Willem Tell: De Zwitsersche vrijheidsheld

Part 4

Chapter 44,004 wordsPublic domain

Om Rijksvoogden hadden de Afgevaardigden gevraagd en Rijksvoogden had de Keizer den Zwitsers gegeven, en de last: „dezen zult gij in alles gehoorzamen of uwe rechten worden u ontnomen,” bleef gehandhaafd. Beide Rijksvoogden maakten van dien last schandelijk misbruik, en het was Keizer Albrechts streven om door die verdrukking de Zwitsers zoo ver te krijgen, dat zij ten slotte, door den nood gedwongen, zich aan Oostenrijk onderwierpen.

Eens dat er weer Afgevaardigden van het Vrijboeren-gericht naar den Keizer gingen om zich over de Rijksvoogden te beklagen, konden ze den Keizer niet te spreken krijgen, en toen zij zich hierover beklaagden, zeide een hooggeplaatst Hoveling: „Het is uwe eigene schuld! Gij hebt om Rijksvoogden gevraagd, en ze zijn u gegeven. Onderwerpt u aan Oostenrijk, en de Rijksvoogden zullen vertrekken!”

Het kon niet duidelijker gezegd worden. Geszler en Landenberg handelden zoo op hoog bevel, en beiden waren bereidwillig genoeg om dat hoog bevel na te komen, ja, om nog verder te gaan dan de Keizer bevolen had. Zij wisten, dat zij dit straffeloos doen konden.

Tal van jaren was Geszler niet in Zwitserland geweest. Zijn stamslot de Bruneck, gelegen op den top van eene rots, had hij eenige jaren geleden voor goed verlaten, en met alle onderhoorigheden verkocht aan den Keizer. Het kasteel, onbewoond gebleven, en aan weer en wind overgelaten, was zeker nog wel goed bewoonbaar voor een' Zwitserschen Ridderboer, die zelf den ploeg dreef, maar niet voor een' Rijksvoogd, en daarom had Keizer Albrecht hem den burcht Küsznacht, een der Habsburgsche bezittingen, als residentie-slot gegeven. De Küsznacht lag echter vrij afgelegen om de ontevredene en dikwijls oproerige bewoners van Uri onder behoorlijk toezicht te houden, en daarom besloot Geszler, een' geheel nieuwen, grooten en sterken burcht te laten bouwen aan den Zuidelijken bocht van het Vier Woudsteden-meer. Die burcht moest hem echter geen geld kosten, en de Zwitsers, die zich „vrij” noemden, moesten hem in heerendienst bouwen. Dat wil zeggen: de werklieden werden niet door hem betaald, en de bouw-materialen moesten hem geleverd worden door mannen, als Stauffacher, Fürst, Melchtal en anderen. Hoewel morrend, hadden dezen er aan voldaan, en zoo was de trotsche burcht gebouwd, waarin de wreedste van de twee verdrukkers wonen zou. Om die van Uri nog meer te tergen, gaf hij den burcht den naam van „Zwing-Uri,” wat zooveel zeggen wil, als „Uri-bedwinger,” wat het vrije volk der bergen natuurlijk een gruwel was en de ergernis ten top deed stijgen.

Geszler lachte er wat om.

Nog nimmer was hij zoo machtig geweest, als op dit oogenblik. Als om de klagers te bespotten, had Keizer Albrecht hem en zijn' vriend van Landenberg, die zijn' zetel te Sarnen in Unterwalden had, nog een' Onder-Rijksvoogd gegeven in Jonker van Wolfenschiez. Deze woonde ook in Unterwalden, en wel in den sterken burcht Roszberg, niet ver van Alpnach, en aan dat gedeelte van het Vier Woudsteden-meer, dat Alpnacher-meer, genoemd wordt. Alle drie waren ze geboren Zwitsers, doch grooter vijanden dan hen hadden de Woudsteden niet. Waar zij het toch niet waagden om de voornaamste Vrijboeren te mishandelen of te onderdrukken, daar legden zij zich op een plagen en sarren toe, dat vaak nog veel woedender maakte, dan onderdrukken zou gedaan hebben. Om dat alles te kunnen doen zonder gevaar te loopen, door de getergde Zwitsers gedood te worden, hadden ze groote benden huurlingen tot hunne beschikking, die, of als bezetting geregeld dienst deden op hunne kasteelen, of als rustbewaarders de verlaten rotsburchten bewoonden, en daar niet veel meer waren dan struikroovers. Zoo hadden de Zwitsers van alle kanten hunne vijanden en spionnen, en was er geene kans op om eene vergadering van het Vrijboeren-gericht te beleggen, zonder dat de Oostenrijkers er bij waren. De onderdrukten misten dus elke gelegenheid om een verbond met elkander aan te gaan tegen hunne verdrukkers. Wie opstond, stond stellig alleen op, en eer hij zich eenigen aanhang gemaakt had, was hij al in de macht der Oostenrijkers.

Toch woelde en werkte het in hoofd en hart van al, wat Zwitser heette, en wist men een soort van verdedigend verbond te sluiten, waarvan de Rijksvoogden en hunne trawanten niets bemerkt hadden. Op de voornaamste Vrijboeren hielden Geszler en de zijnen vooral het oog, want ze begrepen al te goed, dat mannen als Stauffacher, Melchtal, Fürst, de jonge Tell,--de oude leefde niet meer,--Werner van Attinghausen, Baumgarten, en zoovele anderen, als het er op aankwam, de mannen zouden zijn, die den opstand leiden zouden. Vooral waren ze bevreesd voor den Landamman van Uri, den ouden Heer Werner van Attinghausen. Geen kalmer dan hij, geen, die beter wist te verbergen, wat er in hem omging, geen die zekerder zijn' weg ging dan hij. Hoe Geszler en zijne trawanten vischten en bespiedden, ze hadden in hem nog niets gevaarlijks kunnen vinden, en toch wisten zij, dat diezelfde onschuldige man, misschien veel gevaarlijker was dan een Fürst, Baumgarten of Melchtal, die ieder oogenblik hun' wrevel en hun' haat openlijk lieten blijken.

Zoo stonden de zaken toen op een' prachtigen herfstdag van het jaar 1307 Willem Tell zich door het gebergte naar het vier Woudsteden-meer spoedde, om over het meer heen zijne woning in het vriendelijk gelegen Bürglen te bereiken.

Hij was in de negen jaar, sinds we hem het laatst te Straatsburg zagen, weinig veranderd. Hij was alleen in de breedte toegenomen en scheen daardoor wat korter dan vroeger. Maar voor het overige, wat een man toch! Zelfs de woeste huurlingen Geszler, Landenberg en Wolfenschiez, hoewel vermetel genoeg, gingen hem liever uit den weg, dan dat ze hem opzochten. Hem eenig leed doen, ze waagden het niet, althans nu nog niet, want Tell was de lieveling van de Woudsteden. En toch ging hij zijn' weg zonder gerucht te maken. Hij was een man, als die oude Landamman van de Attinghausen. Nog nimmer had hij iets van zich laten hooren, dat op ontevredenheid of verzet geleek. Zwijgend doorkruiste hij het gebergte en deed hij zijn' arbeid, alleen levende voor zijne vrouw, de stille Hedwig, en voor zijne twee beeldschoone knaapjes, Walter en Willem.

Ja, ja, vaak genoeg had hij op het punt gestaan de Oostenrijkers te doen gevoelen, dat hij er nog was, en dat hij een Vrijboer was met niemand dan God en den Keizer boven zich. Menigmaal had hij gereed gestaan, openlijk op te treden, als beschermer der verdrukten, doch een blik op vrouw en kinderen had de vlammen van den inwendigen brand gebluscht, had van de gebalde vuist weer eene vriendelijke hand gemaakt, en zelfs hem zijn vroolijk; „Halli! Halli! Hallo!” laten jodelen.

„Hoor, Willem,” sprak alsdan Hedwig, die eene dochter van Walter Fürst was, „wees toch voorzichtig! Ja, ik zie wel, dat een blik op onze twee jongens en mij voldoende is om den storm binnen in u tot zwijgen te brengen. Maar gij zijt soms zoo ver van huis af, Willem, dat gij ons niet ziet en hoort, en in zulk een oogenblik kunt ge zwak zijn en ons vergeten. O, ik weet het, Willem, ik ken u immers nu al twaalf jaar en langer, dat gij geen onrecht dulden kunt en van onrecht stroomt heel ons Vaderland over. Moedig zijt ge, als de koningsarend, die in onze bergen leeft, en edeler, vromer en goedhartiger is er geen dan gij. Maar... ge zijt zoo kort aangebonden, ge zegt, wat het hart u ingeeft, en na het zeggen, valt al te ras het doen. Wees verstandig, Willem! Beheersch uzelven! Zet eene wacht voor uwe lippen, en houd steeds een' kluister voor de al te bereidvaardige hand gereed, opdat deze geene daad plege, welke uwe kinderen tot weezen en mij tot weduwe maakt. Houdt u verre van alle samenspanningen tegen de Oostenrijkers, die, langs de kronkelpaden van list en geslepenheid wandelen. De kronkelpaden zijn voor uw eerlijk oog een doolhof, Willem! Wacht geduldig tot mannen, als de Landamman, u zeggen: „Handel! De tijd is er!””

Zoo, of in dien geest had de verstandige Hedwig dikwijls gesproken, en Tell had gaarne naar haar geluisterd. Maar, als hij ver van huis was en wat hoorde of zag, dat hem al te goed aan onrecht en dwingelandij deed denken, dan kostte het hem eene bijna bovenmenschelijke kracht om zich te beheerschen, en menigmaal was hij zoo snel weggeloopen, dat Jonker van Wolfenschiez hem reeds openlijk voor lafaard had uitgemaakt.

Eerst heden had Tell dit vernomen, en de gedachte daaraan deed hem zijn' tred vertragen.

Opeens echter ontdekte hij, dat het weder plotseling zeer veranderd was.

Men zegt wel eens, dat geen land aan zulke snelle dampkrings-veranderingen onderhevig is, als Nederland. Het moge waar zijn, doch ook het hooggelegen gedeelte van Zwitserland is hieraan nog vaak onderworpen. Plotseling wordt de lucht dan nevelachtig en warm, terwijl er eene doodsche stilte heerscht. Maar terwijl dat in de dalen en tusschen de bergen plaats grijpt, ontstaat er in de hoogte een noordenwind. De benedenwind waait dan langzaam uit het Zuiden, neemt toe in kracht, stijgt hooger en verdrijft dan den noordenwind. Soms neemt die zuidenwind, hier meestal „föhn” genoemd, zoo in kracht toe, dat hij een kortstondige, felle storm wordt. Bij zulk een' storm is het op de Zwitsersche meren zeer gevaarlijk, en gaan er golven zoo hoog en zoo krachtig, dat men die wel op eene groote zee, maar niet op zulk een meer zou verwachten.

„De föhn,” mompelde Tell. „Alles voorspelt, dat hij heftig zijn zal! Ik mag mij dus wel reppen, anders wil de veerman mij niet meer overzetten!”

Van de plaats waar hij stond, kon hij den veerman bezig zien om, met behulp van een' herder, zijne veerboot op den wal te halen, opdat deze door de hooge golven niet stuk geslagen zou worden.

„Hij is er vlug bij,” mompelde Tell, „doch de man zal mij toch wel overzetten, denk ik!”

Hij zette nu de holle handen voor den mond en liet een luid: „Hoooo... iii!” hooren. De veerman en de herder keken verrast op, doch de eerste bromde: „O, dat is Tell! Hij wil voor het losbreken van de föhn nog naar de overzijde! Pas op als ik het doe! Ik heb vrouw en kinderen!”

Tell repte zich om zoo spoedig mogelijk beneden aan het veer te komen, doch eer hij daar was, kwam er uit het bosch een ander man zeer gejaagd aanloopen. Hij scheen wel een vluchteling of zoo iets te zijn.

Weldra was hij bij de aanlegplaats en riep den veerman, die binnenshuis den storm ontvluchten wilde, hijgend toe: „Om Godswil, veerman, uwe boot! Vlug, vlug! Uwe boot!”

„Wat!?” riep de veerman uit. „Zijt gij het, Baumgarten? Wat is er gebeurd? Is er iets voorgevallen? Waartoe toch al die haast en gejaagdheid?”

„Vraag niets! Uwe boot! Spoedig! Hemel! Hebt gij ze op den kant gehaald? Te water er mee! Vlug!”

„Hei, hei! Met de föhn zet ik niemand over het meer. Ik heb vrouw en kinderen, en...”

„Man, maak me niet razend! Help mij! Zet mij over, en terstond! De ruiters van den Rijksvoogd jagen mij na! Als je mij niet overzet, ben ik een man des doods!”

„Wie jagen u na? De mannen van den Roszberg?”

„Het volk van den Onderlandvoogd Wolfenschiez jaagt mij na! Help mij!”

„Maar wat hebt gij dan toch gedaan, dat uw leven in gevaar is?”

„Wat iedere Vrijboer in mijne plaats zou gedaan hebben,” luidde het driftige antwoord. „Dat Oostenrijksche zwijn wilde mijne lieve vrouw dwingen tot lage handelingen! Ze riep mijne hulp in terwijl ik bezig was met houthakken. Ik snelde toe, en... de lage huurling van den Oostenrijker zal geene vrouwen en meisjes meer beleedigen. Ik heb hem gedood met deze bijl. Nu jaagt men mij na! Zet over! Ik moet hoog in het gebergte mij in veiligheid stellen! Hoor, hoor, daar ginds nadert de hoefslag der paarden! Help! Red mij!”

„Hoor eens, Baumgarten, ik heb... Ik waag mijn leven niet, en zet u met zulk een' storm niet over!”

Het was een akelig gezicht om de verwrongen gelaatstrekken van den armen achtervolgde te zien. Als radeloos liep hij van den meeroever naar het huis des veermans en vandaar weer terug.

En dan die losgelaten natuurkrachten er bij!

De herder was reeds een man op leeftijd en zeide tot den veerman: „Neen, zóó heb ik het meer nog nooit gezien! Het is alsof de golven de bergen willen neerslaan! En wat een onweder! Het is verschrikkelijk!”

„Ja, en nog is de storm niet op zijn hevigst,” liet de veerman zich hooren. „God zij hen genadig, die op het meer of in de bergen zijn!”

„O, o, ik zie hen, daar komen mijne vervolgers!” kreet Baumgarten. „Je wilt me niet overzetten, veerman?”

„Al wilde ik, ik zou niet kunnen!”

„Dan verkies ik den dood boven de schande van in handen der Oostenrijkers te vallen,” riep Baumgarten, en stond gereed zich in het meer te werpen.

„Zijt gij razend, Baumgarten?” riep een man, die met krachtige hand hem bij den schouder greep. „Om in het meer te springen, daartoe kan je nog altijd komen! Wat is er gebeurd, dat doodsangst en wanhoop op je aangezicht te lezen staan?”

Het was Willem Tell, die zoo sprak.

„De Oostenrijker achtervolgt mij om mij misschien te dooden. O, veerman, zet me in Godsnaam over!”

„Ik doe het niet!” klonk het koud uit den mond des veermans.

„Je moet, Friedel, je moet!” sprak Tell.

„Moeten? Moeten?!” schreeuwde Friedel, en het was, alsof hij de stemmen van storm, onweder en golven overtreffen wilde. „Ik moet niet! Doe het zelf, als je er moed toe hebt! Je bent immers zoo'n baas in het sturen?”

„Dus je geeft mij je boot?” vroeg Tell gejaagd.

Friedel knikte toestemmend.

Een vreeselijke bliksemstraal doorkliefde het donkere zwerk. Een ratelende donderslag volgde. Feller, woester werd de storm!

„Hé!” riepen de schipper en de herder, en vluchtten in het veerhuis.

Duidelijk waren nu de ruiters allen zichtbaar. Nog eene laagte, een eindweegs om het bosch, en... Baumgarten zou gevangene zijn.

„Help mee! Ras! De boot te water! Ik zal je overzetten of... er bij omkomen!” sprak Tell.

Met ware reuzenkrachten bracht hij bijna heel alleen de zware boot te water, want de vervolgde scheen in zijne overspanning alle krachten verloren te hebben.

In een oogwenk waren beiden aanboord, en terstond daarop duwde Tell de boot van den wal op het meer, waar Baumgarten in korte woorden verhaalde, wat er voorgevallen was.

„Ik dacht wel, dat het zoo iets zijn zou,” sprak Tell. „Doch nu zwijgen en oppassen. Het is boos weer!”

De storm en de golven grepen het broze vaartuig aan en smeten het, als een stuk kinderspeelgoed, op de hooggaande wateren.

Nieuwsgierigheid dreef den veerman en de herder weer buiten de deur.

„Ze moeten verdrinken,” zeide de herder.

„Dan is er één dolleman in de bergen minder,” sprak de veerman, „en als Baumgarten omkomt, loopen wij geen gevaar, dat de Oostenrijkers wraak zullen nemen!”

„Neen, neen, daar zijn ze!” riep de herder bijna juichend uit, wijzend op de lompe boot, die op den top eener golf voor een oogenblik zichtbaar was, om dan dadelijk daarop in een waterdal neergeworpen te worden.

De veerman zag het schouwspel een oogenblik aan en den herder op den schouder kloppend, riep hij: „Wie heeft gezegd, dat Tell een dolleman is?”

„Wie? Wel, jij zelf hebt het gezegd!”

„Ik!? Gelogen! Gelogen! Dat kan ik niet gezegd hebben! Mijne pink er voor, als ik zóó sturen kon! O, die Tell, die Tell, hij is geen lafaard, zooals die Wolfenschiez uitgeschreeuwd heeft! Hij is een held!”

„Dat is hij,” sprak de herder. „Kijk, kijk dan toch hoe hij den slag van elke golf weet te ontwijken, en dezelfde golf, die hem met den dood bedreigt, weet te gebruiken om verder te komen. Kijk! Kijk! Daar op den kop van die golf! Daar! Daar! Weg!”

„Heidaar, vagebonden!” klonk op eenmaal eene ruwe stem achter hen.

De geestdrift bij het aanschouwen van die heldenvlucht over het fel bewogen meer, had hen niet doen hooren, dat de Oostenrijksche ruiters genaderd waren.

„Kijk, kijk, eene boot midden op het meer, Heer Hoofdman!” riep een ruiter.

De herder gaf den veerman een knipoogje om de zaak aan hem over te laten, en de ruiters naderend vroeg hij, wijzend op de boot: „Zoekt gij die mannen daar, Heer? De veerman en ik hadden de boot op het droge gehaald, en wij zaten samen in het veerhuis voor den storm te schuilen, toen er twee mannen kwamen aanloopen. Eén hunner sloeg met zijne aks het touw, waarmede de boot vastgesjord lag, los, beiden brachten haar te water en staken af!”

„Gij discht leugens op,” schreeuwde de Hoofdman. „Herop! Spreek de waarheid, of...”

Het zwaard ging dreigend omhoog.

„Maar, Heer,” sprak de herder, „zie, hier ligt het overgebleven stuk van het doorgehakte touw! En ginds, ginds zijn de vluchtelingen! Zij zullen den anderen oever bereiken, zij zullen het! O, de booze is in het spel! Zóó kan een eerlijk Christenmensch niet sturen!”

„Terug! Terug! de bergen in! Den vluchteling achterhaald!” schreeuwde de Hoofdman, en de heele troep rende spoorslags heen.

„De gekken, die ze zijn,” spotte de herder. „Met zulk weer te paard in de bergen! Pas op! Als ze het doen, zijn er, eer de zon onder is, twintig Oostenrijkers minder! Zie! zie! De boot is aan den overkant en Tell trekt haar op den kant. Wat een man!”

„Kom, laten we binnen gaan,” bromde de veerman. „Het stortregent en stormt, als het in geene jaren gedaan heeft. Maar,... maar... een heldenstuk gezien! Ja, ja, het is dan toch waar, wat ik wel eens betwijfeld heb.”

„Wat hebt gij betwijfeld?”

„Ik betwijfelde het of God wel met de arme Zwitsers was. Nu weet ik het beter! De vrijheid zal dagen! Zoolang de Woudsteden nog mannen hebben als Baumgarten, die een' vuigen Oostenrijkschen eerroover te lijf durven, en zoo lang als men op onze bergmeren nog helden heeft als Tell, zoolang is er hoop,” sprak Friedel de veerman, wien het inderdaad niet aan moed of aan vaderlands- en menschenliefde ontbrak.

„Ja, en dat muisje zal een staartje hebben,” zeide de herder. „Oostenrijk zal niet rusten voor het zich gewroken heeft. Maar, wat daar eenmaal in onze bergen verscholen is, vinden ze niet. Baumgartens leven is gered! Kom, naar binnen, en drinken we een' roemer van onzen eenvoudigen landwijn op de gezondheid van die twee mannen!”

„Ja en op de vrijheid der Woudsteden en de schande der Oostenrijkers,” zeide Friedel, en hij voegde er nog aan toe: „En dat zou ik doen, al moest ik den wijn uit de kelders van Zwing-Uri den beul voor de oogen weghalen!”

VIERDE HOOFDSTUK.

De worsteling is begonnen.

Behouden waren Tell en Baumgarten aan den anderen oever aangekomen.

„Laten we hier Friedels boot op het droge halen,” sprak Tell. Het waren de eerste woorden, die hij sprak, sinds hij Baumgarten een kort antwoord gegeven had. Er was geen tijd geweest tot praten, want het roer vereischte alle aandacht, wilde men niet door de woeste golven in de diepte geworpen worden. Beiden waren door het overslaande water en den neerplassenden regen druipnat, wat evenwel niet zooveel hinderde. De kleeding toch bestond hoofdzakelijk uit gemzenleder, dat zóó goed gelooid was, dat het in het gebruik vrij zacht bleef. Lappen getaand zeildoek, die in elke boot steeds aanwezig waren om de voeten en beenen der reizigers, die overgezet werden, tegen het overslaande water te beschermen, hadden ook hunne voeten en beenen droog gehouden.

„Goed,” sprak Baumgarten, doch alsof hij zich schaamde, dat zijn eerste woord slechts een antwoord was op hetgeen Tell gezegd had, trad hij op dezen toe, greep hem de hand en zeide: „Tell, ik dank u voor uwe moedige daad. Gij hebt mij het leven gered.”

„Ja, tot hier, maar dat zegt al heel weinig, Kuni,” sprak Tell. „Ik heb gezien, dat de ruiters met Friedel in gesprek geweest zijn.”

„En die lafaard zal ons wel verraden hebben,” bromde Koenraad van Baumgarten, door Tell eenvoudig Kuni of Koeni genoemd.

„Gij vergist je, Kuni! Onze Friedel is geen lafaard. Nog nimmer heb ik het meer zoo fel bewogen gezien, als thans het geval is; nog nimmer woonde ik zulk verschrikkelijk weder bij. Het was een tocht van waaghalzen, Kuni, en verscheidene oogenblikken zijn er geweest, dat ik dacht: „God en de Heilige Maagd mogen ons behoeden! Onze laatste stonde is aangebroken.” Het was geen weer voor zulk eene zwakke boot! En dat we er zijn, dank hiervoor God, niet mij! Maar geen rustig gepraat, verder! Help mee aan de boot!”

Met vereende krachten werd het vaartuig nu aan den steilen oever gehaald, en beide mannen begaven zich naar eene diepe bergholte om daar het einde van den storm af te wachten.

„Ik zag de ruiters het gebergte indraven, Willem! Ze kunnen immers hier komen?” begon Baumgarten.

Tell glimlachte en zeide: „Ik zag dat ook, maar die ruiters zullen ons geen kwaad doen, Kuni! Zie naar boven! Allen worden gedood! Ze kenden onze bergen niet, als de föhn er hare reuzenkrachten toont. Arme kerels!”

Baumgarten zag omhoog en huiverde.

Zware dennen werden als dorre rietstengels doorgekraakt; groote steenen, die los lagen werden door de waterstroomen voortgedreven en naar beneden geworpen. Bij oogenblikken was de regen zoo ontzettend, dat men er niet doorheen kijken kon. Wat zich verhief en niet goed vast stond, moest vallen. Geen enkel paard, dat in het gebergte toch al zoo moeielijk zich voortbeweegt, zou op de been kunnen blijven. Baumgarten begreep dat ook en zeide: „Neen, voor die ruiterbende bestaat geen gevaar meer, maar waartoe was dan de haast noodig, waartoe gij zooeven aandreeft? Waarom zou dan mijn leven nog niet gered zijn?”

„Maar, Kuni, heeft het groote gevaar, waarin we verkeerd hebben, heeft de bijlslag waarmede gij den onverlaat gedood hebt, je dan alle bezinning doen verliezen?”

Baumgarten zag zijn' vriend met verwonderde blikken vragend aan.

„Het schijnt, dat je me niet gelooft,” hernam Tell. „Begrijp je dan niet, dat de Oostenrijker zich reeds gewroken zou hebben om den dood diens éénen? Hoeveel grooter zal zijne begeerte naar wraak niet zijn, als de heele ruiterbende bij de achtervolging omgekomen is? Van naar huis terugkeeren is geene sprake; je moet je noodzakelijk ergens verbergen!”

„O, dat begrijp ik wel, maar ik weet ook dat de Oostenrijker den Zwitser niet vindt, als deze zich in het gebergte verscholen houdt! Ik zie dus niet in, dat mijn leven niet gered zou zijn.”

Tell glimlachte droevig, en zeide: „O, ja, als Koenraad van Baumgarten zichzelven schuilhoudt, is er geen Oostenrijker, die hem vindt!”

„Welnu dan, wat is er nog meer te vreezen?”

„Gij hebt een' ouden Vader, Kuni! Gij hebt vrouw en kinderen!”

„Dat weet ik, doch dezen zijn veilig. Zij immers hebben den onverlaat niet gedood?”

„Ze zijn onschuldig daaraan, Kuni! Maar om den dader van het misdrijf uit zijn' schuilhoek te lokken, zullen zij de onschuldigen gevangen nemen en martelen!”

„Dat zullen zij niet! De Oostenrijkers zijn waarlijk toch ook menschen!”

„Zeker! De Oostenrijkers zijn ook menschen, en misschien zouden zij niet zoo wreed en boosaardig zijn. Maar onze Landvoogden zijn geene Oostenrijkers, Kuni! Ze zijn geboren Zwitsers, die zoo laaghartig waren, hun Vaderland te verzaken en te verraden. En verraders zijn duivels, Kuni! Ronduit gezegd, ik vrees dat uwe daad groote en droevige gevolgen na zich sleepen zal.”

„Maar, Tell, de Landvoogden zullen...”

„Voor geen enkel middel terugdeinzen, Kuni! Ik ken hen!”

„Maar dan ga ik terug! Ik wil niet, dat mijn oude Vader, mijne lieve vrouw en kinderen lijden zullen om dat, wat ik deed. Voor den verschrikkelijken tocht over het meer dank ik u, Willem! Vaarwel!”

Tell hield zijn' vriend tegen en zeide: „Bega nu geene dwaasheden, Kuni! Met zulk weer kunt gij je niet op weg begeven, en er bestaat geen gevaar, dat men de uwen nog heden leed doen zal. Als straks het weder bedaard is, zullen wij samen naar Stauffacher gaan, en als deze geen' raad weet te schaffen, zullen we ons vervoegen tot Werner van Attinghausen. Overijling deugt nergens toe, dan om alle kwaad nog erger te maken, en wij kunnen niets beters doen dan voorloopig afwachten, wat de Oostenrijker doet.”

„Maar dan is het te laat!”