Willem Roda: Een jongensboek

Part 27

Chapter 274,049 wordsPublic domain

„Mr. Stake, ik ben hier meester, en ik zal gehoorzaamd worden, of ik laat u met uw neef van het station jagen!” riep Walebone bevend van woede en innerlijke onrust.

Dilly, Jacky en al de overigen plaatsten zich naast of achter Willem en den Engelschman, die kalm tegenover den woedenden manager stonden.

De beide in het zwart gekleede heeren uit Brisbane traden op Lord Greybury toe en spraken eenige oogenblikken zacht met hem. De scheerders, de wasschers en de staljongens verkneukelden zich van leedvermaak en keken den gehaten manager spottend aan. Deze begreep, dat hij verloren was en wankelde op zijn beenen.

Een der heeren trok een gedrukt papier, met zegel en wapen voorzien, uit zijn borstzak, hield het den sidderenden bestuurder onder den neus, legde de andere hand op diens schouder en zeide luid:

„Henry Walebone, het is bewezen, dat ge u schuldig hebt gemaakt aan bedriegelijke handelingen jegens uw meesters, den directeur en de aandeelhouders der maatschappij.

„In tegenwoordigheid der geheele bevolking van Darling-station gelast ik u, Henry Walebone, in naam der koningin en der regeering van Queensland, dezen heeren, Lord Greybury van Londen, directeur der United Australian Pastoral Company en zijn compagnon Willem Roda van Amsterdam, de boeken en sleutels, behoorende tot Darling-station, ter hand te stellen, en onmiddellijk daarna het station en de run te verlaten, om er nimmer weder te keeren op straffe van verbanning uit de kolonie.”

Een gejuich ging uit de menigte op en bewees den openlijk vernederden bestuurder, hoezeer hij door zijn volk gehaat werd.

Met knikkende knieën volgde hij den ambtenaar naar het kantoor in de squatterswoning. Dilly werd binnengeroepen, om als getuige te dienen; al de overige bewoners wachtten buiten.

„Jacky! zeg het; toe, zeg het!” riep men van alle zijden den blackboy toe.

Op het oogenblik, dat Walebone, bleek als een doode, met saamgeknepen lippen buiten kwam, liep Jacky op een der dienaren van het gerecht toe:

„Missa manager, slechte man!” zeide de blackboy op den voormaligen bestuurder wijzende. „Hij Jacky rond goud geef; hij zegt: breng missa Roda en missa scheerder Knol in de scrub bij de Majols, laat missa Roda doodmaak!”

„Vervloekte zwarte! je liegt! jij bent de schuld van alles!” schreeuwde Walebone buiten zichzelf van woede; hij rukte zijn revolver uit zijn gordel, maar vóór zij had kunnen losbranden, hadden tien armen hem omvat en op den grond geworpen, en in een oogenblik was zijn pistool hem ontwrongen.

„Mr. Roda, wenscht u, dat ik dezen man in hechtenis doe nemen?” vroeg de ambtenaar van het gerecht, opnieuw zijn hand op Walebone’s schouder leggend. „Omkooping en ophitsing van een inboorling tot moord op een Europeaan wordt te Brisbane met de galg gestraft!”

„Neen!” antwoordde Willem zonder aarzelen. „Laat hem gaan, hij is genoeg gestraft. Dilly, geef hem een paard en levensmiddelen.”

De mannen van het station liepen spottend en jouwend den ontslagen bestuurder na, maar Willem liet hen door Dilly en Knol terugroepen.

Hij, Lord Greybury, Herman, Knol, Dilly en de beide beambten zetten zich onder de veranda.

„Leve de nieuwe manager! Leve Mr. Roda! Leve Lord Greybury!” riep het volk.

„Dilly, hoe kennen de menschen onze namen? Ik wilde hun uitlegging geven van het gebeurde, en zij schijnen reeds op de hoogte te zijn!” vroeg de Engelschman verwonderd.

„Wel, Sir; verleden week heeft de schelm Jacky naar Brisbane gezonden om de wolkoopers hier te doen komen. Ik begreep dadelijk, dat het zijn plan was de wol te verkoopen en zich met het geld uit de voeten te maken; daarom heb ik Jacky, op eigen houtje een brief voor uwe agenten meegegeven en tevens aan alle mannen op het station den waren stand van zaken medegedeeld. Indien u of Willem vandaag niet teruggekomen was, zou ik morgen de zaak geheel alleen bedisseld hebben. Ik was met deze heeren overeengekomen den manager gevangen te houden tot uw terugkomst, en ik verzeker u, dat Jacky noch iemand anders op het station den schurk had laten ontsnappen! Heb ik goed gehandeld?”

„Uitmuntend, uitstekend, Dilly!” antwoordden Willem en de Engelschman.

De beambten vertrokken en reeds den volgenden dag ging alles op Darling-station den gewonen gang; ’t was of er nooit een Mr. Walebone bestuurder was geweest.

Onder Dilly’s leiding leerden Willem, Herman en Knol in korten tijd alles, wat ze als manager of opzichter noodig hadden te kennen. Nadat het scheeren was afgeloopen, werd in gezelschap van den eigenaar de verwaarloosde run bezocht en bevolkt; de kengoeroes en dingo’s werden er uitgeroeid en de zwarten, die er zich genesteld hadden, verdreven.

Lang bleef Lord Greybury echter niet meer op de run. Den avond vóór zijn vertrek naar Europa bracht hij in druk gesprek met Willem en Herman door.

„Vaarwel, Willem!” zeide hij bij het afscheid nemen, beide handen van zijn beschermeling in de zijne drukkend: „Vaarwel; ik zal alles doen, wat je verlangt, ik zal niets hoegenaamd vergeten. Je zult tevreden over mij zijn, zooals ik over jou ben; ik heb een jaar lang een zoon gehad!”

„En ik een tweeden vader!” antwoordde Willem met trillende stem; zijn dankbare blik trof het anders zoo koele oog van den Engelschman; nu glinsterde er een traan in.

Willems verlangen naar zijne ouders werd met den dag sterker; gelukkig voor hem, dat er zooveel op de beide stations te doen viel. Verwilderde koeien moesten uit de scrub naar de runs gedreven, kalveren gebrandmerkt, wilde paarden opgevangen en getemd worden; dat alles belette hem, althans daags, veel aan Amsterdam te denken.

Op een avond, dat hij en Herman onder de veranda van de vermoeienissen van den dag zaten uit te rusten, verraste hen de mail-man met een telegram. Het luidde:

„Geen denken aan opnieuw gevangen nemen, zegt Omens. Was niet veroordeeld en straftijd is om. Ook bij den rechter geweest. Kom over met Herman. Ouders en zuster gezond. Groet Dilly; Knol en Jacky moeten oppassen zoolang jullie weg bent.

Je vriend Lord Greybury.”

HOOFDSTUK XX.

Willems moeder zat alleen in de achterkamer; zij pookte het vuur in de kachel nog eens op, want Roda en Emilia konden elk oogenblik thuiskomen, en nu de zon ondergegaan was, begon het koud op straat en kil in huis te worden.

In de kamer was, sedert Willem er ruim drie jaar geleden als boerenjongen was binnengekomen, niet veel veranderd; alleen de gordijnen waren wat meer verschoten en het vloerkleed vertoonde hier en daar den draad.

Er werd gescheld.

„Goeden avond, moe! Brief van Willem?” vroeg Emilia, terwijl ze zich vlug van mantel en hoed ontdeed, en de lamp ging opsteken. „Neen? Och, ik had het eigenlijk niet behoeven te vragen; ik zag het bij het binnenkomen al aan uw gezicht. Maar maak u toch niet zoo ongerust; ’t gebeurt immers zoo dikwijls, dat de mail later aankomt dan men meende; ’t is nog geen veertien dagen over den tijd. Ik zal die rimpels maar eens weer glad strijken!” ging ze opgeruimd voort, en zette zich naast haar moeder aan de tafel, „die leelijke plooien wil ik niet meer zien; ik zal u wat moois voorlezen, ik heb van de modiste een nieuw bundeltje gedichten ter leen gekregen.”

„Neen, kind, je moet den geheelen dag je oogen inspannen; ik kan het je wel aanzien, je bent vermoeid; en buitendien, we hebben sedert jij ook al voor den kost moet werken, zoo weinig gelegenheid samen eens te praten; ik zal morgen die gedichten wel lezen; blijf nu eens een poosje bij me zitten keuvelen.”

„Heel gaarne, moe; maar op voorwaarde, dat we voor dezen enkelen avond eens niet over Willem spreken.”

„Nu ’t is mij goed; ik ga dan straks de laatste brieven van Willem en Herman nog eens overlezen.”

„Voor de twintigste maal, moe?” vroeg Emilia met een ondeugend lachje.

„Heb jij ze dan nog maar éénmaal gelezen, Emilia?”

„Neen, ik ken ze al van buiten, al zijn ze lang,” antwoordde deze met een lichte blos.

„Milie, denk je dat ze spoedig komen zullen?”

„Ik weet het niet, moeder, ik hoop het voor u, voor mij en vooral voor vader; voor dien zou het een uitkomst zijn. Vind u ook niet, dat vader er in de laatste dagen erg verdrietig uitziet?”

„Zeker heb ik dat opgemerkt, maar de oorzaak is immers niet ver te zoeken, je zegt het zelf; hij verlangt even vurig als ik en jij onzen Willem weer te zien.”

„Het is vaders gewoonte niet, iets voor ons verborgen te houden en toch ben ik er zeker van, dat er nog iets anders is, dat hem treurig maakt.”

„Zou er iets met Willem gebeurd zijn?” riep de moeder verschrikt opspringend.

„Wel neen, moe, ga toch zitten; dat zou vader ons niet verborgen hebben. Wees toch niet zoo ongerust; u zult u zelf weer ziek maken. Nu ga ik tafeldekken en ik spreek geen woord meer over Willem, vóór er een brief is. Gelukkig, daar is vader!”

Met bezorgde blikken zagen Emilia en haar moeder den heer Roda aan; zijn gelaat zag nog wel betrokken, maar niet verdrietig meer.

„Nog geen brief van Willem, wel?” vroeg hij na den avondgroet, en schoot de pantoffels aan, die zijn dochter voor hem had neergezet. „De mail wordt niet voor de volgende week verwacht, maar er kon ook over Londen bericht zijn gekomen; nu, dan nog maar acht dagen geduld hebben. Aan tafel, kinderen. Ik heb honger; na het eten heb ik wat nieuws mede te deelen.”

„Goed of kwaad?” vroegen zijn vrouw en zijn dochter bijna te gelijk.

„’t Was kwaad, maar ’t werd goed!” was het raadselachtig antwoord, „meer vertel ik niet, vóór we gegeten hebben.”

De maaltijd was spoedig afgeloopen. Emilia had nog zelden zoo snel afgenomen en thee gezet.

„Nu, vader, hier is een sigaar en een kopje thee; maar nu ook eerlijk alles vertellen!”

„Dat zal ik doen van stukje tot beetje. Om te beginnen: Men heeft mij de betrekking opgezegd!”

„Opgezegd en waarom?” vroeg Emilia verschrikt en verwonderd.

„Op staanden voet, zonder eenige reden op te geven. Je kunt begrijpen, hoe ik schrikte; of ik al vorschte naar de reden, het hielp me niets; ik kon de volgende week vertrekken. Dat is het kwade, nu komt het goede,” vervolgde Roda; hij stond op, liep de kamer op en neer en lachte daarbij zoo vreemd, zoo schamper, zoo ironisch, dat zijn vrouw en Emilia er koud van werden.

„Vader, wat is er gebeurd?” riep zijn dochter en sloeg de armen om zijn hals. „Kom, zeg het ons, zeg het ons!”

„Wel, moet ik niet lachen,” zei Roda,—zijn toon klonk nog steeds spottend en diepe, grievende smart schemerde er doorheen. „Moet ik niet verheugd zijn, nu ik, na vier jaren op een anders kantoor de boeken te hebben bijgehouden, weer dagelijks in ons vroeger huis op de Heerengracht mag komen. Wel niet als heer, maar toch als knecht!”

„Vader, ik begrijp u niet; och, pijnig ons niet langer; u spreekt zoo zonderling, dat zijn we niet van u gewoon; zie moeder eens aan, de tranen schieten haar in de oogen!”

Roda ging zitten.

„Ja, ik ben onredelijk tegen mijn lot, maar er wordt mij ook niets bespaard. Waarom moet mij ook juist in het huis, waar ik ben opgevoed, waar ik als heer en meester gewoond heb, een ondergeschikte betrekking worden aangeboden? Maar ik zal mijn plicht vervullen tot het einde toe; ’t is bitter, maar het moet.” Roda streek met de hand over het voorhoofd, als wilde hij die droefgeestige gedachten wegvagen en op minder treurigen toon vervolgde hij:

„Ik heb je al gezegd, dat mijn tegenwoordige patroon mij de betrekking heeft opgezegd; dat was eergisteravond; gistermiddag ontmoet ik Omens niet ver van het kantoor; ik neem hem onder den arm, vertel hem de geschiedenis en vraag hem, of hij me niet een andere boekhoudersplaats kan bezorgen. „Wel vriend,” zegt hij, „dat treft zoo mooi als ’t kan. In het huis, waar je vroeger gewoond hebt, heeft een Engelschman een bankierskantoor gevestigd; ik ken mijn buurman sedert eenige weken; hij heeft me verzocht een ervaren boekhouder voor hem te zoeken; een man, die, zoolang hij zelf in het buitenland vertoeft, de geheele zaak kan drijven. Ik zal dadelijk gaan zeggen, dat je het aanneemt.” „Neen, ik neem het niet aan,” zeg ik. „Ik wil in mijn eigen huis geen ondergeschikte zijn; nog liever word ik pakhuisknecht, als ik geen boekhoudersplaats meer vinden kan.” Omens redeneerde echter zoolang—je weet wel hoe Omens praten kan—en stelde de zaak zoo mooi voor, dat ik zwichtte. Zooeven ben ik er zelf heengegaan; ik heb mijn woord gegeven. Maandagmiddag aanvaard ik mijn nieuwe betrekking.”

„Arme vader!” zuchtte Emilia.

Haar moeder zeide niets; ze staarde stil voor zich heen.

„Och!” ging Roda voort, toen hij zag, dat hij zijn vrouw en dochter ook droevig had gestemd. „’t Is onaangenaam; maar ik heb al zoo dikwijls dingen moeten doen, die mij tegen de borst stuitten. Binnen eenige weken ben ik er aan gewoon.—Ze zag er anders goed uit, onze vroegere woning. Het geheele huis is nieuw geschilderd, en de tuin staat nog zoo mooi, of het midden in den zomer was. Die Engelschman is een buitengewoon vriendelijk mensch; hij bood mij aan de vertrekken eens te gaan bezichtigen; het hart bloedde mij, maar ik had den moed niet te weigeren. Overal is de stoffeering even rijk en smaakvol, en een stal met paarden heeft hij, zooals er, geloof ik, maar weinige in Amsterdam zijn. Het trok mijn aandacht, dat de inrichting der vertrekken juist zoo is, als wij die vroeger hadden. Het kantoor is beneden; de slaapkamers zien op den tuin uit; de logeerkamers, in één woord, alles is zoo gebleven als het was; de groote zaal alleen heb ik niet gezien, daar waren ze nog aan het timmeren. Maar wat ik het vreemdst vind, is, dat mijn nieuwe patroon mij bij het heengaan vroeg, of ik alles naar mijn smaak vond. Alsof ik ooit ergens anders zal komen dan op het kantoor of in de spreekkamer!

„Eén ding is er echter, dat mij met mijn lot verzoent, Emilia. Ik heb de betrekking niet willen aannemen, voordat de bankier mij het salaris had genoemd, dat ik zal verdienen. Hij gaf telkens ontwijkende antwoorden; „dat zullen we later wel bespreken”; „in elk geval meer dan in uw tegenwoordige betrekking,” en dergelijke uitvluchten meer; maar ik rustte niet, voordat hij een som had genoemd.

„Voorloopig,” zei hij er bij, „maar het bedrag is nu reeds zoo hoog, dat we voortaan in ruimer omstandigheden kunnen leven, en jij, Emilia, niet weder naar de modiste behoeft te gaan. Van morgen af blijf je thuis.”

„Vader, als dat de reden is, waarom u tegen uw zin de betrekking heeft aangenomen, blijf ik liever hoedenmaken.”

„Neen, kind, dat is de eenige reden niet. In elk geval is er niets meer aan te veranderen; ik heb mijn woord gegeven. Maandag ga ik er heen!”

Er werd verder niet meer over deze zaak gesproken en Maandag kwam. Roda maakte zich reeds op heen te gaan, toen er gescheld werd, en Omens langzaam naar boven kwam. Alle drie keken hem verwonderd aan: de oude advocaat was gekleed alsof hij op audiëntie moest.

„Wel, Roda, wat woon je hoog en wat een steile trap!” zeide Omens hijgend van het klimmen. „Mijn oude beenen zijn er niet meer voor geschikt, en ik begrijp niet, hoe jij minstens viermaal daags op en af kunt klimmen. Neen, als je niet gelijkvloers gaat wonen, kom ik niet meer bij je!”

„Wat voert je hierheen, Omens?” vroeg Roda, die met verbazing zijn vriend aanhoorde. „Je weet toch, dat ik straks naar dat kantoor moet.”

„Wel, juist daarom kom ik hier; ik zal je brengen en je installeeren. Neen, spreek niet tegen. Je bent klaar? Mee haar beneden dan; ik breng je, stel je aan de klerken voor en daarmee uit. De bankier wil het zoo, dat is een jon..., och, een man bedoel ik, die van die aardigheden houdt en wij oudjes moeten er ons maar aan onderwerpen. Voorwaarts. Goeden dag, Emilia, goeden dag, mevrouw!... tot straks!” voegde hij er fluisterend bij en sloeg de deur snel achter zich dicht.

Roda was reeds de trap af.

„Moeder!” riep Emilia half schreiend, half juichend en zichzelf steeds meer opwindend uit. „Moeder, er is iets op til! Ik weet het! Ik voel het! Die opgezegde betrekking! De nieuwe in ons huis! Die Engelschman! Omens, die vader komt halen! De brief, die uitblijft! Moeder, Willem komt! Hij is al hier met Herman! In al die geheimzinnige toebereidselen herken ik Willem. Dat alles is zijn werk! Hij wil vader verrassen! Geen twijfel meer! Moeder! Moeder! ze komen, ze komen!” En snikkende wierp ze zich in haar moeders armen.

„Kind! bedaar! Zie eens aan, nu ben jij nog meer opgewonden dan ik; dat komt er van als men zich zoo lang tot kalmte dwingt en zijn gevoel verbergt!”

Thans was het de moeder, die de dochter steunde; ze zette haar zachtjes in den leuningstoel, maar op hetzelfde oogenblik werd er op de deur geklopt.

„Willem!” riepen moeder en dochter te gelijk en rukten de deur open.

Maar ’t was Willem niet; ’t was Frederik Walling, de voormalige schooier, die er nu echter in zijn deftigen zwarten rok alles behalve schooierachtig uitzag.

Hij streek met zijn mouw zijn zijden hoed glad.

„Mevrouw, juffrouw,” stotterde hij, door het ontstelde gelaat der moeder en de betraande wangen van Emilia in de war gebracht, „door mijn schuld... vroeger... is uw zoon—”— —Een rijtuig houdt voor de deur stil—„Daar zijn twee heeren uit Australië!” roept Walling en snelt zoo hard als hij kan naar beneden.

Twee mannen stormen de trap op en werpen hem op den overloop omver.

„Willem, mijn kind! Moeder! Emilia! Herman!”

„Nu naar vader!” riep Willem, zich uit de armen van zijn moeder losmakend, die hem zwijgend omkneld hield. „We moeten vóór hem in ons huis zijn. Niet gekleed? Dat doet er niet toe; vooruit! In het voorste rijtuig, moe, bij Hermans ouders in! Och, sluit die deur toch niet; dat houdt maar op; laat dien ouden rommel maar staan!”

De portieren sloegen dicht; de palfreniers sprongen op den bok, de nieuwsgierigen op zijde, en in vliegende vaart rolden de beide koetsen naar de Heerengracht.

Roda was intusschen ook reeds op de gracht gekomen.

„Daar houden equipages stil voor het kantoor,” zegt hij tot Omens; „er stappen menschen uit!”

„Waarschijnlijk de vrouw en de kinderen van den bankier!” antwoordt Omens en strijkt vergenoegd zijn kort, grijs baardje, „ze moeten bij de inwijding tegenwoordig zijn!”

„En er hangt een vlag uit,” herneemt Roda, „waarvoor dient die vertooning? Hadt je mij er niet buiten kunnen laten, Omens? Je weet, dat ik op zoo iets niet gesteld ben!”

„Dat weet ik, maar in dat geval hebben we jou er bepaald bij noodig; we zijn er.”

„Hemel! Omens! Op die koperen naamplaat!” roept Roda, opeens den advocaat bij den arm grijpend, sidderend uit.

„Wat is er?”

„Op die plaat!—Daar staat—daar staat—„J. Roda”, mijn naam!”

Omens duwt den verbaasden man, die eindelijk begint te begrijpen, zachtjes door de openstaande benedendeur de gang in.

„Vader!” roept Willem, die, nu hij zijn grijzen vader gezien heeft, niet wachten kan, tot hij binnen is.

„Willem, mijn kind! mijn jongen, heb ik je eindelijk, eindelijk weder!” roept Roda. Schreiend sluit hij zijn zoon in zijn armen en kust hem op beide wangen. „Willem, Willem, in mijn eigen huis vind ik mijn kind weer, wat een verrassing! Wat zullen moeder en Emilia blij zijn!”

„Mee naar boven, vader, dan kunt u hooren, wat ze zeggen!”

„Zijn ze er al? Willem, denk jij dan aan alles, wat mij gelukkig kan maken?”

„Wel natuurlijk, vader; waaraan zou ik anders denken? Kom, geef mij uw arm eens; boven wachten moeder, Emilia, Herman, de geheele familie Borgers, Frederik Walling, Van Dal en nog iemand: de Engelschman, die u al gesproken heeft, vader; aan hem hebben we grootendeels ons geluk te danken.”

„Goed, Willem; maar loop nu niet zoo snel de trappen op, mijn jongen! Of de ouderdom of de ontroering er de schuld van is, Willem, weet ik niet; ik kan je niet bijhouden!”

In de bovenzaal werd de oude heer Roda met gejuich ontvangen, en gelukgewenscht door allen, die Willem had opgenoemd, behalve door Lord Greybury: de Engelschman was verdwenen, zonder dat iemand zijn heengaan had opgemerkt.

Toen Van Dal thuis kwam en mopperend tegen zijn vrouw, die weer niet mede had willen gaan, zijn jas op een stoel wierp, vielen er twee gouden tientjes op den vloer; hoe lang man en vrouw zich ook in gissingen verdiepten over de herkomst van die goudstukjes, zij vonden den waren oorsprong niet.

Weer waren evenals vier jaar geleden al de vensters in den voorgevel van het groote huis verlicht; weer drong er dansmuziek door vensters en deuren heen naar buiten; weer stonden in onafzienbare rij de equipages op de gracht en ook nu sloegen de koetsiers zich de armen tegen de schouders.

Daar binnen evenwel waren nu twee bruiden en twee bruidegoms in plaats van één paar zooals toen. Willem was de verloofde van Emma Borgers; zijn zuster zou den volgenden dag de vrouw van Herman Borgers worden. En thans werd de feestvreugde niet verstoord; thans had Omens geen jobstijding meer te brengen; hij trippelde op zijn korte beentjes tusschen de palmen en heesters met Roda door de zaal, als was hij vijftig in plaats van zeventig. Ook Roda scheen al het doorgestane leed vergeten te zijn en weer jong te zijn geworden.

Lord Greybury zond een telegram; hij wenschte den ouders geluk en hoopte binnen een paar jaar het jonge paar op Emilia-station persoonlijk te komen gelukwenschen.

Willem bleef nog twee maanden bij zijn ouders; toen nam hij opnieuw afscheid, nu tevens van zijn bruid. Herman Borgers en zijn gelukkige vrouw waren reeds vooruitgereisd naar Marseille; daar zouden zij op hun broer wachten, die eerst nog eenige oude kennissen wilde bezoeken.

De kommandant van De Kruisberg keek verwonderd op, toen de majoor een naamkaartje met „Willem Roda, squatter, Queensland” vóór hem op den lessenaar legde en berichtte, dat deze heer hem wenschte te spreken.

Hij ontving Willem hartelijk, en luisterde met belangstelling naar zijn lotgevallen.

„Zoover heeft het nog geen van mijn jongens gebracht, Willem, en zoover zal het wel nooit weer een brengen,” zei de kommandant en vertelde Willem op zijn beurt, hoe hij hem verdacht had een complot gesmeed te hebben en eerst veel later de ware toedracht der zaak had ontdekt.

„Kommandant,” zeide Willem bij het heengaan, „wil u zoo goed zijn dit geld aan den boschwachter te geven; ik heb niet eerder gelegenheid gehad mijn schuld af te doen.”

„Aan den boschwachter? Heeft hij je dan geld geleend om te ontvluchten?” vroeg de kommandant, en zijn gezicht betrok.

„Wel, neen! Hij heeft mij onwillens en onwetens zijn hond verkocht!”

„Ha, zoo! Nu is mij die zaak helder. Laten we daar niet meer over spreken, Willem. ’t Is twijfelachtig of we elkaar ooit weer zien; doe mij het genoegen, me nog eens bericht te zenden, hoe het je verder gaat; ik bewaar alle brieven van de jongens uit het gesticht, het doet me altijd goed te hooren, dat het hun welgaat. Adieu!”

Vrouw Branse, Oldejan en Jongejan zitten in de hut koffie met snijkoek te gebruiken, want het is Zondag. Een vreemde heer bukt zich en kijkt naar binnen.

„Jan Branse thuis?”

„Heere mien tied! ’t Is Willem?” roept de vrouw dadelijk. „Mensche, mensche wat bin jij groot en mooi eworden, ik ken oe alleen aan de stemme!”

Willem bleef den geheelen middag bij de brave hutbewoners.

„Ik heb het oe wel ezegd!” zeide Oldejan, toen Willem afscheid nam. „Die weldadig is, en zijn vader en moeder eert, kan het nooit slecht gaon in de wereld. De Engelen van den Heer hebben oe begeleid!”

Den volgenden morgen was Willem te Wijk. Op zijn verzoek ging Volsteke nog eens met hem in den berg.

„Volsteke, ik begrijp niet, hoe ik een geheelen winter in deze bedompte gangen heb kunnen leven,” zei Willem, toen ze samen een half uurtje rondgewandeld hadden. „Ik zou het hier nu geen dag meer uithouden, ik ben aan de zon en den blauwen hemel gewend, ik kan er niet meer buiten.”

„Moeten is dwang, maar willen is kunnen!” antwoordde Volsteke. „Dat hebt ge zelf ondervonden en getoond, anders was ge thans niet, die ge zijt.”