Willem Tell: De Zwitsersche vrijheidsheld

Part 5

Chapter 54,088 wordsPublic domain

„Zoo gauw niet! Claus, de keldermeester van den Sarnenstein, is ons toegedaan, en hij staat bij Landenberg gunstig aangeschreven. Hij heet stokdoof te zijn, doch hoort scherper dan menig ander. Bij elk feestgelag, dat Landenberg op den Sarnenstein geeft, moet Claus in de zaal de gasten bedienen. Niemand weet beter, of Claus hoort toch niets, en zoo praten de gasten vrij uit met elkander.”

„Maar Claus is toch al jaren doof,” merkte Baumgarten aan. „Wie noemt hem anders dan „Doove Claus”?”

„Hij was doof, mijn vriend! Maar nu eenige weken geleden werd hij op zekeren nacht met schrik wakker. Het was net, of er wat in zijn hoofd gesprongen was. Terwijl hij lag te denken, wat er in dat hoofd toch kon gebeurd zijn, blies de torenwachter het uur van middernacht en... Claus hoorde het. Meer dan twintig jaar lang had hij dat geluid niet gehoord, en daarom dacht hij, dat hij droomde. Andermaal hoorde hij blazen, doch meteen vernam hij, dat iemand te paard den burcht naderde. Hij hoorde dus, maar bleef aan een' boozen droom gelooven. Hij bleef wakker liggen tot aan den morgen en stond toen op, maar zie, met den voet bewoog hij de bank waarop zijne kleederen, lagen, en dat geluid hoorde hij ook.

Vol dankbaarheid wierp hij zich voor het kruisbeeld neder om God te danken voor het wonder, dat Hij aan hem gedaan had. Zoo iets was immers wat ongehoords? Dat een, die jaren lang doof was, het gehoor weer kreeg, het was een mirakel, niets anders!

Wat zou hij doen?

Wat anders, dan iedereen vertellen, dat hij gelukkig weer hooren kon?

Met dat voornemen wilde hij naar beneden snellen. Maar opeens bedacht hij zich. Zou het teruggekeerd gehoor geen middel kunnen zijn om er achter te komen, wat zijn Heer en zijne vrienden in het schild voerden? Gehoord had hij het niet, hoe zijne landgenooten verdrukt werden, maar gezien had hij het wel.

„Neen,” mompelde hij, „ik zal niemand hier in huis zeggen, dat ik weer hoor. Wie weet, wat ik dan verneem en hoe ik het middel in Gods hand kan zijn, om mijne landgenooten, die zoo schandelijk verdrukt worden, te helpen of tenminste veel kwaad te voorkomen.”

Zoo dacht Claus en zoo deed hij ook. Met den dag werd zijn gehoor beter, ja, het is zóó scherp geworden, alsof de ooren hunne schade willen inhalen. Zelfs het zachtste gefluister verneemt hij, doch wie hem wat zegt, schreeuwt even als vroeger. Landenberg, die zich nog nooit ingespannen heeft om Claus door woorden te laten verstaan, maar dit immer door gebaren en teekenen deed, houdt hiermede vol. Iedereen op den burcht weet niet beter of Claus is nog altijd stokdoof en verstaat niets, en daar allen vrienden van den Oostenrijker zijn, zoo hoort hij overal, waar hij komt, allerlei nieuws; want niemand zwijgt voor hem. Meesterlijk weet hij voort te gaan met van die groote oogen op te zetten en den mond steeds open te houden, zooals alle doove menschen dat doen. Zijne Ouders alleen weten nu sedert enige dagen zijn gelukkig geheim, doch zij mochten het alleen aan mij zeggen. Het heet, dat ik op de jacht geweest ben. Wie zal dat durven tegenspreken? Ik verkocht immers geen uur geleden aan Landenbergs hofmeester eene groote gems, die nog warm was. Maar vóór dien tijd had ik Claus reeds over heel veel gesproken.”

„Zijt ge dan op den Sarnenstein geweest?”

„Neen! Ik sprak hem in het bosch.”

„Hoe wist je, dat hij daar was?”

„Claus had tot zijne Ouders gezegd: „Als ik Tell wat te zeggen heb, dan zal ik des morgens het benedenste vensterluik van den linker toren openzetten. Hij kan me dan wachten in het bosch bij den „Driekoningen-eik.” Misschien ben ik er al, als hij komt.””

„En had hij vanmorgen dat teeken gegeven?”

„Ja, en zoodra ik het gezien had, repte ik mij om bij den eik te komen, waar ik hem reeds wachtende vond. Hij had mij heel wat belangrijks mede te deelen.”

„Mag ik het weten?”

„Waarom niet? Gisteren was er op den Sarnenstein groot feest, en naar gewoonte moest Claus weer helpen om de kelen der altijd dorstige Oostenrijkers te laven. Geszler was er ook, en nu vertelde Landenberg hem, onder het vroolijk gelach der aanzittenden, dat hij Melchtal zulk eene prachtige poets gespeeld had.”

„De lafaard mag wel oppassen, want Arnold is de man niet om zich te laten beleedigen.”

„Het was niet Arnold Melchtal de zoon, maar de oude Heinrich, de Vader. Deze was bezig het gemaaide korenveld om te ploegen toen Landenberg met zijn gevolg aankwam.

„Een paar prachtige ossen heeft die boer,” zeide Landenberg, en reed er met twee knechts heen.

„Boer,” zeî hij, „span af je ossen! Ik heb ze noodig!”

„Heer,” antwoordde Melchtal nu, „ik heb ze ook noodig om den ploeg te trekken.”

„Gelogen,” riep Landenberg uit. „Een Zwitsersche boer trekt zelf den ploeg! Spant af, mannen!”

De knechts deden het, terstond en met de gestolen ossen reed de schelm weg.”

„Driewerf schande,” riep Baumgarten, de vuist ballend, uit. „Moet een Vrijboer der Woudsteden zoo iets dulden? Verzette Melchtal zich niet?”

„Melchtal is oud, maar krachtig en moedig. Toch zweeg hij en bood geen' tegenweer; want wat zou één ongewapend oud man tegen drie jonge mannen, die met zwaard en aks gewapend waren? Hij ging evenwel naar huis en vertelde daar, wat er gebeurd was. Arnold hoorde zijn' Vader tandenknarsend aan, en alleen met een' stevigen knuppel, ging hij naar de Rütli om de koeien te halen. Onderweg kwam hij een' knecht van den Sarnenstein tegen, en zonder zich te bedenken, viel hij hem met den knuppel aan en sloeg hem twee vingers van de rechterhand af. Vol angst over zijne daad, bracht hij de koeien thuis, deelde mede, wat hij in drift gedaan had, en vluchtte de bergen in. Geen uur later verscheen Landenberg met zijn volk, en toen de oude Vader niet zeggen wilde, waar zijn zoon was, liet hij hem op staanden voet beide oogen uitsteken!”

„Wraak! Wraak!” schreeuwde Baumgarten. „Het is verschrikkelijk! En noemt men die wreedheid eene poets?”

„Laat mij verder gaan,” hernam Tell. „Toen de laffe wreedaard dit verteld had, deelde Geszler zijne plannen mede, en deze kwamen hierop neer. Gij weet, dat de oude Stauffacher zijne vervallen woning verlaten heeft, en dat hij woont in een ruim en prachtig huis, dat hij zich nu op het dorp Steinen bij het Lowetzermeer heeft laten bouwen.”

„Ik heb het vernomen,” sprak Baumgarten. „Gezien heb ik het nog niet, want ik kom nooit te Steinen, en al ken ik den ouden Stauffacher, toch kent hij mij niet. Sedert wij op de Rütli geen Vrijboeren-gericht meer houden, groeien de jonge Zwitsers de oude uit de kennis.”

„Dat is, helaas, zoo! Maar er is niets tegen te doen!”

„Zegt Tell „Er is niets aan te doen!”--Meent hij dat?”

„Dat meent Tell nu nog, maar, wat hij morgen of overmorgen meenen zal, weet hij niet; want er kunnen gewichtige gebeurtenissen op handen zijn. Arnold Melchtal beging bijna een' moord; gij maaktet het veel erger door een Onder-landvoogd te dooden, en binnen eenige weken zal de oude Stauffacher uit zijn steenen huis verdreven zijn. Geszler vertelde, dat die trotsche Vrijboer Stauffacher, zonder hem of den Keizer vergunning te vragen, dat steenen huis heeft laten bouwen. Komt het, volgens hem, niet te pas, dat een boer in een ander dan een houten huis woont, nog minder komt het te pas, dat hij zonder vragen zich een steenen huis bouwt. Maar hij, Geszler namelijk, zou het dien boer betaald zetten. Tegen het begin van den winter, als de heele wintervoorraad in huis, het vee in den stal, het hooi in den tas en het koren in de schuur is, zal hij hem het huis uitzetten. Dan moet Stauffacher zijne oude, verweerde woning betrekken en op de bergen van koude omkomen. Dit alles vertelde Claus mij, en nu was mijn weg, vóór ik naar huis ging, naar Steinen om Stauffacher te waarschuwen. Doch het weder is nu bedaard. Kom, laten wij er heengaan.”

Men zou daar buiten niet gezegd hebben, dat, nog geen half uur geleden, heel Natuur in zulk een' opstand was. De avondzon zette alles in gloed. Het groen, dat door de droogte der laatste dagen vol stof lag, zag er nu frisch en welig uit. De zwaluwen, die het noodweer in de rotskloven ontvloden waren, vlogen weer vroolijk sjilpend rond, om zich te verzadigen met de vliegjes en mugjes, die nu ook te voorschijn gekomen waren. Het vee graasde met wellust in de groene bergweiden en smulde van het gras, dat nu niet bestoven in de maag kwam. Helder blonk en glinsterde de eeuwige sneeuw der hooge bergtoppen in het stralende zonnelicht. Het meer was geheel tot rust gekomen, en boven de oppervlakte van het rimpelende water sprongen de visschen dartel spelend uit. De geuren der bergkruiden wasemden naar alle kanten. Vroolijk klonk van de hoogten het „Halli! Halli! Hallo!” der herders, die hun vee huiswaarts dreven.

Onwillekeurig bleef Tell staan, en zacht klonk het: „Zwitserland, gij zijt schoon boven alle andere landen!”

„En dat hier dan te midden van al dat heerlijks zooveel verdorvens, zooveel laags huist,” sprak Baumgarten. „Dat een paar ellendelingen, niet uit overtuiging, maar alleen uit eigenbaat, instaat zijn, van dit lachend Paradijs een' buitensten afgrond te maken, het mag niet! Het kan niet!”

„En het zal niet,” deed Tell zich nu hooren.

Zijne heele gestalte verhief zich. Als een leeuw, die de manen schudt, wierp hij de lange, blonde haren over de schouders en den rug, en met van geestdrift schitterende oogen, riep hij: „Het zàl niet!”

„Zal Melchtal gewroken worden? Zullen de Oostenrijkers voor de bedreven wreedheden hunne straf ontvangen? Zullen niet alleen de Woudsteden, maar zal heel Zwitserland vrij ademen, als onder het Vaderlijke bestuur van den onvergetelijken Rudolf van Habsburg?”

„Het zàl, of...”

Tell zweeg.

„Ga verder, mijn vriend, ga verder,” sprak Baumgarten.

„Of ik zal ondergaan,” hernam Tell, en hierop zich opnieuw verheffend, riep hij: „Hoort het, gij trotsche Alpen met uwe besneeuwde kruinen! Hoort het, gij, adelaars en lammergieren, die boven onze dalen uwe wieken ontplooit! Hoort het, gij machtige wouden, ruischende golven, geuren-wasemende kruiden, groenende weiden! Hoort het, gij Zwitsers, waardige zonen der Allemanen! Hoort het, grijsaards met den voet in het graf, en, jongelingen, met een lang leven voor u! Hoort het, gij loeiend vee, dat onze weiden kaal scheert! Hoort het, gij vogelen des hemels, gij visschen der wateren, Zwitserland zal vrij worden, het zàl of... Tell zal de Lentezon hare leven-wekkende stralen slechts in zijn graf voelen doordringen! Zwitserland kàn het land der dienstbaarheid en der slavernij niet zijn! Zwitserland moet zijn vrijheidslied allen volkeren voorzingen! Halli, halli, hallo!”

Het luide jodelen werd door de echo's in het gebergte van alle kanten herhaald, en vol verbazing zag Baumgarten den man aan, die daar stond, als een tweede Gideon.

„Dat is mannentaal, mijn goede vriend Tell!” riep Baumgarten, uit.

„Wat zegt gij?” vroeg Tell, die opeens tot zichzelven scheen te komen.

„Dat het mannentaal is, welke gij daar gesproken hebt!”

„Gij raaskalt, Baumgarten! Ik heb immers niets gezegd!”

„Wat!? Gij zoudt niets gezegd hebben? Man, uwe woorden waren het jubellied der vrijheid!”

„Het is dan toch waar, wat mijne goede vrouw mij zoo vaak verzekerd heeft, dat ik oogenblikken heb, waarin ik hardop denk! Wat ik gedacht heb, weet ik! Wat ik sprak, weet ik niet. Vergeet het, Baumgarten!”

„Dat kan ik niet, Tell! Het was te machtig, te krachtig! Het was als de föhn, die van rots tot rots, van bergtop tot bergtop, van dal tot dal, van meer tot meer vliegt, verpletterend al, wat haar in hare toomelooze vaart tracht tegen te houden.”

„Welnu, vergeet het dan niet, en onthoud het, maar spreek er tegen niemand over. De tijden zijn nog niet rijp voor zulke daden. Kom, laten we voortmaken. Nu de föhn heeft opgehouden, kon het toch wel zijn, dat de speurhonden van Landenberg ons nog vinden. Zijt ge bang voor smalle paden, langs diepe afgronden, paden, zóó smal, dat de halve voet slechts steun heeft?”

„Neen, daarvoor ben ik niet bang!”

„Goed, dan nemen wij den naasten weg! Volg mij!”

Beide mannen gingen nu verder, doch weldra moesten ze achter elkander loopen, omdat het pad te smal voor twee menschen was.

Op eene breedere plaats bleef Tell staan.

„Kijk in de diepte, Baumgarten,” sprak hij.

Baumgarten deed het en riep: „Wie liggen daar?”

„Uwe vervolgers, Kuni! Zie, een deel van die rots is neergeslagen en heeft hen verpletterd! Arme mannen! Kom, kom, het tooneel is al te droevig voor zulk een' heerlijken avond!”

Met vaste schreden ging Tell verder. Hij had waarheid gesproken: het pad was op enkele plaatsen geen pad meer te noemen. Het was een richel langs een' rotsmuur, meer niet.

Geen oogenblik echter aarzelde hij, maar kalm schreed hij daarheen, als een wandelaar, die langs eene breede laan loopt. Hij was er aan gewoon, en ook Baumgarten werd niet duizelig op het pad, dat wij niet zouden kunnen betreden, al was het tienmaal breeder.

Weldra waren ze op een punt, waar ze het heele dorpje Steinen konden zien liggen.

„Zie,” begon Tell en wees naar de diepte. „Daar ligt Steinen, en dat huis, heel alleen staat het, is dat van onzen Stauffacher. Wij zullen er spoedig zijn.”

„Het lijkt wel een kasteel,” zeide Baumgarten.

„Zeker, en het is er ook een. Gij weet toch dat Stauffacher een van onze rijkste Edelen is, al drijft hij zelf den ploeg en al werkt hij mede, als een man in huurloon. Een heel verschil met Geszler, Landenberg en al die anderen, die schijnen te gelooven, dat Adeldom bezoedeld wordt door eenig handwerk uit te oefenen.”

Het pad werd allengs breeder en gemakkelijker, en spoedig stonden ze nu voor de stevige poortdeur, die in den muur gemetseld was, welke de heele woning omringde.

De zware ring, die in het midden der deur was, werd door Tell een paar keer krachtig in een' gegroefden ijzeren looper op en neer bewogen.

Kort daarop werd in de deur van de andere zijde een plankje weggeschoven en door een vierkant gat, dat nog door twee ijzeren tralies afgesloten was, gluurde een oud man.

„O, zijt gij het, jager?” vroeg hij. „Ik zal openen.”

„Is Heer Stauffacher thuis?” vroeg Tell toen zij de geopende poort binnentraden. „En zou hij ons wachten kunnen, Heinz?”

„Thuis is hij, en voor Zwitsers is hij steeds te spreken, jager! Hij is toch ook een Zwitser?”

Bij deze vraag wees hij op Tell's makker, die er tamelijk verlegen bij stond, daar hij niet wist hoe de ontvangst hier zijn zou.

„Ja, hij is Koenraad Baumgarten van Ratzberg.”

„Heeft die bijl iets anders gedaan dan hout gekloofd?” vroeg Heinz. „Mij dunkt, dat een houthakker wel wat voorzichtiger mocht zijn.”

Heinz wees op de bijl, die nog duidelijk de teekenen droeg van hetgeen er mede verricht was.

Verlegen keek Baumgarten zijn' vriend Tell aan.

„Wees maar niet bang, Kuni,” sprak Tell. „Als Heinz hoort, dat die bijl Wolfenschiez, den beleediger uwer vrouw doodde, dan...”

Heinz greep Baumgarten bij de handen en riep: „Hebt gij Wolfenschiez gedood? Hebt gij het leven van den moordenaar mijner zoons smadelijk doen eindigen?”

Baumgarten knikte toestemmend.

„Man, ik ken u niet; ik zag u nooit! Maar onuitsprekelijk groot is mijn dank voor dat, wat gij gedaan hebt. Ik had het willen doen, maar ik heb mijne vrouw, die van verdriet stierf, moeten beloven, mijne handen niet met het bloed van dien man te bezoedelen. Hij werd door haar ten doop gehouden; zij had hem lief als haar eigen kind, en laaghartig heeft hij al die liefde beantwoord door onze drie zoons naar Oostenrijk te zenden, waar ze in de bergwerken aan slaven-arbeid bezweken zijn. Zeg mij, wat hadt gij te wreken?”

Baumgarten deelde het hem mede, doch voegde er aan toe: „Ik deed het in eene opwelling van drift en zou het nu niet meer kunnen doen. Het was een doodslag, een moord, geen eerlijke strijd.”

„En komt gij nu hier veiligheid zoeken? Gij zult ze vinden, mijn vriend! Maar volg mij dan door deze binnengang opdat geen van het dienstvolk u ziet. Allen zijn ze Zwitsers, maar niet allen zijn helden of heldinnen. De vrees zou oorzaak kunnen zijn, dat ze u verrieden. Gij, Tell, ga den gewonen weg en deel onzen edelen meester alles mede. Als het volk ter ruste is, zal ik Baumgarten bij hem brengen. Hij zal mijn gedrag goed vinden, want ook hij moet voorzichtig zijn.”

Tell trad nu alleen de woning van den voormaligen Landamman binnen.

„Hoe later op den dag, hoe schooner volk,” begon Stauffacher, terwijl hij zijn' jongen vriend de hand reikte.

„Jammer maar dat dit „schooner volk” met geene betere berichten komt, Heer Stauffacher!”

„Is er dan wat gebeurd? Heeft de vreeselijke föhn mogelijk u rampen of verliezen berokkend?”

„Ik hoop van neen! Ik ben na de föhn nog niet thuis geweest. Mijne woning ligt echter goed beschermd en mijne vrouw is eene Zwitsersche; zij kent de bergen en zal de föhn wel hebben zien aankomen. Intusschen zal ze ongerust zijn over mijn wegblijven. Ik zal dus niet lang vertoeven en u staande mededeelen, wat er heden gebeurd is, en wat Claus mij toevertrouwd heeft.”

„Zit er toch even bij, en neem eene goede teug bier. Gertrud, wilt gij onzen jongen vriend eene kan bier brengen? Doe er voor mij ook maar eene bij, vrouwke!”

Gertrud, de vrouw van Stauffacher, bracht het gevraagde, en terwijl de twee mannen dronken, gaf Tell een trouw verslag van het gebeurde.

„Ik vrees, dat de worsteling spoedig een' aanvang nemen zal, Tell,” zeide Stauffacher. „Ik vrees het.”

„U vreest, Heer Stauffacher? Zoudt gij dan in het najaar uit uwe woning willen gezet worden om dezen winter van koude om te komen in uw oud houten huis, dat zelfs als schapenstal nog te slecht is?”

„Hiervoor is geene vrees, Tell! Nu Claus mij door u tijdig heeft laten waarschuwen, kan ik immers dat oude huis wel vóór den winter in bewoonbaren toestand laten brengen? Bovendien is die woning heel anders dan ze van buiten lijkt. Zij staat tegen een' berg, doch die berg heeft ruime holen, die men binnen gaan kan, zonder de woning te verlaten. Die holen dienen alleen verlicht te worden, doch vuur heeft men er niet noodig, want ze zijn warm.”

„Van warmte alleen leeft men niet,” meende Tell.

„Gij hebt gelijk, mijn vriend! Ik zal u nog meer zeggen. Met behulp van Werner van Attinghausen heb ik nu in alle stilte meer dan de helft van mijn gedorscht koren in die holen laten brengen. Vriend Werner deed dat ook. Dit kon des te gemakkelijker geschieden, omdat ik daar toen woonde. In een dier holen stroomt eene kleine bergbeek met kristal helder water. Wanneer nu de worsteling begint en we moeten wijken, dan betrekken wij die holen en leven er, desnoods een jaar lang van brood, water, bier en visch. Het beekje voert tal van forellen mede, die ik er des nachts menigmaal ving.”

„Maar als de vijand uwe woning binnendringt, zal hij den toegang tot de holen vinden.”

„Geen nood, mijn vriend! Slechts drie personen kunnen dien ingang vinden: ik, Heer Werner en Arnold Melchtal, die er thans in verborgen is. De vierde zal Koenraad Baumgarten zijn. Ik zelf breng er hem dezen nacht heen, doch zou gaarne zien, dat gij mij alsdan vergezeldet. Gij weet dan den ingang ook, en dat is noodig. Wanneer die twee daar verborgen wonen, moeten ze toch van tijd tot tijd vernemen, wat er zoo al in het land voorvalt. Niemand kan dat beter doen dan gij. Gij zijt een jager en deedt uw heele leven niets anders dan in de bergen zwerven. De Oostenrijkers weten dat en als zij u daar zien, al was het iederen dag, dan zullen ze geen' argwaan krijgen. Met ons, die hoofdzakelijk het land bebouwen, is dit heel wat anders, en bovendien, ik weet dat we door spionnen omringd zijn, die ons volgen en gadeslaan, zonder dat wij hen zien. Men wantrouwt onze kalmte, en Geszler heeft reeds met het oog op ons, ik bedoel Werner, Melchtal en mij, gezegd: „Stille wateren hebben diepe gronden. Die drie zijn de gevaarlijkste tegenstanders.” En daarom hebben wij u noodig.--Maar nu gezegd, waarom ik vrees, dat de opstand te vroeg uitbreekt, want ik zie, dat die vrees u onverklaarbaar voorkomt. Is het niet zoo?”

„Ja, Heer, en na al de genomen voorzorgen bevreemdt die vrees mij!”

„Wij zijn te zwak, Tell. Wat vermogen Uri, Schwyz en Unterwalden tegen de duizenden, die Oostenrijk tegen ons afzenden kan en afzenden zal?”

„Vergeet u Zürich niet?”

„Neen! Zürich is ons niet vijandig. Ik durf zelfs iederen Züricher burger mijne plannen blootleggen zonder vrees, dat men er misbruik van maken zal in het voordeel van den Oostenrijker. Maar Zürich wil de kat uit den boom kijken. Dat ook willen die van Bern, van Lucern, van Glarus, van Zug, van Aargau en al de andere gewesten. Maar die van Uri, Schwyz en Unterwalden zijn niet dwaas genoeg om samen die kat aan te vallen. Het is ons streven een groot en machtig verbond met elkander te sluiten, en is dat er, welnu, dan zullen de Woudsteden het sein geven. Dit echter kan pas in den loop van het volgende jaar gebeuren, en als nu door de daden van Arnold Melchtal en Koenraad hier in de Woudsteden de opstand uitbreekt, dan staan wij geheel alleen, want geen der anderen, die tot ons Eedgenootschap zullen behooren, zijn bereid. Delven wij het onderspit, dan is ons vonnis geveld, en wij worden tot straf voor onzen opstand bij Oostenrijk ingelijfd. Dan is alles uit. Hoe is het deelt ge nu ook in mijne vrees?”

„Eerlijk moet ik bekennen, dat ik er niet in deel, Heer Stauffacher! De Voogden hebben op het oogenblik over niet veel meer dan vier-, zeg vijfduizend man te beschikken. Een weinig geluk slechts, en de Woudsteden verpletteren die macht, en eer de Keizer met versche benden aanrukt, moet het diep in het voorjaar worden, want wie Zwitserland kent,--en de Keizer kent het,--komt in den winter geen oorlog tusschen onze bergen voeren.”

„Het is nog geen winter, Tell! En laat ik u zeggen, dat de Keizer zeer goed weet, dat door de verdrukking der zoogenaamde Rijksvoogden, de gisting onder het volk toeneemt. Laat ik u zeggen, dat, misschien deze week nog, talrijke benden Oostenrijkers uit Constanz zullen aankomen, en dat alleen als een gevolg van Arnold Melchtal's daad. Wat zal het zijn als de Keizer hoort, dat de Onder-Rijksvoogd Wolfenschiez door een' Zwitser, die verborgen gehouden wordt, gedood is? Nog meer benden zullen aankomen, en heel Zwitserland zal met Oostenrijkers overstroomd worden, nog eer de Herfstmaand ten einde is. Zie, Melchtal en Baumgarten afvallen en hen aan hun lot overlaten, zal ik niet; maar hun driftig bloed heeft den vijand sterker dan ooit gemaakt en de kans om van de Oostenrijkers verlost te worden, zeer gering gemaakt. Maar, ga nu, mijn vriend! Uwe lieve vrouw zal al te ongerust worden. Als de duisternis ingevallen is, ga ik met Baumgarten heen. Wilt ge zorgen, dat ik u dan onder de eiken van de Rütli vind? God en zijne Heiligen behoeden u!”

Tell nam afscheid en in diepe gedachten verzonken kwam hij thuis, waar hij met angst verwacht werd. Hij deelde zijne vrouw het gebeurde mede en toen zij alles aangehoord had, zeide ze, met een' diepen zucht: „Willem, de worsteling is begonnen!”

VIJFDE HOOFDSTUK.

Het lieve Vaderland ten zegen.

Een viertal dagen waren na het gebeurde verloopen en Tell had van Claus vernomen hoe Geszler en al wat op de hand van den Oostenrijker was, woedend waren over den moord op Wolfenschiez gepleegd, en nog woedender nu hij, die dezen moord gedaan had, zoo goed verborgen was, dat men hem nergens vinden kon.

Wat er gebeurd was, wist men niet recht. Men had de heele bende, die den moordenaar op zijne vlucht achtervolgd had, in het gebergte gevonden, verpletterd door de steenen, die de woedende föhn van de rotsen naar beneden geslingerd had. Niet één hunner was den dood ontkomen.

Toch moest de dood dier mannen gewroken worden, had Geszler gezegd, want de Zwitsers waren er de oorzaak van. Had een hunner Wolfenschiez niet vermoord, dan zouden die arme soldaten nog in leven zijn, want wat moesten ze in het gebergte doen? Niets anders dan den moordenaar achtervolgen.

„Maar hoe komt het dat men Baumgartens vrouw zoo met rust laat?” vroeg Tell aan Claus.