Willem Roda: Een jongensboek

Part 26

Chapter 263,941 wordsPublic domain

„De witte mannen zijn moedig, zij wagen hun leven. Tatamboe zal bij hen blijven en zijn vrienden redden, als hij kan.”

De maan kwam op en bescheen de vijf mannen bij het verzwakkende vuur. De nachtwind rimpelde zachtjes den plas. Daar liet zich ook weder dat doffe geluid hooren, dat Jacky eens zoo hevig had doen ontstellen. Het kwam diep uit het bosch. Tatamboe rilde, toen hij het gebrom hoorde, zoo hevig, dat de kakatoekuiven op zijn hoofd ritselden. Hij stond op, wikkelde zich in zijn mantel, dien hij tijdens het gesprek had afgelegd, en klopte met zijn lans zacht tegen het schild.

Op dit teeken snelden een twintigtal, evenals Tatamboe uitgedoste zwarten, die zich achter de boomstammen hadden schuil gehouden, op hem toe.

Tatamboe sprak zijn stamgenooten in hun eigen taal toe, en wees daarbij telkens naar de blanken. De vrienden van den voormaligen wiskunstenaar legden, nadat hij zijn lange rede geëindigd had, eerst de hand op het hoofd, en daarna op de borst, ten teeken dat ze begrepen hadden en bereid waren te gehoorzamen. Vier van hen namen de paarden en leidden ze weg. De overigen sloten een kring om de blanken; en met Tatamboe aan het hoofd trok de stoet dieper het bosch in.

Een half uur lang werd de tocht stilzwijgend voortgezet; het scheen Willem en zijnen metgezellen toe, dat ze om de vergaderplaats heen geleid werden; want Tatamboe veranderde van richting, zoo dikwijls een licht tusschen de boomstammen zichtbaar werd. Het bosch werd dichter en Tatamboe beduidde door teekens, dat men twee aan twee moest gaan loopen. Eindelijk hield hij stil en luisterde; eenige minuten bleef het doodstil; toen klonk plotseling het gebrom in hun onmiddellijke nabijheid.

„De witte mannen spreken niet,” fluisterde de Tatamboe. „Zij volgen het voorbeeld van hun zwarte vrienden.” Daarop drong de zwarte aanvoerder door de struiken heen, gevolgd door de vier blanken en de zwarten.

Een groote ronde vlakte, door de maan beschenen en omlijst door het donkere woud, lag voor hen; de struiken en het gras waren er afgebrand. In het midden brandden een tiental, in een halven cirkel geplaatste stapels hout, waarvan de rook in spiralen opsteeg. In de holte van den boog, door deze vuren gevormd, zaten drie rijen jonge vrouwen en meisjes neergehurkt; ze hielden oppossumhuiden tusschen de knieën gespannen, en sloegen met boemerangs en nolla-nolla’s op de aldus gevormde trommen; tegelijk zongen ze binnensmonds op een eentonige wijs en veroorzaakten zoodoende het geheimzinnig gebrom.

Tusschen de boomen, tegenover de bolle zijde van den vuurboog, wees Tatamboe den blanken een plaats aan; hij zelf ging met zijn zwarten vóór hen zitten; zóóver naar achteren tusschen de boomstammen evenwel, dat het licht der maan noch dat der vuren hen beschijnen kon.

Een half uur ongeveer duurde het eentonig concert; nu en dan sloegen de vrouwen harder en sneller op de trommen, wendden daarbij het gezicht naar de volle maan en hieven een zacht, klagend gehuil aan. Tatamboe en zijn gemantelde zwarten zongen of huilden op die oogenblikken mede; van alle zijden stegen uit het omringende bosch geluiden op; het scheen, of alle boomen in het rond zuchtten en steunden.

Eensklaps kwam een langgerekte, fluitende toon, ongeveer als pirrrrrrrrrr, van de overzijde uit het bosch. Tatamboe en zijn vrienden sprongen op, keerden zich om en liepen zoo snel ze konden, Willem en zijn metgezellen meetrekkende, het bosch in. Zonder zich om te keeren, bleven ze in gebukte houding staan, tot een tweede, pirrrrrrrrrr de lucht deed trillen. Daarop trokken ze de mantels over hun gelaat, bukten zoo diep, dat de kakatoe-kuiven bijna den grond raakten, en keerden in die houding met kleine sprongen naar de vlakte terug. Willem en de anderen hen na. Aan den rand van het woud vielen de zwarten neer en drukten het gezicht tegen den grond.

Voor de derde maal klonk het pirrrrrrrr; als door een veer in beweging gebracht, sprongen de zwarten op, slingerden de mantels weg, en een „ha!” van bewondering en bijgeloovige vrees ontsnapte hun mond.

Bij het vuur stond, door drie beschilderde zwarten vastgehouden, een acht à tien meter lange lans, van boven tot onder met papegaaiveeren, en kengoeroestaarten behangen; elk der drie wilden hield bovendien een lange speer, eveneens met veeren en staarten versierd, in de vrije hand. Achter de heilige lans zaten op een soort van rek, door twee gevorkte palen en een dwarsboom gevormd, een tiental jonge wilden; ze hadden zich de ribben en het gelaat zoodanig met witte kalkaarde besmeerd, dat ze uit de verte geraamten geleken. Twee oude mannen, met lange, witte haren, bliezen, zoo het scheen met den neus, op een rietstengel en brachten daardoor nog steeds het pirrrrrrrrrr voort. De vrouwen waren verdwenen.

„Wat beteekent die lans?” fluisterde Willem Tatamboe, die vóór hem zat, toe.

„Palyertatta en bora!” antwoordde deze op geheimzinnigen toon.

„Ja, maar nu weet ik nog niets, zeg me....”

„Stilte!” gebood de zwarte met een duidelijk gebaar.

De geraamten waren van het rek gesprongen; ze kropen eerst eenige keeren op handen en voeten rondom de mannen met de bevederde lansen, sprongen op en vielen weer neder; vervolgens hinkten ze op één been er om heen en sloegen daarbij met de armen, als bootsten ze een vliegenden vogel na. Eindelijk hupten ze met opgetrokken ellebogen, de handen voor de schouders uitgespreid, op de wijze der kengoeroes, rond.

De lange lans helde voorover. Op dit teeken verdeelden zich de springers in twee groepen, en nu ontstond een worsteling van man tegen man. De jongens, die overwinnaars waren gebleven, begaven zich naar de lans, raakten die met de vingertoppen aan en vielen op hetzelfde oogenblik, als door een elektrischen schok, plat op den grond. Twee mannen namen de jongens een voor een op, legden hen op den rug en sloegen hen met een steen, die ze eerst tegen de lans hadden aangedrukt, op den mond. Telkens als een jongen den slag ontving, uitte hij een doordringenden gil en bliezen de grijsaards op het riet.

„Daar heb je het al, ze slaan elkaar de tanden uit!” fluisterde Knol.

Tatamboe keek om, en zijn strenge blik gebood opnieuw stilte.

In houten coolemans, een soort van flesschen, brachten de grijsaards water aan voor de jongens, die met den zonderlingen ridderslag onder de strijders waren opgenomen. Daarna kregen ze een stuk vleesch, dat met graagte werd verslonden.

„Wat is dat voor vleesch?” zoo wendde zich Willem ondanks het gebod van stilte tot Tatamboe.

„Van spionnen, verraders en vijanden,” mompelde deze. „Mijn jonge vriend moet niet meer spreken; wanneer de Majols hem bemerken wordt hij gevangen genomen.”

„En opgegeten,” dacht Willem, en zijn nieuwsgierigheid begon hem thans wel een weinig te berouwen.

Van alle zijden sprongen zwarten uit de schaduw te voorschijn en bleven op gelijken afstand van de vuren staan, zoodat ze een tweeden wijden kring vormden. Allen waren met gele of witte strepen beschilderd, en hadden het hoofd en de wenkbrauwen met veeren beplakt. In de rechterhand hielden ze een groot, houten zwaard, in de linker een kort schild, evenals hun lichaam met onregelmatige figuren bedekt. Ze stieten vreemde geluiden uit en zwaaiden met schilden en lansen. ’t Was of ze iemand uitdaagden, zich met hen te komen meten. En werkelijk, evenzoo gewapende zwarten kwamen vóór hen staan, de fluit gaf het teeken, en onmiddellijk begon op twintig plaatsen tegelijk het tweegevecht. Schilden kraakten en zwaarden vlogen tot splinters. Met een schrikwekkend gehuil sprongen andere zwarten uit het woud in den maneschijn en bevochten elkander met speren en boemerangs, met lansen en nolla-nolla’s.

Wanneer een strijder viel, kwamen dadelijk uit de schaduw oude vrouwen toeschieten; ze droegen lange stokken en hielden die beschermend boven het hoofd van den overwonnene; eerst als de strijdlust van den overwinnaar bedaard was, sleepten ze den gewonde naar het bosch.

Boven het krijgsgeschreeuw uit klonk opnieuw het pirrrrrrr; weer was er een bedrijf van het zonderlinge schouwspel afgespeeld. De jonge vrouwen kwamen terug en plaatsten zich met haar dierenhuiden bij de vuren. Nu kwamen naakte, met slingers van eucalyptusbladeren omhangen kinderen te voorschijn; ook deze bootsten evenals de jongens, bewegingen van dieren na; ze sprongen als kikvorschen, kropen als slangen, hupten als kengoeroes en maakten daarbij geluiden van dieren na; op het laatst rolden ze, al vechtend, tot een krielenden hoop ineen.

De groote lansen en speren werden weggebracht, en de kinderen naar het bosch gejaagd. Een oogenblik was de vlakte stil en ledig; dan sprongen honderden beschilderde en met veeren en huiden getooide zwarten uit de donkere schaduw in het helle licht en begonnen een algemeenen dans. Ze zongen, huilden, schreeuwden of lachten, terwijl ze als bezeten rondsprongen, met zwaarden en boemerangs zwaaiden, elkander aangrepen, omverwierpen of over elkaar heensprongen. Van tijd tot tijd wierpen de vrouwen hoopen dorre bladeren op het vuur, dat dan een oogenblik helderder opflikkerde; op dit gezicht ontsnapte een algemeen „ha!” den monden, en keken de wilden stilstaande naar de maan; als door een plotselingen schrik bevangen, vluchtten allen met groote sprongen naar het bosch, om eenige minuten later weer te voorschijn te komen en den dans te hervatten. Drie-, viermaal werd dezelfde vertooning met de dorre bladeren herhaald, en telkens snelden de zwarten voor eenige minuten naar de schaduw.

„’t Is een gekkenspel,” bromde Knol; „de moeite niet waard er ons leven voor te wagen. Laten we heengaan; zoolang die wilden als dollen springen en schreeuwen, letten ze niet op ons!”

„Ik heb er ook genoeg van,” zeide Willem, „ik gevoel me, nu Tatamboe is gaan meehollen, alles behalve op mijn gemak. Ik wilde, dat ik goed en wel hier vandaan was.”

„Wel, wat belet ons heen....” begon Herman, maar de woorden bleven hem in de keel steken.

Een ontzettend woest gehuil steeg uit de vlakte op; de zwarten staakten hun wilden dans. De blanke spionnen waren ontdekt; een stam, die later op de vergaderplaats was aangekomen, had hen bespeurd. Als een wervelwind kwam de geheele bende aanstormen, en eer Willem en zijn tochtgenooten goed wisten, wat er gebeurde, waren ze naar de vuren in het midden van de vlakte gesleurd. Een oogenblik later evenwel hadden alle vier zich losgerukt en stonden ze rug aan rug. Waarheen ze de oogen wendden, overal ontmoetten ze de woeste, moordlustige blikken der afschuwelijk beschilderde zwarten. De achtersten drongen schreeuwend en tierend de voorsten op, zoodat de kring om de vier mannen steeds nauwer werd.

„Moed houden!” riep Willem met bevende stem. „Tatamboe zal ons redden!”

„Dan mag hij voortmaken!” zuchtte Herman.

„We moeten ruimte maken, of we zijn verloren!” zei Lord Greybury op kalmen toon.

„Alsof we dat toch al niet zijn!” antwoordde Knol, die op het oogenblik van het gevaar veel meer moed gevoelde dan te voren. „Kijk die leelijke gezichten maar eens aan; die dikke daar voor me slaat op zijn buik, de vent heeft bepaald eetlust. Willem, ik ga je straks aan mijn grootje voorstellen, of als jij.... Ai” gilde Kees op eens; een wilde had hem met de lans in zijn been geprikt. Een ander hief dreigend zijn speer tegen den Engelschman op.

„Revolvers omhoog!” riep Willem en gaarde al zijn moed bijeen, „één, twee, drie, vuur!”

Een knal als een donderslag volgde onmiddellijk op het commando; acht vuurstralen schoten boven de hoofden der blanken op.

Een angstkreet uit twee-, driehonderd kelen daverde door de lucht, en hals over kop vluchtten de wilden naar het bosch. De rook trok op; de vlakte was ledig.

„Dat hebben we er netjes afgebracht; ik begin weer moed te krijgen,” zei Knol. „Waarom die satansche wilde juist mij moest hebben?”

„Je bent de vetste, Kees!” antwoordde Lord Greybury. Knol glimlachte pijnlijk.

„Voet voor voet terugtrekken naar het bosch,” gebood Willem. „Houdt goed aaneengesloten, we hebben front naar vier zijden!”

Eenige schreden ging het goed, en de vier mannen dachten reeds gewonnen spel te hebben, toen eensklaps een jonge wilde, een der geraamten, kwam aanloopen, en op een vijftig pas afstands staan bleef. Hij stiet een uitdagenden kreet uit en wischte zijn boemerang af.

„Schieten?” vroeg Knol, aan wiens kant de wilde stond.

„Neen!” waarschuwde Willem, „Als hij valt, al is het maar van den schrik, krijgen we misschien de geheele bende dadelijk op den hals; hij kan ook missen en ik hoop nog op Tatamboe.”

De wilde zwaaide zijn boemerang boven het hoofd, maar vóór hij losliet, sprong van de andere zijde een zwarte te voorschijn; een nolla-nolla suisde door de lucht en sloeg den overmoedigen knaap tegen de beenen, zoodat hij omver viel en jankend naar het bosch terugkroop.

„Goddank! We krijgen hulp!” riepen de benarde mannen als uit één mond. Weer poogden ze, steeds wijkend, eenige schreden nader bij het bosch te komen. Een dreigend gehuil der onzichtbare wilden, een boemerang, die Willem den hoed van het hoofd sloeg en hem aan het oor kwetste, en eenige speren, die voor hun voeten neervielen, deden hen echter van hun plan afzien. De straal van hoop, die bij den onverwachten werpknots een oogenblik de naaste toekomst minder donker had doen schijnen, verdween, en Tatamboe liet zich niet zien.

„Er is niets meer aan te doen!” zeide Lord Greybury, „we moeten geduldig wachten, tot ze ons bestormen en dan ons leven zoo lang mogelijk rekken; zesmaal kunnen we hen laten naderen en hun de volle laag geven, en dan is het uit. Wat geeft het ons of we het bosch bereiken? Achter elken boom staat een wilde, die ons met onzichtbare hand een speer of boemerang toewerpt. Tatamboe en de andere zwarten hebben blijkbaar geen macht over hen.”

Herman biggelden de tranen over de wangen. Knol was doodsbleek geworden en had geen lust meer tot grappenmaken.

„Arme ouders!” zuchtte Willem. „Ik dacht hen binnenkort weer gelukkig te zullen maken, en nu zoo ellendig te moeten omkomen!”

„Pijnig je daarom niet, Willem!” zei Lord Greybury zacht. „Ik wist, dat ons gevaren dreigden, en heb er voor gezorgd, dat, indien een van ons beiden om het leven kwam, het doel van jouw leven toch bereikt zou worden. Eer het te laat is, moet ik je zeggen, wat ik voor altijd dacht geheim te kunnen houden: Willem, de man, die je vader geruïneerd heeft, is mijn jongere broeder; een lichtzinnige, die ook mij dreigde arm te maken. Ik heb zijn schuld betaald, mijn testament is te Brisbane gemaakt.”

„Dank u,” stamelde Willem; hij kon zijn weldoener niet zien, noch hem de hand drukken: ze stonden rug aan rug. „Ik wou, dat de Kannibalen er een eind aan maakten,” zei hij op wreveligen toon, „die stilte en die onzekerheid maken me ziek.”

Daar kwam langzaam met afgemeten schreden eene donkere gestalte uit het bosch. Hij naderde de vier mannen.

„Tatamboe!” fluisterden ze, en de hoop op redding deed hun oogen schitteren.

De zwarte bleef op eenige passen afstands staan.

„Mijn vrienden zijn wijze mannen!” begon hij langzaam en plechtig. „Zij hebben geen zwarten man gedood. Mijn zwarte vrienden eischen, dat de witte mannen de jonge geweren wegwerpen. Zij zijn wijs, zij doen het. Wanneer de zwarte mannen naderen om hen levend te grijpen om morgen bij de bora te dooden, gaan zij dansen en zingen. De Majols zijn domme kinderen; zij zullen lachen. Dan keeren mijn vrienden terug naar het bosch, op de plaats, waar Tatamboe hen verborgen had; daar blijven zij liggen en rusten; dan keeren zij weder naar de vlakte; eenmaal, tweemaal, zooals mijn zwarte vrienden doen; de derde maal komen zij niet weder uit het bosch: dan staan vijf paarden op de plaats en drie geweren liggen op de zadels; maar mijn witte vrienden schieten niet: de mannen, die hen vervolgen, zijn mijn zwarte vrienden. De zwarte man, wien zij vroeger het leven lieten en die de nolla-nolla wierp, zal hen geleiden. Tatamboe spreekt de waarheid,” vervolgde de zwarte, toen hij de verbaasde blikken der blanken opving, „laat mijn vrienden onbevreesd zijn; als mijn vrienden toch gegrepen worden, zal hij hen morgen redden. Tatamboe is de vriend van de witte mannen, zij zijn wijs, zij gehoorzamen.”

„Hoezee! Bravo! Gered!” schreeuwden de vier blanken door elkander; en Knol het hardst van allen: „Lang leve Tatamboe, hoezee!”

De revolvers vlogen over de vlakte en onmiddellijk daarop kwamen de wilden aanstormen; mannen, vrouwen en kinderen rolden in hun haast naderbij te komen over elkander heen. Sommigen droegen lange dunne bamboestengels, klaarblijkelijk, met het doel om de blanken te binden.

„Jongens, past op, dat we niet gescheiden worden!” riep Willem vroolijk. „Ik ben ballet- en kapelmeester. Opgepast!”

De zwarten omsloten hen in een nauwen kring; ze snaterden en kakelden onder elkander en schreeuwden den blanken onverstaanbare woorden toe.

„Wacht!” zei Knol, „ik zal de voorstelling beginnen, voordat ze me weer in de beenen prikken!” tegelijk ging hij op zijn handen staan en buitelde op straatjongensmanier over het hoofd.

„Wien Neerlandsch bloed door de aderen vloeit——” hieven Willem en Herman, zoo luid ze konden, aan. „God save our gracious queen....” stemde de Engelschman in, en alle drie zwaaiden met armen en beenen de maat.

„Poe! Ha! Pa! Pih! Ho!” riepen de zwarten en sperden daarna in stomme verbazing oogen en monden wijd open. Knol wierp zich telkens opnieuw op de handen en buitelde zoo om de zangers heen.

„Engageeren voor een wals!” schreeuwde Willem, toen het „Wien Neerlandsch bloed” en het „Wilhelmus” uit waren. Hij pakte den lord om het midden en beiden draaiden zwijgend rond. Herman en Knol schreeuwden zonder ophouden: „Tchieng! boem!” sprongen om de walsers heen, en trokken armen en beenen op als hansworsten aan een touwtje.

De wilden schaterden het uit en hielden zich den buik vast. Sommigen rolden uitgelaten van blijdschap over den grond; een enkele begon mee te dansen, anderen volgden zijn voorbeeld en weldra was de geheele bende onder een uitbundig gelach aan het draaien, dansen en springen.

Onder het dansen door zong Willem op de wijze van het Wien Neerlandsch bloed: „Kees, buitel naar de boomen toe, zoo komen wij niet verder!”

„Je ziet wel, dat ik dat al doe; maar ik ben o zoo moe!” antwoordde Knol op dezelfde manier.

„Ik kan niet meer!” zuchtte Lord Greybury, wien de droppels van het voorhoofd rolden.

„Ik ook niet, ik val er bij neer!” klaagde Herman en ging zitten.

Maar dit was niet naar den zin van de wilden; ze schreeuwden en dreigden hem met hun speren in de beenen te prikken.

„Houdt vol jongens! We dansen voor ons leven, Herman, denk aan Amsterdam! dat doe ik ook, en dat geeft kracht!” riep Willem bemoedigend.

Tatamboe was hen intusschen genaderd.

„Mijn witte vrienden loopen snel naar het bosch, mijn zwarte vrienden omringen hen!”

De zwarten met de mantels, een dertig in getal, drongen om de blanken heen en stuwden hen met zich voort naar de boomen. Dadelijk vielen Willem en zijn makkers neer. De overige zwarten kwamen gillend en schreeuwend toeloopen; maar toen ze de blanken onder de voorste boomen, voorover op den grond zagen liggen, deinsden ze eerbiedig terug en wachtten zonder eenig geluid te geven, tot hun gevangenen opstonden, en nu eenigszins uitgerust den gedwongen dans hervatten.

Voor de tweede maal weken de vier mannen terug, en nu volgden hen de zwarten niet eens naar het bosch.

Een dreigend gehuil riep hen echter opnieuw ten tooneele, toen ze wat langer dan den eersten keer achter de schermen bleven.

Ten derde male naderde Tatamboe hen als een reddende engel; hij sprong en danste even hard als de andere zwarten, maar in de nabijheid der uitgeputte blanken gekomen, riep hij half zingend: „Mijne vrienden gaan, de paarden wachten hen.”

Inderdaad—vijf rijdieren stonden gepakt en gezadeld gereed, de hoeven met gras omwonden. In een oogwenk zaten de geredden in den zadel; de zwarte uit de grot sprong op het vijfde paard en draafde voorop, tusschen de hutten van boomschors der zwarten door. Gelukkig, dat de maan helder scheen en het gomboomenbosch niet dicht genoeg was om het snelle rijden te beletten; want achter de ruiters klonk nog lang het gehuil van de gefopte en teleurgestelde wilden. Geen enkele boemerang of speer bereikte hen echter meer; het bosch werd gaandeweg lichter en de paarden vlogen over den effen bodem.

In een half uur bereikten de ruiters een prairie en lieten de paarden uitblazen.

„Dat was bij het walletje langs!” zei Knol, nog hijgend door den snellen rit. „Willem, nu krijg je me nooit in mijn leven weer naar zoo’n borbori of bora, of hoe zoo’n ding nog meer heeten mag!”

„Neen, Kees, ik ben er nu ook niet verlangend meer naar. Hè, ik ril nog inwendig. Als we dien onbetaalbaren Tatamboe niet gehad hadden, was er geen van ons vieren meer geweest; maar ’t is, Goddank, goed afgeloopen.”

„Ik ben dood moe,” zei Lord Greybury. „Laten we een poosje uitrusten. Het gevaar is voorbij; in de vlakte halen ze ons toch niet meer in.”

De zwarte gids gunde hun echter geen rust; hij wees met uitgestrekten arm naar het achter hun liggende bosch en maakte een beweging van speerslingeren; daarna keerde hij zich om, strekte den arm naar het Zuiden en zeide: „Witte mannen!” waarschijnlijk de eenige Engelsche woorden, die hij kende. Een pakje tabak en twee pijpen waren zijn loon, waarmede hij zich snel verwijderde.

Op den middag van den zesden dag na dien, waarop zij de gratis-voorstelling hadden gegeven, bereikten de ruiters de eerste schaapskooien van Darling-station.

Ze gebruikten daar het middagmaal, verfrischten zich door een bad in de kreek, en reden gesterkt naar de gebouwen. Luid blaffend kondigden de honden de komst van vreemdelingen aan. ’t Scheen alsof ze verwacht werden, want al het volk kwam naar buiten loopen, en met luid gejubel werden Willem en zijn tochtgenooten door de geheele bevolking van het station naar het hoofdgebouw geleid. Dilly, Jacky en ook Mr. Walebone kwamen hun te gemoet.

De manager zag doodsbleek; met een gedwongen glimlach stak hij Willem en den Engelschman de hand toe; tegelijk draaide hij zijn oogen naar Jacky, die onder den verpletterenden blik ineenkromp.

„Ik vreesde je niet terug te zullen zien,” zeide hij, zich tot Willem en Knol wendend, „Jacky heeft me verteld dat jullie beiden in handen van Majols waren gevallen, die bora hielden; nu zie ik evenwel, dat hij gelogen heeft, want de wilden laten geen blanke in het leven, die hun plechtigheden bijgewoond heeft!”

„En toch is het zoo, Mr. Walebone!” antwoordde Willem, den manager op den schouder kloppend en hem scherp aanziende, ging hij langzaam sprekend voort: „’t Scheelde niet zeer veel, of we hadden er werkelijk het leven bij ingeschoten. U heeft zich dus niet noodeloos om ons ongerust gemaakt. Maar ik hoop toch, Mr. Walebone, dat u geen kwade gevolgen ondervonden heeft van den angst, dien u om onzentwille heeft uitgestaan?”

De manager sidderde; Willems handelwijze en spottende toon waren hem bewijs genoeg, dat zijn geheime bedoeling op de eene of andere wijze verraden was. Weer keek hij Jacky met een vernietigenden blik aan; deze school achter Willem weg.

„Mr. manager wil Jacky doodmaak!” fluisterde de angstige blackboy.

„Geen nood, Jacky! Wij zijn er ook nog,” zeide Knol geruststellend.

„U moet mij verontschuldigen, Mr. Stake,” hernam de manager, die schichtig rondkeek, „eenige wolkoopers uit Brisbane wachten mij in het kantoor. Ook vertoeven er sedert eenige dagen twee heeren uit die stad op het station; ze wenschen u of William Roda te spreken. O, daar komen ze al aan! Tot straks, Mr. Stake, zaken gaan voor. Dilly, wijs den heeren een kamer, waar ze met elkander spreken kunnen.”

„Ik ga met u mede, Mr. Walebone, en al deze mannen met mij,” zeide Lord Greybury op beslisten toon.

„Wat blieft u? Ik zeg immers, dat ik zaken af te doen heb!”

„Juist, daarom gaan wij met u mede. Wij hebben ook zaken af te doen, en nog wel zulke, die, zooals ik bemerk, geen uitstel lijden kunnen!”