Part 24
„Ik heb hem reeds op drie verschillende plaatsen ontmoet; de fortuin schijnt hem niet te willen begunstigen,” zeide de ambtenaar, „’t Is goed, dat gij hem met u neemt, heeren! We hebben hem verzocht met ons terug te keeren, daar men het geluk toch niet dwingen kan; maar hij is tamelijk stijfhoofdig, we moesten hem tegen onzen zin aan zijn lot overlaten. De streek, waar hij werkt, is voor een goudzoeker veel te gevaarlijk.
Tusschen de rotsblokken en in de kloven weten de wilden zich zoo goed te verbergen, dat ze voor de politie onbereikbaar zijn, en wee hem, dien de kannibalen onvoorbereid of slapende vinden. Kunnen ze zijn geweer of zijn paard machtig worden, dan is hij een verloren man.
We hebben twee van onze beste paarden door de speren der verraderlijke zwarten verloren en maar één van de schurken kunnen dooden.”
„Kunt ge ons de plaats niet aanduiden, waar ge hem het laatst gezien hebt? Er is ons alles aan gelegen, dien man zoo spoedig mogelijk te vinden?” vroeg Willem bezorgd.
De beambte sprak eenige oogenblikken zacht met de mannen, die hem vergezelden.
„We zullen u helpen mijnheer!” antwoordde hij daarna, „’t Zou jammer zijn, als de wilden een slachtoffer te meer maakten. Zie eens! we hebben een kaartje bij ons van de streken die wij onderzocht hebben. Ginds, achter die rots, staat de laatste verschanste herberg, die gij op uw tocht ontmoeten zult. We zullen daarheen met u terugkeeren en als ge wilt, kunt gij het kaartje overteekenen.
Ge hebt immers een kompas bij u? Niet? Welnu, we hebben het onze niet meer noodig, gij kunt er u van bedienen.”
’t Spreekt van zelf, dat Willem en zijn makkers met graagte en dankbaarheid van het welwillende aanbod der goudgravers gebruik maakten. Alle levensmiddelen, die de herbergier te missen had, kochten ze hem tegen hoogen prijs af. De wapens werden nog eens onderzocht, en Knols revolver, die niet deugdelijk bevonden werd, tegen vergoeding met die van een der goudzoekers verwisseld.
„Heeren, weest op uw hoede”, waarschuwde de vriendelijke beambte bij het afscheid nemen, „de streek, die u door zult trekken, staat als zeer gevaarlijk bekend. Weest verzekerd, dat de sluwe zwarten u overal volgen; waakt met u beiden bij het kampvuur en brandt vóór den nacht eenige keeren uw geweren los; zoo’n knal en vuurstraal is het eenige, wat zulk gespuis nog ontzag inboezemt. Ook schuilen hier nog blanke en gele roovers; die zijn gevaarlijker; vertrouw vooral niemand, die zich als gids aanbiedt.”
Spoedig genoeg bleek het, dat de man geen ijdele waarschuwing had gegeven. Twee dagen hadden de Hollanders en de Engelschman naar den roekeloozen goudgraver gezocht; twee malen reeds hadden de heuvels en de steile oevers der bergstroompjes den knal hunner geweren honderdvoudig weerkaatst; indien Herman Borgers in de nabijheid was, had hij moeten hooren; doch niemand kwam opdagen.
De derde nacht was bijna voorbij; reeds kleurde een rosse gloed den oostelijken hemel. Op een kale hoogvlakte zaten Willem en Knol met het geweer tusschen de knieën bij het wachtvuur. Lord Greybury sliep, in zijn deken gerold, zoo gerust op den harden vloer der tent, alsof hij in een donzen bed lag.
„Kees, hoorde jij daar iets?”
„Ja, ik heb het zooeven al gehoord, maar ik wilde je niet noodeloos ongerust maken; ’t is misschien een dingo!”
„Hoor, daar is het weer; ’t is of er in de verte een mensch gilt. Hoor, weer!”
Doodsbleek keken de beide jongens elkander aan; met bevende handen omklemden ze hunne geweren.
„Daar is het al weer! het komt nader! O God, wat gebeurt hier? Sir! op! wakker!” schreeuwde Willem.
In een oogenblik was de Engelschman op de been, en met kloppend hart, de kolf van het geweer tegen de heup, den vinger aan den trekker, stonden alle drie naast elkander en tuurden in de schemering naar de zijde, vanwaar de kreten kwamen.
Daar trilde opnieuw een langgerekte gil, akelig en scherp, door de stille lucht.
„Daar ginds zie ik zwarte gestalten! ’t zijn wilden, ze vervolgen een mensch! Voorwaarts! Vuur! Vuur!” riep Willem, dien de vrees, dat Herman in doodsgevaar kon verkeeren, half waanzinnig maakte.
De drie mannen vuurden in de lucht en snelden vooruit. De donkere gestalten doken neder en verdwenen als in den grond. De afstand moest echter grooter geweest zijn, dan ze gedacht hadden; ademloos kwamen ze op de plek, waar ze meenden de menschelijke gedaanten gezien te hebben.
Niets! Een dikke nevel, die hun beenen tot de knieën onzichtbaar maakte, rolde over den grond. Daar verrees schitterend de zon boven den horizon en verjoeg de morgendampen. O schrik! Voor hunne voeten lag een lichaam, een mensch, een blanke. ’t Was Herman Borgers niet! Het was het afgrijselijk verminkte lijk van een Chinees.
Hoe snel de wilden ook gevlucht waren, ze hadden toch nog tijd gevonden op verschillende plaatsen stukken uit het lichaam te snijden. Met welk doel? De verschrikkelijke waarheid valt licht te gissen. Een zakje stofgoud lag naast het lijk; een speer had het bij toeval opengescheurd; de gele loovertjes blonken in de rijzende zon.
„Terug naar de paarden! zoo snel onze beenen ons dragen kunnen! Als de schurken er vóór ons aankomen, zijn de dieren verloren!” riep Knol. „Laden en vuren! voorwaarts!”
De paarden waren gelukkig nog ongeschonden; ze stonden bij het vuur en hinnikten, toen ze hun meesters zagen aankomen. Een speer had het linnen der tent op twee plaatsen doorboord en stak niet ver van daar, in den grond. De wilden waren in de nabijheid geweest.
„Wij zijn, geloof ik, nog juist bijtijds gekomen,” zeide de Engelschman hijgend. „Maar ik begrijp niet, waar ze zich zoo snel verborgen hebben; er is hier op de vlakte geen boom, geen steenklomp, die een schuilplaats biedt. Die deze speer geworpen heeft, moet toch in de nabijheid schuilen; hij heeft blijkbaar geen tijd gehad zijn wapen terug te halen!”
„Dat is nog zoo zeker niet!” beweerde Knol, „ik denk, dat ze deze speer uit de verte hebben geworpen, uit vrees, dat er nog iemand met een vuurwapen in de tent mocht zijn. Maar waar die duivels zitten, begrijp ik ook niet!”
Ook Willem kwam de zaak verdacht voor. Hij deed behoedzaam, den vinger steeds aan den trekker, een honderd pas verder en kwam snel terugloopen.
„’t Raadsel is opgelost!” riep hij reeds van verre. „Er is dicht in onze nabijheid een diepe afgrond, die door de hoogvlakte kronkelt; ik heb water op den bodem zien schitteren en een gedruisch gehoord; dat zal de rivier zijn, waarnaar we gisteren tevergeefs gezocht hebben!”
De tent werd snel opgevouwen, de paarden ontkluisterd en gezadeld. Knol en Lord Greybury volgden Willem, elk twee paarden aan den teugel voerend.
„Daarin moeten we zien af te dalen; maar op deze plaats is het onmogelijk, althans voor de paarden: de rand van de hoogvlakte is te steil. Laten we er langs rijden, tot we eene glooiing vinden.”
Na lang zoeken vonden ze eindelijk een gunstige plek.
„Hier zal ’t gaan! Voorzichtig! Opgepast! Zoetjes aan!”
Een der paarden gleed uit en viel, maar het vlugge dier stond spoedig weer op de pooten; het had zich gelukkig niet bezeerd.
„We zijn er!” zeide Lord Greybury. „Kijkt eens rond, jongens! Wat al spelonken en kloven. ’t Is niet te verwonderen, dat we geen wilden zien; honderd grotten voor ééne om zich te verbergen! De gouddorst moet wel hevig zijn bij iemand, die zich alleen in zoo’n woeste streek durft wagen. Ik zou wel eens een kijkje willen nemen in die donkere gapende opening daar ginds!”
„Doe het niet, mijnheer!” riep Knol angstig en hield den Engelschman bij den arm tegen. „Ik ben geen ervaren spoorzoeker, maar ik ben toch lang genoeg in zulke streken geweest, om soms iets op den grond te kunnen lezen. De steentjes schijnen me hier dieper in de klei gedrukt dan nergens anders: ’t is of er een pad juist naar die grot leidt.”
„Wel mogelijk, dat je gelijk hebt, Knol! maar ik ga toch. Willem Roda, ben jij ook zoo bang?”
„Wel neen; ik ga mee; als de moordenaar in dat hol schuilt, zal hij uit mijn revolver zijn verdiende loon ontvangen!”
„Wacht dan ten minste tot ik een licht heb gemaakt!” riep Knol en liep naar een krommen, dwergachtigen gomboom, die aan den rand van den schuimenden bergstroom wies. In vijf minuten vlamde een lange tak van harsachtig hout aan het eene einde helder op.
„Vooruit dan,” zeide Knol, „maar onthoudt, dat ik u gewaarschuwd heb. Pas op! kom niet recht voor de opening. Ik geloof niet, dat het hol diep genoeg is om er een speer uit te slingeren: maar hij kon een nolla-nolla, een kleine werpknots, bij zich hebben. Zoo’n ding heb ik eens tegen mijn dij gehad, en ik ben er vier weken kreupel van geweest!”
Voorzichtig naderden ze de grot van ter zijde; ze waren er nog een pas of tien van verwijderd, toen een groote naakte, zwarte kerel er uit kwam; maar op het gezicht der drie revolvers, die op hem gericht werden, sprong hij met een huilenden kreet in de spelonk terug.
„Dat is de eigenaar van de speer. Vooruit maar! hij is ongewapend, nu is er geen gevaar bij!” riep Knol, en snelde met het brandende hout naar het hol. Willem en de Engelschman hem na.
De dansende gele vlam verlichtte de geheele holte. Daar lag in een hoek, het gelaat tegen den steenen wand gedrukt, de naakte wilde te kermen. Hij sloeg in doodsangst de nagels in den grond, als wilde hij zich een gat graven om er in te kruipen, van tijd tot tijd keek hij een oogenblik schichtig om en drukte dan weder zijn van angst verwrongen gezicht tegen den kleiachtigen bodem. Als bij afspraak lieten de drie mannen tegelijk hun wapen zakken.
„Daar heb je nu een der moordenaars. Kijk, zijn handen en lichaam zijn met bloed bevlekt! Schiet nu!” fluisterde Lord Greybury tot Willem.
„Ik kan niet. ’t Is een mensch!”
„Ik doe het ook niet,” zei Knol, „’t is beulswerk. En toch is het onverstandig; we redden er ongetwijfeld een blanke door; misschien wel een van ons drieën. ’t Is een geluk voor den menscheneter, dat we geen agent van de zwarte politie bij ons hebben, die zou zoo teergevoelig niet zijn!”
„Kunnen we hem niet op de eene of andere wijze onschadelijk maken?” vroeg de Engelschman.
„Dat zou raadzaam zijn; maar hoe? Beter hem te dooden dan te verminken!”
„Knol, denk je, dat hij Engelsch verstaat?” vroeg Willem eensklaps.
„Wel neen, op zijn hoogst een enkel woord.”
De wilde, door het talmen eenigszins gerustgesteld, keek om en zag de wapens niet meer op zich gericht. Hij ging op zijn hurken zitten, maar wendde het oog niet van de pistolen af.
„Hij moet ons helpen Herman te vinden; let op al zijn bewegingen!” zei Willem tot zijn metgezellen. Knol en de Engelschman traden buiten de grot; de eerste wierp zijn fakkel weg.
Willem beduidde den zwarte door teekens, dat hij hem naar buiten moest volgen. De sluwe wilde deed, of hij het niet begreep, maar de opgeheven revolver maakte hem gedwee; hij kroop uit het hol en stond op.
Knol nam Willems wapen in de linkerhand en richtte het evenals het zijne, op het hoofd van den zwarte.
Nu liet Willem den nog steeds sidderenden wilde Hermans portret zien en trachtte hem te doen begrijpen, dat hij en de twee anderen dien man zochten.
De wilde begreep het; nieuwsgierig bekeek hij het portret en keerde het om, om de achterzijde te zien; daarop begon hij te lachen, dat hij schudde en wees daarbij in de richting van een verwijderde bergketen.
„Knol, haal de paarden. Ik wil eens zien, of ik hem niet aan het verstand kan brengen, dat hij ons tot gids moet verstrekken.”
„Dat heeft hij al lang gevat, Willem; de kerel is sluwer dan je denkt.”
„Dan begrijpt hij ook wel, dat hij een kogel te wachten heeft, als hij vluchten wil!”
Door woorden en gebaren maakten Willem en de Engelschman hem dit voor alle zekerheid nog eens duidelijk, terwijl Knol de paarden haalde.
„Yohi!” zeide de wilde, vroeg het portret nog eens te zien en begon opnieuw te lachen.
De drie mannen stegen te paard en volgden den Australiër op de hielen. Deze scheen alle vrees verloren te hebben, zelfs wanneer hij omkeek en den loop van minstens twee vuurwapens op zich gericht zag, sidderde hij niet meer. Huppelend en lachend snelde hij, den oever van het riviertje volgend, voort.
„Als hij op de vlucht ging, zou ik hem nog niet kunnen dooden,” zei Willem zacht tot den Engelschman, die naast hem reed. „’t Is net een groot kind; het kwaad, dat hij doet, is hem niet aan te rekenen.”
„Je hebt gelijk; laten we nog maar eens in de lucht vuren.”
Op hetzelfde oogenblik brandden drie pistolen los. Huilend dook de wilde in elkander en bleef met de handen voor het gezicht op zijn hurken zitten, tot de hooge wanden der smalle vallei den hevigen knal niet meer weerkaatsten; toen stond hij op, betastte zijn armen en beenen, en keek schuw om.
De ruiters gaven hem, door den arm met de revolver uit te strekken, te kennen, dat hij verder moest gaan. Na een paar uren loopens gaf de wilde blijken van vermoeidheid; hij wankelde en ging spoedig daarop zitten. Willem en Knol zochten hout en maakten vuur, terwijl de Engelschman met zijn wapen den zwarte de kans op vluchten benam.
Deze scheen daarop echter niet het minst plan te hebben, hij hurkte bij het vuur neer en wachtte geduldig de toebereidselen voor den maaltijd af.
Spoedig kookte het vleesch in den eenen en de thee in den anderen ketel. De zwarte weigerde echter het gekookte vleesch te eten en wees op den rauwen voorraad op het pakpaard.
„Hij wil een stuk rauw hebben!” zei Knol.
„Geef het hem maar; we hebben nu geen tijd er voor, anders zou ik eens beproeven, of de honger hem niet dwingen kan, gekookt vleesch te eten.”
Onmiddellijk na het ontbijt trok men verder. Hoe duidelijker de omtrekken der bergen werden, waar volgens den wilde Herman Borgers vertoefde, hoe sneller Willems hart klopte, geslingerd als hij werd tusschen hoop en vrees. Zou Herman nog gezond zijn en in staat met hen terug te keeren? Zou hij er wel toe te bewegen zijn?
Zou de wilde hen misschien bij zijn verminkt lijk brengen? en meer zulke naargeestige gedachten woelden in zijn hoofd dooreen.
De weg steeg merkbaar, het riviertje bruiste en kookte en vormde watervallen, telkens als het over groote steenen stroomde. De kloof werd nauwer, zoodat men achter elkander moest rijden, en de stroom steeds smaller; alles duidde aan, dat de bron niet meer verre kon zijn. De wilde liep vlak voor den kop van Willems paard. Van tijd tot tijd bleef hij staan, rekte den hals en draaide het hoofd ter zijde, als verwachtte hij een geluid te vernemen; dan wees hij Willem op den snelvlietenden, ruischenden bergstroom en wilde daarmede zeggen, dat deze hem belette iets te hooren. Eensklaps maakte de kloof en daarmede het riviertje een scherpe bocht.
„Poeh!” zeide de wilde.
Daar stond op geen vijftig passen afstand een goudgraverstent; een man zat er bij op een omgevallen boomstam; zijn ellebogen steunden op zijn knieën, zijn hoofd rustte in zijn handen, zoodat Willem zijn gelaat niet zien kon. Een dood paard lag naast de tent en een speer stak in de zijde van het dier. De ruiters stegen af, doch de man bewoog zich niet; het geklater der beek overstemde het getrappel der paarden. Daar hinnikte een der paarden luid en aanhoudend. De man keek op en zijn eerste beweging was een greep naar zijn geweer; maar dadelijk liet hij het weer vallen.
„Hij is het!” fluisterde Knol Willem toe, die doodsbleek was geworden en van aandoening geen voet verzetten kon.
Was dat Herman Borgers? die magere, bleeke man met zijn holle oogen, zijn verwilderden baard, en lange haren; met zijn gescheurde en versleten kleeding?
Met knikkende knieën naderde Willem; hij was echter niet in staat een woord uit te brengen.
Knol klopte den zwijgenden man op den schouder.
„Wij komen u zoeken en hulp bieden,” zei hij in het Engelsch.
„Wien? mij?” was het norsche antwoord. „Ik heb geen hulp noodig. Ja toch, mijn paard is door de zwarten gespietst; geef me een ander, dat ik verder kan trekken.”
„Je hoeft niet verder te trekken. Ga met ons terug naar de stad!”
„Behoef niet verder te trekken? Wie ben je? Wat kom je hier doen in de wildernis? Ik heb geen goud gevonden; niet noemenswaard ten minste. Anderen zijn gelukkig geweest; die zijn met volle zakken weggereden naar de stad. Ik niet. Mijn paard is dood. Het was beter geweest, als de Majols mij ook doodgeschoten hadden,” zei de rampzalige man op doffen toon.
„Dat was het niet!” riep Willem in het Nederlandsch.
Verrast keek de goudzoeker op.
„Wie spreekt daar Hollandsch?”
„Ik!” antwoordde Willem nader tredend.
„Jij? Wie ben jij?”
„Een landgenoot, die je verzoekt met hem terug te keeren!”
„Neen, ik ga niet terug. Ik wil verder zoeken, verder tot over de bergen,”—hier daalde zijn stem tot een geheimzinnig gefluister,—„daar moet ergens een rijke goudvallei zijn; een Iersche goudzoeker heeft mij het geheim er van geopenbaard. Ik zoek al verscheidene maanden en ik zal ze wel vinden; want ik moet goud, veel goud hebben. Ben jij een Hollander, geef me dan een paard; maar meegaan doe ik niet!”
„Ook niet, als ik het je verzoek uit naam van een Amsterdamsch meisje dat je goed kent?”
De goudzoeker deed verschrikt een stap terug; zijn oogen dreigden uit de kassen te springen, zoo puilden ze uit zijn hoofd. Een oogenblik stond hij als verbijsterd, en streek met de hand over het voorhoofd, toen greep hij Willem bij den schouder en hem scherp aanziende, vroeg hij met heesche stem:
„Wie ben jij, dat je mijn geheimen kent. Je komt mij bekend voor! Zeg op, wie ben jij?”
De tranen schoten Willem in de oogen.
„Ken je dezen ring nog, Herman. Mijne zuster Emilia gaf hem mij, om hem haar verloofde ter hand te stellen, opdat hij niet langer om harentwille in den vreemde zoude rondzwerven. Dat hij half krankzinnig was en in levensgevaar verkeerde, wist ze toen nog niet.”
Lang staarde de ongelukkige man den ring aan; toen sloeg hij de handen voor zijn oogen en viel als verpletterd op den boomstam neer.
„Neen, dan heb ik geen goud meer noodig!” snikte hij.
Willem schrikte bij die hevige uitbarsting van smart zoozeer, dat hij niet meer wist wat te zeggen.
„Kom, kameraad!” zei Knol, den verslagen man op den schouder tikkend, „sta eens op, hé! ’t Zal zoo’n vaart niet loopen, en aan de praatjes van een goudvallei, met klompen van een once, stoort zich een verstandige Hollander niet; dat zijn sprookjes, die alleen een bijgeloovige Ier kan verzinnen, als hij van de hitte en ellende half gek is geworden!”
„Jij moet niet snik zoo!” troostte Lord Greybury, die, nu allen Nederlandsch spraken, geen Engelsch wilde spreken. „Jij moet niet snik zoo! Ik weet, waar jij kan vind meer goud dan in de goudvallei; dan jij gaat naar Amsterdam en trouw jou bruid!”
Borgers stond op.
„Willem, heb je niets anders voor mij bij je? Geen brief?”
„Neen, niets!” loog Willem en frommelde in zijn zak den brief in elkander. „Ze dacht waarschijnlijk, dat die ring een voldoende herinnering zou zijn. Ik zal hem maar weder bij me steken. Kom aan, gedraag je nu eens als een man, en alles zal zich wel schikken. Laat ik je eerst eens aan je nieuwe vrienden voorstellen. Lord Greybury, eigenaar van twee runs in deze kolonie, en Cornelis Knol, mijn makker van.... nu, dat doet er niet toe. En nu terug, ons pakpaard moet je voor rijdier houden, Herman; het is een mak dier; zijn last zullen we gelijkelijk over onze paarden verdeelen.”
Borgers hoorde hem aan, doch zijn wezenlooze blikken bewezen, dat zijn gedachten verre waren.
„Neen, ik ga niet naar Holland! Ik wil niet arm terugkeeren! Want ik ben arm, nog armer dan toen ik in Australië aankwam!” riep hij toen hij de mannen zich gereed zag maken het vierde paard voor hem te ontladen. „Och! laat me verder trekken!” voegde hij er, zich tot Willem wendend, op smeekenden toon bij, „misschien vind ik de goudvallei, ik meende eerst ze reeds ontdekt te hebben. Kijk, overal goudstrepen,” de arme man raapte eenige stukken kwarts van den grond op, „zie eens hier, wat een dikke stip, en toch kan ik de juiste plek maar niet vinden. Weet je wat we doen moesten, Willem? We werken samen; jij hebt paarden, kogels en levensmiddelen; we kunnen beurtelings werken en waken, dan kan ik ook weer een paar uur slapen; ik heb in drie dagen, sedert de wilden mijn paard gedood hebben, geen oog dicht gedaan.”
„Dat kan ik aan je hooren, Herman. Je hebt koorts, je ijlt en raaskalt; je hebt misschien in dien tijd evenmin gegeten als geslapen. Kom wees nu eens verstandig; we gebruiken te zamen een goed maal, dan ben je wed ik, spoedig weer opgeknapt, en dan rijden we met ons vieren naar de stad. Kijk, Knol en de lord zijn reeds aan het hout kappen!”
„Ja, ik gevoel me nu al iets beter; die eeuwigdurende angst, door een speer getroffen te worden en tot spijs voor de wilden te dienen, zou iemand krankzinnig maken. Maar hoe heb je me hier gevonden, Willem? Ik heb uit vrees voor de wilden en de spionnen mijn sporen in de klei zorgvuldig uitgewischt?”
„Dat schijnt niet veel geholpen te hebben, want juist een wilde.... Wat! Knol! Sir! de wilde is weg!”
Geen van allen had op het oogenblik der ontmoeting op den zwarte gelet en deze had daarvan wijselijk gebruik gemaakt om het hazenpad te kiezen.
„Ja, jongen,” zei Knol, die met een armvol doode takken terugkwam, „ik heb hem dadelijk gemist; die heeft niet op ons gewacht. Toch geloof ik niet, dat we nog last van de wilden zullen hebben. Ik heb eens de goudzoekers hooren vertellen, dat een wilde, dien ze het leven lieten, toen hij in hun macht was, hen als een hond naliep en hen waarschuwde voor de lagen van zijn stamgenooten. Ook zal die weggeloopen rakker aan zijn lieve broertjes wel vertellen, dat wij goed gewapend zijn, en dat zal hen wel op een afstand houden.”
In de schaduw van den hoogen bergwand zaten de vier mannen om de borrelende ketels; zoodra er voldoende asch gevallen was bakte Knol „dampers,” en deelde ze rond. Borgers at als een uitgehongerde wolf; hij bemerkte niet eens, dat de drie anderen telkens van hun porties bij de zijne voegden.
„Willem, ik heb zoo’n slaap!” zei hij op eens, toen het blikken theekopje hem uit de hand viel.
„Ga gerust slapen, Herman. Wij waken!” Willem had de woorden nog niet uit den mond, of de oogen van den ongelukkigen goudzoeker vielen dicht en hij zelf rolde ter zijde.
Met hun drieën—Willem aan het hoofd, de Engelschman en Knol aan de beenen—namen ze hem op en legden hem op de dichtgevouwen tent.
„Nu blijft ons niets anders over dan geduldig te wachten, tot je vriend wakker wordt, Willem; dat kan den geheelen middag duren, maar dan is hij ook zooveel gesterkt, dat hij mede kan gaan; ’t is goed, dat hij in slaap gevallen is; hij had, zoo zwak als hij was, toch geen half uur te paard kunnen zitten.”
„We moesten de paarden kluisteren en Hermans voorbeeld volgen,” raadde Lord Greybury. „’t Is volle maan en ze komt vroeg op; als we lust hebben kunnen we van nacht doorrijden.”
„Dat is een goed denkbeeld,” antwoordde Willem. „U is van morgen vier uren te kort gekomen en u komt dus de eerste beurt toe.”
„Goeden middag!” zei de Engelschman en ging naast Herman op het linnen liggen.
„Rust wel, Sir!”
HOOFDSTUK XIX.
Tien dagen na dit voorval zaten de Nederlanders en de Engelschman in de achterkamer van Taipoens herberg thee te drinken. Op de terugreis hadden ze geen enkelen wilde ontmoet; wel echter de prospectors en de beambte, die hun de kaart en het kompas hadden verschaft; deze werden gevolgd door een groote menigte bereden en onbereden goudzoekers, die claims op de nieuwe velden wenschten te huren.
Herman Borgers was geheel hersteld. De voorslag, hem door Lord Greybury gedaan, om op dezelfde voorwaarde als Willem manager van de tweede run te worden, had hiertoe veel bijgedragen.
Zijn toekomst en die van Willem waren nu verzekerd; met hun beiden zouden ze heerschappij voeren over een ontzaglijke uitgestrektheid en daarbij geheel onafhankelijk zijn; want Lord Greybury had zijn voornemen te kennen gegeven, zoo spoedig mogelijk zijn zetel in het Hoogerhuis te Londen weer te gaan innemen.