Willem Tell: De Zwitsersche vrijheidsheld

Part 8

Chapter 84,139 wordsPublic domain

Thans had de Rijksvoogd zich gerust gesteld, en toen hij weer op den Zwing-Uri aankwam, was hij vroolijk en opgeruimd, want zijn plan zou gelukken, meende hij. Reeds tegen het einde der maand zou hij naar Constanz gaan. De heele maand October toch was bezet met feesten, boogschieten, balwerpen, kleine tornooien en jachtpartijen. Maar wat hinderde dat? Immers niets? Juda had altijd geld, in den zomer zoowel als in den winter, in het voorjaar zoowel als in het najaar. En als de arme boeren er toe kwamen om hun vee te verkoopen, welnu, dan was het niet dadelijk, maar in Januari of tegen Februari. Er was dus tijd in overvloed.

Zóó redeneerde Geszler, en Landenberg, die te veel van feesten, vooral van drinkgelagen hield, was er ook niet voor om er zulk eene haast mede te maken.

Stauffacher en zijne vrienden waren daarentegen van een heel ander gevoelen.

Met verbazing had Tell den onnoemlijk grooten schat gezien waarover Stauffacher te beschikken had, maar vol bewondering was hij ook geweest voor het beleid van dien ouden Landamman.

„Zie, Tell,” had hij gezegd, „wanneer wij den worstelstrijd tegen het machtige Oostenrijk beginnen, moet ieder Zwitser, die een wapen hanteeren kan, zijn Vaderland verdedigen. Die strijd zal lang duren, en wat moet er dan in dien tijd van den oogst en de veehoederij terecht komen? Onze vrouwen zijn wakker, kloek en sterk, maar al het werk van ons, mannen, doen, gaat boven hare krachten. Welnu, wij moeten desnoods twee jaar den oogst kunnen missen, en vóór dien tijd moeten de verschillende holen, die in onze bergen gevonden worden, koren en gezouten spek en vleesch bevatten, opdat wij eten kunnen. Dit nu zal in stilte van dit geld gekocht worden, maar daarvoor is de volgende zomer noodig. Is de strijd voorbij en staan we daar, als vrije Zwitsers, dan moet er zaaigraan en nieuw vee aangekocht worden, en al wat in den oorlog vernield werd, moet men dan herstellen. Gij ziet nu toch zelf, dat de tijd wel nadert, maar er nog niet is!”

Juda was terstond voor Stauffachers plan te vinden geweest, en gedurende tal van nachten hadden de boeren in alle stilte het hooi uit de schuiten gehaald en in hunne schuren gebracht, en toen Geszler en Landenberg er achter kwamen, wat er geschied was, was het te laat. Vol woede reisde Geszler zelf naar Constanz, doch toen hij Juda trachtte over te halen om hem al die schuldbewijzen af te staan, zeide Juda, dat hij dit niet doen kon, omdat hij alle bewijzen reeds afgestaan had aan Stauffacher, die hem alles betaald had, wat de Zwitsers bij hem aan hooi gekocht hadden. Hij had zijn geld gekregen en die bewijzen van schuld dus niet meer noodig.

Leelijker hadden de Rijksvoogden nooit achter het net gevischt, maar Stauffacher zou weten, dat hij hen had durven trotseeren.

Op zekeren dag, achter in October, kwamen eenige soldaten van den Zwing-Uri bij Stauffacher en hun Hoofdman zeide: „Gij hebt zonder aan de Rijksvoogden toestemming te vragen, een steenen huis gebouwd. Geen Zwitser mag dat doen zonder aan den Keizer vergunning gevraagd te hebben, en wij zijn gekomen om dit huis in bezit te nemen. Eer het avond is, moet gij er uit zijn. Wat ge vóór dien tijd er uit weghalen kunt, moogt ge doen. Heer Geszler wil u genadig zijn en u op uw' ouden dag niet van alles berooven.”

Terwijl de Hoofdman aldus sprak, had hij al eens rondgekeken en zich verwonderd, dat zulk een rijk man, als deze Stauffacher was, zoo armelijk gehuisvest was in eene prachtige steenen woning. Er viel al bijzonder weinig weg te halen, dat eenige waarde had.

Kalm hoorde Stauffacher den Hoofdman aan en zeide: „Mij staat niets anders te doen dan voor het oogenblik te gehoorzamen. De Rijksvoogden vergissen zich echter, want de Vrijboeren, Vrijburgers en Vrijjagers mogen, zonder toestemming te vragen, steenen huizen voor zichzelven bouwen. Zij staan in rang gelijk met al de Zwitsersche Edellieden, die zich voor Oostenrijk verklaard en burchten gesticht hebben. Ik beroep mij op den Keizer, doch zal zorgen, dat ik vóór den avond dit huis, met het weinige, dat het bevat, verlaten heb.”

Zonder meer te zeggen verwijderde hij zich en begon met zijne dienstbaren alles voor het vertrek gereed te maken, en lang eer het avond was, was het groote huis geheel ledig, en Stauffacher op weg naar zijne kleine en vervallen bergwoning, waarheen hij reeds weken lang zijne kostbaarste bezittingen had laten brengen, en waar, zooals wij weten, ruimte in overvloed bestond en niemand bevreesd behoefde te zijn van koude en gebrek om te komen. Het eenige bezwaar was, dat er zóóveel sneeuw vallen kon, dat men ingesneeuwd was en dus rustig den tijd moest afwachten, dat de sneeuw weer weggedooid zou zijn.

Dat bezwaar was echter ook alweer maar voor het oog, want uit de grot liep voor elken geoefenden bergjager, een pad langs kloven en rotsen, naar de dalen waar nimmer sneeuw lag, en dus geene voetstappen den toegang tot de rotswoning konden ontdekken. Bovendien was een deel zóó steil, dat men er alleen tegen opklauteren kon met behulp van eene touwladder, die iemand van boven naar beneden werpen moest, en na gebruik alweer ophalen kon. Wat Stauffacher aan kostbaars bezat, was in de grot, doch de armoedige meubelen, die de Hoofdman had zien weghalen, bevonden zich in het bouwvallige huis, waar van den morgen tot den avond de schoorsteen rookte ten bewijze, dat het huis bewoond was.

Dat Stauffacher hun te slim af was geweest, begrepen Geszler en Landenberg zeer goed, doch dat ze zóó om den tuin geleid waren, konden ze niet vermoeden.

De winter, die zoo vroeg ingevallen was, begon al terstond streng, zoodat de Oostenrijkers zoowel als de Zwitsers tot rust gedwongen waren. De rust bij de Oostenrijkers bestond in feestvieren en luieren;--de rust der Zwitsers was maar eene schijnbare, want binnenshuis hield men zich bezig met het maken van wapenen en zich oefenen in het boogschieten, het lanswerpen en het zwaardvechten. Heel Zwitserland was ééne geheime oefenplaats voor krijgslieden.

Rust brachten die dagen al evenmin voor Claus en voor Tell, die ook menigen nacht eenige uren in de gang doorbracht. Gewichtige besluiten, door de Oostenrijkers genomen, werden door deze twee mannen afgeluisterd en ter kennis van Stauffacher en de zijnen gebracht. Gaandeweg nam het aantal mannen, dat zich verbond, Zwitserland van de Oostenrijkers te bevrijden, toe, en daarom werd er in de grot achter Stauffachers woning door meer dan honderd Vrijboeren, Vrijburgers en Vrijjagers besloten zich met een' eed te verbinden om niet te rusten vóór de macht der Oostenrijkers vernietigd was. Dit verbond droeg den naam van het „Eedgenootschap.”

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Een Kinderwoord.

Het winterde er altijd nog flink op los, en de bergen lagen tot in de dalen vol sneeuw. Wie er niet uit moest, bleef in huis bij het gezellige vuur zitten om daar zich bezig te houden met het een of ander handwerk, dat ditmaal niet uit alle hoeken moest opgezocht worden, zooals we weten.

Ook Willem Tell, die evenmin als alle andere Zwitsers, boeken had om zich nuttig bezig te houden, en die hoogstwaarschijnlijk slechts zeer gebrekkig de kunst van lezen en schrijven verstond, bracht zijn' tijd niet werkeloos door. Reeds den heelen winter had hij zijn' tijd besteed aan het maken van een' zwaren voetboog met de daarbij passende pijlen, wat een heel werk was, want hoe eenvoudig zulk een pijl er uitzag, was hij toch lang niet eenvoudig. Om zeker van zijn schot te zijn, moest de schutter pijlen hebben, die zóó gemaakt waren, dat ze niet afweken. Men had toen werklieden, die hun leven lang niets anders deden dan pijlen maken, en hiermede hun brood verdienden. Indien ze echter van mannen, als Tell, hadden moeten leven, zouden ze spoedig van honger en gebrek omgekomen zijn, want Tell maakte zijne pijlen zelf. Met pijlen door anderen gemaakt, kon hij schieten, als een gewoon schutter, dat wil zeggen: nu eens raken, dan eens misschieten. Gebruikte hij echter zijne zelfgemaakte pijlen, dan was er geene sprake van misschieten; elk schot was dan raak.

Op den boog diende echter ook gelet te worden, vooral op de veerkrachtigheid van het hout, dat zelfs met eene kleine windas moest kunnen gespannen worden, zonder door te kraken. Hierbij kwam het niet alleen aan op het soort van hout, maar ook op de wijze van bewerking, en op het niet aanwezig zijn van kwasten, waarbij hout lichtelijk afkraakt.

Met echt Jobsgeduld was Tell hiermede dagen lang bezig, en met de meeste nauwkeurigheid ging hij er mede te werk, en dat wel, terwijl hij nieuwsgierig op de vingers gekeken werd door zijne zoontjes Walter en Willem, die zich thuis ook reeds oefenden in het schieten met den boog.

„Wil je goede schutters van je jongens maken,” had Tell meermalen gezegd, „laat ze zich dan zoo vroeg mogelijk oefenen, doch zorg ervoor, dat hun boog en pijl goed zijn. Het is de grootste dwaasheid om hen te leeren schieten met speelgoed, dat niet geschikt is, eenig doel te treffen.” De bogen en pijlen, die Walter en Willem voor hunne oefeningen gebruikten, waren door hun' Vader gemaakt en wel berekend voor hunne krachten, maar toch alles behalve ruw bewerkt speelgoed.

Om die oefeningen ongestoord te doen plaats hebben, had Tell ter zijde van zijn huis eene lange, overdekte gang gemaakt van takken, biezen, riet, stroo en hooi. De jongens waren er bijna heele dagen te vinden, en deden niets liever dan zich met pijl en boog oefenen. Iederen morgen deed Vader hun een proefschot voor, met het bevel: „En nu probeer je dat schot zóó na te doen, dat je het doel driemaal achter elkander treffen kunt. Want één keer treffen, jongens, dat zegt niets. Een boer kan bij ongeluk wel eens eene gans schieten, maar daarom is hij nog geen goed schutter. Kom aan, begint! Hier, van dezen afstand! Ik ben nieuwsgierig wie van jelui het nu het eerst kunnen zal!”

Des morgens van den dag waarop wij een bezoek in Tell's woning willen brengen, had hij eenige stokjes van gelijke lengte en dikte medegebracht. Hij stak een der stokjes zóó in eene kleine opening van de staande schijf, dat het stokje en de schijf een' rechten hoek vormden, ging toen eenige passen achterwaarts, nam Walters boog en schoot den pijl zoo af, dat deze het stokje spleet. Dit deed hij met nog twee andere stokjes ook, en zeide toen: „Ziedaar uw proefschot voor vandaag!”

Met ijver waren de jongens aan het leeren gegaan en Tell had zich binnenhuis aan zijn' arbeid begeven.

Niet lang echter was hij hiermede bezig toen Walter enigszins gejaagd binnentrad.

„Wat,” begon Tell, „kunt gij het al?”

„Neen, Vader, maar daar buiten staat eene oude vrouw, die vraagt of ze hier niet tot morgen zou kunnen blijven.”

„Eene vrouw, zegt gij?”

„Ja, Vader, eene oude vrouw! En kom maar gauw, want Willem kan Bruno en Wolf bijna niet tegenhouden. Ze willen haar aanvallen, die ondeugende honden!”

„Eene vrouw,” mompelde Tell, „en dat met zulk weer en zooveel sneeuw in de bergen!”

„Toch waar, Vader, en eene heel oude vrouw ook! Toe, kom dan mede! Hoor de honden eens tekeer gaan!”

„Wat is er te doen, Willem?” vroeg Moeder, die uit het slaapvertrek in de woonkamer trad.

„Walter komt me vertellen, dat er eene oude vrouw is, die huisvesting voor dezen dag en nacht vraagt, Hedwig!”

„O, en dat zult ge toch niet weigeren, Willem? Die arme ziel! En hoor de honden eens! Het is, alsof zij de vrouw willen verscheuren!”

Langzaam ging Tell, gevolgd door Hedwig en Walter, het vertrek uit en kwam in de schietbaan, waar de kleine Willem zich in het zweet stond te werken om Bruno en Wolf te beletten de vrouw, die buiten stond, aan te vallen.

„Koest, Bruno! Koest, Wolf! Ga liggen! Goed volk!” sprak Tell met een' gebiedenden blik tot de honden, die grommend gehoorzaamden en gingen liggen, maar met een paar oogen, die vertelden: „Was je er maar niet eens, baas, dan zouden we toonen, dat we tanden hadden.”

Tell trad nu buiten de schietbaan naar de vrouw, die bevend op een' knoestigen tak stond te leunen.

„Wie zijt gij en hoe komt gij hier?” vroeg Tell haar wantrouwend aanblikkend.

„Ik ben de weduwe Heinrichs en kom van Lungern, Heer!”

„Heer! Heer!” bromde Tell, de vrouw weer streng aanblikkend, „sinds wanneer noemt eene Zwitsersche vrouw een' Zwitserschen Vrijjager _Heer_?”

„Sinds de arme Zwitsersche vrouwen door de Oostenrijksche beulen echtgenoot, kinderen en kindskinderen zien ombrengen, en zij, uit huis en hof verdreven, als bedelaarsters moeten omzwerven!” gaf de vrouw ten antwoord.

Deze woorden ontwapenden Tell's onvriendelijkheid en verdreven zijne achterdocht. Wie zóó over de Oostenrijkers sprak, kon niets anders dan eene ongelukkige wezen, en vriendelijk zeide hij: „Wees welkom, arme ziel! Kom binnen, zet u aan het haardvuur, eet en drink en vertel mij dan uw wedervaren! Volg mij!”

Tell ging de vrouw snel voor en deze volgde.

Met nieuwsgierige kinderoogen keek Walter haar na, en fluisterde zijne Moeder in het oor: „Wat neemt ze groote stappen!”

„En ze loopt zoo waggelend, als een man, die altijd te paard zit!” zeide Willem.

„Ssst,” vermaande Moeder. „Zij is ook blij dat ze onder dak is, eten en drinken krijgt en zich bij een heerlijk vuur warmen mag. Komt, gaat nu maar schieten!”

Walter en Willem namen hunne bogen en pijlen weer ter hand en begonnen zich opnieuw te oefenen in het moeielijke schot.

Bruno en Wolf lagen nog altijd heel nijdig te kijken, en gluurden menigmaal brommend naar de huisdeur.

„Vind-je het niet vreemd, Wal?” begon Willem opeens zijn' boog neerleggend.

„Wat, vreemd?” vroeg Walter.

„Dat Bruno en Wolf zoo boos op die vrouw waren? O, ik zat zoo in angst toen je bij Vader was. Vooral Wolf was woedend en beet met zijne scherpe tanden telkens in zijn touw om zich los te rukken.”

„En was de vrouw niet bang?”

„O, neen, ze bleef bedaard staan. Zij is er eene, die durft, Wal! Misschien waren daarom de honden wel zoo boos op haar!”

„Dat kan wel! Maar ze is foei-leelijk ook! Ik geloof zelfs, dat ze net als „Oude Lieschen” de tooverheks, een' baard heeft, en zich scheert! Toe, schiet nu!”

Willem schoot, doch raakte zelfs de schijf niet eens.

„O, foei, is dat een schot!” riep Walter. „Goed, dat Vader het niet ziet! Hoe komt dat toch?”

„Ik dacht zóó aan die vrouw, dat ik de heele schijf niet zag. Willen we maar ophouden en ook naar binnen gaan?”

„Kom, wees nu toch zoo flauw niet! Wat zou Vader wel zeggen? Kijk, doe als ik, en schiet zoo!”

Walter schoot nu zijn' pijl af en... wel twee handbreedten van de schijf af, bleef hij in het riet zitten.

„Een mooi schot!” spotte Willem, „als Vader dat zag, dan zou hij wel zeggen: „Een schot, alsof ik het deed!””

Walter schudde ontevreden het hoofd en zeide: „Weet je wat ik geloof, Wil?”

„Dat je ook mis schieten kunt!”

„Ja, als de pijlen betooverd zijn! Ik geloof dat zij eene booze heks is! Kom, laten we naar binnen gaan!”

Beide knaapjes hingen hunne bogen aan den wand, borgen de pijlen en traden in het woonvertrek, waar Moeder al bezig was om het middagmaal op te disschen.

Vader Tell en de vrouw zaten bij den haard.

„En heb je al gehoord, wat die Geszler nu alweer gedaan heeft?” hoorden de knaapjes de vrouw vragen.

„Neen! Alweer een Oostenrijksch stukje?”

„Een echt! Om ons te laten gevoelen, dat de Hertog van Oostenrijk en niet de Keizer van Duitschland onze Heer is, heeft hij te Altorf op de Markt een' paal gezet. Boven op dien paal hangt een' nagemaakten Hertogshoed, en iedere Zwitser, die daar voorbij komt, moet dien hoed groeten, alsof deze de Hertog of Keizer zelf was!”

„Oud nieuws,” grauwde Tell. „Een vuige slaaf, die zoo iets doen kan!”

„Zoudt gij het dan niet doen?”

„Ik?! Een Vrijjager!? Neen, nooit!”

„Geszler zou u wel dwingen! Hij heeft schildwachten uitgezet, en ieder, die dien hoed niet groet, wordt terstond aangegrepen en voor den Rijksvoogd gebracht. Men wordt gedwongen, Heer!”

„Heer! Heer! Houd toch op, vrouw, met dat „Heer”! Noem mij Tell, als iedere Zwitser! En wat gij daar zegt, is niet waar!”

„Alles is waar, Tell! Alles!”

„Niet waar! Gisteren was ik op de Markt te Altorf. Ik heb dien paal en dien hoed gezien en minachtend en spottend aangekeken, maar gegroet, neen, dat niet. Zóó ver is het met Tell nog niet gekomen! Ik zag ook die schildwachten, doch werd niet aangegrepen.”

„Geen wonder!”

„Ei, waarom geen wonder?”

„Zij durven wel mannen, als mijn man en zoons waren, aangrijpen en in de holen van den Zwing-Uri werpen, maar ze weten wie Tell is, en dat heel Zwitserland, als één man zou opstaan, wanneer hem één haar gekrenkt werd!”

Zeker, Tell was een man, die niet van vleierij hield, maar toch, toch... het deed hem werkelijk goed zoo iets te hooren, al moest hij ook erkennen, dat die vleierij onwaarheid was. Hij wist al te goed, dat er wel velen waren, die hem kenden. Maar dat hij niet zulk een man van gewicht was, och, dat was hem immers bekend? Men kende hem als schutter, en dat iedereen zeide: „Hij is de eerste schutter der Zwitsers,” ja, dat wist hij. Waar hij met boog en pijl kwam, daar droeg hij steeds de overwinning mede, nu al vele jaren lang. Maar juist die bekwaamheid had hem onder zijn eigen volk tal van benijders bezorgd. Nog meer. Hadden niet alle jonge vrouwen, hadden niet alle meisjes den mond vol over hem? Schonken ze hem niet hare vriendelijkste lachjes, hem, den „Mooien Reus”, zooals ze hem wel eens noemden? En meer dan zijn zeker schot, had de genegenheid en bewondering der jonge vrouwen en der meisjes hem geheime vijanden bezorgd. Hij wist het maar al te goed, dat geen hem zou volgen, als hij zich aan het hoofd van den opstand plaatste.

„Wat verbeeldt hij zich?” zou men zeggen. „Wil hij overal en in alles de eerste zijn?”

En had hij zelf niet ondervonden, dat de kracht van het volk uitging, bij mannen als Stauffacher? Had hij zelf niet tot dezen man leeren opzien, als tot zijn' meerdere? Was hij hem niet in alles gehoorzaam en onderdanig?

Neen, vrouw Heinrichs sprak vleitaal, die logen was; hij kon dat niet tegenspreken. Maar het duiveltje der eerzucht sloop in zijn eerlijk hart, en hij zag de arme weduwe met oogen aan, die haar zeiden: „Vraag wat gij wilt, en als ik kan, zal ik het u geven.”

En Hedwig?

Geene vrouw in Zwitserland kon trotscher op haar' echtgenoot zijn, dan zij op haar' Willem was! In haar oog was hij, wat de weduwe Heinrichs hem noemde: de Zwitser, die door alle Zwitsers zou gewroken worden, als de Rijksvoogden het waagden hem leed te doen.

Vriendelijk lachend zag zij de vrouw aan, en ze ging heen om uit den kelder eene kan wijn te halen, dien Tell indertijd uit de Rijnlanden had laten komen om een' fijnen dronk te hebben, als er bij hem aan huis een klein familie-feest was.

Toen ze, terugkomende, de kan op de tafel zette, rook Tell den wijn en zeide: „Dat is goed van u, Hedwig, dat gij Rijnwijn gehaald hebt! Onze arme gast kan een' versterkenden dronk gebruiken na zooveel rampen geleden en na zulk een' tocht gemaakt te hebben. Kom, zetten wij ons aan den maaltijd!”

„Bruno en Wolf, Vader?” vroeg Walter.

„Die zijn ondeugend geweest door tegen deze arme vrouw zoo te keer te gaan. Ze moeten hiervoor gestraft worden en zullen hun eten in de schietbaan hebben.”

„Dan ga ik er ook heen,” riep Walter met een' nijdigen blik op de vrouw, die, naar hij meende, hunne pijlen betooverd had.

„En ik ook,” deed Willem zich hooren. „Bruno en Wolf zijn niet ondeugend geweest!”

„Even ondeugend, als gij zijt,” sprak Tell. „Gaat beiden bij de honden! Marsch! Neemt uw eten mede!”

Zonder eenige tegenspraak verlieten de jongens de tafel, en op de bemerking van Moeder: „Het is er toch veel te koud, Willem!” hoorden ze Vader zeggen: „Best! De koude zal hun bloed afkoelen, want dat is te warm!”

„Gij zijt een verstandige Vader,” sprak de weduwe. „Wie zijne kinderen lief heeft, spaart de roede niet. Hoe oud zijn ze?”

„Walter is acht en Willem is zeven jaar!”

„Schoone knapen voor dien leeftijd,” zeide de weduwe, „ik dacht, dat de oudste tegen de twaalf en de jongste tegen de elf liep.”

Moeder Hedwig, die eerst verstoord was op de vrouw toen ze sprak van eene roede, die niet gespaard moest worden, werd nu ineens alweer vriendelijk. Het streelde hare moederliefde zoo van eene vreemde te hooren, dat ze zulke flinke zoons had.

De wijn scheen de oude vrouw bijzonder goed te smaken, zoo goed zelfs, dat er weldra eene tweede kan op tafel stond, en daardoor kwam het, dat het gesprek met vuur werd voortgezet, en Tell heel wat vertelde, wat hij zelfs tot op dezen dag voor Hedwig verzwegen had. Van enkele dingen zweeg hij evenwel, en dat was van Stauffachers schat en van het geheim van Claus. Hij repte ook geen woord van de groote spelonk achter Stauffachers armoedige bergwoning, en nog minder sprak hij van hen, die daar verborgen waren en van den voorraad, dien men daar en elders in andere spelonken verzameld had. Maar hoeveel gewichtigs hij ook verzweeg, toch maakte de wijn zijne tong al te los, en voer hij vooral uit in zijn' diepen haat jegens Zwitsers, die als Geszler en Landenberg, den Oostenrijker dienden. Hij verzweeg ook niet, hoe hij dien verrader Geszler op het smalle rotspad langs den afgrond van angst had zien sidderen en van vrees verbleeken.

Vrouw Heinrichs luisterde met open ooren toe en telkens als het gesprek verflauwde, wist ze het met een paar woorden zóó aan te leggen, dat hij weer in vuur geraakte en opnieuw begon te vertellen.

Zoo verliep de korte winter-namiddag, en toen het duister begon te worden zeide vrouw Heinrichs: „Dat Tell een edelmoedig mensch was, wist ik, maar dat hij zóó edelmoedig en hartelijk zijn zou, wist ik niet. Ik heb u nog niet alles verteld. Mijne kleine bezittingen van waarde en vier koeien heb ik uit de handen der Oostenrijkers weten te redden.”

„En waar liet gij dat alles?” vroeg Tell.

„Luister, ik zal het u zeggen. Rudi, mijn oudste zoon, is mij tot in de bergen gevolgd, doch daar met alles achter gebleven. „Ik ga naar Tell,” heb ik hem gezegd. „Hij zal mij zeker onderkomen verschaffen, maar of hij aan u en ons vee ook eene schuilplaats zal willen geven, dat weet ik niet. Ik zal het hem vragen. Zegt hij „ja”, dan zult gij even na het ondergaan der zon boven den hoogen bergtop, waartegen zijne woning ligt, een vuur zien branden. Kom dan nader met het vee, en ik zal u afhalen en den weg wijzen. Zegt hij „neen”, blijf dan waar gij zijt. Ik kom dan den volgenden morgen bij u en wij trekken verder.””

„En Tell zegt „ja,”” riep de Vrijjager opgewonden uit. „Blijf gij hier; ik zelf zal het vuur op den bergtop gaan ontsteken, en u dan een pad wijzen, dat veel veiliger is. Ik zal medegaan. Voor al wat Zwitser heet en door den Oostenrijker verdrukt wordt, heb ik alles over. Hier, ledig deze kan, terwijl ik omhoog ga. Ik ben over een half uur terug!”

Tell verliet zijne woning, nam een' bundel droog hout mede, klauterde omhoog en weldra vertelde een rosachtig geflikker op de besneeuwde rotstoppen, dat het vuur hoog opvlamde.

Spoedig was hij nu weer beneden en in het woonvertrek.

„Als Rudi het vuur niet ziet, is hij blind,” zeide Tell lachend. „Blijf gij nu maar hier, goede ziel! Wat zoudt ge er zoo laat nog uitgaan? Het zal donker worden en koud ook. Ik vrees voor een' sneeuwstorm!”

„O, liever bleef ik hier bij het knappende houtvuur, maar Rudi kent u niet, Heer!”

„Alweer, Heer! Laat dat toch!”

„Vergeving, Tell! Ik ben het zoo tegenover de Oostenrijkers gewoon, dat ik het zeg zonder erbij te denken. Maar om op Rudi terug te komen; hij kent u niet en zou u ook niet volgen. Ik moet mee. Erg is het niet, want over een goed uur zijn we terug.”

„Je neemt toch de honden mee, Willem?” vroeg Hedwig wat gejaagd.

„O, wat ik u bidden mag, geen honden!” riep de weduwe Heinrichs. „Mijn vee is aan geen honden gewoon. En dan zulke groote! Stellig zouden de koeien woest worden en niet te regeeren zijn.”

„Sluit de honden op, Hedwig!” sprak Tell. „En waar zijn de jongens toch?”

„Met het vallen van den donker naar bed gegaan!”

„Naar bed? En dat zonder mij goênacht te zeggen? Dat is mij nog nooit overkomen!”