, die aan zijne gevangenschap een einde maken zou, zou geene bende gewapende vrienden, neen, het zou een achtjarig kind, het zou zijn Walter zijn.

Na het gevangen nemen van Tell was in de bergwoning niets merkwaardigs geschied. Treurig leefde ieder daar zijn leven, en al zong de leeuwerik nog zoo schoon, al sjilpten de teruggekeerde zwaluwtjes, die onder het uitstekende dak hunne nestjes bouwden of herstelden nog zoo vriendelijk, men liet de zon schijnen, men liet groeien, bloeien, zingen en sjilpen zonder er oog of oor voor te hebben.

Kuno en Eppo deden Tell's werk, en Hedwig deed, als naar gewoonte, het hare.

Eens op een' schoonen Aprildag waren Kuno en Eppo met Bruno en Wolf het gebergte ingegaan om te jagen. Kleine Willem had voorjaarskoorts en lag te bed. Moeder Hedwig was bezig met brooddeeg kneden, en Walter liep buiten met het boogje, dat zijn Vader voor hem gemaakt had. Hij oefende zich iederen dag in het schieten en zelfs Kuno en Eppo moesten erkennen, dat hij beter schoot dan één hunner. Alleen zijn boogje was nog te zwak voor grof wild, maar anders, wel, hij deed schoten als zijn Vader!

Met dat schieten had Walter een doel, dat hij met de grootste zorgvuldigheid voor ieder verborgen hield.

Hij wilde zich zóó lang oefenen tot hij een dun geldstukje in den stam van een' boom gestoken zesmaal achter elkaar raken zou. Kon hij dat, dan zou hij naar den Zwing-Uri gaan, en zeggen: „Heer Rijksvoogd, als ik zes schoten doe op dit geldstukje, dat ik in een' boom gestoken heb, en het zesmaal zoo raak, dat het geheel in den boom gedreven is, krijg ik dan wat ik vraag?” Geszler zal dit niet willen gelooven en „ja” zeggen. Heb ik zesmaal geschoten en mijne belofte vervuld, dan vraag ik, als loon: de vrijheid van Vader.

Zoo had Walter als kind geredeneerd, en nu was hij bezig te beproeven, wat hij kon.

Zesmaal geraakt en, verdwenen in den boom het geldstukje! Het was hem gelukt!

Nog eens geprobeerd, en werkelijk, met denzelfden uitslag.

„Nu naar den Zwing-Uri,” dacht hij, en weldra was hij op weg naar dien vrij ver gelegen burcht.

Wat repten die kleine beentjes zich!

Wat keken die blauwe oogjes, stralend van onschuld, hoop en blijheid uit naar alle kanten om zich te verbergen, als hij iemand zag aankomen, die hem stellig alweer thuis brengen zou!

Wat stonden die stevige voetjes vast op het meer dan gevaarlijke pad langs den afgrond!

Wat klopte dat jonge hart van levenskracht en levenslust!

Van levenslust?

Ja, zeker, van levenslust, van levensblijheid zelfs!

„Halli! Halli! Hallo!” jodelde hij eenmaal.

En waarom ook niet?

Zie, eer de zon alweer achter de bergen neerdook, zou hij immers hier weer zijn? Maar dan niet alleen, doch met Vader bij zich!

Hé, wat zou hij grootsch zijn!

Daar bij den hoek vanwaar men hunne woning zien kon, zou hij eensklaps voortijlen om tot Moeder te roepen: „Moeder! Moeder! Daar komt Vader! Ik heb zijne vrijheid verdiend, door mij te oefenen in het schieten! Ik heb woord gehouden, weet je dat wel, Moeder? Ik had het u immers in het oor gefluisterd, en al lachten die Kuno en Eppo mij ook uit, ik gaf er niet om, want ik wist, dat ik woord houden zou! Ja, en... daar komt Vader!”

Arme Walter met uw moedig, goedig hart, wat bouwt gij daar in uwe kinderlijke eenvoudigheid toch luchtkasteelen!

Hoe zal alles heel anders afloopen dan gij denkt!

Maar uw woord houden, ja, kind, dàt zult gij! Gij zult uw' Vader vrijmaken, maar niet vandaag, neen, morgen nacht pas, en... gij zult er niet bij zijn.

Toch, ja tòch zal zijne vrijheid uw werk zijn, beste jongen! En als die nacht, waarvan ik sprak, voorbij zal zijn, dan zal Grootvader Walter Fürst u wat in het oor fluisteren, dat u veel harder, veel mooier en veel vroolijker dan zoo even zal laten jodelen: „Halli! Halli! Hallo!”

Ga gerust verder, beste zoon van zulke lieve Ouders! Op uw heerlijk en schoon pogen zal de zegen des Hemels rusten! Ga naar den Zwing-Uri!

Ga voort! Ga verder, Walter!

Ziet gij daar die torens? Ja?

Rept u! Rept u! Dat is de Zwing-Uri! Daar zit Vader in een' donkeren, vochtigen kerker, diep onder den grond.

Wat!? Doet gij het niet? Gaat gij er bij zitten?

Het is te gelooven, kind, dat ge moede zijt! De tocht was ook zoo moeielijk en zoo ver!

Rust wat! Goed, dan hebt ge straks nieuwe kracht, en te vaster zal uw handje zijn, als ge tot zesmaal achter elkander uw' pijl zóó wegschiet, dat hij even veel keeren hetzelfde doel raakt.

Zit, en rust wat!

Hij zet zich op het jonge gras onder de schaduw van een' kastanjeboom neer, en kijkt met wijd geopende oogen naar de torens en muren van den Zwing-Uri.

Maar die oogen doen raar, heel raar! De oogleden vallen nu en dan dicht; het blonde kopje knikt, schudt, buigt zich voorover en... blijft eindelijk voorover gebogen hangen.

Walter slaapt en droomt.

Een malle droom. In zijn' slaap meent hij steeds voort te gaan; hij nadert het kasteel! De muren zijn bezet met posten, die hem nijdig aanblikken.

En daar, te midden van ruwe schildwachten ziet hij Vader met de armen op den rug geboeid.

Een schildwacht neemt een' stok en wil Vader slaan!

Zal de slag neervallen?

De stok daalt; hij ziet Vader den breeden rug buigen om den slag te ontvangen, en...

„Vader! Vader!” gilt hij. „Hier is Walter! Hij komt u halen! Vader! Va....”

De schrik doet hem ontwaken, en wien ziet hij daar?

De weduwe Heinrichs, maar nu als Oostenrijksch ruiter gekleed, en vol angst roept hij uit:

„Weg! Weg! Leelijke heks! Je hebt onze pijlen betooverd en Vader gestolen! Weg! Weg, leelijke man! Walter Tell is boos op je! Weg, heks!”

De Oostenrijker, die werkelijk niemand anders is dan de man, die zich zoo kunstig in eene weduwe vermomde, rijdt de paarden van zijn' meester af. Zijn weg voert hem langs den kastanjeboom, en daar vindt hij den knaap, die hem bijna verraden had. Een leelijke grijnslach trekt over zijn gelaat en tevreden mompelt hij: „Eene heerlijke vangst, Fridel! Met dat uilskuiken kunnen wij den wilden vaderuil temmen!”

In een omzien is hij van zijn paard gesprongen, doch juist, als hij bij Walter is, heeft deze het einde van zijn' bangen droom, die hem luidkeels: „Vader!” doet roepen. En dan volgt van den ontwaakten knaap, dat: „Weg! Weg! leelijke heks! Weg, heks!”

„Je kakelt mooi, schreeuwleelijk,” zegt Fridel. „Dat zal ik je afleeren!”

Hij haalt een' doek uit den zak, maakt er eene prop van en stopt ze Walter in den mond. Met een paar lederen riemen worden de tegenspartelende beentjes en handjes machteloos gemaakt. Met het kind op den arm springt hij op een der paarden. Onder zijn' langen en ruimen mantel stopt hij het ventje weg. Geen Zwitser mag zien, wat hij daar bij zich heeft.

„Wof! Waf! Wof! Waf!” klinkt het uit de verte.

Fridel slaat er geen acht op, maar onder zijn' mantel voelt hij beweging, hij meent daar zelfs een' gesmoorden vreugdekreet te hooren.

„Wof! Waf! Wof! Waf!” klinkt het van dichter bij.

Fridel keert zich op het paard om; hij ziet niets! De blaffende honden zijn juist daar, waar de bergweg eene bocht maakt, en...

„Zeker „Treu” en „Thor”, die mijn spoor gevonden hebben,” mompelt hij.

„Wof! Waf! Wof! Waf!” klinkt het nu bijna in zijne onmiddellijke nabijheid en de geboeide knaap wringt zich haast van onder den mantel, die hem verbergt.

Weer ziet Fridel om; want Treu en Thor blaften toch anders! Deze honden huilen, janken en blaffen tegelijk.

„De honden van Tell! De bloedhonden!” roept hij verschrikt.

„Voort! Voort!” schreeuwt hij den paarden toe en geeft het ros waarop hij zit, zoo diep de sporen, dat het roode bloed de witte huid verft.

Als dol rennen de paarden voort, achtervolgd door Bruno en Wolf, die hun' jongen meester ontdekt hebben en hem nu bevrijden willen.

Helaas, tegen de voorthollende paarden, die nog niet vermoeid waren toen ze den dollen rit aanvingen, moeten Bruno en Wolf het verliezen, hoe ze zich ook met inspanning van alle krachten nog voortreppen.

Van den Zwing-Uri heeft men de wilde jacht zien aankomen, en nauwlijks zijn de paarden over de valbrug of de wachters halen ze op.

Fridel is met zijn „uilskuiken” in veiligheid. Voor de opgehaalde brug staan Bruno en Wolf met de tong uit den wijdgeopenden bek te hijgen.

Plons! daar springt Bruno in de slotgracht.

Plons! Wolf volgt hem.

„Schiet de duivels dood! Ze zijn dol!” schreeuwt Fridel den schildwachten toe.

Tal van pijlen worden op de trouwe dieren afgezonden.

Hun bloed kleurt het kristalheldere water. Twee, drie, vier pijlen blijven in hun lijf zitten. De trouwen! Ze zwemmen voort, steeds voort!

Maar trager, veel trager wordt hunne vaart!

Daar heft Bruno nog eenmaal den trouwen kop op! Een kreet, die iets menschelijks heeft, wordt gehoord!

Hij is dood!

Dood, de goede trouwe, brave, lieve hond!

Nog zulk een kreet!

Het is Wolf, die hem slaakt! Een pijl vliegt in den wijdgeopenden bek en blijft hem in de keel zitten.

Ook Wolf is dood!

En dat alles heeft Walter moeten aanzien.

Fridel heeft hem van onder zijn' mantel gehaald. Spottend haalt hij de prop uit zijn' mondje en maakt hij de riemen los.

„Daar gaan je broertjes om zeep, schreeuwleelijk!” zegt hij, met een' afschuwelijken grijnslach.

De laatste kreet van Wolf bereikt Walters oor. Zijn oog valt op zijn kinderboogje, dat vóór hem op het paard ligt. Zijn zwak handje grijpt dat boogje, van taai esschenhout vervaardigd, en eer Fridels grijnslach nog verdwenen is, striemt Walter den boog dwars over het gelaat van zijn' ontvoerder, die van pijn een gil laat hooren, akeliger en luider dan die van den stervenden Bruno en Wolf!

Met één sprong is Walter van het paard en vliedt.

Maar och, wat helpt het hem? Hij is op den voorhof van den Zwing-Uri te midden van mannen, die het arme kind najagen en grijpen.

„Wat is dat?” vraagt Landenberg, die juist gereed is om van zijn gewoon dagelijksch bezoek op den Zwing-Uri naar zijn eigen kasteel terug te keeren en door Geszler tot aan den voorhof gebracht wordt.

Bijna stikkend van woede en met eene streep, dik als een touw, dwars over het gelaat, vertelt Fridel alles.

„De honden opvisschen en begraven eer er een Zwitser achter komt,” beveelt Landenberg, die steeds vol vrees is voor de getergde woede van zijne landgenooten, die hij verraden heeft.

„En wat met dat jong te doen?” vraagt hij aan Geszler.

Een lach, onbeschrijflijk wreed, legert zich op het gelaat van den boozen Rijksvoogd.

„Weet ge wat goeds?” vraagt Landenberg, dien lach ziende.

„Ja! Die knaap is goud waard. Luister! Ik zal morgen Tell zeggen, dat hem alles vergeven is en dat hij in vrijheid kan heengaan, als hij een' appel van het hoofd zijns zoons schiet!”

„O, dan is hij morgen vrij!”

„Neen, niet vrij! Dat gevaarlijke pijlschot zal zijne hand doen beven; hij zal zijn eigen kind doodschieten, en dan, dan! Heerlijk! Heerlijk! Met de marteling zijn' zoon gedood te hebben, sturen we hem naar den Keizer. Dan zal hij langzaam, heel langzaam wegsterven van wroeging en leed. Een' wreederen dood ken ik niet voor hem. Zoo zal het zijn! Brengt den knaap weg, doch doet hem geen leed! Hij moet morgen, blozende van gezondheid, voor zijn' Vader staan, des te onzekerder wordt de hand!”

Landenberg is verrùkt! Dat is eerst nog eens eene straf, zooals hij zelf niet bedenken kon.

„Uitnemend! En hoe laat zullen we morgen die grap hebben?” vraagt hij Geszler.

„Morgen middag twaalf uur!”

„Goed! Ik kom! Dat wil ik zien! En waar?”

„Waar? Midden op de Markt van Altorf, in het gezicht van den Hertogshoed, dien hij bespot heeft!”

„Maar het Volk zal dat niet dulden!”

„Het Volk weet van niets en zit thuis of op het veld! Bovendien, we zullen zorgen, dat we gewapende mannen genoeg bij ons hebben! Alles loopt goed af, wees gerust! Tot morgen!”