Willem Roda: Een jongensboek

Part 9

Chapter 94,156 wordsPublic domain

Nu zou er onvermijdelijk broodgebrek in de hut gaan heerschen, indien hij geen middel vond, wat te verdienen; en hij vond het.

In ’t dorpje Eerbeek waren eenige papierfabrieken, enkele door het water uit het beekje, de meeste door stoom gedreven.

In de laatste moest, nu het bevroren beekje zijn drijfkracht weigerde, dag en nacht doorgewerkt worden, om alle bestellingen uit te voeren. Willem vroeg en kreeg werk. Hij werkte de ééne week ’s daags, de andere ’s nachts, en verdiende zestig centen in de twaalf uren.

Zijn werk was spoedig geleerd. Snippers uitzoeken is dan ook geen moeilijk ambacht, maar ’t is geestdoodend. Toch hield hij het den ganschen winter vol; het loon hoe gering ook, verzoette den arbeid. Wanneer hij ’s morgens of ’s avonds de weinige centen in de hut bracht, kon het gezicht van Vrouw Branse met de harde, afgewerkte gelaatstrekken soms zooveel innige dankbaarheid uitdrukken, dat hij de doorgestane verveling vergat.

De oude menschen wilden geen „rooie” cent meer aannemen, dan ze hoog noodig hadden, zoodat Willem vaak meer dan de helft van zijn dagloon overhield.

Dikwijls bracht hij uit Eerbeek iets mede naar de hut; nu eens een kleine versnapering; een stukje snijkoek of kaas, dan weder een plank, een lat of wat spijkers.

Oldejan timmerde, nu hij geen naalden meer kon zoeken, van den morgen tot den avond; en langzamerhand kreeg de hut een geheel ander aanzien. De plaggen en vodden, die haar dekten, werden door planken vervangen en de vloer met hout belegd.

’s Zondags was er meer dan eens een stukje vleesch in den pot.

De oude vrouw kon geen woorden vinden om aan hare dankbaarheid jegens Willem uitdrukking te geven; Branse zei gewoonlijk:

„Ik dank oe niet, ie bint een middel in Gods hand, om de onrechtveerdigheid der menschen weer goed te maken.”

Alle drie zouden zich geheel gelukkig gevoeld hebben, indien de oude menschen hun Jongejan bij zich in de hut hadden gezien, en indien Willem slechts iets van zijne ouders had vernomen. Hij mat de ongerustheid van zijn moeder, die niet wist, waar haar kind in den strengen winter rondzwierf af, naar het verlangen van vrouw Branse naar haar zoon. Op het laatst vond hij nergens rust noch duur; hij wilde, hij moest een middel vinden om zijn ouders te doen weten, waar hij was en hoe het hem ging. Een Engelsch spreekwoord zegt: Waar een wil is, daar is een weg. De wil was er en de weg werd gevonden.

Een brief, die natuurlijk het postmerk van het kantoor van afzending moest dragen, was te gevaarlijk; eenige andere middelen werden om dezelfde reden even spoedig verworpen, als ze verzonnen waren. Eensklaps kreeg Willem een goede gedachte.

„Als we Jan, den soldaat, eens een brief schreven, dat hij hier acht dagen met verlof moet komen, dan zijn we beiden geholpen!” riep hij uit en sloeg in zijn blijdschap over den gelukkigen inval met de vuist op de pas gemaakte tafel. „Dan kan hij nog zes dagen hier blijven, en in de twee overige voor mij naar Amsterdam gaan.”

„Heere mien tied, daor zol ik mien pink veur willen missen”, schreeuwde vrouw Branse.

„Dat mot gebeuren”, zei Jan bedaard.

De brief werd geschreven, en Jongejan kwam. Het was een vlugge vent, die in de stad, waar hij in garnizoen lag, veel van de gewone linkschheid der heidebewoners had afgelegd. Hij was uitmuntend voor de boodschap naar Amsterdam geschikt en bracht ze naar wensch ten uitvoer.

Willems ouders waren gezond. Zijne moeder had den soldaat met tranen in de oogen de hand gedrukt voor zijn blijde boodschap. Zijn vader ried hem nog eenige maanden te blijven, waar hij zoo goed verborgen was, en dan, als hij het wagen durfde, voor één dag, zoo mogelijk vermomd, een bezoek in Amsterdam te komen brengen. Nu reeds thuis te komen, zooals zijne moeder wenschte,—had zijn vader gezegd,—zou roekeloos zijn, daar de politie hun woning in het oog hield.

Willem was vast besloten het bezoek over eenigen tijd te wagen: hij rekende stellig op welslagen ook zonder vermomming; temeer nu hij, in de anderhalf jaar sedert hij van huis was, zooveel gegroeid en zoozeer veranderd was, dat—zoo hij meende—zijn moeder zelve in den gebruinden en gespierden boerenknaap, met zijne vereelte knuisten en breede schouders, haar mager opgeschoten zoontje met witte, fijne, aristocratische handjes, nauwelijks zou herkennen.

Hij werkte nu met verdubbelden ijver op de fabriek, zoodat het zijn patroon wel in ’t oog moest vallen, en deze hem opslag gaf. Toen de fabrikant eens bij toeval bemerkte, dat Willem de deelen der stoommachine bij name kende, nam hij hem van de snipperkamer af, plaatste hem bij den machinist en verdubbelde zijn loon.

Nu verdiende Willem geld genoeg om zich in een paar maanden een boerenpak aan te schaffen en ruim reisgeld over te houden.

Jan Branse en zijn vrouw hadden hem niet meer noodig. Jongejan was teruggekomen; een request, door den eigenaar der papierfabriek op Willems verzoek ingezonden, had uitgewerkt, dat de strafdiensttijd van den eenigen zoon op één jaar in plaats van op vijf werd gesteld.

Toen de eerste rozen bloeiden, vertrok Willem, na vrouw Branse stellig beloofd te hebben, vóór hij de wijde wereld inging, nog eens in de hut, die nu bijna een huis geworden was, terug te keeren.

Pollo jankte nog, toen Willem reeds met den beurtschipper te Harderwijk onderhandelde over de passagiersvracht van de overvaart naar Amsterdam.

HOOFDSTUK VIII.

Urenlang had Willem reeds omgezworven in den omtrek van de woning zijner ouders, in de hoop zijn zuster of zijn vader te ontmoeten. In de straat zelve durfde hij zich echter niet vertoonen, uit vrees, dat de buren, die misschien zijn vlucht vernomen hadden, hem ondanks zijn veranderd uiterlijk zouden herkennen.

Honderdmaal had hij reeds de dwarsstraat, die de lange straat, waarin zijn ouders woonden, rechthoekig sneed, op en neder gewandeld. Op den hoek staande, kon hij zeer goed de drie vensters zien en duidelijk de huisdeur onderscheiden. Scherp vatte hij die telkens, als hij op het kruispunt der twee straten gekomen was, in het oog; de gordijnen waren opgetrokken en nu en dan meende hij er achter iets te zien bewegen; doch de deur bleef hardnekkig gesloten.

Den tijd, die er noodig was, om van de woning deze of de volgende dwarsstraat te bereiken had de ongeduldige jongen op de gis berekend; „het kon niet langer duren, dan hij noodig had om met zijn haastigen stap naar het kruispunt terug te keeren. In de laatste drie uren was er derhalve niemand het huis in- of uitgegaan. En er moeten toch boodschappen gedaan worden; een meid houden ze thuis niet meer,” dacht Willem, dien het eindelooze wachten in een onaangename stemming bracht.

De schaduwen werden langer; de zon bescheen nog slechts den nok der huizen, en allengs kreeg de straat een somberder aanzien.

Willem nam een kloek besluit. Indien het volgend uur verstreek zonder dat iemand van zijn familie het huis verliet, zou hij het wagen aan te schellen.

Met een van verlangen kloppend hart ving hij weer aan, de dwarsstraat op en neder te loopen. Zijn hoop, zijn zuster of zijn vader te ontmoeten, werd met iedere minuut minder en zijn verlangen met elken harteklop sterker.

De schemering brak aan. In sommige winkels werd licht ontstoken.

Zoo dicht bij zijn vader en zijn moeder te zijn, die hij in zoo langen tijd niet gezien had, en ze niet te durven naderen, het was immers niet langer uit te houden.

Een politieagent had reeds lang, zonder door Willem, wiens gedachten zich uitsluitend met zijn familie bezighielden, opgemerkt te zijn, den onvermoeiden wandelaar gadegeslagen.

Juist toen Willem weer op den hoek was gekomen en met zichzelf overlegde, of het niet beter zou zijn een blok huizen om te loopen en van de andere zijde zijn ouderhuis te naderen, klopte de agent hem op den schouder:

„Ze schijnt maar niet te willen komen, he?” vroeg hij met een veelbeteekenend glimlachje.

Willem keek verschrikt om; op het gezicht van den helm en de koperen knoopen meende hij door den grond te zinken; al zijn bloed schoot hem naar het hoofd:

„Nou, kleur maar zoo niet; een boerenjongen mag ook wel een vrijster hebben!” beweerde de man der wet en sloeg den bevenden jongen famieljaar op den schouder.

Verbaasd sloeg Willem de oogen op; een blik op het domme gezicht met kalfachtige oogen van den agent overtuigde hem, dat hij niet met een geslepen rechercheur te doen had en gaf hem zijn bedaardheid weder.

„Wi’j is opstêken?” zeide hij in Veluwsch dialect en hield den agent een zakje sigaren voor.

„Dat za’k niet riffezeeren; ik slâ niks af als vliegen en dan mutten ze mie nog stêken ook. Jâ,” ging de man op Willems verwonderden blik voort, „ik bin ook van de Hattemsche kaante van daon; wie zind lansluu, dat zag ’k dadelijk an oe pette!” En hij voegde er in éénen adem, steeds in dialect bij:

„Waar dient ze? zeker ook een „maagien” van buten?”

Met innig welbehagen zoog hij de eerste geurige dampen op, liet ze door den neus weer uit, beschouwde met de grootste opmerkzaamheid zijn sigaar van alle zijden en blies het vuur wat aan.

Willem keek den agent intusschen oplettend aan; de gedachte aan een valstrik liet hij onmiddellijk varen. Geen zweem van sluwheid, die toch eigenlijk bij het ambt behoort, was op het onnoozele gelaat te ontdekken, waaraan zelfs de helm niets krijgshaftigs kon bijzetten; het was op end’op een boer en een sul op den koop toe.

„Ja,” zei Willem voor de grap en in zulk plat Overveluwsch, of hij dien dag voor het eerst uit de hei in een stad kwam. „Ja, we hebben al lang verkeering gehad en we zouden al lang getrouwd geweest „hebben” als der „meuje” niet gestorven was!”

„Zoo is het mij ook gegaan; ik kos op het land niks niemendal meer verdienen en toen ben ik naar Amsterdam getrokken; ik wou brievenbesteller worden, dat is mijn neef hier ook, maar ik kon die „vervluukte” straten niet uit malkander houwen en toen ben ik maar „diender” geworden. Maar waar dient je „maagien” nou eigenlijk?”

„Daar boven dien manufactuurwinkel; ken je die lui?”

„Of ik! daar hebben we vergangen zomer een „spul” mee gehad!”

„Wat dan?” vroeg Willem zoo bedaard en onverschillig als hem bij zijn innerlijke onrust slechts mogelijk was.

„Moet je begrijpen! Daar moet een jongen thuis geweest „hebben” die naar de Schans is gebracht en vandaar weggeloopen is. We hebben toen huiszoeking gedaan en de heele woning doorgesnuffeld, in de bedsteden, in de kasten, op den zolder, achter de turven, overal waar maar een „gaagien of een hokkien” was, hebben we gezocht.”

„En heb je hem niet gevonden?”

„Neen hoor, hij was er niet, dat kun je me gelooven!”

„Nou, en toe?”

„Nou en toe hebben we nog wel drie maanden „zurvejanse” gehad; alle dag rapport brengen bij den commissaris, wie der in- en wie der uutging; maar niks niemandal, hoor! as een „grieskop” en de lui van het huis. En nu moeten we nog achtgeven, of er ook altemet een jongen van een jaar of zeventien ingaat; maar geeneen agent, die hier op post was, heeft nog iets gezien, dat op het signalement lijkt.”

„Heb je een signalement van dien jongen?” riep Willem in vroolijke verbazing over de snuggerheid van den boer.

„Nou, òf ik! en wat een!” zei deze en sloeg met een gebaar vol trots op zijn borstzak. „Daar zit het, ik ken het al uit het hoofd; lang één meter zeventig; oogen blauw; neus gewoon; mond gewoon; ooren gewoon; haar blond, kort afgesneden en nog veel meer staat er in!”

„En zou je die jongen nu kennen, als je hem zag?”

„Nou òf ik! ik heb dat papier al zoo vaak gelezen, dat het net is, of ik hem zoo vóór me zie staan.”

„Dat geloof ik best!” bromde Willem binnensmonds en kon een glimlach niet onderdrukken.

„Kiek, daar heb je krèk de juffer, die er thuis woont! dat is eerst een deern! die heeft ons zelf den weg gewezen, de moeder deed niks als „grienen”.”

Een schok ging Willem door de leden, en de glimlach bestierf hem op de lippen. Door het geklap van den agent afgeleid, had hij eenige oogenblikken de huisdeur uit het oog verloren, en nu ging daar op vijf pas afstands zijn zuster voorbij. Ze droeg een grijzen regenmantel, en voor zooveel hij bij het schemerlicht zien kon, was ze bleek en vermagerd.

Willem stond op heete kolen. „Roep haar, loop op haar toe, sluit haar in je armen!” zei zijn hart en duwde hem voort. „Blijf staan, verraad je niet! de agent krijgt achterdocht!” zei zijn hoofd en hield hem terug. En hoofd en hart kampten zoo hevig met elkaar, dat hij niet in staat was te spreken en in een soort van bedwelming op zijn plaats wankelde. Hij hoorde eerst, toen de agent voor de tweede maal vroeg:

„Wat mankeert je, kameraad?”

„Och, niets bijzonders!” antwoordde Willem met een stokkende stem, „een beetje duizelig, misschien ook wel van de sigaar. ’t Is al weer over.” En hij liet er zoo bedaard, als zijn ontroering het toeliet, onmiddellijk op volgen:

„Komaan, ik zal maar gaan; der komt toch van avond niets van.”

„Neen, dat zou ’k ook denken, as de juffer uitgaat, moet de meid thuis blijven; dat sluit as een „busse”!”

„Genâvond!”

„Van ’t zelfde!”

Willem volgde zijn zuster; hij durfde niet snel loopen, zoolang de agent hem nog zien kon, en zijn zuster scheen juist sneller te gaan loopen. Gelukkig! ze sloeg een zijstraat in, die nog in aanbouw was; daar zou hij haar gemakkelijk in het oog kunnen houden.

Eindelijk was hij achter haar, maar wist niet hoe hij het aanleggen zoude, om haar niet te doen schrikken. Hij had al een paar malen gekucht en gehoest, ze scheen het niet te bemerken. De straat was zoo ledig, dat men er wel met een mitrailleuze door heen kon schieten, zonder gevaar te loopen iemand te treffen, en Willem waagde het dan ook, Emilia zacht bij haar naam te roepen.

Tot zijn verbazing keerde ze zich, zonder den minsten schrik, ja zelfs zonder zich verwonderd te toonen, om, en drukte haar broeder na behoedzaam rondgezien te hebben, hartelijk de hand. Ze antwoordde, terwijl ze Willem onder den arm nam en meetroonde, op zijn vraag, waarom ze zich niet verwonderde:

„Och, jongen, ik heb je al twee uur lang zien schilderen. We hebben beiden, moeder en ik, doodsangst uitgestaan, dat je zou aanschellen en toen die agent je op den schouder tikte, dachten we niet anders, of je werd gearresteerd. Moeder viel bijna flauw van schrik.” Het trillen van haar stem verried haar ontroering, hoewel ze uiterlijk kalm scheen.

„Laten we nu dadelijk naar huis gaan, Emilia!” drong Willem en wilde met zijn zuster terug.

„Nee, onvoorzichtige jongen, laten we kalm doorloopen, alsof er niets gebeurd is en wat zachter spreken. Onze woning wordt stellig nog gesurveilleerd. Straks ga ik alleen naar boven en laat de deur op een kier staan. Als alle winkels gesloten zijn, kom jij zachtjes naar boven; eerder waag je het niet, hoor; denk er aan, al ben je nu ook grooter dan ik, nog altijd blijf ik de baas. Ook moet ik zekerheid hebben, dat er geen vreemde bij ons thuis is; ’t is wel niet waarschijnlijk, maar ook niet onmogelijk. Als alles veilig is, trek ik een gordijn hoog op en laat ik het andere zakken. Willem, laat je niet door je verlangen meeslepen en bega geen dwaasheid,” besloot Emilia op een bijna smeekenden toon, die een innige liefde voor den wedergevonden broeder verried. Willem zuchtte, en besloot den verstandigen raad van zijn zuster op te volgen, hoe zwaar hem het uitstel ook viel. Een korte poos wandelden beiden zwijgend verder.

„Hoe heb je me zoo spoedig herkend in mijn boerenpak en met mijn gebruind gezicht, Milie?”

„Ik zou je misschien niet op ’t eerste oogenblik herkend hebben, Willem. Je bent erg veranderd; moe daarentegen zag en herkende je onmiddellijk en al in de verte; ze zit dan ook sedert je vlucht geregeld op den uitkijk. In de eerste weken vol angst, dat je komen zou, toen de rechercheurs nog voor het huis zwierven, als de honden voor een slagerswinkel; later met de stille hoop je ongemerkt boven te krijgen en je een poos bij haar te houden.

Elken morgen ging moeder, zoodra ze gekleed was, soms nog voor daglicht, voor het venster zitten en dan tuurde ze de straat in tot het donker werd en ze niets meer kon onderscheiden. Ze wilde niet hebben, dat vader of ik haar aflosten. „Als hij komt, wil ik hem het eerst zien,” zeide ze dan, „en komen doet hij zeker, is het vandaag niet, dan morgen!” Toen eindelijk je bode kwam, toen waren we uit de onzekerheid verlost, en in den laatsten tijd moesten we zelfs elken middag de eettafel voor het venster schuiven, want moeder wilde niet meer naar achter komen om te eten.

„Ze wilde je het eerst zien en ze heeft je het eerst gezien; ik zag haar van middag bleek worden, en opstaan, ze wankelde; spreken kon ze niet; ze wees met bevenden vinger naar den hoek van de straat en toen zag ik je ook.

„Met geweld moest ik haar tegenhouden dat ze niet op straat ging; gelukkig begreep ze, dat ik gelijk had en toen schikte ze zich naar mijn plan.

„Ja, Willem we hebben een verschrikkelijken tijd doorgebracht!”

„Maar het zal beter worden, Emilia, het zal beter worden, dat beloof ik je; ik weet wel, wat ik doen zal!” zei Willem en deed zich geweld aan om niet in snikken uit te barsten.

„Wat je doen wilt, zullen we van avond wel eens bespreken, Willem. Kom, houd je nu eens cordaat. Vader zal nu wel thuis zijn van het kantoor, en moeder wacht hem zonder twijfel met het heuglijk nieuws aan de trap.”

„Van het kantoor? Wat? Is vader dan weer zaken begonnen, houdt vader weer kantoor?” riep Willem blijde en luider uit dan voor zijne veiligheid dienstig was.

„Neen, dat niet!” antwoordde Emilia op gedempten toon, en haar stem haperde, „maar je moet het toch weten, vader is boekhouder geworden, het stilzitten begon hem te vervelen.”

„Dat is niet waar Milie, dat zou vader niet doen, als de nood hem er niet toe dwong. Mijn schuld is het, ik heb hem nog armer gemaakt,” en tusschen de op elkander geklemde tanden herhaalde hij tweemaal, driemaal, terwijl zijn vuisten zich balden: „’t Zal anders worden, dat verzeker ik je!”

Broer en zuster spraken nog langen tijd samen en wandelden door de stille wijken van de nieuwe stad; eindelijk liet zij hem alleen.

„Nu Willem, tot straks; wees kalm als je thuis komt, anders komt moeder den geheelen avond niet weder tot bedaren.”

Een uur later sloop Willem als een dief de ouderlijke woning binnen. Groot was aller blijdschap weer vereenigd te zijn; jammer slechts, dat de vreugde getemperd werd door de vrees, ontdekt te worden en door het bewustzijn, dat het samenzijn slechts kort kon duren.

Om zijn moeder genoegen te doen, verwisselde Willem op haar verlangen zijn grove boerenkleeding met zijn voormalige zondagskleeren, die nog altijd in de kleerkast hingen, en door moeder zorgvuldig bewaard werden.

Maar een schaterlach ging er op toen hij weer binnenkwam. De mouwen van het buisje reikten bijna tot aan de ellebogen; de broek spande als een rijbroek, en de pijpen kwamen nauwelijks tot aan de knieën. Geen knoop was meer dicht te krijgen; de armen kon hij niet meer buigen en bij elke beweging barstte een naad. De poging werd dan ook spoedig opgegeven, en het boerenpak weer aangetrokken.

Het was reeds laat in den nacht, en geen van allen dacht nog aan naar bed gaan. Er was ook zooveel te vertellen van het leven op De Kruisberg, van zijn vlucht, van de goede menschen op de Veluwe!

Nadat het verleden en het tegenwoordige besproken was, kwam de toekomst op het tapijt: van de gezamenlijke landverhuizing kon vooreerst niets komen, daartoe ontbraken nu de middelen. Maar nu kwam Willem met zijn plan voor den dag. Hij zou werken, onverschillig waar; als hij ’t veilig kon doen in een afgelegen provincie van Nederland, anders in het buitenland, zoolang, tot hij geld genoeg bespaard zou hebben, om de reis naar Australië te kunnen betalen.

„De meester op De Kruisberg, die er een kennis heeft wonen, heeft mij er zooveel moois van verteld,” zei Willem, „en ik heb er zelf zooveel over gelezen, dat ik het land al op mijn duimpje ken. Er is voor iemand die werken wil en kan, nog ruimschoots geld te verdienen. Heb ik eenmaal genoeg bij elkaar, dan komt u allen over, en werk ik voor ons vieren.”—

„Willem, ’t is nog niet zoo ver,” zeide Roda glimlachend, maar mocht het er van komen... Jongen, dan kan ik ook nog wel een handje meehelpen. Voorloopig weet ik ook niets beters.

„’t Was beter geweest, het einde van je straftijd af te wachten; maar ik weet wel, dat er geen gevangene is, die aan de verzoeking weerstand kan bieden, wanneer hij de kans tot ontvluchten schoon ziet. Hier blijven kun je niet; je zoudt dan even goed een gevangene zijn. Je zoudt voor geen daglicht kunnen komen, zonder gevaar te loopen, gesnapt te worden. Dus Willem, ga met God! Morgenavond moet je op reis zijn; we zullen wel een middeltje verzinnen, je goed en wel uit de stad te krijgen. En het verdere moeten wij aan de omstandigheden overlaten. ’t Lot is ons in den laatsten tijd niet gunstig geweest; misschien keert de kans en komen er betere dagen.

„En nu, jongen, naar bed! ’t Is hoog tijd.”—

Van het oogenblik, dat Willem zijn plan om naar Australië te gaan, te kennen had gegeven, was Emilia stil geworden. Blijkbaar dwaalden haar gedachten af naar het land, waar haar vroegere verloofde vertoefde. De anderen begrepen wel, bij wien ze verwijlde; zij deden echter, of zij het niet bemerkten. Toch vergisten zij zich in den zin harer gepeinzen: dat ze plannen vormde, vermoedden zij niet.

Willem ging zijn oud bed in het zijkamertje weer opzoeken, maar in plaats van zich te ontkleeden, schoof hij het raam op, en keek in de stille straat. Het was een heerlijke zomernacht! Tallooze sterren fonkelden aan den donkerblauwen hemel. Ook zijne gedachten dwaalden af naar Australië. Daar was voor het oogenblik de eenige uitkomst te vinden, daar was misschien fortuin te maken: er werden immers diamanten en goud gevonden! Waarom kon hij ook niet eens gelukkig wezen! Dan behoefden zijn ouders die verre zeereis niet te maken, dan konden ze hier blijven en weer in eer en aanzien geraken.

Daarna keerden zijne gedachten terug naar het verleden, naar den dag van Emilia’s verlovingsfeest. Dat was eerst een feest! Hoe aangenaam was zijn vader verrast! Wat een eer legde hij in met de cantate! En dan het bal, wat was dat prettig!..... Zou Emma Borgers er nog wel eens aan denken? Maar dan dacht ze tevens aan hem, als aan een voortvluchtigen gevangene, die—God weet waar—rondzwierf en zijn brood bedelde.

Willem trommelde op de ruiten en liet zijn gedachten den vrijen loop. Neen! dat alles was uit! Hij was immers arm, doodarm en zijn ouders eveneens. Maar het kon verkeeren!—

De fundamenten van de luchtkasteelen lagen klaar in Australië, het opbouwen—dat dit op een bovenverdieping te Amsterdam geschiedde, deed er immers niet toe—was het werk van eenige oogenblikken.

Zoo druk had Willem het daarmede, dat hij niet hoorde, hoe er zacht op de deur geklopt werd.

„Willem, ben je al naar bed?” klonk zacht de stem van zijn zuster, door de halfgeopende deur.

„Nee, nog niet,” antwoordde Willem, uit zijn gepeinzen opgeschrikt.

„Ik kan toch niet slapen en jij schijnt ook geen lust te hebben. Zullen we nog wat praten, Willem?”

„Heel gaarne, Milie! Je komt, alsof je geroepen was. Kom hier voor het open venster zitten; het is een prachtige nacht. Kom aan,” vervolgde hij, „nu moet je me eens wat vertellen, dat ik je eigenlijk niet goed durf vragen, je weet wel, wat ik bedoel. Kom, ik ben je kleine broer niet meer. ’t Is geen nieuwsgierigheid alleen, maar ik stel hartelijk belang in mijn zusje en bovendien, ik zou zoo gaarne bij mijn komst in Australië ten minste een bekende onder zooveel vreemden ontmoeten. Ik zal je dus maar op den man af vragen: Weet je waar Herman Borgers is?”

„Ja, Willem,” zeide Emilia, terwijl een donkere blos, zelfs bij het zwakke sterrenlicht zichtbaar, haar lief gelaat tintte, „dat wil zeggen, ik weet, waar hij een half jaar geleden was.”

„Hm, dat is een leelijk geval, en heb je in zoo’n langen tijd geen brief gehad?”

„Nee, Willem, en toch heeft hij mij vóór zijn vertrek beloofd, elke mail een brief voor mij bij de brieven aan zijn ouders te zullen insluiten.”