Part 22
De geheele dag ging voorbij, zonder dat een stuk eetbaar wild onder schot kwam. Tweemaal hadden ze een herder ontmoet, die zijn kudde naar het station dreef; maar een van de zestigduizend schapen te slachten, daaraan dacht geen van drieën. Men was dan ook wel gedwongen opnieuw met het medegenomen vleesch het avondmaal te bereiden. Jacky’s maag scheen een afgrond te zijn; hij at driemaal zooveel als Willem en Knol en was nog verre van verzadigd, toen de geheele voorraad was opgeteerd.
Er scheen geen einde te komen aan het Australisch bosch met zijn eeuwige gomboomen; toen de drie mannen het kampvuur aanlegden, was het landschap nog niet merkbaar veranderd.
Willem noch Knol wisten dan ook, of ze een dagreis verder waren gekomen, dan wel in een kring rondgeloopen hadden. Jacky lachte om hun twijfel; hoofdzakelijk door gebaren—want het mengelmoes van Engelsch en de taal der inlanders, dat Jacky sprak, was voor de Hollanders moeilijk verstaanbaar—beduidde hij hun, dat, zoolang kreupelhout en slingerplanten het uitzicht niet belemmerden, hij nooit in een kring kon rondloopen, al geleken alle boomen op elkander als twee eieren van denzelfden vogel. Juist die boomen waren het, waarlangs hij zijn denkbeeldig richtsnoer spande. Willem en Knol hadden er elkander reeds des morgens opmerkzaam op gemaakt, dat hun gids telkens, als hij een boom genaderd was, een oogenblik omkeek. Nu begrepen zij het doel van die beweging. De vernuftige zwarte koos zorgvuldig de boomen uit, waarlangs hij reed, en zorgde steeds, dat elke volgende boom met den thans bereikten en den vorigen in een rechte lijn stond. Zoo kon hij wel kleine slingeringen maken, maar in een kring rijden in geen geval.
Eerst in den middag van den tweeden dag, maakte de gladde mosbodem van het eucalyptusbosch voor een grastapijt plaats. De halmen werden steeds hooger en de boomen steeds schaarscher; zoo ging langzamerhand het bosch in een prairie over. Nu kon ook het water en daarmede het wild niet verre meer zijn.
„Kijk dat gras daar ginds eens golven; ’t is of er een dier doorheen vlucht,” zei Knol.
„Dingo!” antwoordde Jacky met zekerheid.
Men bereikte de plaats, waar de dingo door het hoefgetrappel opgejaagd was. Daar lag, half verscheurd, een jong kalf.
„Wacht even,” zei Willem en sprong van het paard, „die rakker zal niet veel schapen of kalveren meer vermoorden.” Hij haalde een fleschje te voorschijn, zooals elke bewoner van een station steeds bij zich draagt, en besproeide het vaneengereten lichaam op verschillende plaatsen met strychnine.
Onder het verder rijden hoorden ze het klagend geluid der moeder, die haar kalf zocht; ze kwam hun achterop en volgde hen een tijd lang met haar angstig geluid; het was of ze den mannen smeekte haar te helpen zoeken. Deze kregen medelijden met de arme koe, maar hadden haar toch niet bij het lijk van het kalf durven brengen, al hadden ze dat in het hooge gras nog terug kunnen vinden. Ze vreesden, dat ze het lichaam van haar kind zou likken en zich zoodoende zelf vergiftigen.
Weldra hadden de reizigers gegronde hoop, bij het avondmaal iets anders dan een stukje gezouten vleesch of half rauwe meelballen te eten te krijgen. Een verwijderd gekwaak, gekras en gekrijsch bewees, dat ze de bedding van een rivier naderden.
Met moeite slechts onderdrukten ze een vreugdekreet, toen ze de plassen bezaaid vonden met eenden, ganzen en zwanen, en de acacia’s langs den oever letterlijk bedekt zagen met papegaaien, kakatoes en andere bont gekleurde vogels.
„Daar zullen we een paar van uitzoeken, Kees!” zeide Willem, die, na zijn paard gekluisterd te hebben, zich gereed maakte aan te leggen.
„Missa, niet schiet, vogels wegjagen, morgen niets!” fluisterde Jacky, terwijl hij den loop van Willems geweer neerdrukte. „Jacky boemerang werp, veel meer krijg, eenden niet bang maakt.”
„Daar heb je gelijk in, Jacky. Kom aan, vertoon je kunst eens; ik ben werkelijk nieuwsgierig, hoe je met dat stuk hout een vogel treft.”
„Missa’s meegaan!”
Jacky geleidde hen naar een open plaats aan den oever. Aan de overzijde naderde een vlucht kakatoes de rivier; ze waren nog zoo hoog, dat het sneeuwvlokken geleken, die in het diepe blauw der lucht voortdreven. De vogels kwamen steeds dalende snel nader; reeds waren de gele en roode kuiven duidelijk van de witte veeren te onderscheiden.
Jacky had zijn boemerang uit de lappen gewikkeld en zorgvuldig afgewreven. Op het oogenblik, dat hij de kakatoes snel zag dalen, greep hij de lat bij het eene eind, zwaaide ze eenige keeren boven zijn hoofd rond en liet ze daarop los.
Willem en Knol keken naar boven om den boemerang met de oogen te volgen, maar tot hun verbazing vloog het kromme stuk hout snel draaiende, naar het water. Als een gekeilde steen sprong het weer op, toen het de oppervlakte bereikt had; daalde weer, kaatste zoo driemaal terug, en verhief zich ten laatste, als had het ding uit het water nieuwe kracht geput, sneller draaiend in de lucht. ’t Scheen werkelijk of de boemerang leven bezat, plotseling nam hij een zijsprong en schoot tusschen de neerstrijkende kakatoes in. Deze hadden zich bij het dalen wat veel verspreid; de boemerang slingerde er tusschen door zonder er een te treffen. Eenige oogenblikken bleef hij op de plaats ronddraaien, als zocht hij nog een prooi, daarop steeg het zonderlinge wapen hooger, beschreef een grooten cirkel in de lucht, draaide in wijde spiralen terug over de rivier en viel voor de voeten der verbaasde Nederlanders in het gras.
Jacky was teleurgesteld nu zijn boemerang, waarop hij zoo gepocht had, niets had geraakt. Met scherpen blik doorzocht hij de boomen in de nabijheid.
„Missa, kijk! Jacky raak blauwe papegaai!”
Op een hoogen, witten eucalyptus stoeiden en dartelden een menigte veelkleurige papegaaien en parkieten met elkander. Een groote, indigo-blauwe ara, de teenen als ringen om een dunnen tak geklemd, schommelde met den kop naar beneden lustig heen en weder.
Jacky zwaaide opnieuw zijn boemerang boven het hoofd en wierp hem voor zijn voeten op een platten steen; loodrecht steeg de lat naar boven, schoot op de vereischte hoogte gekomen naar de ara en trof hem tegen den kop. De vogel liet los en viel. Onder het vallen draaide de boemerang steeds om den vogel heen; hij scheen er een geheel mee uit te maken en sloeg er tegen aan, dat de veeren in ’t rond vlogen.
De zwarte liep snel naar de plaats, waar de boemerang en zijn buit gevallen waren. De papegaai was verpletterd. De schedel, de pooten, tot zelfs de harde snavel waren stuk geslagen.
Jacky wischte zijn met bloed bevlekt wapen af.
„Komt de boemerang niet terug, als hij iets raakt?” vroeg Willem.
„Neen, missa, witte mannen denken zoo. Boemerang is geen hond. Maar wat boemerang raakt is dood. Blijft liggen!”
„Dat heb ik gezien en goed ook!” zei Knol, terwijl hij de ara opraapte, „ik geloof dat er geen beentje in zijn lijf heel is gebleven.”
„Lekker, van avond braden, nog meer raken!” hernam Jacky en zocht naar een nieuw mikpunt voor zijn boemerang.
„Goed zoo, Jacky, ga je gang, oude jongen, dan sparen wij onze kogels; ik verzeker je, dat ik trek heb!”
„Kees, vertrouw niet te veel op zijn „lekker”; ik heb den zwarte vuile eieren zien eten en toen zei hij ook nog: „lekker!”” zei Willem in het Nederlandsch tot Knol.
Jacky keek bij het hooren van die vreemde taal op.
„Jacky kan niet verstaan!” Met wantrouwende blikken staarde hij, dit zeggende, de beide blanken aan.
Nu was het de beurt aan Willem en Knol om te lachen. Het ontsteld gelaat van den zwarte verried, dat hij de witte mannen nooit een andere taal dan Engelsch had hooren spreken.
„Kan niet verstaan,” herhaalde hij verschrikt. „Witte mannen wil Jacky doodschiet!”
„Ben je niet wijs, Jacky? Ik zeide, dat je zoo goed met den boemerang kon omgaan. Waarom zouden we je kwaad willen doen? Als jij ons niet helpt, verdwalen we immers. Wij komen uit een ander land dan Mr. Walebone en Mr. Dilly. De zwarten spreken toch ook niet allen dezelfde taal.”
„Yohi!” [16] zei Jacky nadenkend en ging op zijn hurken zitten. „Missa Roda, Missa Dilly en Missa Knol goed mannen?” zei hij op vragenden toon.
„Ja, zeker, Jacky; hier heb je mijn hand er op, wij zullen je nooit kwaad doen, en als we thuis komen, krijg je weer zoo’n rond stukje goud!”
„Jacky doet niet!” riep de zwarte eensklaps opspringend.
„Wat niet? Ons niet verder brengen!” vroeg Willem verschrikt.
„Yohi, wel verder brengen. Missa manager niet goed; slaat Jacky met de zweep. Jacky niet doen, wat Missa manager zegt!”
„Wat zegt Missa manager dan?”
„Jacky moet twee witte mannen in de scrub bij de Majols brengen, wegloopen, anders Missa Roda Jacky doodschiet!”
„Wat een schurk! Daarom liet hij mij zoo gewillig op reis gaan, en dat was dus de reden van zijn gehuichelde vriendelijkheid!”
Willem keek dit zeggende eens rond, en de schrik sloeg hem om het hart. Als Jacky eens gedaan had, wat de verraderlijke bestuurder van hem eischte! Nu reeds zouden hij noch Knol weten, naar welke zijde zich te wenden, en zij waren nog op de run van Darling-station; hoe dan, wanneer de zwarte gids hen over een dag of wat midden in de scrub in den steek had gelaten?
„Jacky doet het niet, wel? Jacky is een goede zwarte man; hij blijft bij ons; is het niet?” zoo paaide Willem, terwijl hij den gids vriendschappelijk op den schouder klopte.
„Yohi!” zei Jacky, „zal aan Missa manager zeggen, witte mannen dood in de scrub!”
„Braaf zoo, Jacky! zeg wat je wilt, als je ons maar op den weg naar de goudvelden brengt.”
Jacky was geheel gerustgesteld en hervatte de jacht. Nog verscheidene eenden en kakatoes vielen onder de moorddadige slagen van de ijzerhouten boemerang en verschaften een uitmuntend avondeten.
Vijf dagen lang werd de tocht op dezelfde wijze voortgezet. Gomboomwouden wisselden af met grasvlakten en steenwoestijnen.
De kengoeroes waren blijkbaar dikwijls gejaagd, want ze waren schuwer dan gewoonlijk en kwamen niet onder schot; zoo moesten zich de reizigers met vogels tevreden stellen. Den zesden dag evenwel werd het bosch dat ze doorreden, gaandeweg dichter, de gomboomen hooger en dikker; slingerplanten en bamboestruiken maakten het rijden lastig.
Daar vertoonde zich ook voor ’t eerst een wallabie in hun nabijheid; het dier sprong haastig voorbij, zonder, zoo ’t scheen, de reizigers, die afgestegen waren, te bemerken.
„Wilden!” fluisterde de zwarte, stak het hoofd vooruit en sperde zijn oogen wijd open; doch de boomen, de struiken en het hooge gras belemmerden het vergezicht.
„Missa Roda, bewaar boemerang in de hand!” zei de Australiër.
In een oogenblik lagen de weinige kleedingstukken, die hij droeg, aan den voet van een reusachtigen eucalyptus.
„Wat wil je nu doen?” vroeg Knol verwonderd, „daar kom je nooit in. Dien boom omspannen vijf mannen nog niet.”
„Jacky „kamin” maak!” antwoordde de blackboy op zijn gewonen geheimzinnigen toon. „Jacky knap zwarte man!”
Inderdaad Jacky wist overal raad op. Met zijn tomahawk sloeg hij een vingerdikken bamboestengel dicht bij den grond af. Ook de pluim kapte hij weg en boog daarop het tien meter lange riet in tweeën, tot het kraakte; de beide einden maakte hij eveneens buigzamer door ze te doen kraken. Daarna maakte hij met veel moeite een lus van het dunste eind, stak er den linker arm in, sloeg toen na een paar vergeefsche pogingen den bamboe om den boom heen, greep het losse eind met de rechterhand en draaide dit eenige keeren om zijn rechterarm. Nu plaatste hij den rechter voet tegen den grond, trok den bamboe aan en liet zijn lichaam zoo ver mogelijk achterover hellen; eindelijk trok hij ook zijn linkerbeen op, zoodat hij tegen den boom stond als een vlieg tegen den wand.
Met schokken steeg het taaie riet langs den gladden stam op, en met elken schok plaatste de zwarte den eenen voet boven den anderen. In korten tijd had hij den ondersten tak bereikt en klom als een eekhoorn verder.
Met behulp van zijn „kamin” kwam hij op dezelfde wijze weder beneden.
„Majols!” berichtte hij, „prairie achter het bosch in brand; wallabies jagen!”
„Wel, Jacky, zet je daarom zoo’n benauwd gezicht? We hebben immers onze geweren; de wilden zullen ons wel met rust laten, als ze zien dat we goed gewapend zijn!”
„Neen, Majols veertig, vijftig; wij drie in de boomen!”
„Als jij maar zegt, hoe wij in de dikke stammen moeten klimmen. Ik zie geen kans het met jouw „kamin” te doen, Jacky. En jij Kees?”
„Ik heb ook weinig lust, mijn nek te breken!”
„Welnu, Jacky, dan zullen we hier je broertjes afwachten!”
Doch daarin had Jacky weinig lust. Hij scheen niet op een ontmoeting met zijn rasgenooten gesteld te zijn.
„Meegaan, witte mannen Jacky nakruipen, paarden meetrekken, naar den zoom. Majols ons niet zien kan!”
Weder vloog een wallabie voorbij; ze drukte onder het springen den voorpoot tegen den met jongen gevulden buidel.
In de rechterhand de revolver, in den linker de teugel van het paard houdend, volgden Willem en Knol den zwarte door het kreupelhout.
Aan den zoom van het bosch hield Jacky stand, ging op de knieën liggen en beduidde den Hollanders, dat zij hetzelfde moesten doen. Een grasvlakte strekte zich voor hen uit. Eenige naakte wilden, reusachtige kerels, liepen met brandende gomtakken rond en staken het gras op verschillende plaatsen in brand. De wind dreef den rook van de verborgen reizigers af, zoodat ze er geen last van hadden en ze de vlakte in haar geheel konden overzien. Langs den hoogen rand van het bosch stonden, met den rug naar hen toegekeerd, een tiental met lange speren gewapende wilden; aan de tegenovergestelde zijde der vlakte wachtten een twintigtal, eveneens gewapend, de wallabies en buidelratten op, die voor de naderende vlammen vluchtten. Zij wierpen hun speren naar de vlugge dieren, doch bleken niet zeer behendig te zijn. De meeste kengoeroes ontkwamen, slechts drie vielen in de handen der wilden. Deze drongen met den buit het bosch in, niet verre van de plaats, waar de drie mannen bij hun paarden verscholen lagen.
In de volgende dagen ontmoetten de ruiters wild in overvloed; bij elken maaltijd aten ze gekookt of gebraden kengoeroevleesch, dat den Nederlanders steeds beter smaakte; Jacky evenwel bleef hardnekkig de voorkeur geven aan ongekookte spijzen.
De voortreffelijke gids wist steeds een ontmoeting met de wilden te vermijden. Het was werkelijk, of hij ze ruiken kon, zooals Dilly beweerde. Eens slechts kwam men er dichter bij dan gewoonlijk. Om ongemerkt voorbij te komen, stegen de ruiters af en omwonden de hoeven der paarden met gras. Jacky scheen door een geheimzinnige oorzaak aangetrokken en tegelijk afgestooten te worden. Telkens als hij een tien of vijftien schreden gedaan had, bleef hij staan en boog het hoofd naar de zijde van het kamp der wilden; dan zwoegde zijn borst en huiverde hij over het geheele lichaam.
„Corroborrie!” fluisterde hij met bevende lippen. „Majols dansen en zingen!”
Een dof gebrom, als werd er in de nabijheid op omfloerste trommen geslagen, trof de ooren der Nederlanders, die ingespannen luisterden.
„Bora!” zei Jacky nauwelijks hoorbaar; van bijgeloovigen angst puilden hem de oogen uit het hoofd; met geweld zich ontrukkend aan de betoovering, die hem naar de plaats trok, vanwaar het geluid kwam, vluchtte hij met groote sprongen in tegenovergestelde richting. Willem en Knol moesten wel volgen, hoe gaarne ze eens zoo’n concert en bal der wilden hadden bijgewoond. Jacky was niet te bewegen terug te keeren, zelfs een rond stukje goud had geen uitwerking.
„Bora, Bora!” zeide hij nog sidderend van angst. „Majols Jacky doodsteek, opeet!”
„Maar wat is dat dan voor een vreeselijk en gevaarlijk ding, zoo’n bora; is het soms een boa, een slang?” vroeg Willem.
„Neen!” schudde Jacky. „Niet slang; boa!” De zwarte liet zijn schitterend witte tanden zien. Eén snijtand in de bovenkaak ontbrak.
„Begrijp jij er wat van, Kees?”
„Geen steek! Of het moest een aardigheid van de wilden zijn, elkander bij zoo’n gelegenheid de tanden uit te slaan.”
„Kees, als we op den terugweg met ons drieën zijn, moeten wij het er eens op wagen zoo’n indrukwekkende plechtigheid af te kijken!”
„Ja, als we met ons drieën zijn. Jij schijnt er niet aan te twijfelen, Herman Borgers te zullen vinden; als je op de goudvelden rondgezworven hadt, zooals ik, zou je er nog zoo zeker niet van zijn.”
De hitte werd op den middag zoo drukkend, dat Willem en Knol na den maaltijd besloten, in de schaduw van een mimosaboschje een paar uur te gaan slapen. Ze sloten gerust de oogen, daar ze wisten dat Jacky de wacht hield, en met een palmtak hen voor de steken der gevaarlijke insekten beveiligde.
Willem werd wakker, wreef zich de oogen en bemerkte met schrik, dat de gids verdwenen was.
„Kees! word wakker! Jacky is weg!”
„Wat blief?” riep Knol, die verschrikt opsprong. „Maar daar liggen zijn kleeren, zijn broek en zijn hemd; alleen zijn bijl zie ik niet; en ginds grazen drie paarden. Maak je niet ongerust, Willem, hij is niet weg.”
„Maar waar zit hij dan? Ik zie hem nergens. Ja wel. Daar ligt hij op den buik aan den plas te drinken. Is de vent gek geworden? Hij heeft pas een geheelen ketel thee leeggedronken.”
Willem en Knol liepen naar den plas.
„Jacky, wat doe je daar?”
Maar Jacky gaf geen antwoord. Door een teeken gaf hij den Nederlanders te verstaan, dat ze naast hem moesten gaan liggen.
„Ik mag een kraai zijn, als ik er wat van snap!” zei Knol. „Hij heeft zijn mond vol water.”
„Laten we in vredesnaam maar gaan liggen, Kees. Ik ben toch ook nieuwsgierig, wat voor kunsten hij nu weer zal vertoonen.”
Meer dan een half uur lagen de drie mannen op die wijze aan den plas.
„’t Begint me te vervelen, Kees!”
„En mij niet minder, Willem!”
„Stilte!” gebood Jacky met een duidelijk gebaar en wees op een insekt, dat over den plas gonsde.
„Dat is een bij, als ik het wel heb!”
„Dat geloof ik ook, Willem; wat zou hij daarmee willen doen?”
Jacky’s oogen volgden elke beweging van de bij. Nu was ze dicht bij zijn hoofd, dat het water bijna aanraakte. Eensklaps spoot de zwarte het water uit zijn mond op de bij. Het insekt viel in den plas. In een oogwenk was Jacky opgesprongen en had het diertje gegrepen. Voorzichtig nam hij het tusschen de vingers van de linkerhand; hij bevestigde met een droppel hars eenige draadjes wol, die hij waarschijnlijk uit zijn flanel of zijne dekens had geplozen, aan de pooten van de bij, en plaatste het diertje op zijn hand om het te laten drogen.
„Wat beteekent dat Jacky?” vroeg Willem, die evenals Knol in de grootste verbazing had toegezien.
„Bij wegvliegen naar het nest, honing, lekker!” antwoordde Jacky en smakte met de tong.
Daar vloog de bij op, doch de wol bezwaarde haar zoozeer, dat ze zich slechts langzaam kon verwijderen. Na eenige wendingen nam ze de richting naar het bosch. Jacky haar na. Het hoofd omhoog, den tomahawk in de hand, volgde hij nu eens springend, dan weder rennend het insekt, dat door de vlokjes wol zelfs op een afstand duidelijk zichtbaar bleef.
Verrast en nieuwsgierig naar den uitslag liepen Willem en Knol den bijenjager na; doch ze konden hem niet bijhouden en verloren hem uit het gezicht. Het kloppen met de bijl in het bosch echter zeide hun, waar hij zich bevond. Nadergekomen zagen ze hem een tiental meters boven den grond met het lichaam tegen een gladden boomstam aangedrukt. Alleen de teenen van zijn linkervoet vonden steun in een inkeping, die hij met zijn tomahawk had gemaakt; nu was hij bezig ter hoogte van zijn heup een tweede te hakken. Zoo hieuw Jacky zich al klimmende een trap uit, tot hij den eersten tak had bereikt en zich op kon trekken. Boven in den boom begon hij een gat te hakken; de splinters vielen op Willem en zijn reismakker neer.
„Missa’s pas op!” schreeuwde Jacky.
Een oogenblik later viel een zware honigraat op den grond; honderden bijen gonsden er om heen; een tweede en derde raat volgden. Nu kwam ook Jacky naar beneden; vlug als een aap daalde hij de ongemakkelijke en gevaarlijke trap af. Dat de bijen op sommige plaatsen in klompen op zijn naakt lichaam zaten, scheen hem niet te deren. Hij legde de raten op zijn hoofd en liep er op een drafje mee naar den plas, om zich zelf en de raten van de aanklevende bijen te zuiveren. De honig smaakte uitmuntend.
Weinige dagen daarna bereikte men een onafzienbare vlakte; Jacky wees den beiden Nederlanders de richting, waarin ze rijden moesten om den grooten weg te bereiken, en nam afscheid.
„Dag, Jacky! goede reis! Als je bang bent voor missa manager, zeg hem dan maar, dat je de witte mannen in de scrub hebt laten steken.”
„Yohi! Jacky zeggen witte mannen dood, opgegeten door de Majols!”
„Goed, maar zeg Mr. Dilly in stilte, dat het niet waar is. Dag Jacky!”
„Ik ben nu al verlangend, Kees, het verbaasde gezicht van Mr. Walebone te zien, wanneer hij ons goed en wel ziet terugkomen!”
„En wat moet Jacky dan zeggen?”
„Daaraan dacht ik juist, Kees. Hoe goed hij zich ook kan redden als de nood aan den man komt, hij heeft me toch geen grooten dunk van zijn verstand gegeven, hij kan, geloof ik, niet nadenken.”
Midden in de uitgestrekte vlakte zagen Willem en Knol tot hun verwondering een blokhuis voor zich. ’t Was een kazerne van de zwarte politie, door de regeering van Queensland aangesteld, en geposteerd op plaatsen, waar de inboorlingen nog als gevaarlijk werden beschouwd.
De zwarte ruiters waren op dit oogenblik voor het grootste gedeelte op marsch, om een stam Majols te tuchtigen,—dat wil zeggen te vernietigen—die een Engelschen zendeling opgegeten hadden.
De sergeant, de eenige blanke, die aanwezig was, vertelde hun dit, terwijl hij hen naar den grooten weg geleidde.
„Maar maken die zwarte agenten dan nooit gemeene zaak met de wilden?” vroeg Willem nieuwsgierig.
„Wel neen!” antwoordde de sergeant. „Mijn jongens zijn allen uit een andere streek van de Torrestraat of uit Victoria; die kennen geen grooter pleizier dan de Majols, die een strooptocht ondernomen hebben, voor den kop of nog liever in den rug te schieten!”
De groote weg lag vóór hen, en nu zagen zich de beide Nederlanders zich op eens weder in de bewoonde wereld verplaatst.
Huifkarren en troepen bereden of onbereden goudzoekers kwamen hun te gemoet of werden door hen ingehaald. Op allerlei wijzen vervoerden de mannen hun bagage. De eene schoof een beladen handkar voort; een tweede had zijn boeltje op een kruiwagen geladen; een derde, minder met aardsche goederen gezegend, torste zijn geheele bezitting, die uit een opgevouwen tent, een deken en goudgraversgereedschappen bestond, tot één pak gebonden op zijn rug.
Ginds hadden twee kerels het hoofd tusschen twee sporten van een ladder door gestoken, waarop hun tenten, houweelen, spaden en tinnen waschschotels lagen, en droegen zoo hun have op de schouders naar de goudvelden.
Thans was Knol de aangewezen gids. Hij geleidde Willem door een doolhof van houten kramen en linnen tenten, waarvoor allerlei koopwaren lagen uitgestald, en waar het van luidruchtige koopers wemelde.
Dit was evenwel slechts een voorpost van de eigenlijke goudstad, die men weldra bereikte.
Daar getuigde alles van de koortsachtige haast, waarin de stad, of beter gezegd het hoofdkamp der goudzoekers, was ontstaan.
Geen rooilijn, geen regelmaat was er in de straten te ontdekken, die dan ook nauwelijks dien naam verdienden. Alleen de regeeringsgebouwen en de banken waren gedeeltelijk van steen opgetrokken en met zinken platen gedekt: alle overige woningen op ruwe en slordige wijze van hout of boomschors vervaardigd, of eenvoudig uit eenige lappen zeildoek, tusschen ijzeren of houten palen gespannen.
Drie vierden van die krotten en barakken bleken kroegen en speelholen te zijn, waar versufte en verdierlijkte wezens op den grond lagen of op de vaten zaten en tegen handen vol stofgoud een afschuwelijk vocht te drinken kregen, dat van whisky of gin alleen den naam had.
De overige tenten en kramen waren, op een enkele slagerij of bakkerij na, winkels, waar alles te koop was, wat een gouddelver noodig kan hebben.