Part 6
Peinzend hield Willem den blik op het lichtpunt gevestigd. Eensklaps sprong hij met een kreet van schrik achteruit. Een sterke bundel lichtstralen viel op zijn gelaat in de alcove. Het licht kwam voort uit de kleine dievenlantaarn van den bewaker, die op kousevoeten de ronde deed, om te zien, wie nog niet sliep of ten minste niet trachtte te slapen.
„Onmiddellijk onder de dekens, rekel, of....”
Willem hoorde het slot der vriendelijke vermaning niet meer, in een oogwenk was hij onder de dekens verscholen. Met een stok, dien hij door de mazen stak, lichtte nu de bewaker de dekens een eindje op.
„Neen, drommels gauw er uit, en uitgekleed. Voor ik de ronde gedaan heb, is alles in orde! begrepen?”
De bewaker liet het schuifje voor het licht in het lantaarntje weer vallen en nog dieper scheen de duisternis in de zaal. Onhoorbaar en onzichtbaar sloop hij verder, om, waar hij iets verdachts meende te bespeuren, eventjes het volle licht van zijn verraderlijke lantaarn in de alcove te werpen.
Willem trachtte den slaap te vatten, maar de veertig moegewerkte jongens maakten in hun slaap zulke liefelijke geluiden, dat het bij dit neus- en keelconcert voor Willem onmogelijk was vijf minuten achtereen te slapen. Gelukkig voor hem, maakte de nachtspion ’s morgens geen rapport van de ongehoorzaamheid van den nieuweling, of liever de majoor bracht het niet over; hij werd na een paar sneden brood genuttigd te hebben, voor den commandant gebracht.
„Wel, heb je al een keus gedaan?”
„Jawel, commandant, met uw goedvinden, zou ik het liefst van alles bij den boer willen werken; ik beloof u, zoolang ik er ben, vlijtig en gehoorzaam te zullen zijn.”
„Ik dacht het wel; alle jongens uit de groote steden zingen hetzelfde liedje, en in de eerste vier weken hebben ze er veel lust in. Je verzoek is toegestaan, misschien zal het boerenbedrijf je bleeke wangen wat meer kleur en bolheid geven. Je kunt gaan.
Majoor, breng Willem Roda bij den boer en beveel hem aan in zijn hoede. Je begrijpt me, niet waar?”
Den volgenden nacht werd Willem niet door het ronken en snorken zijner medegevangenen uit den slaap gehouden. Misschien zelfs werd het aantal instrumenten nog met één neus vermeerderd.
Hij had dien dag gewerkt als een paard, en menig goedkeurend knikje of tikje op zijn schouder van den boer-bewaker was het loon voor zijn ijver. Maar nu was hij ook zoo moe, zoo moe, als hij nog nooit geweest was; hij was bek-af, zooals de boer het noemde, en sliep bijna, vóór hij zich had ontkleed.
De veldarbeid beviel Willem uitnemend en de voorspelling van den commandant, dat zijne wangen kleur en bolheid zouden krijgen, werd bewaarheid. Hij werd bij den dag grooter, breeder en sterker. Eer er drie maanden verloopen waren, spitte en zaaide, egde en ploegde hij als de vlugste boerenjongen. De boer had volgens zijn eigen zeggen „machtig veul met hem op” en liet den gewilligen knaap meer vrijheid dan aan de overige jongens; meer zelfs dan dienstig was voor Willem; want als er een koe of een paard uit de nabijgelegen weide moest worden gehaald, was de verzoeking, het hazenpad te kiezen, bijzonder sterk. Hij moest dan al de redenen, die zijn verstand hem ingaf, bij elkander roepen om zich zelven te overtuigen, dat op een vlucht zonder voorbereiding geen lange vrijheid kon volgen, en dat, met eene mislukte poging, tevens de goede uitslag voor een volgende gelegenheid onder misschien gunstiger omstandigheden, uiterst twijfelachtig moest worden.
Dat hij geen twee jaren op De Kruisberg zou blijven, stond bij Willem vast; de eerste drie maanden was het werken bij den boer prettig genoeg om ten minste daags te vergeten, dat hij een gevangene was. ’s Avonds echter en vooral ’s nachts, wanneer de slaap zich niet over hem wilde ontfermen, woelde en wroette er iets in zijn hoofd en zijn borst, dat hij geen naam wist te geven, een aandrang, een hartstocht, een zeker iets, dat zich met geweld wilde uitzetten, dat ruimte wilde hebben, maar niet kon, waarvoor de alcove, de slaapzaal, het gesticht, de boerderij, ja de geheele Kruisberg met al zijn bosschen en beemden te eng was.
Telkens als dat benauwende gevoel, waartegen hij zich niet verzetten kon, Willem overviel, was zijne eerste gedachte: vlucht, desnoods met geweld, als list niet helpt. Maar wanneer hem daarop de onmogelijkheid van eene vlucht zonder kleeren, hulp van buiten en geld, tegelijk met zijn eigen machteloosheid bij verzet, maar al te duidelijk werd, kwam er een gedachte bij hem op, die hem eerst deed rillen, waarmede hij echter meer en meer vertrouwd werd, en die hem eindelijk zelfs toelachte; de gedachte aan het lafhartigste, het slechtste en het vreeselijkste wat een jongen doen kan, de gedachte aan zelfmoord.
Ze liet hem dag noch nacht met rust, ze vervolgde hem overal waar hij ging of stond of lag.
Weer lag hij rusteloos te wentelen op zijn matras; het scheen hem toe, dat hij strenger bewaakt werd; veel vaker dan gewoonlijk viel er een lichtstroom in zijn alcove.
„Maak er een eind aan,” fluisterde de kwade stem in zijn binnenste, „een touw is er in de boerderij wel te vinden, een strop is in ééne minuut gemaakt en boomen met lage dwarstakken zijn er in menigte in het boschje achter den koestal. Je ouders? wilde je het daarvoor laten? wat hebben die aan jou? je bent immers een schandvlek voor je familie; wil je hen soms weer rijk maken als je hier blijft werken?” zoo fluisterde de kwade stem reeds door. Toen de dag aanbrak stond zijn besluit vast.
„Roda, bij den commandant komen,” beval de majoor na de réveille.
Willem schrikte; zou die man ook nu weder zijn gedachten geraden hebben? Eensklaps herinnerde hij zich, dat de commandant hem in de laatste weken, tijdens zijne zwaarmoedigheid, dikwijls uitvorschend had aangezien. Willem had er toen niet op gelet, maar nu viel het hem in. Zijn kwaad geweten deed zijn hart hevig kloppen, terwijl hij in de spreekkamer op den directeur wachtte.
Eindelijk kwam deze en begon nog vóór hij zitten ging: „Willem, je ziet er in de laatste weken slecht uit: gevoel je je ziek?”
„Ziek niet, commandant, wel ben ik dikwijls zoo benauwd; ik weet niet wat mij scheelt.”
„O! dat zal wel overgaan. A propos, hier is een brief voor den burgemeester van Doetinchem. Wil je die even voor mij bezorgen? Ik kan op het oogenblik geen een van de bewakers missen.”
Willem vertrouwde zijn ooren niet.
„Ik?” riep hij op zulk een verbaasden en ongeloovigen toon, dat de directeur een glimlach nauwelijks verbergen kon.
„Ja, jij, ten minste als je er plezier in hebt; ik kan je niet dwingen buiten het gesticht diensten voor mij te verrichten, maar ’t is heerlijk zomerweer en een flinke wandeling zal je wel bevallen, dunkt me. Je kunt binnen een uur terug zijn. En dan heb ik iets voor je ontvangen, dat je ongetwijfeld genoegen zal doen. Maar ga nu heen, er is haast bij dezen brief. Je kent den weg toch wel, anders vraag je wel eens onderweg. Voorwaarts, sta daar niet te suffen, jongen. De majoor zal je uitlaten.”
Meer droomend dan wakend, half onbewust van wat hij deed, ging Willem het hek door. Hij wachtte nog of iemand meegezonden zou worden. Niets van dien aard. De majoor sloot het hek achter hem dicht en wenschte hem een prettige wandeling.
Nu eerst begreep Willem, dat hij vrij was; wel tijdelijk, maar dat deed er voor het oogenblik niets toe; hij rende als een dolle den weg op, tot hij De Kruisberg niet meer zien kon.
„Vrij! ik ben vrij!” gilde hij buiten zichzelven van blijdschap en buitelde over het gras langs den weg, zwaaide met armen en beenen, sprong en dartelde als een kalf, dat voor het eerst weer uit den stal in de malsche voorjaarsweide komt.
’t Was of de lucht hier veel aangenamer, het geboomte en het gras hier veel frisscher was dan ginds op De Kruisberg. Eindelijk had hij zich zat gedronken aan de vrije lucht en toen de vrijheidsroes een weinig bedaard was, viel zijn oog op den brief, dien hij nog altijd in de hand hield.
Hij was tamelijk gekreukeld door de onstuimige bewegingen, die hij had medegemaakt. Willem ging in het gras zitten en trachtte door wrijven en drukken er weer een weinig fatsoen in te brengen. Indien hij geweten had dat er slechts een onbeschreven velletje papier in zat, zou hij zich waarschijnlijk zooveel moeite niet getroost hebben. Nu staarde hij met bezorgden blik de hardnekkige kreukels aan.
„Over een uur kun je terug zijn,” had de commandant gezegd. „Wie weet, hoeveel er al van om is,” dacht Willem en draafde den weg naar het stadje op.
Uit de boerenhuizen langs den weg kwamen de kinderen naar buiten loopen om hem te zien.
Een reiziger, voor het eerst in die streek, keek verwonderd den vreemd gekleeden jongen na.
„Daar heb je der een uit de gevangenis,” riep een voerman tot een man, die naast het paard voortstapte. „Laat hem maar loopen; die is gauw genoeg weer ingerekend.”
Willem stoorde zich er niet aan; evenmin als aan de menschen in het stadje, die hem nieuwsgierig aangaapten en maar niet begrijpen konden, dat de politieagenten deden, alsof ze den jongen niet zagen, in plaats van hem op te pakken.
Nadat Willem den brief had bezorgd, sloeg hij zingend den weg naar De Kruisberg weer in. Halverwege lokte een schaduwrijk plekje tot rusten uit; in de verte glinsterden de leien daken van het gesticht, en terzijde van den weg strekte zich een jong bosch van dennen en berken uit. Willem ging op het mos liggen tusschen de boomen, die den weg begrensden, en luisterde naar het fluisteren der bladeren, die in den ochtendwind ruischten. Geen sterveling was er op den straatweg, noch in den omtrek te zien.
„Ik bied je een schuilplaats aan,” lispelde het gebladerte, „je bent nu in de gelegenheid, maak er gebruik van.”
„De commandant stelt zooveel vertrouwen in je, dat hij niet eens je woord tot pand heeft genomen; zul je dat vertrouwen beschamen?” vermaande een stem in zijn binnenste. De gedachte aan den commandant herinnerde hem tevens aan diens woorden. De man had gesproken over iets, dat voor Willem aangekomen was; duidelijk kon hij zich de woorden niet meer te binnen brengen, hij was toen zoo verrast en verbaasd door die onverwachte boodschap. Wat kon het wezen, dat voor hem gezonden was?
„Ja, toch, dat zal het zijn! dat is het! een brief van huis,” riep Willem zoo luid, dat een paar lijsters verschrikt opvlogen, en meer vliegend dan loopend, legde hij den afstand, die hem nog van De Kruisberg scheidde, af.
„Geef me je hand, Willem,” zei de commandant, toen de hijgende jongen in zijne kamer trad; „je hebt je flink gehouden. Hier is een brief voor je,” en hij reikte hem een geopenden brief over.
Willem verslond in weinige oogenblikken den inhoud.
Allen thuis waren gezond, zijne moeder zelfs beter dan vroeger. Ze maande hem tot geduld, vlijt en gehoorzaamheid aan.
„Nog maar een goed jaar, dan zien we elkaar terug en scheiden niet zoo spoedig weer,” schreef zijne zuster. „Moed houden mijn jongen,” had zijn vader er bij gevoegd, „niet het hoofd laten hangen en kniezen, alles komt wel weder terecht; je herinnert je nog wel, wat ik in de spreekkamer van de gevangenis gezegd heb: als het mogelijk is, gaan we, zoodra je terugkomt, met ons allen een ander vaderland zoeken. Als het mogelijk is, zeg ik nu, en bedoel daarmee, als de middelen het toelaten, want Walling heeft me een proces aangedaan, om schadevergoeding te verkrijgen. Ik heb hem een billijke som geboden, doch hij heeft me niet eens geantwoord en eischt door middel van de rechtbank een bespottelijk hoog bedrag. Volgens Omens evenwel, wordt zijn eisch ongetwijfeld afgewezen. Ik wil het beste voor ons allen hopen.”
„Mag ik dezen brief houden, commandant?” vroeg Willem ontroerd.
„Wel zeker, mijn jongen, lees en herlees hem, zoo vaak je wilt en bedenk daarbij, dat een jongen, die zulke ouders heeft, liefde met liefde moet vergelden en niet.... Nu je begrijpt me wel, niet waar?”
Willem rilde en staarde den commandant met wijdgeopende oogen aan. Geen seconde had hij meer aan zijn afschuwelijk plan gedacht, en nu stond het op eens in al zijne afgrijselijkheid voor zijn geest.
„Geloof me, Willem, ik ben zooveel ouder dan jij, ik heb een groot deel van mijn leven met ongelukkige menschen doorgebracht en kan dus bij ondervinding spreken. Geen mensch, ook hij, die zich op een bepaald oogenblik nòg zoo diep rampzalig gevoelt, weet of niet wellicht het volgend uur bestemd is zijn ellende in geluk te doen veranderen. Geef me je hand er op, dat je nooit meer aan zulke slechte dingen zult denken.”
„Nooit, commandant,” antwoordde Willem met trillende stem en dacht er bij: „Weg van hier, vluchten, dat wel, en zoo spoedig ik de kans schoon zie; maar leven blijven wil ik voor mijn vader, die misschien nog armer zal worden dan hij reeds is, en door mijn schuld.”
HOOFDSTUK VI.
Na de korte lafenis, die de directeur hem overeenkomstig het reglement van ’t gesticht had geschonken en die langen tijd weldadig op Willems gemoed en gestel werkte, ging alles weer den gewonen gang.
De uren, bij den onderwijzer doorgebracht, droegen er het hunne toe bij, hem van zijn zwaarmoedigheid te genezen. Ze werden grootendeels besteed aan het praten over koetjes of kalfjes.
De brave oude, een man van veel ervaring, trachtte hem op te wekken om na zijn ontslag in een ander land door eigen arbeid een bestaan voor zich en zijn ouders te zoeken. De meester had volgens zijn zeggen een kennis in Queensland, die hem door briefwisseling op de hoogte bracht van de toestanden daar ginds. Hij vertelde Willem de licht- en de schaduwzijde van het leven in de jonge kolonie, en dat op zulk een onderhoudende wijze, dat zijn leerling geen enkel woord verloor en hunkerde naar het oogenblik, waarop hij er heen zou kunnen gaan.
Zonder het te vermoeden, wakkerde de onderwijzer met zijne levendige voorstelling van het vrije, krachtige leven in Queensland, Willems zucht tot ontvluchten niet weinig aan. Al zijn zinnen, al zijn denken had van nu af slechts één doel: hulpmiddelen te vinden bij een ontvluchting, en de hoofdzaken daarbij waren: kleeren, die hem onkenbaar maakten, een weinig geld, en—moed.
’t Toeval wilde, dat de jongen, wiens alcove ruggelings aan de zijne grensde, met hem op de boerderij werkte. „Waar het hart van vol is, daar loopt de mond van over”, zegt een oud spreekwoord. Geen wonder, dat Willem, den eenigen jongen, met wien hij dagelijks in aanraking kwam, tot zijn vertrouwde koos.
Kees Knol, zoo luidde de naam van Willems vertrouweling, was wegens medeplichtigheid aan diefstal te Rotterdam tot gevangenisstraf veroordeeld en naar De Kruisberg gebracht. Hij was nog een van de bewoners, voor wie het gesticht ook in naam een gevangenis was. De jongen was verleid door slechte kameraden, maar zelf niet geheel bedorven. Hij had oprecht berouw over zijn vroeger gedrag en was vast besloten nooit weder te stelen.
Toch spreekt het vanzelf, dat Knol er niets op tegen had weer eens vrij langs Rotterdams straten te slenteren, in plaats van te werken als een paard. Hij erkende spoedig Willems geestelijke meerderheid, schikte zich lijdelijk naar Willems plannen, beloofde al zijn bevelen op te volgen en niets te ondernemen zonder zijn voorkennis en goedkeuring. Ze zouden samen ontvluchten, dat was beklonken, maar hoe? Dat was de vraag en bleef het punt van hun overwegingen.
Uit zijn vroeger leven had onze Knol ondanks zijn oprecht gemeend berouw nog zonderlinge begrippen omtrent het mijn en dijn overgehouden.
„Willem, ik heb al wat gevonden,” fluisterde hij op een mooien Septembermorgen hem in het oor.
„Wat dan?”
„Daar ginds,”—de grijsgroene oogen van Knol, die van zelfvoldoening schitterden, duidden de richting aan,—„daar ginds tusschen de aardappels ligt een oud buis, misschien van den werkman, die gisteren geholpen heeft; ’t is vol gaten en geen cent waard, maar voor één van ons beiden is het mooi genoeg. Ik heb het ongemerkt weggemoffeld en in het dennenboschje verstopt; als de vent terugkomt, kan hij lang zoeken, eer hij het vindt.”
„Zeg eens, denk jij dat je een van je vorige kameraden voorhebt? Als we goed willen stelen, hebben we niet noodig het van het land te halen. Kom me nu nooit weer met zulke dingen aan boord, of ik geef het plan voor goed op, en spreek geen woord meer met je.”
„O, ik wist niet, dat jij zoo’n fijne was,” antwoordde Knol verbluft, en geraakt liet hij er op volgen: „Speel nu maar niet voor dominee; hebben ze jou soms voor je plezier hier gebracht? Je zult toch ook wel wat uitgevoerd hebben, dat niet pluis was, he?”
„Dat heb ik ook, maar niet wat jij denkt. Ik zal in geen geval me ooit iets toeëigenen, wat anderen behoort; liever blijf ik mijn heelen straftijd uit me hier verkniezen. En leg nu maar heel gauw dat buis weer op de plaats, waar het gelegen heeft, of ik heb het laatste woord met je gesproken.”
„’t Is ook wat, zoo’n oud vod,” bromde Knol meesmuilend, „noem je dat ook al stelen? Weet ik nu zeker van wien dat ding is? Misschien heeft de vent het wel weggegooid, dan behoort het immers niemand meer toe.”
„Dat is mogelijk,” beaamde Willem nadenkend. „In dat geval geef ik je permissie het te behouden, maar eerst moet ik daarvan zekerheid hebben. Als de eigenaar morgen of overmorgen niet terugkomt, is het nog tijds genoeg om het op te bergen!”
Willems overwicht op den onbeschaafden jongen was zoo groot, dat deze, hoewel schoorvoetend, gehoorzaamde.
Toen hij terugkwam, mompelde hij: „Als je zóó doet, krijgen we nooit iets bij elkander.”
„Zeg dat zoo gauw niet. Jouw buis heeft me op een gedachte getracht, ’t Is wel dwaas, misschien wel onmogelijk. Ik dacht als we onze kielen eens een andere kleur konden geven, dan zouden we twee vliegen in een klap slaan. We hadden een ander buis en nog wel een, dat we niet behoeven te verbergen.”
Knol zette een peinzend gezicht en legde den wijsvinger plat tegen het voorhoofd. „Daar zeg je zoo wat, een andere kleur geven, zwart bijvoorbeeld; ja maar, schilderen gaat niet.” Knols gezicht en houding werden hoe langer hoe philosophischer. „Verven ook niet, dan worden beide kanten zwart. Ik heb het: we naaien er in de week vóór we er van door gaan een zwarte voering tegen.”
„Alles goed en wel; maar hoe komen we aan voering, en wie zal ze erin naaien? En....”
Geheel met hun plannen vervuld, vergaten de jongens, voor den schijn door te werken.
„Wat staan jullie daar te smoezen, wil je wel eens deksels gauw aan je werk gaan!” riep de boer uit de verte.
Verschrikt stoven Willem en Knol van elkander.
Een half uur later toonde Knol een langen, scherpen spijker, dien hij in de aarde had gevonden.
„Nu zal ik eens zien of je slim bent; wat kunnen we met dat dingetje uitvoeren?” vroeg hij met een waanwijs gezicht.
„Wel, dacht je, dat ik dat niet wist. Dat zal ik je eens netjes vertellen, Knolletje! Je wilt er een gat mee boren in de plaat tusschen onze alcoves, om ’s nachts ongemerkt en ongestoord onze plannen te kunnen bespreken.”
Knol stond met open mond.
„Je bent nog goochemer dan ik dacht.”
„’t Doet me plezier, dat je zoo’n goeden dunk van me hebt. Maak het gat niet te groot en vooral niet te hoog.”
„Laat mij voor dezen keer eens begaan, je zult eens zien hoe netjes ik ’m dat lever.”
Zoo gezegd, zoo gedaan, het gat werd zonder ongeval geboord.
’s Avonds of ’s morgens vroeg legden ze beurtelings oor of mond tegen de opening en de beraadslagingen werden ongestoord voortgezet. Toch zou het waarschijnlijk,—daar Willem standvastig weigerde iets te gebruiken, dat door kapen moest verkregen worden,—bij plannenmaken gebleven zijn, indien er niet onverwachts en onverhoopt hulp van buiten was komen opdagen.
In het stadje Doetinchem is een wijd en zijd bekend gymnasium; uit alle deelen van ons land komen er jongens, om daar hun opleiding te genieten voor de Akademie. Vele dezer gymnasiasten, wier ouders elders wonen, vinden huisvesting in een zeer groot heerenhuis omringd door uitgestrekte tuinen, dat aan den straatweg gelegen is, die van Doetinchem naar De Kruisberg voert. Des Zondags, wanneer een deel der jongens van De Kruisberg een wandeling deed, kwamen gewoonlijk de gymnasiasten die op het heerenhuis Ruimzicht logeerden, naar buiten loopen, om hen te zien voorbijtrekken.
Eens, dat Willem Roda tot de wandelaars behoorde en als vleugelman op de zijde van den troep marcheerde, die naar het huis was gekeerd, zaten twee jongens op het hek van den tuin. Toen de troep voorbij trok, riep één der jongens tot zijn kameraad, met een spottend gebaar op de blauwgekielde en grijsgemutste jongens wijzende:
„Omnes vagabundi!” [1]
Willem, die zijn latijn nog niet geheel vergeten was, hoorde dit en zei, toen hij de jongens passeerde:
„Non omnes, collegae mei, nimium ne crede colore!” [2]
Verbluft keken de twee jongens elkander aan, en Willem na.
„Daar moeten we meer van weten,” zei de jongste en sprong van het hek, „dien snuiter ken ik; hij werkt bij den boer. Ga je morgen eens mee, dan zullen we zien hem te spreken te krijgen.”
„Wel zeker, de vent spreekt kranig Latijn, misschien kunnen we iets voor den armen drommel doen. Daar kijkt hij weer om. Ik zal hem een teeken geven, dat we komen,” en den arm in de richting van De Kruisberg uitstrekkende, schreeuwde de oudste: „Cras!” [3]
Willem had den wenk begrepen en besloot van de kennismaking te profiteeren. Nog denzelfden avond verzocht en verkreeg hij verlof een brief naar huis te schrijven. De brief werd den commandant ter hand gesteld, maar een tweede velletje papier, waarop Willem zoo beknopt mogelijk zijn geschiedenis had neergeschreven, verhuisde naar zijn boezem. Aan het slot smeekte hij zijn onbekende vrienden, hem kleeren, een pet en een weinig geld te leenen, en bovenal een uitvoerige kaart met alle straat- en grintwegen van dit gedeelte van de Graafschap voor hem te teekenen.
Den volgenden dag zag hij de twee jongens langs den korenakker wandelen; hij wist hen behendig te naderen en liet in hun nabijheid het dichtgevouwen papier vallen. Een der jongens raapte het op en beiden verwijderden zich.
Het avontuurlijke van de zaak trok de jongelui aan; ze besloten hem te helpen, zonder er aan te denken, dat de wet dengene, die een gevangene helpt ontvluchten, met geen geringe straf bedreigt.
De briefwisseling werd op dezelfde wijze voortgezet, en weldra wist Willem, dat hij, indien hij den dag van zijn vlucht vaststelde, hij den middag te voren het verlangde op een afgesproken, veilige plek, in een hollen boom van het bosch kon vinden.
Knol had niet noodig een zwarte voering in zijn buis te naaien; het oude buis was drie dagen onbeheerd op het land blijven liggen en daarna in denzelfden boom opgeborgen. De voering had hij er reeds van te voren, zonder dat Willem het wist, uitgescheurd, en daarvan met behulp van een stukje bordpapier uit de binderij, een soort van pet gemaakt. Deze werd in de gedeeltelijk opengetornde matras verborgen.
„Nu ontbreken ons nog alleen een paar fiksche knevels, om in tijd van nood ons geheel onkenbaar te maken, en alles is klaar om ’m te poetsen,” merkte Knol op een Zaterdagmorgen in ’t begin van October, op.
„Knevels, waarvoor?”
„Wel, dat heb ik je al gezegd; we zien er beiden oud genoeg voor uit, en als er jongens ontvlucht zijn, zullen ze geen mannen zoeken.”
„Maar hoe wil je daaraan komen?”
„Dood eenvoudig; he? dat snap je nu toch nog niet zoo gauw, dat kunstje kende ik al, toen ik twaalf jaar was; dat heb ik van mijn kameraden in Rotterdam geleerd. Ik heb lichter haren dan jij; trek me eens een bosje uit!” zei Knol leukweg en stak Willem zijn vlaskop toe.
„Dank je wel!” zei deze en deed onwillekeurig een stap achteruit.
„Dan zal ik het zelf doen.... Als ’t je blieft; hier heb jij de helft, en hier is een stukje droge lijm uit de binderij; dat heb ik van een jongen, die daar werkt gekregen.”
„Of gekaapt!” beweerde Willem, die weinig lust gevoelde het vieze bosje aan te pakken.
„Neen hoor! ik ben nu net zoo min meer een dief als jij; ik heb het eerlijk gekregen; op mijn woord van eer!”
„Geef dan maar op, ik geloof toch niet, dat ik het gebruiken zal!”