Willem Tell: De Zwitsersche vrijheidsheld

Part 12

Chapter 124,126 wordsPublic domain

„De Sarnenstein is ruim van levensmiddelen voorzien en wij kunnen onbekommerd langer dan een jaar eene belegering doorstaan. Van ééne zijde slechts is de burcht te naderen, en voor een groot deel kunnen wij dien weg zoo onbruikbaar maken, dat wij hem gemakkelijk tegen een' grooten hoop verdedigen kunnen. Zoodra het avond geworden is, moet al het volk buiten de poort gaan om dien weg te vernielen. Wij laten den Sarnenstein belegeren, dan kunnen we op ons gemak denken en overleggen, wat we doen zullen!”

Zou het niet beter zijn om den Sarnenstein te verlaten en ons te vereenigen met den anderen Rijksvoogd, Heer Geszler? De Zwing-Uri is ook sterk!”

„Als we dat doen, zal Geszler, omdat hij ouder is dan ik, het bevel willen voeren, en dat kan ik niet dulden. Wij blijven hier! We zijn veilig, en de Keizer, zal, als hij vernomen heeft, wat er gaande is, ons komen ontzetten. Dus vannacht den weg onbruikbaar maken.”

Zoodra ik dit gehoord had, wist ik genoeg en wachtte tot een uur voor zonsondergang. Ik vertoonde mij voorzichtig aan den uitgang in den boom, en daar ik niemand zag, verliet ik hem en ging eerst, maar langs een' omweg, naar Heer Attinghausens huis, waar ik vernam, dat ik hem voor den Zwing-Uri kon vinden. Nu ben ik hier!'

„En wat zou je willen?” vroeg Stauffacher.

„Vijftig gewapende mannen, om terstond langs den geheimen weg den burcht in te nemen terwijl de bezetting bezig is den weg onbruikbaar te maken. Heer Beringer zal doen, wat hij iederen avond doet, als hij alleen is, zich dronken drinken. Slechts een paar man zullen in den burcht zijn, en dezen maken wij onschadelijk. Wij nemen allen gevangen, halen de brug op en sluiten de poort. Zij, die buiten zijn, moeten daar blijven, of worden door u aangevallen, wat natuurlijk nog beter is.”

„Een uitnemend plan, Claus,” zeide Heer Rudolf. „Zou Walter Fürst vijftig mannen voor u hebben?”

„Tachtig, als het noodig is,” zeide Walter.

„Neen, vijftig man is meer dan genoeg. Ik weet, dat de heele bezetting niet meer dan zestig man telt. Is nu de helft buiten, dan blijven er dertig over. Die dertig verwachten geen' aanval, en wanneer ze overrompeld worden, dan zullen ze spoedig genoeg zich overgeven. Claus weet er overal den weg; hij zal die vijftig man aanvoeren. Maar hoor, Claus, geen wreedheden begaan, verstaat ge! Oostenrijkers zijn ook menschen. Als ge echter kunt, brengt ge Heer Beringer hier! Op den Redingfelz is plaats voor hem. Hij zal tegen Tell uitgeleverd worden.”

„En wat moet ik dan doen?” vroeg Walter Fürst eenigszins ontevreden.

„Gij zijt met het overige deel van uw volk thuis noodig. Gij weet, dat de Sarnenstein het dichtst bij uwe hoeve ligt, en gij begrijpt wel, dat de Oostenrijkers, die buiten den burcht gesloten worden, zullen trachten wraak te nemen. Vinden ze nu op uwe hoeve niets anders dan vrouwen en kinderen, dan hebben ze immers alweer gijzelaars? Rept je maar, want we zullen straks een vreeselijk onweder hebben! En nu, geluk op uw pad! Voort mannen!”

Vooral Claus, die er veel belang bij had spoedig in den burcht te zijn om de poort gesloten te houden voor de mannen, die buiten werkten, haastte zich, en hij was een uur met al het volk in de geheime gang.

Toen ze bij den put waren, hoorden ze Heer Beringer met dubbelslaande tong schreeuwen: „Herman, zijn die twee oproermakers nu wel... wel... wel... in...”

„U bedoelt of Ludwig en Albrecht achter slot en grendel zitten, Heer?”

„Wie--wie--anders? Ze hebben immers gezegd, dat--dat--die Tell--neen--die--Geszler, een b--beu--beul was?”

„Ja, Heer, en niet alleen tot mij zeiden ze dat, maar tot al het volk!”

„Een voorbeeld, een-een voorbeeld! Morgen-ge-morgen-gehangen! Een voor-voorbeeld! Help-help-me me naar-b-bed! Ik lijd-lijd weer-weer-aan dui-dui-dui-d-d duize-lingen-lin-gen!”

Plof! daar viel de laffe dronkaard neer!

Het werd stil daar boven.

„Langs het touw van den emmer konden wel tien man naar boven klauteren,” zeide Claus zacht. „Wie klimmen kan, kome hier staan.”

Veertien mannen kwamen bij hem.

„Goed,” zeide Claus. „Als je mij nu hoort roepen: „Weg met den Oostenrijker!” dan klim je naar boven. Tien schreden links van den put is de poort. Zorgt dat niemand daardoor ontsnapt! Sluit ze vooraf!”

Met de andere mannen kwam Claus nu door den kelder in het kasteel. Bij een vat verrasten ze Herman, die van de gelegenheid gebruik maakte om zich ook dronken te drinken. In een oogenblik was hij gekneveld en een doek in den mond belette hem het schreeuwen. Met Heer Beringer hadden ze nog minder moeite en de vijf of zes mannen, die nog in den burcht achtergebleven waren, hadden het voorbeeld van den Rijksvoogd en Herman gevolgd. Er werden slechts acht dronkaards gevonden en gekneveld.

„En die twee in de gevangenis?” vroeg een aan Claus.

Wat Claus van Ludwig en Albrecht wist, vertelde hij, en nu was er niemand tegen, dat deze twee uit de gevangenis verlost werden en binnen het kasteel hunne vrijheid behielden.

Spoedig was Claus bij hen en hij kon ze ook vrij laten loopen waar ze wilden. Nu ze zóó behandeld waren geworden en zelfs den volgenden dag opgehangen geworden zouden zijn, als de burcht niet overrompeld was geworden, wilden ze noch Landenberg, noch Geszler langer dienen. Ze vroegen alleen verschoond te mogen blijven om niet tegen hunne landgenooten te moeten strijden.

Onder het genot van een' dronk krachtig bier zaten allen weldra buiten op het plein bij elkander. Het was drukkend heet, wonderlijk heet zelfs.

„Dat wordt een booze nacht, mannen,” sprak Claus. „De föhn zal zich alweer laten gelden. Zie, daar komt ze al. Naar de poort! De luî daar buiten zullen er in willen.”

Een dichte, warme nevel omringde hen en eene sombere stemming maakte zich van allen meester. Het duurde niet lang of de storm barstte los en hevige donderslagen schenen in kracht met het bulderen van den storm te wedijveren.

„Doet open! Neer de brug!” schreeuwde men daar buiten.

Claus hoorde het en ging naar de poort. Hij zette de handen voor den mond en riep: „Doet de groeten aan Geszler, als je hem ziet, en zegt hem, dat Claus met het volk van Walter Fürst zich van den Sarnenstein heeft meester gemaakt, en dat Beringer van Landenberg onze gevangene is. Zeg hem ook, dat hij die aardigheid aan mij, den dooven Claus, te danken heeft!”--

Men wierp schoppen, bijlen en houweelen tegen de brug, maar deze viel voor zulke zwakke werptuigen niet neer.

„Als het volk van Walter Fürst den burcht ingenomen heeft, dan is zijne hoeve weerloos! Op, naar zijn huis! Wij zullen toch onder dak komen en het vrouwvolk, dat daar is, zal het gelag betalen,” riep één der aanvallers uit.

Te midden van storm en onweder ijlden de mannen naar Walters hoeve, doch inplaats van er heel gemakkelijk een onderkomen te vinden, werden ze zóó ontvangen, dat tien hunner er het leven bij inschoten en verscheidenen gewond werden.

De arme mannen namen nu de vlucht, doch velen bleven onderweg liggen, verpletterd of zwaar gewond door de steenen, die van de rotsen neersloegen.

Walter Fürst dacht aan geen achtervolgen en ging naar binnen. Een uur later was de föhn voorbij en begon het te stortregenen.

„Men klopt, Grootvader,” zeide de kleine Walter, „men klopt aan het vensterluik!”

„Ik hoorde het ook,” sprak de oude man. „Ik zal zien, wie er is!”

Hij verwijderde zich, doch kwam spoedig terug met een' pijl.

„Deze pijl zat in het luik,” zeî hij, „en dit strookje perkament was er aan!”

Bij het licht van eene harsspaan las hij: „Ik ben vrij! Zeg het Walter! Tell!”

Grootvader deed, na dit gelezen te hebben, een' luiden juichkreet hooren. Hij greep den kleinen Walter, die te midden van al dit rumoer, hoewel nu en dan knikkebollend, wakker gebleven was, aan, lichtte hem op en fluisterde hem in het oor: „Kind, je Vader is vrij en--dat heb jij eigenlijk dan toch zoo ver gebracht!”

Wat was het kind gelukkig!

„Tell vrij!” iedereen vernam het. Hoe hij vrij gekomen was, ja, dat wist men niet, dat stond niet in het briefje. Hij was vrij, en dat was genoeg om allen in eene blijde stemming te brengen. Hij kon natuurlijk niet weten, wat er gaande was, en nu was hij maar zoo dichtbij gekomen, dat hij zonder gevaar bij het licht van den aanbrekenden dag een' pijl als bode afzenden kon.

En als nu Claus' onderneming eens geheel gelukt was! Dat hij den Sarnenstein overrompeld had, was duidelijk, want als hem dat niet gelukt was, dan zouden de mannen van de bezetting de hoeve van Walter Fürst niet aangevallen hebben. De vraag was maar: „Is Beringer van Landenberg gevangen genomen?”

Daar komt een ruiter aanhollen, maar niet van de zijde van den Sarnenstein, maar wel van die van den Zwing-Uri.

Het is een dienstman van Walter en uit de verte roept hij al: „Wij hebben den Sarnenstein ingenomen en acht gevangenen gemaakt. Een van die acht is de Rijksvoogd!”

„Claus zeide, dat ik het bericht hiervan eerst bij Heer Rudolf moest brengen en dan u,” sprak de man, die afsteeg.

„En ik heb ook goed nieuws! Tell is vrij! Met een' pijl schoot hij mij dit bericht in het vensterluik,” riep Walter opgewonden.

„Dat moeten ze ginder ook weten,” jubelde de bode, sprong te paard en keerde spoorslags naar den Zwing-Uri terug.

„Liesbeth, ouwentje,” dus riep Walter zijne vrouw toe, „dat is een begin, zooals we niet hebben durven droomen! Nog geen etmaal in openbaar verzet, en niet alleen een' burcht ingenomen, maar ook een' Rijksvoogd in onze macht! We waren er te vroeg bij, geloofde men! Tell had alles in de war gebracht, en... het zal gaan, het zal toch gaan! Wist ik maar hoe het hem gelukt is vrij te komen! Maar hoe het geschied moge zijn, dat doet er niet toe! Kleine Walter, mijn dapper naamgenootje was toch oorzaak, dat hij vrij kwam. Zonder dat kind was het pijlschot niet gedaan, en zonder dat pijlschot was Tell nog de gevangene van dien wreeden Geszler. O, ik brand van verlangen om te vernemen hoe die bevrijding geschied is!”

Was Walter nieuwsgierig, wij zijn het niet minder, en daarom doen we maar, alsof we niet bij de overrompeling van den Sarnenstein geweest zijn, en begeven ons bij het invallen van den nacht naar den Zwing-Uri, want wij willen Tell's bevrijding ook bijwonen.

ELFDE HOOFDSTUK.

Door de föhn vrij gemaakt.

„En gelooft gij nu nog, Heer, dat die oude slaapmuts van den Redingfelz zulk een geducht krijgsman is?” vroeg Fabian des avonds.

„Meer nog dan van middag, Fabian!”

„Maar, Heer! hoe is het mogelijk? Waarom doen ze dan geen' aanval op den burcht en laten ze ons met rust? Er is zelfs niets te hooren, en ik zou wel lust hebben om eens te onderzoeken, of ze niet allen stilletjes afgetrokken zijn, wel wetend, dat...”

„Gij een domoor zijt. Kom op den toren dan zult gij alles beter zien. Heel kalm en bedaard gaat alles in zijn werk. Rudolf van Reding brengt er orde en regel in. Hij deelt de benden in en zorgt dat allen niet alleen welgewapend zijn, maar dat allen ook bij een' aanval of bij eene bestorming volgens een geregeld en wel overlegd plan te werk gaan. Zonder hem zou de bestorming in het wild geschied zijn, en met zeer geringe moeite zouden wij de oproermakers niet alleen afgeslagen, maar ook vernietigd hebben.”

„Dat zullen we nog, Heer! We zullen ons toch niet door een' troep boeren laten slaan?”

„Je bent een Oostenrijker, Fabian, en je vergeet te veel, dat iedere Zwitsersche boer, als het er op aankomt, een geboren krijgsman is. Ik ben als knaap met deze boeren opgegroeid en ik ken ze. Beter dan eenig ander heb ik ook dien Rudolf van Reding leeren kennen. Mijn Vader heeft vaak mij zijne geschiedenis verteld. Hij was een eenig man met het zwaard in de vuist op den muur, met de lans in de sterke hand op het slagveld, met een hoofd vol wijze gedachten en plannen in den raad, en toen de pest in het Kruisleger uitbrak, Koning Lodewijk er aan bezweek en Koning Theobald van Navarre, Koning Karel van Sicilië en Graaf Alphonsus van Poitiers, die ook in het leger waren, bij zooveel tegenspoed het hoofd verloren en niet wisten wat te doen, bleef Rudolf van Reding de man, die hij altijd geweest was, en hij was het, die niet alleen verhoedde, dat het heele Kruisleger door den Sultan van Tunis verslagen en vernietigd werd, maar die ook wist te bewerken, dat de Sultan met de Franschen een' vrede sloot welke voor deze laatsten vrij voordeelig mocht genoemd worden. Eenmaal opnieuw in Zwitserland terug, trok hij weer het boeren-edelmanspak aan, deed het werk van een' boer en scheen zich om niets te bekommeren. Hij bemoeide zich niet met onze zaken en ook niet met die van de Zwitsers, ja, hij verscheen zelfs nooit op eene vergadering op de Rütli. Hij had eene gelofte gedaan, zeî men, om nimmer weer als krijgs- of als raadsman op te treden. En nu is die man het Legerhoofd. Wij konden geen' gevaarlijker vijand tegenover ons krijgen. Zijn de booten in orde?”

„Ja, Heer! Er zijn drie groote booten. Ze liggen bij de Waterpoort!”

„Laat Ulrich en Heinrich dan twee der booten nemen en ieder met twintig welgewapende mannen het meer oversteken om zooveel vrouwen en kinderen gevangen te nemen, als ze maar kunnen. Zijn er de noodige paarden op den Bruneck?”

„Er zijn er twee, Heer!”

„Maar twee? Nu, goed! Het is genoeg! De grootste boot blijft hier, en zoodra het donker is, moet Gottlieb met een twintig man en een paar bloedhonden er plaats in nemen. Gij zorgt dat Tell, goed gekneveld, ook in de boot komt. Ik volg dan en ga met de boot mede. Wij brengen Tell op den Bruneck, en vrouwen en kinderen voor ons uitdrijvend, keeren we morgen middag hier terug. In dien tijd belast ik u met het bevel over den Zwing-Uri!”

„En als men in uwe afwezigheid den burcht bestormt?”

„Dan sla je den storm af, maar hiervoor is in de eerste dagen geen gevaar. Zorg echter vooral, dat de burcht van de meer-zijde steeds toegankelijk voor ons blijft. Laat de zes booten, die er nog zijn, geheel klaar maken om morgen middag ons met de gevangenen hier binnen te brengen!”

„Het zal geschieden, Heer!”

„Ik reken er op! Maar zorg ook dat ze hier niet doen, wat ze op den Sarnenstein doen, als Landenberg er niet is!”

„Wat is dat, Heer?”

„Zich dronken drinken, Fabian!”

„Och, Heer, dat doen ze ook als Heer Beringer er is. Deze drinkt zich elken avond dronken.”

„Zwijg, kerel! Heer Beringer van Landenberg is een Ridder en een Edelman! Het voegt een schobbenjak niet op zulk een' toon over hem te spreken. Ik sprak over het volk, niet over hem. Oef, wat is het warm! Ik ga wat rusten, want vannacht zal er van slapen niets komen. Zorg voor alles!”

Geszler ging naar zijne vertrekken en Fabian bleef alleen achter.

„Alsof het hem niet goed deed, dat ik van dien laffen drinkebroer Beringer vertelde,” mompelde Fabian. „En dat noemt mij toch „schobbenjak”, alsof ik slechts een gemeene trosboef of lansknecht ware. Hij mag oppassen, die Geszler met mij te beleedigen!”

Brommend ging Fabian de bevelen ten uitvoer brengen en weldra waren Ulrich en Heinrich met een paar booten op het meer en buiten het gezicht van den Zwing-Uri.

Geszler had wel gelijk gehad met Rudolf van Reding een gevaarlijk vijand te noemen, want hij had dadelijk werk ervan gemaakt om ook van de meerzijde den burcht in te sluiten. Friedel de veerman, Baumgarten en de jonge Melchtal hadden last gekregen om zooveel booten bijeen te brengen, als men maar krijgen kon. Hiermede moesten ze achter de rotsen gaan liggen, doch buiten het gezicht van den burcht. Kwam er nu eene boot van den Zwing-Uri, dan moest die onverhoeds overvallen worden.

Uitdrukkelijk echter luidde het bevel: „Eén uur na zonsondergang moeten alle booten aan wal gehaald en in veiligheid gebracht worden!”

„En als de Oostenrijker dan, begunstigd door de duisternis van den nacht, langs het meer den burcht verlaat, Heer?”

„Dan vindt hij zijn graf in de golven. Wij krijgen van nacht storm en onweder. Ik voel de föhn nu reeds in mijne leden! De natuur zal heden nacht onze bondgenoot zijn!”

„Nu, Heer Rudolf,” sprak Friedel de veerman, „ik geloof dat u gelijk heeft. Het is te warm vandaag en de vogels zijn erg onrustig! Wij zullen voor alles zorgen!”

„Dat behoeft Friedel de veerman mij niet te zeggen,” sprak Heer Rudolf. „Hij is een Zwitser zoo goed als Baumgarten, Melchtal en al de anderen, en een Zwitser doet steeds zijn' plicht. God hoede u!”

Heer Rudolf was vertrokken en kort daarop lagen er acht goed bemande booten achter de rotsen. Ulrich en Heinrich zagen ze niet en ze dachten ook aan geen vijanden. Zorgeloos roeiden ze voort tot opeens uit beide booten gillen opstegen. Eene bui van pijlen daalde neer en trof maar al te goed doel.

„Den dood aan den Oostenrijker!” schreeuwden de Zwitsers, en in een oogenblik waren de twee Oostenrijksche booten door Friedel en de zijnen ingesloten.

„Geeft u over!” riep Friedel. „Wij zijn in de overmacht, dat ziet ge!”

„Nooit! Nooit!” riepen Heinrich en Ulrich. „Den dood aan de oproerlingen!”

„Je kunt het koken, zooals je het eten wilt,” deed Friedel spottend hooren, maar het was zijn laatste woord. Een welgericht pijlschot benam hem het leven.

Toch was werkelijk de overmacht der Zwitsers te groot, en toen meer dan dertig der Oostenrijkers gesneuveld of gewond waren, en Ulrich en Heinrich ook tot de gevallenen behoorden, gaven de anderen zich over, en werden in de hut van Friedel opgesloten.

Eén uur na zonsondergang werden alle booten aan den wal gehaald en in veiligheid gebracht en begaven Baumgarten, Melchtal en de anderen zich met hunne gevangenen naar het leger van Heer Rudolf om hem verslag van het gebeurde te doen.

Of het de treurige tijding van het sneuvelen van Friedel den veerman was, die hen zoo somber maakte? Misschien wel, maar misschien ook niet.

„Het is of de onnatuurlijke warmte mij bevangen heeft,” zeide Baumgarten. „Mijne beenen wegen als lood.”

„De mijne ook,” sprak Melchtal. „Maar weet je, wat ik zou aanraden?”

„Wat te rusten,” zeide een visscher. „Wat hebben we ons te haasten? Eene treurige tijding komt altijd vroeg genoeg.”

„En ik zou juist aanraden ons te reppen,” sprak Melchtal. „Weet je wel, wat de oude Heer Rudolf gezegd heeft? We krijgen storm en onweder van nacht. Hij voelde de föhn reeds in zijne leden.”

Nog meer dan een kwartier ver had men een pad te loopen, dat bij het losbreken van de föhn zeer gevaarlijk was. Melchtals herinnering van hetgeen Heer Rudolf voorspeld had, deed allen begrijpen, dat haast maken aangeraden was, wilde men zijn leven niet in gevaar brengen.

Zij spoedden zich nu snel voort, en pas hadden ze het gevaarlijke pad achter zich en waren ze op de heerbaan, of de föhn brak in vreeselijke kracht uit.

Een half uur te voren had Geszler den Zwing-Uri verlaten met de grootste boot met twintig koppen bemand.

Midden op het meer riep de stuurman opeens: „Heer, laten wij spoedig naar den wal roeien. Zie eens omhoog! De föhn!”

„De föhn!” steunde Geszler, en riep: „Naar den wal! Naar den wal!”

Het was te laat!

De storm greep het meer aan en de volle boot werd als een bal over het water gejaagd.

„Het zeil neer! Het zeil neer!” schreeuwde de stuurman.

De storm greep het aan en sloeg het in flarden.

„Stuur beter! Naar den wal!” riep Geszler.

„Heer, de boot luistert niet naar het roer,” antwoordde de stuurman.

Eene hooge golf sloeg over.

„Wij verdrinken! Wij verdrinken!” klonk het klagend geroep van Gottlieb.

„Naar den wal, ezel! Naar den wal!” bulderde Geszler.

„Onmogelijk, Heer! Bevelen wij God onze zielen! Den wal halen kunnen we niet!” riep de stuurman zoo hard hij kon, om met zijne stem het geloei van den storm, het gebruis der golven en het ratelen en klateren der donderslagen te kunnen overtreffen.

Geszler verstond hem niet, maar begreep hem.

Daar vallen zijne oogen op Tell en terstond herinnert hij zich de vaart over den Rijn.

„Als er één is, die ons aan den wal brengen kan, dan is hij het,” mompelt hij.

Zal hij hem vragen het roer in handen te nemen?

Ja? En zal hij het dan doen?

Neen, hij zal weigeren, want hij kent dien trotskop. Vrijwillig doet hij alles, gedwongen niets. Hijzelf heeft het gezegd daar in de bergen, vlak naast den afgrond.

Hij fluistert Gottlieb wat in, en deze zich over Tell buigend, vraagt hem: „Wat is dat voor een storm?”

„De föhn!” is het korte antwoord.

„Kunnen we den wal halen?”

„Ja, om tegen de rotsen verpletterd te worden!”

„Maar is er geen ander middel?”

„Jawel!”

„Nu, man, wees zoo kortaf niet! Welk is dat middel?”

„Midden op het meer verdrinken! Wat anders?”

„En als gij het roer in handen hadt?”

„Weet ik het?”

„Wilt gij beproeven ons aan den wal te brengen?”

„Waarom vraagt gij dat? Kan Geszler het niet vragen? Of heeft hij de koorts van angst? Hij klappertandt! Wat is hij bang voor den dood!”

„Spot niet, Tell! Beproef liever ons aan den wal te brengen. Heer Geszler, zegt dat gij even goed sturen als schieten kunt!”

„Doet me genoegen! Maar meer genoegen doet het mij hem zoo te zien klappertanden van vrees. Ja, Geszler van Bruneck is een held!”

Eene nieuwe golf slaat weer over en werpt de boot half vol water.

De storm neemt toe in kracht.

Het onweder is vreeselijk.

„Ik zal de banden, die u gekneveld houden, los maken. Wilt gij dan aan het roer?”

Geen antwoord.

„Spreek op toch! Wilt gij dan verdrinken?”

„Ja! Liever verdrinken dan langzaam sterven in een onderaardsch kerkerhol van den Bruneck!”

„Gij zult daar zoo vrij zijn als vroeger op den Zwing-Uri! De Rijksvoogd houdt u slechts als gijzelaar!”

„Knevelt men in Oostenrijk de gijzelaars dan?”

Gottlieb heeft de banden al losgemaakt.

Tell ziet rond en bij het licht van den bliksem ontdekt hij de Vischbrug. Het is eene groote verzameling van groote steenbrokken, die eens van den berg neergeslagen zijn.

Nauwkeurig beschouwt hij die steenen.

Er schittert wat in zijn oog.

Hij springt op en roept tot den stuurman: „Mij het roer! Geef hier!”

De stuurman waagt het niet en kijkt Geszler aan.

Deze knikt toestemmend.

Frank en vrij, zonder banden zit Tell aan het roer.

In Geszlers oogen schemert wat. Het is de hoop! Ja, nu zullen ze het dreigend gevaar ontkomen! Dikker en dikker wordt de duisternis. Het is alsof de onweerswolken dalen!

Slechts dan, als een lichtstraal de donkere wolken doorklieft, ziet men wat!

Maar dat licht is zoo verblindend en het duurt zoo kort!

Eén keer echter heeft Geszler gezien, dat men dichter bij den wal is dan een oogenblik te voren, en... hij meende die plek te herkennen, die plek vol ruwe rotsbrokken in het water! Die plek, waar hij als jongen zoo vaak stond om met de hengelroede den blanken visch te verschalken. Daar landen, dáár? Dat is de dood! Daar kan men niet landen! Daar slaan de golven op de rotsen de boot te pletter! Dat wil hij misschien! Liever dood dan gevangen zal Tell denken. Ja, zoo is hij. Als het weer een oogenblik licht is, dan zal hij zien of hij gelijk heeft, en is het zoo, dan zal hij hem het roer ontnemen laten.

De storm neemt toe!

Wat is dat? De storm? Onweder?

Neen! Het is het uit elkander slaan van de golven tegen de rotsen.

Een stoot!

Allen slaken een' angstkreet!

Geszler voelt iets! Men ontrukt hem wat!

Een felle bliksemstraal doorklieft de lucht!

Een man springt uit de boot op de rotsen en duwt met den krachtigen linkervoet de boot het meer op! Die man is Tell! Hoog boven het hoofd zwaait hij Geszlers boog en pijlkoker!

Ha! dat was het, wat hem bij dien stoot ontrukt werd!

Een nieuwe bliksemstraal zet alles in gloed!

Een ontzettende donderslag, duizenden malen terug gekaatst, ratelt en klatert!

En te midden van dat alles...

„Halli! Halli! Hallo!”

Dat jodelen doet allen huiveren! Er ligt wat spookachtigs in!

Het is weer donker, aardedonker! Maar--de storm wordt minder!

Alweer een lichtstraal!

„Zie! Zie! Daar!” roept Gottlieb en wijst in de hoogte.

Geszler staart omhoog en ziet Tell blootshoofds op de punt van eene rots staan, als een reus, als een stormreus, die de woede der elementen tart!

„Vrij!” klinkt het uit de hoogte en het wordt opnieuw gevolgd door dat spookachtige: „Halli! Halli! Hallo!”

„De Booze!” mompelt Gottlieb en maakt het kruisteeken.