Willem Tell: De Zwitsersche vrijheidsheld

Part 13

Chapter 134,201 wordsPublic domain

„Ja, de Booze, en geen mensch!” murmelen allen en volgen vol eerbied Gottlieb na.

Met elke seconde vermindert de storm in kracht.

Nog eens een vreeselijk felle lichtstraal, en men ziet Tell van de eene rotspunt op de andere springen met eene vastheid en zekerheid, alsof er voor hem geen gevaar van uitglijden of misspringen bestond.

Daar stroomt de regen bij stralen neer. De zwarte wolken gelijken eene zee, die ledig gegoten wordt.

Het is het einde van de föhn; het is het naspel van het uur der angsten.

„Halli! Halli! Hallo!” klinkt het flauw, maar duidelijk uit de verte, en nu het grootste gevaar voorbij is en de stuurman het roer weer meester is, keert Geszlers moed terug, en met den moed ook de zucht naar wraak.

De regen plast en stroomt, maar de storm is over. Het meer wordt vlak en effen. Nog één lichtstraal ontzettend fel en hel, alles verblindend!

Nog één slag, harder dan er een geweest is! De druk ervan doet de bergen dreunen en stukken rots slaan naar beneden, alles verwoestend in den val!

Het was het slot-akkoord van het lied des stormkonings!

De wolken scheuren en drijven af. De sterren komen te voorschijn. De maansikkel werpt een mat licht over het meer en de bergen.

„Daar is de Bruneck!” zegt Geszler en wijst op een donker gevaarte, dat zich op eene steile rots verheft. Maar hoe hij tuurt, hij ziet geen' brandenden pekpot.

Vreemd! Hij had het Ulrich en Heinrich toch bevolen.

„Ziet gij een' pekpot branden, Gottlieb?” vraagt hij.

„Ik heb er ook al naar gekeken, Heer! Maar ik zag niets. Het is de Bruneck toch wel?”

„Lomperd! Zal ik mijn' stamburcht niet meer kennen? Het is de Bruneck! O, ik zal het volk leeren mijne bevelen niet op te volgen! De lafaards! Zeker bang geweest voor de föhn!”

Gottlieb glimlacht en denkt aan Tell's woorden: „Hij klappertandt! Wat is hij bang voor den dood!”

Hij past wel op het niet te zeggen en houdt zich, alsof hij niet weet, dat diezelfde man een oogenblik geleden zelf een groote lafaard was, en hij zegt: „De regenstroomen kunnen het vuur uitgedoofd hebben, Heer!”

„Verontschuldig de schelmen niet! Bevelen moeten opgevolgd worden, al is er het leven mede gemoeid. Ik zal het hun afleeren!”

Men legt aan.

Geszler is de eerste uit de boot aan den wal en roept: „Boot vastleggen! Volgt mij!”

Met woeste sprongen loopt Geszler den steilen burchtweg op. Eindelijk is hij boven en beukt met zijne krijgsbijl op de poort, woedend roepend: „Open! Doe open!”

„Wie is daar die geweldmaker buiten?” klinkt de stem van den poortwachter daar binnen.

„Dat zal je spoedig genoeg ondervinden,” brult Geszler, wiens woede door dat woord „geweldmaker” nog heviger opgewekt wordt en zijne stem heesch maakt.

„De oude Bertram heeft te veel jaren dienst, man, om je enkel op je brutaal geschreeuw en gedreig de poort te openen. Heer Geszler van Bruneck heeft ons andere manieren geleerd! Ga vanwaar gij komt!”

„Zult gij nu open doen, oud nachtspook!” schreeuwt Geszler, doch hij spant zich hierbij zoo in, dat zijne stem overslaat en in een piepend geluid eindigt.

„De Bruneck blijft gesloten, man,” antwoordt Bertram kalm. „Gij zijt zeker een afgedwaald schaap uit de dronken kudde van den Sarnenstein. Weet dan wel, dat Heer Geszler van Bruneck met dat dronken gespuis niets te maken wil hebben!”

Terwijl dit gesprek gehouden wordt, is Gottlieb ook genaderd en daar Geszler van woede dreigt te stikken en zijne bijl zoo diep in de poort slaat, dat hij ze er niet meer uithalen kan, zegt Gottlieb: „Maar, Bertram, hoor je dan niet, dat Heer Geszler van Bruneck zelf voor de poort van zijn' eigen burcht staat? Kom, doe snel open! We zijn doorweekt van den regen en verlangen naar een goed vuur.”

Daar binnen is iemand bij Bertram gekomen; het is Gerold, de Slotvoogd, die hier inplaats van Heer Geszler bevel voert, als deze afwezig is. Gerold was eenmaal schildknaap bij Heer Geszlers Vader, en later leerde hij diens zoon Geszler den geheelen wapenhandel en alles wat een Edelknaap of Jonker van dien tijd moest leeren. Hij is al bijna zeventig, doch zijne kaarsrechte reuzengestalte, zijne vlugheid en verbazende lichaamskracht zouden hem voor ieder, die hem niet kende, slechts een' ouderdom van nog geen vijftig jaar geven. Iedereen vreest hem en hij vreest niemand, zelfs Geszler niet.

Hij heeft, ondanks het heesche geluid, Geszlers stem herkend en opent de poort.

Als een dolle springt Geszler op hem toe, heft zijne bijl op, laat ze neerdalen en...

„Is de Jonker dol of dronken?” bijt Gerold Geszler fluisterend in het oor, doch houdt meteen den arm tegen eer de bijl doel getroffen heeft.

„Waarom brandt de pekpot niet, zooals Ulrich en Heinrich je bevolen hebben?” zegt Heer Geszler, die tegenover Gerold nog altijd eenigszins eerbiedig is.

„Ulrich en Heinrich, Heer?”

„Ja, Ulrich en Heinrich! Ze kwamen hier in den namiddag in booten aan.”

„Gij vergist u, Heer! Ulrich en Heinrich zijn hier niet geweest! Al sedert meer dan eene week schijnt het heele meer verlaten te zijn, en het is al meer dan veertien dagen geleden, dat hier iemand geweest is. De laatste was Friedel, die hier voor u jagen kwam!”

„Doet de vrees u liegen, Gerold?” brengt Geszler er met moeite uit.

„Mag ik vragen of de teleurstelling Heer Geszler van Bruneck tot een' suffer maakt, die niet meer weet, dat Gerold van den Rigi nog nooit loog?” klinkt het kalm terug.

„Maar ze moeten hier geweest zijn! Ze zijn in twee booten over het meer gekomen!”

„Dan heeft de föhn hun een graf bezorgd, Heer!”

„Ze waren lang voor dat de föhn losbarstte hier, of konden althans hier zijn. Ik was in de föhn op het meer, en dat ik hier ben mag een wonder heeten.”

„Een groot wonder ook, Heer! Maar zooals ik u zeî: Ulrich en Heinrich zijn hier niet geweest.”

„Ga mee, Gerold!” zeide Geszler. „Wij moeten spreken, want er is iets gebeurd. Of, mag mijn volk er soms niet in?”

De vraag werd met bijtenden spot gedaan, doch Gerold zag wel, dat zijn Heer erg opgewonden was en deed maar, alsof hij niets hoorde, en hij zeide: „Laat allen binnen, Bertram! Sluit dan de poort en leg in de groote zaal een flink vuur aan. De keldermeester zal voor een' verwarmenden dronk zorgen. Willen we nu gaan, Heer?”

Geszler en Gerold zaten weldra in de kleine Ridderzaal bij een knappend vuur en een' beker warmen wijn, doch wat die twee elkander te vragen of te vertellen hadden, zullen we maar niet mededeelen. Alles liep over het gebeurde, en dat weten we al.

We gaan Willem Tell opzoeken.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Gelukkig begin van een gewaagd spel.

Zoolang Tell kon, sloeg hij de boot gade en na al wat gebeurd was, was hij wreed genoeg om te hopen, dat Geszler met de zijnen den dood in de golven zou vinden.

Spoedig echter nadat hij den koenen sprong gewaagd had en hij in vrijheid was, was de föhn bedaard, en daar zijn weg om thuis te komen dicht langs den Bruneck liep, zoo had hij tot zijn leedwezen gezien, dat de föhn zijn' vijand gespaard had.

Van alles, wat er gebeurd was, was hij onwetend. Hij verkeerde dus in het geloof, dat de Oostenrijkers nog overal meester waren en dat hij dus heel voorzichtig moest zijn, wilde hij niet andermaal in hunne handen vallen.

Hij sloeg nu een kronkelend bergpad in met het doel eene vluchtgrot te bereiken. Zulke vluchtgrotten had men in de bergen veel. Zij dienden om jagers en herders, die door boos weer overvallen werden, eene schuilplaats te verschaffen. Altijd was er droog hout in en eene tondeldoos met vuursteen en vuurslag om van dat hout een vuurtje te maken. Verliet men het hol, dan was men verplicht den voorraad hout aan te vullen, opdat een ander hiervan ook gebruik kon maken. Tell had spoedig zulk eene vluchtgrot gevonden, en weldra staarde hij peinzend in het vuur en overlegde wat nu te zullen doen.

„Eerst zal ik Vader Walter kennis van mijne vlucht geven,” zeide hij en krabbelde op een reepje perkament met houtskool: „Ik ben vrij! Zeg het Walter! Tell!”

Hij bekeek bij het licht van het vuur het strookje perkament en mompelde: „„Zeg het Walter!” Het staat er! Maar heb ik, toen ik in vliegenden ren heengevoerd werd naar den Zwing-Uri, goed gezien, dat Vader met zijn volk op mijn kind toesnelde? En zoo ja, is het hem dan gelukt mijn' jongen te redden? O, wist ik eens hoe die gluipende Geszler zich van mijn kind meester gemaakt heeft! Wie weet of Hedwig en Willem ook niet in zijne macht zijn! Ik verdraag het niet langer. Ik wil het weten. Ik zal naar huis gaan al worden de toegangen tot mijne woning door honderden Oostenrijkers voor mij afgesloten. Eén pad is er, dat ik alleen weet en dat alleen ik waag te betreden. Dat zal ik nemen!”

Hij trok de kleederen, die hij bij het vuur gehangen had om te drogen, aan, maakte een keepje in een' pijl, stak het opgevouwen perkamentje er tusschen, trapte het vuur uit, en na bij het flauw schijnende maanlicht wat droog hout gezocht en dat in de grot gebracht te hebben, begaf hij zich op pad.

Op weg naar huis moest hij dicht voorbij de hoeve zijns schoonvaders, doch eer hij zoo ver was, hoorde hij Oostenrijkers naderen. Het waren de mannen, die door Walter Fürst terug geslagen waren, en die zich nu haastten om den Bruneck te bereiken. Waar ergens zouden ze anders heen, want ze hadden op hunne vlucht gezien dat de Zwing-Uri door de Zwitsers belegerd werd.

Tell meende in de naderende Oostenrijkers mannen te zullen vinden, die uitgezonden waren door Landenberg om de Zwitsers te benadeelen, en hoewel hij nu niet bang was om een vijftal hunner te staan, als hij zijne jachtbijl bij zich had, begreep hij, dat hij nu veel gevaar liep om voor de overmacht te moeten onderdoen, en daarom verborg hij zich. Zoodra ze ver genoeg van hem verwijderd waren, haastte hij zich om zoo dicht bij zijn schoonvaders huis te komen, dat hij er een' pijl in het vensterluik schieten kon. Hij deed dit, en hoewel het te duister was om te kunnen zien of hij het luik wel getroffen had, wist hij dat de pijl er in zat; daarvoor was hij Tell.

Langzaam begon de dageraad aan te breken, zoodat er geen tijd te verliezen viel om op het geheime bergpad te komen. Het liep langs kloven, ontzettend diep, en vaak was het pad niet veel meer dan eene richel.

Toen hij eindelijk met veel moeite dat pad bereikt had, vond hij het door de massa's sneeuw geheel afgesloten.

„Dom van me,” bromde hij. „Ik had kunnen begrijpen, dat de föhn dezen nacht de sneeuw los sloeg. Terug dan en het gewone pad genomen.”

Dit was het smalle pad waarop hij Geszler eens ontmoet had, maar zie, ook dit was door bergen van sneeuw geheel overdekt. Er was geen doorkomen aan.

„Heeft de föhn mij dezen nacht bevrijd, nu speelt ze een wreed spel met mij,” mokte hij. „Er valt niet te kiezen, ik moet het breede pad nemen.”

Het was al dag toen hij zijne woning zag. Het verlangen de zijnen weer te zien gaf hem vleugelen, en deed hem alle voorzichtigheid vergeten.

Luid klonken de zolen zijner ruwe bergschoenen op het harde pad en deed Eppo naar buiten snellen.

„Wat! Tell! Gij hier?” riep Eppo. „Wat komt ge doen? Zijt gij vrij?”

„Ja, vrij! Waar is Hedwig? Waar is Willem?”

„Naar Vader Walter, Tell!”

„Naar Vader Walter? Wanneer?”

„Gisteren tegen het vallen van den avond is ze met Willem er heen gegaan.”

„Waarom? Waarom?” vroeg Tell gejaagd.

„O, Tell, ik durf het niet zeggen! Het is te vreeselijk!”

De groote man werd doodelijk bleek.

„Spreek, Eppo! Spreek! Zeg mij de heele waarheid!”

„Walter, uw lieveling is weg, Tell!”

Tot zijne groote verbazing zag hij dat Tell bij dat bericht blijken van blijdschap gaf.

„Dat weet ik! Ik heb mijn Waltertje gezien, maar ik heb veel hoop, dat hij nu bij zijn' Grootvader is.”

Eppo zette de oogen van verwondering zoo wijd open, dat Tell begreep ophelderingen te moeten geven. Hij deed dit, en verhaalde nu zoo kort mogelijk al, wat sedert den vorigen middag gebeurd was, en eindigde met de vraag: „Maar waarom is Hedwig nu gevlucht?”

„Omdat ze vreesde, dat de kleine Willem ook zou geroofd worden, Tell!”

„Is Walter dan geroofd geworden?”

„Kuno en ik dachten, dat hij ergens in een' afgrond gestort was, maar Hedwig hield vol, dat hij geroofd was. Wij zijn er met Bruno en Wolf op uitgegaan, doch nauwelijks waren de honden op pad, of ze holden ons hard vooruit. Wij hebben ze niet weer gezien. Alleen bij dien eenzamen kastanje-boom zagen we aan het gras, dat er eene worsteling had plaats gehad. We vonden er een van Walters pijltjes, en afdrukken van paardenhoeven. Nu wisten wij, dat kleine Walter niet in een' afgrond gestort, maar geroofd was. Had Willem niet met de koorts te bed gelegen, dan zouden beide kinderen geroofd zijn. Na dit voorval durfde Hedwig hier niet blijven, en gisteren, tegen het vallen van den avond is ze met Willem, die weer beter was, naar haar' Vader gevlucht, en Kuno is medegegaan om haar te beschermen en haar de veiligste paden te wijzen.”

„Konden ze vóór het uitbreken van de föhn bij Vader zijn?”

„Neen, onmogelijk! Niet eens halverwegen!”

„O, God! Dan zijn ze wellicht omgekomen!” snikte Tell.

Eppo, die dit ook vreesde, liet het evenwel voorkomen, alsof hij er anders over dacht, en zeide: „Als zij alleen met Willem gegaan was, zou ik er ook voor vreezen, maar Kuno was er bij, en Kuno weet wat de föhn is!”

„Weten, weten wat de föhn is, wat helpt dat?” riep Tell uit. „En dat alles is jouw werk, Oostenrijksche wreedaard! Wraak! Wraak! Bloed om bloed! Leven om leven! Ik heb je eens gezegd, dat een Zwitser nooit een laaghartig moordenaar wordt. Ja, gezegd heb ik dat, maar ik wist niet dat jij zoo laaghartig zijn zoudt om kinderen te rooven, na eerst mij in de val gelokt te hebben. Nu trek ik mijn woord in, en waar ik je vind, schiet ik je neer! Dat wil ik! Dat zal ik!”

Na dit gezegd te hebben ging hij zijne woning binnen, nam er zijn nimmerfalenden boog met den koker vol pijlen, stak zijne groote jachtbijl in den gordel, trad weer buiten en zeide tot Eppo: „Blijf gij hier en zorg voor alles. Als gij mij weer ziet, leeft Geszler, de Oostenrijksche beul, niet meer! Ik weet waar hij is. Zijn vonnis is geveld!”

Eppo weerhield hem niet en toen hij hem zag verdwijnen, zeide hij: „Het is zoo! Geszler's vonnis is geveld! Maar dan?”

Treurig ging Eppo zijn werk in de eenzaamheid verrichten, en met kloppend hart en vonkenschietende oogen sloeg Tell den naasten weg naar den Bruneck in.

En wat was daar gebeurd?

Toen Geszler zoo aan Gerold alles had medegedeeld, zwegen ze eene poos, waarna Gerold, als tot zichzelven sprekend, vroeg: „Wat nu?”

„Laat Gottlieb hier komen?” sprak Geszler. „Drie weten meer dan twee en Gottlieb is een slim man.”

Gerold, die juist om die slimheid niet veel met dien Gottlieb ophad, en die maar al te goed wist, dat deze man en Friedel hem menigmaal overgehaald hadden tot het plegen van lage handelingen, maakte eenige tegenwerpingen, doch Geszler werd kwaad en zeide: „Doe, wat ik beveel! Ik ben je leerling niet meer!”

„Dat ondervind ik dikwijls genoeg,” antwoordde Gerold.

„Brutale grijskop,” snauwde Geszler, doch Gerold hoorde het niet meer; hij was al buiten het vertrek en kwam na een poosje met Gottlieb terug.

Toen ze nu alle drie gezeten waren, zeide Geszler: „Zeg mij, Gottlieb, wat zoudt gij doen, als gij Rijksvoogd waart?”

„Ik, Heer? Bij het krieken van den dag ging ik met eenig volk naar het huis van Tell om daar zijne vrouw en zijn' jongsten zoon gevangen te nemen. Als Tell hoorde, dat vrouw en zoon dood gemarteld zouden worden, als hij zich niet vrijwillig gevangen gaf, dan had ik den vogel den eigen dag nog in de knip!”

„Dat is laag!” riep Gerold. „Dat is eene streek den Duivel waardig. Hoe durft gij met zulk een voorstel voor den dag komen? Schaamt gij u niet?”

„Ik geloof dat je met mijne vijanden heult, Gerold,” sprak Geszler. „En als ik dat wist, dan...”

„Dan zoudt gij vergeten, dat ik eens de man was tot wien ge als jongeling zeidet: „Gerold, gij zult altijd mijn beste vriend blijven!” Dan zoudt gij ook vergeten, dat ik wel een vriend van den Keizer ben, maar dat ik toch met hart en ziel Zwitser bleef en al wat laag is verafschuw!”

„Best! Verafschuw mij dan ook! Ik neem je voorstel aan, Gottlieb! Ga en zoek twintig gewapende mannen uit en zadel de beide paarden. Gij zult mij vergezellen, dan gaan we samen op de vrouwen- en kinderjacht!”

„Is u dat ernst, Heer?” vroeg Gerold.

„Ernst, niets anders dan ernst!”

„Benoem dan een' anderen Slotvoogd! Ik dien geen' beul!” zeide Gerold, en zijn zwaard voor de knie in tweeën brekend, wierp hij de stukken voor de voeten zijns meesters.

„Ga, oude gek! Sterf van honger, of verraad mij en loop tot de oproerlingen over!”

Gerold antwoordde niets, maar ging, na van het zijne een bundeltje gemaakt te hebben, den Bruneck uit met de bedoeling zich tot Landenberg te vervoegen, en dezen zijne diensten aan te bieden.

Een uur mocht hij zoo geloopen zijn toen hij het huilen van een kind hoorde.

Zijn medelijdend hart dreef hem naar de plaats vanwaar het geluid kwam, en hij ontdekte weldra in eene vluchtgrot eene jonge vrouw met een knaapje.

De vrouw zag hem verschrikt aan, en herkende aan het wapen op zijn kleed terstond in hem een' dienstman van Geszler van Bruneck.

Zij sprong op, plaatste zich met eene zware bijl in de hand voor het weenende knaapje en riep: „Doe, wat gij durft, Oostenrijker! Tell's vrouw vreest u niet!”

Verrast zag Gerold op. Hoe kwam Hedwig Fürst hier?

„Hebt gij uw' Vader wel eens Gerold van den Rigi hooren noemen, Hedwig?” vroeg hij.

„Ja, zeer dikwijls. Hij was eens de vriend van Vader!”

„En noemde hij dien Gerold ooit een vrouwenmoordenaar of kinderroover?”

„Neen, nooit! Hij noemde hem een eerlijk en dapper man, die, jammer genoeg, den Oostenrijker diende.”

„Ik ben die Gerold van den Rigi, Hedwig! Ik diende Geszler van Bruneck, maar sedert een uur dien ik hem niet meer. Hij wilde u en uw kind gevangen nemen en martelen om daardoor Tell weer in zijne macht te krijgen.”

„Tell in zijne macht? Is Tell dan vrij?”

Vriendelijk zag Gerold de arme geplaagde en gejaagde vrouw aan.

„Ja, heden nacht,” zeide Gerold, „heeft hij zich bevrijd. Hoe? Dat zal ik u later wel vertellen, als ge in veiligheid zijt. Hoe komt ge hier?”

„En mijn Walter?” vroeg Hedwig zonder op Gerolds vraag antwoord te geven. „Hebben ze het kind gedood?”

„Hedwig, het is eene heele geschiedenis, en nu kan ik ze u niet vertellen. Tell is vrij en Walter is bij uw' Vader. Laat dit genoeg zijn. Hoe komt ge hier?”

Thans deelde Hedwig, na Gerolds handen vol blijdschap gekust te hebben, hem mede hoe ze, uit vrees voor Geszler met Willem en den ouden Kuno gevlucht was om te trachten over het gebergte bij Vader Walter te komen. Ze waren door de föhn overvallen, en Kuno was door een vallend rotsblok in den afgrond geworpen. Dat zij behouden in deze vluchtgrot gekomen was, kon alleen geschied zijn, omdat God zijne Engelen uitgezonden had om haar en haar kind te beschermen.

„Hedwig, uw vermoeden was juist. Geszler en Gottlieb zijn met een twintig man er op uit om u uit uwe woning te halen. Ik vond die daad zóó laag, dat ik weigerde hem langer te dienen. Hier echter zal hij u niet vinden, want hij en Gottlieb zijn te paard en deze steile, smalle rotsweg is geen pad voor een' ruiter. Maar nu ik weet, dat hij naar uwe woning is, weet ik ook, dat wij van hier veilig naar uw Vader kunnen gaan. Kom, laten we dat doen! Ik zal uw zoontje dragen. Het kind kan hier niet loopen.”

„Maar het is nu dag! Het volk van Geszler zal ons zien!”

„Neen, Hedwig! Het volk van Geszler is in den Zwing-Uri belegerd. Kom, aarzel niet!”

Hedwig bleef staan en zag den ouden man aan.

„Nu, wat doet u aarzelen?” vroeg hij.

„Gerold,” sprak Hedwig, „in de laatste tijden hebben we ondervonden, dat valschheid, huichelarij, wreedheid, list en leugen in dienst van den Oostenrijker zijn!”

„Helaas, maar al te waar, Hedwig,” sprak Gerold, „maar bij de liefde mijner Moeder zweer ik u, dat Gerold van den Rigi een Zwitser gebleven is en geene weerlooze vrouwen en kinderen rooft. Kom, geloof me! Hoe langer gij wacht, hoe meer gevaar gij loopt in handen te vallen van Geszler en den laaghartigen vleier Gottlieb!”

„Gerold,” zeide Hedwig, „ik wil u vertrouwen. Maar als Tell nu vrij is, zal hij immers thuis zijn? Laten we dan niet naar Vader, maar naar mijne woning gaan!”

„Om de vrouwenroovers in de armen te loopen, Hedwig? Wie is ginds thuis?”

„De oude Eppo alleen!”

„Welnu, als Tell thuis komt, zal Eppo hem zeggen, dat gij naar uw' Vader zijt, en terstond zal hij ook daarheen gaan. Hem vindt ge daar dus niet, maar ik verzeker u, als gij Geszler daar niet vindt, dan vindt gij hem toch in de nabijheid. Zullen we nu naar uw' Vader gaan?”

„Ja! Naar Vader! Kom, Willem, wees niet bang! Die oude man zal u dragen!”

„Ik kan loopen! Ik ben niet klein!” riep de knaap, die zijne tranen al vergeten was en nu op zijne manier heel wat voor het zeggen had.

„Ja, kleine vent, dat weet ik wel, dat ge kunt loopen,” zeide Gerold. „Maar wij moeten groote stappen maken, anders halen de dieven ons in, die Walter gestolen hebben. Gij wilt toch niet gestolen worden, wel?”

„Goed, draag mij dan! Als gij niet meer loopen kunt, en ik ben groot en sterk als Vader, dan zal ik u ook dragen,” liet de kleine hooren.

Gerold nam hem op den sterken arm en gezwind ging het nu voorwaarts langs de afgelegenste paden, maar de hinderpalen, die Tell ontmoet had, deden zich ook voor hen op. Het werd een dwalen links en rechts. De föhn had letterlijk alle paden onbruikbaar gemaakt.

Ook voor dit drietal was het dus al lang en breed dag geworden, toen ze eindelijk alweer bij dezelfde vluchtgrot terugkwamen, die ze vier uren geleden verlaten hadden. Hedwig kon bijna niet meer voort. Hare kleederen waren verscheurd, het leder der grove schoenen was tegen de scherpe steenen stuk geschaafd. Men moest rusten en wat eten van den medegenomen voorraad.

Het zal ongeveer negen uur in den morgen geweest zijn, toen de drie opnieuw de grot verlieten om nu langs de gewone wegen den tocht naar Walter's hoeve te ondernemen.

Gerold liep als spion vooruit, want hier kon men Geszler ieder oogenblik ontmoeten.

Willem liep nu aan de hand zijner Moeder en vond het niet prettig, dat hij niet babbelen mocht, want Gerold had het verboden.

„Eene kinderstem klinkt ver,” had hij gezegd, „dus, nu zwijgen. Als we in veiligheid zijn, moogt ge uwe schade inhalen en naar hartelust, misschien wel met Walter, praten.”

„Met Walter praten,” ja, dat leek hem, want zonder broer Walter gevoelde hij zichzelven als niets, vooral als Moeder zoo treurig en Vader weg was. Maar nu op dien akelig langen weg te moeten voortsluipen zonder wat te mogen spreken, dat was te erg! Die oude man, die Gerold, was een groote plaaggeest, en als hij nu weer vroeg: „Willem, zal ik je dragen?” dan zou hij zeggen: „Neen, je mag mij niet dragen! Ik ben boos op je! Als ik met Moeder praat, dan vergeet ze te schreien, en nu ik het niet mag doen, loopen er telkens tranen langs hare wangen, en kan ze zoo diep en zoo droevig zuchten, dat ik zelf wel hard zou kunnen gaan huilen. Die arme Moe!”

Zoo liep kleine Willem te denken toen ze, gedurig stilstaande, den weg vervolgden. Telkens als ze stil moesten blijven staan, keerde Gerold zich om, legde een' vinger voor den mond en scheen dan scherp toe te luisteren.

Eens dat hij dit weer deed, begon Willem te glimlachen en vergetend, dat hij niet praten mocht, zeî hij: „Die oude man hoort niet, wat ik hoor!”

„En wat hoor je dan?” vroeg Hedwig.

„Ik hoor paarden, Moe!”

Pas had Willem dat gezegd of Gerold kwam snel op hen toeloopen, en zeide: „Geszler met zijn volk! Mee, terstond mee! Als hij ons ziet, zijn we verloren!”

Ze wilden voortloopen, doch Willem bleef staan en zeî: „Ik hoor eene vrouw gillen en kinderen huilen!”

„Ja, ja, ik ook!” sprak Gerold. „Geszler drijft vrouwen en kinderen voor zich uit! De eerlooze roover! Gauw, mee!”

Hij trok Willem mede en spoedig waren ze nu op eenigen afstand van de heerbaan achter rotsen en struiken verborgen.