Part 28
Anderhalf jaar daarna wandelden Willem, zijn zuster en haar man ongeduldig bij de aanlegplaats der Europeesche stoombooten te Sydney heen en weer. De boot had reeds de Heads gepasseerd, maar stoomde veel te langzaam in de uitgestrekte haven, althans voor Willem, want op dit schip bevond zich Emma Borgers, thans zijn vrouw. Eindelijk legde de boot aan: maar hoe groot was Willem’s en Emilia’s blijdschap, toen na Emma ook hun vader en moeder aan wal stapten.
„Denk je soms, Willem, dat jij alleen verrassingen kunt bedenken?” zei de oude Roda, toen allen op de boot, die hen naar Brisbane moest voeren, waren overgestapt. „En jullie beiden dachten ons oudjes maar alleen te Amsterdam te laten zitten. Neen, jongens, daar komt niets van. Jullie waren nog geen drie maanden weg, of bij ons stond het plan vast, Emma te brengen. ’t Is een lange reis, maar wij oudjes hebben ons goed gehouden, niet waar, Emma?”
De boot stoomde reeds de rivier van Brisbane op.
„Willem,” vroeg Roda, „kunnen moeder en ik niet zonder paard te rijden naar je stations komen?”
„Wel zeker, vader! We gaan hier met reuzenschreden vooruit. Voor twee jaren was er nog geen voetpad; tegenwoordig brengt ons de spoortrein in rechte lijn tot op een mijl of wat afstands.”
„Uitmuntend,” antwoordde Roda en wreef zich vergenoegd de handen, „dan gaan we eerst eens kijken, hoe het leven daar op de stations ons bevalt. Is het er voor ons beiden te druk, dan keer ik met moeder naar Brisbane terug en we blijven er wonen, tot we samen naar Nederland terugkeeren.”
De geheele familie zat onder de veranda van Darling-station vereenigd. Willem vertelde van zijn laatste bezoek op De Kruisberg en bij Jan Branse.
„En toch, Willem, wed ik, dat je in Nederland nog iets vergeten hebt, wat je beloofd hebt te doen!” zei Knol opeens.
„Ik wed van niet!” antwoordde Willem. „Wat bedoel je Kees?”
„Wel, je hebt de jongens van het gymnasium in Doetinchem meer dan eens beloofd te schrijven, hoe het ons op onze vlucht gegaan is. ’t Is niet mooi, dat je het vergeten hebt, Willem; zonder hen zouden we nooit vóór onzen tijd van De Kruisberg zijn afgekomen!”
„Ik neb het niet vergeten, Kees. Tot mijn spijt moet ik echter bekennen, dat ik hun naamkaartjes heb verloren. Maar ik weet goeden raad; niemand zal me kunnen verwijten, dat ik een belofte heb geschonden. Zoo spoedig ik tijd heb, zal ik mijn geschiedenis eens opschrijven en laten drukken. Wellicht krijgt een van die jongens het boek in handen, en hebben ze voor het lange wachten mijn overige lotgevallen op den koop toe.”
EINDE.
NABERICHT.
Voor zoover het mij mogelijk was, heb ik zelf de plaatsen bezocht, die ik in den loop van dit verhaal moest beschrijven; een zomervacantie is echter te kort, om een tochtje naar en door Australië te doen. Voor het laatste gedeelte van dit werk heb ik mij derhalve met beschrijvingen, teekeningen en photographieën moeten tevreden stellen.
Wat de beschrijvingen betreft, heb ik er naar gestreefd slechts zulke te kiezen, waarvan ik met zekerheid wist dat ze vertrouwbaar waren: Trollope (1873), Christmann (1870) en Grant (1881); de eerste twee hebben geheel Australië, de derde Queensland alleen beschreven met het doel hun landgenooten het vijfde werelddeel te doen kennen, zooals het in zijn maatschappelijken toestand werkelijk is, en hen op te wekken tot—of onder bijzondere omstandigheden te waarschuwen tegen landverhuizing. Van hen mag men verwachten, dat zij de waarheid en niet meer dan de waarheid hebben geschreven.
Ook de beschrijving der onderzoekingstochten van Burke Wills, Leichhardt, Stuart en Harris, de werken van Marin la Meslée Inglis, Warburton, het dagboek van den graaf de Beauvoir en van C. Lumholtz, waarin de schrijvers het resultaat van hun onderzoekingen op sociaal, botanisch, zoölogisch en anthropologisch gebied hebben opgeteekend, hebben mij den grondslag verschaft voor eenige episodes. Toch heb ik getracht mij ook voor leugens in commissie te vrijwaren, door de feiten, die mij onwaarschijnlijk voorkwamen, slechts uit te werken, nadat ik ze twee of meermalen „belegt” had gevonden.
Voor hen die er belang in stellen te weten, hoe ik daarbij te werk ben gegaan, mogen de volgende voorbeelden dienen:
Journal du compte de Beauvoir. Brisbane 19 Oct.
„On a eu beau élever et instruire des enfants noirs, leur apprendre des métiers, leur faire gagner des salaires élevés; à vingt ou vingt-cinq ans, ils se sont échappés des villes vers les bois, pour reprendre le cours d’une misérable existence. Bien mieux, il est un Aborigène d’une remarquable intelligence, dont on a pris soin à Melbourne dès sa plus tendre enfance, qui s’est pris de passion pour les machines et l’industrie: il avait presque des manières d’Européen; il paraissait aimer les mathématiques et pouvait même résoudre une équation du second degré; on l’a envoyé passer deux ans en Angleterre, on l’a présenté à la Reine et comblé d’attentions aimables. Eh bien, maintenant, courez les bords de l’Ulla-Dulla et vous le trouverez tout nu, au milieu de tribes hideuses, vivant d’oppossum” etc.
Aan deze woorden dankt Tatamboe zijn bestaan.
„The Queenslander”, published weekly in Brisbane
June 8, 1878.
....„In this region nature maintains 1 fitting solitude. The glaring cliffs drop down from a table-land where the cypress pine surges mournfully in the breeze; half starved dingoes wake the echoes of the hills by their nightly serenades, and a few blacks roam from creek to creek and gorge to gorge, finding in the innumerable caves into which the soft substance is excavated, safe harbour and concealment after a raid in the plains below. To this region must one come to see the fossieker in all his miserable state. Travelling in pairs, but usually working separately, the true gambusino of the north is found.... and hour by hour, nay, every second there is the same uneasy consciousness that bloodthirsty and vengeful eyes are upon you and that to relinquish your gun for a minute may cost you your life.”
In dezen toestand heb ik Herman Borgers geplaatst, en één van die „bloodthirsty blacks” is de zwarte uit de grot.
Bijna alle reizigers spreken in hun dagboek over de zonderlinge bijenjacht, zooals ik die door Jacky heb doen uitvoeren; ook in het „Album der natuur”, jaargang 1866, wordt er op bladz. 222 met eenige woorden melding van gemaakt.
Op deze wijze werd het mij mogelijk, zonder willens en wetens de waarheid geweld aan te doen, Willem Roda in een land te voeren, dat ik nooit bezocht heb.
„De vloek van den zanger”, is een metrische vertaling van Uhlands gedicht van dien naam. Dat ik de legende aan den Rijn heb geplaatst, en er,—met het oog op hen, voor wie ik hoofdzakelijk schreef,—twee strophen aan toegevoegd heb, zonder daardoor het gedicht schooner te maken, zal men mij, hoop ik, vergeven; even als een paar juridische anachronismen in het 3de en 4de hoofdstuk.
Voor de Zwijnenjacht in het 11de hoofdstuk heeft een artikel van een Förster in Daheim,—een man van het vak dus,—bouwstof geleverd.
E. Hs.
BIJ DEN VIERDEN DRUK.
Zooals dit boek, nu net vijf-en-twintig jaar geleden, naar den uitgever ging, moet het voortaan maar blijven. Al had ik ’t mij, bij dit jubileum, anders voorgenomen, ik heb er niet noemenswaard in durven schrappen, omdat het in dezen vorm zoo vele duizenden jongelui prettige uren heeft bezorgd. Dat doet het nog, zooals ik van tijd tot tijd zonder vragen verneem, en van een kinderboek als dit zijn de gebruikers toch bij slot van rekening nog beter beoordeelaars dan de schrijver zelf.
E. Hs.
AANTEEKENINGEN
[1] Allemaal landloopers.
[2] Niet allen, waarde collega’s, schijn bedriegt vaak.
[3] Morgen.
[4] Zooals jij.
[5] aw’em: als wij hem.
[6] bij, niet uitspr. als bij, ij; korte i met de medekl. j.
[7] Straks.
[8] Mu’j—moet je.
[9] Za’k—zal ik.
[10] Mu’k—moet ik.
[11] Kump—komt.
[12] Mijnheer, word wakker. U is gered.
[13] Ik dank u; hoe laat is ’t?
[14] Vrij vertaald door den schrijver naar Uhland’s: Des Sängers Fluch.
[15] De gewone naam voor schapen op de stations.
[16] Ja.
[17] Wichtjes.