Willem Roda: Een jongensboek

Part 25

Chapter 254,062 wordsPublic domain

„Jongens!” begon Willem op blijmoedigen toon, „we moesten opbreken; het wordt tijd, dat we Mr. Walebone een bezoek brengen; hij heeft al veel te lang in den gelukkigen waan verkeerd, dat zijn schurkachtig plan, ons door de wilden te laten opeten, gelukt is; ook verlang ik er naar met mijn nieuwe werkzaamheden een begin te maken.”

„En ik niet minder, Willem,” zei Herman, „hoe eerder ik op een station kom, hoe langer en beter ik gelegenheid heb mij op de hoogte te stellen van mijn nieuwe bezigheden; ik moet bekennen, dat ik er werkelijk tegen opzie, een betrekking te gaan bekleeden, die mij zooveel verantwoordelijkheid oplegt, en waarvoor zooveel kennis vereischt wordt, die ik niet bezit.”

„Kom, Herman, dat zal zich wel schikken; maak je niet bezorgd vóór den tijd. Je komt eerst een tijdlang bij mij op Darling-station; Knol wordt er opzichter, en daarna gaan wij met ons drieën: jij, Dilly en ik naar....”

„Emilia-station, te maak de boel in orde!” viel de Engelschman eensklaps in.

Borgers greep de hand van Lord Greybury:

„Sir, waarmede heb ik zooveel goedheid verdiend? Hoe kan ik u danken?”

„Door mij niet te bedanken; want ik ben niet goed: ik handel uit eigenbelang,” antwoordde de Lord, nu echter weer in het Engelsch. „Ik hoop namelijk ééns in de twee jaren een paar maanden bij mijn compagnons te komen logeeren, om onze bezittingen te bezien en mijn aandeel in de winst te ontvangen. Ik ben evenwel aan de gemakken, die de beschaafde wereld biedt, gewend, en die vindt men alleen in een squatterswoning, wanneer de vrouw van den squatter er den schepter voert.”

„Wat bedoelt u, Sir?”

„Dat jij en Willem, zoodra de zaken op de stations geregeld gaan, naar Amsterdam zult reizen; dat jij daar trouwt en met je vrouw hier komt wonen.”

„Bravo!” riep Willem, „dan krijg ik mijn zuster hier; wat zullen we de mooie avonden dan gezellig doorbrengen. Maar ik, Sir?” voegde hij er, zich eensklaps bezinnend, op minder blijden toon bij, „ik mag niet naar Nederland terugkeeren; dat weet u wel; u vergeet geheel....”

„Dat weet ik nog zoo zeker niet en ik vergeet nooit iets; als ik naar Londen ga, zal ik Amsterdam aandoen en daar zal.... maar zoover is het nog niet; we spreken vóór mijn vertrek dat alles nauwkeurig af. Nu is de eerste vraag; langs welken weg zullen we naar Darling-station terugkeeren? Zullen we al de bochten van den grooten weg volgen of door de bush trekken?”

„Ik ben voor den grooten weg!” zoo nam Knol onmiddellijk het woord. „Zonder gids loopen we gevaar onder de wilden te geraken, en in dat geval kon de rechte weg wel eens niet de kortste zijn.”

„En ik stel voor door de bush te trekken, in plaats van dien vervelenden, eindeloozen weg langs te rijden,” zei Herman, „we zijn met ons vieren, goed gewapend en ruim van levensmiddelen voorzien: de Majols zullen wel op een afstand blijven, als ze onze geweren bemerken; dat hebben we op onzen tocht van de velden naar de stad wel ondervonden. Ook kan het mij later van nut zijn de streken, die aan onze runs grenzen, met eigen oogen gezien te hebben.”

„Zoo denk ik er over; en u, Sir?” voegde Willem er bij.

„Willem, is een tocht door de bush werkelijk zoo gevaarlijk als Knol zegt?”

„Dat kan ik niet ontkennen. Alleen door de schranderheid van Jacky zijn we niet met de Majols in aanraking gekomen.”

„Welnu, dan zullen we juist dien weg kiezen. Knol kan den anderen nemen, als hij het verlangt,” hernam de Engelschman.

„Neen, volstrekt niet; waar allen gaan, ga ik natuurlijk ook. Ik ben net zoo min afkeerig van een avontuurtje als jij, Willem; maar—ik hoop niet, dat u het me kwalijk neemt, mijnheer—” zei Knol, zich daarbij tot den Lord keerende, „maar u is, dunkt me, wel een beetje erg waaghalzerig.”

„Afgesproken dus,” hernam Lord Greybury, zich houdende, alsof hij Knols opmerking niet had verstaan. „We koopen heden nog twee paarden en gaan morgen op marsch. Een kompas zal onze gids zijn!”

De weg bleek echter geenszins gevaarlijk te zijn. Reeds twaalf dagen had de tocht door de wildernis geduurd, naar Willems berekening was men nog hoogstens vijf dagen van de run van Darling-station verwijderd, en van een zwarte had men op den geheelen weg zelfs de schaduw niet bespeurd.

Jacky moest ook niet geheel noordelijk zijn getrokken, want hoewel de tochtgenooten nu van hetzelfde punt uitgegaan waren, waar Jacky hen verlaten had, en vlak zuidwaarts hielden, kwamen ze door andere streken; dit bleek voornamelijk uit sommige vreemdsoortige boomen, die Willem noch Knol op de heenreis hadden opgemerkt, en die nu door hun zonderlingen vorm zoozeer de aandacht trokken; het waren de zoogenaamde fleschboomen.

Radijsboomen zou evengoed een gepaste naam geweest zijn; de stam namelijk, bij den grond niet dikker dan een gewone boomstam, zette zich even boven den grond verbazend uit, om langzamerhand weer in te krimpen en eenige dunne, bijna bladerlooze takken af te zenden; hierdoor geleken die boomen, uit de verte gezien, zeer veel op reusachtige radijsknollen.

„Wel, Knol, waar blijven nu je wilden?” vroeg Lord Greybury, terwijl hij, evenals Willem, zich gereedmaakte in de breede schaduw van een dezer boomen een middagslaapje te gaan doen.

„Wees maar blij, mijnheer, dat ze ons met vrede hebben gelaten!”

„Blij zijn? Als ik wist, waar de zwarten te vinden zijn, zou ik er nog een extra dagreis voor over hebben om ze een bezoek te brengen,” antwoordde de Engelschman, die in het gezelschap der drie vroolijke, soms luidruchtige jongelieden zijn deftigheid had laten varen.

„Ik begrijp toch niet,” zeide Willem, die intusschen had zitten peinzen, „hoe het komt, dat wij in het geheel geen zwarten aantreffen. Op de heenreis gingen er geen twee dagen voorbij, zonder dat Jacky „Majols” fluisterde en ons een omweg deed maken. ’t Schijnt wel of ze allen uit deze streken weggetrokken zijn. Knol, weet jij nog hoeveel dagen we al onderweg waren, toen we dat gebrom hoorden, en Jacky zoo verschrikt op den loop ging?”

„Dat was op den zevenden dag, als ik het wel heb. We zijn, dunkt me, nu al dichter bij het station, maar die streek zijn we niet doorgekomen, dat weet ik zeker; ’t was een dicht bosch met onderhout en slingerplanten.”

„’t Was me wat waard, dat mooie gezang, of wat het ook was, nog eens te hooren; maar die kans is nu verkeken. Komaan, ik ga slapen; jongens past op de paarden; ze dwalen daar ginds het bosch in.”

„Heb geen zorg, Willem, en slaap gerust,” zei Borgers. „Ik heb ze stevig gekluisterd. Ik ga ze straks met Knol weer opvangen, dan hebben we meteen een tijdverdrijf.”

„Kees,” zei Herman een poosje later, toen Willem en de Lord gerust sliepen, „ik moet in beweging blijven, anders val ik bij die hitte ook in slaap. Hoe zou je het vinden, als we eens een kijkje gingen nemen in het bosch, dat we straks moeten doortrekken? We kunnen dan tegelijkertijd de paarden terughalen.”

„Heel goed; mijn oogen vallen ook haast dicht.”

Zoo gezegd, zoo gedaan. Herman en Knol wandelden naar het bosch dat zich in zuidelijke richting bevond en zich oost- en westwaarts onafzienbaar ver uitstrekte. Van verre scheen het zeer dicht; naderbij gezien, bleek het weder een ijl gomboomenwoud te zijn.

„Daar zullen we wel weder een dag of wat aan hebben,” meende Knol, en beiden gingen ongemerkt verder het bosch in, dan ze van plan waren. „Aan zoo’n woud komt geen einde; ik trek nog liever door de scrub; daar heb je ten minste schaduw en weet je, dat je binnen een paar uur weer in de vlakte komt.—Stil!”

„Wat is er, hoorde jij iets?”

„Ja, luister eens goed, hoor je daar in de verte niet kloppen?”

„Je hebt gelijk, Kees. Hé! als ik me niet vergis, sloop daar ginds, waar die vier dikke eucalyptussen dicht bij elkander staan, een zwarte gedaante over den grond.”

„De Engelschman en Willem krijgen hun zin,” fluisterde Knol niet zonder eenige trilling in zijn stem. „Ik heb hem ook gezien; er schijnt iets bijzonders te doen te zijn bij de wilden; die kerel heeft zijn lichaam met witte strepen besmeerd. Loop snel terug en wek de slapers! Hoe dom, de geweren onbewaakt te laten liggen! Loop, eer het te laat is; ik ga de paarden opvangen!”

Borgers snelde terug naar de fleschboomen; uit de verte reeds trachtte hij Willem en den Engelschman te wekken; beiden sprongen verschrikt op en zochten naar hun geweren, die zij, vóór ze zich te slapen legden, tegen den boom hadden gezet. De onmisbare wapens waren niet meer te vinden, evenmin als die van Herman en Knol.

„Herman, waar zijn de geweren?” riep Willem den jongen man toe, die hijgend onder het geroep van „de wilden! de wilden!” kwam aanloopen. „Dat is een fraaie geschiedenis,” ging Willem op eenigszins verwijtenden toon voort. „Heb jullie ons hier alleen laten liggen? ’t Is een wonder, dat de Majols ons niet en passant een lanssteek hebben toegediend!”

„Ze verbeelden zich, met onze geweren ook ons zelf in handen te hebben,” merkte Lord Greybury op, „maar gelukkig hebben ze niet aan onze revolvers gedacht, of ze niet opgemerkt. Waar is Knol?”

„Daar komt hij met de paarden,” antwoordde Herman, die weer bij adem was gekomen. „O hemel, hij heeft er maar vier! Hoe is ’t mogelijk? Geen tien minuten zijn we weg geweest: heen en terug naar het bosch, meer niet. De zwarten moeten ons reeds lang te voren gevolgd zijn; anders begrijp ik niet, hoe ze juist hier konden zijn op het oogenblik, dat Knol en ik u den rug toekeerden, om de paarden te gaan zoeken.”

„Neen, ik maak je er geen verwijt van, Herman; ik zou evenzoo gehandeld hebben. De schelmen hebben zich zoolang schuil gehouden om ons in slaap te sussen. Maar dat neemt niet weg, dat we ongemakkelijk in de klem zitten.”

Knol was genaderd en sprong van het paard.

„De geweren?” was zijn eerste vraag.

„Weg!” antwoordde de Lord kortaf.

„Dat dacht ik wel; dat is het eerste, waar die schurken op loeren. Ik heb de twee andere paarden niet durven opzoeken, die waren me te ver het woud in geloopen. En het bosch is vol wilden; ze zijn beschilderd. Ik heb er één in een langen mantel van oppossumhuid gezien; hij was zeker niet gewapend, anders had hij me wel een speer nagegooid!”

„Welnu, waarom zouden we ons bevreesd maken?” zei de Engelschman, de eenige, die geheel kalm bleef, „’t Moet een goedaardig slag van volk zijn, die wilden, welke hier rondzwierven; anders hadden ze Willem en mij wel in den slaap gedood.”

„Ja, dit is een onverklaarbare zaak en een groot geluk. Ik zou het mezelf nooit vergeven hebben, dat ik zorgeloos genoeg ben geweest, me te verwijderen. Je waakzaamheid verslapt op het laatst ook zoo, als je een dag of twaalf niets te zien krijgt, dat op een wilde lijkt.” Knol stampte spijtig met den voet op den grond. „Maar jammeren helpt hier niets. Wat moeten we beginnen?”

„Wel, doortrekken, alsof er niets gebeurd was!” antwoordde de Lord. „Indien de Majols bemerken, dat we bang zijn, zullen ze ons zeker aanvallen.”

„Zonder twijfel,” zei Willem. „En dat kunnen ze evengoed in de vlakte als in het bosch. Bovendien loopen we gevaar te verdwalen, wanneer we een anderen weg nemen.”

„Recht doorrijden, dat is het beste, wat we doen kunnen,” besloot Herman Borgers. „Laten we toonen, dat we niet bevreesd zijn, al hebben we geen geweren. Wanneer de zwarten ons te na komen halen we onze revolvers voor den dag en branden los. Dat zal hun wel ontzag inboezemen, want ze kennen die dingen niet of vermoeden niet, dat we nog vuurwapens bezitten. Wellicht hebben ze in het geheel geen kwade bedoelingen, en hebben ze alleen uit voorzorg onze geweren opgeborgen.”

„Dat kun je begrijpen!” hernam Knol. „Wie heeft ooit van een Majol gehoord, die geen kwade bedoelingen had? Dat ze Willem en den Sir niet gespietst hebben, kan wel een andere reden hebben, misschien is er een post van de zwarte politie in de buurt en zijn de wilden bang voor een tuchtiging.”

„Een reden te meer om geen vrees te toonen!” zeide de Engelschman. „Ik wil evenwel de verantwoordelijkheid niet op mij nemen; ieder moet handelen naar eigen wil. Er staan ons slechts twee wegen open: terugkeeren of doortrekken, want hier blijven kunnen we niet: we zijn ongedekt; het eerste denkt me echter nog gevaarlijker dan het laatste.”

„Zoo is het!” beweerde Willem. „Zijn de zwarten in zoo groot aantal in het bosch vereenigd, als Knol vermoedt, dan is net voor hen vijf minuten werks ons aan te vallen en af te maken. Ik zie evenwel de zaken zoo donker niet in; niet alle Majols, denk ik, zullen moordenaars en menscheneters zijn; rijden we regelrecht, en zooals de zwarten meenen, ongewapend door, dan toonen wij hun tevens, dat wij niet met kwade bedoelingen tot hen komen.”

„Ik ben ook voor verder trekken,” voegde Herman Borgers er bij.

„’t Is roekeloosheid! ’t is waaghalzerij uit nieuwsgierigheid!” hield Kees Knol vol. „Alleen hier achterblijven kan ik niet; ik moet dus wel meegaan, maar ik zie er geen heil in.”

„Opstijgen!” riep Willem. „Hoe eer we zekerheid hebben hoe beter. Verbergt de pistolen, jongens, en laten we in het bosch luid spreken.”

Uren reeds hadden de vier ruiters, zooveel mogelijk in rechte lijn, tusschen de gomboomen door gereden; doch hoe scherp ze rondkeken en luisterden, geen wilde liet zich zien of hooren.

„Als ik op een andere wijze het verdwijnen van onze geweren verklaren kon, zou ik gelooven, dat Herman en Knol zich vergist hebben!” zei Willem op luiden toon.

„Vlei je niet met ijdele hoop, Willem; ik ben er zeker van!” antwoordde Borgers.

Daar kwamen onverwachts de beide afgedwaalde paarden zich hinnekend bij den andere voegen. Tot verwondering der ruiters waren ze niet meer gekluisterd.

„Nu begrijp ik er niets meer van!” zei Knol. „Van zulk een goedgunstigheid bij de Majols heb ik nog nooit hooren vertellen. Ik vertrouw de zaak niet, ik vrees, dat ze ons in een val willen lokken.”

„Dat kan ik niet gelooven,” meende Lord Greybury, „we zijn immers in hun macht, waarom zouden ze dan nu niet voor den dag komen?”

’t Begon te schemeren; op een lichte plek in het bosch, niet ver van een grooten plas, besloot men halt te maken en het kampvuur aan te leggen. Het troebele water werd gefiltreerd, gekookt en in korten tijd was de maaltijd geëindigd. Geen van vieren durfde zich echter bij het vuur nederleggen om te slapen.

„’t Is een heerlijke zomernacht,” begon Willem. „We blijven hier bij elkander zitten praten, dan kunnen de Majols wanneer ze ons begluren, opmerken, dat we wakker en voorbereid zijn. Wat dunkt u, Sir, zouden we onze pistolen eens afvuren?”

„Neen, ik vind het beter, dat nu te laten, tot de zwarten een meer vijandelijke houding aannemen; bovendien heeft dat veel van een uitdaging.”

„Zeg eens, Willem!” fluisterde Knol, „kijk eens goed; daar tusschen de boomen verbeeld ik mij een menschelijke gestalte te zien.”

„Ja, waarlijk, daar staat iemand!” riepen Willem en Herman en wilden opspringen.

„Blijft zitten!” gebood de Engelschman. „Laten we ons houden, of we hem niet gezien hebben en afwachten.”

„Hij komt hierheen; ’t is de wilde met zijn mantel van dezen middag; nu zullen we het hebben!” zeide Knol zacht.

Met afgemeten tred naderde de zwarte het vuur; de lange grijze mantel van aan elkander genaaide oppossumhuiden sleepte over den grond; een hooge kam van gele kakatoekuiven versierde zijn stijf opstaande haren; in de eene hand droeg hij een lans, in de andere een ijzerhouten schild.

In gespannen verwachting staarden de vier mannen den naderenden zwarte aan. Bij het vuur gekomen bleef hij staan, wierp lans en schild op het gras, legde de hand op de borst, keek beurtelings elk der neerzittenden aan en zei daarop langzaam in goed verstaanbaar Engelsch:

„Is het den zwarten man vergund, aan het kampvuur zijner witte vrienden een plaatsje in te nemen?”

Indien Willem en zijn metgezellen een standbeeld den mond hadden zien opendoen en hooren spreken, ze hadden geen verwonderder gezichten kunnen zetten.

„Mijn vrienden verwonderen zich van een zwarten man woorden des vredes te ontvangen, in plaats van een scherpe speer of een pletterenden boemerang,” vervolgde de wilde na eenige oogenblikken. „Mijn vrienden doen verkeerd; niet alle zwarten zijn Majols.”

„Maar neem dan toch plaats, mijnheer de.... mijnheer de Zwarte!” riep Willem, die het eerst van zijn verbazing bekomen was. „Neem plaats; gij zijt ons welkom als.... ja, als de zon in den winter. Lust gij een stukje pekelvleesch, of een kopje thee met suiker hè? Of een pijp tabak?”

„Mijn jonge vriend denkt, dat Tatamboe het vuur der witte mannen zoekt, omdat hij honger heeft. Mijn vriend vergist zich, maar hij geve tabak. Het is lang geleden, dat de zwarte man Engelsche tabak heeft gerookt, en zijn pijp is gebroken.”

Vier pijpen voor één werden den zonderlingen zwarte aangeboden. Hij koos een half doorgerookte, meerschuimen; ’t eigendom van Knol; Willem gaf hem een geheel pond tabak uit den voorraad. De deftige zwarte stopte zwijgend zijn pijp, knoopte het pakje tabak in de dunne slip van zijn mantel, zette zich neder en begon met zichtbaar welgevallen te dampen.

Eveneens zwijgend, keken de blanken elkander aan. Wat moesten ze van zulk een ontmoeting denken? Het scheen wel of ze onder de Roodhuiden in plaats van onder de woeste Kannibalen van Queensland waren geraakt; en de vent sprak een Engelsch, dat Knol jaloersch maakte.

De zwarte smookte ijverig door, tot zijn pijp ledig was; toen knoopte hij die in de zwarte slip van zijn mantel. Knol begon te lachen, maar een flinke stomp in den rug, die Willem hem toediende, bracht hem tot bezinning.

„Mijn witte vrienden moeten terugkeeren!” begon de zwarte langzaam sprekend en voor zich naar den grond ziende.

„Waarom?” vroeg Willem. „Wij hebben niets kwaads in den zin en veel tabak voor onze zwarte vrienden op de paarden.”

„Mijn witte vriend is jong en moedig; hij vreest het gevaar niet, en hij is dom, want hij ziet het gevaar niet!”

„Dank je wel voor het compliment, mijnheer Tatamboe; wil onze hooggekuifde vriend ons dan zeggen, waarin dat gevaar bestaat?”

„Willem, neem je in acht,” fluisterde Lord Greybury. „Maak hem niet boos. Ik ben beter diplomaat dan jij; laat mij begaan, ik zal dit raadsel trachten op te lossen.”

De Engelschman stak den zwarte de hand toe, die deze drukte, en zeide, even langzaam boekentaal sprekend als de wilde:

„Mijn zwarte vriend spreekt de waarheid, wij zijn allen zeer dom, maar hij is wijs; hij leere ons het gevaar kennen.”

De zwarte gestreeld door dien lof, zette een hooge borst.

„Mijn lange, witte vriend is oud en wijs,” zei hij. „Honderd, tweehonderd zwarte mannen zijn samengekomen van het Noorden, van het Zuiden, van het Oosten en het Westen, en nog honderd komen morgen met hun vrouwen en kinderen om bori-bori te houden in dit woud. Zij haten de witte mannen, omdat deze hun jachtvelden stelen en de bosschen omhakken. Waar zullen zij voedsel vinden voor zichzelf, voor hun vrouwen en kinderen, wanneer de witte mannen alle kengoeroes en wallabies uitgeroeid zullen hebben? Zij haten de witte mannen en zullen hen dooden; want zij zelf worden vervolgd en gedood als dingo’s, door vreemde zwarte mannen, aan wie de witte geweren hebben gegeven!”

„Wij behooren niet tot de witte mannen, die zulke slechte dingen doen; wij zijn vrienden van de zwarte mannen,” hernam Lord Greybury. Hij legde, dit zeggende, de hand op de borst en boog; tegelijk gaf hij zijn metgezellen een teeken hetzelfde te doen.

„Ik geloof mijn vrienden,” vervolgde Tatamboe, „zij hebben het bewezen; zij hebben nóg een zwarten vriend, dien zij het leven lieten in de goudvelden; die zwarte man is dankbaar, hij heeft zijn witte vrienden tweemaal het leven gered, zonder dat zij het vermoedden. Toch zijn de witte mannen in gevaar; zij moeten terugkeeren naar de vlakte; tien stammen zijn reeds in het heilige bosch vereenigd en zij hebben slechts twee vrienden. Wat kunnen twee herders verrichten, wanneer honderden dingo’s aan alle zijden de schapen aanvallen?”

„Onze wijze vriend spreekt in raadsels; hij verklare ons zijn woorden. Heeft mijn vriend in zijn wijsheid ook onze geweren geborgen?” vroeg de Engelschman.

„Ja; mijn zwarte vrienden eischten het, want zij vreezen de bliksems der witte mannen en wilden hen dooden. Thans vreezen zij hen niet meer, en kunnen hen dooden, wanneer zij willen. Ik heb de geweren bewaard voor mijn vrienden.”

„Mijn zwarte broeder is nog wijzer dan ik dacht. Hij spreekt Engelsch. Hij is niet bang voor geweren, hij is zonder twijfel in Brisbane geweest!”

„Verder!” zeide de zwarte, stond op en sloeg met een fiere beweging den mantel om zijn overigens naakte leden.

„In Sidney of Melbourne zelfs?”

„Verder! Veel verder, over het groote groene water!”

Verwonderd keken de vier blanken elkander aan en stonden eveneens op.

„Verder? Is onze vriend dan in Indië geweest?” vorschte de Engelschman.

„Verder! Veel verder!”

Tatamboe kruiste de armen over de borst en staarde naar den sterrenhemel. „Hij is in Engeland geweest; Tatamboe heeft de hand gekust van Victoria, de machtige koningin van Engeland, Indië en Australië!” sprak hij plechtig en eerbiedig.

De drie Hollanders keken ongeloovig, doch Lord Greybury boog zich voor den zwarte.

„Ik heb vernomen,” zeide hij, „dat jaren geleden een man uit Australië aan Hare Majesteit is voorgesteld. Hij werd opgevoed in Brisbane en was wijs en goed; wij danken het toeval, dat ons den beroemden zwarten man heeft doen ontmoeten.”

De zwarte zette zich met een glans van vergenoegen op het gelaat weer neder. De anderen volgden zijn voorbeeld en staarden hem nieuwsgierig aan.

„’t Is geen toeval, dat de witte mannen Tatamboe, den beroemden zwarten man, ontmoeten. Hij heeft hen gezocht. De nachten zijn warm in den zomer; alle zwarte mannen van Queensland komen dan samen in dit bosch om boribori te houden; zij hebben geen rechters zooals de witte mannen in Brisbane en Londen; zij moeten strijden voor hun recht met zwaarden en schilden.”

„Maar onze zwarte vriend, zoo werd mij verteld,” zeide Lord Greybury, „woonde zelf in Brisbane; hij leerde lezen en schrijven en rekenen, zooals de witte mannen zelf en nu leeft hij in de bosschen en draagt geen kleederen?”

Tatamboe staarde eenige oogenblikken voor zich uit; toen begon hij langzaam en op eenigszins weemoedigen toon.

„De witte mannen prezen den zwarten knaap, toen hij kon lezen en schrijven, maar zijn oogen en handen werden moe; de witte mannen schreven het in de groote papieren, die elken dag gelezen worden, dat de zwarte man van Queensland vraagstukken oplossen kon met a en met b, met x en y, maar zijn hoofd deed pijn. Zij brachten hem naar Londen, maar hij werd ziek in het koude, natte land, en toen hij teruggekeerd was in Brisbane, deden hem de voeten pijn in de lederen schoenen, en de jas en de hoed drukten op zijn schouders en zijn hoofd, en hij verlangde naar de bosschen om corroborrie te dansen. Een zwarte vriend fluisterde hem in de ooren: „daar is een corroborrie en bora in het Noorden, dertig dagen van hier;” en hij vluchtte en werd weder blij en gezond. Hij heeft bijna alles vergeten, hij kan niet meer lezen en schrijven, maar hij haat de witte mannen niet; hij heeft er velen gered, wanneer de Majols hen wilden dooden, en hij wil ook nu zijn witte vrienden redden.”

„Wij danken onzen vriend!” antwoordde Lord Greybury, „maar wij willen niet terugkeeren; wij vreezen de zwarte mannen niet, want wij willen geen kwaad; wij willen met onzen vriend Tatamboe de corroborrie bijwonen en de bora zien; hij is wijs, hij zal aan zijn zwarte vrienden zeggen: de witte mannen zijn goed, zij zijn gekomen om te zien, en zij hebben veel tabak en nog drie pijpen!”

De zwarte schudde het hoofd.

„De zwarte mannen haten allen de witte; zij zullen hen dooden, als mijn vrienden gezien hebben, hoe de bora is.”

„Kom, onze vriend heeft ongetwijfeld ook nog vrienden, die hem gehoorzamen; zij zullen de witte mannen beschermen; Tatamboe laat ons terugbrengen naar onze woning in de vlakte; hij zelf kome later eten aan onze tafel, en hij krijgt een paard en een groot geweer en een klein!”

De oogen van den zwarte fonkelden van begeerte.