Part 2
Het ongeluk had deze vier menschen, vroeger door een stoet bedienden en tallooze vermakelijkheden dikwijls gescheiden, saamgebracht en zoo innig verbonden, dat ze zich in hun armoede rijker gevoelden, dan ooit te voren; veel rijker en gelukkiger, dan hun vroegere kennissen wel konden vermoeden, als ze op hun partijtjes, met geveinsde of oprechte deelneming, de benarde omstandigheden van die arme Roda’s ter sprake brachten.
Maar ’t schijnt wel, dat de nijdige tegenspoed bij één enkelen aanval geen leedvermaak genoeg smaakt, en er een wreed behagen in schept, juist, hen met zijne slagen te vervolgen, die na den eersten slag weder fier het hoofd opheffen.
De familie Roda althans was zelfs dit bescheiden geluk niet gegund; een ramp wachtte hen, veel grooter dan de vorige, en van een zijde, vanwaar zij die het allerminst vermoedden.
Twee maanden waren er verloopen sedert het faillissement van Willems vader, en Willem zou voor eerst weer naar school gaan.
Drie klassen van het gymnasium had hij reeds doorloopen, en twee jaren was hij primus geweest.
Hij was een van die gelukkige jongens, die alles leeren kunnen, zonder dat het hun veel inspanning kost, en tegen wie de andere jongens niet zelden met bewondering of met afgunst opzien. Hij verlangde er dan ook naar, weer naar school te gaan, maar nu zag hij tegen een ontmoeting met zijn schoolmakkers op als tegen een berg.
Hij schaamde zich. Waarvoor? Daarvan wist hij zich geen rekenschap te geven.
Den vorigen avond was er visite geweest. De huisheer, tevens een der nieuwe buren van Roda, had een beleefdheidsbezoek gebracht.
Ofschoon het gesprek in het begin weinig aantrekkelijks voor Willem had, gebood de wellevendheid hem, zijn leesboek ter zijde te leggen. Hij luisterde onwillekeurig; eerst dwaalden zijn gedachten af, maar spoedig werd zijn aandacht geboeid, daar er over hem werd gesproken. Zijn vader zeide namelijk, dat hij wel lust had Willem van school te nemen, indien hij hem in een flinke zaak geplaatst kon krijgen.
Het vóór en tegen van vele zaken werd nu overwogen, en de bezoeker, die in den kleinhandel rijk was geworden, bleek een groote mate gezond verstand te bezitten.
„Ja, mijnheer Roda, ik herhaal het, een boekhandel, goed opgezet en flink aangepakt, kan eene goudmijn worden. Ik voor mij, zou er niet meer aan denken, ik heb Goddank, mijne schaapjes op het droge, maar voor mijn zoon, ziet u! Die is nu al achttien jaar en ik weet werkelijk niet, wat ik met hem moet beginnen. Ik heb hem van alles laten leeren; ziet u, mijnheer, zoo’n pet vol gouden tientjes heeft me de jongen gekost. Maar waar het niet in zit, daar krijg je het niet in, al sta je er met de zweep achter.
„Ik heb het al in de tabak met hem geprobeerd; hij is ook een paar maanden op een effectenkantoor geweest, maar daar had hij in ’t geheel geen zin in. Hij wou met alle geweld in een boekwinkel. Nu is hij al een jaar bij een boekhandelaar, en daar schijnt het hem te bevallen.”
„Nu,” zeide Roda, tot de breedsprakigen kruidenier, „dan heeft hij toch eindelijk zijn bestemming gevonden, en zal wel vooruitkomen.”
„Och het zou wat, mijnheer! Vooruitkomen in een winkel! Voor een paar gulden in de week knecht zijn voor een ander! Neen, mijnheer, niet voor niets heeft zijn vader een aardig kapitaaltje bij elkaar gespaard. Zoo gauw ik er kans toe zie, zet ik hem zelf in een flinke zaak.”
„Waar wacht u dan op?” vroeg Willems vader.
„Ja ziet u, hij is wel een flinke jongen, maar soms zoo kinderachtig, en ook, hoe zal ik het noemen, zoo onbestendig. Ik ben niet op de hoogte met de boeken, en als hij alleen voor zoo’n winkel moet zorgen, zal het hem spoedig vervelen, ziet u.”
De kleine, doordringende oogen van den dikken kruidenier hadden Willem reeds geruimen tijd vervolgd en terwijl hij hem bleef aanzien zeide hij tot Roda:
„Kijk, als uw zoon een paar jaar ouder was, zou ik zeggen: laat ze ’t samen eens probeeren! Die zoo lang in de boeken gestudeerd heeft, moet er dunkt mij, wel verstand van gekregen hebben. Geld om te beginnen heb ik genoeg, dat zou geen bezwaar zijn!”
Willem’s oogen schitterden; hij dacht er niet aan, dat er iets beleedigends kon zijn in den klemtoon, dien de huisheer op het woordje ik legde. Zelf geld verdienen voor zijne ouders! Een winkel met boeken, leesboeken en studieboeken, wat een luilekkerland!
„Uw voorstel is zoo kwaad niet, mijnheer Van Dal”, zei Roda, wien de zaak toelachte, omdat ze hem zelf ook bezigheid kon bezorgen. „Willem is nu nog te jong; maar indien u uw zoon nog een jaar bij zijn patroon laat blijven, laat ik Willem nog een jaar naar school gaan. Na dien tijd zijn beiden nog wel wat jong, maar ik heb van boeken en platen ook wel een beetje verstand, en wij beiden kunnen immers altijd een oog in ’t zeil houden.”
„Mijnheer Roda, ik geloof dat het wel lukken zal....
„Al tien uur! Wat zal de vrouw kwaad zijn; ik kom nog wel eens terug, om er over te spreken. Goeden avond, dames! Goeien avond, Willem, leer maar goed, dan zal het wel losloopen; kom eens kennis maken met mijn jongen! Goeien avond, mijnheer, nogmaals geluk gewenscht in de nieuwe woning; ik dank u wel voor de vriendelijke ontvangst! Als u me spreken wilt: een trapje hooger; onder één dak, ziet u! Zonder kloppen binnen! Wel te rusten!”
Nadat de buurman vertrokken was, werd de zaak nog lang en breed besproken, en Willem ging naar bed met de troostrijke gedachte, dat hij over niet al te langen tijd misschien een steun voor zijn ouders zou worden.
Toen de dikke huisheer reeds zijne slaapmuts had opgezet en met de eene hand de beddeplank vasthield, om met een wipje in bed te springen, mopperde hij nog tegen zijn vrouw, die kousen zat te stoppen.
Ze had niet willen meegaan op bezoek bij de nieuwe huurders.
„Hebben ze mij nou den neus afgebeten? Aardige menschen zijn het! Jij stoort je altijd aan praatjes van de lui: geen ziertje trotsch zit er in, zie je. Geen oogenblik hebben ze me laten merken, dat ze me liever zagen gaan dan komen, of me laten voelen, dat ze van fijner komaf zijn dan ik of jij. Daar kun je juist de voorname lui aan kennen, zie je?”
„Willem, het is bijna schooltijd; je hebt een heel eind verder te loopen. Zou je niet heengaan, jongen?” zeide Emilia den volgenden morgen.
„Ja, dadelijk. O, ’t is nog veel te vroeg!” antwoordde hij met een blik op de pendule.
„Neen, Willem, ’t is hoog tijd; kom, hier zijn je jas en je pet. Niet kinderachtig zijn! De leeraren zullen nergens over spreken en mochten de jongens soms iets zeggen of iets doen, wat je niet bevalt, doe dan alsof je het niet merkt. Gedraag je verstandiger, dan die domme onnadenkende jongens, die hun makkers voor de voeten gooien, wat de ouders misdaan hebben. Want je moet weten, dat er een paar jongens bij je op school zijn, wier ouders schade geleden hebben door pa’s faillissement; bij hen thuis zal wel niet met liefde over ons gesproken worden; misschien stoken deze jongens de andere op je te beleedigen. Houd je dan goed, word vooral niet driftig.”
En hiermede schoof ze hem zachtjes de deur uit.
Met een bezwaard hart trad Willem het schoollokaal binnen.
De jongens hadden reeds plaats genomen, maar de les was nog niet begonnen.
Bij Willem’s verschijnen verstomde plotseling het verward rumoer. Hij ging naar zijn plaats in de eerste bank. Alle blikken voelde hij op zich gevestigd; dit deed hem beurtelings blozen en verbleeken. Er viel hem een steen van het hart, toen de leeraar binnenkwam en de les begon.
Maar den geheelen morgen bleven de jongens hem aangapen, alsof hij een vreemd dier was. Wanneer hij op een enkele vraag van den leeraar moest antwoorden, was het zoo onnatuurlijk stil in de klasse, dat men elkaar kon hooren ademhalen. Nu en dan werd de stilte verbroken door een onderdrukt gegiegel, dat Willem het bloed naar het hoofd joeg.
De klok sloeg twaalf, en Willem slaakte een zucht van verlichting. Nog nooit had hem de schooltijd zoo lang geduurd. Voordat één van de jongens het lokaal verlaten had, was hij reeds op straat en sloeg een zijstraatje in, vast besloten dien middag niet weer naar school te gaan.
Daar hij te veraf woonde om naar huis te kunnen gaan, zou hij zijn twaalfuurtje in een melkhuis gebruiken.
Het had den geheelen nacht gestortregend en de straten geleken wel modderpoelen.
Willem slenterde rond, gracht op gracht af, straat uit, straat in.
Omstreeks half twee was hij in de Kalverstraat verzeild geraakt. Hij bleef voor een der boek- en plaatwinkels staan, en bekeek met welgevallen de fraaie boeken en platen in de uitstalkast; voor het eerst in zijn leven was hij nieuwsgierig den prijs ervan te kennen.
Hij keek naar binnen, zag den bediende iets verkoopen en het geld in de lade strijken.
Dit bracht hem het gesprek van den vorigen avond te binnen en herinnerde hem aan het plan van Van Dal.
In zijn verbeelding ziet hij zich zelven als gelukkige bezitter van een boekwinkel achter de toonbank, bezig het geld van de klanten op te strijken.
De lade vult zich meer en meer met zilver en goudgeld, en is weldra niet meer te sluiten; geen nood, kisten en kasten zijn er genoeg in huis. Ook die zijn weldra vol. De koopers stroomen toe uit alle wijken der stad; zwart van volk is de winkel; het geld waait in huis, als eertijds op zijn vaders bankierskantoor.
Al rijker en rijker wordt hij. Eindelijk heeft hij geld genoeg.
De winkel zinkt weg in de diepte. Een groot gebouw rijst er voor in de plaats, met talrijke kamers, marmeren gangen, bronzen beelden en kostbare schilderijen; alles in stilte gekocht voor zijn geld. Nu naar huis! Vader, moeder en zuster van de armzalige bovenwoning gehaald, en in triumf naar het nieuwe huis gevoerd.
Ook het hardsteenen gebouw verdwijnt als rook in den wind.
Een ander doemt uit den nevel op. Ver van hier, te Königswinter aan den Rijn in Duitschland, staat een villa gereed om zijne mama te ontvangen; geen gehuurde zooals in vorige jaren, maar een eigen gebouw, het schoonste van de streek, met stalling en koetsen en paarden in overvloed. Kijk, mama en Emilia zitten in den mandenwagen, papa ment het vurige vierspan. Hoe de paarden over den straatweg vliegen, hoera! En door zijne gedachten medegesleept, rent Willem de Kalverstraat door, als wilde hij de paarden tot nog sneller vaart aanzetten.
Helaas, de Kalverstraat is geen geschikte plaats om luchtkasteelen te bouwen.
Bof! Daar vliegt hij tegen het lijf van een wandelaar op. Deze valt als een blok achterover en komt met zijne partes posteriores in een plas neer. Willem is in een oogenblik ontnuchterd, en herkent tot zijn schrik in den man, die midden in de Kalverstraat in de modder zit, den bewusten Van Dal. De dikke man doet vergeefsche pogingen, om op te komen, en kijkt daarbij zoo pijnlijk en tegelijk woedend, dat Willem het geraden oordeelt een steegje in te snijden.
In een oogwenk heeft zich een standje om den man gevormd.
Het voorval is koddig; aan kwinkslagen is dan ook geen gebrek.
In plaats van hem te helpen gaat een dienstmeisje vlak voor hem op de hurken zitten, met de handen op de knieën.
„Wil uwé soms een kussentje?” zegt de meid, „of heeft u zich bezeerd?”
Een slagersknecht neemt het woord:
„Geen nood, Mietje, het varkentje is op zijn spek te land gekomen.”
„Een leelijk gevalletje!” meent een ander.
„Mò, mò, mò, mòt meheer nou overreeje worre,” roept de schoenpoetser van den hoek, die haastig komt toeloopen.
„Laat ik mijnheer maar eris helpe.”
De schoenpoetser aan de eene en de slager aan de andere zijde nemen den man, wien het huilen nader staat dan het lachen onder den arm en hijschen hem op.
„Zie, zoo! daar gaat-ie! één, twee, drie, haal op de hei!”
„Daar is-ie al! Schoonmake, meheer? Kom hier op de stoep, meheertje.” En met deernis ’s mans kleeren beschouwend, zegt de schoenpoetser uit den grond van zijn hart:
„Zoo’n kwaaie jonge!”
De „kwaaie jonge” was intusschen het steegje doorgeloopen en op het Singel uitgekomen.
Hoewel hij er een vaag begrip van had, dat hij zooeven een huis en een villa had omvergeloopen, oefende het onthutst en nijdig gezicht van den zwaarlijvigen kruidenier zulk een invloed op hem uit, dat hij ondanks zijn schrik, glimlachend zijn weg naar school insloeg en zijn plan om te boemelen vergat.
Op den hoek, niet ver van de school, stonden eenige jongens te praten en te stoeien.
’t Waren niet de netste en niet de beste jongens van de klasse; met de meesten stond hij op niet te besten voet. Zij konden het niet uitstaan, dat hij zich nooit met hen bemoeide en hen altijd op een afstand hield.
Toen Willem hen uit de verte zag, kwam hem de akelige morgen, dien hij op school had doorgebracht, weer voor den geest.
Hij stond in tweestrijd, of hij omkeeren en naar huis gaan of doorloopen zou, toen hij aan hun gebaren en bewegingen bemerkte, dat zij hem gezien hadden.
„Jongens, daar heb je Willem Roda weer; hij durft niet voorbij!” begreep hij dat zij zeiden, al kon hij het door den afstand niet hooren.
Nu verbood zijn gevoel van eigenwaarde hem, terug te keeren; met trotsche houding, misschien wel wat al te trotsch, doordat het opzettelijk geschiedde, stapte hij door.
De jongens stonden midden op de gracht, zoodat hij moest uitwijken, om te kunnen voorbijgaan.
„Daar heb je die bluffer, die praatjesmaker!”
„Kijk die kale jonker nog eens deftig stappen!” klinkt het hem reeds tegemoet.
Hij kijkt recht voor zich uit, maar ziet toch wel, hoe aller blikken uitdagend op hem gericht zijn.
Een van de jongens, algemeen bekend onder den naam van „de schooier”,—een eerenaam, dien hij zich gewoonlijk liet welgevallen,—stak een hoofd boven alle anderen uit. Hij had een gemeen gezicht, en ofschoon van gegoede ouders, was hij altijd slordig in de kleeren.
Op het oogenblik, dat Willem voorbij wil gaan, werpt „de schooier” een kleinen jongen tegen hem aan.
Willem blijft staan en keert zich driftig om naar de jongens. Deze heffen een hoeraatje aan.
’t Bloed stijgt Willem naar het hoofd; zijn vingers jeuken en hij drukt de gebalde vuisten tegen de zijden. ’t Liefst zou hij op een van de jongens zijn toegevlogen of er blindelings op losgeslagen hebben.
Maar hij bedenkt zich, en nog bijtijds schieten hem de waarschuwende woorden van zijn zuster te binnen. Hij bedwingt zijn drift en wil voortloopen. Maar nu wordt hij van achteren bestookt, met boeken, tasschen en riemen. Met van drift bevende stem zegt hij, zich omkeerende:
„Wat wil jullie van mij? Wat heb ik jullie gedaan? Laat me gaan; ik bemoei me ook met niemand!”
Willem zag, dat „de schooier” de anderen van achteren tegen hem opduwde, en met tranen van woede in de oogen gilde hij:
„Pas op, schooier, neem je in acht!”
„Wie schooier, wat schooier!” roept deze, dringt naar voren tot vlak voor Willem, en kijkt uit de hoogte op hem neer.
„Nu nog mooier! bemoei jij je niet met ons, dat wil ik wel gelooven, daar ben je nog te trotsch voor, al ben je nu ook zoo arm als de mieren, kale jakhals! Zeg, kijk me niet zoo voornaam aan, of ik zal je een slag op je bakkes geven, dat je den grond zoekt!”
De jongens, belust op eene vechtpartij, vormen een kring en beginnen op te hitsen: „Schooier, geef hem er een!”
Deze duwt met zijn schouder tegen Willems hoofd op.
Willems bloed kookt, maar zijne tegenpartij schijnt hem een reus. Hij kijkt om, of hij op hulp kan rekenen, doch ontmoet achter en voor alleen blikken vol leedvermaak.
Daar gooit een jongen achter hem, hem tegen zijn tegenstander aan.
„Zeg, sta op je lijf,” zegt deze, met een gevoeligen stomp tegen Willems kin.
Nu kan hij het niet langer uithouden. Met een sprong als van een kat, springt hij tegen den schooier op, en grijpt hem in de borst. Een oogenblik later rollen ze over de steenen. Willem, hoewel minder sterk, is veel vlugger dan zijn tegenpartij; hij worstelt zich boven, en nu dalen de vuistslagen als hagelsteenen op het hoofd van den schooier neer.
De jongens, die dezen eerst opgehitst hebben, verkneukelen zich nu van plezier, als zij zien hoe hij er van langs krijgt en worden met eerbied voor Willem vervuld.
Deze heeft er genoeg van; hij staat op, en zegt hijgend, terwijl hij zijn gehavende kleeren recht trekt:
„Zie zoo! nu heb je gezien, dat ik niet bang voor je ben, nu zul je me in ’t vervolg met rust laten.”
De overwonnene kan zijn spijt niet verkroppen:
„Och, verbeeldt je maar niet, dat je de baas bent gebleven, ik ben uitgegleden door de modder, maar begin nu nog eens als je durft! Ja, strijk je boordje maar glad! Wat zal je moesje wel zeggen, dat er modderspatjes op je pakje zijn!”
Willem is volstrekt niet van plan weder te beginnen en antwoordt slechts met een verachtelijken blik en een liptrekking.
De schooier moet zijn spijt over de nederlaag lucht geven; de builen en schrammen op zijn hoofd doen hem geweldig pijn, en Willems schijnbare kalmte prikkelt hem nog meer. Met een sarrenden grijnslach roept hij Willem, die zich omgekeerd heeft om heen te gaan, na:
„Zeg Willempie, is het waar, dat je pa zich doodgeschoten heeft?”
Willem blijft staan. De grond golft onder zijn voeten, de hemel staat in vuur en vlam; razend van drift keert hij zich om en met een gebrul, als van een wild dier, vliegt hij op den laaghartigen jongen toe en geeft hem een hevigen schop tegen den buik.
Een rauwe gil snijdt door de lucht en de schooier zakt ineen.
Willem stond verpletterd: hij zag hoe het gezicht van den ongelukkige met een lijkkleur overtogen werd; hij zag nog hoe de jongens schreeuwend en gillend op de vlucht gingen, hoe van alle kanten de menschen kwamen toeschieten, hoe twee mannen zijn slachtoffer voorzichtig opnamen en wegdroegen, toen was het hem of een dikke mist voor zijne oogen zweefde en hem het zien belette, zijn ooren suisden en als aan den grond genageld bleef hij staan. Plotseling voelde hij de zware hand van een politieagent op zijn schouder. Een rilling voer hem door de leden, en willoos, zonder zich bewust te zijn, wat er met hem gebeurde, volgde hij den agent naar het bureau.
Een half uur later viel de ijzeren deur van de gevangenis met een akeligen, doffen slag achter hem dicht.
HOOFDSTUK III.
In den loop van dien noodlottigen dag ontving Roda een briefje van den commissaris van politie, het verzoek inhoudende, even aan het bureau te komen. Hij was zich niets kwaads bewust; toch schrikte hij bij het lezen. Wat kon het zijn?
Allerlei gissingen kwamen snel na elkander bij hem op, de eene al ongerijmder dan de andere; maar even spoedig werden ze verworpen. Intusschen, iets moest er toch voorgevallen zijn. Als Emilia nu maar terugkwam; ze was even uitgegaan, om een luchtje te scheppen en meteen een paar noodzakelijke boodschappen te doen.
Roda kon zijn vrouw niet alleen laten; daar hij en zijn dochter altijd zorgden, minstens één van beiden thuis te zijn, zou dat argwaan wekken, en hij wilde haar niet noodeloos ongerust maken.
Met haastige schreden liep hij de kamer op en neer, en gaf zich moeite, zijn ongeduld en zijn onrust te verbergen.
Emilia kon reeds terug zijn! Wat bleef ze lang weg! Dat was toch hare gewoonte niet!
Hemel, als haar eens iets overkomen was! Onwillekeurig greep hij naar zijn hoed aan den kapstok.
„Johan, wat mankeert je? Wat is er gebeurd?” riep zijne vrouw, ontsteld opstaande.
„Och, niets van belang; ik moet even weg, en Emilia komt niet terug.”
„Wel, ik ben niet ziek meer en kan wel een oogenblik alleen blijven.”
Daar werd gescheld. Gelukkig, het was Emilia.
In een oogwenk had haar vader zijn jas aangeschoten en zijn hoed opgezet.
„Ik kom spoedig terug.”
Zijn gejaagdheid ontging Emilia niet. Den schijn aannemend hem nog iets op te dragen, volgde zij haar vader in de gang.
„Vader, wat is er te doen? Waarom zoo haastig?”
Roda toonde haar het zoo even ontvangen briefje. Ook zij poogde tevergeefs de oorzaak te raden. Aan Willem dachten geen van beiden; die zat immers rustig en wel op de schoolbanken.
Het gerust geweten van Willems vader gaf dezen spoedig zijn kalmte terug, en bedaard stapte hij de kamer van den commissaris binnen.
Als een donderslag bij helderen hemel trof hem de jobstijding. Indien eenige beambten hem niet gegrepen hadden, zou hij tegen den grond geslagen zijn. Voorzichtig deden ze hem op de bank plaats nemen, en boden hem een glas water aan. De commissaris en de agenten, ofschoon aan dergelijke tooneelen gewoon, waren met zijn leed begaan. De eerste bezorgde den ongelukkigen vader in zijn leuningstoel een gemakkelijker rustplaats, en bleef zelf staan.
Met de ellebogen op de knieën en het gelaat in de handen verborgen, bleef Roda roerloos zitten.
De commissaris was er verlegen mede; hij verweet zich, bij de mededeeling van het feit niet omzichtig genoeg gesproken te hebben, en wist niet, hoe hij zijn onhandigheid weer goed zou maken.
„Mijnheer,” zei hij, na een poos, op eenig teeken van leven gewacht te hebben, „mijnheer, sta eens op, laat de droefheid u niet overmeesteren, er moet gehandeld worden. Is u in staat, mij aan te hooren?”
Roda hief het hoofd op.
„’t Eerste, dat u te doen heeft, is naar de ouders van den verslagene te gaan en te trachten, het hart van den vader te vermurwen. Ik heb den heer Walling hier ontboden, maar hij heeft tot nu toe geen gevolg aan mijn oproeping gegeven. Misschien kan hij uw zoon de voorloopige hechtenis besparen.
„Stel u evenwel de zaak niet te licht voor, want al is de arme jongen nog niet dood, de geneesheer verklaarde mij, dat er weinig of geen hoop op herstel bestaat. Bovendien vernam ik, dat de heer Walling reeds eenigermate uw vijand is; bereid u derhalve voor op een onaangename ontmoeting. In elk geval kunt u beproeven, of hij tot gematigdheid te stemmen is; haast u dus.”
Roda stond met knikkende knieën op.
„Wil ik u een agent meegeven?”
Nauwelijks had de commissaris de woorden uit den mond, of de deur werd driftig opengeworpen, en Walling zelf stond op den drempel.
Niet zoodra werd hij Roda gewaar, of zijn gelaatstrekken verwrongen zich tot een onbeschrijfelijke uitdrukking van woede en haat, en met den brullend uitgestooten kreet: „moordenaar!” wierp hij zich op Roda.
De agenten hadden moeite, dezen uit de handen van den razende te bevrijden. Op een wenk van den commissaris brachten ze den hevig ontstelden man uit de kamer in de voorzaal.
Toen Roda eenigszins van den schrik bekomen was, verliet hij met loome schreden het bureau.
Waarheen? Naar huis? De ontzettende tijding aan vrouw en dochter brengen? Hij had er den moed niet toe. Doelloos dwaalde hij rond.
Een ijzige Decemberwind woei hem om het verhitte hoofd, doch bracht geen verkoeling. Al zijne polsen klopten, als moesten de aderen barsten. De voorbijgangers staarden nieuwsgierig den armen man aan, die, met gebukt hoofd, van het trottoir op de straat, en van de straat weer naar het trottoir waggelde, als was hij beschonken.
Zonder te weten, hoe hij er gekomen was, stond hij voor de gevangenis. Het deerde hem niet, hij bemerkte het nauwelijks, dat de leegloopers bleven staan, en hem brutaal aanstaarden.
Hij schelt, een sombere klank galmt door de gewelfde gang. De schildwacht staakt, ondanks zijne verkleumde voeten, den haastigen tred en blijft trantelend staan. De sleutel knarst in het slot.
Een cipier, met den onafscheidelijken, rammelenden bos sleutels, opent de deur op een kier.
„Is mijn zoon hier?”
„Zijn naam?”
„Willem Roda.”
„Zal hooren,” zegt de cipier en slaat de deur dicht; ’t is ook zoo koud buiten.
Weer gaat de deur open. Men laat Roda binnen.
Op eene tafel in het portierskamertje ligt het register.
Een andere beambte bukt zich over de lange lijst.
„Roda, zegt u? A, B, D, G, M, R, Ra, Re, Ro, Roda, juist, No. 41, van middag gebracht.”
„Laat me, als het u belieft een oogenblik bij hem.”
De cipier glimlacht om Roda’s onnoozelheid. Hoe kan iemand ook zoo dom zijn?
„Onmogelijk, mijnheer! De directeur is er niet, maar spaar u de moeite van het wachten. Nu nog niet; hij is nog niet voor den rechter van instructie geweest. U kunt later terugkomen.”
„Maar het is mijn zoon, mijn Willem, ik moet hem spreken, ik wil hem zien, ik ben zijn vader!”