Willem Roda: Een jongensboek

Part 21

Chapter 214,173 wordsPublic domain

Kleine jongens draafden heen en weder, raapten de wol op, brachten ze naar de sorteerders of van daar naar de knarsende persen aan het eind van de schuur; andere liepen met zwarte potten en kwasten rond.

„Teer! Teer! Teer!” klonk het van achter, van voor, van links en van rechts,

„Hoor je wat ze daar roepen?” schreeuwde de manager Willem in de ooren.

„Ja; teer!”

„Juist, teer; daar staan de potten en kwasten en nu vlieg je naar den scheerder, dien je hoort roepen; van den een naar den ander, versta je? Dat zul je wel kunnen, geloof ik!”

„Dat geloof ik ook!” schreeuwde Willem op dezelfde wijze terug, „als ik maar weet, wat ik met die teer doen moet!”

„Dat zul je wel zien. Ik blijf hier kijken; laat ik je niet meer zien slenteren en luieren.”—„Wat! smijt je die al weg?” zoo wendde Walebone zich eensklaps tot een scheerder, die bezig was een schaap uit het achterdeurtje te duwen. „Er zit nog wel een pond wol op; overscheren zeg ik je, of ik jaag je weg!”

„Teer! Teer!” schreeuwden de scheerders als bezetenen. De jongens vlogen met de kwasten.

Ook Willem nam er een en wandelde kalm tusschen de schaapskooien en de rij scheerders door.

„Hier, teer! teer!” Een scheerder greep hem de teerkwast uit de hand, en nu zag Willem waarvoor hij gebruikt werd.

In hun haast, zooveel mogelijk op een dag af te doen en zoo weinig mogelijk wol op het schaap te laten, gebeurt het den scheerders zeer dikwijls, dat de punt der schaar in ’t vleesch dringt of dat er, met de wol een lap vel meegaat. Maar dat beteekent niets. Een veeg met den teerkwast en het bloeden is gestelpt. De scheerder vilt er even hard op los; de pijn voelt alleen het schaap, al geeft het geen geluid.

’t Rumoer in de wolschuur en de geur, die uit de vachten opsteeg, werkten bedwelmend op Willem, die er nog niet aan gewoon was. Hij werd er duizelig van en had grooten lust den teerpot in een hoek te werpen en de frissche lucht te gaan zoeken; doch de manager volgde al zijne bewegingen.

„Teer! Teer!” riep weer een scheerder in zijne nabijheid. Hé! wat klonk die stem bekend, en de uitspraak van dat woord „teer” was zoo vreemd! ’t geleek wel Nederlandsch. Snel ging Willem naar den roepende en smeerde teer op de wond van het schaap. Neen, dien jongen man met zijn langen baard, kende hij toch niet.

Willem keek op; de manager was weg en oogenblikkelijk lagen teerpot en kwast in een hoek; zoo snel hij kon, liep hij naar het eind van de schuur. Daar stond Dilly bij de persen, en merkte de geperste balen met U. A. P. C.

„Zeg eens, John, zijn er Hollanders onder de scheerders?”

„Dat weet ik niet. Daar op dat tafeltje ligt de naamlijst. Kijk maar eens naar de namen.

Snel doorliep Willem de lange lijst. Alle Engelsche namen: Dick’s, Willy’s en Tommy’s bij de vleet. Neen, toch niet, daar staat Raap; dat is zonder twijfel een Hollander. Raap? Waar had hij dien naam meer gehoord? Raap? O ja, dat was de Hollander, van wien onderweg de man met de huifkar sprak. Dien moet ik vinden, dacht Willem, hij is op de goudvelden geweest en weet misschien iets van Herman Borgers. ’t Zal die jonge man met zijn blonden baard zijn. Zijn „teer” geleek meer op Nederlandsch dan op Engelsch; daardoor kwam mij waarschijnlijk zijn stem bekend voor.

Hij zocht den scheerder weer op en bleef voor hem staan. De man lag over zijn schaap gebogen en keek in zijn ijver niet op.

„Is u mijnheer Raap?”

„Ja wel!” zei de man en zag op, verwonderd in het Nederlandsch toegesproken te worden. „Om u te dienen, Raap!”

„Neen, geen Raap, maar Knol! Kees, ben jij ’t of ben je het niet?” riep Willem, sprong in de wol en greep zijn makker van De Kruisberg bij den schouder.

„Wel heb ik van mijn leven! Willem, ben jij het?” riep Knol en liet zijn schaap vallen.

Een poos keken de twee jongens elkaar in blijde verrassing aan, toen schoten zij in een lach.

„Willem, wat ben je veranderd, jij begint een baard te krijgen; ik zou je niet het eerst herkend hebben!”

„En jij dan, Kees, jij hebt nu ook wat meer dan het magere, valsche snorretje, dat wij van je haren maakten. Maar hoe kom je hier verzeild?—O, hemel! daar heb je den manager; waar is mijn teerkwast?”

„Daar ligt hij bij de kooi, waar je hem zooeven neergesmeten hebt.”

„Zeg eens gauw, Knol, heeft je beest geen wond?”

„Op het oogenblik niet. Maar geef hem maar een lik; de vent komt hierheen.”

„All right!” schreeuwde Knol met een stem als een klok, en voegde er minder luid bij: „Wees toch zoo kinderachtig bang niet voor den manager. Als hij je wegjaagt, neem ik je bij mij; ik zet eerstdaags een station op. Ik heb je veel te vertellen, Willem; ik heb tegenwoordig centen!”

„En ik heb je ook veel te vertellen, Knol,” lachte Willem, terwijl hij Knols schaap zwart schilderde, „ik heb tegenwoordig dubbeltjes.”

„Teer!” schreeuwde een andere scheerder.

„Tot van avond, Knol!” riep Willem, zijn vroegeren makker de hand drukkende.

„Tot van avond in mijn hut!” schreeuwde Knol hem na, maar Willem verstond hem op drie pas afstand reeds niet meer, zoo geweldig was het getik en geblaat.

„Nu Knol,” zeide Willem, nadat de beide jongens reeds een uurtje te zamen hadden gekeuveld. „Nu weet je het voornaamste van wat er sedert onze vlucht met mij gebeurd is, en binnenkort zal er nog wel iets voorvallen, dat je vreemd zal doen opkijken. Vertel nu ook eens, hoe het jou is gegaan!”

„Wel, op verre na niet zoo wonderlijk en voorspoedig als jou, maar toch nog beter dan ik verdiend heb, dat moet ik bekennen. Ik heb eerst een paar maanden onder mijn tegenwoordigen naam in Westfalen en Hannover rondgezworven, tot ik eindelijk te Hamburg kwam. Daar heb ik hard gewerkt, maar ik kon er maar juist genoeg verdienen om niet van honger te sterven. Ik heb twaalf ambachten en dertien ongelukken gehad; ten laatste kwam ik bij een slager; daar begon het geluk.

De man was tegelijk beestenkooper van zijn ambacht. Toevallig hoorde ik hem op een winteravond, terwijl we bezig waren knakworst te stoppen, vertellen, dat hij een dertig rammen van Duitsch merino-ras moest opkoopen voor een Duitschen squatter in Queensland. Dat knoopte ik in mijn oor. Ik dacht dadelijk aan jou; ik kon ook niet anders denken, dan dat je toen al hoog en droog in Australië zat. „Baas!” zei ik, toen ik een maand later hoorde, dat de slager de rammen had gekocht, „baas, mag ik ze brengen?” Toen had je een gelach moeten hooren. We zaten juist aan tafel; knechten, meiden, kinderen, allen met elkander gierden het uit. Ze dachten allemaal, dat ik me verbeeldde, dat Queensland een dorp in de buurt van Hamburg was; maar wat keken ze op hun neus, toen ze merkten, dat ik er veel meer van wist dan zij zelf. Alles wat jij er van had verteld, had ik goed onthouden en dat heb ik ze eventjes aan het verstand gebracht.”

„Je kende toch geen Duitsch, Kees?”

„Dat geeft ook wat. Ik sprak altijd maar plat Doetinchemsch met woorden er door, die ik onderweg en in Hamburg geleerd had. Zij verstonden mij best, en ik hen.”

„Nu, en wat verder?”

„Wel, de baas had er ooren naar. De squatter had hem zelfs geschreven, of hij niet iemand wist, die toch naar Australië ging; die kon dan meteen een oogje op de kostbare lading houden.

„Je kunt begrijpen Willem, hoe blij ik was, toen de boot het anker lichtte; ik had al den tijd in angst gezeten, dat ze me weer inpikken zouden; ik kon geen politieagent zien zonder te beven.

„Een half jaar heb ik hier op een station doorgebracht, toen ging de tijding, dat er goudvelden in het Noorden ontdekt waren, als een loopend vuurtje door de kolonie. Daar heb ik eerst een paar maanden honger geleden, tot op eens de kans keerde. Ik was niet zoo gek, als de meesten, die hun stofgoud nog gauwer verdrinken of verspelen dan ze het gevonden hebben. „Knolletje!” zei ik bij me zelf, „’t is al heel mooi zoo, wees tevreden met wat je hebt en maak dat je wegkomt.” En ik er van door; ik heb mijn geld op de bank in Brisbane gebracht en ben scheerder geworden. Nu mankeeren me nog maar honderd pond, om een klein station op te zetten. Mijn vroegere baas heeft me beloofd me te helpen, zoo gauw ik het geld bij elkander heb. Ik ben nu al drie maanden aan den gang en trek van het eene groote station naar het andere. En nu ken je ook mijn heele geschiedenis.”

Willem had van het laatste gedeelte van Knols verhaal niet veel gehoord.

Van den goudzoeker met de huifkar wist hij reeds, dat Kees op de velden een van de weinige gelukkigen was geweest. Zijn gedachten verwijlden bij Herman Borgers. De vraag naar den beminde van zijn zuster brandde hem reeds meer dan een uur op de lippen. Alleen de vrees, opnieuw teleurgesteld te zullen worden, weerhield hem ze te uiten. Nu Knol zweeg, nam hij een besluit; „beter teleurgesteld, dan me langer met ijdele hoop te vleien,” dacht hij.

„Zeg eens, Kees, heb je wel eens Hollanders op de goudvelden ontmoet?” vroeg hij zoo onverschillig mogelijk.

„Hollanders? neen, nooit. Hoe kom je daar zoo bij? Ik heb meer dan eens gehoopt, onder zooveel Engelschen, Duitschers, Franschen, Italianen, Chineezen en ik weet niet wat voor landslui meer, eens een enkelen landgenoot aan te spreken. Eens, laat eens kijken, dat is nu wel een maand of tien, geleden, toen heb ik Nederlandsch hooren spreken.”

„En was dat een Hollander?” vroeg Willem gejaagd.

„Neen, ten minste ik kan het niet gelooven, anders zou hij het mij wel gezegd hebben. ’t Was voor de rechtbank. Een paar goudzoekers wilden mij het recht betwisten op de premie. Ik had, moet je weten, ’t eerste goud gevonden in een streek, die nog niet doorgezocht was.

„De premie kwam me dus eerlijk toe, maar een paar Engelschen zouden me toch overbluft hebben, als die man me niet geholpen had. Wanneer ik mij in het Engelsch niet goed wist uit te drukken, vertaalde hij mijn Nederlandsch in het Engelsch, en zoo kreeg ik de premie. Mijn tolk zag er armoedig en vervallen uit. „Ik zal hem wat van de premie meegeven,” dacht ik. „Kom, kameraad!” zei ik. „Landslui moeten elkander helpen in den vreemde. De eene dienst is de andere waard. Toe, pak aan, het is je van harte gegund.”

„„Ik ben je landsman niet,” zegt hij en zet een paar oogen op dat ik er van schrik. En toch ben ik er nog zoo zeker niet van, dat hij geen Nederlander is.”

Willem was, terwijl Knol vertelde, beurtelings rood en bleek geworden.

„Ken je zijn naam niet, Kees?” bracht hij stotterend uit.

„Willem wat mankeert je? Wat kan jou dien man schelen?”

„Knol, ik zoek naar iemand, die mij na aan het hart ligt. Hij is een jaar geleden naar de nieuwe goudvelden vertrokken. Als daar ginds zoo weinig Hollanders zijn, is het zeer goed mogelijk, dat jouw tolk de man is, dien ik zoek. Kom, Knol, zeg eens dadelijk, hoe heette hij?”

„Ja, wacht eens. De Engelsche rechter sprak dien naam zoo vreemd uit, dat ik hem niet goed verstond. Willem maak je niet blij met een doode musch; ’t was geen Hollandsche naam. Bazes, Boeges of zoo iets, met nog wat er voor!”

„Borgers!” schreeuwde Willem opspringend, „Herman Borgers!”

„Ja juist, dat zal het geweest zijn, Herman, ja nu herinner ik het mij, ik dacht, dat Herman bij den naam hoorde. Dan is hij toch een Hollander.”

„Knol, we gaan naar de goudvelden Herman zoeken. Wij moeten hem vinden, het mag kosten wat het wil!” riep Willem op blijden en vastberaden toon.

„Een kleinigheidje; of het zoo maar niets is. Naar de goudvelden, dat is een gevaarlijke weg en....”

„Neen, Kees, wat je ook zegt, dat helpt je niets. Stribbel dus niet langer tegen. Het moet en het zal gebeuren, al was het een jaar van hier en al moesten we ons midden door de wilden heen slaan!”

„Dat kan er wel eens op zitten, of we moesten den grooten weg volgen; dan duurt zoo’n reisje minstens een maand, al rijden we als dollen;—en in een maand scheer ik vijfhonderd schapen tegen een shilling het stuk, dat is vijf-en-twintig pond.”

„O, als je geen andere bezwaren hebt, is de zaak beklonken. Geld is bij mij het minste. Ik zal je eens iets influisteren, dat ik je eigenlijk nog niet mag vertellen!”

„Jij!” riep Knol in ongeloovige verbazing over hetgeen Willem hem fluisterend vertelde. „Ben je mal! Je zag er van morgen nogal managerachtig uit met je teerkwast. Teerjongen en manager, dat lijkt net zooveel op elkander als schoenpoetser en minister. Och kom, maak dat anderen wijs!”

„En toch is dat zoo, Knol. Loop eens een eindje mede het vlakke veld in, dan zal ik je de zaak haarfijn vertellen, en je zult me gelooven.”—

„Willem, je bent een geluksvogel!” zei Knol eenige minuten later. „Honderd pond in de week! Als je ’t in een boek leest, geloof je het niet!”

„Stil, spreek zoo luid niet. Geef je me nu je hand er op, dat je meegaat. Te zult er geen schade bij hebben.”

„Nu goed. Ik beloof het je. Eigenlijk ben ik het jou en dien Borgers verplicht. Aan jou heb ik te danken, dat ik veilig uit De Kruisberg ontsnappen kon, en aan hem, dat ik vijftig pond premie heb ontvangen. Ik kan weggaan, wanneer ik wil. Maar hoe doe jij? Jij kunt toch zoo maar niet wegloopen, nadat je een paar dagen leerling bent geweest?”

„Dat zal toch wel moeten,” zei Willem nadenkend en meer tot zichzelf dan tot Knol sprekend. „Ik zal wachten tot de volgende week; als de mail-man met de brieven uit Brisbane op het station komt, zal er wel een van mijn Engelschman voor mij bij zijn; dan schrijf ik er een terug, waarin ik hem meld, dat ik dien „Raap” van den man met de huifkar heb gevonden, die Herman Borgers persoonlijk kent. Hij weet, hoeveel er mij aan gelegen is dien jongen man te spreken en zal het wel billijken, dat ik hem onverwijld ga opzoeken.

„Kees, als we Jacky, den blackboy, als gids mede konden krijgen, zouden we in rechte lijn door de wildernis kunnen trekken en dan zonder twijfel den weg in de helft van den tijd afleggen.”

„Nu, Willem, ik doe zooals op De Kruisberg; ik laat alles aan jou over. Het plannenmaken is je toevertrouwd, dat weet ik nog vanouds; mijn hoofd is er zeker niet voor geschikt; ik schik mij naar jouw wil, dan zal het wel goed afloopen. Ik ga slapen; morgen bij het aanbreken van den dag moet ik in de wolschuur zijn. Wel te rusten!”

„Goeden nacht, Kees. ’t Blijft dus afgesproken, dat jij in elk geval medegaat?”

„Wel! Jij hebt hier, als ik het goed naga, te bevelen en niet te verzoeken. Ik scheer eigenlijk jouw schapen!”

„Dat is ook zoo, Kees, en het zal je geen nadeel zijn!”

„Nu, Willem, misschien besluit ik nog wel, een groote knecht in plaats van een kleinen baas te worden. Goeden nacht, squatter!”

„Slaap wel, opzichter!”

Met een hart vol hoop en een hoofd vol plannen, rolde Willem zich dien nacht in zijn dekens, doch hij kon den slaap niet vatten. Wat hij den manager moest zeggen, en wat naar Amsterdam en naar Brisbane schrijven, hield zijn geest wakker. Hij betastte in het donker nog eens den ring en den brief, die nu eindelijk kans hadden, binnenkort hun bestemming te bereiken.

„William, slaap je al?” hoorde hij dicht bij zijn veldbed fluisteren.

„Dilly, ben jij het?”

„Ja,” zeide deze en ging naast Willem op den rand van het bed zitten. „Ik ben hierheen geslopen, om je te zeggen, dat je op je hoede moet zijn. De manager heeft achterdocht opgevat; waardoor, weet ik niet; zijn kwaad geweten doet hem alles en iedereen verdacht voorkomen, en jij en je oom gelijken voor familieleden al heel weinig op elkander. Hij zoekt van mij iets naders omtrent jullie beiden te vernemen, omdat hij bemerkt heeft, dat wij met ons drieën uit schapentellen zijn geweest. Ik weet ook zeker, dat hij je beluisterd heeft, terwijl je met je landgenoot sprak. Ik heb hem onder voorwendsel, dat ik hem iets toonen moest, tegen zijn zin van de tent, waar jullie zoo luid spraken, weggetroond. Wees in het vervolg voorzichtiger: achter elke tent of hut kan een luisteraar verscholen zijn. Vertrouw ook niemand hoegenaamd ons geheim toe, of alles is verloren. De bevolking van het station is wel niet op zijn hand, maar hij kon licht iemand met fraaie beloften omkoopen, om zich tegenover jou als ontevreden aan te stellen en je uit te hooren. Pas dus op, de bedrieger is in staat, de wol te verkoopen, voor ze afgeschoren is, met de schapen er bij, en het geld op te strijken en zich uit de voeten te maken.”

„John, ik zal je raad ter harte nemen, ofschoon ik niet zoo onnoozel en lichtgeloovig ben, als je denkt. Ik ben nog wel jong, maar ik heb veel ondervonden. Dilly, ik heb ook in een andere zaak je voorlichting noodig.”

Nu vertelde Willem den opzichter, dien hij nu reeds zijn vriend kon noemen, dat en met welk doel hij naar de goudvelden moest vertrekken.

„Wat den manager betreft,” beweerde Dilly, „die zal gemakkelijker toegeven dan je denkt; hij ziet je waarschijnlijk met genoegen vertrekken, en het zou hem, dunkt me, wat waard zijn, als je in het geheel niet meer terugkwam. Maar of hij je Jacky meegeeft, weet ik niet. Dat zou je anders minstens veertien dagen tijds uitsparen. De groote wegen slingeren hier in eindelooze bochten van het eene station naar het andere. Maar zoo’n zwarte neemt de richting, waarin de kakatoes vliegen, en Jacky vooral kent den weg naar het Noorden op een prik en weet bovendien de Majols te vermijden.”

„Majols? Wat zijn dat nu weer?”

„Goed gewapende wilden, die alleen in de nabijheid van de runs komen, om te stelen of te moorden. Echte menscheneters, die hier in Noord-Queensland nog lang niet uitgestorven zijn. Maar heb je Jacky bij je, dan loop je weinig gevaar; die ruikt zijn voormalige broertjes van verre en is in de wildernis in zijn element als een visch in het water.

„Tot morgen, William, tracht bij voorbaat Jacky te winnen; met een goudstuk doe je veel bij hem. Schrijf je oom, dat hij zich haasten moet, anders is Mr. Walebone hem te vlug af. Ik zal intusschen een oog in het zeil houden.”

De manager nam Willems verzoek op, zooals Dilly vermoed had. Jacky mocht mede gaan, om hem en zijn makker in rechte lijn door de bush te geleiden, tot ze den grooten weg, niet ver van de velden, zouden bereikt hebben. Mr. Walebone was van dit oogenblik af zelfs vriendelijk tegen Willem: hij had wel gezien, dat schapenwasschen en teersmeren geen werk voor hem was, en iets anders was er tijdens het scheren op het station niet te doen. Willem begreep zeer goed, dat de manager loog: in het magazijn, in de paardenkampen, waar de rijdieren der scheerders en wasschers geborgen waren, in het slachthuis, overal kwamen handen te kort; doch hij hield zich onnoozel.

Een week later kwam de rijdende mail-man op Darlingstation aan. Hij voerde een tweede paard, met een groot pak brieven en kranten beladen, aan den teugel met zich en werd met gejuich ontvangen.

Willem zorgde bij het uitpakken tegenwoordig te zijn. Hij vreesde terecht dat de manager, indien hij kans zag, zijn brief uit Brisbane zou onderscheppen. De brievenbesteller had er twee voor Willem bij zich. Een uit Amsterdam. Die was in een oogwenk opengescheurd en de inhoud ervan verslonden. Goddank! allen thuis waren gezond en verlangden vurig naar tijding van den zoon en broeder. Het telegram van Willem, dat zijne aankomst te Sydney melden moest, hadden ze bij het verzenden van dezen brief nog niet ontvangen, wel echter zijn brief uit Triest, waarin hij „Darling-station, Queensland”, als zijn toekomstig verblijf had opgegeven. Ook bleek het nu, dat het den jongen Walling ernst was, toen hij Willem te Bazel de vriendenhand reikte. Hij had een bezoek bij diens ouders afgelegd en hun zijn ontmoeting medegedeeld.

Met een enkel woord herinnerde Emilia haar broer aan zijn belofte, Herman Borgers te gaan opzoeken; en bij haar bede voegde ze thans die van Hermans ouders. Ook zij hadden sedert een jaar taal noch teeken uit Australië ontvangen.

De tweede brief, dien Lord Greybury met zijn waren naam onderteekende, luidde:

„Alles in orde. Heb mijn identiteit bij den rechter te Brisbane bewezen. Manager kan geen kwaad meer doen. Ik zal zorgen op den geschikten tijd op het station te zijn en zal een bevoegd ambtenaar medebrengen, om zoo noodig mijn rechten op alles wat zich op de run bevindt tegenover Walebone te doen gelden.”

„Kies met Dilly schapen en runderen uit, om de tweede run te bevolken; ik vertrek eerstdaags naar de goudvelden, om den manager te zoeken,” was het postscriptum.

De mail-man vertrok den volgenden morgen en nam Willems brieven voor Amsterdam en Brisbane mede.

De tijdingen, die de squattersleerling uit beide plaatsen had ontvangen, spoorden hem aan, zoo spoedig mogelijk zijn plan ten uitvoer te brengen.

Nog denzelfden dag werden alle toebereidselen voor de groote reis gemaakt.

HOOFDSTUK XVII.

Naar de wijze des lands gaven de drie ruiters door luide hoera’s aan hun blijdschap lucht, toen de laatste slagboom in de verst verwijderde heining achter hen dichtviel.

Die vroolijke stemming werd bij elk der reizigers nog verhoogd door een voor ieder verschillende oorzaak.

Willem gevoelde zich opgewekt door het vooruitzicht, eindelijk de belofte, aan zijn zuster gedaan, te kunnen vervullen, en binnenkort Herman Borgers, in dubbele beteekenis, deelgenoot van zijn geluk te maken; Knol, doordat hij, al rijdende, dubbel scheerloon verdiende, zonder één schaap te villen of de terechtwijzingen van den lastigen manager te moeten aanhooren; en Jacky,—bij dien welde de vreugde wel het diepst uit het hart. Gids zijn! En dat nog wel van vreemdelingen! Straks zou hij eens proeven geven van zijn vaardigheid in het padvinden en jagen. Hij zou toonen dat hij geen Majol, geen wilde meer was.... Zijn hoera bij het betreden van den bush klonk als een overmoedige uittarting van alle menschen en dieren der wildernis.

Voor Willem had deze reis nog een bekoorlijkheid meer; hij zou weder nieuwe streken zien en zoodoende meer en meer bekend worden met het land, dat hij nu reeds als zijn tweede vaderland beschouwde.

Om zoo snel mogelijk te kunnen rijden, had men alleen het onontbeerlijke medegenomen. Vleesch en meel slechts voor één dag; de kogelzakken evenwel waren goed gevuld, en de inhoud moest mondkost leveren. Van het wild, dat hiertoe toch ook moest medewerken, was echter in de eerste uren van den tocht weinig of niets te bespeuren. Slechts een enkele buidelrat vluchtte bij de nadering der ruiters in een der vele, ver van elkander verwijderde gomboomen. Schaduw gaven die boomen slechts weinig; de kleine leerachtige bladeren keerden hun dikte in plaats van hun vlakte naar de zon, die dan ook met haar brandende stralen ongehinderd den bodem van het bosch verschroeide.

’t Was Januari, in Queensland de heetste maand van het jaar. De hitte werd drukkend en werkte, met de diepe stilte van dit bosch zonder schaduw, nadeelig op de blijde stemming van Willem en Knol. Zwijgend reden ze achter Jacky aan. Deze echter scheen er weinig last van te hebben. Hij draaide onophoudelijk op zijn paard heen en weder, bekeek nu eens zijn geweer en zijn revolver, dan weer zijn nieuw jachtmes. Geen kengoeroe of wallabie liet zich echter zien; geen papegaai of kakatoe deed in de boomen zijn gekrijsch hooren.

Jacky had bij zijn vertrek van het station ook zijn tomahawk, een steenen bijl, aan den zadelknop gehangen. Nu haalde hij een vijfde wapen voor den dag, dat hij tot nu toe zorgvuldig in zijn flanel verborgen had gehouden. Het was een platte, zwak gebogen, ijzerhouten lat, afgerond aan de uiteinden en van ongeveer vier decimeter lengte. De bolle zijde was scherp gesneden, de holle zijde rond gelaten.

Blijkbaar trotsch op het bezit ervan, toonde hij zijn vreemdsoortig wapen aan de achter hem rijdende Nederlanders.

„Boemerang,” zei hij geheimzinnig.

„Hé! is dat nu een boemerang?” riepen Willem en Knol tegelijk. „Geef eens hier, Jacky!”

Maar daar had Jacky geen ooren naar; hij vertrouwde zijn kostbaar wapen aan geen onervaren handen toe.

„Neen, witte man niet kennen boemerang; Jacky doen als kakatoes komt. Missa William zien, hoe zwarte man doen!” Met die woorden wikkelde Jacky zijn boemerang in een wollen lap en stopte hem weer tusschen zijn flanel.