Willem Tell: De Zwitsersche vrijheidsheld
Part 10
Landenberg rijdt weg en als hij op zijn kasteel is, wordt daar spoedig verteld, wat er gebeurd is en welke heerlijke plannen Geszler heeft.
Claus verneemt het en mompelt: „Dat nooit! Dat nooit! Nu is het uur gekomen!”
Hij snelt naar den uitgang, doch als hij den boom verlaten wil, ziet hij Oostenrijksche houthakkers bezig met boomen vellen. Nu kan hij niet weg; hij zou zich verraden.
Eerst tegen den avond gaat het werkvolk huiswaarts. Nu verlaat Claus den boom, dien hij al geleerd heeft zonder touwladder af te dalen of te beklimmen.
„Voort, Claus, voort! Allereerst naar de arme Hedwig, die niet weet, wat er met haar kind gebeurd is! Dan naar Stauffacher, naar van Attinghausen, naar Walter Fürst! Ha! Thans begint de worsteling! Voort! Voort!”
Het buitengewoon warme weder heeft de sneeuw op de bergen vroeg doen smelten. Heele bergen van sneeuw storten naar beneden en maken de smalle paden onbegaanbaar! Claus' voeten glijden telkens uit. Daar is hij voor eene kloof waardoor de naaste weg naar Tell's woning leidt. De sneeuw heeft die kloof gevuld: er is geen doorgraven aan! Terug dan! Er zijn meer wegen! Speelt het noodlot dan met hem? Alweer heeft de sneeuw hier het pad versperd. Alweer een uur verloren! Voort! Voort! Van versperring tot versperring! Doodaf van vermoeidheid bereikt hij eerst tegen het morgengrauwen Tell's woning en... vindt ze verlaten. Wat daar woonde, zoekt! Alleen kleine Willem ligt op zijn kamertje nog te bed en heeft beloofd te zullen blijven liggen. Alles doorsnuffelend komt Claus ook daar en vertelt nu aan het kind alles! Weg is hij weer! De zon is al op en het zal spoedig middag zijn. Stauffacher is op het veld. Hem opgezocht, spoedig! Een half uur zoeken! Eindelijk gevonden, eindelijk, en het is al negen uren! Voort! Nu naar Walter Fürst! Stauffacher belast er zich mede om van Attinghausen van alles, wat gebeurd is, in kennis te stellen.
Hij is echter ontevreden, bitter ontevreden!
„Te vroeg, veel te vroeg!” mompelt hij. „We zijn nog niet klaar en Tell wist dat; hij wist het beter dan menig ander, want ik heb het hem meer dan aan eenig ander uitgelegd, waarom wij nog niet in verzet en opstand kwamen. Moedig, ja, dat is hij, maar zijn moed grenst aan overmoed, bijna aan drieste lichtzinnigheid. Wat deed hij op de Markt te Altorf? Wat anders dan toegeven aan zijne begeerte den Oostenrijker te toonen, dat hij hem verachtte. Hij had er niets noodig en wist dat wij, die de ziel van den opstand moeten worden, besloten hadden niet op de Markt te komen vóór de tijd daar was! Hij kon toch begrijpen, dat het niet groeten van dien Hertogshoed gevolgen hebben moest? Maar, gedane zaken nemen geen' keer. Er moet nu een ander plan gemaakt, er moet gehandeld worden. Toch kan alles nog kalm in zijn werk gaan, want de Oostenrijker weet niet beter of wij zijn met alles onbekend. Die Claus, ja, die Claus is onbetaalbaar. Met zulke mannen doet men wonderen, en... och, misschien, misschien dat alles nog beter afloopt dan ik vrees. In alle gevallen nu met kracht handelen en den strijd aanvangen, den strijd op leven en dood voor onze vrijheid! Voort, naar van Attinghausen! Niets zonder hem!”
Stauffacher rept zich naar zijn' ouden vriend en in dien tusschentijd is Claus naar Walter Fürst gesneld. Zijn gang is echter vergeefsch. De arme Vader heeft tijding gekregen van het verdwijnen van zijn' lieven kleinzoon Walter, en waar is hij nu meer noodig dan bij zijn kind, de arme Hedwig, dat veel beproefde Moedertje? Hij is er heen geijld zonder er zelfs zijne vrouw kennis van gegeven te hebben. En als die goede ziel nu uit den mond van Claus verneemt, wat er in de bergen is voorgevallen, weet ze niet, wat ze doen moet.
Wat moet Claus nu aanvangen?
Hij kan en mag het volk niet in beweging brengen! Slechts zeer enkelen zijn met zijn geheim bekend!
Hij staat stil en denkt!
„Alles, wat maar eenigszins kan, zal zich naar de Markt te Altorf spoeden en de Sarnenstein zal zoo goed als verlaten liggen. Wie weet welk eene goede gelegenheid ik dan heb om binnen den burcht te komen! En dan tegen den nacht alweer naar Stauffacher. Hij zal mij mannen geven en... morgenochtend is de Sarnenstein in onze handen! Wie weet of we vriend Landenberg dan zelfs niet in onze macht hebben! Dat zou nog eens een gijzelaar zijn!”
Opgewekt spoedt hij zich voort, doch langs allerlei sluippaden want men mag hem niet zien.
Hij is in het bosch en...
„De houthakkers,” denkt hij.
Gelukkig! Het is stil in het bosch! Ook houthakkers zijn nieuwsgierig, en allen zijn naar de Markt in de stad. Ze willen dat schot ook zien doen.
Ongemerkt bereikt Claus dus den boom en spoedig is hij voor ieders bespiedend oog verdwenen.
Op de gewone manier sluipt hij voort en ziet, dat men bezig is met water putten. Dat is nu wel iets zeer gewoons en heeft hij al zoo dikwijls gezien, maar nu moet hij er bij zijn. Als er wat gezegd wordt, moet hij alles hooren. Zonder de noodige voorzichtigheid in acht te nemen loopt hij voort. Hij denkt slechts aan al, wat er buiten om gaat en aan zichzelven denkt hij niet. Het prikkelt in zijn' neus en eer hij er op bedacht is om de hand of een' doek voor den mond te houden om zoo het geluid te dempen, niest hij.
Opeens blijft de wateremmer onbeweeg'lijk hangen, en Claus schrikt, hoe kon hij zich zoo vergeten?
„Wat is het?” hoort hij boven zich vragen.
Claus herkent in de stem van den vrager den ouden Oostenrijker Ludwig.
„Ik hoor daar in den put niezen,” antwoordt de ander in wien Claus dadelijk Albrecht, den vriend van Ludwig herkent.
„De Kabouters[3] misschien, of de Nixen hebben je eene poets gespeeld. Ik hoor daar zoo dikwijls wat. Gisteren nog heb ik er duidelijk iemand zich hooren voortschuifelen. Maar zeg, waarom ben je niet naar Altorf? Ben je niet nieuwsgierig te weten hoe dat schot afloopen zal?”
[3] Kabouters waren volgens het oude bijgeloof heel kleine mannen met lange baarden, die tooveren konden, naar welgevallen de menschen plaagden of weldeden en in het hart der bergen leefden, als groote kunstenaars in het bewerken van metalen of van steenen. Nixen waren volgens datzelfde bijgeloof mannelijke of vrouwelijke geesten, die eene menschelijke gedaante hadden en in rivieren, beken, bronnen en meren leefden. De mannelijke Nixen heetten valsch, wreed en bloeddorstig te zijn; de vrouwelijke echter waren buitengewoon schoon, hielden veel van zang, dans en muziek, doch lokten ook menigen jongeling in hare waterwoning om daar dan te sterven. Bij de Grieken en Romeinen droegen de vrouwelijke Nixen den naam van Nymphen, en als ze enkel het water bewoonden Najaden.
Claus, die daar in de diepte geheel onzichtbaar was, waagde het om eens even naar boven te kijken, en zag beide mannen op den gemetselden rand van den put zitten. Hij wilde zich overtuigen of hij werkelijk te doen had met de twee mannen, die hem reeds vroeger hadden doen hooren, dat ze vijanden waren, die het hart op de rechte plaats droegen.
Zoodra hij ze zag, zeî hij tot zichzelven: „Ze zijn het, maar nu toegeluisterd zonder hen verder aan te kijken, want wakker zijn ze, dat moet ik erkennen, en als ze mij zagen, dan zouden ze hun' plicht doen, dat is zeker. Maar als het er op aankomt, sparen zullen we die twee toch!”
„Waarom is Ludwig niet naar de stad?” vraagt Albrecht. „Is hij niet nieuwsgierig? Hij houdt anders toch wel van een goed schot!”
„Ja, van een goed schot houd ik, Albrecht,” luidt het antwoord. „Maar dat schot wil ik niet zien. Foei, ik schaam mij tegenover elken Zwitser, dat ik ook Oostenrijker ben. Zóó bestrijdt een mensch, dat nog gevoel van eer heeft, zijn' vijand niet! Dat is een moordenaarswerk!”
„Juist, Ludwig, dat zeg ik ook, en daarom ging ik evenmin als gij naar Altorf! Wil je wel gelooven dat ik, als ik zag dat de arme Vader zijn' zoon doodschoot, instaat zou zijn om...”
Hij hield zijne woorden in.
„Vertrouw je mij niet, dat je zoo opeens zwijgt? Welnu, ik vertrouw jou wel. Als Tell de moordenaar zijns zoons geworden is, dan wil ik Geszler of Landenberg niet langer meer dienen. Ludwig is de knecht van een' krijgsman, maar niet van een' beul. En ik vrees, dat hij misschieten zal. Men zegt dat zijn boog gewijd is, omdat hij eenmaal in het Heilige Land gediend heeft tegen de vijanden van het Kruis. Dien boog mist hij en de vreemde boog zal zijne hand onvast maken.”
„Maar wat zullen wij doen, als we de Rijksvoogden niet meer dienen willen? We kunnen dit land niet verlaten zonder in hunne handen te vallen. Den dood te ontkomen kan maar op ééne wijze geschieden, en dat is door ons bij de Zwitsers aan te sluiten.”
„En verraders worden? Neen, Albrecht, dat nooit! Ik verraad mijn' Vorst en mijn Volk niet. Wat ik doen zal, weet ik nog niet. Mogelijk weet ik het, als het schot geschied is. Het kan ook wel zijn, dat de Zwitsers het beletten.”
„Onmogelijk! Geen Zwitser komt op de Markt sedert Tell daar kwam, en hoe zouden ze weten, wat er gebeuren moet? Ze denken immers, dat Tell ergens in den afgrond gestort is, en niemand der Zwitsers weet, dat hij als gevangene op den Zwing-Uri leeft. Dat zijn zoontje daar ook is, weet eveneens niemand. Maar waarom glimlach je zoo geheimzinnig?”
„Om je onnoozelheid, Albrecht! Is het niet gebleken, dat de Zwitsers alles weten, wat door de Rijksvoogden besloten wordt? Den heelen winter, van den dag af waarop Claus verdween, kon er geen besluit genomen worden, of het kwam immers later uit, dat de Zwitsers het wisten? Ben je die hooi-geschiedenis dan vergeten?”
„Neen, maar ik geloof, dat de Zwitsers een verbond met den Booze gesloten hebben. Geloof je dat ook niet?”
„Ik zàl het gelooven, als je mij zegt, hoe Claus het ontkomen is. Zelf heb ik hem in den wijnkelder zien gaan. Door de gewone deur is hij er niet uitgekomen en toch was hij weg. Hij moet uit den kelder eene vluchtgang geweten hebben en daardoor ontsnapt zijn. Al die oude burchten, hier, zoowel als in Tirol, hebben zulke vluchtgangen.”
„Claus is immers stokdoof! Hij kan niet hooren, wat er gezegd wordt.”
„Aan die doofheid twijfel ik sterk, maar al is hij doof, wat hindert dat? Waar hij uit kan, daar kan een ander immers in?”
„En waarom zeg je dat niet aan Landenberg?”
„Waarom niet? Denk je, dat ik Claus aan de martelingen van een' beul zou willen overgeven? Eer ik dat doe, moge de tong in mijn' mond verstommen. Maar, gij weet het nu, zeg gij het Landenberg dan!”
„Ik, Ludwig, ik?? Nooit! Maar nu ge mij van die vluchtgang gesproken hebt, ben ik bang, dat op den een' of anderen dag de Sarnenstein overrompeld zal worden. Wat dan?”
„Wat dan? vraagt gij? Dan kunnen we op eervolle wijze aan ons beulsknechten-leven een einde maken. Wij sterven dan met het zwaard in de vuist den krijgsmansdood. Wat kunnen wij beter wenschen? Onze vrienden zullen dan een woord van lof voor ons hebben en onze vijanden zullen ons althans niet verachten. Hoort ge niets?”
„Hier in den put?”
„Neen, buiten! Men komt te paard aansnellen! Mee naar de poort! Wie weet, wat er gebeurd is? Hoor, er zijn meer paarden! De Zwitsers zijn zeker in opstand geraakt! Mee! Mee!”
De beide mannen repten zich naar de poort om deze te verdedigen, en Claus brandde van nieuwsgierigheid om te weten te komen, wat er gebeurd was. Hij kon echter niets doen dan blijven, waar hij was en moest dus geduldig wachten. Gelukkig duurde dat wachten slechts zeer kort.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Tell's Meesterschot en Geszler's plannen.
Het kon dien dag zoo ongeveer elf uur in den morgen zijn, dat Tell in zijne onderaardsche gevangenis het gerucht van nadere schreden vernam en spoedig daarop verschenen eenige Oostenrijkers.
„Volg ons,” sprak de Aanvoerder. „Gij moet voor den Rijksvoogd verschijnen.”
Zonder te vragen waarom, stond Tell op en volgde de soldaten, die hem door eene reeks gangen voerden, welke allengs lichter werden. Hoewel Tell nu nog maar kort in de duisternis vertoefd had, was die langzame overgang van donker tot licht toch zeer goed voor hem en kon hij nu goed zien, zonder dat de oogen hem pijn deden toen hij voor Geszler en Landenberg stond.
„Zijt gij niet nieuwsgierig waarom wij u hebben laten roepen?” begon Geszler.
„Naar de daden van mannen, die hun Volk verraden hebben, ben ik nooit nieuwsgierig,” sprak Tell.
Geszler glimlachte valsch en zeide: „Gij zijt een zeer dapper man, Tell! Maar daar gij niet nieuwsgierig zijt, moeten wij u wel zeggen, waarom wij u hebben laten roepen. Ik heb met Landenberg eene weddenschap aangegaan. Ziet gij dit appeltje?”
Hij liet een appeltje zien.
„Ik zie het,” sprak Tell.
„Welnu, ik, die weet, welk een meester schutter gij zijt, heb tot Landenberg gezegd, dat gij het op een' afstand van vijftig uwer schreden gemakkelijk raken kunt, onverschillig waarop het staat, als gij het maar zien kunt. Hij wilde dat niet gelooven. Nu stel ik u voor om te toonen, dat ik u niet te veel geprezen heb. Raakt ge den appel, welnu, dan schenk ik u de vrijheid en wil voor dezen keer vergeten, dat gij den Hertog van Oostenrijk beleedigd hebt door het teeken zijner waardigheid niet te groeten. Neemt gij het aan, dan trekken we terstond naar Altorf, waar ge dan op het Marktplein uwe kunst toonen kunt!”
„Mag ik eerst den boog zien, dien gij mij geven zult,” sprak Tell.
„Hier, de mijne staat u ten dienste.”
Geszler bood hem den boog aan; Tell onderzocht dien en zeide: „De boog is vrij goed; ik neem het aan.”
Spoedig was men nu buiten den Zwing-Uri op weg naar Altorf en reeds verwonderde het Tell, dat er zooveel volk op de been was.
„Heer Geszler,” sprak Tell opeens en hij bleef staan, „gij speelt toch geen valsch spel met me? Hoe weten zij allen, die daar op de Markt staan, wat er gebeuren zal?”
„Het is ernst, Vrijjager! en als gij ziet waarop de appel, dien ge wegschieten moet, staat, zult ge zelf de eerste zijn om te zeggen, dat het geen spel, maar ernst is. En wat het volk betreft, ge ziet zelf wel, dat het de mijnen en die van den Sarnenstein zijn, die hunne nieuwsgierigheid niet bedwingen kunnen om uw meesterschot te zien!”
„Het is dan toch wel vreemd, dat ze allen gewapend zijn!” merkte Tell aan, „en zie, daar komt Beringer van Landenberg ook al met een gewapend gevolg! Zeg, Heer Geszler, wat beduidt dat alles? Moet het soms eene terechtstelling worden en hebt gij geen' moed het mij te zeggen?”
„Een Oostenrijker brak nog nooit zijn woord, Vrijjager!” sprak Geszler op hooghartigen toon.
„Als gij Oostenrijker waart, zou ik u gelooven! Gij weet wel, dat gij het niet zijt, en dat gij eens een Zwitser geweest zijt. Nu zijt ge nóch het een, nóch het ander. Uw eerewoord is voor mij geen eerewoord.”
Woedend zag Geszler den stouten spreker aan, doch hij zweeg, bij zichzelven denkend: „Nog een oogenblik slechts en ik heb hem klein gekregen.”
Zonder dus eenig antwoord op die hatelijke woorden te geven, zette hij zijn paard aan om Landenberg te gaan begroeten en Tell schreed langzaam voort tusschen Geszlers gewapend gevolg.
„Nu gij er zijt, zullen we niet wachten tot den middag,” sprak Geszler zijn' zoogenaamden vriend toe. „Ik vertrouw de kalmte der Zwitsers niet! Hebt gij op uw' tocht van den Sarnenstein geen gewapend volk gezien?”
„Ja, en heel wat ook! Ze schenen haast te hebben om zich te verzamelen, en ik vermoed zoo dat ze er zoo goed als alles van weten.”
„Dat kan niet! Hoe zouden ze het te weten gekomen zijn? Alles is in de grootste stilte geschied!”
„Hoe weten ze alles? Geszler moest die vraag niet doen! Ik geloofde gisteren nog, dat men Tell en zijn' zoon in de bergen verongelukt waande, nu geloof ik het niet meer. Ik zou zelfs willen voorstellen om dat pijlschot niet hier te laten doen. Op de binnenplaats van den Zwing-Uri zijn we veiliger!”
Geszler keek Beringer minachtend aan en zeide: „Neen, niet op de binnenplaats van mijn' burcht, maar hier op de Markt, en op dezelfde plaats waar hij stond om den Keizer, onzen Hertog te beleedigen, hier zal hij zijne straf ondergaan. Als gij bang zijt, verwijder u dan en verschans u achter de muren van den Sarnenstein. Ik ben geen lafaard en vrees het Zwitsersche gepeupel niet. Ik zal vandaag aan al die schelmen toonen, dat Oostenrijk heerscht over dit oproerige volk!”
Geszler draaide Beringer den rug toe om de noodige bevelen te geven, want Tell was op de strafplaats aangekomen.
Op de Markt stond eene breedgetakte eeuwenoude linde, waaromheen een aantal mannen stonden om voor het oog der toeschouwers wat te verbergen.
Te paard keek Geszler over de hoofden heen en glimlachte toen hij den kleinen Walter daar zag staan.
„Let wel op, Friedel,” sprak hij tot den ons welbekenden deugniet. „Als ik Tell een' pijl overgeef en dan naar de linde wijs, moet ge dadelijk al het volk verwijderen zoodat de knaap heel alleen tegen den boom staat met den appel op het hoofd!”
„Het is goed, Heer! Het zal geschieden,” sprak Friedel.
Geszler reed naar de plaats waar Tell te midden van gewapende Oostenrijkers stond te wachten.
„Geef hem uw' boog, Franz,” sprak hij tot een' der zijnen.
Deze deed het, doch toen Tell den boog in handen had, wierp hij hem neer en zeide: „Kinderspeelgoed! Met dien boog kan ik niet schieten. Gisteren hebt ge mij immers den uwen beloofd, Heer Rijksvoogd, en die is waarlijk nog gebrekkig genoeg!”
„Welnu, hier is hij dan,” sprak Geszler en gaf hem zijn' eigen boog. „Gij vreest niet te zullen treffen en zoekt nu kinderachtige uitvluchten!”
Tell bekeek den boog van alle kanten, wond hem met eene kleine windas op, en na hem, zonder een' pijl er op, eens aangelegd te hebben, sprak hij: „Ik zal treffen, Heer Rijksvoogd!”
„Dat zal te bezien staan, grootspreker,” snauwde Geszler. „Hier is een pijl en,”--hij wees naar de linde,--„daar is uw doel!”
Opeens verliet al het volk, dat om de linde stond, de ruimte onder den boom en...
Kleine Walter stond alleen met den appel op het blondgelokte hoofdje en zijn boogje in de hand tegen den knoestigen stam.
Sterk, ijzersterk was Tell, maar toen hij zijn' oudsten jongen daar zag staan, met het welbekende boogje in de hand, werd de sterke man zwak.
Eene doodelijke bleekheid toog over zijn gelaat, zijne knieën knikten, zijne handen beefden; tranen verduisterden zijne oogen, en hij schreeuwde het uit: „Walter! Walter! Mijn kind!”
„Dag, Vader! Dag, Vader!” riep Walter, en niet denkend aan den appel, en nog veel minder aan het doel waarom hij daar stond, kwam hij met uitgespreide armen op zijn' Vader toesnellen, den appel van het hoofd latende vallen.
Daar was Walter bij Vader, maar... wat deed Vader raar! Geen enkel woord kwam over zijne lippen, en de oogen, die nu geene tranen meer hadden, keken het kind zoo vreemd aan. Geene hand werd uitgestoken om het kind welkom te heeten!
O, zoo, zóó was Vader nooit, neen, nooit geweest!
„Vader! Vader!” kreet Walter, die bang van hem werd.
Daar kwam leven in dat standbeeld!
De armen strekten zich uit en Walter werd opgetild tot vlak voor Vaders mond!
„Kind! Kind!” riep Tell, „hoe komt ge hier?”
Eer Walter hierop antwoord geven kon, kreeg Tell opeens den valsch lachenden Friedel in het oog, en thans begreep hij er genoeg van.
„Wij rekenen af, man!” beet Tell hem toe, en zette Walter neer.
„Kom, kom, moet die zoetsappigheid nog langer duren?” riep Geszler, die met angst steeds meer Zwitsers naderen zag en begreep, dat er gauw een einde aan moest gemaakt worden of Tell's landgenooten zouden het beletten.
„Walter, mijn kind,” sprak Tell, de hand op het hoofdje zijns zoons leggend, „ga nu als een brave jongen naar den boom terug en zet den appel weer op uw hoofd!”
„Ja, Vader!”
„En, en...” Tell's stem haperde, „niet toonen, dat gij bang zijt!”
„Ik ben niet bang, Vader! Waarom zou ik bang zijn? Zelfs Willem, die niet zoo goed schiet als ik, zou lachen om zulk een proefschot!”
„Toch is het een zeer moeielijk schot voor--voor--mij, Walter! Ga nu, ga, kind!”
Met eene houding, die aan een dapper praatsmakertje liet denken, ging Walter naar den boom.
„Friedel, ga, en zet dien kwâjongen den appel op het hoofd,” beval Geszler gejaagd, want van de bergen zag hij eene groote bende gewapende Zwitsers naderen. „Maar haast je!”
„Kwâjongen,” schreeuwde Tell en smeet met een' ruk Friedel op den grond, „mijn zoon is geen kwâjongen! Waag het niet hem aan te raken, Oostenrijksche vlegel! Mijn zoon zal zichzelven helpen!”
Terwijl dit voorviel, was Walter al bij de linde gekomen en met den appel op het hoofd ging hij staan, zooals hij gestaan had.
Friedel was opgestaan en kleine Walter riep hem met eene schelklinkende kinderstem toe: „En nu zal je zien, leelijke heks, dat Vaders pijl niet betooverd is!”
Tell nam den pijl, die reeds op den boog gereed lag, eraf, bekeek hem even, boog den punt een weinig krom, stak hem in den koker, die ledig aan zijne zijde hing, en zeide tot een' Oostenrijkschen boogschutter: „Geef mij een' anderen; want deze pijl deugt niet voor dit doel!”
De boogschutter voldeed aan zijn verzoek en Tell legde nu dezen tweeden pijl op den boog en begon op het doel te mikken.
Wild geschreeuw naderde van alle kanten. Het waren de Zwitsers, die gehoord hadden, wat er gebeuren zou en die de wreedaardige daad wilden beletten.
„Vader, schiet!” riep Walter.
Met bijna bovenmenschelijke kracht bedwong Tell thans zijne aandoening.
Kalm legde hij aan.
„Houd op! Houd op! Niet schieten!” werd er uit de verte geroepen.
Het was de stem van den ouden Walter Fürst.
Eén oogenblik was de hand kalm en het mikkend oog vast als altijd.
„Hemelsche Vader, bestuur den pijl,” bad Tell en...
Snorrend vloog de pijl van den boog, spleet den appel in tweeën en drong diep in den stam.
Geszler, Landenberg en Friedel knarsten op de tanden van woede.
Hun doel was geheel mislukt.
„Waartoe was die pijl, Tell?” vroeg Geszler, die den onvergelijkelijken schutter genaderd was, en nu op den pijl in den koker wees.
„Als mijne hand mijn kind gedood had, laffe moordenaar en verrader, dan was die pijl voor jouw hart bestemd geweest!” sprak Tell somber.
„In de boeien! In de boeien met dien man!” schreeuwde Geszler. „Terstond naar den Zwing-Uri terug! Terstond!”
„Hier! Hier zijn we!” klonk de stem van Walter Fürst over het Marktplein. „Terneer met dien schandpaal! Op! Op! Voor Zwitserland! Den dood aan den Oostenrijker!”
Eenige mannen grepen den bontgeverfden paal met den Hertogshoed aan, rukten hem uit den grond en vertrapten den hoed.
De oude Walter was intusschen naar de linde gesneld waar hij zijn' kleinzoon gezien had.
Het was juist bijtijds.
„Zorg dat we het jong ook houden,” had Geszler tot Friedel geroepen. „Haast je, rep je! Ik rijd met Tell naar den burcht! Voort!”
Gevolgd door een twintigtal lansknechten liep Friedel naar den boom waar kleine Walter vol angst stond te snikken.
Reeds stak Friedel de hand naar het kind uit toen Walter Fürst, gewapend met eene groote bijl, te midden der kinderroovers sprong.
De bijl daalde neer en... Friedels laatste daad was geschied; hij lag ontzield op den grond.
Van alle kanten drongen de Oostenrijkers op den ouden man aan, maar met kleinen Walter op den linkerarm, zwaaide hij met de rechterhand de vreeselijke bijl, en brak er zich dwars door de vijanden baan mede.
Er kwam hulp ook en de Oostenrijkers sloegen in wanorde op de vlucht.
Walter Fürst nam zijn' kleinzoon, die in onmacht gevallen was, van den arm, kuste hem op het bleeke gelaat en gaf hem aan' een zijner mannen over, zeggende: „Breng het kind bij mijne vrouw en kom dan naar den Zwing-Uri! De Vader moet ook bevrijd worden!”
Voor Tell kwam men echter te laat. Deze was met Geszler al binnen den burcht, en de Zwitsers vonden de brug opgehaald en de poort gesloten.
Van alle kanten kwamen nieuwe benden gewapende Zwitsers aan en reeds stond men gereed den burcht te gaan bestormen, toen de oude van Attinghausen en Stauffacher op het tooneel van den strijd verschenen.
„Neen, neen, niet stormloopen!” riepen dezen.
„Wat dan? Tell is daar!” deed Walter Fürst zich hooren. „Zullen we hem aan zijn lot overlaten? Zullen we den beul gelegenheid geven hem te dooden?”