Willem Roda: Een jongensboek

Part 23

Chapter 234,044 wordsPublic domain

’t Gejoel en geschreeuw in en om de kroegen en winkels werd ondraaglijk. ’t Scheen wel, of de geheele menschenmassa, die naar de goudvelden stroomde of vandaar voor korten tijd of voor goed terugkeerde, zich in die weinige bochtige straten had samengepakt.

Aan rijden te midden van die dringende en duwende menigte viel niet meer te denken. Willem en Knol stegen af.

„Kunnen we geen anderen weg kiezen, Kees? Ik kan mijn paard niet meer voortkrijgen, en het gejoel hier bezorgt me hoofdpijn?”

„Neen, we moeten hier door, in de andere straten is het nog veel voller. Gebruik je ellebogen maar. Straks krijgen we lucht; ik weet een plaatsje waar we uitblazen kunnen. Pas op! houd je paard bij het gebit, niet bij de teugels; anders heb je kans dat ze je den teugel doorsnijden en dan kun je fluiten naar je beest. ’t Wemelt hier van paardendieven, die in het gedrang hun slag trachten te slaan!”

Eindelijk sloeg Knol een dwarsweg in, waar het rijden weer doenlijk was, en hield na een poosje stil voor de winkel-herberg van een Chinees, bij wien hij reeds meermalen zijn intrek had genomen.

De langgestaarte zoon van het Hemelsche Rijk kwam haastig naar buiten loopen, en boog onophoudelijk als een knipmes, toen hij de beide ruiters voor zijn toko zag staan. Hij herkende Knol onmiddellijk.

„Ha! Sir Raap! ik heb u wel gezegd, dat u terug zou komen. Die ééns in de velden gelukkig is geweest, kan het in de bush of de stad niet meer uithouden. Sir Raap, u gaat zeker weer eens uw geluk beproeven?” zei Taipoen in onmogelijk Engelsch, terwijl hij de Nederlanders de paarden hielp ontladen.

„Daar vergis je je leelijk in; Sir scheele Water-Chinees, en dat gaat je ook niemendal aan. Breng nu maar gauw onze paarden in den kamp en schaf wat te eten; maar geen katten- of hondenvleesch hoor, of ik vil je levend!” riep Knol met woest rollende oogen en smeet zijn revolver en mes op tafel.

Met een sluwen glimlach op zijn effen, geel gezicht boog de Chinees tot op den grond en snelde onmiddellijk heen om Knols tweeledig bevel te volvoeren.

Willem keek zijn makker aan en schoot in een lach.

„Wat scheelt je nu, Kees? Waarom ben je op eens zoo woedend en waarom snauw je dien Chinees zoo af?”

„Hij zou ons anders trachten af te zetten. Als je dat Chineesche gebroed niet overbluft, spelen ze den baas over je. Laat mij maar begaan, Willem; hij moet zich verbeelden, met een paar woeste gouddelvers te doen te hebben. Lach vooral niet, als ik hem soms wat al te moorddadige dreigementen naar zijn gladden knikker gooi, of hem eens aan zijn staart trek!”

Bij het eten vloog Taipoen op Knols wenken. ’t Eenvoudig maal was spoedig afgeloopen en Knol stak een pijp op.

„Kom aan, Willem, nu moeten we eens overleggen, op welke wijze wij je vriend Borgers zullen zoeken. Ik zal je vertellen, hoe de boel hier in elkander zit, dan kun jij een plan maken. Onderweg heb ik er al een poos over loopen denken. Ten eerste heb je hier een postkantoor, waar de goudgravers wel eens de streek opgeven, waarheen ze denken te vertrekken. Ten tweede heb je een gouvernementscommissaris, waar de pacht voor de claims betaald moet worden, en je naam in het register wordt geschreven. Ten derde heb je de bank,—neen, eerst had ik je moeten zeggen, dat er eigenlijk twee soorten van goudgravers zijn: je kunt bij een maatschappij voor vijf shilling daags onder den grond graven, of op je eigen houtje boven den grond. In het eerste geval vindt je je vriend binnen een paar dagen, in het andere geval misschien nooit. Nu is er nog een soort of eigenlijk is dat hetzelfde. Neen, toch niet hetzelfde. Kijk eens, Willem, je kunt den grond nog eens nagraven en uitwasschen, waar de maatschappij al met machines gewerkt heeft, of je kunt, net als ik gedaan heb, op goed geluk het land ingaan om nieuwe velden te zoeken. Dat noemen ze hier „prospecting” en dan krijg je een premie van den commissaris. Dat begrijp je toch wel?”

„Heel goed, Knol! Ik moet zeggen, je hebt er slag van de zaken netjes uit elkander te zetten; je hebt je carrière misgeloopen, Kees; je had professor moeten worden. Maar als ik het zelf eens zag, zou ik het toch nog iets beter begrijpen!”

„Zeg eens, houd me, als ’t je belieft, niet voor den gek. Ik heb geen drie jaar op de Fransche school gegaan, zooals jij; daar had mijn vader geen geld voor!”

„Kom, niet kwaad worden, Kees. ’t Is immers maar gekheid. Laten we maar eens een kijkje nemen. Ik hoor stampen; zijn dat de machines, waar je van sprak?”

„Ja. We kunnen onze paarden en ketels veilig hier laten. Bij den Chinees zit de schrik er al in. Ga maar mee!”

Een kwartiertje buiten de goudstad kwamen de beide Hollanders op een uitgestrekt terrein, waar de grond was omgewoeld, alsof er een menigte mollen en konijnen—maar dan zoo groot als olifanten—aan het werk waren geweest. ’t Was een chaos van huishooge hoopen kwarts, bergen leem en zand, donkere mijnputten, diepe kuilen, met een zwartachtig water gevuld, en kunstmatige watervallen.

In de plassen werkten stoombaggermachines met emmers aan de Jacobsladders, die afgrijselijk knarsten; aan alle zijden staken onder de afdaken groote locomobielen hun zwarte pijpen boven het glinsterende kwarts uit, en braakten dikke rookwolken uit, die als een mist boven het terrein bleven hangen. Met donderend geweld vielen ontzaglijke, ijzeren blokken, door de ijzertouwen der dreunende stoommachines opgetrokken, op de kwartshoopen neer en stampten het goudbevattende steen tot gruis.

Menschen en paarden waren slechts bij de machines te zien, en op de plaatsen, waar het water zich van een hoogte op het vermorzelde kwarts stortte.

„Laten we verder gaan, Kees. Ik geloof niet, dat we Herman hier behoeven te zoeken!”

„Dat is de Waterloomijn,” antwoordde Knol, die bij het ontzettend geraas zijn makker verkeerd verstond, „en dan moest je eens onder den grond zien. Daar staan honderden en duizenden mannen, half naakt, tot aan de heupen in het water te wroeten, of liggen in de droge mijnen op hun rug in de gangen het kwarts los te hakken, en als ze daar eens een klomp goud vinden, waarnaar ze op de velden zoo lang tevergeefs hebben gezocht, is het voor de maatschappij, en niet voor hen.”

„Ik zei, dat we maar terug moesten keeren. Dien ik zoek, is hier toch niet te vinden.”

„Neen, dat geloof ik ook niet, hier komen de goudwerkers eerst, als ze houweel en spade voor brood hebben moeten verkoopen.”

„Kom, Knol, laten we het maar eens op een andere manier beproeven. Wijs mij eerst het postkantoor; als we daar geen voldoende inlichtingen krijgen, gaan we naar den commissaris.”

Het postkantoor, een lange houten loods met steenen pui, was alleen voor poste-restante en de verzending naar de kustplaatsen ingericht. Bezorgd konden de brieven uit den aard der zaak hier niet worden; wie een brief verwachtte, moest van tijd tot tijd komen hooren of liever zien. In groote, platte bakken met glazen deksels—voor elke letter een of meer—lagen de brieven evenals de bakken zelf, alphabetisch gerangschikt. Willem zocht natuurlijk alleen in bak B. En jawel, daar lag een brief voor Herman Borgers, met een Nederlandsch postzegel. Alleen de geadresseerde evenwel mocht hem in ontvangst nemen. Wel liet de beambte Willem het omslag van nabij bezien; het postmerk bewees, dat Herman Borgers sedert drie maanden niet in de stad, in elk geval niet op het postkantoor geweest was. Dit was alles, wat Willem in het kantoor gewaar kon worden.

Op het kantoor van den goudcommissaris moesten ze een tijdlang wachten. De regeeringsbeambte was met een tiental helpers aan de loketten bezig, het stofgoud der goudzoekers te wegen, en tegen een wissel op Brisbane of Rockhampton in ontvangst te nemen.

Willem deelde hem zijn verzoek om inlichtingen naar een Hollander op de goudvelden mede, en de man was zoo vriendelijk hem uit te noodigen binnen te komen.

Tusschen twee rijen verbazend hooge brandkasten nam Willem met Knol plaats, en wachtte geduldig, tot de commissaris een oogenblikje de handen vrij zou hebben.

Wat de welwillende man hem mededeelde, was weinig geschikt om zijn hoop te versterken. Voor een maand of zes waren, volgens de boeken, door Herman Borgers een tiental oncen goud—een waarde van ongeveer dertig pond vertegenwoordigende—op het kantoor bezorgd; de wissel was op zijn verzoek op de gouvernementsbank gedeponeerd, daar Borgers opnieuw naar het binnenland dacht te vertrekken.

„Kunt u niet gissen, in welke richting, Mijnheer?” vroeg Willem.

„Dat kan ik onmogelijk”, antwoordde de vriendelijke beambte, „dat houden de „prospectors” zooveel mogelijk geheim; dat begrijpt u wel. In geen geval werkt hij bij een maatschappij; u behoeft hem derhalve in den omtrek van veertig mijlen niet te zoeken, daar is de grond aan onderscheidene maatschappijen verpacht. Hij zal, zooals de meeste „prospectors”, den loop der hoofdrivier gevolgd zijn en daarna een of anderen zijtak, die nog niet bewerkt was, gekozen hebben. Meer kan ik u niet zeggen. Het aantal van die zijtakken en bijriviertjes is zoo groot, dat ze niet eens alle benoemd of in kaart gebracht zijn. Het eenige, wat u doen kunt, is, op goed geluk het land ingaan en overal, waar u ziet graven of wasschen navraag doen. ’t Blijft echter een hopeloos werkje! Heeft u geen portret?”

De commissaris werd weder aan een der loketten geroepen en luisterde nauwelijks, toen Willem hem dank zegde voor zijn hulpvaardigheid.

„Good luck!” riep hij door het loket, toen hij Willem en Knol door de gang zag vertrekken.

Op de bank lag nog steeds de wissel ter beschikking van Herman Borgers.

„Dat is een slecht teeken, Willem”, beweerde Knol. „’t Is de gewoonte niet van de goudzoekers, langer dan een paar maanden weg te blijven.”

„Denk je, dat ik zoo spoedig den moed laat zakken? dan ken je me nog niet. Morgen gaan we op weg, Kees. ’t Geluk heeft me zoo dikwijls gediend; waarom zou het mij nu den rug toekeeren! We weten nu waaraan we ons te houden hebben. Het is nu zeker, dat Herman het binnenland langs een of ander zijriviertje is ingegaan; dat is reeds veel gewonnen.”

„Als je ondervonden hadt, zooals ik, wat het beteekent het binnenland in te gaan, zou je er zoo licht niet over denken. Geen oogenblik ben je daar je leven zeker, de wilden....”

„Neen, vertel maar niet verder. Je brengt me toch niet van mijn plan af, Kees; en mee moet je, daar helpt geen lieve vader of moeder aan!”

Bij Taipoen, den Chinees, teruggekeerd, vonden Willem en zijn reismakker de groote kamer achter den winkel vol goudzoekers. De mannen hadden hun roode of blauwe flanellen tot aan den schouder opgestroopt en zaten aan een lange, van twee schragen en een plank gevormde tafel, aan bijtafeltjes te eten. Elk had zijn geweer tegen den muur gezet, en deed zich te goed aan het ossenvleesch en brood, dat de vlugge Chinees hun voorzette.

De delvers, die bij Taipoen hun intrek namen, als ze naar de stad kwamen, waren niet van de ruwste soort. ’t Waren meestal vaste klanten, die niet op het gewoel in de kroegen der hoofdstraten gesteld waren, en hier na maanden van eenzaamheid op de verwijderde goudvelden een paar gezellige dagen kwamen doorbrengen. Na het eten vertelden ze elkander hun lotgevallen of doodden den avond met kaartspelen. Wel was de inzet soms een halve once stofgoud; maar zoo grof als in de andere kroegen werd er bij Taipoen niet gespeeld, en een vechtpartij was eene zeldzaamheid.

„Knol, zijn er geen kennissen van je bij?” vroeg Willem.

„Daar heb ik dadelijk naar gekeken. Neen. Maar al was dat het geval, wat zou het ons geven? Naar wien moet ik vragen? Naar Herman Borgers? naar een Hollander, aan wien niemand zien of hooren kan dat hij het is? Naar een man met een neus, twee oogen en een baard zooals iedereen? Ik geloof, dat de lui daarachter me hartelijk zouden uitlachen, als ik zoo dwaas was het te vragen. Als we nu nog een portret hadden, zooals de commissaris vroeg, dan was het mogelijk, dat we hem vonden; nu geef ik geen dubbeltje voor de kans; als ik jou was, Willem, zou ik een brief op het postkantoor laten en stilletjes naar het station terugkeeren.”

„Je hebt gelijk, Kees. ’t Is een onbegonnen werk, en toch moet ik het beproeven. Ik heb nu eenmaal tot mijn zuster gezegd, dat ik naar Herman zoeken zou, al moest ik dwars door Australië trekken. Ik wist toen niet, wat dat was; nu weet ik het wel, en toch zal ik woord houden!” zei Willem opstaande; hij ging met het hoofd in de handen voor het raam zitten en keek naar de zon, die bloedrood achter de heuvels in de verte wegdook.

Hij bemerkte zeer goed, dat Knol weinig lust had hem te volgen en misschien wel beslist zou weigeren. En wat dan? Knol was de eenige, die Herman van aangezicht kende; hij zelf was er niet zeker van, den beminde van zijn zuster nog te zullen herkennen, evenmin als hij Knol op het eerste gezicht had herkend. De moeilijkheid lag hoofdzakelijk in den baard; dat sieraad was in Queensland zoo algemeen, dat een barbier er een zeldzaamheid was.

Een weinig ontmoedigd haalde hij voor de honderdste maal den ongelukkigen brief voor den dag en bekeek hem van alle kanten. Maar wat kon dat adres hem helpen? Kijk, het omslag was op de vouw reeds doorgesleten. Onwillekeurig keek Willem er in. Wat een dikke brief! En zijn zuster had er op gerekend, dat hij lang onderweg kon blijven; ze had er een stukje karton ingedaan; zonder twijfel voor de stevigheid. Neen! ’t Is een portret!

„Goede Hemel! Knol, we zijn geholpen! Ik heb een portret!” riep Willem in blijde verrassing opspringend.

„Laat zien, Willem. Hij is het, sprekend, hoor! Alleen de baard mankeert er op, en ook is hij wat magerder geworden. Je bent werkelijk een gelukskind. Nu is er kans en nu ga ik ook mee! Geef het eens hier! nu zal ik ook de lui daar binnen eens vragen, of ze hem in den laatsten tijd gezien hebben.”

Geen der aanwezige goudzoekers kende evenwel een persoon, die op het portret geleek.

„Dat beteekent niets, Knol. We zullen er wel vinden, die hem herkennen. ’t Spijt me, dat ik zoo even bijna den moed liet zinken; dat was jouw schuld, maar het zal me niet weer gebeuren!”

HOOFDSTUK XVIII.

’s Morgens vroeg begaven Willem en Knol zich naar een der hoofdstraten, om zich de benoodigdheden voor de reis te verschaffen, voorzoover ze die niet bij Taipoen hadden kunnen krijgen.

’t Was er nog drukker en woeliger dan den vorigen middag.

Willem had een briefje geschreven voor Herman Borgers, voor het mogelijke geval, dat deze naar de goudstad mocht komen, terwijl zij op weg waren om hem te zoeken; hij wilde het op het postkantoor bij den reeds aangewezen brief leggen. Tot zijn verbazing was er reeds een brief naast den eersten gelegd.

„Dat is de hand van Lord Greybury! Kees, mijn Engelschman is hier geweest of is misschien nog hier!”

„Zou hij weten, dat jij hier ook bent?”

„Neen, dat kan niet zijn. Hij is uit Brisbane vertrokken, voordat hij mijn brief had ontvangen, en denkt natuurlijk, dat ik goed en wel op Darling-station aan het schapenwasschen of paardenvangen ben.”

„Willem, laten we dan dadelijk op weg gaan. Voorbij de mijnen is het niet zoo vol als hier; als hij al op weg is, halen we hem nog wel in; en is hij nog hier, dan kunnen wij daar ginds op hem wachten. In het gewoel en gedrang van de stad behoeven wij hem niet te zoeken, dat zou vergeefsche moeite zijn.”

„Dat is een goed plan, Kees; we zullen het onmiddellijk ten uitvoer brengen. We hebben alles, wat we noodig hebben. Terug naar Taipoen!”

„Wat heeft die zwarte daar ginds op zijn hoofd, Willem? ’t Lijkt wel een aanplakbord! Kun je zien wat er op staat?”

„Ja wel. Laat eens kijken. Blijf even staan, de zon schittert er juist op. Nu zie ik het.—Wat is dat?” riep Willem verbaasd.

„Verloren twee jonge Nederlanders. Die ze terugbrengt bij den commissaris, zal vijf pond belooning ontvangen!!!”

„Ben je mal? Staat er dat?”

„Ja zeker, kijk zelf maar. „Dutchmen” staat er met letters van een halven meter, midden op het bord!”

„Ja waarlijk, ’t Zijn zeker een soort van honden,” meende Knol, „die Engelschen spotten....”

„Moord!....” gilde Knol.

„Help!” schreeuwde Willem.

Beiden voelden zich tegelijk van achteren om het lichaam grijpen, zoodat ze de armen niet konden bewegen, en achter over trekken. Twee stevige kerels grepen elk der beide jongelieden bij de beenen, twee andere bij het hoofd, en hoe ze ook schreeuwden, tegenspartelden en zich verzetten, ze werden opgetild en op een sukkeldrafje, gevolgd door een lachende en joelende menigte, voortgedragen.

Willems revolver viel uit zijn gordel; een der dragers raapte ze op en stak ze weer op de plaats.

De gedragenen tegen wil en dank, begrepen spoedig, dat het hier geen misdadig opzet gold; maar door den schrik waren Willem noch Knol in staat na te denken over de reden van zulk een zonderlinge behandeling. De uitroepen der goudgravers en nieuwsgierigen, die een haag vormden om hen door te laten, en meer nog de zwarte, die—met zijn advertentiebord in de hoogte—voorop kwam loopen, bewees hun spoedig, dat zij de verloren Nederlanders waren; en dadelijk dacht Willem aan Lord Greybury.

Hij riep Knol toe: „Maak je niet ongerust, Kees; de Engelschman heeft ons laten oppakken!”

„Laat me los, ik zal wel meeloopen!” zei hij tot de dragers, die hem bij de schouders hadden.

„Dank je wel! dat een ander je beet pakt en met de belooning gaat strijken, hè? Neen jongen, we hebben je, en we zullen je bij den baas brengen!”

De mannen waren goudgravers uit de herberg van Taipoen.

Gelaten schikten Willem en Knol zich in hun lot.

„Willem, als het lang duurt, word ik zeeziek. Jouw Engelschman heeft vreemde manieren, dat moet ik zeggen!” zuchtte Knol.

„Maar doortastende en doeltreffende, dat moet je ook bekennen. Houd je goed, Kees!”

Na een kwartier hield de optocht stil voor het kantoor van den commissaris. De Nederlanders werden afgeleverd en de dragers ontvingen de belooning.

’t Was zooals Willem vermoed had. Ook Lord Greybury had, voordat hij verder trok, gepoogd bij den commissaris inlichtingen te krijgen omtrent Herman Borgers. Tot zijn verwondering vertelde de beambte hem, dat een paar uur geleden twee jonge Nederlanders naar denzelfden man gevraagd hadden.

Naar de beschrijving kon de een niemand anders zijn dan Willem; en geen kans ziende hem op andere wijze te midden van die menschenmassa te vinden, koos de Engelschman het zoo goed gelukte middel.

Terwijl Willem en Knol bezig waren hun kleederen weer in orde te brengen, stapte Lord Greybury bedaard en met een gezicht, alsof er niets gebeurd was, het kantoor binnen.

Willem verklaarde zijn aanwezigheid in de goudstad en stelde Knol aan zijn beschermer voor. Niets stond nu hun vertrek meer in den weg.

Zonder ergens langer op te houden, dan noodig was om de paarden rust te gunnen, te eten of te overnachten, reden de drie ruiters door, tot ze de velden, die door maatschappijen geëxploiteerd werden, achter den rug hadden. Verder liep de gebaande weg niet en nu zagen ze ook voor het eerst de goudzoekers voor eigen rekening aan het werk.

Langs de beide oevers der smalle rivier stonden, rij aan rij, de rood- en witgestreepte tenten der gouddelvers. Voor elke tent was de grond tot aan het water door touwen tusschen palen gespannen, afgeperkt; en de zoo gevormde lange en smalle „claims” waren de werkplaatsen der gravers. Met houweelen hakten de mannen den steenachtigen bodem los, totdat de onderlaag, een mengsel van zand, klei en grint, bloot kwam. Daaruit schepten ze met een breede en scherpe spade de „cradle” vol, een soort van teenen wieg, waarvan de bodem uit een fijne zeef bestond.

Voor de meeste tenten werkten twee mannen gezamenlijk. Terwijl de een schepte en bij het inwerpen de mand in schommelende beweging hield, putte de ander emmers water uit de rivier en wierp die in de „cradle”; dan harkte hij den inhoud dooreen. Zoodoende weekte de klei los; het zand, de klei en het water liepen door de openingen weg en alleen de kleine kiezelsteentjes met de gouddeeltjes bleven op den bodem achter.

„Dat is een zwaar en langdurig werkje, Knol!” zeide Lord Greybury; „heb jij dat ook zoo gedaan?”

„Bijna een jaar lang, mijnheer! Dat is wel het zwaarste, maar niet het moeilijkste en langdurigste werk. Ziet u daar ginds bij de vijfde tent dien man met zijn tinnen schotel op de knieën aan het water zitten? Daarin ligt de opbrengst van twee of drie dagen harden arbeid; fijne kiezelsteenen en grofgoud dooreen.

Nu is de kunst den schotel zoo te draaien, dat het water met de steentjes in beweging komt. ’t Goud is het zwaarst, en zinkt langzamerhand. Kijk! nu laat hij weer steentjes met water over den rand glippen; zoo gaat het uren lang voort tot alleen de goudloovertjes op den bodem liggen. Daar behoort handigheid toe, mijnheer. Ik heb in de eerste dagen, dat ik het deed, met het water zeker wel de helft van het goud weggegooid, maar spoedig had ik den slag beet.”

„En levert dat nu veel op?”

„Dat is ongelijk mijnheer! We werkten met ons drieën. Eens maakten we op één dag anderhalf once: ’t goud stond toen £ 3.18 per once; later werkten we dikwijls drie weken lang voor een paar pennyweights [17]. Toen was het honger lijden, mijnheer, want de levensmiddelen zijn hier tienmaal zoo duur als in de bush of in Brisbane; zoo gauw ik zag, dat het misliep, ben ik er alleen op uitgegaan en zoo diep als ik durfde de bergen in. Ik nam geen cradle mee, alleen houweel, spade en schotels, en toch heb ik daar in een maand meer gemaakt, dan hier in een half jaar. ’t Is alles toeval en geluk, mijnheer! En zenuwachtig dat je er van wordt—dat kunt u haast niet gelooven; als je zoo langzamerhand dat goud op den bodem ziet zakken, en het laagje al dikker en dikker worden, kun je den schotel haast niet meer vasthouden van het beven.”

Zoo vertelde Knol onder het voortrijden zijn reismakkers al het lief en leed der goudzoekers.

Hoe verder men kwam, hoe grooter ook de afstand tusschen de tenten der gouddelvers werd. Op de plaats waar een half uitgedroogd bijriviertje zich met de hoofdrivier vereenigde, stonden ze evenwel weer dichter bij elkander.

Hier deed zich ook voor de tochtgenooten de eerste moeilijkheid op. Welke der twee nu te volgen, de rivier of haar zijtak? Knol won inlichtingen in bij eenige gravers en vernam, dat het bijriviertje tot aan zijne bron reeds bewerkt was.

„Dan moeten we verder trekken, Willem; waar reeds zoovelen aan het werk zijn geweest, is voor een prospector weinig meer te doen.”

Om dezelfde reden lieten ze nog vier zijrivieren links of rechts liggen.

De bodem rees langzaam en werd hoe langer hoe steenachtiger; de goudgraverstenten en herbergen steeds zeldzamer. De bedding der rivier lag diep tusschen hooge en rotsige oevers, op sommige plaatsen helden naakte brokkelige steenklompen over den smallen bergstroom heen en gaven het oord een woest en onherbergzaam aanzien. Van plantengroei was weinig meer te bespeuren dan eenige doode gomboomen, die met hun naakte takken geraamten leken, en de streek nog somberder maakten, dan ze reeds was.

Op den tienden dag na het vertrek der ruiters uit de goudstad, reed hun een troepje goed gewapende mannen tegemoet.

„Die komen zonder twijfel van prospecting. Willem, haal je portret maar eens voor den dag, misschien hebben ze Borgers ergens ontmoet!”

’t Waren werkelijk goudzoekers; een regeerings-ambtenaar, die aan den commissaris in de stad verslag moest uitbrengen van de gesteldheid der streken, welke men onderzocht had, vergezelde hen.

Met de meeste bereidwilligheid gaven de mannen alle inlichtingen, die Willem verlangde. Hij had nauwelijks het portret getoond, of allen herkenden tot zijn groote vreugde daarin een man, die geheel alleen in een verwijderde streek werkte.