Willem Tell: De Zwitsersche vrijheidsheld

Part 2

Chapter 24,030 wordsPublic domain

Eindelijk trad Walter Fürst tot voor den zetel, en op luiden toon sprak hij: „Is het niet bespottelijk het hoofd in den muil van den leeuw te steken? Erger nog, zou het geene schande zijn om onzen vijand, dien we, zoo lang hij nog maar Hertog van Oostenrijk was, moedig te woord stonden, nu te gaan vleien, waar men hem de Duitsche Koningskroon op het hoofd gezet heeft? Mijn raad is: wij gaan niet naar Straatsburg om hem hulde te doen. Indien hij die hulde begeert, hij kome hier, en de Rütli zal hooren, wat wij hem te zeggen hebben.”

Met opgeheven hoofd trad de spreker naar zijne zitplaats terug en men kon zien, dat velen met zijne woorden instemden.

Nu trad Arnold Melchtal tot voor den zetel des „Landammans” en zeide: „Hoe, zullen wij naar Straatsburg gaan om daar onze vrijheden en rechten bij den Keizer aan te bevelen? Weten wij niet, dat hij reeds, als Hertog van Oostenrijk, onze gouwen bij zijn Hertogdom wilde inlijven? En zou diezelfde man, Keizer zijnde, anders over de zaak denken? Een dwaas, die het gelooven kan. Mijn voorstel is niet naar Straatsburg te gaan en hier thuis bij de onzen, bedaard den loop der zaken af te wachten.”

Ook deze spreker ging naar zijne plaats terug en thans trad Willem Tell voor.

„Het is de vraag niet,” begon deze, „wat de Keizer doen of zeggen zal. Wij, Zwitsers, zijn verplicht hem onze hulde te doen. Zwitserland is en blijft een Rijksleen, onverschillig, of de Keizer Adolf van Nassau of Albrecht van Habsburg heet, onverschillig of hij onze vriend, of onze vijand is. Ik zeg: het voorstel van onzen „Landamman” moet aangenomen worden. Wij _moeten_ naar Straatsburg!”

„Uw kleinzoon, de moedige Willem, zou anders spreken,” riep een jonge Vrijboer.

„Ja, hij zou ons te wapen roepen tegen den leelijken Oostenrijker,” deed een ander zich hooren.

„De Keurvorsten zijn blinden, en daarom kozen ze Eénoog tot Koning. Maar wij zijn niet blind!” klonk de stem van een' derde.

„Neen, neen, wij zien! Onze oogen zijn scherper dan die van de adelaars onzer bergen,” riep Walter Fürst.

De wanorde nam toe, doch een schildslag, harder dan de vorige, bracht alles weer tot rust.

„Men zegt dat mijn' kleinzoon en naamgenoot anders spreken zou,” hernam de oude Tell. „Het is mogelijk, maar ik geloof het niet. Indien hij had willen zeggen, wat gij vermoedt, hij zou zijne zitplaats in ons gericht niet ledig gelaten hebben, want hij en ik, wij wisten van een rondreizend koopman, dat onze Koning Adolf gesneuveld was.”

„Juist zoo, Grootvader,” klonk thans eensklaps eene heldere, frissche stem van achter het volk, en een jong man trad den kring binnen.

Hij was een prachtstuk van een' man, die zoo ongeveer vijfentwintig jaar oud kon zijn. Een dichte, blonde knevelbaard omlijstte zijn schoon gelaat, dat van gezondheid, levenslust, kracht en moed sprak. Zijne gestalte was nog meer dan forsch, bijna reusachtig, maar zijne heldere, blauwe oogen, die van vriendelijkheid schitterden, vertelden dat hij dan toch in alle gevallen een goedige reus was. Een pijlkoker hing hem op den rug, en in zijn' lederen gordel hing eene zware, blinkende bijl. In de eene hand hield hij den grooten stalen boog, en met de andere wischte hij zich het zweet van het verhitte gelaat, dat door eene bonte muts, met valkenvederen versierd, tendeele bedekt was.

„Gij komt laat, Willem!” sprak de Grootvader streng. „Vanwaar komt gij?”

„Ik kom van den Bruneck, Grootvader,” luidde het kalm.

„Van den Bruneck? Wat hadt gij daar te doen?”

„Heer Geszler had mij ontboden, Grootvader!”

„En Geszler is bij den Keizer in Straatsburg!” klonk nu de stem van den „Landamman.”

„Het is mogelijk, dat hij daar geweest is, Heer Stauffacher, doch nu is hij op den Bruneck en... en...”

De jonge man bleef in zijne woorden steken.

„Vaar toch voort,” hernam de „Landamman” op zulk een' driftigen toon, dat men verwonderd opkeek, want men had den man nog nimmer driftig gezien. „Ga voort! Ik begrijp, dat gij ons wat te zeggen hebt, dat in onze ooren minder aangenaam klinken zal.”

„Welnu dan,” hernam de jonge Tell, „ik breng het bevel van den Bruneck mede, dat het gericht terstond moet gesloten worden, en dat de Rütli binnen een half uur eigendom van Koning Albrecht zal zijn!”

Allen beefden van verontwaardiging, doch alleen Arnold Melchtal barstte in een schaterend gelach uit.

„Hoe, Arnold,” liet Stauffacher zich nijdig uit, „hoe kunt gij bij het hooren van zoo iets nog lachen? Heeft de verontwaardiging u waanzinnig gemaakt?”

„Gij zult met mij lachen, vrienden,” sprak Melchtal. „De Oostenrijker vischt, binnen een half uur zelfs, nog achter het net. Ik wist, dat Heer Adolf van Beckenried door zijne schuldeischers, die allen aanhangers van den Oostenrijker zijn, en die hem steeds maar gelden geleend hadden, zeer lastig gevallen werd. Gij weet zoo goed als ik, dat deze verarmde Edelman ons echter wel genegen was en standvastig geweigerd heeft den Beckenried met onderhoorigheden aan Hertog Albrecht te verkoopen.”

„Dat weten we,” zeide Stauffacher.

„Welnu, de geslepen geldwolven van den Hertog, beproefden het nu langs een' anderen weg. Zij leenden hem maar voortdurend geld, doch onder den schijn van vriendschap. Ik wist dat, en ik begreep, wat het einde zijn zou. Nu ben ik vanmorgen vroeg naar den Beckenried gegaan en heb alles, wat noordoostwaarts van den burcht ligt, gekocht. Zijn huis-kapelaan heeft de koop-acte geschreven, wij hebben met getuigen onderteekend, en ik heb dadelijk betaald. De Rütli is thans mijn eigendom, en ik geef haar ten geschenke, als eene verzamelplaats voor de Woudsteden. Wie lacht nu niet?”

„Op dit oogenblik kunnen we lachen, Melchtal,” sprak de „Landamman” ernstig, „maar geloof me, de dagen zullen komen, dat wij niet lachen zullen. De Oostenrijker zal het nooit vergeten, en hij zal wraak nemen. Maar hartelijk zeggen wij u dank voor uw schoon geschenk. De Woudsteden nemen het dankbaar aan, en wij geven de verzekering, dat hier op de Rütli door het Vrijboeren-gericht nimmer een besluit zal genomen worden, waarvoor Arnold Melchtal en zijne nakomelingen zich schamen zullen. Doch nu mijn voorstel. Grootvader Tell is het met mij eens, dat wij Afgevaardigden naar Straatsburg zenden om den nieuwen Keizer hulde te doen. Die Afgevaardigden moeten hem de bescherming van onze rechten en vrijheden opdragen!”

„Hij lacht er wat mee!” riep Walter Fürst.

„Ik weet vooraf, dat hij het doen zal, en dat hij er niet aan denkt om Zwitserland een Rijksleen te laten blijven. Ik weet, dat hij ons bij Oostenrijk inlijven wil, maar doet hij dat, welnu, dan is hijzelf het, die den band tusschen ons en het Rijk verbreekt, maar wij staan voor de heele wereld, als mannen, die deden, wat plicht en recht was. Wij zullen dan weten, wat wij te doen hebben.”

„Zullen wij ons dan tegenover een' dwingeland vernederen, wij, vrije mannen van de Woudsteden?” vroeg een jong heethoofd.

„Wie zijn' plicht doet, vernedert zich niet, mijn vriend,” sprak Stauffacher kalm.

„Wij huichelen toch,” merkte dezelfde jonge man aan.

„Huichelen doen wij ook niet. Wanneer Hertog Albrecht onzen Afgevaardigden ten antwoord geeft: „Gaat heen, en zegt den Woudsteden, dat ik, als Keizer, al de rechten en vrijheden, die ze bezitten, beschermen zal,” welnu, dan mag geen Zwitser er aan denken hem zijne trouw te weigeren. Nog eens, ik zeg: Er moeten Afgevaardigden van ons naar Straatsburg om den Keizer hulde te doen, en onze rechten en vrijheden bij hem aan te bevelen. Wie meent een ander en beter voorstel te kunnen doen, hij trede voor en spreke!”

„Na rijp beraad, en na al, wat ik gehoord heb,” dus sprak Melchtal, „ben ik er ook voor, dat wij Afgevaardigden naar den Keizer zenden. Wij verplichten ons tot niets en--doen onzen plicht. Later kunnen wij dan naar omstandigheden handelen.”

Zooals Melchtal sprak, spraken thans ook de anderen, al was het bij enkelen misschien met tegenzin.

Het stond vast, dat Stauffacher, als „Landamman,” het Hoofd der Afgevaardigden zou zijn. Door het lot werden hem als mede-sprekers toegewezen: Melchtal, Baumgarten en de oude Tell.

Geen der drie dacht er aan te vragen of een ander in zijne plaats den tocht naar Straatsburg mocht ondernemen, hoewel men wist, dat de Keizer de Afgevaardigden van het Vrijboeren-gericht, waar dezen zulk een' last mede kregen, niet vriendelijk ontvangen zou. Zelfs Tell, die zich door zijn' hoogen ouderdom wel aan de zending had kunnen onttrekken, maakte geene enkele tegenwerping.

Nu deze zaak geregeld was, had het gericht niets meer te bespreken. De „Landamman” nam den hoed af, de Waibel hieven de staven op, de schildslag klonk, en kalm en bedaard ging de menigte uiteen.

Twee dagen later zag men een gezelschap, van ongeveer twintig man, te paard in de richting naar Konstanz vertrekken. Het waren de drie Afgevaardigden met hunne zwaarddragers en verder gewapend gevolg. Te Konstanz zou men de Bodensee oversteken om dan verder over land naar Straatsburg te reizen.

De zwaarddrager van den ouden Tell was zijn kleinzoon en jonge naamgenoot, die, vóór hij met Hedwig, eene dochter van Walter Fürst, in het huwelijk zou treden, gaarne wel eens wat meer van de wereld zou willen zien dan de bergen en meren, de weiden en bosschen van zijn geliefd en schoon Vaderland, dat hij nog nimmer verlaten had.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Keizer, Koning en Vrijboer.

Straatsburg was reeds ten tijde der Romeinen eene zeer aanzienlijke stad met veel leven en vertier. Na den val van de groote Romeinsche heerschappij, viel Straatsburg ook, lag een paar eeuwen later bijna geheel in puin, en was maar voor een klein gedeelte bewoond. Later werd de stad eene verblijfplaats voor roovers en boeven, die een schrik werden voor de schippers, die den Rijn bevoeren. Aan de rooverijen en misdaden van dat gespuis werd echter een einde gemaakt, en langzaam begon de stad zich weer te ontwikkelen en uit te breiden, zoodat ze in de Middeleeuwen weder eene der voornaamste steden van het Duitsche rijk was. Zij bloeide door hare fabrieken, maar veel meer nog door hare scheepvaart en was eene vrije Duitsche Rijksstad.

Druk, vol gezellige beweging en vol bezig leven was het er dus altijd, maar, het was eene handelsdrukte, en deze is voor iemand, die aan een kalm en stil leven gewoon is, nu niet altijd even aangenaam, ja, dikwijls is ze hem eer vervelend.

Bij het handelsgewoel waaraan de Straatsburgers sedert lang gewoon waren, heerschte nu in den laatsten tijd eene algemeene beweging van heel anderen aard.

De nieuwe Roomsch-Koning, Hertog Albrecht van Oostenrijk, hield hier gedurende eenige weken zijn verblijf, om met de verschillende Vorsten des Rijks de zaken te regelen, en, wat wel het voornaamste was, te beproeven van vijanden vrienden te maken. Hiervoor had hij al zijne geveinsdheid en al zijn verstand noodig.

Zoodra Paus Bonifacius VIII bericht gekregen had, dat Albrecht van Oostenrijk zijn' wettigen Koning niet veel beter dan vermoord had, en dat de Keurvorsten hem toch tot Roomsch-Koning gekozen hadden, en als zoodanig te Aken zouden kronen, ontbood hij Hertog Albrecht naar Rome om zich te verantwoorden, en toen deze niet verscheen, verklaarde de Paus de verkiezing onwettig. Hij verbood zelfs den Duitschen Vorsten hem te gehoorzamen, en aan dat bevel gehoorzaamden zeer bereidwillig een paar Geestelijke Keurvorsten van den Rijn.

Het was dus meer dan noodzakelijk, dat de Keizer met zijn leger zich in de nabijheid van den Rijn opsloeg om die Geestelijke Keurvorsten in het oog te houden. Geene plaats was daartoe beter geschikt dan Straatsburg, dat bovendien in de nabijheid van Frankrijk lag, waarover toen Filips IV, de Schoone, als Koning regeerde. Deze Filips, die zeer veel oorlog voerde en daarin dikwijls ongelukkig was, had aan niets zooveel gebrek als aan geld, waarom hij begon met tot eigen voordeel de munt te vervalschen, en toen dit nog niet voldoende hielp, begon hij door het geheele Rijk belastingen te heffen, en zelfs de Geestelijken werden gedwongen deze te betalen. De Geestelijken deden hun beklag bij den Paus, en deze verbood hun belastingen te betalen. Deden ze het toch, dan zouden ze in den ban gedaan worden. Uit wraak verbood Koning Filips nu, dat iemand in zijn heele Rijk wat aan den Heiligen Stoel zou opbrengen. Zulk man tot vriend en bondgenoot te hebben, was een kolfje naar de hand van Keizer Albrecht.

Nu was Koning Filips een dapper oorlogsman, die het ook met eerlijkheid en goede trouw zoo nauw niet nam, maar hij was zeer ijdel, en wanneer hij gevleid werd, geloofde hij alles, terwijl het hem steeds aan doorzicht ontbrak om schijn van werkelijkheid te onderscheiden.

Reeds had Filips bij eenig nadenken kunnen begrijpen, dat Keizer Albrecht hem om zijn schoon uiterlijk haten moest, en dat er achter dat zoeken van zijne vriendschap eene heel andere reden verborgen was. Maar Filips bemerkte het niet, en was niet weinig ingenomen met de uitnoodiging, die hij van Keizer Albrecht gekregen had, om te Straatsburg te komen en een verbond van vriendschap te sluiten.

Dat hooge bezoek nu zou plaats hebben, en heel de stad was op de been om de ontmoeting tusschen twee zulke machtige Vorsten te zien.

Men had immers reeds zooveel van dien Filips gehoord! Hij was, zeide men, de dapperste Ridder van Frankrijk en de schoonste man van de wereld.

Van alle kanten stroomde het landvolk met de bewoners der naburige steden, ook van den overkant van den Rijn, naar Straatsburg, het oude Argentoratum der Romeinen.

Druk, buitengewoon druk was het ook te Bodersweier, een stadje aan den rechteroever van den Rijn, tegenover de stad Straatsburg gelegen.

Reeds een paar dagen te voren, konden de schippers voor hunne oudste booten, de hoogste prijzen bedingen om de lieden naar de overzijde te varen.

Wie die lieden waren?

Dwaze vraag! Vreemdelingen waren ze, die soms uit de verste streken kwamen, in eene kleederdracht, die men nog nooit gezien had. En die vreemd gekleede reizigers waren zóó talrijk, dat men geëindigd was met er niet meer naar te kijken. De een was als de ander.

Ja, zoo dacht men, maar die „men” bedroog zich, want een stoet van twintig ruiters, die door het stadje trok, werd door allen nageoogd.

Voorop reden drie mannen. De middelste was iemand van misschien half de vijftig jaar. Rechts van hem reed een in de kracht van het leven, en links van hem een grijsaard. Ze waren alle drie forsch gebouwd. Op den rug droegen ze een' grooten stalen boog met een' pijlkoker, en in den gordel, die hun kleed van gelooid gemzenleder om de heupen sloot, hing eene Germaansche aks of strijdbijl. De beenen waren tendeele bloot, doch de voeten staken in lompe schoenen, die beter geschikt schenen om er bergen mede te bestijgen dan om er mede te paard te rijden. Aan de hielen waren zelfs geene sporen.

Achter deze drie reden drie jonge mannen, toonbeelden van kracht en gezondheid. Ieder hunner had een zwaard, dat dwars over het paard lag, voor zich. Vooral de eene, die achter den grijsaard reed, viel iedereen in het oog door zijn reusachtigen lichaamsbouw en door zijn edel, schoon voorkomen. De veertien, die volgden, waren ook wel lang en forsch, maar die eene jonge zwaarddrager stak boven allen uit. Elk der twintig mannen had een paar valkenvederen op de muts. Wij herkennen hen wel, nietwaar? We ontmoeten hier de Afgevaardigden uit de Woudsteden met hun gevolg.

Bij den uitgang der stad was eene groote herberg, en deze wilden ze bezoeken om naar een vaartuig te vragen, dat hen met hunne paarden naar de overzijde brengen kon, doch al spoedig bleek het, dat dit zoo gemakkelijk niet gaan zou, dan alleen tegen verbazend veel geld.

Er viel niets aan te doen dan geduldig te wachten, en eindelijk hadden ze juist eene groote schuit voor veel geld gehuurd, en stonden ze gereed om er in te stappen, toen twee Ridders met hun gevolg aankwamen en zich van de schuit wilden meester maken.

„Uit den weg, boer, of ik rijd je onderstboven!” klinkt het uit den mond des Ridders, die vooraan rijdt.

Wel is het helmvizier gesloten, zoodat het gelaat niet te zien is, doch Stauffacher herkent al te goed die stem, en zegt: „Heer Ridder Geszler van Bruneck, deze schuit is afgehuurd door de Afgevaardigden der Woudsteden. Indien gij met de uwen ook naar de overzijde wilt, dan moet gij doen, wat wij ook gedaan hebben.”

„En dat is?”

„Uwe beurt afwachten, Heer Ridder!”

„Wat, lomperd, durf je mij dat te zeggen?” bulderde Geszler. „Je bent hier niet in de bergen of op de Rütli!”

„Dat is waarlijk uw geluk, Heer Ridder!”

„Waarom?”

„Als gij tusschen de bergen waart, zouden wij u behandelen, zooals wij, Vrijboeren, het recht hebben iederen onbeschaamde te behandelen. Hier zullen we dat niet doen, maar... die schuit is de onze.”

„En als de Keizer je nu eens beval, die schuit aan ons af te staan?” vroeg de andere Ridder wiens helmvizier ook gesloten was.

Stauffacher zag verrast op en zeide: „Zoo iets zou Keizer Albrecht niet bevelen. Hij is Keizer, en heeft bovendien het geluk de Vrijboeren en Vrijburgers van de Woudsteden te kennen. Hij weet, dat ze den beleefden vrager nimmer afwijzen zullen, doch dat ze den onbeleefden eischer den rug toekeeren. Ze doen dat zelfs, al is die eischer de Keizer in eigen persoon.”

„Ik herken u! Gij zijt Werner Stauffacher uit Schwijz!”

„En ik herken u ook. Gij zijt Graaf Albrecht van Habsburg, Hertog van Oostenrijk en Roomsch-Koning van het Duitsche Rijk!”

„Welnu dan?”

„Gij laat ons houden, wat het onze en niet het uwe is!”

„Lomperd, spreekt gij zoo tot den Hertog van Oostenrijk, tot wiens gebied uwe ellendige bergen behooren met al, wat er op leeft en groeit?” schreeuwde Geszler.

„Heer Geszler weet zoo goed als ik, dat Zwitserland een vrij Rijksleen is,” hernam Stauffacher altijd even kalm.

„Laat af, Heer van Bruneck,” zeide de Keizer. „Hij spreekt heden nog de waarheid. Vragen wij derhalve of hij deze schuit aan ons wil afstaan!”

„Een man, een man,--een woord, een woord, Heer Keizer! Den beleefden vrager wijzen wij niet af,” zeide Stauffacher. „Dus voor u is de boot. Wij zullen wachten.”

Hij sprak deze woorden echter op zulk een' fieren en trotschen toon, alsof hij zelf de Keizer was.

Deze was hierover niet weinig geërgerd, en gaarne zou hij de schuit geweigerd hebben, indien hij niet zoo veel haast gehad had om aan de overzijde te komen.

Zonder een woord te spreken, ging de Keizer met zijn gevolg aan boord, en nadat ook de paarden op een soort van vlot, dat door de schuit op sleeptouw genomen zou worden, geplaatst waren, stak men van wal.

„Gij hebt goed gehandeld, Heer Werner,” zeide de oude Tell. „Toch denk ik, dat deze ontmoeting met den trotschen Oostenrijker niet in ons voordeel zal zijn. Hij heeft toegegeven. Maar, hoe?”

„Als één, die denkt: „Het zal hem berouwen,”” sprak Baumgarten.

„Het zij zoo,” antwoordde Stauffacher. „Een Vrijboer uit de Zwitsersche bergen blijft ook een Vrijboer hier op de grenzen van het Duitsche Rijk. Maar, daar komt eene veel grootere schuit. Wij zullen die nemen.”

De huur-overeenkomst werd getroffen, en juist toen allen aan boord waren, stak er een felle wind op, en daar de stroom zeer sterk ging, omdat er op de bergen veel regen gevallen was, zeide de schipper, dat het, al was de rivier ook niet zoo breed, toch lang zou duren eer men den mond van de Ill, waaraan Straatsburg ligt, zou binnengevaren zijn.

Toen de jonge Willem Tell dat hoorde en hij zag, hoe de schipper, die den Keizer overzette, moest worstelen en tobben om met het vlot niet af te drijven, kwam er een ondeugende lach om zijne lippen spelen.

„Ziet gij kans die schuit met dat paardenvlot daar in te halen?” vroeg hij den schipper.

„Die schuit inhalen? Er is immers geen kijk op!” antwoordde de schipper.

„Gekheid! Het gaat best. Mag ik het roer nemen?”

„Een ruiter is geen schipper,” klonk het wat spottend.

„Wie aan het Vier Woudsteden-meer woont, leert varen, paardrijden en klimmen, mijn vriend!”

„Maar die schuit voorbijvaren gaat niet! Ze voert de vlag des Rijks en de Keizer is er aan boord.”

„Des te meer eer, mijn vriend, als wij het winnen! Kom, geef mij het roer maar!”

Terwijl de jonge Tell dit zeide, voelde de schipper zich een groot stuk zilvergeld in de hand drukken, en terstond sprak hij: „Voor u is het roer, Edele Heer!”

Tell plaatste zich nu aan het roer en tot buitengewone verbazing van den schipper waren ze binnen korten tijd bij de schuit des Keizers.

Nog ééne meesterlijke wending van het roer, en...

„Halli! Hallo!” jodelde de jonge Tell op het oogenblik, dat hij vlak voorbij den steven van het Keizerlijke vaartuig voer. „Halli! Halli! Hallo!”

Toen ze den mond van de Ill binnenvoeren, was de Keizer nog niet over het midden der rivier.

„Dat heet ik sturen, Edele Heer!” sprak de schipper. „Dertig jaar lang heb ik den Rijn bevaren, maar geleerd heb ik van Uwe Edelheid!”

„Goed, heel goed, schipper,” antwoordde Tell. „Maar noem mij of één mijner vrienden, nu niet langer „Edele Heer”, want wij zijn maar Zwitsersche Vrijboeren en timmeren niet zoo hoog! Ik...”

Een luid gejuich aan den oever brak Tell's woorden af.

„Die goede lieden daar juichen wel wat al te vroeg,” meesmuilde de oude Tell, die niet weinig trotsch was op de groote stuurmanskunst van zijn' kleinzoon. „De Keizer is nog te ver af. Hij hoort het niet.”

„Men juicht den Keizer niet toe,” sprak de schipper.

„Wien dan?”

„Wel, wien anders dan den stuurman van mijne schuit? Het is daar schippersvolk aan den wal, en veel hebben ze gezien, maar zóó zien sturen, nooit! Geloof me, alleen de wending van het roer, om in het midden der rivier den stroom te overwinnen, was een meesterstuk! Zie, nog altijd worstelt de Keizer met den stroom!”

„Grootvader, mag ik den Keizer helpen?” vroeg de jonge Willem. „Hij zal dan ervaren, dat de Zwitsersche Vrijboeren niet zoo min zijn, als hij denkt.”

„Doe het,” sprak Stauffacher, „doch laten wij eerst aan wal gaan.”

Volk en paarden verlieten het vaartuig en de jonge Tell keerde met den schipper en zijne schuit terug.

„Een meester stuurman is hij!” bromde de oude visscher, „doch die schuit daar ginds met dat vlot met paarden uit den stroom brengen, dat gelukt hem niet!”

Spoedig was Tell de Koningsschuit terzijde en hij riep den Keizer toe: „Uwe Majesteit, mag een Vrijboer uw vaartuig buiten den stroom brengen? Zóó zijt ge in geen twee uur over.”

Alweer had de Keizer graag „neen” gezegd, maar hij moest spoedig aan den overkant zijn, want er werden seinen gegeven, dat Koning Filips reeds in de nabijheid der stad was, en hij diende zijn' gast toch tegemoet te rijden.

„Kom, toon, dat ge meer kunt dan uw Keizer bespotten,” klonk het barsch.

Tell ging op de andere schuit over, greep het roer, en... ja, dát kostte kracht, want de stroom was buitengewoon sterk en nam voortdurend in hevigheid toe.

Een oogenblik scheen het, alsof men terugdreef, en dat de jonge stuurman nog minder kon doen dan de vorige.

„Wij gaan terug, boer!” bulderde Geszler en wilde Tell het roer uit de hand rukken.

„Afblijven!” snauwde Tell hem toe.

Men was achteruit gegaan om, als het ware, een aanloopje te nemen.

Daar ging de schuit sterk slagzij!

„Wij verdrinken!” schreeuwde Geszler.

Eén oogenblik nog, en...

Het donderend gejuich, dat van den overkant klonk uit de monden van honderden toeschouwers, vereenigde zich met het jubelend: „Halli! Halli! Hallo!” van Tell.

Hij had overwonnen; de schuit had den stroom doorsneden: het vlot met paarden ook.

„Nu kunt gij zelf het,” riep Tell, het roer aan den echten schipper overgevend.

In een omzien was hij nu weer in de andere schuit, vanwaar hij den Keizer toeriep: „Ter eere van den Habsburger broeder, Uwe Majesteit!”

„Het wordt meer dan tijd dien trotschen boeren den mond te snoeren,” mompelde de Keizer. „En, bij mijne trouwe, ik zal het doen! Ik zal het doen!”

Als iemand, die verlegen is met zichzelven, zocht de jonge Tell, die met luid gejubel ontvangen werd, door allen, die vol verbazing zijn meesterstuk aanschouwd hadden, zijne vrienden op en reed met hen in kalmen draf naar het ongeveer een uur verder liggend Straatsburg.