Willem Tell: De Zwitsersche vrijheidsheld
Part 1
OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:
Woorden die gespreid zijn geprint, zijn gemarkeerd met _ _. Vetgedrukte tekst is met = = gemarkeerd. Klein kapitaal is weergegeven door middel van HOOFDLETTERS. Inconsistenties in de spelling zijn niet gecorrigeerd. Interpunctie is stilzwijgend gecorrigeerd. Een lijst met overige correcties bevindt zich aan het einde van de tekst.
[Boekomslag: Willem Tell]
[Illustratie: „O, ik bid u, help mij,” smeekte Baumgarten.]
WILLEM TELL
De Zwitsersche Vrijheidsheld.
Oorspronkelijk geschiedkundig verhaal uit het begin der 14e Eeuw
DOOR
P. LOUWERSE.
MET VIER PLAATJES.
ZUTPHEN, SCHILLEMANS & VAN BELKUM.
INHOUD.
BLADZ.
INLEIDING 1
=Eerste Hoofdstuk.= HET VRIJBOEREN-GERICHT 8
=Tweede Hoofdstuk.= KEIZER, KONING EN VRIJBOER 20
=Derde Hoofdstuk.= EEN VLUCHTELING ONTKOMEN 43
=Vierde Hoofdstuk.= DE WORSTELING IS BEGONNEN 53
=Vijfde Hoofdstuk.= HET LIEVE VADERLAND TEN ZEGEN 70
=Zesde Hoofdstuk.= ACHTER HET NET GEVISCHT 87
=Zevende Hoofdstuk.= EEN KINDERWOORD 104
=Achtste Hoofdstuk.= WALTER EN CLAUS 121
=Negende Hoofdstuk.= TELL'S MEESTERSCHOT EN GESZLER'S PLANNEN 136
=Tiende Hoofdstuk.= TWEE GELUKSBODEN 153
=Elfde Hoofdstuk.= DOOR DE FÖHN VRIJGEMAAKT 165
=Twaalfde Hoofdstuk.= GELUKKIG BEGIN VAN EEN GEWAAGD SPEL 178
=Dertiende Hoofdstuk.= MORGARTEN EN BRUNNEN 194
Inleiding.
Uit onze vaderlandsche geschiedenis weten we reeds, dat Duitschland in de dertiende eeuw geen toonbeeld van orde, welvaart en eendracht was. Wie leerde niet de gebeurtenissen kennen waaraan onze Hollandsche Graaf Willem II, als Roomsch-Koning deelnam? Toen Willem II in 1256 in een' strijd tegen de West-Friezen vermoord werd, was hij nog immer Roomsch-Koning, want de kroning tot Keizer had steeds niet kunnen plaats hebben. Als Roomsch-Koning had hij twee opvolgers: Richard van Cornwales en Alfonso van Kastilië, doch ook geen dezer twee werd Keizer. Men noemt dat tijdperk in de geschiedenis van Duitschland met een vreemd woord „Interregnum” d.i. „Tusschen-regeering.”--Eindelijk werd in 1273 Graaf Rudolf van Habsburg tot Roomsch-Koning gekozen. De Habsburg of Habichtsburg, het stamslot van dezen Graaf, die één der Voorvaderen was van den tegenwoordigen Keizer van Oostenrijk, lag op den Wülpelsberg aan den rechteroever van de Aar, in het tegenwoordige Zwitsersche canton Aargau. Rudolf bleef tot 1291 in leven, doch, hoewel machtiger dan zijne drie voorgangers, kon hij het ook niet zoo ver brengen, dat hij tot Keizer gekroond werd. Zijn heele leven was niets anders dan een strijd tegen Duitsche Vorsten, die hem niet wilden erkennen, en tal van machtige Edelen, die niets anders waren dan Rooverhoofden, die op hunne sterke rotsburchten de schrik van duizenden bleven. Alleen in Thüringen vernielde Rudolf meer dan zestig van die roofsloten. De burgers, kooplieden en landbouwers, die in Rudolf een' beschermer vonden, waren hem zeer genegen, en schonken hem talrijke bewijzen van hunne liefde en genegenheid. Vooral de Zwitsers hielden veel van hem, en dat is niet vreemd. Aan den Habichtsburg,--wij zouden hem „Valkenburg” noemen,--waren uitgestrekte bezittingen verbonden, en hierop woonden lieden, die door Graaf Rudolf als vrijen beschouwd en behandeld werden. Ze hadden zelfs een „Vrijboeren-gericht” en tegen de uitspraak hiervan konden de Edellieden en Ridders uit den omtrek zich niet verzetten, wat deze laatsten moeielijk konden verkroppen. Velen van die vrije boeren leefden zelfs bijna geheel als Edelman, en hadden het recht om bij plechtige gelegenheden zich een zwaard te laten nadragen door een' ondergeschikte.
Er heerschte dus door de milde regeering van Graaf Rudolf zeer veel welvaart in die streken. Gedurende de vele oorlogen, die Rudolf te voeren had, veroverde hij ook Oostenrijk, welk land hij, met goedvinden van de Keurvorsten, als Hertogdom aan zijn' zoon Albrecht gaf. Deze Albrecht van Habsburg was een heel ander man dan zijn' Vader. Wreed kon men hem niet noemen, doch hij was verbazend fier en trotsch, en kon zich met zijn' Vader onmogelijk vereenigen in diens genegenheid voor burgers, boeren, kooplieden en lijfeigenen. Opzettelijk mishandelen zou hij hen wel niet, doch hen beschermen en voorthelpen zou hij nog veel minder. Hij achtte zich van te hooge geboorte, te edel, te voornaam om zich met het Volk op ééne lijn te stellen. Die Vorstelijke hooghartigheid mocht koren op den molen der Ridders en Edellieden zijn, de Zwitsersche vrijboeren en burgers waren er minder mede ingenomen, en het duurde niet lang, of er ontstond in het eigenlijke Graafschap Habsburg, dus in een deel van Zwitserland, een geest van ontevredenheid en verzet. Jammer genoeg kwam er nog iets bij, dat onzen Hertog Albrecht zeer ten nadeele was. Hij had een terugstootend uiterlijk; hij was afschuwelijk leelijk. Niet altijd was hij dat geweest. Als jongeling was hij de schoonste man van heel zijn gebied, en daardoor de lieveling der Adellijke Jonkvrouwen. Een ander schoon, jong Edelman kon niet verdragen, dat hij zoover achter Albrecht stond en toen Albrecht hem bovendien door zijn' trots beleedigd had, besloot hij zich te wreken en gaf hem vergif in. De geneesheren, die terstond geraadpleegd werden, verklaarden eenstemmig, dat er slechts één middel was, dat hem van den dood kon redden. Dat middel bestond hierin, hem bij de voeten op te hangen en hem zoo lang mogelijk in dien toestand te laten blijven, opdat het vergif uit neus en mond loopen kon. Hertog Albrecht talmde niet lang om zich aan die vreeselijke „operatie” te onderwerpen. Met waren heldenmoed onderging hij die pijniging, en--genas. Maar na zijn herstel herkende hij zichzelven niet, want één zijner oogen had hij bij die marteling verloren, en al de trekken van zijn eertijds edel gelaat waren afzichtelijk verwrongen. Wat nog veel erger was, haat, wraakzucht en een verregaand wantrouwen waren zijn boezem binnengeslopen.
In de Middeleeuwen, en zelfs nog ten tijde van Keizer Karel V, ging de Duitsche Keizerskroon niet van Vader op oudsten zoon over. De opvolger des Keizers werd door de Keurvorsten des Rijks gekozen, en was in vele gevallen een heel ander persoon dan die oudste zoon.
Rudolf had gaarne gezien, dat Albrecht gekozen werd, doch de Keurvorsten waren Rudolf niet meer genegen en haatten Albrecht. Zij wisten daarom middelen te vinden om de keuze uit te stellen, en het gevolg was, dat er geen opvolger gekozen was, toen Rudolf stierf. Hertog Albrecht wist zeer goed hoe slecht hij bij de Keurvorsten aangeschreven stond en dat dus zijne kans om de opvolger zijns Vaders te worden zeer gering was, indien hij niet zichzelven als Roomsch-Koning aanstelde. Na den dood zijns Vaders maakte hij zich daarom van Konings- en Keizerskroon, ja, van alle Keizerlijke waardigheids-teekenen meester, en tartte, als Roomsch-Koning bij eigen gratie, alle Keurvorsten, ja, zelfs den Paus. De Keurvorsten waren hierover woedend en kozen bij hunne spoedig belegde bijeenkomst tot Roomsch-Koning Graaf Adolf van Nassau, een dapper Vorst, maar niet machtig genoeg om tegenover den schatrijken en machtigen Hertog Albrecht van Oostenrijk met eenige kans van slagen in het krijt te treden.
De tegenspoed, dien Adolf van Nassau ondervond, deed de Keurvorsten inzien, dat ze eene keuze uitgebracht hadden, welke verkeerd heeten moest, en weldra lieten ze Adolf aan zijn lot over. De slimme Albrecht speelde nu, zooals wij dat zeggen zouden, „aap, wat heb je mooie jongen.” Hij zond al de geroofde Keizerlijke waardigheids-teekenen aan de Keurvorsten terug, en erkende Graaf Adolf als zijn Leenheer en als Roomsch-Koning. Dit viel bij de Keurvorsten in goede aarde, en de een na den ander erkende Roomsch-Koning Adolf, die moedig stand hield, niet meer. Stellig zou deze laatste reeds vroeger het onderspit hebben moeten delven, als Hertog Albrecht niet met Stiermarken en Salzburg in oorlog geweest was. Toch liet Hertog Albrecht den tijd niet geheel verloren gaan met alleen oorlog te voeren. Hij trachtte in stilte zijn' aanhang en macht te versterken door bondgenooten te winnen, wat hem maar al te zeer gelukte.
Zwitserland was in dien tijd een land, dat rechtstreeks aan den Keizer behoorde, onverschillig uit welk huis deze was. Aan elken Roomsch-Koning of Keizer zwoeren de Zwitsers derhalve trouw, en steeds werd het land bestuurd door Rijksvoogden, die door den Keizer benoemd werden. Over de landschappen Schwijz, Uri en Unterwalden waren de Graven van Habsburg Rijksvoogden. En al werden de Habsburgers nu ook al Hertogen van Oostenrijk, toch bleven de genoemde cantons verbonden aan het Keizerrijk, en mocht het niet veel meer dan een toeval heeten, dat hun Rijksvoogd, de Graaf van Habsburg, niet alleen Hertog van Oostenrijk, maar ook Duitsch-Keizer was. Met andere woorden: Rudolf van Habsburg had alleen gezag over hen krachtens zijne waardigheid, als Roomsch-Koning en Keizer. Hetzelfde zou ook het geval met Albrecht zijn, indien deze eenmaal Keizer werd. Hertog Albrecht echter wilde gaarne de Woudsteden, zooals die cantons ook wel eens genoemd werden, onder het rechtstreeksche bestuur van de Hertogen van Oostenrijk hebben, om daardoor zijne macht te versterken. Hiervan wilden echter de Zwitsers, die Graaf Adolf reeds als hun Heer gehuldigd hadden, niets weten, wat bij den heerschzuchtigen en trotschen Habsburger heel wat kwaad bloed zette. Om zijn' zin toch te krijgen, liet hij zijne bezittingen, als Graaf van Habsburg, door nieuwe aankoopen vergrooten. Vooral waren het de kasteelen der Edelen, die hij kocht, want dezen waren hem zeer genegen, omdat hij den boeren een kwaad hart toedroeg. Het verbrokkelde Graafschap werd derhalve steeds meer een geheel, en de Edelen verlieten het om elders zich kasteelen te bouwen, waar de boeren en burgers niet zooveel te zeggen hadden.
Eindelijk had Hertog Albrecht het masker afgelegd en de Keurvorsten kwamen zoover, dat ze Graaf Adolf van Nassau als Roomsch-Koning afzetten. Adolf was er evenwel de man niet naar om zich die afzetting te laten welgevallen en was vast besloten zich in zijn gezag te handhaven. Met behulp van enkelen, die hem trouw gebleven waren, verzamelde hij een leger en trok hiermede Hertog Albrecht, die zich aan het hoofd van zijn eigen en een deel van het rijksleger geplaatst had, tegemoet.
De uitslag was voor Adolf treurig, want hij sneuvelde den tweeden Juli 1298 bij Gellheim, niet ver van Worms en Spiers.
Om de Keurvorsten nog meer te verblinden, speelde Albrecht opnieuw den edelmoedige, en hield zich, alsof hij de Duitsche kroon niet begeerde.
„Zulk een man verdient de kroon meer dan eenig ander,” dachten de Keurvorsten en in de eerste bijeenkomst reeds werd Albrecht tot Roomsch-Koning gekozen. Thans nam de huichelaar de benoeming aan, en reeds in Augustus van hetzelfde jaar werd hij te Aken gekroond.
Omstreeks dezen tijd begint het verhaal, waarin Willem Tell eene hoofdrol spelen zal.
Ik moet echter vooraf zeggen, dat zeer vele geschiedvorschers ontkennen, dat er ooit een man geleefd heeft, die Willem Tell heette, en die oorzaak was, dat niet alleen het heele Graafschap Habsburg met alle aanhoorigheden voor het Oostenrijksche Huis verloren ging, maar dat ook heel Zwitserland eene Republiek werd, welke zelfs ophield een Rijksleen van den Keizer te zijn.
Komt men echter in Zwitserland, dan moet men het niet wagen om de geschiedenis van Willem Tell in twijfel te trekken, want geen enkele Zwitser wil er iets van weten, het bestaan hebben van zijn' nationalen held te ontkennen. Voor de Zwitsers is en blijft Tell de grondlegger van hunne Republikeinsche vrijheid.
Wie van de twee partijen ik gelijk geef? Ik durf het niet zeggen. Ik beweer dus niet: „Willem Tell heeft nooit geleefd,” en evenmin zeg ik u, als waarheid: „Willem Tell heeft wel geleefd!”--Ik geef u alleen het verhaal, zooals ik meen het te mogen geven, en zooals ge het zeker dikwijls genoeg tendeele hebt hooren vertellen. En omdat er gebeurtenissen in voorkomen, welke werkelijk hebben plaats gehad, en omdat ik er de zeden en gewoonten van de Zwitsers van dien tijd in schetsen zal, durf ik het gerust een historisch verhaal noemen. Ik hoop dat het lezen er van u allen zulk eene aangename uitspanning zal zijn, als het vertellen er van dit eeuwen lang geweest is voor ieder, die nog dwepen kon met vaderlandsliefde. Vooral voor ons Nederlanders had dit verhaal steeds veel aantrekkelijks, omdat we den strijd van de Zwitsers in overeenstemming brachten met onzen strijd tegen Spanje.
[Decoratie]
EERSTE HOOFDSTUK.
Het Vrijboeren-gericht.
Het was een heerlijk schoone dag achter in Augustus van het jaar 1298.
Met ongetemperde kracht had de zon al dagen lang geschenen, wat het loof der boomen misschien nog in kracht deed winnen, wat de druif en andere vruchten deed zwellen, doch dat de hoog gelegen Alpenweiden op sommige plaatsen een dor aanzien gaf.
Maar aan de oevers van het Vier Woudsteden-meer werd men van dat minder schoone niets gewaar. Alles groende en bloeide daar, en vroolijk stoeiden de stralen der gouden zon met de dartele golfjes van het prachtig gelegen meer.
Het was een dag, midden in de week, zoodat de werkzame bewoners in deze welvarende streek, druk aan den arbeid waren.
Niet alle mannen echter waren aan het werk, en sommigen schenen zelfs een soort van feest- of rustdag te houden.
Af en toe zag men op het meer bootjes verschijnen, welke alle in dezelfde richting gestuurd werden, terwijl mannen, die niet behoefden te varen, te voet in dezelfde richting van de bootjes, voortgingen.
Over hen, die voeren, viel niet te oordeelen, hoe ze gekleed waren, daar de bootjes zich te diep op het meer bevonden om de personen goed te kunnen onderscheiden. Zij, die den tocht te voet maakten, kon men echter naar hartelust van alle kanten opnemen. Wij willen niet allen bekijken, het zou eentonig worden, doch één willen wij eens goed bezien.
Hij is een man van stellig boven de vijftig jaar, want in den zwaren, vollen knevelbaard loopt al menig grijs haar. Zijne rijzige en toch forsche gestalte toont spierkracht, zijn donker blauw oog vriendelijkheid, zijn hoog gewelfd voorhoofd helder verstand, en zijne vastgesloten lippen zeggen, dat hij veel wilskracht hebben moet. Zijne kleeding, hoewel niet bont en schitterend, is fijn, en getuigt van welvaart. Achter hem loopt een jong man, eenvoudig gekleed. Hij draagt een groot slagzwaard op de beide half uitgestoken armen. De oudere is een Zwitsersche Vrijboer, alleen met God en den Keizer boven zich, en het slagzwaard, dat hem nagedragen wordt, is het teeken van zijne Zwitsersche vrijheid. Zulke Vrijboeren, als hij er een is, zijn er velen in de bergen, en ze vormen den eigenlijken Adel van het land sinds eeuwen her. De Edelen en Ridders, die in versterkte kasteelen wonen, zijn, in het oog van den Vrijboer, geene Zwitsers. Zwitser alleen is hij, die op de begraafplaatsen wijzende, kan zeggen: „Daar rusten mijne Voorvaderen, die hier reeds woonden ten tijde van het verval der Romeinen. Zij heetten Allemanen, en onderwierpen niet alleen de toenmalige bewoners, die Helvetiërs heetten, maar verdreven ook de Romeinen.”
Zonder dat wij hen zoo goed bekijken, als dien eenen Vrijboer, zien we wel dat allen, die hem voorgaan of volgen, op dezelfde manier zich een zwaard laten nadragen, zoodat ze allen Vrijboeren of Vrijburgers uit de steden zijn.
Allen, die samen gaan, houden drukke gesprekken met elkander, en blijkbaar is het over een zeer gewichtig en niet heel vroolijk onderwerp.
Wij volgen hen en komen op eene groote bergweide. In het midden er van staan eenige zware en blijkbaar zeer oude eikeboomen. Tusschen twee van die boomen hangt een buitengewoon groot, blinkend metalen schild, en naar de met zitsteenen afgesloten ruimte om die boomen begeven zich niet alleen zij, die den weg te voet aflegden, maar ook zij, die in bootjes over het meer kwamen.
Die weide heet de Rütli, en is al sinds eeuwen de plaats waar de gekozen Overheden op bepaalde tijden samen kwamen om recht uit te oefenen, of om de belangen van het gemeenschappelijke Vaderland te bespreken. Reeds de eiken, eenmaal aan Wodan, den Hoofdgod der Germanen, gewijd, zeggen ons dat zij, die hier vóór eeuwen vergaderden, Germanen waren en--Wodan-dienaars. Zij, die zich hier bevinden, zijn sinds lang Christenen, en aan die eiken bewijst men niet meer den eerbied, alsof ze de woonplaatsen der Godheid waren. Maar Germanen zijn ze gebleven in hart en nieren, en de Rütli is hun heilig.
Er heerscht onder de menigte binnen de besloten plek een oorverdoovend leven; de een spreekt al harder dan de ander, want allen willen, dat hunne woorden gehoord worden.
En waarover ze het hebben?
Waar het hart vol van is, daarvan loopt de mond over. Bijna allen hebben het over den Hertog van Oostenrijk en de Edelen, die hier in deze gouwen op hunne burchten wonen, en die al doen, wat ze kunnen, om den vrijen burger en vrijen boer te plagen en te sarren, ja, niet zelden te onderdrukken. Menige vuist wordt gebald en dreigend opgestoken tegen de enkele burchten, die van de Rütli af nog zichtbaar zijn. De meeste vuisten en woedende blikken en gebaren gelden echter den burcht van Hermann Geszler von Bruneck, in de wandeling bijna nooit anders dan eenvoudig „Geszler” genoemd. Geen is er, dien ze meer haten dan hem, en geen is er, die hen meer haat dan hij, of het moest de Hertog zijn. En de haat der boeren en burgers is des te feller, omdat die twee de zoons zijn van Vaders, die het ten allen tijde goed met het Volk gemeend hebben. De andere Ridders zijn òf vreemdelingen, door den Hertog op zijne aangekochte burchten, als Slotvoogden, geplaatst, óf geboren Zwitsers, doch van Ouder tot Ouder mannen, die nimmer zich met het Volk inlieten. Van hen had men nooit iets anders verwacht dan vijandschap, doch van Geszler en den Hertog had men heel wat anders gehoopt.
Maar wat de eigenlijke reden is dat de „Landamman” Werner Stauffacher uit Schwyz het „Vrijboeren-” of „Mannen-gericht” opgeroepen heeft, men weet het niet. Maar dat het gewichtige redenen moeten zijn, dat beseft ieder, want het is een ongewone tijd om te vergaderen.
Eindelijk zullen wij te weten komen, waarom we van ons werk geroepen werden om hier te verschijnen. Zie, daar komt de „Landamman”, de oude „Stauffacher,” spreekt één uit den hoop, en wijst naar den kloeken man, dien we opmerkzaam beschouwd hebben, terwijl hij, gevolgd door zijn zwaarddrager, kalm, doch met vasten tred voorwaarts schreed.
Hij treedt de ruimte binnen, en vol eerbied, doch zonder slaafsche onderdanigheid, maken allen plaats en verschaffen hem doorgang tot onder de eiken, waar eene zitplaats voor hem is. Het is echter geene bank of geen stoel, het is niets anders dan een groot rotsblok.
Hij zet zich neder, en terstond wijzen zes mannen, die ieder een' witten staf van afgeschild hout dragen, aan allen, die opgekomen zijn, hunne zitplaatsen aan.
Er komt stilte.
De zes mannen, „Waibel” of „Dienaars” geheeten, plaatsen ze zich drie aan drie naast de zitplaats van den „Landamman.”
De „Landamman” neemt even den hoed af, de „Waibel” heffen de staven omhoog, en op hetzelfde oogenblik slaat een ander dienaar met eene groote strijdbijl hard tegen het opgehangen schild, dat een' doordringenden toon geeft, welke tot ver in de omtrek gehoord wordt.
Een slag met een' houten hamertje en een: „Ik open de vergadering” of „De vergadering is geopend” is, wat men in onze tegenwoordige bijeenkomsten hoort.
Hier evenwel spreekt de „Landamman” geen woord van „openen.” De schildslag wordt voldoende geacht, en nauwelijks zijn de krachtige geluids-trillingen weggestorven, of hij staat op en zegt:
„Vrijburgers en Vrijboeren van Schwijz, Uri, Unterwalden en Zürich! Ik heet u allen welkom op de Rütli, waar ik u samen riep om eene gewichtige tijding mede te deelen en een voorstel te doen.
De tijding is deze. Onze Koning Adolf van Nassau is niet meer; hij is gevallen als man, en als een man van wien Bernard, Aartsbisschop van Trier getuigde: „Het dapperste en vroomste hart heeft opgehouden te kloppen!””
Hij zwijgt even. Eene rilling overvalt ieder en in menig oog blinkt een traan. Geen vrije Zwitser, of hij hield zielsveel van den goeden Koning Adolf.
„Gij weet het,” dus vervolgt Heer Werner, „dat de Keurvorsten hem afgezet hadden, omdat zij zich vangen lieten door het lokkend gefluit van den Oostenrijker.”
„Schande over de Keurvorsten!” roept Arnold Melchtal, een oude Vrijboer uit Unterwalden, uit.
„Ze verdienen in den Kerkban gedaan te worden, de vuige lafaards!” laat Walter Fürst, uit Uri, zich hooren.
„Ik stem met u in,” herneemt Stauffacher, „doch laat mij vervolgen. Alleen Heer Bernard, de nobele Aartsbisschop van Trier, en de burgers uit de voornaamste Rijnsteden bleven onzen Koning getrouw en beloofden hem hulptroepen te zenden, om den strijd tegen den huichelenden Oostenrijker voort te zetten. Rudolf die zich in het oog der Keurvorsten verdienstelijk wilde maken, verzamelde een leger en trok Koning Adolf tegemoet, en deze, te veel vertrouwend op zijne rechtvaardige zaak, wachtte niet tot de beloofde hulpbenden verschenen waren, maar viel den tweeden Juli, met veel te geringe strijdkrachten, bij Gellheim, niet verre van den Donderberg en in de nabijheid van Worms, zijn' vijand aan. Den Oostenrijker in persoon te bestrijden was het doel van onzen dapperen Koning, doch de huichelaar ontweek dien kampstrijd, en gaf, tegen alle Riddereer in, bevel de paarden van den Koning en de zijnen te treffen. Koning Adolf deed wonderen van dapperheid. Blootshoofds streed hij, want den helm had hij in den strijd verloren, en het eene paard na het andere bezweek onder hem. Eindelijk, eindelijk stond hij tegenover zijn' vijand en riep dezen toe: „Hier zal uw Rijk en uw leven eindigen.”
„Rijk en leven zijn in Gods hand,” antwoordde de Oostenrijker, die zeker wel zag, dat het overwinnen van zijn' afgematten tegenstander hem heel gemakkelijk zou vallen.
En--Koning Adolf viel!!”
Hier zweeg Stauffacher weer.
„Maar de haan des Oostenrijkers zal geene overwinning kraaien,” riep Walter Fürst uit. „Den kroonjuweelendief durven de Keurvorsten niet tot Roomsch-Koning verkiezen!”
„Het zou eene schande voor alle eeuwen zijn,” klonk luide de stem van den stokouden Willem Tell, een Vrijboer uit Bürglen in Uri.
„Schande, schande over den Oostenrijker!” riep een ander, en al de aanwezigen schreeuwden het verward door elkander na.
Het was gedurende eenige oogenblikken, alsof er een storm van geluiden woedde.
Stauffacher gaf den man bij het schild een teeken, en opnieuw klonk het luid trillend geklank.
Alles werd weer stil en Stauffacher, die nog altijd vóór zijne zitplaats stond, vervolgde: „Wat wij geen van allen ooit gewenscht hebben, maar wat wij allen toch vreesden, is gebeurd: De Keurvorsten hebben Hertog Albrecht van Oostenrijk tot Roomsch-Koning gekozen, en wij, wij moeten hem huldigen en trouw zweren, want Zwitserland is een Rijksleen, dat wascht al het water van het Vier Woudsteden-meer niet af. En na u de tijding gebracht te hebben, doe ik het voorstel: Eenigen onzer zullen naar Straatsburg gaan, waar de nieuwe Keizer zijn Hof heeft. Zij zullen hem de hulde van de Woudsteden brengen en onze vrijheid en onze rechten hem aanbevelen. Hij trede voor, die over dit voorstel wat in het midden te brengen heeft.”
Thans zette de „Landamman” zich neder.
De Vrijboeren en Vrijburgers keken elkander vragend aan, en het scheen, dat het voorstel allen zóó verrast had, dat ze niet wisten, wat ze zeggen moesten.