Part 5
Doch ook die tijd verstreek. Het publiek was in nog grooter getal opgekomen. Enkele nieuwe getuigen werden ondervraagd; daarna sprak de voorzitter, terwijl het Willem duizelde, het vonnis uit, dat luidde:
„De rechtbank spreekt den beklaagde vrij van het hem ten laste gelegde feit, als hebbende gehandeld zonder oordeel des onderscheids, maar gelast opzending naar en verblijf in het Rijksopvoedingsgesticht voor jongens op De Kruisberg voor den tijd van twee jaar.”
HOOFDSTUK V.
Een half uur gaans benoorden Doetinchem staat, te midden van dennenbosschen en bouwland, een fraai heerenhuis. De sierlijke gevel, met zachte, heldere kleuren beschilderd en gepleisterd, en een goed aangelegd plantsoen, dat bijna tot onder de hooge vensters reikt, geven het huis een vriendelijk voorkomen.
De aangename indruk, dien vorm en tinten geven, wordt echter grootendeels bedorven door twee smakelooze gebouwen, tusschen welker zijwanden het heerenhuis beklemd is.
Deze gebouwen zijn hooger en grooter dan het huis zelf, en elk is van een dubbele rij kleine vensters voorzien.
Zóó hoog en zóó groot en zonder eenige versiering, zóó regelmatig, zóó stevig zijn de kazerneachtige reuzen, en zóózeer verschillen ze in bouwtrant met het vriendelijk huis, dat het geheel doet denken aan eene sierlijk bewerkte Venetiaansche bloemvaas, tot brekens toe bekneld tusschen twee groote grauwe Keulsche potten.
Rechthoekig op elk der beide kazernes staat eene rij lage baksteenen huisjes, van allerlei vorm en grootte. Deze vormen met de drie eerstgenoemde gebouwen, welker gevels nagenoeg in een lijn liggen, de drie zijden van een rechthoekig plein.
Het midden van deze ruimte wordt ingenomen door het cirkelvormig plantsoen, waarin ’s zomers in- en uitheemsche planten in kleurige bloemen- en bladertooi prijken.
Het plein is aan de vierde, open zijde afgesloten door eene gracht of liever door een breede sloot, waarover een houten brugje ligt, dat door een ontzaglijk ijzeren hek wordt versperd.
Een dubbele rij statige dennen begrenst den straatweg, die naar het hek voert, en een gedeelte uitmaakt van een uitgestrekt, dichtbewassen park met eeuwenoude boomen, met slingerpaden en rustbanken.
Zoo was indertijd de aanblik van De Kruisberg, de voormalige straf gevangenis voor jongens, waarheen Willem Roda verwezen werd, en die hij op een kouden wintermorgen naderde, met lood in de schoenen en tusschen twee veldwachters. Hij zag er bleek en ontdaan uit. De rijksveldwachters, in blauwe uniform met witte tressen en kwasten, stapten zoo dicht naast hem voort, dat er voor Willem nauwelijks ruimte om te loopen overbleef; een voorzorg, die onnoodig scheen, daar de geladen geweren, die de geleiders over den rug droegen, den gevangene de gedachte aan vluchten wel moesten benemen.
De veldwachters evenwel, waren gewoon jongens over te brengen en wisten maar al te goed, dat bij den getransporteerde de drang tot ontvluchten in ’t gezicht van de gevangenis het grootst is.
Geen enkele beweging van Willem was zijn bewakers ontgaan.
Ze hadden zeer goed opgemerkt, hoe hij een angstigen blik had geslagen op de hooge gebouwen, die het drietal juist van ter zijde passeerde, en een blik vol verlangen op de donkere dennenbosschen in de verte. En werkelijk zou Willem de kogels uit de buksen getrotseerd hebben, indien de twee veldwachters niet, als op een afgesproken teeken, zijn beide polsen hadden gegrepen.
Hij rilde van schrik, toen hij zijn gedachten geraden vond, maar troostte zich een oogenblik later op het gezicht van de smalle gracht, van het hek, dat, hoe goed ook gesloten, wel over te klimmen was.
Dat was immers geen gevangenis, die, zooals Omens bij het afscheid nemen had gezegd, wel de eer doch niet de vrijheid liet.
Daar kon men uitkomen, wanneer men wilde.
„Hier blijf ik niet lang”, mompelde Willem binnensmonds en stapte reeds half met zijn lot verzoend, tusschen zijn geleiders de brug over.
Een der veldwachters trok aan de bel. Een bewaker in uniform opende het zware hek.
Een oogenblik bleef Willem verwonderd staan.
Rondom een groot cirkelvormig grasperk liepen doodbedaard, en allen op gelijken afstand van elkander, met de handen op den rug, een twintigtal jongens; de meeste met galgentronies. Ze droegen grijze of verschoten blauwe kielen, pilo broeken, wit geschuurde klompen en hadden een grauwe pet zonder klep op de haren.
Allen blikten Willem onder het loopen nieuwsgierig en brutaal aan. In het voorbijgaan mompelde er een: „Welkom”. Een ander: „Van harte gefeliciteerd”. Een derde wat luider en brutaler: „Aangename kennismaking, fijn heertje, kom je soms ook uit Amsterdam? Dan zijn we landslui.”
„Lekker leventje, hè, zoo rond te draaien? Dat is jouw voorland ook”, zei de volgende.
„Stilte!” snauwde de bewaker, en zwijgend wentelde de levende cirkel verder.
Willem werd in de kamer van den directeur gebracht. Uit de verlakt leeren tasch van een der veldwachters kwamen papieren en brieven te voorschijn, die de directeur vluchtig inzag; waarna de geleiders vertrokken.
De directeur of de commandant, zooals hij gewoonlijk genoemd wordt, was een man met een ernstig en tegelijk vriendelijk voorkomen; hij boezemde Willem, die bevende aan de deur was blijven staan, eer vertrouwen dan vrees in.
„Kom hier bij me staan, of, als je moe bent van den langen weg, kun je gaan zitten”, sprak hij zacht op deelnemenden toon, terwijl hij Willem in de registers van het gesticht inschreef.
Willem gehoorzaamde, maar bleef, zijn pet door de handen draaiende, bij den lessenaar staan.
„Ziezoo!” vervolgde de directeur, „je bent hier ingeburgerd, natuurlijk tegen je wil. Uit je verleden, dat ik door en door ken, weet ik met wien ik te doen heb. Ik geloof dat ik met jou wat breedvoeriger kan spreken dan met de meeste jongens, die hier gebracht worden.
Je zult zien, dat het van je zelf afhangt, je het leven hier dragelijk te maken.
Ten eerste eisch ik stipte gehoorzaamheid voor mij en mijn ondergeschikten, zelfs in gevallen, waarin je meent onrechtvaardig behandeld te zijn. Wordt je, wat ik niet hoop, straf opgelegd, dan is daarvan geen hooger beroep; bij tegenstribbeling of verzet wordt de straf onvermijdelijk verzwaard.
Alle jongens zijn hier voor de wet van het gesticht gelijk en alles gaat hier op militaire wijze en derhalve op commando.
Toch is het hier geen kazerne. Is je soms medegedeeld van welken aard dit gesticht is?”
Willem knikte toestemmend.
„Zoo? En door wien?”
„Door mijnheer Omens, een advocaat, den vriend van mijne ouders.”
„Nu, dan weet je ook, dat dit gesticht alleen daarin van eene gewone gevangenis verschilt, dat voor hem, die er vertoeft, de schande niet zoo groot is, daar hij niet veroordeeld was. Bovendien heeft men hier de gelegenheid een ambacht te leeren, om later een nuttig, misschien wel een geacht lid der samenleving te worden. Toch is het hier wel eene gevangenis, al luidt de naam zachter, want er bestaat hier voor de jongens geen vrijheid van handelen; voorrechten kan alleen een voorbeeldig gedrag geven. Vergeet dit niet, als het je soms anders voorgesteld is. En daarbij, een enkele wandeling onder sterk geleide uitgezonderd, verlaat niemand dit gesticht zonder ontslagen te zijn.”
„Of ontvlucht,” dacht Willem en keek door het venster naar het hek, dat zoo gemakkelijk over te klimmen was.
De directeur meende, dat Willem naar de draaiende jongens keek en daardoor zijn aandacht liet afleiden.
„De jongens, die je daar ziet loopen, doen dit voor straf; terwijl de anderen eten, moeten zij wandelen en later afzonderlijk eten.
Bedenk dit wel: niemand is hier voor zijn pleizier; houdt men zich niet aan de wet, dan zijn de gevolgen, vooruit bekend, eigen schuld.”
De directeur keek nog even een brief in, hem door den rijksveldwachter tegelijk met de papieren overgereikt.
„Ook moet je dit vooral niet vergeten,” vervolgde hij daarna, „je krijgt nu een omgeving van honderdvijftig onbeschaafde jongens, voor zeven achtsten bestaande uit dieven en vagebonden. Nu zal je mij een genoegen doen en je zelven veel onaangenaamheden besparen, indien je je zoo weinig mogelijk met de overige jongens bemoeit.
„Vertel in geen geval, waarom je hier gezonden bent, al houden ze je ook voor een dief of diefjesmaat. Geheel doen echter, alsof je de jongens niet ziet, gaat ook niet aan: je zoudt aan duizend kleine plagerijen bloot staan en het leven zou je verbitterd worden, zonder dat ik het beletten kan; doch bewaar een zekeren afstand.”
De bestuurder van De Kruisberg stak eene versche sigaar op, en achterover in zijn armstoel geleund, keek hij Willem door de blauwe wolkjes heen eenige oogenblikken scherp aan; daarop ging hij voort:
„Een ambacht heb je niet geleerd: die schade moet ingehaald worden, want hier wordt van den morgen tot den avond gearbeid. De keuze van een ambacht staat je vrij, behoudens mijn goedkeuring natuurlijk. Onderwijs in de school heb je niet meer noodig; toch kun je, zoolang je mij en den meester reden tot tevredenheid geeft, de uren voor het onderwijs bestemd, met den onderwijzer alleen doorbrengen. Je hebt me begrepen, niet waar?”
Willem knikte.
„Ben je nog moe?”
„Neen, mijnheer.”
„Ik word hier commandant genoemd!”
De commandant schelde. Een bewaker klopte, kwam binnen, en bleef met de hand aan de gegalonneerde pet bij de deur staan.
„Majoor, deze jongen is No. 83, alcove in den linkervleugel B. Visiteer hem, geef hem het pak en deel hem de voorschriften van de slaapkamer mede; daarna leidt je hem achtereenvolgens door alle werkplaatsen en brengt hem op de boerderij, dan kan hij een keus voor een ambacht doen. Morgen onmiddellijk na de réveille bij me brengen.”
„Tot uw dienst, commandant.”
„A propos, Willem, heb je honger?”
„Neen, mijnhe.... commandant!”
„Volg dan den majoor!”
Twee hooge trappen op volgde Willem den majoor, een lang, mager jongmensch met gitzwarten knevel en lange sik. Boven gekomen ontsloot de beambte vleugel B.
Wat de commandant de slaapkamer had genoemd, was eene groote zaal, die licht ontving door twee rijen kleine, hoog geplaatste vensters. Willem had wel eens een hospitaal bezocht, en had zich de slaapkamer hier voorgesteld, zooals hij die daar had gezien; lange rijen kribben langs de wanden. Niets daarvan was hier te ontdekken.
„Slapen ze hier op den grond?” vroeg hij den majoor.
„Wel neen, in die alcoves!” antwoordde deze en wees naar het middengedeelte der zaal.
Dit was ingenomen door een dubbele rij grijsgeschilderde vogelhokken; daarvoor althans zag Willem ze bij den eersten oogopslag aan; ze geleken dan ook bijzonder veel op de hokken voor de steltloopers in de diergaarde te Amsterdam.
Deze slaaphokken, met den wijdschen naam „alcoves” bestempeld, waren met de ruggen tegen elkander geplaatst, zoodat ze een langwerpig blok vormden, dat langs elk van de lange wanden de zaal een tamelijk breede gang, langs elk der korte, slechts een smallen doorgang vrijliet.
Een grijze, ijzeren plaat vormde de scheiding tusschen twee naast elkander liggende alcoves, zoodat elk hok drie ijzeren wanden had: de twee zijwanden en den achterwand. De zoldering bestond uit een netwerk van ijzerdraad met kleine, ruitvormige mazen. De voorzijde eveneens, doch die was in tweeën gedeeld; de eene helft diende tot deur en was van een zwaar hangslot voorzien. Alleen de vloer van het hok was van hout, en daarvan werd de geheele lengte en de halve breedte ingenomen door een stroomatras, waarop aan het hoofdeinde twee netjes opgerolde, zindelijke dekens lagen, en waarboven tegen de achterplaats een kastje hing, met de Zondagsche kleeren van den bewoner. Een plankje, aan dezelfde ijzeren plaat bevestigd, diende blijkbaar bij het uit- en aankleeden tot zitplaats.
Tegen het traliewerk aan de voorzijde hing een bordpapieren plaatje, waarop naam en nummer gedrukt stonden van hem, die er slapen moest.
„Hier is No. 83,” zei de majoor, en met een der sleutels van zijn reusachtigen bos opende hij de alcove. „Daar in dat kastje ligt je pak en je ondergoed, de klompen krijg je beneden.”
„Moet ik hierin slapen?” vroeg Willem bevende, en aarzelde het hok in te gaan.
„Ja natuurlijk, waar anders? Kom, maak wat voort!”
Schoorvoetend gehoorzaamde Willem. Hij bukte zich bij het binnenkomen van het hok, maar het was niet noodig, het was hooger dan het scheen; hij kon er ruimschoots rechtop staan.
„Uitkleeden, haast je wat!”
Willem trachtte ook nu te gehoorzamen, doch het was hem niet mogelijk; hij beefde te sterk.
De majoor kreeg medelijden.
„Wacht, jongen, ik zal je helpen,” zei hij op veel zachter toon dan hij tot nu toe had aangeslagen. „Het beteekent niets, als je er maar eenmaal aan gewoon bent. Zou je het prettiger vinden, als alle jongens je op je matras konden zien liggen en de bengels je allerlei overlast konden aandoen? Zooals het hier is ingericht kan geen van de jongens je zien liggen en met geen vinger aanraken, want zoodra je binnen bent, wordt de alcove gesloten en ik heb den sleutel.
„Kom, trek nu dat pakje eens vlug aan, hè! ’t Is toevallig een nieuw stel. De commandant schijnt een goed oogje op je te hebben; als je gehoorzaam en gewillig bent, kun je het hier wel een paar jaartjes uithouden. Denk er vooral aan, zoolang je op de slaapzaal bent, met geen van de jongens te praten. Dat is hier ten strengste verboden. De straf er op is afzondering bij het eten, water en brood en als het nog weer gebeurt, cachot.
Wacht, ik zal je even die lange haren afknippen; die zijn maar lastig en nemen te veel tijd weg bij het aankleeden.
Hier aan die lange richel langs de wand hangt voor elken jongen een blikken handenwaschbak en, zooals je ziet, is daar onder tegenover elke alcove een kraan aangebracht. Zorg, dat je bak en kraan altijd blinken als een spiegel.
’s Winters is hier om zeven uur réveille, ’s zomers om zes,” ratelde de majoor voort, terwijl Willems blonde haren bij bosjes op den grond vielen. „Dan in vijf minuten opstaan, aankleeden, bed opmaken en wasschen; alweder zonder met je buurman te spreken of hem aan te raken. De bewakers kijken scherp toe en luisteren dag en nacht, dat verzeker ik je.
Kom aan, nu ben je klaar. Leg dat pakje met kleeren maar op de plank; dat wordt straks weggehaald en krijg je terug, als je ontslagen wordt, ten minste, als je niet te sterk groeit; in dat geval worden ze verkocht.
Nu zal ik je de werkplaatsen laten zien.”
Willem en de majoor, de eerste op kousevoeten, daalden nu de trappen weer af.
„We zullen eerst even bij den bewaker-klompenmaker aanloopen, om te zien of er een paar klompen voor je te vinden is.”
In een der lage huisjes op het voorplein was de klompenmakerswerkplaats. Bij hun binnenkomen keken een tiental jongens nieuwsgierig op.
„Doorwerken zonder opkijken,” commandeerde de klompenmaker-bewaarder, en tegelijk hervatten allen den arbeid.
„Baas-bewaker, heeft u een paar klompen klaar voor dezen jongen?” was de vraag van den majoor.
Het tweede paar, dat Willem aanpaste, scheen wel voor hem gesneden.
„In orde,” zei de majoor, „ga nu maar mee; hiernaast is de smederij.”
Evenals de klompenmakerij was ook deze werkplaats van buiten gesloten. Allengs vervloog bij Willem de hoop op een gemakkelijke ontvluchting; bij nacht opgesloten in een ijzeren hok, bij dag in een werkplaats, het was om wanhopig te worden.
Achtereenvolgens kreeg Willem de kastenmakerij, de drukkerij met twee snelpersen, de boekbinderij en de koperslagerij te zien. Overal werkten tien à twintig jongens van veertien tot achttien jaar, onder opzicht van een bewaker; deze arbeidde zelf hard mee en onderwees de nieuwelingen, die, zoodra ze de eerste handgrepen kenden, door de ouderen en meergeoefenden werden voortgeholpen.
De majoor voerde Willem een gang door naar de achtergebouwen, waar zich de lijnbaan, de gasfabriek en andere werkplaatsen bevonden.
„Hier heb je de kerk,” zei de majoor, op een gebouwtje met oudhollandschen trapgevel wijzende, op welks bovenste treden een koperen kruis in het zonlicht schitterde.
„Mag ik eens van binnen zien?” vroeg Willem, bij wien langzamerhand de droefheid voor nieuwsgierige belangstelling plaats maakte.
„Ja,” antwoordde de majoor, „dat zul je anders nog dikwijls genoeg; maar je hebt vandaag geen werk meer te verrichten. Ga maar binnen.”
„Dat is een Katholieke kerk!” merkte Willem aan, op het altaar doelende. „Is er ook een Protestantsche?”
„Welzeker, blijf maar even staan.” antwoordde de majoor met een geheimzinnig, veelbeteekenend lachje. Hij ging eenige treden naar het altaar op en trok door middel van een koord een groen gordijn voor de nis, waarin het altaar stond.
„Zie je, nu is het een Protestantsche, en wordt de preekstoel weggenomen, dan is het een Israëlitische kerk. Achtereenvolgens gaan ’s Zondags de jongens in groepen volgens ieders godsdienst ter kerk. Zou je wel willen gelooven dat deze kerk, met al wat er in en aan is, door de jongens van De Kruisberg is gemaakt?
Daar luidt de bel voor het eten. Volg mij!”
Uit al de gebouwen, die ze voorbijgingen, klonken commando’s en daarop marcheerden de jongens in goede orde op de klotsende klompen naar de eetzaal. Ontmoetten twee troepen elkander, dan sloten ze zich bij elkander aan en trokken gezamenlijk verder.
„Na het eten zal ik je de rest laten zien; sluit je bij dien troep aan,” gelastte de majoor.
„Ik heb nog geen honger, majoor!”
„Doen wat ik je zeg, en niet tegenspreken!”
De troep hield stand voor de eetzaal, bij welken Willem zich bevond. Door de geopende deur zag hij in een zaal, waarin, elk op drie schragen, twee breede en zeer lange planken rustten, die blijkbaar den dienst van tafel moesten verrichten. Aan het andere einde van de zaal bevond zich in den overigens kalen muur een loketje, gelijk aan dat, waardoor in de stations de plaatskaartjes worden afgegeven.
Een bewaker commandeerde „voorwaarts”; de troep trok de eetzaal binnen en marcheerde, nu in één enkele, lange rij, langs het loketje. Aan elken jongen werd op het oogenblik, dat hij het schuifluikje voorbijtrok, daaruit door een onzichtbare hand een blikken keteltje met soep toegeschoven, en allen plaatsten zich, met den dampenden ketel voor zich, in de volgorde, waarin ze gemarcheerd hadden, aan de planken. Na het eten werden de keteltjes op dezelfde wijze afgeleverd en begaf men zich weder naar de werkplaatsen. Ook Willem sloot zich weer bij den troep aan, met welken hij binnen was gekomen. Achter de hoofdgebouwen wachtte de majoor hem op en gezamenlijk gingen ze naar de boerderij.
„Ik zal je alles aanwijzen en noemen, wat hier te zien is, dan behoef je het niet aan de jongens te vragen. Sla ik iets over, dat je verlangt te weten, dan vraag je maar.”
In de waschkamer, die ze voorbijgingen, waren sommige jongens bezig ondergoed en kielen te wasschen, terwijl andere het schoone goed op nummers legden. Daarnaast was het badvertrek, waar ook al weder jongens druk bezig waren met het reinigen van de steenen voet- en zitbaden. Die zandhoopen daar? Die behooren bij de speelplaats, daar kunnen de jongens, die de geheele week geen reden tot klagen hebben gegeven, des Zaterdagsmiddags stoeien en ravotten naar hartelust.
Nu moeten we hier het land over. Deze tuinen en dit land, waarin ’s zomers een stuk of zes koeien grazen, dat park en die bosschen, dat alles behoort, zoover je zien kunt, bij De Kruisberg.”
„En wie verzorgen het vee en het land?”
„De jongens, die onder toezicht van den boer-bewaker staan.”
„Dan ga ik daarbij,” riep Willem vast besloten.
„Ho, ho, niet zoo haastig, kereltje; eerst eens kijken, wat er bij den boer te doen is; daar heb je ook geen prinsenleventje, dat verzeker ik je. En bovendien moet de boer je nog willen hebben en de commandant het goedvinden. Ik geloof, dat er bij den boer al jongens te veel zijn en bij het kleermaken er juist één ontbreekt,” zei de majoor; het laatste met een zeer bedenkelijk gezicht.
Reeds de gedachte alleen, kleermaker te moeten worden, deed Willem rillen van angst.
„Och toe mijnheer, doe een goed woord voor mij bij den commandant, ik zou het bij den kleermaker niet kunnen uithouden; hier bij den boer ben ik ten minste niet opgesloten.”
De majoor boog zich naar Willem over en keek hem aan met een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat hij Willems bedoeling volkomen begreep.
„Niet opgesloten, hè? Dus gemakkelijk om aan den haal te gaan, niet waar? Je hebt goed gekeken, ventje. Als er ergens in het gesticht kans op ontvluchten bestaat, dan is het hier. Maar die kans is nog kleiner, veel kleiner dan je denkt. Kijk eens dien kant op. Neen, daar niet, langs die dooie spar daar.”
„Bedoelt u de twee jongens, die daar spitten?”
„Juist. Zie je daarachter dien man staan met zijn groene jas en glimmende pet? Dat is de veldwachter-bewaker en dat stokje, dat hij over zijn rug draagt, is niets meer of minder dan een geladen geweer. Als je het op een loopen zet, heb je, eer je tien pas gedaan hebt, een kogel in je corpus, dat begrijp je. Dus als het je eigenlijk en alleen er om te doen is, een kansje op ontsnappen te hebben, kies dan gerust een ander vak.”
Een kogel uit een veldwachtersbuks kan ook nog missen, dacht Willem, maar hij zei het wijselijk niet. En vol angst dat men hem die kleine kans benemen mocht en hij kleermaker of letterzetter zou moeten worden, greep hij den majoor bij de hand en smeekte op vleienden toon:
„Majoor, wees toch, als ’t u belieft, mijn voorspraak bij den commandant: ik zal er u mijn geheele leven dankbaar voor zijn.”
De majoor keek hem, zich weer vooroverbuigende, een oogenblik strak aan.
„En zul je nooit trachten te ontvluchten?” vroeg hij langzaam sprekend.
Willem kleurde tot achter de ooren. Het was hem niet mogelijk „neen” te liegen, nu hij eigenlijk aan niets anders dacht dan juist aan ontvluchten. Hij wilde iets zeggen, een ontwijkend antwoord geven, maar bracht niets dan eenige onverstaanbare geluiden uit.
„Dat kan niet eens liegen!” riep de majoor verbaasd uit. „Wat sturen ze zoo’n jongen hierheen?” En snel, alsof hij zich vergist had en meer gezegd dan zijn betrekking veroorloofde, liet hij er op volgen:
„Stel je gerust, jij komt bij den boer, maar probeer niet op den loop te gaan, je bent toch binnen vierentwintig uur weer thuisgebracht, want dat pakje is vijf uur in den omtrek bekend; en bovendien loop je groot gevaar, voor je geheele leven door een bukskogel verminkt te worden.”
Na het avondeten, dat uit een paar dikke sneden brood bestond, ging Willem voor het eerst in de alcove achter slot.
Toen de sleutel rondknarste, steeg hem het bloed naar het hoofd en was zijne eerste gedachte de ijzeren mazen met geweld uit elkander te rukken, al moest hij zich de vingers openrijten, of, als dit mislukte, zich het hoofd tegen de ijzeren platen te pletter te slaan. Doch eer het nog tot een begin van uitvoering kwam, deed zijn gezond verstand de opkomende drift bedaren. De tralies waren dun maar stevig, er was geen verbuigen of verwrikken aan; en hij kwam bij den boer; daar was, wat de majoor ook mocht zeggen, een ontvluchting geen onmogelijkheid; dit bleek immers juist uit de voorzorgen, die er tegen genomen werden.
„Onder de deken!” commandeerde de bewaker van de slaapzaal, en een minuut later waren de lichten gedoofd.
Willem had er nog niet aan gedacht zich uit te kleeden. Hij ging met het hoofd in de handen op het plankje zitten en dacht aan zijn ouders en zijn zuster; als ze hem zóó eens zagen, zijn moeder zou het besterven. Heete tranen biggelden langs zijn wangen.
In de zaal was alles doodstil; slechts een enkele luide ademhaling bewees, dat er al een jongen in slaap was gevallen. Van een bewaker was niets te hooren en natuurlijk niets te zien.
Willem stond op en drukte zijn gezicht tegen het koude netwerk; hij had hoofdpijn. Er heerschte bijna volslagen duisternis in de zaal; een enkel glimlichtje op eene blankgeschuurde kraan flikkerde zwak, als een sterretje tusschen donkere wolken en bewees, dat men zich niet onder den grond bevond.