Willem Tell: De Zwitsersche vrijheidsheld
Part 11
„Bedaar, Fürst, bedaar!” sprak van Attinghausen kalm. „Ge zijt door het gebeurde te opgewonden, mijn vriend! Tell zal niet gedood worden!”
„Dat zal hij wel!”
„Dat zal hij niet! Nu de zaken zoo geloopen zijn, zal Geszler wel zoo verstandig wezen om in te zien, dat Tell een gijzelaar is, die hem van veel dienst zijn kan. Men omringe den burcht en drage zorg, dat niemand hem verlaten kan. Als dat geschied is, beleggen we krijgsraad om vast te stellen, wat er gedaan moet worden. Zooals we nu ons in het wilde gewapend hebben, zouden we bij een stormloopen in de pan gehakt worden, want er is ook geen orde of regel onder het volk. Waar door eene kleine oorzaak de opstand een half jaar te vroeg uitgebroken is, daar moeten wij zeer voorzichtig zijn, of wij delven het onderspit.”
[Illustratie: „Vader, schiet!” riep Walter.]
Walter Fürst moest bekennen, dat de oude Heer van Attinghausen gelijk had en dat hoogstwaarschijnlijk een storm bloedig afgeslagen zou worden. Hij begaf zich dus naar zijne mannen, die aan de andere zijde van den burcht gereed stonden om onder zijne aanvoering den Zwing-Uri te bestormen, en hun te zeggen, dat hieraan vooreerst geen gevolg zou gegeven worden, omdat men groot gevaar liep op dit oogenblik de nederlaag te lijden. Hij begreep wel dat dit tegenvallen zou, en bedacht al, wat hij zeggen moest om hun duidelijk te maken, dat uitstel noodzakelijk was, toen hij uit het hout zijn' vriend Rudolf van Reding te voorschijn zag treden. Deze Rudolf was een Zwitsersch Edelman van den echten stempel. Minder dan van Attinghausen en Stauffacher had hij zich echter met de zaak des opstands ingelaten; hij had zijn koren geoogst, zijne wijngaarden geplant en zijn land bebouwd zonder zich met de samenzwering in te laten.
„Ik ben nu vierenzeventig jaar,” zeide hij eens, „en te oud om mij nog als man te laten gelden. Ik heb altijd mij van alle zaken vreemd gehouden en het Volk kent mij niet genoeg. Laat mij de weinige dagen, die de goede God mij nog schenken wil, leven als zoo vele jaren lang. Kan dat echter niet en loopt ons land gevaar geheel in de macht van den Oostenrijker te komen, welnu, dan zal ik komen zonder geroepen te worden en nog doen, wat ik kan.”
Zoo had hij gesproken en men had den ouden man met rust gelaten. Kwam zijn naaste buurman en oudste vriend, Walter Fürst eens bij hem, dan trachtte deze wel, zijn' vriend te bewegen om toch ook deel te nemen in de algemeene beweging en lid van het Eedgenootschap te worden, doch geregeld luidde dan het antwoord: „Stil, Walter, stil, voor een oud man is het de tijd nog niet!”
Zonder het te zeggen had Walter hem al lang verdacht van bloohartigheid, en niet weinig vreemd keek hij op, nu zoo op eenmaal dezelfde Rudolf, gewapend als een Ridder, te voorschijn te zien treden.
„Wat, Rudolf! Gij hier? En dat in het kleed eens Ridders, die tot den strijd gereed is? Ik heb u nimmer zóó gezien! Hoe komt gij aan die wapenrusting?”
„Niemand zag mij in Zwitserland ooit zoo, Walter! En toch kan ik u verzekeren, dat ik Ridder ben en het recht heb om de gouden sporen te mogen dragen.[4] Hierover straks. Waar gaat gij heen?”
[4] Alleen de Edelen, die tot Ridder geslagen waren hadden het recht om gouden sporen te dragen. In het begin droeg men maar één spoor.
„Mijn volk zeggen, dat de bestorming van den Zwing-Uri uitgesteld is.”
„Attinghausen en Stauffacher hadden geen wijzer besluit kunnen nemen, Walter! Ik zie aan uw gezicht, dat gij me niet gelooft, en toch is het zoo! Heb echter maar geduld; het zal nu geen maand meer duren. Ga naar uwe mannen, en als gij hun de boodschap hebt overgebracht, kom dan weer hier. Wij zullen dan samen naar Attinghausen en Stauffacher gaan.”
Walter Fürst haastte zich nu om zijne manschappen zoo goed mogelijk op de hoogte der zaak te brengen, maande hen tot geduld aan, en drukte hen op het gemoed eene zeer scherpe wacht te houden, en te beletten, dat iemand den burcht van deze zijde verliet. Spoedig genoeg zouden ze tot krachtdadig handelen geroepen worden.
„Walter heeft gelijk,” zeide de Onder-aanvoerder. „De zaak eischt overleg, en zooals we nu zijn, zijn we niets anders dan ongeregelde benden, die zonder eenige leiding slechts in het wilde zouden strijden, wat ons slecht bekomen zou; want de Oostenrijkers staan onder strenge tucht en onder Hoofden, die weten, wat ze willen. Laten we, al valt het ons tegen, beginnen met te gehoorzamen aan de tucht.”
De anderen zagen nu ook in, dat men berusten moest in het uitstel en lieten Walter heengaan, hem belovend, scherpe wacht te zullen houden.
Walter Fürst en Rudolf van Reding waren nauwelijks in het gezicht van het kamp, dat de belegeraars metterhaast opgeslagen hadden, of Stauffacher zeide tot Attinghausen: „Wie Walter daar nu bij zich hebben mag? Het is een geharnast Ridder, dunkt me!”
„Dat is, wel, dat is, dat is niemand anders dan Rudolf van Reding. Hoe is die zoo op eenmaal ontpopt van een' boer in een' Ridder? Zou het gerucht indertijd dan toch waarheid gesproken hebben?”
„Welk gerucht?”
„Nu ruim veertig jaar geleden is hij op zekeren dag bij één' zijner pachters gekomen en heeft hij gezegd: „Uli, ik heb vrouw noch kind op de wereld. Ik ga op reis, en zoolang ik er niet ben, zorgt gij voor alles. Blijf ik langer dan twintig jaar weg, zonder dat ge wat van mij hoort, geloof dan maar, dat ik dood ben. Elke pachter krijgt dan in eigendom alles, wat hij van mij in pacht heeft, en gij zijt dan bovendien eigenaar van al mijne andere goederen. Hier is een schriftelijk bewijs van alles. Vaarwel!”
Tien jaar lang bleef hij weg en intusschen liep het gerucht, dat hij Koning Lodewijk van Frankrijk, als Ridder diende, dat hij met dezen naar Tunis trok, tegen de Ongeloovigen streed en later met het lijk des Konings naar Frankrijk terugkeerde. Op zekeren dag, een jaar of vier na den dood des Konings keerde hij als pelgrim terug. In al den tijd van zijne afwezigheid had geen enkele zijner pachters schot en lot moeten opbrengen, en nu hij terug was, bleef dat niet alleen zoo, maar hij gaf iederen pachter ten geschenke, wat deze van hem in pacht had, zeggende, dat hij op zijn' tocht zooveel schatten verzameld had, dat hij hun geld niet noodig had. Kort daarop kwamen twee negers met beladen muilezels op den Redingfelz aan en bleven daar tot hun' dood, zonder ooit de taal van het land te leeren, zoodat niemand er achter komen kon, of het gerucht waarheid bevatte, dat hij als eenvoudig man van wapenen den zevenden Kruistocht had medegemaakt, en na bestormen van den burcht Karthago, om zijne dapperheid en heldenmoed, door Koning Lodewijk tot Ridder geslagen was. Misschien zal het nu uitkomen, en bevat het gerucht waarheid, dan kunnen we als Leger-aanvoerder geen' beteren hebben dan hem.”
Toen de beide vrienden in het kamp aangekomen waren en allen, die met eenig bevel zich belast hadden, bijeen waren, deelde Heer Rudolf mede, dat hij thans besloten was om de zaak der Zwitsers te dienen, en dat hij hoopte, dat zijne veeljarige ondervinding op het oorlogstooneel zijn Land en Volk ten goede zou komen. Dat hij door Koning Lodewijk IX tot Ridder geslagen was, bevestigde hij door Stauffacher en Attinghausen de oorkonde hiervan terhand te stellen.
„Nu wij weten, wat ge eenmaal gedaan hebt en hoe ge, als Ridder, de kunst van oorlogvoeren verstaat,” sprak Stauffacher, „stel ik voor, dat gij onze Aanvoerder in den strijd zult zijn, en ik zou mij zeer vergissen, indien één Zwitser zich daar tegen verklaarde. Intusschen moeten wij het aan het oordeel van het Volk onderwerpen en daarom zal ik allen, die de wapenen opgevat hebben om Tell en zijn' zoon te bevrijden, bijeen roepen en voorstellen u als ons Legerhoofd te erkennen.”
Stauffacher gaf hieraan gevolg, en toen de Zwitsers wisten wie en wat Heer Rudolf van Reding was, was er niet één, die eenig bezwaar maakte.
„Ik neem die eervolle taak op me,” sprak de oude Ridder, „maar, let wel, ik wil alleen maar Aanvoerder in den strijd zijn, doch het bestuur over den heelen opstand moet bij Attinghausen en Stauffacher blijven. Ik ben te oud om mij voor alles beschikbaar te stellen. De vraag echter is: zullen we nu terstond den strijd aanvangen, of hiermede nog wachten tot we andere en betere redenen tot verzet hebben. Wie zal spreken?”
„Ik,” zeide Attinghausen. „Het doet ons allen leed, dat door Tell's onvoorzichtigheid de opstand een half jaar te vroeg uitgebroken is. We zijn nog niet klaar. En dan, wij moeten niet vergeten, dat wij in het oog van andere Volken en Vorsten tegen het wettig gezag opstaan. Al wat Monarch, Hertog of Graaf is, en regeert, zal dat in ons afkeuren, en het zal den Keizer niet moeielijk vallen daardoor bondgenooten te verkrijgen. En wat dan?”
„Ik geloof, dat gij u vergist, Heer van Attinghausen,” zeide nu Walter Fürst. „Het wettig gezag berust bij den Keizer en dezen willen wij trouw blijven. Dat die Keizer nu meteen Hertog van Oostenrijk is, kan niet in rekening gebracht worden. Den Hertog van Oostenrijk als zoodanig kunnen we den oorlog aandoen.”
„Dat zou waar zijn, als de Hertog van Oostenrijk niet als Keizer, Rijksvoogden aangesteld had. Voor het oog der wereld staan we dus wel degelijk tegen ons wettig Hoofd op, als we Geszler en Landenberg, de Rijksvoogden, den oorlog aandoen en dooden of verdrijven.”
„Alsof die Rijksvoogden, als Oostenrijkers, ons niet verdrukt hebben,” meende Fürst.
„Er is veel voor en veel tegen,” sprak nu Heer Rudolf. „Mij dunkt, wij blijven vandaag en vannacht hier om het oog te houden op den Zwing-Uri. Morgen ochtend om acht uren komen we weer bij elkander. Heeft de nacht dan raad gebracht, welnu, dan kunnen we een besluit nemen. Te langzaam zijn in het besluiten, kan nadeelig zijn. Dat ondervond Koning Lodewijk, die er maar niet toe te bewegen was om Tunis in te nemen toen het zwak was. Wij zagen elken dag heele troepen Bedouïnen de stad binnentrekken, en toen de Koning besloten was Tunis door bestorming te nemen, was het te laat. Dus, vrienden, morgen ochtend het besluit!”
Terwijl dit alles vóór den Zwing-Uri plaats greep, zat Geszler ook niet stil. Nu hij Tell opnieuw binnen den burcht gesleept had, vermoedde hij, dat de Zwitsers, die hem woedend achtervolgden, terstond het kasteel bestormen zouden. Hij hoopte er op, dat dit geschieden zou, want hij wist zeker, dat hij met de vierhonderd zwaar gewapende dienstmannen, die aan orde en tucht gewoon waren, al heel gemakkelijk dien ordeloozen, dollen hoop Zwitsers zou kunnen terugdrijven, en als het maar een weinig wilde, zou kunnen vernietigen. Zulk eene bloedige nederlaag in het begin zou den heelen opstand doen mislukken.
Hij begon dus, zoodra hij Tell alweer in zijn' onderaardschen kerker had doen opsluiten, alles voor de verdediging in gereedheid te brengen, doch toen er een paar uren verliepen en de Zwitsers nog altijd schenen te aarzelen om storm te loopen, meende Geszler dit aan angst en vrees te moeten toeschrijven, en stond hij al gereed om de belegeraars aan te vallen, toen over den muur een zijner mannen kwam klauteren.
„Waar kom jij van daan?” snauwde Geszler hem toe. „Je ziet er uit als een geplukte vogel!”
„Heer, ik kon u niet volgen. Ik was bij Friedel toen deze door de bijl van Walter Fürst doodgeslagen werd.”
„Wat?! Is Friedel gevallen?”
„Ja, Heer! In één slag dood! Door de verwarring, die ontstond bij het redden van den kleinen Tell, lette men niet op mij, en wist ik in het bosch te komen. Sluipend door heggen en struiken, zag ik opeens Walter Fürst naderen. Ik dook onder ruigte van distels en doornen en pas was ik verborgen, of ik zag aan den anderen kant van het pad een zwaar gewapend Ridder op Walter toetreden en deze riep: „Wat, Rudolf, gij hier?””
„Rudolf?” vroeg Geszler verbleekend. „Rudolf? Was hij een oud man?”
„O, Heer, u kent hem wel; wij kennen hem allen. Hij is die oude, droomerige boeren-edelman van den Redingfelz. Als er niet zooveel gevaar bij geweest was, zou ik eens hartelijk aan het lachen gegaan zijn. Die boer in de wapenrusting eens Ridders! Ha! Ha!”
„Lach er niet om, lummel! Vertel verder!”
„Wel, Heer, waarom zou ik niet lachen? Verbeeld u, door afluisteren ben ik te weten gekomen, dat ze dien ouden paai, dien verkleeden boer tot Leger-bevelhebber hebben benoemd! Waar de Zwitsers zulke domme streken uithalen, daar...”
„Zwijg, kerel, zwijg! Die oude boer is eenmaal Kruisridder geweest. Hij was de dapperste onder de dapperen, en door zijn beleid een der beste Ridders van Koning Lodewijk IX van Frankrijk. Juist die man alleen is gevaarlijker dan een heel leger Zwitsersche boeren!”
Driftig en gejaagd liep hij even het plein op en neer en zeide toen tot een' zijner Onder-bevelhebbers: „Alle wachten moeten verdriedubbeld worden. De boeren hebben een' Aanvoerder gekregen voor wien zelfs de Keizer sidderen en beven zou. Hij is de man, die den opstand tot een goed einde brengen kan, en weet ook wel, dat het stormloopen nu de nederlaag der Zwitsers ten gevolge zou hebben. Nu vrees ik! En--Tell moet weg! Dezen nacht nog over het meer naar den Bruneck. Hij moet onze gijzelaar blijven, en als gevangenis voor zulk een is de Bruneck te verkiezen boven den Zwing-Uri. Zoolang de Zwitsers meenen, dat Tell hier gevangen gehouden wordt, zullen ze voor geen' anderen burcht oog hebben, dan juist voor dezen. Ik zelf zal hem dezen nacht naar den Bruneck brengen. De weg over het meer is morgen wellicht niet vrij meer, en vóór dien tijd ben ik alweer terug. Is Tell daar onder goede bewaking, dan zal hij een gijzelaar voor ons zijn, als we geen' beteren vinden kunnen, en van daar uit kan hij ook, als hier alles verkeerd loopt, gemakkelijk naar Oostenrijk vervoerd worden. Zorg, dat Ulrich, Heinrich en Gottlieb mij vannacht vergezellen. Zij moeten naar alle burchten, waar wij volk in bezetting hebben om daar mijn bevel over te brengen, dat ze nu van de gelegenheid gebruik maken, dat de mannen afwezig zijn, om de hoeven te overvallen en vrouwen en kinderen gevangen te nemen. In de eerste plaats moeten ze Tell's vrouw en kinderen halen.”
„Maar, Heer,” waagde de Onder-bevelhebber te zeggen, „mij dunkt, dat ge u den toestand veel te ernstig voorstelt. Wat zouden die ongeoefende Zwitsersche boeren vermogen tegen eene macht, als de onze? Heer Beringer van Landenberg met zijn volk is er toch ook nog!”
„Ik zie den toestand waarschijnlijk nog niet ernstig genoeg in, Fabian! Nu die Rudolf van Reding aan het hoofd van de krijgsmacht der opstandelingen staat, is alles te vreezen en niets te hopen. En wat Heer Beringer betreft, een dwaas, die wat goeds van hem verwacht. Gijzelf hebt nog gisteren onder mijn venster, toen ge niet wist, dat ik alles hoorde, tot uw' vriend Gottlieb gezegd, dat hij de grootste lafaard is, die ooit geleefd heeft. Welnu, wat zal deze man dan doen? De Sarnenstein is onneembaar en ruim voorzien van levens- en krijgsbehoeften. Hij zal rustig op den burcht blijven en daar den loop der zaken afwachten. Delven we hier het onderspit, dan geeft hij zich heel eenvoudig over, belooft van niet meer tegen de Zwitsers te strijden, en trekt naar zijne goederen in het Schwarzwald. Geloof me, Fabian, de toestand heeft voor Hertog Albrecht, onzen Keizer, plotseling een' ongunstigen keer genomen. Ga, en doe, wat ik gezegd heb, doch verzwijg voor het volk mijne vermoedens.”
Fabian groette beleefd en zag zijn' Heer driftig naar binnen gaan, en glimlachte.
„Dat komt ervan,” zeide hij tot zichzelven, „als men dwaze dingen doet. Die wraakoefening in het openbaar op dien driesten Tell was eene dwaasheid, Geszler door trots ingegeven. Hij had, òf Tell en dien knaap niet moeten oplichten, òf wel oplichten, doch om hen te dooden. Ik geloof ook, dat de zaken een' ongunstigen keer genomen hebben. Maar, wie wind zaait, zal storm oogsten!”
TIENDE HOOFDSTUK.
Twee geluksboden.
Binnen de hooge muren van den grooten burcht was van dat oogenblik af, groote bedrijvigheid. Groote ketels werden boven putten aan ijzeren staven gehangen. De ketels werden gevuld met pek, teer en zwavel, en heele vaten vol met deze stoffen, werden naar de muren gerold. Onder de ketels werd droog hout gelegd, dat maar wachtte om in brand gestoken te worden. Wat dan in de ketels was, zou op de hoofden der stormloopende Zwitsers geworpen worden.
Zware keien werden onder tegen den muur gelegd om die van den muur af op de stormladders neer te werpen. Bakken vol zware pijlen kregen er eene plaats naast bijlen, goedendags, zwaarden en lansen.
Zoo verliep de dag en viel de avond.
Het was een donkere avond, en voor den tijd van het jaar eigenlijk veel te warm.
In het kamp om den Zwing-Uri was alles wel kalm, maar in rust was men toch niet. Hier en daar hadden zich enkele groepjes gevormd en was men in een zacht, maar druk gesprek met elkander.
Wat het onderwerp van dat gesprek was, behoeft wel niet gezegd te worden. Tell's meesterschot, de kleine Walter, de dood van Friedel, die eerst Tell bedrogen en daarna diens oudste zoontje geroofd had, werden besproken en nog eens besproken, hier met bewondering, daar met medelijden, ginds met koele onverschilligheid. Maar allen waren het eens, dat Tell de eerste oorzaak was van hetgeen er nu gebeuren zou.
En gebeuren moest er wat, dat stond vast, want Geszler zou den dood van zijn' trouwen en slimmen Friedel niet ongewroken laten. Onderwierp men zich, dan zou Walter Fürst natuurlijk als offer vallen moeten, en Tell zou niet te redden zijn.
Het was toen reeds als nu: iedereen liet graag zijn eigen licht schijnen, en meende de zaken veel beter in te zien dan een ander, die er naar zijne meening niets van wist. Vooral was er één troepje al heel wijs. Luisteren wij!
Hier was er een, die het met Walter Fürst hield, en meende, dat het eenige middel om ineens een einde aan al die verdrukking te maken, was: den vijand overal terstond aanvallen.
Daar was er een, die Stauffacher en Attinghausen gelijk gaf en een weinig uitstel veel beter vond.
Een derde meende alweer, dat men zeer goed eens probeeren kon Oostenrijker te worden. Als men maar goed geregeerd werd en veel vrijheid genoot, wat kwam het er dan op aan wie er regeerde?
Terwijl die mannen zoo stonden te redeneeren, klonk in hunne onmiddellijke nabijheid een luid gelach, en nijdig wendden allen zich naar de plaats vanwaar dat geluid kwam.
„Ik wensch je goeden avond,” sprak nu een man, die uit het kreupelhout te voorschijn trad.
„Waar kom jij vandaan?” riep een uit het troepje.
„Hier uit het kreupelhout,” was het antwoord. „Maar mag ik vragen, wat jeluî hier doet?”
„Wakker blijven en wachthouden, wat anders?”
„Mooi wachthouden! Ik sta hier wel al een kwartier, en als ik om al je wijsheid niet in den lach geschoten was, dan stond ik er nog. Wil je me bij Walter Fürst brengen?”
„Wie ben je? We kennen je niet! Als we niet wisten dat Claus, die op den Sarnenstein diende, dood was, dan hielden wij je voor hem, tenminste als je dan ook doof was, als hij.”
„Mijn naam doet niets ter zake! Breng me maar bij Walter Fürst of bij een' anderen Bevelhebber!”
„Wij zullen je bij Ridder Rudolf van Reding brengen! Ga maar mee!”
De persoon, die zoo onverwachts verschenen was en die werkelijk niemand anders was dan Claus, keek bij het hooren noemen van „Ridder Rudolf van Reding” vreemd op, en een paar der wachters volgend zeide hij nu: „Ridder Rudolf van Reding zeg je?”
„Ja! Wat er tegen?”
„De man, de oude man, die zich met de zaken nog niemendal bemoeid, heeft en die zoo lang, als mij heugt met een paar oude bedienden op den Redingfelz woont?”
„Dezelfde, man! Dezelfde!”
„En die is Ridder zeg je?”
„Hij draagt ten minste eene gouden spoor, en als hij te paard zit, zoo heelemaal in blinkend ijzer en een helm met wuivenden vederbos op het grijze hoofd, hij is zoo even hier nog geweest, dan maakt hij eene heel andere vertooning dan wanneer hij achter den ploeg loopt of aan de wijnpers staat!”
„Belangrijk nieuws voor me! Ik brand van nieuwsgierigheid om hem te zien!” zeide Claus.
„Geduld maar, manlief! We zijn er gauw. Hier, in deze tent. Zullen we op je wachten?”
„Niet noodig! Goeden nacht!”
Juist wilde Claus den ingang der tent zoeken toen de Ridder zelf verscheen en vroeg: „Wien zoekt gij hier en wie zijt gij?”
„Is u Ridder van Reding?” vroeg Claus.
„Ik ben het!”
„Dan zal u zeker „Dooven Claus” van den Sarnenstein wel te woord willen staan? Ik heb een stout plan, dat gemakkelijk ten uitvoer gelegd kan worden en ons van veel voordeel zal zijn, als het welslaagt.”
„Ik heb door Stauffacher, Attinghausen en Fürst van u hooren spreken, en ofschoon ik vermoed, dat het uw plan is om door de verborgen gang den Sarnenstein binnen te dringen en in te nemen, en ik het goed vind, acht ik het toch beter, dat de anderen ook hunne meening zeggen. Volg me! Ze zijn hier dicht bij!”
Na eenige schreden gedaan te hebben bereikten ze eene vervallen hut, die jaren geleden dienst gedaan had, als woning voor een' kluizenaar of heremiet. Zulk een heremiet heeft steeds eene zeer slechte woning, zóó slecht, dat we een arbeiders-huisje, dat bijna op instorten staat, eene „hermitage” noemen. Weten we nu, dat de kluizenaar al een twintigtal jaren geleden gestorven was, en dat men in al dien tijd niets aan die kluis gedaan had, dan zullen we wel begrijpen, dat de Bevelhebbers van de Zwitsers al zeer ellendig gehuisvest waren, en toch was deze kluis, die voor een deel in de rotsen uitgehouwen was, nog een paleis te noemen in vergelijking met de tent, die men van takken en waardelooze lappen linnen in de grootste haast voor Ridder Rudolf opgericht had.
Had de uitslag van den opstand voor de Zwitsers afgehangen van de verblijfplaatsen der Bevelhebbers, dan zouden de Oostenrijkers al eene gemakkelijke overwinning behaald hebben! Gelukkig was dat zoo niet. Het leven op en tusschen de bergen, niet maar zoo eens voor een paar mooie weken in het hartje van den zomer, maar jaar in jaar uit, bij koude en warmte, bij sneeuwjacht en voor- of najaarsstormen, had hen misschien nog meer gehard dan de zware en harde strijd om het bestaan. Ze waren niet verwend de Zwitsers van die dagen, en brachten zonder schade voor hunne gezondheid en zonder nadeel voor hunne kleederen, den nacht op den grond slapend door. Zelfs Stauffacher, van Attinghausen en Walter Fürst, die het thuis zooveel beter gewoon waren, klaagden niet over de ongemakken van de meer dan bouwvallige hermitage. Ook zij waren door de weelde niet verwend geworden.
„Wees welkom, Claus!” riep Stauffacher den wakkeren gezel toe. „Nu de kogel door de kerk is, behoeven we niet meer zoo geheimzinnig met u te spreken, en kunnen we ons gerust vertoonen. Welk nieuws brengt ge van den Sarnenstein? Heer Beringer was dezen middag zeker heel gauw terug. Ik zag het hoe hij, toen Tell geschoten had en hier, onze Walter Fürst, met de zijnen toesnelde, als de wind zoo vlug, gevolgd door zijn volk, de Markt verliet en, zonder zich met Geszler te bemoeien, zich haastte, wat hij kon om den Sarnenstein te bereiken. Een held is die man niet!”
Claus deelde nu het afgeluisterde gesprek tusschen Ludwig en Albrecht mede, zooals we u dat in het vorige hoofdstuk verhaalden en zeide dan: „Ge kunt begrijpen met welk eene spanning ik de terugkomst van Landenberg en het andere volk tegemoet zag. Lang behoefde ik niet te wachten. Ik hoorde weldra Beringer schreeuwen: „De brug op! De poort dicht! Wachten overal verdubbelen! De Zwitsers zijn in oproer gekomen!”
„En wie van de bezetting zich aanmeldt om binnen te komen, Heer?” vroeg Ludwig.
„Laat je binnen, ezel!” snauwde Beringer en snelde, gevolgd door Herman, zijn' trouwsten Onderbevelhebber, naar de zaal.
Ik haastte mij om in den kelder onder die zaal te komen en hoorde nu, wat er gebeurd was.
„En wat is nu uw voornemen, Heer?” vroeg Herman.