Willem Roda: Een jongensboek

Part 20

Chapter 204,075 wordsPublic domain

Mr. Walebone lag reeds onder de veranda op een gemakkelijke rotan sofa, een paar kengoeroehonden aan zijn voeten, zijn nieuwe gasten te wachten. Een ontbijt, bestaande uit koud vleesch, „dampers” (ronde in heete asch gebakken broodjes) en de onmisbare thee, stond op een tafel bij de rustbank voor hen gereed.

Willem en zijn oom deden zich te goed. Mr. Walebone stopte zijn pijp en zijne woorden telkens afbrekende, om een rookwolkje uit te stooten en het een eindweegs in de frissche morgenlucht te volgen, begon hij op deftigen toon en tamelijk uit de hoogte:

„William Roda, vandaag beschouw ik je nog als mijn gast; je hebt den tijd om rond te zien en je oogen den kost te geven. Van morgen af geldt het, de handen uit de mouwen ook zonder dat je het gelast wordt. „Werken” is het wachtwoord voor ieder, die op de run den kost wil vinden. John Dilly, die je gids reeds geweest is, zal ook vandaag je geleider zijn. Hij heeft eenige kudden te tellen; je kunt met hem gaan en hem vragen, wat je wenscht te weten. Ga nu naar het magazijn, daar zul je hem vinden; ik heb met je oom te spreken.”

Willem ging; de niet onvriendelijke, maar toch bevelende toon van den manager beviel hem volstrekt niet. De man had iets neerbuigends en iets opzettelijk-gewichtigs in zijn houding en manieren; ’t was of hij moeite deed iedereen ontzag in te boezemen voor zijn persoon en zijn waardigheid, maar gemelijk werd in de overtuiging het niet te kunnen; elk zijner woorden en gebaren drukte uit: „verbeeld je niet mijn gelijke te zijn; ik ben hier eigenaar, squatter, geen ondergeschikte, zooals jij.”

„Laat je niet overbluffen door den oude!” fluisterde de staljongen, die Willem naar het magazijn bracht, hem toe, „als hij bemerkt, dat je bang voor hem bent, negert hij je van den morgen tot den avond!”

De groote loods, met den naam van magazijn aangeduid, verdiende dien met het volste recht. Tot Willems verbazing vond hij er de ongelijksoortigste voorwerpen bijeen. Zakken met zout of met meel vormden twee lange toonbanken, waarop laarzen en jampotten, geweren en dekens, hoeden en sardineblikjes, scharen, messen en dolken, zweepen en kogelzakken, rijbroeken en meerschuimen pijpen in bonte wanorde dooreen lagen. Tusschen de toonbanken zat de winkelier aan een slagersblok, dat als tafel dienst deed, en met schalen en boeken bedekt was. Een knecht hielp de klanten en riep zijn baas den naam van den kooper en het bedrag van de koopsom toe. De winkelier schreef alles op in het groote boek en in de zakboekjes van de klanten, die, vóór hun dagtaak begon, zich hier van het noodige kwamen voorzien.

„Tom Balser van achttienmijls kudde, wekelijksch rantsoen 6 sh. 4., jams, kogels, tabak 9 sh. 8. extra! Dick Thompson, scheerder, leeren voorschoot en achterlader, 18 sh.! Willy Lag, buks en kogels 23 sh.!” zoo klonk het bij korte tusschenpoozen boven het rumoer van de koopers uit.

Tevergeefs zocht Willem den gids onder de woelige menigte herders, scheerders, wasschers en voerlieden. Zijn tegenwoordigheid trok niemands aandacht; de meeste dezer mannen waren ook pas sedert eenige dagen op het station, en zouden na het scheren, dat eerstdaags moest beginnen, weder vertrekken.

„Waar moet ik John Dilly, den opzichter zoeken?” vroeg hij den schrijvenden winkelier.

„Ha! de nieuwe leerling, is ’t niet? Welkom op de run; je komt in een drukken tijd.—Hoeveel Jack Deyer?—Kijk maar eens in de vleeschhal!—Ik versta je niet! Hoeveel voor de twintigmijls!—Loop maar recht door, gebruik je ellebogen, als ze je niet door willen laten. Je ziet, ik heb het nu te druk, om je te woord te staan; we spreken elkaar wel later.—Nog eens dat laatste!”

Willem trachtte zich een weg te banen.

„Welkom!” schreeuwde de knecht, die op de balen stond, en stak hem tusschen de hoofden der klanten door, de hand toe. „Moet je Dilly hebben? Loop recht door en duw ginds de deur open.—Is ’t je te duur? Ga dan maar bij den buurman, en zie of je ’t daar goedkooper krijgt!”

De squatters-leerling drong door de schreeuwende menigte heen naar de achterzijde van het magazijn. Daar stond Dilly achter een toonbank—hier uit vaten pekelvleesch bestaande—met opgestroopte mouwen vleesch te wegen.

„Als ’t je blieft! tien pond gezouten, twee shilling!—Zoo ben je daar, Roda? Och, help me een handje! Ik heb al tweemaal naar den baas gezonden om hulp, maar er komt niemand!”

„Vier pond gezouten en zeven gerookt voor de twaalfmijls!”

„Mij, acht en zes!”—„Mij, veertien!”

„Ja wacht een oogenblikje; niet zoo haastig, ik heb geen zes handen!”

Willem stroopte de mouwen op; zoo handig alsof hij zijn leven lang slagersknecht was geweest, hielp hij de klanten—hier meest vrouwen—aan pekelvleesch uit de vaten en rookvleesch van de balken.

„Zeg eens, Willem! niet zoo zuinig met wegen; ik geef ook altijd een paar pond toe. Neen, geen stukken afsnijden, als er te veel is; dat houdt immers te lang op!”

In een half uur waren de klanten bediend, daarop werd de winkel tot den avond gesloten.

„Ik ben blij, dat ik er uit ben,” zei Dilly met een zucht. „Ga je mee tellen, Willem? Dat vind ik kostelijk. Haal dan even de boekjes bij den manager en laat de paarden zadelen; intusschen ga ik ontbijten; wacht me bij het slachthuis. Denk er om, de hekken achter je goed te sluiten, anders loopen de dieren in de verkeerde kampen en krijg je „den oude” aan den hals.”

Door de talrijke kampen, groote en kleine, vierkante en ronde, zocht Willem den terugweg. Wanneer hij een schuttinghek uit de klink lichtte, kwamen de kalveren en de koeien in gesloten gelederen aanrennen en wachtten op het openen, om uit te breken. Hij vond het dan geraden aan een andere zijde over de schutting te klimmen om snel den kamp over te steken; maar pas was hij binnen of een troep stieren kwam met gebogen koppen en opgestoken staarten aangaloppeeren, zoodat hij ijlings terug moest keeren en over de heining springen; alles tot groot vermaak van de werklieden en de ronddwalende scheerders.

Zoo vorderde de boodschap naar de squatterswoning meer dan een half uur. Na veel zoeken en menigen omweg bereikte hij daarna het slachthuis, op een twintig minuten afstand van de vorige gebouwen gelegen; Dilly en Mr. Stake stonden reeds bij de paarden te wachten en wenkten hem van verre zich te haasten.

Het slachthuis was evenals de meeste gebouwen—het magazijn en de slaaphutten alleen maakten een uitzondering—door een grooten rechthoek van palen en dwarsboomen omgeven, waaraan weder kleine en groote kampen grensden.

Op het dak, op de palen en op de schuttingen zaten een ontelbare menigte raven en wouwen in dichte rijen en onbeweeglijk naast elkander.

„Laten we nog even wachten,” zei Dilly tot Willem en Mr. Stake, „daar komt Jacky met een os.”

Een verwijderd geloei, vermengd met een verward geschreeuw en zweepgeknal, bevestigde de woorden van den opzichter. Eene stofwolk, waarboven een bosch van hoornen en opgestoken staarten zichtbaar werd, kwam aanrollen, en daarachter galoppeerde Jacky met eenige blanken, gevolgd door een geheele bende schreeuwende en springende zwarten.

Er kwam beweging in de gelederen der raven en wouwen; ze rekten de halzen of schuurden de snavels tegen het hout. Dilly liep snel naar de buitenste omheining en wierp de breede schuttingpoorten open. Met een woest gebrul stormt de troep runderen den kamp binnen; onmiddellijk achter hen vallen de zware deuren weer dicht. Als dol rennen de hijgende en dampende dieren, nu ze zich opgesloten zien, dicht langs de schutting den kamp rond. De ruiters jagen de zwarten terug achter een heuvel in de nabijheid; die niet snel gehoorzamen, ontvangen een zweepslag op de naakte huid, die hen huilend beenen doet maken.

Allengs komen de opgevangen runderen tot bedaren. Een vette os wordt uitgezocht. Jacky klimt onbevreesd over de schutting en begint den uitverkorene met zweepslagen rond te jagen. Op het gunstige oogenblik zet Dilly een hek open, het angstige dier, een opening ziende, vliegt een tweeden kamp binnen; één oogenblik staat het stil om adem te scheppen, maar juist daarop heeft een der ruiters gewacht; een kogel maakt een einde aan zijn leven. Brullend valt het op de knieën en stort over den breeden kop.

Een vreugdekreet doet zich achter den heuvel hooren; de van begeerte fonkelende oogen van een paar dozijnen zwarten gluren over den rand. De raven en wouwen krassen of schreeuwen en rekken de vleugels.

De slager opent met zijn jachtmes de halsslagader van het lillende dier en snijdt den buik open. Jacky klapt in de handen.

Op dit teeken strijken de aasvogels neer en komen de naakte zwarten huilende aanstormen. Ze springen over de schutting, en de geheele bende stort zich op den liggenden os en doet de vogels krijschend weer opvliegen; ze rukken en scheuren de rookende ingewanden uit het opengesneden lichaam; elk uit den krielenden hoop ziet een stuk darm of hart of long machtig te worden, zet er oogenblikkelijk de tanden in en maakt zich snel uit de voeten. Die een langen darm krijgt, is de gelukkigste en wekt de afgunst van een ander, die, met zijn eigen stuk in den mond, zijn makker nog een deel van den buit tracht te ontrukken. Al vechtende rollen ze tusschen de vrouwen, die de losgetrokken stukken bijeengaren, om ze in haar armen naar de bush te dragen, waar ze haar kinderen hebben neergelegd.

In weinige minuten is de os leeggerukt. Jacky klapt weer in de handen, daarna met de zweep, en de zwarten pakken zich weg.

„Wat een walgelijk schouwspel!” zei Mr. Stake tot Dilly, „waarom wordt hier zoo iets toegelaten?”

„Om de eenvoudige reden, dat de zwarten anders van honger zouden sterven, of elkander opeten. Waar de schapen komen, verdwijnen de kengoeroes en wallabies, en wil men het niet zichzelf te wijten hebben, wanneer de wilden, om hun honger te stillen, de herders vermoorden, en de schaapskooien plunderen, dan moet men ze wel bij de stations toelaten. Verder dan tot het slachthuis mogen ze echter niet komen en in geen geval met spiesen of boemerangs.”

„Maar geef hun dan ieder een portie gekookt vleesch!”

„Ja wel! beproef dat maar eens, en u zult zien, hoe ze daar op gesteld zijn. Ze werpen het weg en gaan rauwe opossums eten of anders een vijand, dien ze in handen gekregen hebben. Neen ’t is beter zoo; van hen, die hier ingewanden komen halen, hebben we geen last meer; er zijn evenwel nog stammen genoeg, die te trotsch zijn om op het station te komen eten; die blijven in de bosschen jagen en sterven liever van honger, dan wat aan te nemen van den blanke, die hun jachtvelden bezet en hun kengoeroes doodt. Van tijd tot tijd spietsen ze een paard, eene koe of een schaap en, als ze de kans schoon zien, den herder er bij. Dat zijn de lastigste en de gevaarlijkste vijanden van den squatter; er zwerft hier op tien of twaalf uur afstands van het station veel te veel van dat gespuis rond. Ze hebben zich waarschijnlijk in de gebouwen op de verwaarloosde run van de maatschappij genesteld en maken den omtrek onveilig. Dat is het beste te zien aan het aantal der zwarten op onze run; wat u zooeven hier gezien heeft, is het overschot van een stam, die, toen ik een jaar of vier geleden hier kwam, nog meer dan honderd mannen en vrouwen telde.

Maar het wordt laat; opstijgen als het u belieft. Willem, jij hebt de boekjes? U gaat mede, Mr. Stake? Vooruit dan maar!”

In gestrekten draf reden de drie ruiters door de uitgestrekte weide. Meer dan duizend fraai gevormde runderen graasden er in koppels van twintig tot dertig onder aanvoering van een gebulten, kromhoornigen stier, of lagen in de schaduw van een mimosaboschje te herkauwen.

Buiten de omheining gekomen, lieten ze hun paarden stappen; de bodem was daar minder vochtig, eenigszins heuvelachtig, en het gras schraal en spichtig; daar begon de schapenweide.

Na eenige uren rijdens bereikte men de eerste hut. De herder had op den teldag de schapen in de nabijheid gehouden, zoodat hij ze nu in korten tijd in de kooien kon drijven. Daarop zette Dilly het hek zoo wijd open, dat er hoogstens drie tegelijk uit konden, en begon te tellen. Willem teekende de honderdtallen aan. Na verloop van een uur waren alle schapen uit de kooien.

„Hoeveel dooden, herder?”

„Zes-en-twintig.”

„Twee duizend vier honderd vier-en-zeventig, en zes-en-twintig dood. In orde. Overmorgen binnenbrengen voor het scheren!”

Voort ging het naar een tweede hut. Tegen den avond keerden de ruiters van twintigmijls-hut terug; er waren zestien duizend schapen geteld.

„Hoeveel zulke kudden zijn er wel op deze run, Dilly?” vroeg Mr. Stake onder het rijden.

„Dertig mijnheer!”

„Wel verbazend; en hoeveel schapen dan wel?”

„Op een duizend na, kan ik het u niet zeggen; in elk geval tusschen de vijftig en zestig duizend.”

Toevallig keken Willem en Mr. Stake elkander aan.

„Hé! een der aandeelhouders vertelde mij onlangs, dat er slechts een twintig duizend waren!” zei Mr. Stake zoo onverschillig mogelijk.

Een slimme glimlach speelde om Dilly’s mond, terwijl hij zijn ondervrager scherp aanzag. Mr. Stake’s gelaat stond effen als altijd; er was niets op te lezen.

„Twintig duizend zijn er ook op van de maatschappij; de rest houdt de manager voor eigen rekening. Ten minste zoo vertelt men onder elkander op het station.”

Men reed zwijgend verder.

„Mr. Stake, is u bij geval een vriend of van de familie van Mr. Walebone?” vroeg Dilly op eens.

„Wel neen, ik heb den man gisteren voor het eerst gezien en gesproken.”

„Ik ben misschien wat vrijpostig, mijnheer, maar ik wilde u nog een vraag doen. Wat we spreken, moet evenwel onder ons blijven.”

„Spreek vrij uit, Dilly. Geen woord zal den manager ter oore komen.”

„Uw hand er op?”

„Mijn hand en mijn woord als gentleman!”

„En jij, William?”

„Mijn hand en mijn woord, John!”

Dilly stuurde zijn paard tusschen die van Willem en Mr. Stake in en, hoewel midden op een open vlakte, fluisterde hij tot den Engelschman:

„Is u ook van plan voor uw neef, als aandeel in een kudde, bij Mr. Walebone een som gelds te storten?”

„Ja!”

„Wees dan voorzichtig of uw geld is verloren!”

„Hoe dat?”

„Ik zal u vertellen, hoe de manager mij behandeld heeft, dan kunt u zelf oordeelen; en dan zult u mij, hoop ik, niet van verraad jegens mijn meester beschuldigen.

Ik ben hier ook als zoogenaamde leerling gekomen en heb toen Mr. Walebone vier honderd pond ter hand gesteld, die ik in verscheidene jaren met goudzoeken en schapenscheren heb verdiend. Hij heeft me daarvoor aandeel in een kudde gegeven en ik, nieuweling, was dom genoeg niet te vragen in welke.

Onlangs hoorde ik toevallig, dat hier in de streek een kleine run te koop is; daar zal ik mij als squatter vestigen, dacht ik onmiddellijk. Ik ging een maand geleden naar Mr. Walebone en vroeg hem naar mijn geld met de winst, die, zooals hij mij indertijd verzekerde, wel twee honderd percent kon bedragen; en bovendien om mijn loon, want ik heb in de vier jaren, dat ik hier werk als een neger, niets anders dan den kost genoten. En wat doet nu de schurk? Toen ik hem verleden week bericht bracht, dat van de veertig mijls kudde de herder vermoord is, en de zwarten en de dingo’s drie vierden van de schapen hebben zoek gemaakt, zegt hij met een huichelachtig verdrietig gezicht:

„’t Spijt me voor jou, Dilly! dat is toevallig jouw kudde.”

Ik dacht, dat ik door den grond zou zinken, mijnheer! Ik stoof op, vloekte, dreigde, bad en smeekte, maar het hielp me niets. Geld om te procedeeren heb ik niet. Ik moet geduldig wachten tot mijn armzalig overschot geschoren is; dan zal ik de wol en de schapen zien te verkoopen, maar dan blijf ik ook geen dag langer op de run en dan mag hij zien, hoe hij zich redt. Ik heb uw woord gevraagd, mijnheer, en ook ’t jouwe, Willem, omdat ik den fielt in staat reken, ook nog de wol van mijn schapen te verruilen, als hij verneemt, dat ik iets verteld heb. Wanneer ik mijn geld heb, kunt u doen, wat u wilt, en hoe verder u het rondbazuint, hoe liever het mij is. Tot zoolang echter heb ik uw woord. Ik heb u slechts willen waarschuwen voor den strik, dien Mr. Walebone u mogelijk spant.”

„Ik dank je Dilly; je mededeeling is voor mij en William van meer belang dan je vermoedt. Nu verg ik ook van jou een belofte van stilzwijgen.”

„Mijn hand en mijn woord!”

„Wat je toekomt, zal je tot den laatsten cent worden uitbetaald!”

„Wat belieft u?” riep Dilly, die groote oogen opzette.

„Mr. Walebone heeft hier niets te zeggen. In geen geval veertig duizend schapen voor zijn rekening te houden, en allerminst buiten voorkennis van den directeur geld van leerlingen in de zaak te steken. Hij is slechts bestuurder, geen squatter!”

„Dat weet ik ook wel, en dat weten wij allen op de run; maar wij weten ook, dat Mr. Walebone hier heer en meester is, doordien de directeur en de aandeelhouders in het moederland zijn!” lachte Dilly schamper.

„Daarin konden Mr. Walebone en ook jij, Dilly zich wel eens vergissen!”

„Wat! Is u soms aandeelhouder?”

„Om je te dienen!” glimlachte Mr. Stake, „gevolmachtigd directeur, bijna eenig aandeelhouder en daarmede eigenaar van deze run en de verlatene, die er aan grenst!”

„En ik krijg mijn geld terug!” riep Dilly en zwaaide zijn hoed boven zijn hoofd.

„Meer dan dat, Dilly! Hoor mij eens bedaard aan. Om de bedriegelijke handelingen van den manager te leeren kennen en hem te beletten zichzelf rijk en anderen arm te stelen, kan uw kennis van zaken mij goede diensten bewijzen. Om geen argwaan te wekken, kan ik mij niet te dikwijls met u onderhouden. William Roda echter is mijn compagnon en de toekomstige manager van deze run; hij is door mij gemachtigd te handelen, zooals hij onderstelt, dat ik zou doen. Wij waren van plan den manager zijn gang te laten gaan, tot William in staat was hem te vervangen, maar nu zullen wij er spoediger een stokje voor steken.

„Spreek er echter met niemand dan met mijn compagnon één woord over, Dilly; noteer het aantal schapen en runderen dubbel; één lijstje voor den manager en één voor William. Kun je zoo ook met de wolbalen handelen?”

„Zeer goed, Sir! ik ben met het persen belast en kan u op honderd kilo na zeggen, hoeveel er binnengekomen is. Hoera! Mr. Walebone, je rijk is uit! nu zal je ons niet langer negeren en afzetten!” schreeuwde de van blijdschap uitgelaten opzichter en vergat, dat hij zooeven noodig had geoordeeld te fluisteren.

„Bedaar, Dilly! denk om onze afspraak. Hoelang duurt het scheren?” zei Mr. Stake en legde kalmeerend zijn hand op den schouder van den opgewonden opzichter.

„’t Kan in twee maanden afgeloopen zijn!”

„Welnu, tot zoolang mondje dicht. Ik vertrek morgen naar Brisbane en zal de zaak met mijn agenten en een advocaat voorbereiden.”

De wasschers en scheerders waren in voldoend aantal op het station aanwezig en de werkzaamheden zouden een aanvang nemen. Rondom een diepgelegen plas was een kring van stevige palen gemaakt die, naar de zijde van het station, een breede opening had. Deze was de ingang van een langzaam oploopende, met planken belegde, breede gang, welker zijwanden eveneens door palen gevormd werden. Deze laan leidde naar het droge; aan den uitgang ervan stonden op dikke, hooge palen in een rij, zes groote bakken, die door perspompen met water uit den plas werden gevuld. De bodem der bakken had een lange dwarsspleet, waardoor het opgeperste water in een breeden straal weer naar beneden stortte.

Aan de andere zijde van den waschvijver, tegenover den ingang van de palengang waren afloopende steigers aangebracht, die van de hooge graslanden naar het water voerden.

In de eerste gang stonden, tot aan de heupen in het water, een dertigtal wasschers gereed; ruwe baardige, pootige kerels wier geheele kleeding uit een flanellen hemd en een zeemleeren kniebroek bestond.

De zon komt op en daar nadert ook reeds een stofwolk.

De herders en alle beschikbare manschappen van het station komen schreeuwende achter de kudde schapen aanrennen.

De angstig blatende schapen en lammeren hollen blindelings vooruit en ploffen bij tientallen te gelijk, door de achteraankomenden opgeduwd, van de hooge steigers in het water. Hun eenige uitkomst is de palengang.

De wasschers stroopen de mouwen op en ieder pakt een beest bij de lange wol, smijt het om in het water, perst en kneedt de dikke vacht een paar maal in zijn stevige knuisten en jaagt het rillende dier verder de gang in. Daar komen de schapen onder de stroomen uit de bakken en ontvangen vijf- of zesmaal een flink stortbad; waarna ze in de groote kampen van den schrik kunnen bekomen.

Lang evenwel hebben ze daar geen rust; in een paar uren heeft de geheele kudde den doop ontvangen, en nu moet het eigenlijke wasschen beginnen. De dieren worden voor de tweede maal, maar bij kleinere hoeveelheden naar de steigers gedreven; nu evenwel staan de wasschers onder de bakken en elk schaap dat uit de laan komt, wordt gegrepen, onder het neerstortende water gehouden en daarop wordt de natte vacht een vijf minuten lang gekneed, geknepen en gewrongen. Als de stroom schapen of de straal water wat zwak wordt naar den zin der haastige wasschers, schreeuwen ze zonder ophouden om water en apen [15].

De dieren geven geen geluid; ze zijn half bedwelmd door het koude water, en wanneer de hardhandige wasschers ze met een ruk en een „sta aap” op de pooten zetten, vallen ze soms als verlamd om en blijven een poos roerloos liggen. Dan strompelen ze verder een kamp in, waar de zon hun doorweekte vacht spoedig droogt.

Willem had de schapen naar de steigers helpen drijven en stond nu naar het wasschen te kijken. Mr. Walebone zag hem en kwam op hem toe.

„Zeg eens, Roda! wat sta je daar met je handen in den zak! je bent hier geen logé. Kom, aangepakt, zeg ik je, en niet te zachtzinnig.”

De leerling gehoorzaamde; de schapen, die onder zijn handen doorgingen, hadden zich evenwel niet te beklagen, maar de wol werd ook niet schoon. Pas was de manager uit het gezicht of hij gaf er den brui van en wandelde op zijn gemak verder.

Vóór hem lag de ontzaglijke lange wolschuur, en in den omtrek daarvan hadden de scheerders hunne tenten opgeslagen.

Dat waren, zooals hij van Dilly had vernomen, over het algemeen minder ruwe klanten dan de wasschers. Er waren dikwijls squatters bij, die de grove verdiensten gebruikten, om hun pas gevestigde stations, waar nog weinig te scheren viel, van schapen of runderen te voorzien. De handigsten en vlugsten verdienden dan ook in één scheertijd wel eens negentig tot honderd pond.

Terwijl Willem bedaard tusschen de tenten doorwandelde en hier en daar een kijkje ging nemen, voelde hij eensklaps de zware hand van den bestuurder op zijn schouder vallen. De man zag wit van kwaadheid.

„Zul je me gehoorzamen of niet!” snauwde hij Willem met van woede schorre stem toe, „ik heb je gelast, te helpen wasschen!”

„Dat kon ik niet!”

„Dan zal ik je een werkje geven, dat je wel kunt, al was je de grootste ezel van Queensland!”

„Dan zijn er toch meer ezels in Queensland!” antwoordde Willem, die volstrekt geen achting gevoelde voor den man, wiens slecht karakter hij kende.

„Ga mee!” siste de manager tusschen de tanden en liep driftig voorop.

Willem volgde bedaard, nieuwsgierig naar hetgeen komen zou. Ze liepen de hutten en tenten voorbij naar de wolschuur.

Mr. Walebone trok een zijdeur open en nu bevonden ze zich midden in een honderd meter lange loods. Een oorverdoovend geraas kwam hun te gemoet.

’t Was een gerikketik, alsof de geheele loods met groote tikkende klokken was gevuld, vermengd met het angstig geblaat van duizenden schapen en een geschreeuw en onverstaanbaar geroep van honderden mannen en jongens.

Mr. Walebone trachtte tevergeefs het geweld te overschreeuwen; hij wenkte Willem met een nijdigen blik hem naar het midden te volgen.

Langs de wanden der schuur stonden of lagen de scheerders in twee rijen achter elkander; ze hielden elk een schaap tusschen de knieën geklemd, duwden het door een laag deurtje naar buiten of liepen haastig naar de schaapskooien, die het midden der zaal besloegen, om een ander te krijgen.