Willem Roda: Een jongensboek

Part 7

Chapter 74,083 wordsPublic domain

„Waarom niet? Ik zal je leeren hoe je het aan moet leggen. Je knijpt de haren één voor één in kleine stukjes, zoo lang als een nagel, dan bestrijk je je bovenlip met het stukje lijm; ik zal het je straks eens voordoen, je zult zweren, dat ze er op gegroeid zijn. Werk door, de kaffer loert!” zoo viel Knol plotseling zichzelf in de rede; onmiddellijk hervatten beiden het werk.

Alle toebereidselen slaagden boven verwachting. Willem bestemde reeds den volgenden Zondag, waarop beiden tot de wandelaars zouden behooren, voor de vlucht. Elke dag van de week werd besteed om op sluwe wijze een of ander kleedingstuk uit den hollen boom binnen te smokkelen en in de matrassen te verbergen.

Zaterdagsavonds was alles gereed. Knol had goed gevonden tegelijk met Willem uit de rij te snijden en beiden zouden naar verschillende zijden een goed heenkomen zoeken. Daardoor zouden de bewakers, hoopte Willem, niet weten, op wien het eerst te mikken en bovendien bij een vervolging zich moeten verdeelen. Hij had al in gedachten de plaats bepaald, waar ze hun slag zouden slaan.

„Houd me goed in het oog, Kees, als ik vóór jou loop,” fluisterde Willem door de opening in de plaat zijn makker toe. „Marcheer ik achter jou, dan geef ik op het oogenblik, dat ik uit de rij spring, een gil. Misschien is het wel goed in elk geval beiden te gillen, dat geeft ons moed en sticht verwarring. Doe in geen geval iets, voor ik het sein geef.”

„Dat beloof ik je, ik verlaat me geheel en al op jou!” antwoordde Knol, en een oogenblik later lag hij in gerusten slaap.

Willem trachtte eveneens den slaap te vatten, om krachten te verzamelen voor den volgenden dag; doch tevergeefs. De groote gebeurtenis, die op til was, slingerde hem te zeer tusschen hopen en vreezen. Nu eens kwelde hem de gedachte, dat de commandant weer een boodschap of iets dergelijks voor hem te doen mocht hebben, dan weer was ’t de kans op slecht weer, die hem van angst deed rillen, ’t Was al zoo lang droog geweest; als ’t nu morgen juist eens begon te regenen. Dan werd de wandeling afgecommandeerd en daarmee viel het plan in duigen, want aan acht dagen uitstel viel niet te denken; zijn alcove of die van Knol kon elken dag geïnspecteerd worden; dan was voor altijd de kans op vluchten verkeken en zat er misschien wel een acht dagen cachot op. Een huivering voer Willem door de leden. Hu! dat donkere steenen hok onder den grond, met een plankje tot eenig meubel. Bij den boer was hij in dat geval ook den langsten tijd geweest, zonder twijfel zou hij een jaar bij het kleermaken gedaan worden. Neen! dan nog liever, als het vluchten morgen onmogelijk is, deze week een kogel uit de buks van den wachter getrotseerd. Alles wat zijn plan kon doen mislukken kwam in zijn gedachten en verdreef den zoo gewenschten slaap.

Zijn zorgen waren noodeloos. De zon scheen reeds vroeg door de hooge ruitjes en beloofde een heerlijken dag. De Zondagsche kielen waren den vorigen avond reeds klaar gelegd. Gelukkig werden de kleederen van het gesticht op den groei gemaakt; geen tipje of randje van het geleende pak kwam onder of boven te voorschijn. De pet werd in den boezem gestoken en de kaart had al een veilig plaatsje gevonden tusschen de haren en de linnen muts; geld en knevel waren volgens afspraak in den grijzen zakdoek verborgen.

„Alles in orde?” fluisterde Willem Knol toe.

„Alles, als het nu maar goed afloopt,” was het bevende antwoord van dezen.

„Moed, Kees! Alle kogels dooden niet!”

„Courage, Willem, wat jij doet, doe ik je na!”

Weldra stonden een zestig jongens, drie aan drie, in een rij geschaard, ’t Geluk diende ook hier den vermetele.

In het vierde gelid, van achter af, stonden Willem en Knol. Willem was vast besloten de gunstige gelegenheid niet ongebruikt te laten voorbijgaan en sprak Knol, die aan handen en voeten beefde, met de oogen moed in.

„Voorwaarts, marsch! Eén, twee; één twee!” commandeerde de majoor, en plaatste zichzelf voorop. De troep zette zich in beweging.

Aan elke zijde liep een bewaker; achteraan nog een derde.

Eerst ging het door het park vóór de gebouwen den weg naar Doetinchem op, het stadje door en daarna over den grintweg tusschen wei- en bouwland door. Een uur had de tocht geduurd, toen in de verte een dennenbosch donker tegen den blauwen hemel afstak.

Willem gaf Knol een wenk, die beteekenen moest: Opgepast! het oogenblik nadert. Knol begreep hem volkomen.

De eerste boomen van het bosch waren reeds gepasseerd en nu slingerde de weg zich in vele bochten door het hout.

Knol hield onafgebroken het oog op Willem gevestigd. Een doordringende gil, een sprong rechts; een tweede gil, nog rauwer, een sprong links, en nog eer de bewakers wisten wat er gebeurde, waren Willem en zijn makker tusschen de slanke stammen in het kreupelhout verdwenen. De bewakers losten werktuigelijk hun geweren, en nu ontstond er een ontzettende verwarring in den troep jongens; allen liepen door elkander als bezetenen, gilden, huilden of schreeuwden: hoezee en hoera! ’t Voorbeeld van Willem en Knol werkte aanstekend, en een stuk of zes jongens maakten van de verwarring gebruik om te ontsnappen; anderen stonden op sprong, om eveneens het bosch in te gaan.

„Sta!” donderde de majoor, „die een voet verzet, schiet ik voor den kop,” en hield den troep zijn revolver voor.

De bewakers legden eveneens aan. Daarvoor kregen de jongens ontzag en de gelederen sloten zich weder.

„Looppas, marsch!” klonk het commando en een half uur later was De Kruisberg bereikt.

Onmiddellijk werd van het voorgevallene bericht gezonden aan de politie te Doetinchem, en naar de omliggende plaatsen geseind. Vandaar werden in alle richtingen de beschikbare politieagenten en veldwachters uitgezonden, om de vluchtelingen op te sporen en naar De Kruisberg terug te voeren.

Toch duurde het meer dan een paar uur eer de jacht begon.

Dien tijd had Willem zich ten nutte gemaakt om steeds dieper het bosch in te gaan. Het snelle loopen in een bosch viel hem echter niet mee; ’t mos was zoo glad, en meer dan eens struikelde hij over een boomwortel, dien hij in zijn haast niet had gezien. Hij dacht niet anders of hij werd door minstens één der bewakers vervolgd en durfde zich geen oogenblik rust gunnen. Zoo liep hij bijna een uur aan één stuk door en nog kwam er geen eind aan ’t bosch. Uitgeput door den afmattenden tocht, viel hij eindelijk hijgend op het mos neer. ’t Zweet gutste hem bij stroomen van het voorhoofd.

De koelte van het bosch gaf hem spoedig zijne krachten terug. Hij kwam weer bij adem en legde het oor tegen den grond om te hooren, of er ook voetstappen naderden. Stilte, doodsche stilte heerschte rondom hem. Hij strekte zijne leden op het gras uit, en na zoo een korte poos uitgerust te hebben, voelde hij zich weer sterk genoeg om zijn vlucht voort te zetten.

Hij wist niet, welke richting hij moest inslaan, om zich van De Kruisberg te verwijderen. Zijn kaart kon nog geen dienst doen. Op goed geluk dan maar vooruit, altijd met snellen tred vooruit. De uren vlogen om, of het minuten waren.

Eensklaps meende hij stemmen te hooren. Hij luisterde; ja waarlijk, daar blafte ook een hond. Zoo snel zijn beenen hem dragen wilden en het gladde mos het toeliet, liep de vluchteling voort in de richting, tegenovergesteld aan die vanwaar het geluid kwam. Het bosch werd lichter. Daar schemerden door het groen en de stammen der boomen de roode pannen van een woning en verderop iets wits. Nog een paar schreden—„Groote God!” gilde Willem en sloeg de handen in wanhoop tegen het hoofd: daar in de verte lag De Kruisberg voor hem, schitterend in ’t zonlicht: de roode pannen waren het dak van de boschwachterswoning. Hij stond in het oude park vóór de gevangenis. Zijn eerste gedachte was terug te keeren, doch de stemmen kwamen steeds nader, geen twijfel meer: hij werd vervolgd en men was hem op het spoor. Radeloos wendde en keerde hij zich om, rende nu eens vooruit, dan weer achteruit, zonder te weten wat te beginnen. Tranen van spijt schoten hem in de oogen, alle moeite was dus vergeefsch geweest; zelf was hij weer in ’t net geloopen, dat hij zoo gelukkig ontkomen was. Nergens redding, nergens een plek om zich te verschuilen.

Daar viel zijn oog op een reusachtigen pijnboom aan den rand van den weg, die naar De Kruisberg voerde. Twee mannen zouden hem met moeite omspannen. Hoog stak zijne zwartgroene onregelmatige kruin boven de andere boomen van het park uit. Uit zijn dikken stam staken naar alle zijden, van den grond tot de eerste takken, dikke stompen van takken uit, jaren geleden afgezaagd, omdat ze de omringende boomen hinderden; die stevige uitstekende stompen vormden een natuurlijke ladder, die Willem op het denkbeeld van inklimmen bracht.

Denken en doen waren één. Vlug als een kat, klauterde hij in den reddenden pijnboom en haalde, tusschen de als slangen door elkaar kronkelende takken verborgen, weer vrij adem. Goddank!

Het was hoog tijd; reeds hoorde hij menschen onder zich door het park gaan. Van zijn hooge zitplaats uit, zag hij hen het plein vóór de directeurswoning oversteken. Het waren een agent en een boschwachter, die elk een vluchteling stevig vasthielden. De jongens boden een wanhopigen tegenstand, wierpen zich op den grond en spartelden als visschen aan den haak, om zich los te rukken, maar vergeefs: de knuisten der agenten hielden vel en kleeren te vast omknepen. Op het geroep der mannen kwamen beambten uit De Kruisberg toeschieten en nu was alle tegenstand gebroken.

„Dat zijn er twee, en Knol is er niet bij,” zei Willem bij zichzelf, terwijl hij het hoofd, zoover de voorzichtigheid het toeliet vooruitstak, „dus hebben nog meer jongens de kans waargenomen, bijgevolg is de politie uit de omliggende plaatsen op de been!” en wijselijk besloot hij in den pijnboom den nacht af te wachten en dan zoo spoedig mogelijk zijn vlucht voort te zetten.

De doffe slag van de dichtslaande deur was tot in den boom hoorbaar.

„Dat is bij het walletje langs gegaan; jongens, wat scheelde het weinig of de dikke deur was meteen achter mij dichtgeslagen! Zeg denneboom,” zoo redeneerde hij vroolijk gestemd in zijn eentje, „ik zou waarachtig wel lust hebben je te omhelzen, als je maar niet zoo dik was; je bent een engel, een juweel van een boom.

„Ze moesten daar ginds eens weten, dat ik hier hoog en veilig zit te kijken, wie ze snappen.”

Een man liep het plein op; aan den vergulden band om de platte pet meende Willem den commandant te herkennen, en in zijn overmoed groette hij met de hand en riep halfluid:

„Bonjour, ouwe! vaarwel tot nooit wederziens!”

’t Was dien middag druk op De Kruisberg; agenten, veld- en boschwachters kwamen en gingen. Willem zag achtereenvolgens nog vier ontsnapte jongens terug brengen, doch van het zwarte buis en de geïmproviseerde pet van Knol, die wel van uit de verte te herkennen zouden zijn, was niets te bespeuren. Deze beide kleedingstukken en het geld, dat Willem eerlijk met hem had gedeeld, hadden Kees waarschijnlijk veilig over de Duitsche grenzen doen ontkomen.

Den tijd, waarin er voor Willem niets te zien viel, nam hij te baat om zijn kaart te bestudeeren. Hij kon zich nu zeer goed voorstellen, hoe hij dezen morgen in een kring had rondgeloopen en niet ver van het punt van uitgang was teruggekomen. Als het er nu op aankwam, zou hij niet meer dwalen.

Hij had nu tevens den tijd zijn geleende plunje eens goed te bekijken. Veel bijzonders was het niet; knoopen ontbraken er bijna evenveel aan broek en jas, als er nog aanwezig waren, en de ellebogen en knieën van den vorigen eigenaar hadden met succes hun doordringenden invloed op het laken uitgeoefend. In een der zakken vond Willem tot zijne verwondering twee visitekaartjes, de namen der beide gymnasiasten dragende; op den rug van een der kaartjes stonden met potlood eenige woorden gekrabbeld. De boombewoner kroop naar een lichter plekje in den boom en las:

„Wij wenschen je goed succes, en wordt onze wensch vervuld, geef ons dan eens bij gelegenheid een uitvoerig verhaal van je vlucht.”

„Dat zal ik doen jongens, dat beloof ik jullie, en nu zal ik dit zoodje maar eens geheel en al uittrekken en mij in mijn nieuwe gedaante vertoonen,” zoo redekavelde hij met zichzelf.

De schaduwen der boomen werden langer; reeds fladderde een haastige vleermuis in onregelmatige bochten door de herfstlucht en Willems gezonde maag begon zijn rechtmatige eischen eensklaps kenbaar te maken. Hoe dom, geen proviand mede te nemen! Ja, maar wie kan ook aan alles denken? Geld had hij wel, maar in den boom was geen bakkerij en aan afdalen viel voorloopig nog niet te denken.

De geheele omtrek was aan het zoeken; zelfs nieuwsgierigen en boeren uit Doetinchem en Zelhem kwamen de politie hun diensten aanbieden om de bengels weer op te vangen, zoodat in den namiddag het aantal jagers groot genoeg was om een cordon te trekken, waar binnen zich met zekerheid de gevluchte jongens moesten bevinden. Ze waren nu omsingeld, daaraan werd niet getwijfeld; nergens in den omtrek waren immers de blauwe kielen en de grijze mutsen gezien. De kring werd steeds nauwer en tegen den avond ontmoetten de omsingelaars elkander in het park voor De Kruisberg. Sommigen zetten zich doodmoede onder den pijnboom neer, om uit te rusten van den vergeefschen tocht.

Willem gevoelde zich daardoor alles behalve op zijn gemak. Zijn overmoed van zooeven was verdwenen. Als een van die kerels het eens in zijn hoofd kreeg, een kijkje in zijn boom te gaan nemen? Het inklimmen ging gemakkelijk genoeg. Het angstzweet brak den vluchteling uit, hij durfde zich niet bewegen en nauwelijks ademhalen, ofschoon hij vijftien meter boven den grond zat. Gelukkig kwam niemand op de gedachte, die voor hem noodlottig moest geworden zijn. Ze snuffelden langs den grond, in de boschjes, achter de heesters, maar zooals het gewoonlijk gaat, aan de boomen dacht niemand; de menschen zagen ze in hun ijver waarschijnlijk niet eens.

Een boschwachter naderde van den kant van Terborg. Hij droeg een pakje: het weggeworpen gevangenispak van Knol.

Nu werd het zoeken in het park gestaakt en de agenten, wachters en handlangers gingen gezamenlijk naar het huis, om den commandant rapport van hun tocht te brengen, en nieuwe instructies te vragen.

„Nog twee jongens ontbreken op het appèl,” sprak de commandant tot de beambten, die voor hem stonden, „Willem Roda en Kees Knol. De gevonden kleederen zijn volgens het nummer van den laatste; hij schijnt onderweg een buis en pet gevonden of gestolen te hebben. Roda echter is niet naar de zijde van Duitschland ontvlucht. Ook is er van hier tot den IJsel nergens een jongen gezien, die op het signalement maar eenigszins gelijkt; want in dat geval zou ik onmiddellijk telefonisch bericht hebben ontvangen. Hij moet zich dus in den omtrek schuilhouden. Zonder twijfel is hij juist de hoofdaanlegger van het plan; want hij was het, die het sein tot de algemeene vlucht gaf. Er is mij veel aan gelegen hem weder in handen te krijgen, de zucht tot ontvluchten zou anders te groot worden; jullie begrijpt wel dat, als het hem gelukt voor goed te ontkomen, de jongens het er wel eens weer op willen wagen.

„Nu was ik nog wel van plan,” ging de commandant, met een verdrietig gezicht voor zich uitziende voort, „bij een volgende wandeling, de vuurwapenen, die ik nu al met los kruit doe laden, thuis te laten, om de jongens langzamerhand te doen vergeten, dat ze hun vrijheid missen; en daar werpt me zoo’n jongen, die ik als een vader behandeld heb en voor wie ik nota bene verleden week ontslag bij den rechter heb aangevraagd, mijn plan in duigen.

„Als hij alleen of met zijn kameraad, met wien ik hem oogluikend heb laten omgaan, was ontvlucht, ik zou het hem kunnen vergeven; maar nu zoo’n complot te smeden. Ik was wel dwaas mij te verheugen, dat ik tenminste eens in de gevangenis een braaf karakter had gevonden.”

De trekken van den commandant werden hard en zijn toon streng, toen hij opstond en zeide:

„De knaap heeft me schandelijk misleid en mijn goedheid met ondank beloond. Doe uw best, mannen: ga morgen vroeg met nieuwen moed aan het zoeken. Die hem vindt en terugbrengt, kan op spoedige bevordering rekenen.”

De mannen vertrokken en moesten, om op den straatweg te komen den boom passeeren, waarin hij, die elk hunner morgen hoopte te vinden, verscholen zat. Deze waagde zich, zoover de onregelmatige kroon van den pijnboom het met zijn veiligheid toeliet, naar beneden en spitste de ooren, om zoo mogelijk iets van hun gesprek, dat zonder twijfel over de vervolging liep, op te vangen; de beambten liepen echter in den pas en het geluid van hun voetstap verdoofde voor Willem hun woorden. „Morgen” en nog eens „morgen” was het eenige, dat hij duidelijk verstaan kon.

„Ha zoo! morgen schijnen ze er dus weer op uit te gaan; als ik nu maar vóór morgen over den IJsel ben, mogen ze voor mijn part overmorgen ook nog zoeken,” fluisterde hij zichzelf toe.

’t Gevaar was voorloopig voorbij; als straks de maan opkwam, kon hij zijn vlucht vervolgen; maar eerst moest ook het licht in de boschwachterswoning, dat hij tusschen de boomen kon zien doorschemeren, gedoofd zijn.

Hij wachtte één uur, twee uur, het licht bleef branden; daar begon de maag met een nieuwen aanval om voedsel te vragen. Willem wreef zich over de streek, waar dat lastige instrument zoo onaangenaam jeukte en kriebelde, gewend als het was, op dezen tijd van den dag de eenvoudige, stevige spijs van het gesticht ter verwerking te krijgen.

„Zou ik nu geen enkele dag kunnen vasten?” dacht hij toen het jeuken in een pijnlijk steken overging. Een gevoel van matheid en van weeheid maakte zich van hem meester; hij moest zijn armen om een tak slaan om niet naar beneden te storten, zoo duizelig en licht in het hoofd voelde hij zich worden. Hoor! daar luidde de etensbel van De Kruisberg. Het was of zijn maag het ook hoorde, en zich wilde wreken door hevige kramptrekkingen. En het licht bleef steeds branden.

Diepe stilte heerschte daarna in den geheelen omtrek, slechts nu en dan verbroken door een verwijderd geloei of een geschuifel in het gras onder de boomen.

„Als nu dat licht maar uitgedaan werd, dan wist ik zeker, dat de wachter niet meer buiten zal komen; wanneer ik loop, heb ik misschien minder last van den honger, dan ik nu hier stilzit,” dacht Willem. Maar het licht flikkerde nog even helder als te voren. Moedeloos liet hij het hoofd hangen.

Daar kraakte een deur in de woning. ’t Was zoo stil in het park, dat het den ongeduldig wachtende toescheen, of het huis, waaruit het geluid kwam, onder den boom stond.

„Hier, ouwe jongen!” trilde de basstem van den boschwachter door den bladstillen herfstnacht, „hier heb ik wat voor je te vreten, en dan aan den ketting; pas op de dieven!”

Een dof gebrom was het „dank je” van Wiedu.

—De boschwachter, een Duitscher van afkomst, was een soort van grappenmaker. Hij had den hond dien vreemden naam gegeven, om, wanneer een Geldersche boer hem vroeg: „Hoe heet je hond?” met den klemtoon op de laatste lettergreep grinnekend te kunnen antwoorden: „Wie du”. [4] Vermoedde hij, dat de vrager iemand was, die hem de aardigheid kwalijk kon nemen, dan legde hij den nadruk op de eerste lettergreep, wat de woordspeling verborg.—

„Hier is nog een homp. Lust je nu al niet meer? Laat het dan maar liggen voor je ontbijt!”

De deur werd dichtgeslagen, een sleutel knarste in het slot en het licht was uit.

Wiedu kreeg eten en meer dan hij lustte; hoe benijdde de uitgehongerde jongen dien hond. Maar.... hij was immers geen vreemde voor het jonge dier; dikwijls genoeg had hij op de boerderij met den hond gestoeid en menigmaal een stuk long of lever van den boer voor Wiedu weten te krijgen! Als hij het beest nu eens vriendelijk om het overschot van zijn avondmaal verzocht? Wel zeker, waarom niet? De hond kreeg hetzelfde brood als de jongens van De Kruisberg. Als hij het voorzichtig aanlegde, behoefde hij voor blaffen niet te vreezen.

De hoop op bevrediging stilde reeds zijn honger, en daarmede waren moedeloosheid en zwakte verdwenen. Nog een kwartiertje, dat hem een uur scheen, wachtte hij; toen kon hij het niet langer uithouden. Langzaam en voorzichtig, want het was stikdonker onder de boomen, klauterde hij uit den reddenden pijnboom. Op zijn teenen sloop hij in de richting van het hondenhok; de waaksche hond liet bij zijn nadering een dreigend geknor hooren, dat steeds luider werd en op het punt was in een woedend geblaf over te slaan, toen Willem met gedempte stem den hond bij zijn naam riep. Een oogenblik slechts luisterde het dier scherp toe, daarop veranderde het plotseling van toon, zoodat zijn geknor in een zacht, verheugd janken overging.

Willem hurkte naast het verstandige dier, dat zijne hand likte, en streelde hem met de andere hand over den zachtharigen kop. Wiedu liet hem zonder geluid te geven begaan.

Op een aarden etensbakje naast het hok lag het door den hond versmade en door den jongen begeerde stuk roggebrood. Willem nam het op en hield den hond de afgebeten zijde voor. Wiedu bedankte door den kop af te wenden. De hongerige vluchteling echter beet gretig een flinken hap uit den gaven kant. ’t Brood was wel een beetje nat geworden door het water in het bakje, maar ’t smaakte hem als taart, en weldra was de geheele homp naar Willems maag verhuisd.

De hond had intusschen met blijkbaar welgevallen zitten toekijken; ’t scheen hem genoegen te doen, dat hij den jongen, die hem zoo dikwijls een lekker hapje had bezorgd, nu ook eens van zijn overvloed kon mededeelen. Hij kneep nu eens het rechter-, dan weder het linkeroog dicht en kreunde vergenoegd, als wilde hij zeggen: „Eet maar toe, mijn jongen, ik gun het je van harte!”

Willems honger was gestild; hij stond op, rekte zijne ledematen, die door het zitten in den boom stijf waren geworden, wat uit en maakte zich gereed op marsch te gaan.

Doch nu deed zich een onverwacht bezwaar op. De hond wilde mee; hij rukte aan de ketting, keek Willem met zijne verstandige oogen smeekend aan, stak, toen deze hem gebood te gaan liggen, den kop in de hoogte en begon zacht te huilen.

Wat nu te beginnen? Als Willem wegging zou de hond stellig een erbarmelijk gehuil aanheffen, dat den wachter, al was hij in den eersten vasten slaap, ongetwijfeld zou wekken, en bovendien bestond er dan gevaar, dat de hond den man op het spoor van den vluchteling zou brengen.

Het dier medenemen was gemakkelijk: de sleutel stak in het hangslot; maar dat was diefstal. Goede raad was duur, doch de nood maakt vindingrijk en eischt snelle besluiten. „Ik zal hem betalen”, dacht Willem; „als het te weinig is, zal ik later, als ik rijk ben, het ontbrekende wel voldoen”, en hij schoof één gulden van de drie, die op dit oogenblik zijn rijkdom uitmaakten, zoo ver mogelijk in het hok. „Daar zal de boschwachter hem later wel vinden!”

Wiedu sprong vroolijk op tegen zijn nieuwen meester, die hem spoedig beduidde, dat hij zich bedaard moest houden en beiden sloegen den weg in, die naar den IJsel voert.

HOOFDSTUK VII.

De volle maan goot haar stille licht over het landschap uit en spande een net van zilveren mazen over den Gelderschen IJsel, wiens kabbelende golfjes Willem reeds van verre toelachten.

Meester en hond waren zeer vermoeid en vlijden zich op het zachte oevergras neder, om een poosje uit te rusten. Geen levend wezen hadden ze op hun nachtelijke wandeling ontmoet, een enkele haas, die over den weg sprong uitgezonderd. Willem haalde zijn kaart voor den dag; de maan wierp zulk een helder licht op het papier, dat de zwarte stippen, strepen en namen duidelijk zichtbaar waren. Volgens deze moest hij zich op dit oogenblik tusschen Brummen en Dieren bevinden, maar veel dichter bij de laatste dan bij de eerste plaats.

Aan de overzijde der rivier teekenden zich donkere hoogten tegen den lichteren hemel af; dat moest de Carolineberg zijn; daar achter lag de uitgestrekte Veluwe, met haar bosschen en heidevelden, waar de vluchteling voorloopig een veilige schuilplaats hoopte te vinden.