Willem Tell: De Zwitsersche vrijheidsheld
Part 7
De twee vertrokken en Claus dacht zoo: „Twee edele mannen zijn ze! Waren slechts de Rijksvoogden zoo. Maar deze hebben hun land verraden, en wat kan men van verraders verwachten? Zie, Geszler en Landenberg noemden hem, die hunne plannen deed mislukken, een verrader, maar ze vergaten de gelijkenis van balk en splinter! Dat deden ze.”
Claus daalde nu voorzichtig naar beneden en bleef in de gang onder den boom tot het donker werd. Toen sloop hij naar den putkoker, klom een eindweegs omhoog, sneed het touw van den wateremmer af, daalde weer neer tot op den balk en ging nu met het touw naar den uitgang om weldra in het bosch op den grond te staan. Hij liet het touw hangen; niemand kon het in het duister zien en snelde de bergen in om den ouden Stauffacher in kennis van alles te stellen. Iederen middernacht, dus sprak hij af, zou hij hem of een ander, die driemaal drie zachte slagen tegen den welbekenden boom gaf, te woord staan en mededeelen, wat hij vernomen had.--Nu keerde Claus terug en toen hij weer in den boom zat en het touw opgehaald had, zeî hij: „En nu op afluisteren uit. Gij hebt wel eens gezegd, Landenberg, dat een booze geest voor u die gang verborgen hield. Gij moest eens weten welk een booze geest voor u en uwe vrienden er nu in woont! Maar die booze geest zal Zwitserland ten voordeel, het lieve Vaderland ten zegen zijn!”
ZESDE HOOFDSTUK.
Achter het net gevischt.
De maand October, die anders zoo heerlijk zijn kan en die zoo dikwijls van heel Natuur een' bontkleurigen looverruiker maakt, had zich slecht ingezet. Van de hooge Alpenweiden waren de herders met het vee naar beneden gekomen, omdat alle weiden daarboven dik onder de sneeuw lagen. Op de bergen trad de winter wel eene maand vroeger in dan gewoonlijk, wat vooral dit jaar voor vele Zwitsers eene ware ramp mocht heeten. Een schraal, droog voorjaar had daar beneden den groei van het gras tegen gehouden en toen de tijd daar was om het weinige hooi te oogsten, werd nog meer dan de helft bedorven door de menigvuldige regens.
Ook de korenoogst was niet medegevallen en de druiven, die hier en daar nog al voordeel konden aanbrengen met er wijn van te maken, liepen groot gevaar door het koude weder, dat meestal van betrokken lucht vergezeld was, niet rijp te worden.
Is het wonder dat de Zwitsers met een bezwaard gemoed den winter tegemoet gingen?
En dan kwam er nog wat bij om den Zwitser den moed te doen verliezen.
De opstand in Tyrol was slecht aangevoerd, en hoewel het daar nu wel niet volmaakt rustig was, en de Keizer dus niet anders kon doen dan eenige benden daar laten, om tegen elke vernieuwing van den opstand te waken, was er toch al het volk niet noodig, dat er gedurende eenigen tijd vertoefd had om den opstand te dempen. Wat nu in Tyrol kon gemist worden, kwam nog in Zwitserland, en al hadden de Rijksvoogden nu ook al niet de noodige manschappen om de koppige Zwitsers te dwingen zich aan Oostenrijk te onderwerpen toch hadden ze manschappen genoeg om het volk nog meer te verdrukken dan ze ooit gedaan hadden.
Tegen den winter moest, vooral nu het vee zoo vroeg naar beneden gekomen en de hooioogst mislukt was, van alles bedacht worden om wintervoeder voor de koeien en ossen te verzamelen. Bij heele troepen gingen ze naar de hooge weiden om daar nog zooveel gras mogelijk van onder de sneeuw te halen, en menigmaal gebeurde het, dat ze gereed waren om naar boven te gaan, dat een Onderbevelhebber kwam om hun het bevel der Rijksvoogden over te brengen: hand- en spandiensten te verrichten, en als ze dan met dat werk bezig waren, zagen ze al te goed, dat het noodeloos werk was, alleen bedacht om hen te plagen, te sarren en te martelen.
Tot die hand- en spandiensten, die men verplicht was zonder loon te verrichten, konden echter de Vrijboeren en Vrijburgers niet verplicht worden. Ook waren er jagers, die men „Vrijjagers” had kunnen noemen, die ook met die diensten niet lastig gevallen mochten worden.
Tot die Vrijjagers behoorde onze Willem Tell. Vrijboeren, Vrijburgers en Vrijjagers vormden derhalve den eigenlijken Zwitserschen Adel.
Voor den winter behoefde Tell dus niet bezorgd te zijn, want voor zijn paar koeien en een tiental geiten had hij voeder genoeg, en wat hij te kort kwam, kon hij koopen. Dit zou evenwel niet noodig zijn. Zijne weinige weiden waren zeer gunstig gelegen, zoodat zijn hooioogst niet beneden het middelmatige was. Bovendien had hij van den vorigen winter zooveel hooi overgehouden, dat hij zelfs nu nog te veel hebben zou.
Tell kon dus onbezorgd zijn en met een vroolijk hart den kouden winter zien naderen.
Toch was hij niet vroolijk. Zijn blik was somber, en blijkbaar ging er in zijn hoofd heel wat om, dat met den winter en nog veel minder met gebrek in verband stond.
Wij zullen wel niet behoeven te vragen, wat het was. De ellende van het Volk ging hem aan het hart, en hij kon niet anders dan treurig zijn, dat het leed der armoede nog drukkender gemaakt werd door de dwingelandij der Oostenrijkers.
Meer dan eenig ander wist hij hoe de Landvoogden en hunne vrienden op hunne avondfeesten met de grootste vreugde elkander vertelden, wat ze dien dag alweer bedacht hadden om die „koppige ezels” te treiteren en te sarren. Claus was in zijne sluipgang onbetaalbaar, en nog veel meer dan vroeger kon hij nu te weten komen. Nu ze daar binnen meenden, dat ze volkomen veilig waren voor alle Zwitsers, legden ze hunne tong ook niet aan den band, doch schreeuwden, opgewonden door den wijn, hunne plannen luidkeels uit.
Trouw deelde Claus alles mede, wat hij vernam en Tell deelde op zijne beurt weer alles mede aan zijn' ouden vriend Stauffacher.
Weer had Tell een belangrijk bericht gebracht. De hand- en spandiensten werden op voorstel van Landenberg alleen geëischt om te maken, dat de Zwitsers geen eten voor hun vee zouden hebben. Ze zouden dan gedwongen worden hun vee te verkoopen en als de winter voorbij was, zouden ze radeloos zijn van gebrek en armoede.
„Al het vee moeten wij koopen,” zeide Landenberg, die toonde dat hij, als een echte lafaard, zeer slim was.
„Zullen wij ons dan onthalen op mager vleesch?” riep Geszler. „Ik dank er kostelijk voor. Bovendien, wij zijn geen veekoopers, maar Edellieden.”
„Zou vriend Geszler dan denken, dat wij vee gaan koopen? Hebben we dan geen mannen genoeg in onzen dienst, die dat kunnen doen? En mager vleesch eten? Het komt niet in mijn hoofd op! Neen, wij bewaren al dat vee, en als dan het voorjaar in het land is, spelen we den edelmoedige en zeggen: „Gij kunt uw vee van ons terugkoopen en het geld ervoor bij kleine deelen betalen. Wij hebben medelijden met uwe armoede!”--Ziet ge, dat is het oude spreekwoord waar maken: Men vangt meer vliegen met een druppeltje honig dan met een vat zuren wijn. Ge zult zien, dat de dankbaarheid voor onze liefdediensten half Zwitserland aan Oostenrijk brengt, eer weer de zomer in het land is. Zoo sparen wij het leven van onze mannen en bereiken het doel volkomen.”
„Dat is slim bedacht! Ja, dat moeten we doen,” riepen allen, doch Geszler alleen had geantwoord: „Voor dat kostelijke plan is echter geld noodig en dat hebben we niet.”
„Woont de Joodsche geldschieter Juda dan niet te Constanz?” vroeg Landenberg. „Heeft niet de Keizer van hem ook geld geleend om den opstand in Tyrol te bedwingen? En Juda vaart er wel bij, daar de Keizer hem het geld niet terug kan geven, zoo betaalt hij hem met verbeurdverklaarde goederen. Ook dat kan hier gedaan worden. Er zullen wel redenen te vinden zijn om bijvoorbeeld die rijke Zwitsers, zooals Stauffacher, Heinrich van Melchtal, Attinghausen, Tell en zooveel anderen te straffen met verbeurdverklaring van hunne bezittingen, en ik wed dat alleen voor de uitgestrekte eigendommen van dien Werner van Attinghausen Juda ons tweemaal meer geeft dan we noodig hebben om al dat magere vee te koopen.”
Geszler was van een heel ander karakter dan Landenberg. Hij was een wreed man, die met zwaard en lans zijn plan volvoeren wilde. Hij haatte die gehuichelde liefde en was te trotsch om zich te vernederen om zoo zijn doel te bereiken. Landenberg was mogelijk nog wreeder dan Geszler, maar hij was een lafaard, en een lafaard spot wat met Riddereer, als hij zijn doel maar bereiken kan. Geszler sprak kort, stug en soms onduidelijk, doch Landenberg had eene gladde tong en duizenden woorden tot zijn' dienst. Het kostte hem dan ook niet zoo heel veel moeite om allen tot zijn plan over te halen. Geszler was de wolf, Landenberg was de vos, en de vos overwon.
Dit alles had Tell van Claus vernomen en nu aan Stauffacher medegedeeld.
Stauffacher gaf echter geen antwoord en dat verdroot Tell blijkbaar.
„Zullen wij nu nog langer wachten met de wilde dieren te dooden?” riep hij uit. „Is het nu nog geen tijd om te toonen, dat de vrije Zwitsers niet vreezen die schelmen aan te vallen en het land uit te jagen?”
„Neen, jonge vriend, die tijd is er nog niet, maar hij nadert!” sprak Stauffacher kalm.
„En als hij er eindelijk is, liggen wij mogelijk aan handen en voeten gebonden aan de voeten van den Oostenrijker,” bromde Tell ontevreden.
„Gij ziet de toekomst te zwart in, Tell!”
„Ik zie ze, zooals zij is, Heer Stauffacher! Landenbergs plan zal gelukken, want honger is een scherp zwaard. Dat weet gij beter dan ik. In uw lang leven vol ondervinding zult ge dat toch wel opgemerkt hebben.”
„Zeker, Tell, zeker, maar wij kunnen dat scherpe zwaard afwenden nu wij weten, dat het er is, waar het is en hoe het dreigt.”
„Het zwaard keert men met het zwaard, Heer Stauffacher!”
„Soms, niet altijd, Tell! En vooral hier niet. Maar morgen ga ik naar Constanz en dezelfde Juda zal ons helpen. Zoo slecht als de hooioogst hier was, zoo goed was ze aan de overzijde van het meer. Ik zal hem geld geven en hij zal pakhuizen en schuren vol hooi koopen, om het aan onze ongelukkige broeders te verkoopen. Geld hebben onze arme vrienden niet, maar Juda moet van hen een bewijs vragen, dat ze hem in den volgenden zomer bij gedeelten hunne schuld zullen betalen. Al die bewijzen komen dan later in mijne handen terug, en ik zal ieder, die hooi van Juda kocht, het bewijs teruggeven en zeggen: „Houd uw geld en uw vee!” Ik verzeker u het is het eenige middel.”
„Dat zou het zijn, Heer Stauffacher, maar wie beschikt in ons arm Vaderland over zulke groote sommen gelds? Zelfs de rijke Vrijheer Werner van Attinghausen kan dat niet doen, hoe genegen hij ons zijn moge.”
„Wat mijn vriend van Attinghausen niet kan doen, dat kan ik, Tell!”
„Gij zijt rijker dan ik wist,” mompelde Tell.
„Toch niet, mijn vriend! Een mijner Voorvaderen vond een driehonderd jaar geleden drie groote gouden afgodsbeelden uit een' ouden Romeinschen tempel. Te Genua liet hij er munt van slaan en al dat geld werd op eene plaats verborgen, welke alleen die Voorvaderen en zijn oudste zoon wisten. Zij hadden het niet noodig, want ze waren rijk, en besloten nu dat geld te laten waar het was, doch bij eene algemeene ramp ten bate van het heele Volk te gebruiken. Tot op heden bleef die schat daar liggen. Ik ben de laatste van mijn' stam en heb geene kinderen, want mijn eenige zoon is kort geleden op eene bedevaart naar het Heilige Graf gestorven. Gisteren ontving ik dat treurige bericht, en nu beschouw ik u als mijn' zoon, en zal u vanavond de plaats wijzen waar dat geld eene manslengte onder den grond ligt. Ik zal u evenwel niets zeggen, want de Oostenrijker heeft soms scherpe ooren. Maar daar, waar we boven dien schat staan, zal ik mijn' arm' op uw' schouder leggen en zeggen: „Dat is waar ook. Ik heb hier in de buurt twee wolven gezien! Die zijn juist wat voor uwe pijlen, Tell!” Gij weet dan de plaats en zorgt dat een derde ze ook wete.”
„Waarom,” vroeg Tell, „als wij dat geld toch gebruiken, nog een derde in het geheim te nemen?”
„Omdat we geen tiende deel er van noodig hebben, mijn vriend! Ga nu naar huis en kom tegen de schemering weder, doch breng mij dan een' gemsbok mede. Wanneer men u dan bij mij ziet binnengaan, zullen ze denken, dat ik dien besteld heb!”
„Uw plan is schoon, Heer Stauffacher,” sprak Tell, „maar zijt gij zeker dat Juda u niet bedriegen zal? Hij is toch maar een Jood!”
„Hij is een mensch, Tell, en een edel mensch ook. Laat toch varen dat vooroordeel tegen de Joden. Ze zijn, om door de Ridders niet arm geplunderd te worden, verplicht om slim te handelen. Maar bovendien, Juda heeft verplichting aan mij, en het is een Jood eigen, dat hij een Christen, die hem als mensch behandelde, dankbaar is. Geen hond is zijn meester trouwer dan Juda mij is.”
„Goed! Maar hoe zullen onze arme boeren weten, dat ze bij Juda zoo gemakkelijk hooi kunnen koopen?”
„Wij komen op de Rütli niet meer bijeen, Tell, maar toch heb ik mijne mannen, die elken Zwitser zoo goed op de hoogte van alles brengen, alsof hij het Vrijboeren-gericht op de Rütli kon bijwonen. Kom, ga nu! Deel den trouwen Claus mijn plan zoo spoedig mogelijk mede; hij moet het weten. Tot de schemering! Zorg voor den gemsbok!”
Tell verliet de woning zijns vriends, doch juist toen hij het erf verlaten wilde, zag hij twee Oostenrijksche spionnen. Hij liep naar het raam en riep luid: „Moet het een gemsbok zijn, Heer Stauffacher? De bokken zijn zeldzaam tegenwoordig. Mag het geene geit zijn?”
Stauffacher trad nu naar buiten, zag de spionnen ook en zeide: „Een bok is mij liever! Maar kunt ge er geen neerleggen, laat het dan eene geit zijn. Beter wat dan niets!”
Ze keken mekaêr eens even aan en het was, alsof hunne oogen zeiden, dat ze elkander volkomen begrepen hadden.
De twee spionnen echter deden, alsof ze geen ander doel hadden, dan samen wat wandelen en nu toevallig voorbij het huis van Stauffacher kwamen, doch zoodra waren ze niet bij eene kromming van den weg, of ze repten zich wat ze konden om Geszler te vertellen, dat ze Tell bij Stauffacher het huis hadden zien uitgaan, en dat hij voor hem een' gemsbok zou gaan schieten.
„Goed,” zeî Geszler, „dien gemsbok zal de oude samenzweerder niet hebben. Zadelt mijn paard!”
Het paard was spoedig gezadeld en nauwlijks stond het voor de poort, of Geszler besteeg het en verliet spoorslags den Zwing-Uri.
Ook Tell, begeerig om thuis aan Hedwig mede te deelen, wat de oude Stauffacher doen zou, had zijne schreden gerept, doch hij moest het toch tegen de snelheid van Geszlers paard verliezen. Zoodra de Rijksvoogd nu in het gebergte kwam, liet hij zijn paard op den Bruneck, die door een' zijner aanhangers bewoond was, en ging heel alleen, doch met lans en zwaard gewapend, de smalle bergpaden op.
Hij was daar in tal van jaren niet geweest, doch als knaap had hij er genoeg gezworven om nu nog den weg te vinden naar de woning van den ouden Willem Tell, die thans door den kleinzoon bewoond werd. Spoedig zag hij de twee huisjes, die Tell's eigendom waren, en de geiten, die voor de woningen liepen te grazen.
„Wat zijn die Zwitsersche boeren toch achter bij de Oostenrijksche,” bromde Geszler. „Zie, meer dan dertig jaar is het geleden, dat ik hier als knaap zoo menigmaal was. En wat is er veranderd? Niets, heel niets. De voorste woning is voor het vee en de achterste voor de menschen. Zóó was het onder den ouden, zóó is het onder den jongen stijfkop. Ze zijn dieren en leven als de dieren. Maar stil! Nu ben ik toch dom genoeg geweest om langs dit smalle pad te gaan. Nog wat verder loopt het langs een' gapenden afgrond. Als ik nog jongen was en ik wilde bij den ouden Tell zijn, liep ik niets liever dan dit smalle pad. De jeugd houdt van gevaar, en nimmer nam ik den veiligen, breeden bergweg om er te komen. Maar ik ben nu geen knaap meer en ik bemerk wel dat ik ook duizelig word langs dien afgrond. Neen, ik keer terug en zal den breeden weg nemen.”
Hij volgde zijn plan, doch pas was hij een' smallen hoek omgeslagen, of hij stond voor Tell.
Geszler wist dat Tell op dat smalle pad niet bang was, en er even rustig voortschreed, als langs de heerbaan in de dalen. Hij wist, dat een echte bergjager met duizelingen, die hij niet kent, wat den draak steekt, en zoo vast staat als de rotsen naast den afgrond. Maar hij wist meer. Hij wist dat het voor Tell geen geheim was, dat hij, Geszler, hem innig haatte, en dat die haat wederkeerig was. Aan moed ontbrak het den Rijksvoogd in het geheel niet. Ook hij spotte met gevaren, maar dan moest hij, als Ridder te paard zitten op de vlakte, of op de gewone heerbaan, dan moest hij met het zwaard in de vuist achter de muren van zijn kasteel tegenover den vijand staan. Hier was het heel wat anders. Hier was zijn moed niet minder, maar stonden zijne voeten niet vast; hier klopte zijn hart niet van vrees, doch het hoofd stond hem zoo draaierig op den romp.
En nu, op zulk een gevaarlijk punt, bevond hij zich tegenover zijn' grootsten vijand, die sterk was als een reus, en zoo vast stond als eene rots.
Het angstzweet parelde op Geszlers gelaat, doch hij was toch te trotsch om zijn' vijand door woorden te toonen, hoe het hart hem van vrees popelde. Maar wat de mond zweeg, vertelden de oogen en het bleeke gelaat.
Tell zag Geszlers angst en glimlachte spottend.
„Gij bevindt u op een gevaarlijk pad, Heer Landvoogd,” begon Tell zonder eraan te denken zijn' vijand te groeten.
„Ja, het is zeer smal en de afgrond is diep,” zeide Geszler, doch zijne stem klonk heesch en schor.
„Is de Zwitser, die als knaap het liefst zulke paden liep, dan zulk een vreemdeling in zijn Vaderland geworden, dat hij een pad, dat langs een' afgrond loopt, gevaarlijk noemt? Maar, dat bedoelde ik niet met „gevaarlijk.” Ik wist niet dat Geszler van Bruneck vrees had voor afgronden. Ik bedoelde met „gevaarlijk” wat anders, Heer!”
„Wat?” vroeg Geszler gejaagd.
„Dat behoef ik u niet te zeggen. Uwe bleekheid zegt mij, dat u naar den bekenden weg vraagt. Wat zoekt u hier? Doch ga mij voorbij. Hier waar ik sta, is het breeder en staat ge veiliger. Ik zie dat gij waggelt!”
Geszler aarzelde en bleef staan.
Tell lachte smadelijk en zeide: „Vreest de dappere Geszler van Bruneck den Vrijjager der Zwitsersche bergen? Neen, ik weet, dat ge mij niet vreezen zoudt op de heerbaan. Gij vreest, dat ik u, als ge mij voorbij gaat, in den afgrond stooten zal. Wat zijt ge weinig Zwitser meer, Heer Geszler! Weet ge dan niet dat geen Zwitser ooit een laaghartig moordenaar werd? Maar kom, ik zal terugkeeren, gij kunt mij volgen tot daar waar geen afgrond u meer dreigt.”
[Illustratie: Tell zag Geszlers angst en glimlachte spottend.]
Tell wendde zich om en keerde een zestigtal schreden, op de hielen gevolgd door Geszler, terug. Toen ze den afgrond voorbij waren en het bergpad zóó breed werd, dat er geen gevaar voor duizelingen meer bestond, zeide Tell: „En zeg me nu Heer Rijksvoogd, wat u hier zoekt.”
„Ik zocht u. Ik wil dat gij heden voor mij jagen zult. Morgen heb ik een gastmaal, doch het wildbraad ontbreekt mij nog!”
„Het spijt me, Heer Rijksvoogd, dat ik u niet aan wildbraad helpen kan. Ik heb mijn vaders vriend, den ouden Heer Stauffacher beloofd om hem, als ik kan, heden een' gemsbok te brengen.”
„Gij hebt Stauffacher niet te gehoorzamen!”
„Stauffacher gehoorzaam ik wel, Heer! Niet omdat hij hooger in rang is dan ik ben, want in rang staan wij elkander gelijk. Hij is Vrijboer en ik ben Vrijjager. Ik gehoorzaam hem, omdat hij de grijze haren als kroon des ouderdoms draagt, en omdat hij een man met een edel hart is. Als gij nog Zwitser waart, zoudt gij dat weten.”
„Maar ik ben uw Rijksvoogd. Mij hebt ge wel te gehoorzamen!”
„Gij vergist u, Heer! Zelfs de Keizer kan een' Vrijboer of Vrijjager niet tot hand- en spandiensten dwingen, en wanneer ik voor u of voor den Keizer op de jacht ging, dan zou ik dat doen uit vrijen wil, doch gedwongen niet.”
„Gij spreekt zeer stout, jager!”
„Ik spreek als vrije Zwitser, Heer!”
„Dus gij weigert op mijn bevel op de jacht te gaan?”
„Uw bevel op te volgen weiger ik, Heer! Maar wanneer ik gelukkig ben, en na den bok voor Stauffacher, nog een bok of meer bokken neerleg, dan wil ik u die brengen. Een Zwitser doet uit vrijen wil tiendubbel, wat hij één' enkelen keer gedwongen weigert. Zal ik u wat brengen, als ik gelukkig ben, Heer, ik...”
Opeens nam Tell den boog, die eenmaal een' Kruisvaarder gediend had, van den schouder, een pijl werd er, nadat de boog gespannen was, op gelegd. De vinger bewoog zich even, de koorde sloeg snorrend terug en de pijl vloog ruischend door de lucht.
Bijna op hetzelfde oogenblik stortte een groote gemsbok langs de helling van eene rots naar beneden.
Geszler stond verslagen. Welk een schutter!
„Het is de bok voor den ouden Stauffacher, Heer!” sprak Tell. „En ziet gij daar die twee zwarte punten boven gindsche rots?”
Tell wees er naar, doch Geszler zeide: „Ik zie niets!”
„Dat zijn de spitsen van de horens van een' anderen bok. Wacht even! Heft hij den kop wat op, dan zult gij hem ook kunnen zien!”
De gemsbok klom hooger en kwam te voorschijn.
„Dien bok zult gij morgen op uw gastmaal hebben, Heer! Hij moet echter eerst wat dalen, want als ik hem schoot, terwijl hij daar stond, zou hij aan de andere zijde in den afgrond vallen.”
„Zoover reikt geen pijl, en op zulk een' afstand is niemand zeker van zijn schot!” bromde Geszler.
De bok daalde wat naar hunne zijde, en inplaats van antwoord te geven, spande Tell alweer den boog, legde den pijl er op, trok de koorde los en... de bok stortte een oogenblik later neer.
„Tell, gij zijt een wonderschutter!” riep Geszler opgewonden uit. „Ik wenschte, dat gij Oostenrijker waart, dan zouden wij vrienden zijn!”
„En ik wenschte, dat Heer Geszler van Bruneck een Zwitser ware, dan zouden wij nu geen vijanden zijn. Vanmiddag zal ik u den bok zenden of zelf brengen, Heer Rijksvoogd! Ga nu heen en wees tevreden, dat ik u aan wild hielp zonder u te gehoorzamen. Goeden morgen!”
Met een paar groote sprongen was Tell aan de andere zijde van de rots en, knarsetandende van woede, zag Geszler hem van rots tot rots springen om de gedoode bokken te halen, terwijl hij af en toe een luid „Halli! Halli! Hallo!” liet hooren.
„Ja, jodel maar,” zeide Geszler vrij luid tot zichzelven. „Nog zijt ge vrij, trotsche boer! Maar eer ge een jaar ouder zijt, zullen uwe landgenooten zulke trouwe Oostenrijkers zijn, dat zij u gekneveld aan mij overleveren! En dan wil ik hooren, of ge nog dat „Halli! Halli! Hallo!” zult jodelen!”
Geszler ging heen, doch eer hij op den Bruneck was en weer te paard zat, had hij telkens stil gestaan en dan gemompeld: „Hij heeft gezien dat ik mijn' moed verloor! Ik heb mijne zwakheid tegenover hem verraden! Hoe hij er onder zijne gezellen op smalen zal! En dan dat „gevaarlijke pad”! Kon hij dan aan mijn gelaat zien, dat ik werkelijk op dat oogenblik aan Wolfenschiez dacht? Gaat hij dan met den Booze om, dat hij een anders gedachten lezen kan, dat hij weet, wat er in een anders ziel omgaat? Ja, dat moet, dat moet! Hij is een gevaarlijk mensch, maar... ja, die Landenberg, die lafaard, is toch wakker! Zijn raad was goed en zijn plan zal gelukken, het zal! En dan! Ja, dan is hij, de lafaard, de vinder ervan en de Keizer zal hem loven, prijzen en eer bewijzen. Ik ken den Keizer al te goed. In zijn hart is hij, even als Landenberg, en stelt list boven dapperheid. Ik zal moeten toezien hoe hij boven mij verheven wordt, hij, die siddert en beeft, als een boer hem in de oogen kijken durft! Maar, zóó ver is hij nog niet. Ik zelf zal met dien Jood onderhandelen en mijne beloften zullen grooter zijn dan die van Landenberg. Zulke menschen doen voor geld alles. Juda zal mij helpen, mij, Geszler van Bruneck.”