Willem Tell: De Zwitsersche vrijheidsheld

Part 14

Chapter 142,304 wordsPublic domain

Daar kwam de treurige stoet aan. Voorop eene vrouw met vier kindertjes, voortgejaagd door Geszler en Gottlieb, die te paard aan het hoofd van den troep reden.

Plotseling wierp de vrouw zich voor het paard van Gottlieb en den arm naar Geszler opheffend, schreeuwde zij hem toe: „Dood ons, beul! Dood ons, en hoor dan meteen den vloek van eene stervende Zwitsersche Moeder!”

Opeens sloeg Gerold de eene hand voor Hedwigs en de andere voor Willems mond.

[Illustratie: „Dat is Tell's schot,” kermde Geszler.]

Daar klonk de zware tred van een' man!

Eene schaduw gleed voorbij hunne schuilplaats.

Kleine Willem wilde zich losrukken, en achter Gerolds hand klonk het heel dof: „Vader!” Achter de andere hoorde hij: „Tell! Willem!”

„Halli! Halli! Hallo!” klonk het forsch door de bergen.

Geszler verbleekte en keek omhoog.

„Vrouwenbeul! Kinderroover! Zoo wreekt een Zwitser zich!” riep Tell. In een oogwenk was de boog aangelegd, de nimmer falende pijl snorde door de lucht.

„Dat is Tell's schot,” kermde Geszler.

De pijl trof hem in het hart en dood sloeg hij achterover van het paard.

„Halli! Halli! Hallo!” jodelde Tell andermaal en met een tweede pijlschot viel Gottlieb.

De vrouw, die voor Gottliebs paard geknield had gelegen, sprong op, rukte Geszler de breede jachtbijl uit den gordel en gilde: „Wraak! Wraak!”

Als eene furie viel zij de mannen van Geszler aan. Dezen drongen op haar toe, maar, weer had Tell er één geveld, en in ongelooflijk korten tijd, velde hij een' vierden. Nu wierp hij boog en pijl neer, en zijne bijl nemende sprong hij te midden der Oostenrijkers.

„Houd moed, Kunigonde,” riep Tell de vrouw toe. „Ik kom je helpen!”

„En ik! En ik!” riep Gerold, die nu Hedwig en Willem losliet.

„Gerold! Gerold, de Grijze Simson!” riepen de Oostenrijkers en, hunne wapenen neerwerpend, riepen ze: „Genade, Heer Slotvoogd! Genade!”

Tell keek vol verbazing op. Gerold, de Slotvoogd van den Bruneck, aan zijne zijde! Hoe kon dat? Hoe was dat mogelijk?

„Ik ben weer Zwitser, Tell! Ik dien den Oostenrijker niet meer,” riep hij. „Zie daar eens!”

Hij wees naar de schuilplaats, zoo even verlaten.

Tell keek in de aangewezen richting en: „Hedwig! Hedwig! Willem! Willem!” jubelde hij en liep beiden tegemoet om hen aan het hart te drukken.

„Gaat naar den Bruneck terug, mannen, en neemt de lijken mede. Vertel daar, wat gij gezien en gehoord hebt, en doet, wat gij wilt! Gij zijt vrij!”

„En wat gaat gij doen, Heer Slotvoogd?” vroeg een der mannen.

„Ik ga mijn Vaderland dienen, mannen! Het restje levenskracht, dat ik nog heb, is mijn Vaderland gewijd. Wat de Oostenrijkers nu doen, is geen krijgsmanswerk meer. Ik dien geen' beul, die vrouwen en kinderen rooft. Gaat en doet, wat uw hart u ingeeft. Alleen dit raad ik u: verraad uw Vaderland niet, want gij zijt geboren Oostenrijkers!”

„Die ook geene beulen meer willen dienen,” sprak de oudste der mannen. „Wij zullen de gevallenen op den Bruneck brengen en, al noemt men ons verraders van ons Vaderland, het deert ons niet! Wij strijden niet langer tegen de Zwitsers. De wapenen zijn afgelegd! Wij keeren naar Oostenrijk terug! Vaarwel, Heer Slotvoogd!”

De mannen verwijderden zich met de lijken, doch lieten de paarden achter.

Hedwig en Kunigonde werden met de kinderen op de paarden gezet en gerust toog men verder.

Nu haalde kleine Willem zijn hartje op. Vader liep naast het paard en vertelde op zijne beurt alles, wat er met hem gebeurd was. Onverwachts hield hij echter op, bleef staan en luisterde.

„Ik hoor hulpgeroep!” zeî hij.

„Ik hoor het duidelijk!” sprak Gerold.

„Hier waren wij toen de föhn op het hevigst was,” zeide Hedwig. „Daar bij die rots werd Kuno in den afgrond geworpen!”

„Het is Kuno, die roept! Ik hoor het aan zijne stem,” deed kleine Willem zich hooren.

Tell en Gerold liepen thans naar de aangewezen plek en vonden Kuno in de diepte.

„Wat hebt gij gebroken, Kuno?” vroeg Gerold.

„Niets! Ik kan er alleen maar niet uit. De wand is te steil en te glad,” antwoordde Kuno.

„Ja, touwen hebben we niet! Maar stil, met paardentuig kunnen we ook wel wat. Ik zal het halen,” riep Gerold.

„Ik heb touw bij me,” klonk het uit de diepte. „Ik rekende op de föhn en nam het mee. Beproef het te vangen!”

Verscheidene malen werd het beproefd, maar het was te vergeefs.

Daar naderde Hedwig en zeide: „Hier, scheuren wij dezen halsdoek in reepen. Wij zullen ze aan elkander knoopen en dan in den afgrond laten zakken. Kuno kan het touw er dan aan vastmaken!”

„Ha! Ha!” riep Kuno. „Vrouwe Hedwig is behouden! Ik hoor hare stem! En Willem?”

„Kleine Willem is gered en hier, en groote Willem is vrij en ook hier, Kuno!” antwoordde Tell. „Hier, knoop uw touw aan deze reep!”

Het werd gedaan en thans had men in korten tijd het touw boven. Het werd aan een' boomstam vastgemaakt en spoedig was Kuno ook gered.

„Vlug naar Vader,” riep Hedwig. „Zou Walter er zijn?”

„Ja, Walter is daar,” zeide Gerold. „Geszler zelf heeft het mij gezegd.”

Vroolijk ging het voorwaarts en tegen den avond kwam men op Vader Walters hoeve aan.

Wat werd er gejuicht! Wat werd er genoten!

Welk een ongedachte voorspoed!

Geszler, dood! Landenberg gevangen! Ulrich, Heinrich en Gottlieb ook dood! Gerold van den Rigi hun bondgenoot! Oostenrijkers, die de wapenen niet meer willen voeren! Alleen Fabian met de zijnen binnen den Zwing-Uri! Zoo mooi kan alles niet afloopen. En toch was dat wel het geval.

Heer Beringer werd eerst naar den Bruneck gebracht om zich te overtuigen dat Geszler dood was, en daarna bracht men hem tot onder de muren van den Zwing-Uri om Fabian mede te deelen al wat er gebeurd was.

Aan een bedwingen van den opstand kon Fabian niet meer gelooven, en daarom gaf hij den burcht over onder voorwaarde, dat de bezetting na het neerleggen der wapenen ongehinderd zou mogen uittrekken, belovende nimmermeer de wapenen tegen Zwitserland te zullen voeren.

In korten tijd was nu geen enkele Oostenrijker meer in Zwitserland te vinden.

„Komaan, mannen,” sprak Heer Rudolf, „dat is eene uitkomst zóó schoon, als geen onzer had kunnen droomen of voorspellen. Maar, we zijn er nog niet. De Keizer-Hertog zal wraak nemen, en dan, ja, dan zal het een andere strijd worden! Toch hebben we nu alles in ons voordeel om ons voor den worstelstrijd, die ons wacht, voor te bereiden. In den eersten tijd hebben we de handen volkomen vrij! Maken wij er gebruik van, en... Zwitserland zal vrij zijn en vrij blijven! Keeren we allen naar huis terug, en zorgen we overmorgen om op aloude wijze op de Rütli bijeen te komen. Ik blijf met eenig volk op den Zwing-Uri. Stauffacher en Attinghausen zullen de Landammans van Uri en Schweiz zijn, en ik twijfel niet of vriend Walter zal de Landamman van Unterwalden willen zijn!”

„Neen,” zeî Walter, „ik ben een te driftig man daarvoor. Ik ken geen' beteren dan mijn' ouden vriend Gerold. Hij zal de Unterwalders leiden!”

Gerold weigerde, doch toen allen riepen: „Heil! Heil! Gerold van den Rigi, onze Landamman! Hij leve!” nam hij de eervolle betrekking aan, en jubelend keerden allen nu naar hunne haardsteden terug.

Ook Heer Rudolf was weldra op den Zwing-Uri en zich neerzettend, mompelde hij: „Gelukkig begin van een gewaagd spel!”

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Morgarten en Brunnen.

Den vierden Mei zijn niet alleen de mannen van Uri, Schweiz en Unterwalden op de Rütli bijeen, maar ook de Afgevaardigden van al de andere kantons zijn er.

De oude Werner van Attinghausen zal de bijeenkomst leiden.

Hij staat op en geeft den dienaar bij het schild het teeken, en luid klinkt de bijlslag op het schild, als een bewijs, dat de vergadering geopend is.

De kantons worden afgeroepen, en iedere Afgevaardigde geeft voor zijn kanton antwoord. Alleen Aargau ontbreekt, en dat verwondert niemand, want Aargau is geheel in Oostenrijksche handen, en algemeen is het bekend, dat Keizer Albrecht in dat kanton, en wel te Baden, een groot jachtfeest vieren zou, en dat er wellicht zelfs een tornooi zou gehouden worden.

Van Attinghausen wil beginnen, doch op eenmaal hoort men uit de verte het geroep: „Wachten! Wachten! Aargau komt!”

Het zijn mannen te paard, die naderen.

„Aargau komt!” Wat zou er gebeurd zijn?

De mannen springen van de paarden, dringen zich door het volk, en als ze voor den Landamman staan, wachten ze diens vraag niet af, maar roepen: „Keizer Albrecht is dood! Hij is op de jacht vermoord door zijn' neef Hertog Johan, den zoon van 's Keizers broeder Rudolf! Heel het kanton is in opstand. Hertog Frederik de Schoone zal zijn' Vader in de erflanden opvolgen! Alle Oostenrijkers zijn uit het kanton gevlucht. Aargau is vrij en--Aargau is nu ook een deel van het Eedgenootschap!”

„Mannen,” sprak van Attinghausen, „God is met ons! Thans hebben we de handen volkomen vrij en is er in den eersten tijd geen gevaar te duchten. Gaat allen naar huis! Zwitserland is vrij! Wij, als Landammans, zullen een wakend oog op Oostenrijk houden, en indien één uwer iets verneemt van een' aanval uit dat land, dat hij zich dan haaste ons dat mede te deelen! De Landdag is gesloten!”

De schildslag werd gegeven en met een luid gejubeld: „Halli! Halli! Hallo!” ging de vergadering uiteen.

Zeven jaar lang hadden de Zwitsers tijd om hun werk te doen en zich voor te bereiden op een' aanval van Oostenrijksche zijde. Dat deze al niet vroeger had plaats gehad was niet zonder reden.

De dood van Keizer Albrecht had heel Duitschland in beroering gebracht, en vooral in de Oostenrijksche landen was, door de vervolging, die tegen den moordenaar ingesteld werd, de verwarring groot. Als opvolger van Keizer Albrecht werd Graaf Hendrik van Luxemburg benoemd, en natuurlijk aarzelden de Zwitsers geen oogenblik hem als zoodanig te erkennen. Deze Keizer mocht evenwel slechts vier jaar regeeren, want in 1312 maakte de dood een einde aan zijn leven. Een deel der Keurvorsten koos Hertog Frederik van Oostenrijk, doch de meerderheid benoemde Hertog Lodewijk van Beieren tot Keizer, en de Zwitsers behoorden alweer tot de eersten om den laatste te huldigen.

Hertog Frederik was hierover woedend, doch hij had de handen te vol om zich te wreken. Zijn vijand Keizer Lodewijk, eenmaal zijn boezemvriend, dwong hem tot handelen. De oorlog brak uit en Zwitserland werd er bij betrokken. Nu zond Hertog Frederik zijn' dapperen, maar onstuimigen broeder, Hertog Leopold, aan het hoofd van een groot leger uit om de bondgenooten van Keizer Lodewijk te dwingen de zijde van Oostenrijk te kiezen.

„Met mijn' voet zal ik dat Zwitsersche ongedierte vertrappen,” zeide Hertog Leopold, en eer de Zwitsers het vernamen, stond hij reeds aan de grenzen.

In allerijl riep nu Heer Rudolf van Reding het volk te wapen, en het gelukte hem bij Morgarten een dertienhonderd man bij elkander te brengen. Hij verdeelde dit hoopje volks op de bergen, last gevend om het leger van Hertog Leopold, als het door de holle wegen trok, met steenen uit de hoogte te begroeten.

Geen vijand ziende, trok Hertog Leopold bijna zorgeloos verder. Wie zulk een leger weerstand durfde bieden, moest een machtiger zijn dan de Zwitsers.

Zoo dacht hij, zoo dachten al de Ridders, die hem volgden.

Maar opeens kwam met donderend geweld een rotsblok naar beneden en viel midden in het Oostenrijksche leger. Die eerste steen was het sein voor allen, die op de bergen stonden. Van alle kanten daalden rotsblokken neer en er ontstond eene verschrikkelijke verwarring.

„Valt aan!” klonk nu het bevel van Heer Rudolf.

In den nauwen weg aan beide zijden door de bergen ingesloten konden de opeengepakte Ridders zich niet bewegen. De aanval geschiedde van voor en van achter en eindelijk op verscheidene plaatsen midden in de lange rij. Slechts anderhalf uur duurde het gevecht. Wie van de Oostenrijkers vluchten kon, vluchtte. Tot die gelukkige vluchtelingen behoorde ook Hertog Leopold, doch negenduizend der zijnen waren omgekomen.

Eene maand later leed Hertog Leopold eene nieuwe nederlaag bij Brunnen en was hij genoodzaakt om een' wapenstilstand te sluiten. Weldra trok hij af en de Zwitsers waren voorloopig alweer vrij. Ieder keerde naar zijne woning en naar zijn werk terug, want hoe moedig ze ook pal stonden als het op de verdediging van hunne vrijheid aankwam, geboren krijgslieden waren ze niet. Ze beminden den vrede boven den oorlog.

Natuurlijk keerde Tell ook tot de zijnen terug, en daar de overlevering hem, zelfs na den dood van Geszler, niet meer noemt, zoo is het wel waarschijnlijk, dat hij als Vrijjager aan de zijde van vrouw en kinderen het bloedige oorlogswerk vergat, om zich geheel te kunnen wijden aan zijne dagelijksche bezigheden.

Hebben nu de geschiedschrijvers, die zeggen, dat Willem Tell nooit geleefd heeft, gelijk, dan kunnen we toch veilig gelooven, dat er tal van mannen in Zwitserland geleefd hebben, die genoeg voor de vrijheid van hun land deden om den eernaam van Willem Tell te dragen. Alleen aan mannen als Attinghausen, Stauffacher, Fürst, Rudolf van Reding en zoovele anderen heeft Zwitserland zijne vrijheid te danken.

[Decoratie]

Correcties gemaakt door de bewerker:

pagina originele tekst correctie 9 Zij heetten Alemanen, Zij heetten Allemanen, 25 op de de grenzen van op de grenzen van 40 heeft ons afgegevaardigd heeft ons afgevaardigd 52 een eerlijk Chistenmensch een eerlijk Christenmensch 53 Kom, laten we binnnen gaan, Kom, laten we binnen gaan, 80 Geszler en Landenburg Geszler en Landenberg 110 iets zoo te hooren, zoo iets te hooren, 116 Ik zal hem waarschuwen? Ik zal hem waarschuwen! 116 Hedwich kon niet spreken. Hedwig kon niet spreken. 144(p) „Vader, schiet!” riep Walther. „Vader, schiet!” riep Walter. 148 Intusschen wij moeten het Intusschen moeten wij het 185 de woede de elementen de woede der elementen 191 „Wat hebt hij gebroken, Kuno?” „Wat hebt gij gebroken, Kuno?” 191 „Gesler zelf heeft het mij „Geszler zelf heeft het mij 192 voor den wortelstrijd, voor den worstelstrijd,